Het denksysteem der eenzamen

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 68

7 juni 1957

Dan ons onderwerp voor vandaag. Ik heb daarvoor gekozen een betrekkelijk onbekende filosofie, die geboren is in lang vervlogen tijden op het vasteland van Zuid-Amerika

Wij vinden daarin enkele Atlantische concepten terug. Maar voor het grootste gedeelte is deze filosofie toch wel beïnvloed door de omgeving: ondoordringbare oerwouden, wijde vlakten, ontoegankelijke gebergten. Het is hier, dat de denker zich ontplooit en zich de vraag stelt: “Ben ik eenzaam?” En vreemd genoeg wordt deze vraag de grondslag van een heel denksysteem. U zoudt kunnen zeggen:  Het denksysteem der eenzamen.

“Waar je ook leeft en hoe je ook leeft, wat je rang is, je status in het leven, je blijft altijd ten dele eenzaam. Want geen mens kan met een ander mens volledig zijn leven delen. In een ieder is een klein heiligdom, waarin hijzelf afgezonderd van de wereld bestaat; een heiligdom, waarin hij niemand toegang kan verschaffen.”

Het is begrijpelijk, dat men tot deze stelling komt. Want hoe vaak merken wijzelf niet, dat onze innigste gedachten, onze diepste belevingen, niet volledig kunnen worden uitgesproken. Hoe vaak bemerken wij ook niet, dat wij niet in staat zijn onze handelingen tegenover anderen duidelijk uit te spreken, onze gedachtegangen volledig uit te drukken. Een zekere eenzaamheid mag de mens dan, ook zeker toegeschreven worden, ook al onderschrijf ik niet de gedachtegang, die zegt: “Het is dus noodzakelijk als een eenzame temidden van het leven te bestaan, want eerst in de eenzaamheid wordt de menselijke waarde uitgedrukt.” Dat gaat mij iets te ver. Want de menselijke waarde bestaat in ons, zeker. Maar niet alleen in eenzaamheid. Wat latere denkers hebben dan ook deze gedachtegangen verder ontwikkeld op een wijze, die voor mij en ook voor onze gehele groep veel meer aanvaardbaar is.

“Wanneer ik leef in de afgeslotenheid van mijn eigen wezen, dan voel ik banden met een ongekende wereld. Eenzaam ben ik, indien ik zeg: “Slechts mens ben ik.” Maar niet eenzaam ben ik, indien ik zeg: “Geboren ben ik als kind der goden,” Kinderen der goden, mensen geboren uit goddelijke kracht, mensen gebonden door waarden zo hoog, dat juist daardoor hun eenzaamheid ontstaat.

Een zekere Arto Guelpa heeft dat zeer concreet uitgedrukt, toen hij zegde: “Eenzaam ben ik, omdat ik als mens niet kan uitdrukken, wat er in mij leeft. Maar geef mij de middelen om mijzelf te uiten en hetgeen ik voel en niet zeggen kan tot uitdrukking te brengen, en ik zal dan zijn met de hoogste krachten en met alle dingen.”

Het is eigenlijk zo eenvoudig. Je bent afgezonderd van de wereld, omdat je aan vormen, aan kwaliteiten waarden hecht, die op zichzelf niet zo belangrijk zijn. Je bent afgesloten van de wereld, omdat je die intense beleving, die in je soms mogelijk is dat grote leed, die grote vreugde, die grote liefde, die grote haat niet kunt uitdrukken. Hoe ver je ook gaat in stoffelijke zin, je kunt eenvoudig niet uitdrukken, wat je werkelijk bent, wat je werkelijk voelt.

Maar neem nu de belemmering van het menszijn weg. Geef ons de geest, vrij om zichzelf te zijn. Leven daarin dan niet alle goddelijke kwaliteiten, die deel uitmaken van ons wezen? Worden daarin dan niet ten volle geopenbaard al wat wij zijn? Eenzaamheid kan alleen bestaan in stoffelijke zijn, nooit in geestelijke zijn.

Nu maak ik een grote sprong. Nu ga ik t.o.v. dit onderwerp verschillende denkers aanhalen, die uit verschillende tijden en verschillende werelddelen stammen. Ik zal ze niet afzonderlijk voor U stipuleren, dat is niet nodig.

“Eenzaam ben ik, zolang ik mijzelf niet ken. Maar mijzelf kennende ben ik één met al het zijnde.” (Indië.) Mijzelf kennende ben ik een met al het zijnde. Met andere woorden wanneer je tot de kern van je eigen wezen weet door te dringen, zijn alle bijkomstigheden plotseling weggevallen, onbelangrijk geworden, vergeten.

