Het doel en de middelen

image_pdf

2 juli 1965

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik hoop, dat u hiermede rekening houdt en dat u tracht uzelf een eigen oordeel te vormen over alles, wat voor u van belang is. Mijn onderwerp van heden is gelijktijdig ingewikkeld en eenvoudig. Ik zal u daarom alleen de titel geven: Het doel en de middelen.

Er bestaat een versie van de verhouding tussen doel en middel, waarbij deze wordt omschreven als: Het doel heiligt de middelen. Anderen stellen daarentegen: Het doel kan de middelen nooit heiligen. Aan de hand daarvan wil ik vanavond een vraag stellen en trachten, daarop ook een antwoord te vinden.

“Ligt in wezen de zaak niet zo, dat de middelen het doel zelf zijn?”

Een bereiking houdt immers een streven in. Zodra je iets bereikt hebt, verliest het veel van zijn belangrijkheid en krijgt het een geheel andere waarde voor je. Het wordt op zich dan deel van of uitgangspunt bij een nieuwe reeks van bestrevingen. Van een werkelijk en blijvend doel kan dus in wezen bij de mens geen sprake zijn. Het streven blijft de hoofdzaak, zodat de nadruk steeds zal moeten liggen op de middelen.

Wanneer de middelen, die wij gebruiken, goed zijn, zal het doel voor ons eveneens goed zijn. Gebruiken wij echter middelen, die voor ons niet geheel aanvaardbaar zijn, zo zal het doel evenmin aanvaardbaar blijken, omdat wij op de weg daarheen nimmer de waarde – zo u wilt de integriteit – waaraan je in feite de innerlijke kracht en de innerlijke erkenningen moet ontlenen, waardoor een doel een werkelijke waarde voor het ik wordt, en zo mede een punt van uitgang kan vormen voor een nieuwe reeks van bestrevingen. Zo dit u onduidelijk gesteld lijkt, kan ik verduidelijken door een klein verhaal te vertellen.

Er was eens een land, waarin men alle mensen gelukkig wilde maken. Men beschouwde de glimlach als een juist teken van geluk en welvaart en beval daarom eenieder voortdurend te glimlachen. Eenieder, die niet glimlachte, werd gefolterd. Hiermede bereikte men op den duur, dat eenieder voortdurend glimlachte, zelfs al was zijn hart verscheurd door leed. Toen sprak men: “Ziet gij nu, dat wij met deze harde middelen en onze aantasting van de vrijheid toch ons werkelijke en goede doel bereikt hebben? Ons volk glimlacht immers en is dus gelukkig?”

Je zou dit eenvoudige verhaal toe kunnen passen op vele dingen: “God is Liefde. God heeft zijn enig geboren Zoon op aarde gezonden om ons zondaars te redden. Daarom zult gij uzelf iedere vreugde ontzeggen en zult gij anderen elke vreugde ontzeggen, opdat men door deze ontzegging zich de vreugde Gods waardig kan maken.” Dergelijke argumenten kan men vaak horen. Maar is dit nu wel een werkelijk redelijke redenering? Is het niet eerder zo, dat wij God eerst leren kennen in ons streven naar die God? Zo iemand naar die God gaat streven met ontzeggingen, somberheid en angst, rijst de vraag of de God die men zo innerlijk en geestelijk zal ontmoeten, niet evenzeer een sombere en zwarte Godheid zal zijn, een wezen van wraak, duisternis en willekeur? Vanuit een geestelijk standpunt is dit zeer waarschijnlijk.

Men kan op soortgelijke wijze redeneringen aantreffen op het sociale vlak. De idealisten stellen:  “Wij willen elke mens alles geven! Daartoe moeten wij gezamenlijk steeds meer presteren” – wat mooi klinkt, maar vaak niet mogelijk is. Men vervolgt dan: “Wij zullen van eenieder steeds meer moeten nemen, om aan allen steeds meer te kunnen geven.” Dat klinkt ook weer mooi, maar al iets minder redelijk.

Men ziet daarbij echter de belangrijkste vraag over het hoofd: Wat telt voor de mensen het meeste en zal hun mentaliteit het sterkst beïnvloeden?

Nu zal een mens altijd meer onder de indruk komen van alles wat hij moet geven, dan onder de invloed komen van alles, wat hij krijgt. Een dergelijke maatschappij zal voor alle mensen, zodra zij meer moeten geven dan zij ontvangen, een maatschappij worden, die hen berooft, en zij zullen bewust en onbewust handelen volgens dit inzicht, zich zo in wezen vijanden van die maatschappij tonende, ongeacht de vraag of hun mening of aanvoelen nu juist is dan wel niet.

Het gevolg is, dat de belangstelling van de mens voor deze maatschappij en haar mogelijkheden tot harmonisch verder bestaan steeds geringer zal worden. De mens ondergaat de gemeenschap, zonder er nog werkelijk deel aan te hebben; hij beleeft de maatschappij niet als geheel, als een gezamenlijk streven, maar eerder als een overlast, waarbij hij zich nolens volens voorlopig neer zal leggen. Op het ogenblik, dat het doel bereikt is en een ieder binnen die maatschappij dus gelijke mogelijkheden en gelijke rechten heeft – zo men al zover komt – lijkt het wel mooi, maar blijkt uiteindelijk, dat ofwel een algemeen verzet rijst, dan wel alleen nog gelijkgeschakelde robots zonder werkelijk innerlijk leven over zijn gebleven.

De misverstanden over de verhouding van belangrijkheid tussen doel en middelen is in wezen al ouder dan de weg naar Rome. Men is altijd weer uitgegaan van het denkbeeld, dat men iets moet bereiken. Maar hoe zal men ooit iets kunnen bereiken, wanneer men niet eerst iets is? Hoe kan men ooit een goed mens worden door steeds zijn aandacht op het ideaal van goed worden te blijven richten, terwijl men vergeet zo nu en dan ook eens te proberen eenvoudig met de nadelen en mogelijkheden waarover men nu beschikken kan, reeds goed te zijn?

Ik weet, dat dit alles naar sofisterij klinkt, maar toch komen deze dingen in de wereld van vandaag wel heel veel voor; men stelt bv. dat wij verdraagzaam moeten zijn – een mooie leuze, maar men gaat dan verder: een ieder, die niet verdraagzaam is, zullen wij dus tot verdraagzaamheid moeten dwingen – niet beseffende, dat deze houding op zich een toppunt van onverdraagzaamheid in zich bergt. Men kan klaarblijkelijk niet begrijpen, dat ik, wanneer ik iemand tot bv. verdraagzaamheid weet te dwingen, deze uiterlijke verdraagzaamheid in wezen slechts een vorm van een steeds toenemende innerlijke onverdraagzaamheid kan worden. Hoe  meer men uiterlijke verschijnselen onderdrukt en hoe sterker men uiterlijk agressief de wereld tracht te verbeten, hoe sterker een innerlijk verzet tegen het gestelde doel zal groeien, dat uiteindelijk ook naar buiten toe op zal treden. Alle dwang, alle geweld, alle oneerlijkheid, die gebruikt wordt, om zo een bepaald – op zich fraai – doel te bereiken, is in wezen gelijktijdig de frustratie van de gewenste bereiking.

Een doel, zoals je je dit op aarde of elders stelt, is nimmer uit te drukken als één enkele stelling of één enkel punt. Het zal altijd een reeks van waarden omvatten, daar het steeds weer gekoppeld blijkt te zijn aan andere intenties, innerlijke beelden en geestelijke waarden. Zelfs de mens, die op reis gaat en zich daarbij een reisdoel kiest, zal niet alleen het bereiken van het doel nastreven, doch hiermede weer andere bestrevingen of intenties verbinden. Op gelijke wijze als in dit laatste beeld tot uiting komt, moeten wij het gehele leven zien: Het zogenaamde doel heeft alleen zin, als daarmede andere beelden, verlangens, verwachtingen gepaard gaan, die in het doel op zich niet noodzakelijk liggen opgesloten.

Indien u geestelijke kracht wilt bezitten en u het verwerven daarvan als doel stelt bv., zien wij het volgende:  Indien men begint de Kracht te aanvaarden en in het gebruik daarvan uzelf steeds te oefenen, zal men iets bereiken. Door de Kracht, zover dit mogelijk is – al is het nog zo gering – te manifesteren, bereikt men een steeds grotere kracht in zich, intensifieert men steeds, wat in het ik als mogelijkheid reeds aanwezig is en wordt het gestelde doel bereikt. Op het ogenblik, dat men de Kracht zoekt, door niet zichzelf te oefenen en krachtiger te maken, maar door bv. een verhouding tot anderen te scheppen, die enige macht betekent, zal men misschien macht gewinnen, maar nooit waarlijk in en vanuit zich kracht bezitten. Wanneer een mens naar waarheid zoekt en meent, deze gevonden te hebben, moet het hem mogelijk zijn, deze waarheid zonder enige leugen te dienen. Zodra hij, om deze waarheid tot uiting te brengen, tot leugens komt of een compromis met andere waarden en begrippen gaat sluiten, geeft hij voor zich reeds toe, dat de erkende waarheid geen werkelijke en absolute waarheid is. Men gelooft er niet meer in.

Hiermede komen wij tot een principe, dat wij overal – zelfs in de magie – aantreffen: Indien gij stelt, dat iets een waarheid is, zult gij, om iets te bereiken, ongeacht alle verschijnselen en mogelijke gevolgen, moeten handelen naar het als waarheid gestelde. Men mag zich dan eigenlijk niet eens meer afvragen, wat de mogelijke gevolgen, de positieve mogelijkheden zouden zijn. Dan eerst kan worden geconstateerd, of de waarheid inderdaad zo bestaat, als men haar meende te erkennen; daarnaast kan alleen zo elke gevonden waarheid werkelijk beleefd worden en zo tot deel van eigen innerlijk en hoger bestaan worden.

Onmiddellijk hierop volgt de vraag, waarom wij ons een doel kiezen. Het klinkt misschien wat wreed of cynisch, wanneer ik nu stel, dat de mensen zich over het algemeen geen doel kiezen omdat het zo mooi is, doch dit altijd weer alleen maar zullen doen om zo zichzelf iets te kunnen schenken. Menige ijveraar zal mij hier voor leugenaar of krankzinnige uit willen maken. Maar hoeveel mensen prediken Gods Liefde niet alleen, omdat zij daardoor zelf een plaats in het hemelrijk willen verwerven, en prediken Gods toorn alleen, om anderen, die hen niet bevallen, voor een dergelijk aangenaam lot te behoeden? Hoeveel mensen prediken niet de sociale emancipatie van de massa, in wezen, omdat zij voor zich daarin een mogelijkheid tot emancipatie of bereiking van macht en aanzien zien? Het doel wordt zelden om zichzelf gediend. Men dient het altijd weer om de relatie, die volgens eigen denken tussen doel en ik bestaat. De middelen, die men toepast, zijn even persoonlijk als deze relatie. Het zijn eveneens de middelen, die voor het ik uit eigen wezen en denken mogelijk zijn, deel van eigen reactie.

Indien wij het dus reëel willen stellen moeten wij zeggen: Doel en middelen liggen in de mens, maken deel uit van zijn voorstellingsvermogen, van zijn persoonlijkheid, zijn persoonlijke wereld. Het is het eigen denken, eigen reactie op de wereld, eigen geloof, waardoor het doel wordt bepaald, waardoor uiteindelijk zal worden uitgemaakt, wat de mens al of niet zal doen.

Het doel, dat men zich stelt, de middelen, die men daartoe gebruikt, zijn te herleiden tot de bewustwording van de persoon. Elk algemeen doel kan in wezen herleid worden tot de persoonlijke bewustwording en behoeften van degenen, die het nastreven. Indien de mens middelen gebruikt, die aan zijn wezen vreemd zijn, zal hij zijn doel nooit bereiken. Daarnaast zal hij eigen bewustwording en geestelijke mogelijkheden aanmerkelijk vertragen en beknotten, terwijl de mens, door de middelen die aan het wezen vreemd zijn te gebruiken, het doel zelf voor zich steeds meer ongrijpbaar, onbereikbaar en wezensvreemd doen worden.

Het ego, zoals u bekend zal zijn, is uit vele verschillende voertuigen opgebouwd. Deze voertuigen ressorteren weer onder bepaalde sferen en stralen, welke dan weer een zekere harmonie en zelfs afhankelijkheid t.a.v. elkander kennen. Het is dus wel zeer ingewikkeld. Maar het is steeds het gehele complete ego – en dus het ik in verband met al deze stralen en sferen – dat verbonden blijft met hogere krachten enz. en nu in doel zowel als middelen allereerst zichzelf en bewustzijn van zichzelf in waarheid zal moeten vinden.

Zolang het ik zichzelf niet vindt, kan er geen sprake zijn van een voor dit ik blijvend belangrijk en wezenlijk doel. Zolang het ego geen middelen gebruikt, die aan dit ik in het bijzonder eigen zijn, zal het niet kunnen komen tot werkelijke bereikingen en prestaties, die voor het ego van waarlijk en blijvend belang zijn. Ook dit wil ik u illustreren met een verhaal.

Er was eens een vrouw, die buitengewoon schoon, maar ook buitengewoon hartstochtelijk was. Zij vreesde deze eigenschappen zozeer, dat zij zich in een klooster begaf en lid werd van een geestelijke orde. In dit klooster streefde deze vrouw met alle middelen, de vroomheid en innerlijke beleving van het goddelijke na. Voortdurend werd zij hierbij echter gehinderd door haar aard, die strijdig was met de regels van de orde, waarin zij was getreden. Voortdurend werd deze vrouw gekweld door de hartstochtelijkheid van haar lichaam, dat zij door pijnigingen tot rust wilde dwingen. Voortdurend ook bleef zij zich van haar eigen schoonheid en begeerlijkheid bewust. Hierdoor werd zij het middelpunt van een onrust, die steeds groter delen van de kloostergemeenschap aantastte. Volgens de nonnen kwam in dit klooster steeds weer een met vele verlokkingen werkende duivel in lijfelijke vorm naar voren. De werkelijke duivel – zo wij daarvan al mogen spreken – was echter een vrouw, die haar doel misschien niet verkeerd had gekozen, maar de voor haar natuurlijke en eigenen middelen niet ter bereiking van dit doel durfde te gebruiken. Het resultaat is geweest, dat o.m. drie priesters ter dood werden veroordeeld op beschuldigingen van hekserij, dat het klooster zelf ten gronde is gegaan, terwijl de moraal, innerlijke gesteldheid van vele vrouwen, die binnen de kloostergemeenschap wel tot zekere innerlijke bereikingen hadden kunnen komen, geheel veranderde, zodat alle mogelijkheid tot hogere bewustwording gedurende langere tijd of zelfs voor het geheel van hun verdere aardse leven teloor ging.

Denk nu niet, dat dit alleen maar een geconstrueerd verhaaltje is. Dit is ongeveer twee eeuwen geleden in het zuiden van Frankrijk werkelijk gebeurd. Maar het verhaal illustreert ons niet alleen het voorgaande. Het geeft ons ook te verstaan, dat het niet alleen een kwestie is van wat wij als doel of middelen nu mooi vinden. Het leert ons, dat het niet gaat om dat, wat volgens de erkende regels of geldende theorieën mooi en goed is, maar dat een werkelijk bereiken wel in de eerste plaats een kwestie is van wat wij zijn. Belangrijker dan het mooie doel is wel de erkenning van de mogelijkheden waarover wij beschikken. Een man, die goed kan vechten, zal nooit mogen vechten om het vechten zelf. Dat zou dwaas zijn. Maar wanneer hij dus een functie ambieert, waarin zijn strijdlust, zijn vermogen tot strijden een rol kunnen spelen, zal hij zijn taak altijd goed kunnen vervullen. Als zo iemand voor de gemeenschap van werkelijk belang wil zijn en haar werkelijk wil dienen, zal hij dit op deze wijze dus het beste kunnen doen. Op het ogenblik, dat deze mens ten koste van alles, alle strijdlust wil onderdrukken en vredelievend wil zijn ten koste van alles, zal hij dit misschien bijna een geheel leven volhouden, maar hij zal voor de gemeenschap veel minder, zo al iets, betekenen. Bovendien zal de beheersing hem op een bepaald ogenblik waarschijnlijk te zwaar vallen. Dan breekt hij los en gebeuren er waarschijnlijk ongelukken. Het gevolg van zijn onjuiste beheersing en gerichtheid heeft tot resultaat, dat hij in zichzelf teleurgesteld wordt, dat hij de maatschappij teleur stelt en misschien zelfs aantast in haar grondslagen. Hij zal bovendien anderen in zijn val betrekken, doordat hij het geloof of vertrouwen, in hem gesteld, beschaamt.