“De werkelijkheid is een band, die ligt tussen al het geschapene, tussen alle mensen. De voorvaderen zijn één met het huidig geslacht. Indien het huidig geslacht dit beseft, zal het in zich dragen alle krachten der hogere werelden en alle krachten der menselijke gang.” (China.) Het is begrijpelijk. Wij zijn niet afgezonderd. Of wij dat nu willen of niet; wij zijn geestelijk en zo wij in de stof leven ook stoffelijk deel van een reeks, van een groter geheel. Het lichaam dat U bezit is gevormd door ontwikkelingen, die teruggrijpen tot in de duistere jaren der geschiedenis, waarin geen mens meer kan doordringen. De genen hebben U gevormd, zoals gij zijt, door de gedachten, de handelingen en daden van ontelbare voorouders. Gij zijt een product van een reeks in stoffelijke zijn, en ge zult zelve ook weer die reeks voortzetten. Want Uw stoffelijk bestaan, ongeacht of ge zelve nageslacht kent of niet, zal zijn indruk achterlaten op alle wereld, die na U komt.

En geestelijk? “Wij zijn één met alle voorvaderen,” zegt deze filosoof. In onze termen zeggen wij het anders: “Wij zijn één met de wereld van de geest,” Al wat U is voorgegaan in de geest bestaat op het ogenblik ook actief in U, Gij zijt immers niet gescheiden van die geestelijke wereld? Het is alleen Uw bewustzijn, dat dit nog niet kan beseffen. Maar alle krachten van de geest, goed en kwaad, licht en duister, werken door in Uw eigen geest. Voortdurend wisselt ge gedachten uit met alle werelden, die maar toegankelijk zijn, Ge kunt niet eenzaam zijn. Zelfs indien ge geheel afgesloten zoudt zijn van alle leven, eenzaam temidden van een rots, ingemetseld om daar te sterven, dan zoudt ge nog niet eenzaam zijn. In Uw lichaam spreekt het voorgeslacht, in Uw bewustzijn de geest. En er is geen ogenblik, dat niet duizenden, ja miljoenen levens met het Uwe verknoopt zijn.

“Wie zegt: ‘Ik ben alleen,’ doodt zichzelf.” (Vroeg-Afrikaans.) Op het ogenblik dat wij aan eenzaamheid gaan geloven, dat wij gaan denken, dat wij werkelijk afgesneden zijn van het leven, hebben wij onszelf beroofd van alle krachten, die in ons zijn. Het menselijk lichaam leeft door de krachten, die uit de omgeving worden opgenomen. De geest ontwikkelt zich en leeft niet alleen door de impulsen uit de stof, maar ook door de krachten, die uit geestelijke werelden voortdurend in haar samenvloeien. Krachten, die zowel leven betekenen als denken en bewust worden.

Wie zegt: “Ik ben alleen,” heeft zich afgesloten van alle dingen en kan daarin niet ondergaan, maar kan daarin ook niet leven. Niet leven en niet ondergaan is stilstand. Vandaar dat een volk, dat heel lang geleden heeft geleefd in de gebieden van de Stille Oceaan en ook het huidige Australië, de slagzin had: “Wie alleen is, kent rust. Wie rust kent, sterft.”

Wie alleen is, kent rust. Natuurlijk. Leven is een voortdurend ervaren, een zoeken naar hogere krachten en een vallen misschien tot diepten, waarvoor je jezelf schaamt. Leven wil zeggen: met je bewustzijn worstelen tegen de behoeften en de noodzaken van je eigen bestaan. Maar het wil gelijktijdig zeggen; je verrijken met ervaringen. Steeds meer begrijpen over wereld en over geest. Wanneer je dat niet hebt, heb je rust. Rust waarin geen nieuwe gedachte geboren wordt. Rust waarin geen nieuw beleven mogelijk is, maar alleen eenzaamheid, afzondering. Dan sterf je, omdat je niet meer groeien kunt en dus achterblijft bij het Al. Wie die rust vindt, afgesloten van het Goddelijke en slechts in zichzelf besloten, die verkeert waarlijk in een duisternis, waar geween is en knarsing der tanden. Want die rust betekent gelijktijdig, dat al wat je lief is, al wat je kent, alle wereld vooruitgaat in bewustzijn en jou alleen achterlaat. Dat is de enige eenzaamheid, die er bestaat.