Laat ons nu eens zien, wat de normale middelen zijn, waarover de normale mens kan beschikken. Een mens heeft een lichaam. Dit lichaam is voor velerlei functies geschikt, enkelen daaronder zijn voor die mens bijzonder harmonisch en aantrekkelijk. Deze functies, waarin hij zichzelf het meest kan hervinden en uitdrukken, zijn voor hem de geëigende middelen, zo hij een voor het ik aanvaardbaar doel kan vinden, waarbij deze eigenschappen passen. Dan heeft de mens ook een denkvermogen. Dit vermogen is in vele gevallen betrekkelijk beperkt. Het is niet aan mij om te zeggen, dat iemand dom of misschien zeer verstandig en wijs is. Maar men heeft nu eenmaal hersenen, die slechts tot op bepaalde hoogte in staat zijn problemen redelijk te verwerken. Dan moet men nooit een taak zoeken of aanvaarden, waarin steeds weer het uiterste wordt geëist van dit denkvermogen: Er komt dan haast zeker een ogenblik, dat men niet meer redelijk mee kan komen; het falen op zo een ogenblik zal zowel in als buiten de mens meestal meer vernietigen dan bereikt werd, terwijl een aanpassen aan eigen capaciteiten misschien in het begin minder resultaten schijnt af te werpen, maar in ieder geval een blijvend resultaat voor het ik en de wereld op zal leveren.

Een mens heeft een geest – onderbewustzijn, bovenbewustzijn – kortom een deel, waarvan hij zich redelijk niet of niet geheel bewust is. Dit deel van het ik helpt hem aan inspiraties, bepaalt zijn dromen en onredelijke reacties in eigen denken. Daarnaast bepaalt het voor een deel de reacties op de wereld, vooral reacties, die instinctief lijken, maar niet tot de normale lichamelijke automatismen en automatische reacties op basis van lichamelijke ervaring behoren. Sommige mensen zijn buitengewoon gevoelig voor deze delen van het ego.

Het is duidelijk, dat zij van een dergelijke gevoeligheid dan voortdurend gebruik dienen te maken. Anderen bezitten deze gevoeligheid in mindere mate of bijna niet. Zij beschikken wel vaak over compenserende waarden binnen het ik als bv. een scherp verstand of een grote daadkracht, die de ander misschien ontbeert. Voor dezen zou het dwaas zijn de verwerving van een dergelijke gevoeligheid na te streven met uitsluiting van al het andere; zij zouden daarmede tekort schieten tegenover zichzelf en tegenover het leven. Ook hier geldt weer: Maak allereerst gebruik van de eigenschappen en mogelijkheden, die je reeds bezit. Eerst wanneer er tijd overschiet, is het juist het bereiken van andere en nieuwe eigenschappen na te streven.

De geest en de krachten van de geest zijn in de meeste mensen verborgen, al zullen er altijd wel weer enkele mensen zijn, waarbij zowel eigen geest als alle krachten van de geest meer kenbaar optreden. Wanneer dit het geval is, zal ook hierin een mogelijkheid schuilen, om hierdoor iets te bereiken. Toch is ook het geestelijk deel van eigen wezen en bestaan niet te beschouwen als iets, waarmede je allereerst een onbereikbaar doel na moet streven. Je moet het eenvoudig gebruiken binnen het kader van de ogenblikkelijke mogelijkheden.

Dit waren dus de middelen en nu de vraag, wat dan wel het doel is. Een antwoord op deze vraag betekent weer, dat wij vele mooie woorden, hoogdravendheden en waanvoorstellingen overboord zullen moeten zetten: Het praktisch doel van elke mens is, of hij dit nu beseft of voor zich pleegt te verbergen, eenvoudigweg en allereerst; gelukkig zijn of worden. Hij omschrijft deze toestand vaak als: Zekerheid, innerlijke zekerheid, zinrijkheid van eigen bestaan, gehoorzaamheid aan God enz. Maar gelukkig zijn, is in wezen zijn eerste doel. Een mens, die dit doel waarlijk terzijde zou schuiven, verloochent zijn wezen. Niet slechts zijn stoffelijk wezen wel te verstaan, maar het geheel van zijn persoonlijkheid en daarmede een groot deel, of zelfs het geheel van zijn werkelijke capaciteiten in de geest en in de stof. Zo men dit doet, maakt men zich schuldig tegenover eigen wezen en zal men het werkelijke doel van eigen bestaan, het geluk, niet bereiken.

Het tweede doel van de mens is zich een geluk te verschaffen, dat zekerheid bevat en onbedreigd is. Wij vinden dit ook terug in de menselijke hantering van begrippen als zekerheid, eeuwigheid en God. Wanneer ik een eeuwig geluk wil vinden, zal ik moeten beginnen met alle geluk in en rond mijzelf voortdurend te bevorderen. Want alleen dat, wat ik nu in mijzelf ben, kan voor mij en volgens mijn werkelijke mogelijkheden eens tot eeuwigheid worden. Zo ik mijn doel niet bereiken kan in dit leven, zal ik vele malen op aarde terug moeten keren, zal ik door vele sferen moeten zwerven en vele werelden moeten beleven, tot uiteindelijk de innerlijke gesteldheid en gerichtheid wordt bereikt, waardoor het doel bereikbaar wordt.

Er is nog een derde doel: De mens, ofschoon hij zichzelf erkent als individu, is geneigd om de wereld tot op zekere hoogte als deel van zichzelf te zien. Daarom is een van de doelen in het leven steeds weer deze eenwording met de mensheid, met het leven, tot uitdrukking te brengen. Wanneer ik dit doe vanuit een ontkenning van een van de vorige doelstellingen, zal het nimmer bereikt kunnen worden. Ik kan nooit iets bereiken door mijzelf geheel te vergeten en alleen aan anderen te denken. Het meest juiste bereiken komt voort uit het erkennen in het ik van de gelijkheid tussen ik en wereld. Zelfs indien men dit in zich draagt, zal men nog steeds naar geluk, naar een zeker en blijvend geluk voor zich en de wereld moeten blijven streven.

Wanneer u deze dingen zo eens beziet, zullen middelen en doel in het menselijke leven voor u toch wel een enigszins andere interpretatie krijgen, dan algemeen gangbaar is. Er zijn veel mensen, die steeds weer een compromis sluiten tussen hun innerlijk erkennen van een noodzakelijk geluk en een streven naar uiterlijkheden die in wezen van weinig of geen belang zijn. Een zekere Claus – zonder Santa er voor – is op het ogenblik wel een exponent geworden van de neiging tot het sluiten van dergelijke compromissen, waarbij de werkelijke waarden en mogelijkheden van eigen wezen en streven zowel als van eigen geluk en geluk van anderen in wezen terzijde blijven. Men vergeet daarbij, dat wij, wanneer het er op aan komt, niet in staat zijn een werkelijk compromis met onszelf te sluiten. Wij kunnen nooit iets aanvaarden, omdat het beter is. Wij zijn alleen in staat onderscheid te maken tussen dat, wat tot ons leven behoort en deel uitmaakt van onze eigen mogelijkheden, verplichtingen of verantwoordelijkheden, en alles, wat in de eerste plaats tot het leven en de verantwoordelijkheid van anderen zal behoren.

Ook op dit punt schuilen voor de mensen vaak grote moeilijkheden, vooral, omdat men al snel zichzelf tracht te bevredigen door niet van de feiten uit te gaan, maar via intriges e.d. alles in overeenstemming tracht te brengen met eigen wens, zonder daarbij te achten op eigen werkelijke mogelijkheden en eigen eigenschappen.

In de historie vinden wij een voorbeeld in de orde der Jezuïeten die gedurende een bepaalde tijd van haar bestaan de roep van onbetrouwbaarheid, die haar helaas ook nu nog aankleeft, wel degelijk heeft verdiend. Onder haar methoden was o.m. het zenden van leden van de orde naar de hoven der vorsten belangrijk. De biechtvaders van de hooggeplaatsten waren haast altijd Jezuïeten. Maar daarnaast had men nog anderen nodig om invloed uit te oefenen. Daarom behoorden ook de hofarts en de hof-astroloog vaak tot een graad van deze orde. De astroloog had bv. de taak de sterren te laten zeggen, wat men meende, dat de vorst in het belang van de kerk moest doen, vooral wanneer de biechtvader niet in staat was dit op een aanvaardbare wijze naar voren te brengen – bv. via de vorstin. Dit was dus in wezen een vorm van bedrog, die echter vaak tot de meest ingewikkelde situaties voerde. Denk hierbij eens aan de moord op bv. Wallenstein – om een meer bekend geval te nemen. Dit gebeuren is te danken aan het – tegen wil en dank bijna – optreden van een dergelijke astroloog. Zonder deze man zou veel niet gebeurd zijn en zou de situatie wat later voor veldheer Tilly geheel anders geweest zijn.

De ondergang van de kerkelijke macht in Duitsland, de overwinning van de reformatie, is niet alleen te wijten aan een goddelijke wil of de macht van de reformatie, maar vooral aan het gebruiken van verkeerde middelen, waarbij men te ver ging, door slechts zeer beperkte instructies aan zijn ondergeschikten te geven en te weinig middelen ter beschikking te stellen, om de menselijke hebzucht te bevredigen. De astrologen wisten vaak niet, wat hun meerderen van hen aan uitspraken verlangden en probeerden bij gebrek aan beter dan werkelijk in de sterren te lezen. De pogingen, om de in opdracht eens gegeven raad en uitspraken in overeenstemming te brengen met de constateringen van de werkelijke taal der sterren, deed de meest krankzinnige situaties ontstaan en voerde onder meer tot het drama van Neubrandenburg. Dit is een treffend voorbeeld van mensen, die een doel met alle middelen nastreven onder het motto, dat het doel de middelen heiligt, en gelijktijdig juist daardoor hun doel voorbijstreven en geheel onverwachte en niet verlangde resultaten tot stand brengt.

Bedrog en intrige werden gezien als middelen, die bruikbaar waren om de macht en het aanzien van het christendom in Europa in stand te houden en uit te breiden. Het is de toepassing van deze middelen en alles, wat daaruit voortvloeide, wat leidde tot de huidige toestand, waarbij de macht van de kerk alleen nog indirect en slechts t.a.v. een klein deel van de massa nog kan worden uitgeoefend.

Wanneer je werkelijk iets wilt bereiken, zul je altijd weer uit moeten gaan van jezelf, van je eigen wezen en het doel, zoals je dit in jezelf ziet. Je moogt dit niet vermommen of vertekenen, zeker niet voor jezelf. Daarbij zul je verder nooit uit mogen gaan van een macht, van iets, wat je uiteindelijk zult bereiken of verwerkelijken, maar zul je als basis steeds weer moeten nemen alles wat je nu, in overeenstemming met eigen wezen en gesteld doel, kunt doen. Ook in deze dagen zien wij overal beelden optreden, die aan het voorgaande voorbeeld herinneren: Overal zien wij mensen en volkeren, die zichzelf een doel gaan stellen, maar dit doel krachtens hun eigen wezen niet kunnen verwerkelijken, of die grijpen naar middelen, die het bereiken van het doel in feite onmogelijk maken.

Denk bijvoorbeeld eens aan de rassenintegratie in de USA; het doel is goed, maar zal nooit verwerkelijkt kunnen worden met deze middelen en langs deze weg, al is het alleen maar om de doodeenvoudige reden, dat vele kleurlingen nog niet een innerlijk, geestelijk en verstandelijk peil van ontwikkeling bereikt hebben, waardoor zij in staat zijn reeds onmiddellijk als bewuste en doelbewust strevende burgers op te treden. Wij mogen dan rustig stellen, dat dit de schuld is van de blanken – wat niet onjuist is – maar daarmede geeft men aan de kleurlingen nog niet de nodige rijpheid voor een nieuwe plaats in de gemeenschap hebben. Alle agitatie voor onmiddellijke gelijkstelling zal daarom voeren tot machtsuitoefening en machtsmisbruik, waarbij grote ongelukken kunnen gebeuren. Uiteindelijk weet eenieder, dat een kind, dat niet eens chaufferen kan, niet met een grote truck de weg op mag worden gestuurd met de leuze: Je bent de gelijke van alle anderen, rijdt dus maar rustig door het verkeer heen. Dat daarvan ongelukken komen moeten, begrijpt een kind. Waarom wil men niet inzien, dat het uitoefenen van politieke en economische macht door geestelijk en politiek minder rijpen eveneens tot grote verstoringen en ongelukken in het internationale verkeer der landen kan voeren?

Oneerlijkheid en terughoudendheid zijn in deze dagen eveneens middelen, die al te vaak verkeerd worden gehanteerd. Wanneer ik bv. stel, dat een bepaalde man een complot heeft gesmeed om zijn land te verkopen en hem op grond daarvan afzet, zonder de details, de feiten te openbaren – zo blijvende bij algemene en niet bewezen verklaringen – is het wel zeker, dat men in het betreffende land een burgeroorlog uit zal lokken.

Je kunt stellen, dat het communisme bestreden moet worden. Zodra men dit echter niet doet op basis van alles, wat dit communisme in feite is en in wezen veroorzaakt, maar meent het te kunnen laten bij het stellen van macht tegenover macht en niet bewezen beschuldigingen tegenover feiten, wanneer men eigen fouten weg wil praten, door op de fouten van de tegenstander te wijzen, zal men een uiteindelijke overwinning van alles wat men bestrijdt alleen maar bevorderen door een afnemend vertrouwen in eigen leiding en gezag te doen ontstaan, dat al snel overgaat in het stellen van op zich niet redelijke eisen, die echter door de verklaringen van eigen regering schijnbaar zo onredelijk niet zijn.

Voorbeelden van dit alles kunt u in deze dagen in elke krant vinden. Ook als wij dit in uw eigen leven terug zoeken, zullen wij ons af moeten vragen: Hoe vaak heeft u zichzelf in het leven een doel gesteld, waarbij de middelen als onbelangrijk werden beschouwd, als bijkomstigheden en geheel het denken en streven niet door de waarden van eigen ik, de innerlijke behoefte aan harmonie en geluk worden beheerst, maar door stellingen, die aan het wezen in feite vreemd zijn, alles onder de leuze: “Al het andere komt later wel”? In hoeveel gevallen blijkt u dan, dat zo het doel eenmaal bereikt is, dat dit voor u juist door de middelen, die u gebruikt hebt om het te bereiken, in wezen waardeloos is geworden?

Om een beeld te krijgen van dergelijke mislukkingen zou u eigenlijk eens moeten kunnen kijken in de klinieken, die men heeft gebouwd voor oude en rijke mensen. Daar zitten ze: 50, 60, misschien wel 70 jaren lang hebben deze mensen gevochten tegen de wereld om rijkdom te verwerven en te behouden. Zij hebben geen tijd gehad voor geluk. Zij zijn misschien wel vele malen getrouwd maar van een werkelijke huwelijksleven is zelden sprake geweest. Zij hebben kinderen voortgebracht, maar de kinderen kennen de ouders ternauwernood en zien hen hoogstens als een bron van extra geld, maar niet als met het ik verbonden menselijke wezens.

Nu zitten zij daar, zij worden gebaad, krijgen injecties, pillen….. maar van een leven is geen sprake meer. Het is eerder een teruggrijpen in het verleden, een vegeteren in het heden, waarin alleen eigen rusteloosheid nog een voortdurend contact met de wereld, maar ook een voortdurende kwelling is. Deze mensen zijn in de ogen der wereld misschien wel benijdenswaard, maar wat hebben zij in werkelijkheid? Niets. Zij hebben hun doel in het leven verkeerd gesteld. Zij hebben geluk geïdentificeerd met rijkdom en in plaats van zichzelf te zeggen: “Ik zal elk ogenblik van mijn leven trachten mij zo rijk mogelijk te gevoelen”, hebben zij gesteld; nu niet, later, later zullen wij alle rijkdom bezitten. Zij hebben hun doel bereikt, maar daarbij zichzelf verloren.

Er zijn mensen, die menen te moeten wachten op de grote, volmaakte liefde en niet beseffen, dat men deze alleen kan bereiken en verwerven, wanneer men daarvoor zelf veel geeft en offert. Zij menen te mogen eisen. En veel later ziet men ze dan zitten, zure oude vrijsters, achter horretjes loerende naar jonge paartjes en zich ergerend over het feit, dat de wereld hun volmaaktheid niet beseft en met verering beloont. Maar innerlijk zijn deze mensen, ondanks alle schijn, eenzaam, vaak verbitterd, machteloos. Men kan dit tragisch noemen. Maar ook deze mensen hebben iets verzuimd: zij wensten het perfecte geluk en weigerden daarom de beschikbare middelen te gebruiken, om tenminste het beetje geluk, dat voor hen onmiddellijk mogelijk was, te aanvaarden en te gebruiken als basis voor een steeds groeiend geluk.

Zo zijn er mensen, die een perfecte rechtvaardigheid wensen en juist daarom het beetje rechtvaardigheid, dat er reeds bestaat, dat beetje dat met veel geduld op aarde kan uitgroeien tot iets groots en moois, eenvoudig verwerpen, onder de voet lopen en met hun gewelddadig en niet rechtvaardig streven naar een grotere rechtvaardigheid in wezen alle rechtvaardigheid op aarde voor zich en anderen om hals brengen. Stel, dat een boer alleen maar gerijpt graan op zijn akkers zou wensen en daarom zou weigeren te werken met de middelen, die hij heeft en eerst te zaaien, te ploegen, te eggen. Dan zou er geen graan zijn, nietwaar? Indien de mens niet allereerst de nu mogelijke kleine dingen zich tot doel maakt en het einddoel, de perfectie, tot later wil uitstellen, zal hij ten onder gaan aan zijn eigen streven naar die perfectie. Indien de mens eist, dat het volmaakte zich aan hem zal tonen, maar weigert zijn mogelijkheden en middelen geheel in te zetten, om tenminste een geringe vervolmaking van het zijnde te bereiken, zal hij aan zijn pretenties en eisen ten gronde gaan.