In Jezus’ tijd werd er hierover ook iets gezegd; “Wie bidt tot de Vader is nimmer alleen.” Wanneer onze gedachten maar uitgaan naar andere krachten, wanneer we ons leven niet zien als een zelfhandhaving zonder meer maar als een actief samenwerken met andere krachten, met andere mogelijkheden en werkelijkheden dan, mijne vrienden, leven we. En geeft het dan veel, hoe wij vorm geven aan ons streven, aan ons denken? Is het nu werkelijk belangrijk, dat wij onze eenzaamheid op een bepaalde manier trachten te verdrijven? Welnee.

Ik wil hier een Koptisch leraar citeren, die aan zijn leerlingen het volgende zegde: “Bedenk wel, wat ge ook doet, stoffelijk of geestelijk, hoe ge het ook doet en wat de mensheid daar ook van denkt of zegt het is beter te handelen, dan niet te handelen. Want een ieder, die een daad durft stellen en deze stelt uit zijn behoefte naar een zijn met hogere kracht, wint daaruit hogere kracht.” Men kan niet ondergaan, wanneer men zoekt naar hogere bewustwording. “Maar ik zeg U wel dit,” voegde hij eraan toe, “wie zoekt, zoeke met mate. Want het licht, dat ons koestert, kan ons verschroeien, wanneer wij er te dicht bijkomen.”

Per slot van rekening behoeven wij helemaal niet bang te zijn, voor het leven niet, voor de dood niet, voor het gehele bestaan in welke vorm dan ook niet. Er is geen reden voor ons om ook maar één ogenblik te aarzelen en te zeggen: “We kunnen dit niet aan.” of “Dit is niet te dragen.” Wij leven in de hele wereld, in alle dingen. Wij leven met de geesten, die wij menen verloren te hebben. Wij leven met degenen, die in het duister ons nog niet erkennen; met de krachten van het schitterend licht, dat ons bewustzijn nog verblindt. Wij zijn één met al die dingen.

De grote waarheid, de waarheid der ingewijden, is deze: ‘“Slechts wie één wil zijn met alle dingen, kan één zijn met God. Slechts wie een is met God, kent de kosmos. Slechts wie de kosmos kent, ontsnapt aan de drijvende kracht van het noodlot.” Dat geldt voor U, dat geldt voor ons. Wij kunnen natuurlijk alles zoeken; en zolang wij het eenzijdig zoeken, blijven we een gevaar voor ons eigen bewustzijn. Wij krijgen gedachten van bezit, we krijgen gedachten van verwerping, van veroordeling van sommige waarden en aanvaarding van andere:” Dit is voor ons in een menselijke vorm misschien nog noodzakelijk, maar zeker weet ik, dat het geestelijk niet noodzakelijk is. Wanneer wij zoveel mogelijk zoeken bewust één te zijn met alle dingen, wanneer wij zoveel mogelijk zoeken contact te krijgen met alle krachten, dan komen wij daardoor tot een aanvaarden van God. Want we ontdekken steeds weer in alles een glimp licht, dat ons verbaast. Een glimp licht, dat ons een openbaring, een onthulling is. Wij leren schaduw en licht van elkaar scheiden op een manier, die ze niet meer tegenover elkaar stelt maar als een aanvullend geheel, gezamenlijk een vormtoetsing.

Wij kunnen in ons ervaren, in onze eenheid God vinden, omdat we naar God zoekende de wereld aanvaarden; want daarin wordt ons langzaam maar zeker God getekend. En zo kunnen wij op een gegeven ogenblik werkelijk onze eigen onbelangrijkheid versmelten met die lichtende Kracht, Die wij in alle dingen hebben gevonden. Dan behoeven wij ons verder eigenlijk niet eens meer druk te maken. We hebben die Kracht aanvaard, we hebben God aanvaard. Dan worden Zijn wetten, Zijn scheppende openbaringen voor ons duidelijk. Wij kennen de kosmos. Maar eerst wanneer wij die kosmos kennen, begrijpen wij God en begrijpen wij onszelf. Dan is voor ons elk probleem opgelost. Zeker het probleem der ingewijde.

Oude filosofen, waarover ik U sprak, hadden één stelregel, die mij het noemen op het ogenblik zeker waard lijkt: “Leef, o mens, zoals je voelt te moeten leven, Vraag niet: ‘Doe ik goed of kwaad?’ Maar vraag: ‘Kan ik in God geloven, terwijl ik dit doe?’ Want wie gelooft in de goden of in God, vindt in elke daad zijn God terug. Zo zal elke handeling, elke daad een openbaring zijn van de krachten, die rond ons leven om ons wezen te verheffen tot hoger geestelijke rang.”