Ik kan mij voorstellen, dat het vervelend voor velen van u is dit aan te moeten horen. Want het is vervelend, wanneer je voor jezelf toe moet geven, dat je juist op deze wijze zelf elke keer weer faalt. Wat mij brengt tot de vraag, of het falen op zich nu wel zo erg is. Ik meen namelijk, dat dit niet het geval is. Ik meen, dat falen, wanneer je het durft erkennen voor wat het is, je juist het geluk kan geven van een nieuwer en beter streven, een directer en beter bereiken, een beter gebruik maken van de middelen en mogelijkheden, waarover je in werkelijkheid beschikt.

Falen op zich is niet erg. Het wordt pas erg, wanneer je weet, waardoor het falen veroorzaakt werd en desondanks blijft falen. Er zijn in deze wereld zeer vele ontwikkelingen, die mislukkingen lijken te zijn. Denk bv. aan het koninklijk huis in Nederland. Vele Nederlanders menen, dat de opvoeding van de kinderen van dit huis een mislukking is geworden. In zekere zin hebben zij vanuit hun standpunt gelijk: Deze kinderen zijn geen protocollaire marionetten, maar mensen met een eigen wil, eigen inzicht en mensen, die niet de op zich onbetekenende dienst aan het volk boven alles stellen en de schijn van rang en belangrijkheid boven alles achten, maar eerst vragen naar een eigen mogelijkheid tot bereiken, naar een eigen leven, om eerst, wanneer zij deze dingen voor zich bereikt hebben, bereid zijn volgens de geldende – en verouderde – eisen, het volk zo goed te dienen als zij kunnen. Ik weet niet of men dit laatste een winstpunt of verliespunt moet noemen, vanuit het standpunt van het volk. Maar voor die mensen is het ongetwijfeld juister, om gelukkig te zijn en vanuit dit geluk voor mensen of volk iets te betekenen, dan vanuit een in zich ongelukkig bestaan, innerlijk gefrustreerd en hatende zich van hun volk te distantiëren, dat zij alleen nog voorgeven lief te hebben en dat het de enige verrechtvaardiging is van hun eenzaamheid en bitterheid. Dit is, zowel in het huis van Oranje als in andere vorstenhuizen vele malen gebeurd.

Het is gemakkelijk als mens een oordeel uit te spreken. Ik geloof echter niet, dat de vraag, die men in Nederland zich nu stelt, of het wel juist en aanvaardbaar is, dat een bepaalde persoon later prinsgemaal zal kunnen zijn, wel juist gesteld is. Ik meen niet, dat men het recht heeft die vraag nu en op deze wijze te stellen. Ten hoogste kan men zich de vraag stellen: Kunnen wij onder die en die condities iemand nog als koningin aanvaarden. Want in dit geval gaat de zaak je zelf aan. Dan heb je zelf werkelijk met de zaak te maken. Want ik ben wel van mening, dat men onder de huidige maatschappelijke verhoudingen het recht heeft, zich deze vraag te stellen en, maar eerst wanneer die kwestie dringend wordt en een besluit op een redelijk inzicht in de mogelijkheden, op de beschikbare middelen kan worden gebaseerd. Maar ik geloof niet, dat men het recht heeft, zoals men in vele gevallen schijnt te willen – en niet te kunnen – doen, het leven van anderen te bepalen.

Het doel van de meeste mensen ligt in henzelf. De middelen willen zij zien in anderen. Je kunt nooit de gehele wereld dienstbaar maken aan jezelf, al wil je dit nog zo graag. Je kunt de wereld en het leven van anderen niet werkelijk en blijvend aanpassen aan jouw behoeften van zekerheid en geluk of zelfrechtvaardiging. Je kunt alleen jezelf en je eigen leven aan die eisen aanpassen.

Je kunt daarnaast de wereld aanvaarden, zoals zij is en vanuit jezelf alles doen, wat voor jou juist is en dus vrede en geluk brengend is. In dit opzicht eigen wezen zien als rechthebbende en eisen aan de wereld stellen is dwaas. Daarbij komt nog, dat de middelen die velen op het ogenblik binnen de wereld menen te mogen en kunnen gebruiken, volgens mij zeer zeker vreemde en onjuiste middelen zijn.

Het heeft geen zin, om aan te klagen. Trouwens, dit zou weinig zin hebben. Maar wel wil ik even constateren, dat in praktisch alle landen ter wereld – niet alleen achter het ijzeren gordijn, maar evenzeer in het westen – sprake is van een onvolledige en verkeerde voorlichting van het volk.

Men ziet dit als een van de middelen, waardoor men dit volk beter zal kunnen regeren. Het gevolg is, dat de werkelijke verhoudingen binnen het volk niet beseft worden, dat de zin van de maatregelen niet begrepen zal worden en het volk, zelfs voor een bewust en verder goed geleid bewind, een blok aan het been blijft en nimmer kan worden tot een groep, die vanuit zich tot verbeteringen en werkelijk blijvende resultaten helpt bijdragen.

Wij weten, dat ongeacht het gebruik van het woord democratie in het westen en achter het ijzeren gordijn, steeds meer het persoonlijk recht van het volk en de delen, waaruit het is opgebouwd, worden aangetast. Wij weten, dat in feite, zoal niet in theorie, voortdurend meer mensen onderdrukt worden. U hoeft heus niet alleen naar Zuid-Afrika te gaan om dit te zien. In feite bestaat er geen ware vrijheid meer en kan de huidige maatschappij in vrijheid niet voortbestaan. Toch maakt men gelijktijdig de vrijheid tot het doel van deze maatschappij. Is het niet duidelijk, dat, juist door het prediken van het belang van de vrijheid, er allerwegen een ogenblik zal komen, waarin juist het besef van bestaande onvrijheid zelfs de laatste restanten van vrijheid, die er nog bleven, vernietigen zal?

Men predikt christelijkheid. Maar eenieder kan in deze dagen weten, dat christen zijn in de eerste plaats gebaseerd is op naastenliefde, respect voor God. Op vrede, geweldloosheid ook. Hoe kan men dan het christendom prediken en als basis van de maatschappij beschouwen en bijvoorbeeld veldprediker of aalmoezenier bij een leger zijn? Dat zijn dingen, die niet samengaan en dit zal beseft worden. Hoe kan men christen zijn en de christelijkheid van eigen bewind voortdurend, met nadruk aankondigen en toch gelijktijdig een oorlog gaan voeren of zelfs maar zich daarop voorbereiden? Die dingen zijn in wezen onmogelijk en men zal deze feiten gaan beseffen. Er komt een ogenblik, dat door dit besef het christendom vernietigd kan worden door de middelen, die men gebruikte om de gehele wereld tot christelijk leven te brengen. Wat voor velen wel weer een onplezierig punt zal zijn, maar ik heb dit alles niet ter sprake gebracht zonder redenen.

Ik breng dit alles naar voren, omdat de middelen, waarmede men bepaalde doeleinden nastreeft, niet juist zijn en ingrijpen in het leven van de massa over de gehele wereld. De propagandamolens draaien overal op volle toeren, zowel voor kerkelijk, politiek als economisch streven. Het is nog niet zolang geleden, dat iemand t.a.v. de uitspraken van financiële en economische experts in USA en Engeland – opmerkte, dat deze mensen ongetwijfeld op het ogenblik de methode Coué gebruiken door uit te roepen: Het gaat ons economisch goed, het gaat ons economisch elke dag beter. M.a.w. hun meningen zijn grotendeels zelfsuggestie, maar de feiten van de wereld kun je met dergelijke verklaringen niet wegdringen of ongedaan maken. Het doel, dat je je stelt, kun je daarmede niet echt bereiken. De mens, die zich mee laat slepen in een doelgerichtheid, die niet op feitelijke mogelijkheden, middelen en feiten gebaseerd is, maar berust op illusies, valse voorspiegelingen, valse regels, moraal en rechtsverhoudingen, zal in deze tijd grote klappen krijgen.

De feiten kan men niet ontlopen. Zo min als men de regen kan bevelen op te houden, omdat dit schadelijk is voor de oogst – zover is men nog niet – kan men de economische situatie dwingen steeds gelijk en gelijkmatig te blijven, kan men bv. eenieder steeds meer leren verdienen en gelijktijdig de waarde van het geld ongeveer handhaven. Dat gaat eenvoudig niet. Omdat deze dingen onmogelijk zijn en men met mooie feiten en verklaringen niets in werkelijkheid tot stand brengt, zullen wij in de komende tijd zien, hoe bepaalde economieën in de komende tijd aan het wankelen komen. Dan zal men, waarschijnlijk te laat, beseffen, dat er reeds nu een toestand heerst, die gelijk is aan de situatie kort voor de beruchte zwarte vrijdag, waarop de markt van Wall Street geheel ineen stortte. Er dreigt een negatieve ontwikkeling in economisch opzicht, welke niet alleen de USA en Engeland zou treffen, maar ook Nederland, de Scandinavische landen, Duitsland, Italië, geheel Afrika en geheel Zuid-Amerika mee zou slepen. Dit zou een slag zijn voor de gehele wereld.

Wanneer wij weten, wat er gaande is, zal een dergelijke slag ons niet zo onverwacht en onvoorbereid treffen. Men zal dan door het gebeuren niet komen tot een onredelijkheid, die alle maten van menselijkheid te buiten gaat. Maar als zoiets gebeurt terwijl men meende dat alles in orde was, dat geld, geld was met een vaste waarde, dat stukken en goederen een vaste waarde vertegenwoordigden, dat betrekkingen een vaste zaak, een recht waren, evenals een nu gangbare beloning van de arbeid, zal de reactie onredelijk, vreemd en zinneloos zijn. Nederlanders zijn een koud en nuchter volk, pleegt men te zeggen. Toch heeft de vorige crisis een opstand in de Jordaan uitgelokt. De Engelsen zijn eveneens een nuchter volk. Maar in de tijd van de beginnende crisis vooral, gebeurden er heel eigenaardige dingen in Leeds, Birmingham, Glasgow. Elders was in het verleden als gevolg van de krach en volgende crisis eveneens sprake van oproer, prijsgeven van tot dan toe geldende moraal enz.

Laat ons dus reëel zijn: Wanneer de zaken voortdurend verkeerd worden voorgesteld en men de feiten niet durft toegeven, zal men het doel, dat men zich stelt, namelijk het handhaven van welvaart en wereldvrede, niet bereiken, en wel in meerdere mate naarmate meer mensen gevangen worden in deze verwarring vol verkeerde voorlichting en valse begrippen.

Dit geldt ook voor andere problemen als bv. de te sterke bevolkingsaanwas. Men is daarbij steeds weer bang geweest, om de verantwoordelijkheid van de mens voor “de gaven Gods” op de voorgrond te stellen en duidelijk te maken, dat men zelfs de gaven Gods alleen mag aanvaarden, wanneer men daarvan een juist gebruik weet te maken, wanneer men aan de daardoor gestelde eisen ook volledig en zelf kan beantwoorden. Zelfs nu, als erkende tegenstanders van gezinsplanning hun oordeel herzien, is men nog bang officieel maatregelen te nemen en op dit terrein de mensen vrijheid te verschaffen. Men heeft té lang geschreeuwd over het huwelijk als enig productiemiddel voor nieuwe mensen, zoals men te lang heeft gesproken over volk, vaderland en vorstenhuis, de edelen, noodzaak en het historische lot van het volk, dat men nu daarin geen verandering durft te brengen en langs verkeerde wegen het noodzakelijke doel tracht te bereiken, waardoor steeds grotere verwarringen ontstaan, doordat men zijn mening niet durft herzien, niet openlijk durft toegeven: Ik heb in het verleden de waarheid niet gezegd of de zaken verkeerd gezien.

De middelen om werkelijk iets te bereiken in deze tijd, of het nu geldt voor personen, staten of instanties, zijn: Uitgaan van eigen aard, wezen en mogelijkheden, zonder daarbij de taken, plichten en rechten van anderen te usurperen. Eerlijk zijn, ook in de keuze van middelen, die men niet direct hoeft te adverteren, maar die ook zeker niet mogen worden verzwegen. Men zal ook de werkelijke feiten van eigen streven, wezen en eigenschappen niet tegenover anderen mogen verdraaien. Men zal eerst en vooral zorg moeten dragen voor een geheel in het heden aan eigen mogelijkheden en taken beantwoorden, voor men over mag gaan tot een uitoefenen van invloed op anderen. Zelfs dan zal men nog moeten blijven beseffen, dat anderen eigen wezen, middelen en taak bezitten, en dezen moeten respecteren.

Een groot deel van de spanningen die op de wereld bestaan en nog zullen ontstaan, vloeien niet voort uit een verkeerd doel bij mensen en staatslieden. Men kan van allen, ook van bv. Mao of Soekarno, zeggen, dat zij een doel nastreven, dat op zichzelf goed is. De middelen zijn echter niet juist. Een groot Indonesië is zeker mogelijk en begerenswaardig. Het land is rijk. Het volk is zeker niet zo dom. Maar wanneer men dit volk alle hulpmiddelen om meer te worden, ontneemt door een nadruk op eigen grootheid en macht in het heden, zal het blijven staan waar het staat: Te arm, te onbekend met de rest van de wereld en het leven daar, om werkelijk iets te bereiken.

Er is dan sprake van een feitelijke disintegratie, waarbij alle samenhang wordt geschapen voor de mens en het land door woorden, symbolen, denkbeelden, die niet op de werkelijkheid gebaseerd zijn. Dan komt er een ogenblik, dat men, tegen alle wenselijkheden en feiten in, als staatsman dingen zal moeten doen, waarvan men zelf beseft hoe dwaas zij zijn, om de macht niet te verliezen en zo de bestaande desintegratie voor geheel de wereld kenbaar te doen zijn.

Dit is slechts een voorbeeld van iets, wat wij overal kunnen zien. Deze wereld zou de verdere cyclus van meer dan normale rampen en ongelukken, die zich nog verder voltrekt, gemakkelijk kunnen verwerken, blijvende schade en zelfs voor velen blijvend leed kunnen voorkomen. Maar de wereld wil niet aanvaarden, dat deze dingen een noodzaak zijn, die mede uit eigen optreden voortkomt. De wereld meent, dat zij, ondanks alle feiten en tekenen haar eigen weg verder zal moeten volgen, een richting, die niet voert tot vrede en niet strookt met de wil van de eenvoudige mensen of de inborst van de staatslieden, die hen leiden – want die zijn als mens vaak veel beter dan hun politiek optreden en maatregelen zouden doen vermoeden – maar met een algemene waan, een illusie, die ten koste van alles in stand wordt gehouden. Het is deze waan, die het gevaar van een wereldoorlog zo dichtbij heeft gebracht. Het is mogelijk geweest en groot deel van die gevaren af te wenden. Maar zelfs terwijl men deze wegneemt, begint de mens onmiddellijk weer met een rationalisatie, een woordenspel, met een zoeken naar middelen om een doel te bereiken, dat ofwel niet bestaat, dan wel wordt nagestreefd met middelen, die noch de mens, noch het doel uiteindelijk dienen.

Als je bv. de mensen in Nederland vrediger en gelukkiger wilt maken, moet je niet de sociale zorg uitbreiden en niet nog meer instellingen subsidiëren, maar er zorg voor dragen, dat de mensen weer zelf leren leven. Men zal de mensen uiteindelijk gelukkiger en evenwichtiger maken door hun arbeid meer redelijk te belonen, dan door hen meer vrije tijd te geven.

Overal zegt men u gelukkig te zullen maken; bijvoorbeeld in het Oosten zegt men: “Wij moeten wapens en zware industrieën bouwen, daarom moet je voorlopig nog met minder genoegen nemen dan je wenst.” Is een mens, die veel te kort komt, die bang is, zich tegenover zijn naaste te uiten, een gelukkig mens? Is een mens, die grenzen ziet, die bewaakt worden met bewakers, die ook op hem zullen schieten, met mijnenvelden, die hem een overschrijden van de grens onmogelijk maken, zo gelukkig, omdat hij zo goed beschermd wordt? Maar is een mens gelukkig, wanneer hij meent, dat zijn land belangrijk is, – terwijl het dit in wezen niet is – en dit eens zal blijken; is hij dan gelukkig, wanneer hij, zonder dit misschien te beseffen, wordt klaargestoomd voor slachtoffer in een oorlog, die meer offers onder de burgers dan onder de soldaten gaat vragen, omdat alleen zo de illusie van de grootheid van de natie en de vlag nog gediend kan worden? Er zijn landen, waar dit alles gebeurt onder het mom van algemeen welzijn, onder het masker van een noodzaak voor het geluk van de mens. Is een mens gelukkig, wanneer hij zijn laatste geld mag offeren om kerken te bouwen, terwijl zijn kinderen geen kleren hebben? Er zijn landen, waar dit gebeurt. Kan een mens gelukkig zijn met een illusie die door de feiten binnenkort ontmaskerd zal worden?