Dit is een sleutel van inwijding. Ik kan U niet precies duidelijk maken wat het betekent. Daarvoor past deze kring niet. Maar misschien mag ik U toch nog een paar punten naar voren brengen, eer ik het woord overgeef aan een volgende spreker:

Hoe U leeft en wat U precies doet, moet U altijd zelf weten. Er is niemand, die U beoordelen of veroordelen kan. Want ge draagt zelf de consequenties van elke handeling, Niemand heeft recht om U te zeggen, dat ge goed zijt of kwaad. Dat kunt gij alleen zelf weten. Maar elke handeling en elke daad is een noodzaak voor U, omdat daardoor Uw eigen wezen wordt geopenbaard en in deze openbaring van het eigen wezen het bewustzijn groter wordt. De ingewijde kent de methode om zijn handelingen en daden zo te stellen, dat zij voor zijn wezen de juiste uitdrukking zijn op aarde, de juiste uitdrukking zijn in de geest. En in deze uitdrukking komt de zelferkenning, die een god erkenning inhoudt,

Misschien……ja, ik mag het hier zeggen. Bedenk dit: Er bestaat geen enkele wet, die geboren wordt uit mensen. Er bestaat geen enkele wet, die kan worden uitgedrukt in een wereld. Er bestaan alleen wetten, die eigenschappen van God zijn en deze kunt ge niet overtreden. Zo zult ge U nooit behoeven te bekommeren om werkelijke wetten, zoals ze rond U bestaan maar slechts om Uzelf. In Uzelf leven wetten, die niet uit God zijn, maar geboren zijn uit Uw wezen en bewustzijn. Deze wetten zult ge houden tot het ogenblik, dat ge weet, dat de wet geen wet is. Op dat ogenblik zult ge daar vrij zijn. Maar zolang ge nog een ogenblik van aarzeling of berouw in Uzelf kent, zult ge niet handelen tegen de wetten en regels, die in U leven. Slechts door de zelfbevestiging kunt ge voorkomen, dat ge uit de wereld verdreven alleen blijft staan in een aarzeling, in een schuldbewustzijn, dat Uw werkelijk leven onmogelijk maakt. Alle wereld, alle openbaring zegt U steeds weer hetzelfde: “Mens, ge zijt verantwoordelijk aan Uzelf en tegenover Uzelf,”

Elke inwijding leert U weer hetzelfde: Mens, beheers U. Niet ommentwille van God, maar ommentwille van Uzelf. God kunt ge benaderen noch schaden in Uw huidige vorm. Maar door Uzelf te kennen en te beheersen kunt U nader komen tot Hem en zo voor Uzelf de eeuwige wetten kennen i.p.v. de beperktheid van Uw eigen wezen. Ik hoop, dat ook deze laatste toevoeging voor U volkomen duidelijk is.

o-o-o-o-o

Nadat U allemaal een ogenblik op adem bent gekomen zou ik dan een paar kleine voorbeelden willen aanhalen, een paar verhaaltjes vertellen. Maar onthoud U één ding: U moet goed nadenken bij die verhaaltjes. Want elk verhaaltje bevat in zichzelf een les. En elke les op zichzelf maakt het mogelijk om alle andere lessen beter te begrijpen.

Er zijn natuurlijk heel veel methoden om het leven te benaderen, maar één van de aardigste kunnen wij wel uitdrukken in: de Overlevering van de drakendoder.

Ik hoop, dat U het verhaal niet kent. Zo ja, luistert U dan toch maar.

Er was eens lang geleden, in de tijd dat de dieren nog spraken en de draken nog schatten en geroofde maagden behoedden, een jonge mens, die uittrok om een draak te doden. “Want,” zo zegde hij tot zichzelf, “elke draak is het kwaad. Deze gedrochten der onderwereld,” zo murmelde hij voor zichzelf, “zullen vallen onder mijn zwaard.” En zo ging hij verder en ontmoette voor het eerst ergens in een nauw dal tussen hoge bergen een draak. Zijn zwaard trekkend, minachtend kijkend naar de vlammen en de rook, die het monster uitbrieste, haalde hij uit en met een geweldige slag sloeg hij het dier de kop af. Maar uit elke druppel drakenbloed ontsproot een nieuwe kop. En ontsteld over hetgeen hij had gedaan vluchtte hij heen.