Het zijn vragen, waarop de komende paar jaren antwoord zullen geven. Niet alleen de spanningen en problemen die over een paar maanden optreden alleen, ofschoon de gevolgen nog wel enige tijd uit zullen lopen, maar ook de situaties, die tot 1967 de ommekeer der tendensen aangeven, gevolgd door de vanuit het huidige standpunt misschien eveneens wat onrustbarende invloeden van 1968 – die de opbouw een nieuwe stimulans geven – zal dit alles voor eenieder kenbaar worden uitgemaakt. Wij zullen zien, of de mensheid gelukkig kan zijn en iets kan bereiken wanneer zij steeds weer bedrog en droombeelden krijgt voorgezet in plaats van de feiten. Wij zullen zien, of de mens gelukkig kan zijn, wanneer van hem wordt geëist, dat hij alles van zichzelf verloochent en zich bepaalt tot een enkele, kunstmatig opgewekte emotie.

Daarom heb ik deze kwestie aan de orde gesteld: Doel en middelen.

Het doel, vrede op aarde, is het grootste doel, dat men zich kan stellen. Maar je kunt die vrede alleen scheppen door zelve vrede te zijn. Geluk en gelijke kansen voor allen is een schitterend doel, maar ook dit kun je alleen bereiken door niet te strijden, maar door je eigen mogelijkheden te gebruiken en voor anderen daardoor mogelijkheden te scheppen. Zelfs de overwinning van de wijsheid op aarde kan men niet bereiken door wijsheid aan anderen te prediken of op te dringen, maar alleen door zelf een wijze te zijn.

Ik meen dat de komende jaren de oplossing van vele der genoemde problemen en gestelde vragen zullen brengen. Ik vrees, dat zij, die zich in illusies en niet volgens de feiten op een doel hebben gericht, evenals mensen, die middelen gebruiken, die niet bij hen passen, middelen waarvan zij eigenlijk walgen, omdat zij hun doel voor alles willen dienen, aan die veranderingen ten onder zullen gaan. Daarom heb ik dit alles besproken. U weet nu, waarover het gaat. Uw doel is geluk, een blijvend, een eeuwig geluk, een bereiken van God, die voor u de bron en zekerheid is van een eeuwig geluk. U kunt dit doel alleen waarmaken, door daarnaar te streven met een gebruik van alle u ter beschikking staande middelen op elk ogenblik, in, vanuit en voor uzelf, zo het doel waar makende zonder ooit eigen wezen en aard daarbij te verloochenen.

Indien u dit leert te doen, zult u in de komende jaren voor de vele angsten en teleurstellingen van de “eenvoudigen van geest” gespaard blijven. Overweeg de waarheid van het gesprokene. Denk niet, dat dit alles maar eenvoudig is en besef, dat het voor uw eigen geestelijk en lichamelijk heil in deze dagen van belang is. Trek uw conclusies uit mijn stellingen. Zoek de middelen, die voor u bruikbaar zijn en u zult de weg vinden die u moet en kunt gaan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterische verhalen en overleveringen

Ik wil bij mijn meer esoterisch betoog uitgaan van enkele kleine verhalen en overleveringen.

Er was een man, die door de gehele wereld wijs werd genoemd, omdat hij altijd weer, wanneer iemand tot hem kwam met een vraag, hij een antwoord wist. Eens nu vroeg men hem: “Wie is de grootste wijze op de wereld?” Hij antwoordde: “dat weet ik niet”. Eenieder roemde zijn bescheidenheid. Maar, zo hij geweten zou hebben, hoe wijs zijn antwoorden in de ogen van anderen waren, dan zou hij werkelijke wijsheid al snel ontbeerd hebben.

Zolang wij spontaan “wijs” zijn, is onze wijsheid eeuwig: Wij zijn deel der eeuwigheid en ons denken is in zijn oorsprong zozeer verbonden met de bron van alle dingen, de Goddelijke Kracht, dat wij daaruit vrijelijk kunnen putten. Worden wij ons echter van onze eigen wijsheid en persoonlijkheid te zeer bewust, dan zullen wij niet meer uitgaan van alles, wat er in ons leeft, maar van de beperktheid van onze eigen redeneringen alleen. En op dat ogenblik verliezen wij onze werkelijke wijsheid. Wanneer je zoekt naar innerlijke waarheid en dit alleen doet op grond van eigen – vermeende – kennis en wijsheid, zul je in vele gevallen een échec lijden. Het is eenvoudig onmogelijk werkelijk inzicht en werkelijke wijsheid te vinden, wanneer je je steeds weer bezig houdt met bv. antwoorden, die alleen maar mooi zijn. Zodra je beseft, dat je iets bijzonder goed doet en het daarom nog eens extra mooi wilt doen, is de kans groot, dat alles verkeerd gaat en je het tegendeel bereikt van wat je wilt. Daarvan vinden wij iets terug in een legende over een bekende boeteprediker.

Deze sprak in Florence daarbij sprekende vanuit zijn hart. Hij predikte op de pleinen en mocht uiteindelijk ook de kerken als prediker betreden. Er was op den duur geen kerk en kathedraal te vinden, die groot genoeg was om alle mensen te bevatten, die wilden luisteren naar alles, wat deze man te zeggen had. Hierdoor werd de man zich bewust van het feit, dat hij zo mooi sprak en wilde het steeds mooier, steeds edeler doen. Hij droomde nu, dat hij een kathedraal betrad en, de ogen ten hemel geslagen, begon te preken in zijn mooiste, meest sonore tonen, de fraaiste volzinnen vormende. Overtuigd van de indruk die hij maakte, keek hij uiteindelijk naar beneden en zag, dat de gehele kerk vol zat met duiveltjes. Wat begrijpelijk was: Zijn verwaandheid was voor alle duivels een genot, maar zijn waan van belangrijkheid en schoonheid had alle ander toehoorders verdreven. Hierop kwam hij tot bezinning en trad onder de naam Bartholomeus in, in de orde der franciscanen. Deze man heeft inderdaad bestaan. Van hem was bekend dat hij nimmer zijn preken voorbereidde en eenvoudig weigerde om in mooie, tevoren ontworpen en afgeronde volzinnen te spreken.

Wanneer wij ons bewust zijn van iets, wat in ons mooi is, dit vergroten en alles steeds volgens eigen denkbeeld mooier wilden maken, verliezen wij de essentie van het schone uit het gezicht.

Menigeen die esoterisch streeft, wenst de waarheden, waarnaar hij streeft vooral steeds mooier en zuiverder te formuleren. Hierdoor raakt de inhoud langzaam maar zeker op de achtergrond.

De verpakking wordt steeds fraaier, maar op de duur is er geen inhoud meer.

Wanneer je zelf in jezelf wenst te stijgen, is dit goed. Maar wanneer je daarbij te veel tegen jezelf en je bereikingen op gaat zien, verlies je de moed tot verder klimmen. Ik citeer dit uit een verhaal, waarvan de essentie op het volgende neer komt. Wanneer je ziet hoe groot je werkelijke ik is, zul je de moed verliezen met dit werkelijke ik als geheel te werken en te streven. Je volstaat er mede, dit grote ik te bewonderen en bereikt juist hierdoor in wezen niets. Ik heb nog meer verhalen in petto, die ik ontleen aan een vriend van mij, die ook bij u bekend zal zijn, omdat hij u vele malen reeds heeft vergast op zijn “hemelpoortverhalen”.

Een man, die op aarde reeds een heilige genoemd werd, ontmoette de dood en trok kort daarop welgemoed op weg naar de hemelpoort. Hij was reeds halverwege, toen hij achter zich een verschrikkelijk geknetter en gebrom hoorde. Voor hij in staat was, om te zien of opzij te gaan, kwamen daar twee nozems in leren jacks hem op een knalrode bromfiets voorbijschieten, kennelijk ook op weg naar de hemelpoort. Daar de man nu niet direct een vriend was van dergelijke jeugdige uitbundigheden, begon hij zich innerlijk te verkneukelen en dacht hij aan het ogenblik, dat deze heren zouden worden afgewezen en naar de hel verbannen. Maar, o schrik, de hemelpoort zwaaide open en daar ging het paar de hemel binnen, zomaar, met bromfiets, jack en al. U begrijpt, dat hem dit iets deed. Zodra hij bij de hemelpoort aankwam vroeg hij dan ook aan Petrus, die als gebruikelijk op wacht stond: “Wat was dat voor een eigenaardig stel, wat daar zojuist naar binnen ging? Laten jullie zo iets zo maar toe?” “Zeker”, zei Petrus. “Zij hebben uiteindelijk nooit bezwaar gemaakt tegen anderen of anderen aangevallen. Zij zijn altijd alleen zichzelf geweest. En omdat zij in eenvoud zichzelf waren, heeft de Vader gezegd: Laat die maar binnen.”