Hij trok verder en vond een nieuw monster. Een griffioen. Na een lang gevecht, waarbij de klauwen hem tekenden met zware wonden, wist hij het dier te overwinnen. Maar hij doodde het niet, want hij was bang om deze monsters der onderwereld te doden, wetende dat hun ondergang vaak een vermeerdering van hun kwaliteiten en wezen betekende. En zo gezeten op de griffioen, die hij maakte tot een monsterlijk rijdier ging hij terug naar de draak met de vele koppen, die hij eens had moeten achterlaten. En hier versloeg hij na een heel lange strijd, die dagen duurde, de bergen deed sidderen en alle mensen honderden mijlen ver in de omtrek deed beven en verbleken de draak.

Maar toen hij doordrong in het hol, waar het monster zijn schatten had verborgen, vond hij daar een spiegel; en in die spiegel zag hij, wat er over de hele wereld gebeurde. Hij zegde tot zichzelf: “Het is goed, dat de mensen deze schat niet bezitten. Ik zal deze schat behoeden, opdat niemand haar benadert.” En zo schreed hij naar de uitgang van het hol om voortaan met zijn zwaard de schat te behoeden. Maar ook daar hing een spiegel, een heel gewone spiegel. En toen hij met zijn voornemen geladen naar buiten wilde schrijden, zag hij plotseling, hoe een draak naar buiten ging, om een schat te bewaken.

In dit kleine verhaaltje liggen een paar waarheden, die voor ons allemaal erg belangrijk zijn. Het is mogelijk voor elke mens, dat hij – zij het soms met heel veel moeite – de draak van zijn eigen fouten, van zijn eigen ongeloof de kop afslaat. Maar laat hij niet vergeten, dat die draak, die reeks van fouten en kwaliteiten, eenvoudig is voortgekomen uit zijn eigen wezen. En tenzij zijn eigen wezen met deze slag teniet zou gaan, brengt hij dus de fouten nu in nog grotere hoeveelheid, in grotere kenbare uiting naar voren dan anders. Daarom worstelt de mens met het kwaad, dat hij in de wereld erkent. Maar eerst wanneer hij meester is van dit kwaad zonder het te doden, door erboven te staan en het te beheersen, heeft hij een middel gevonden om het kwaad in zijn wezen te verslaan. En dan vindt hij inderdaad de schat, die door het kwaad wordt bewaakt: Het bewustzijn van alle dingen. Maar als hij ontdekt, hoe kostbaar die gave is en hoe dodelijk zij kan zijn voor de mensheid, besluit hij haar in zich te bewaren. En dan kan hij niets anders doen dan zichzelf tot een draak maken om te verdedigen, wat voor anderen niet past. Je zoudt kunnen zeggen: Elke mens draagt in zich een geheim. En wanneer dat geheim het geheim der bewustwording is, dan zal hij juist slechter lijken dan te voren vaak in de ogen der mensen, omdat hij het geheim zo krampachtig moet verdedigen. En de reden waarom? Daarover bestaat ook weer een aardig verhaaltje: De man, die het geheime woord vond.

O, het is een heel ander verhaal dan het vorige. Het gaat hier niet over een jonge man met een zwaard en met vechtlust, maar over een oude wijsgeer. Zijn hoofd was kaal geworden met de jaren, omdat hij – zoals een boom in de herfst blad na blad laat vallen – haar na haar verloren had. Wat nog over bleef was een lange baard, die wat onverschillig in de wind flapperde, wanneer hij voor zijn hol zat te mediteren. Hij mediteerde goed en lang. En telkenmale wanneer hij mediteerde, vergat hij de hele wereld. Hij vergat alle dingen behalve de levende kracht. En ziet, uit die levende kracht werd in hem letter na letter gevormd, klank na klank geboren.

Op een dag fluisterde hij het woord, dat hij had geleerd, zachtjes voor zich heen. Een ster doofde een ogenblik haar licht en de aarde sidderde, alsof ze vragen wilde, wat de bezitter van dit machtwoord wilde zeggen. Toen was de wijze zeer blij. In vreugde zat hij voor zijn hut, zat hij voor zijn hol, mediteerde en dacht na over de grootheid, die in het scheppend woord gelegen was. Ongetwijfeld zou hij zijn ingegaan tot de hoogste werelden, wanneer er niet een leerling was geweest, die hij zeer lief had. En toen hij voelde, dat de stoffelijke krachten ten einde gingen en hij niet de lust had om met het wonderwoord zich nieuwe jeugd te verschaffen, riep hij deze leerling en zegde hem: “Ziet, ik heb het geheim van het leven ontdekt,” En hij fluisterde het woord. Maar de leerling begreep het niet.

De wijze stierf. Hij stierf verder dan alleen stoffelijk. Hij moest terugkeren op de wereld om opnieuw het woord te zoeken. Want door het uit te spreken had hij het verloren, terwijl hij het niemand had kunnen geven.

Zo gaat het met alle geheimen van het leven, vrienden. U moet niet denken, dat U Uw eigen levenservaring aan een ander kunt geven of Uw eigen wijsheid. Naarmate je verder komt, naarmate je hoger stijgt en meer begrijpt van de werkelijkheid, krijg je in je ook een groter begrip van God. Maar dat is jouw begrip van God. Dat behoort alleen bij jou. Naarmate je meer de eenheid van de schepping begrijpt en zo de harmonie van de werkelijke Schepper in je eigen wezen kunt uitdrukken, bezit je meer macht over de schepping. Maar op het ogenblik dat je het woord spreken zou tot een ander, dat je het zou willen mededelen aan een ander, verbreek je de grote harmonie, die in je leeft en daarmede alle krachten, die je hebt bezeten. En zo heeft niemand iets. Noch degene aan wie je iets wilde geven, noch jezelf. Daarom is het een grote regel: Wie een geheim ontdekt, behoudt het voor zichzelf, opdat de geestelijke wijsheid, die uit het eigen ervaren voortkomt, verbonden blijve in het ik tot een harmonische band met de Oneindigheid. Maar dat houdt niet in, dat je anderen geen lering moogt geven. Want je kunt een ander soms heel veel leren, zonder dat je eigenlijk precies weet hoe.

Dat is misschien ook wel een aardig verhaal. Dat is het verhaal van: Het labyrint met de kentekenen.

O, het gaat niet over de Taurus van Minos, Neen, het gaat over een tijd, die veel langer geleden is, toen ergens in Indië de monniken een hele berg hadden uitgehold. Zij hadden haar zo doortrokken met gangen, dat deze berg, die hoog in de hemel rees, niets anders meer was dan een mierenhoop. Maar niemand kende het geheim der gangen meer. Nu wist men, dat ergens verborgen in deze veelheid van gangen en kamers en zalen een kleine tempel lag, en in dat kleine tempeltje stond een beeld, dat als orakel antwoordde op alle vragen, dat elk raadsel oploste en elke bede verhoorde. Er waren veel mensen, die probeerden in die tempel door te dringen, en waar ze ook kwamen, overal vonden ze aanwijzingen. Hier liep een fries vol van wondere beelden van werkende en biddende mensen langs vele wanden heen. Daar was in de vloer ingelegd een lange baan van geel en van rood gepolijst graniet; daar weer was in de zoldering een azuren schemer aangebracht van kostbare stenen. En overal stonden beelden. Maar niemand vond de tempel. Op de duur waren er slechts twee wijzen, die nog wisten, hoe zij de kern van deze berg moesten benaderen.

Toen zei één van die wijzen: “We moeten iemand leren de weg te vinden. Wij moeten iemand inwijden, opdat niet alles teloor gaat? wat wij bereikt hebben in duizenden jaren van werken van vele monniken. Want de doden zouden zich bij ons kunnen beklagen, wanneer wij hun werk teniet hadden laten gaan.” Zo leerden zij de mensen denken. En toen vele mensen zover waren gekomen, dat zij begrepen wat het geheim betekende, dat lag in de berg, lieten zij hen komen tot in het labyrint. En daar spraken zij tot hen: “Ziet, gouden is de wijsheid, azuren is het weten en een reeks van beelden het menselijk bestaan. Uit deze drie, die samen de waan zijn, wordt de werkelijkheid geboren. Gij zijt gekomen om waarheid te zoeken. Gaat vrijelijk door alle gangen en zalen. Maar weet, wanneer ge verdoolt, niemand zal U terugbrengen. Wanneer ge sterft, niemand zal U beklagen. Doch wie doordringt tot de tempel, hem worden alle dingen in het leven gegeven.”

De mensen gingen uit, zochten en sommigen zeiden: “Gouden is de wijsheid; wij zoeken wijsheid.” Zij gingen de gouden sporen na. Een ander sprak over, de moed en koos het rode graniet. Een derde zocht het azuren weten en een vierde het leven der mensheid. Zo volgde ieder menige weg. Maar geen van hen bereikte veel. Slechts weinigen kwamen in een grote zaal, versierd met wonderlijke lichten, waarin de druipstenen flonkerden, alsof zij uit louter diamant waren gehouwen.