De man overdacht dit even en verzocht toen Petrus, op een wat onvriendelijke toon: “Nu ja, laat mij dan ook maar naar binnen.” “Dat spijt mij voor u”, sprak Petrus daarop. “U leefde heus wel als een goed en heilig mens, maar u hebt zoveel vooroordelen, dat ik vrees, dat u voorlopig nog een tijdje in het vagevuur door zult moeten brengen.”

Net waren deze onverwachte woorden gesproken, toen achter het hek van de hemelpoort de bromfiets weer aan kwam razen. Met een ratelend geknetter en een krijsend geknerp van remmen stopte het vehikel. Twee langharige en niet al te schone hoofden keken en zagen hoe ongelukkig onze vrome vriend er bij stond. Opeens riep een van de twee naar Petrus: “Hé, Baard, laat die bleekscheet nou ook maar binnen!”

Dat was hemelse voorspraak en zo gebeurde het wonder: Op voorbede van twee nozems mocht een man, die de wereld heilig en wijs had genoemd, toch nog het Koninkrijk der Hemelen betreden.

Een aardig verhaaltje. Maar misschien mag ik even op het volgende wijzen: Voor het betreden van het Koninkrijk der Hemelen – en dat is ook de grote geestelijke wereld, die wij in onszelf kunnen vinden en betreden – zijn uiterlijkheden niet van belang. Het is daarom beter in de grootste eenvoud desnoods – in de ogen van anderen – stom en ruw te zijn, zonder dit te beseffen, dan van eigen heiligheid overtuigd te zijn en toch innerlijk vooroordelen en een verwerpen van de medemensen nog te behouden. Want dit schijnbaar kleine verwerpen van een medemens, zal een grote hinderpaal zijn hij het bereiken van het begrip van algehele eenheid, terwijl de eenvoudige mens met al zijn fouten deze hinderpalen eenvoudig niet kent en niet bemerkt. Ik geloof, dat je, wanneer je voor de hemelpoort staat, je niet moet afvragen, op welke wijze je binnen wordt genood, maar je eenvoudig dient af te vragen: Hoe kom ik binnen.

En dat is ook in de esoterie waar. Hoe je binnenkomt in de waarheid van de innerlijke wereld is niet zo van belang, als je er maar binnen leert treden; maar als je een manier zoekt om daar binnen te gaan en iets te bereiken, zul je wel een manier moeten zoeken, die bij jezelf past.

Want anders zul je nooit binnen komen. Ik illustreer dit met een verhaal uit dezelfde serie. Er leefde in de buurten van Oeganda een heks. Als je haar bezig zag met haar werk, was het eenvoudig weerzinwekkend: Zij wapperde met een paardenstaart aan een stokje, gooide knekels de lucht in, kneusde dierenogen, riep met hese stem goden aan, kortom, haar aan het werk te zien, was iets verschrikkelijks. De goede zendelingen in de buurt waren dan allen ook wel van één ding overtuigd: Deze vrouw moest wel zo aan de hel ontsproten zijn. Nu trad in die dagen daar een genootschap op, dat, ofschoon het niet uit katachtigen bestond, zich mau-mau noemde. Deze groep nu besloot op een gegeven ogenblik de heiliging van de zendelingen te bevorderen door een snelle, maar niet pijnloze expeditie van alle leiders van godsdienstige plechtigheden naar het hiernamaals. De vrome broeders spoedden zich, zodra zij hun lichaam konden verlaten, opwaarts naar de hemel. Toch betreurden zij het, dat hun zegenrijk werk zo plotseling onderbroken was. Slechts een troost hadden zij: De mannen, die hen hadden gedood, hadden ook de heks gedood.

Toen zij, na een lange tocht, eindelijk voor de hemelpoort stonden, was Petrus in geen velden of wegen te zien. Er hing alleen een bordje met daarop: “Voor onbepaalde tijd afwezig, P.” Na enige tijd zagen zij eindelijk achter het hek een engel voorbijgaan. Na enig roepen stond deze hen te woord. “Wij zijn martelaren voor het geloof”, spraken de vrome broeders, kunt u ons binnen laten?” “Ik meen, dat wij voor deze eeuw ons quotum martelaren al hebben binnen gelaten” sprak de engel. “U kunt het natuurlijk met Petrus nog opnemen, wanneer hij van de aarde terugkomt, maar veel kans geef ik u niet”.

En daar stonden zij, leunende tegen de muur, die om de hemel ligt, de geesten lichtelijk verlept door het gebrek aan hemels enthousiasme. Uit louter ellende gingen zij uiteindelijk maar wat verder op tegen de muur zitten. Daar was nog een klein poortje. En vandaar klonk ineens een stem: Psst… psst. Zij keken op en wie stond daar achter het kleine en wat verwaarloosde traliepoortje? Juist, u hebt het geraden, de negerheks. “Kom maar hier, dan laat ik jullie wel even binnen”, giechelde die. Ik heb namelijk de sleutel van dit poortje.”

De broeders gingen inderdaad naar binnen. Uiteindelijk waren zij verstandige mensen en hadden zij een zakelijke opleiding ontvangen, zoals dit nodig is voor mensen, die een missie gaan leiden, maar daarom namen zij nog geen genoegen met de situatie. Dat begrijpt u wel.

Wat aarzelend bedankten zij de heks voor haar hulp en gingen onmiddellijk naar de Vader. “Heer”, zo spraken zij: “Wij hebben geleefd, geleden en zijn gestorven voor het geloof aan uw Zoon, voor de waarheid, voor de bekering van de mensen en nu was er niet eens iemand om ons te ontvangen. Maar dit alles is Uw wil en kunnen wij nog verdragen, maar een tovenaarster, die ons in de verkondiging van het enig ware geloof steeds dwars heeft gezeten, stond achter een klein poortje en heeft ons, via een achterdeur, binnen gelaten. Hoe kan dit, o Heer? Vader, hoe kan deze vrouw in Uw huis treden? Waar is Uw rechtvaardigheid?”

Maar God sprak: “Luister nu eens. Ik heb eens Petrus de sleutel gegeven voor de echte hemelpoort en daar blijf ik bij. Maar ik heb in mijn rijk een hoop achterdeurtjes. De sleutelbewaarders daarvan zijn voor jullie misschien vaak onaanvaardbaar. Maar de vrouw, die jullie binnen liet – zouden jullie bij geval haar binnen gelaten hebben, indien jullie zo een sleutel hadden gehad – stond, omdat zij alles gaf wat zij geven kon, stond vaak dichter bij mij dan jullie, die je al te druk maakte over het aantrekken van borstrokken aan de mensen, die in dat hete klimaat leven, om zo allereerst de nadruk te leggen op jullie christelijke zedelijkheid.”

Ook dit verhaal heeft zijn moraal. Wij zijn zo vaak overtuigd, dat wij alleen het goed weten, en dat onze innerlijke weg de enige is. Wij zijn bereid daaraan alles op te offeren, maar dan moet daarop ook erkenning en beloning volgen. Wij vergeten daarbij dat je, zolang je geen innerlijke verbondenheid met God bereikt hebt, altijd voor de poort blijft staan, al heb je nog zoveel geofferd en heb je het allemaal nog zo goed bedoeld. Maar iemand die in zijn gehele wezen tracht God te dienen en te bereiken, zal, ook al houdt hij zich niet aan algemeen verkondigde wetten en waarheden, meer innerlijke waarheid bezitten en zo het begeerde doel vaak met minder moeite bereiken – ook al is dat volgens de officiële versie dan een binnen gaan in het koninkrijk der hemelen via een achterdeurtje.

De eenvoudigen, de dwazen, de zonderlingen, die God zoeken met geheel hun wezen, bereiken altijd meer dan degenen, die op een meer officieel erkende wijze, met meer lawaai en belangrijkheid, maar zonder die algehele inzet, zonder voorbehoud de waarheid zoeken.

Misschien kunt u uit dit alles wat leren. Want er zijn al te veel mensen, die zich voor laten staan op hun offers, hun kennis, hun deugdzaamheid. Maar werkelijke bereiking, werkelijke deugd is in de eerste plaats harmonie, eenheid met het hogere. Je zult, wanneer je enkel maar in jezelf harmonie bent, veel meer kunnen bereiken en verdragen dan zonder dit. De uiterlijkheden tellen hierbij niet meer mee.

En hiermede moet ik voor heden mijn betoog gaan besluiten. Onthoudt dus, er zijn vele wegen tot bereiking. Wie zijn eigen weg gaat, de weg die hem past, de weg, waarin hij of zij zich geheel kan geven, zal het eerst van ons allen en het volledigst het doel bereiken: Het geluk van volle harmonie met de Schepper van alle dingen.

image_pdf