Toen vonden ze daar weer de wijsgeer. En hij zeide tot hen: “Zover zijt ge gekomen; maar alle wisheid, alle weten, alle mensheid is waan, zoals waan is deze grot. Een begoocheling van grote weelde, maar een feitelijke werkelijkheid van dood en ondergang in chaos. Daarom zeg ik U: “Wie de rechte weg wil zoeken, ga uit van hier. Wanneer velen zullen falen zal er toch één zijn, die de werkelijkheid bereikt.”

Ze zochten en zochten en piekerden. Want zij wisten: in hetgeen de wijzen gezegd hadden lag de aanwijzing om te komen tot het grote doel. Ze zochten langs vele ingewikkelde wegen en combinaties en meer en meer verdoolden zij. Sommigen vielen in gaten, die in de gang waren gegraven en niemand heeft hen ooit meer gezien. Anderen ijlden klagend door de lege ruimte. Maar slechts drie mensen, drie mensen dachten na. De rechte weg? Bij elke kruising begonnen ze rechtsaf te slaan. En zo voelden ze, dat ze rond werden geleid in een grote cirkel en toch passeerden ze nooit dezelfde zaal en nooit dezelfde gang. Gedrieën kwamen ze toen in een kleine zaal. Een kleine zaal waarin het polijste  steen versierd was met beelden van goden en met schrifttekens, waarvan men de betekenis allang vergeten was. En weer stond een der wijzen voor hen. Hij zegde tot hen; “Tot zover hebt ge de proef doorstaan. Maar nu, weet één waarheid: Niemand kan verder gaan en slagen, tenzij hij vergeet wat hij is en weet wat hij worden kan.”

De lichten doofden in de zaal en in het duister stonden de drie en wisten niet waarheen te gaan. Eén van hen nu zette zich neer en mediteerde over de Oneindigheid. De anderen doolden in de gangen en niemand heeft meer van hem gehoord. Maar hij, die boven alle weten gekomen mediteerde over de Oneindigheid, voelde plotseling de lucht rond zich bewegen. Hij onderbrak zijn gedachtereeks niet, want het is niet goed een meditatie te onderbreken. Toen hij eindelijk de ogen opsloeg, stond voor hem een beeld. En dat beeld zeide tot hem: “Wat vraagt gij van mij?” Hij zegde: “Geef mij de waarheid van het leven.” Toen antwoordde het beeld: “De waarheid van het leven is, dat ik gelijk ben aan U en gij aan mij. Dat ik spreek met Uw stem. Dat Uw weten het beeld is, waarin ge de waarheid erkent.”

Deze eenling mediteerde nog lang. Hij keerde terug en wist alle gangen, kende alle zalen. Ja meer, hij wist, hoe de wolken buiten om de bergen dreven en hoe de monniken gingen tot hun dagelijkse taak. Hij wist, hoe de wijzen tezamen zaten en zich voorbereiden om heen te gaan van de wereld. In dit weten vroeg hij zich af: “Wie ben ik?” En hij antwoordde zichzelf: “Ik ben één met Al en Al is één met mij. Zo weet ik Al en Al kent mij. En in het Al vind ik de waarheid.” Hij ging heen, maar toen hij zeer oud was geworden, keerde hij terug en leidde opnieuw de mensen door het labyrint, zodat wederom enkelen konden binnentreden in de tempel.

Als U dit verhaal heeft gehoord, begrijpt U misschien iets. Het is onmogelijk de waarheid mede te delen aan iemand. Want de waarheid is immers een persoonlijke kwestie. Ieder moet zijn eigen weg vinden. En wanneer wij in het labyrint van feiten, mogelijkheden en gedachten ronddwalen, komt het heel vaak voor, dat we verschillende wegen gaan en toch hetzelfde doel benaderen. Wanneer wij maar het goede nastreven, komen wij op een punt, waar ons eerste zoeken binnen de waan een nieuwe bewustwording geeft. Dat is nog niet het eindpunt. Want daar vinden we de nieuwe kracht. We moeten nu de rechte weg zoeken, de juiste weg en van af dat punt is er maar één weg juist. De sleutel ligt in ons ervaren en de bewustwording, die wij eruit hebben gekregen. Dan gaan we verder. Maar dan komt er een ogenblik, dat je moet zoeken naar de werkelijke wijsheid, dat je a.h.w. alleen staat. En ja, hoe kun je, als je zover bent gekomen, wijsheid vinden, tenzij uit jezelf? Want slechts de kracht in jou, die harmonisch is in het Al, kan het antwoord geven op de laatste vragen. Zo materialiseerde zich het wonder van de God in ieder van ons, wanneer men zich in God durft verzinken.

Nu lijkt het wel een heel eigenaardige overlevering, maar ik kan U garanderen, dat de overlevering zin heeft. De wereld, waarin U leeft, is het eerste deel van het labyrint. Wanneer ge daar goed uitkomt, och mijne vrienden, dan bevindt U zich in een zaal, een geestelijke sfeer. En in die geestelijke sfeer krijgt U een nieuwe bewustwording. Maar ge zult verder moeten gaan, steeds verder. En wanneer ge ook die proef hebt bestaan, dan komt ge misschien tot de oplossing van de laatste vraag, de verhoring van de laatste wens.

Hoe het met al die anderen is gegaan? Och, in de legende gaan ze dood. Maar vergeet niet, degenen die over deze dood spraken, geloofden aan zielsverhuizing. Dus wie niet slaagt, begint opnieuw. Telkenmale. Maar wie eenmaal een bepaald vlak bereikt heeft, behoeft slechts daar terug te keren en kan van daaruit steeds verder zoeken, tot hij de uiteindelijke weg en de uiteindelijke waarheid heeft gevonden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

INNERLIJKE RUST

Innerlijke rust. Hoe vaak verlangen wij daar niet naar, naar die innerlijke rust. In onszelf kunnen wij ze vinden. Hoe vaak menen wij, dat er geen vrede bestaat voor ons. En toch is er een weg tot die vrede. Een weg tot die bewustwording, een weg tot innerlijke rust. En daarom kunnen wij het zo zeggen:

Onvrede, ziekte van mijn leven, heeft in mij de lust verdreven voort te gaan op de bestaande weg. Gebonden in der wereld waan kan ik de vrede niet meer vinden en ben ik met gelijkgezinden een weg van onrust opgegaan.

Maar wanneer ik vermoeid word van al het strijden, wanneer ik niet ken meer mijn eigen bestaan, dan moet ik de vrede gaan zoeken en vinden en in de wereld blijkt zij steeds nog waan.

Dan zing ik mijzelf zachtkens een liedje. Dan spreek ik mijzelf fluisterend een woord. Dan komt uit mijn ziel omhoog gestegen een nieuw en wonder zacht akkoord. Dan durf ik heden het Al aanvaarden. Dan durf ik op te gaan en meer… in het licht, dat mij gegeven wordt uit hoge dreven, een licht waarin ik ken de Heer, Die mij het leven heeft gegeven.

En dan, gelovend, strijd ik niet meer en durf ik het Zijn aanvaarden. Ik erken: God geeft wat nodig is voor mij tot het vinden van hogere waarden. Ik vraag niet: Is het zonde of is het een deugd? Ik vraag niet: Wordt het leed of betekent het vreugd? Ik zeg: Heeft de Schepper mij dit gegeven, zo zal ik juist hierin in Zijnen naam streven naar al wat de rust in mijzelf betekent.

En dan,….is het leven ook somber en zwaar en dreigt er rond mij onrust en gevaar, ‘k voel in mijzelf mijn kracht als gedragen door hogere Macht, die stilt mijne vragen, die mij vrede in het herte heeft gebracht.

Dan bid ik en denk zelfs niet meer aan vrede: “Mijn God, Gij, Die alle leven mij geeft, mijn God, waar heel mijn wezen naar streeft, Gij zijt Al, Gij zijt mijn leven, mijn rede en taak. Mijn God, niet bedreigt mij Uw onmetelijke wraak, maar ook met mij gaat immers altijd Uw ziel. Heer, Gij zijt mij in het leven bewustzijn en rede.” En God antwoordt: “Leef voort,” en geeft innerlijke vrede.

Innerlijke vrede is de aanvaarding van een Schepper in je eigen bestaan. Innerlijke vrede is de kracht, die je put uit het hoge Licht, om al te dragen, wetend dat wat uit het Licht ontvangen wordt, licht wordt indien je het aanvaardt in Gods naam. Zo brengt alle wereld ons steeds de innerlijke vrede, wanneer wij haar aanvaarden en God zoeken in al. Wanneer wij de zorgen verwerpen en de problemen ontkennen in de naam van God, Die ze Voor ons oplost. Die voor ons verdrijft al, wat niet past. Zo vinden wij in onze beperktheid het beeld van Gods volmaaktheid, dat het onnodig maakt te zorgen, te zoeken. Dat het ons mogelijk maakt de hemel te kennen en het Koninkrijk Gods, én onze bescheiden wereld en ons beperkt bewustzijn in ons onvolmaakte wezen.