Het eerste is vertrouwen en het tweede is overgave

 17 mei 1955

Wij zullen dan deze avond wijden aan beschouwingen, waarbij voor mij verschillende trefwoorden op de voorgrond komen. Er zijn n.l. twee woorden, die ik deze avond zou willen behandelen met u, in hun zin, zoals zij gelijk bleven door alle eeuwen heen: Het eerste is vertrouwen en het tweede is overgave.

Reeds in de allereerste tijd, toen de Lemuren nog samen kwamen en dansten rond de altaren van hun lichtende. Goden, bleken deze waarden voor de mensheid al van een groot belang.

Men moest zich kunnen overgeven aan de God en kunnen vertrouwen op de God. Dan ontving men leiding en kwam alles in orde. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de eerste filosofen in de priesterstand, die hun verklaringen in schrift doen neerleggen, op deze begrippen een zeer bijzondere nadruk leggen. Ik zal zo vrij zijn bij het voorleggen hiervan, niet alleen voor u te vertalen, maar ook het geheel gelijktijdig te ontdoen van de bijkomstigheden, zoals het verwijzen naar de Goden van het toen geldende geloof etc. waar deze dingen anders voor zich weer een veel te grote uitleg zouden vragen.

Wanneer men het werk doet, kan men het niet doen zonder dat de Goden de mens hierbij hun hulp verlenen. Want zonder de Goden zijn wij niets. Indien de zaken een keer nemen, die door u niet was voorzien, indien de ontwikkelingen een verloop hebben, dat voor u niet meer aanvaardbaar lijkt, moet gij toch uw vertrouwen geven aan de leidende Godheid. Zij is het, die uiteindelijk bepaalt, wat gij wel en niet zult kunnen doen; zij is het, die u leidt naar uw bestemming.

Hier wordt het vertrouwen wel heel erg op de voorgrond geschoven. Dit heeft dan ook vooral in het begin nogal eens tot dwaze toestanden geleid. Ik zou u dan ook niet willen raden om dit vertrouwen zo te beoefenen op alle punten van het dagelijkse leven. Een tweede citaat, dat ook zeer zeker interessant is, brengt de overgave op de voorgrond. Er wordt hier gezegd denk aan de tijd, waarin dit werd neergeschreven:

Indien ik ga tot de God en hem zeg: Ik wil U dienen, zo kan hij alles van mij vergen. Wanneer ik mij geef aan de God, zo beslist hij, wat mijn lot zal zijn. Ik zal dan geen zelfstandige daad volvoeren, maar mij slechts richten naar zijn besluit.

Ook in dit tweede punt wordt wel heel sterk de nadruk gelegd op de afhankelijkheid van de mens tegenover zijn God. En toch waren in vele gevallen deze Goden niet meer dan geesten uit de hogere sferen. De overgave was in die dagen wel noodzakelijk, omdat de mens zelf nog niet beschikte over een voldoende oordeelskracht en dus zelfs niet in staat was de eenvoudige consequenties van handelingen in de dagelijkse sfeer te overzien. Een normale ontwikkelingsfase overigens. In deze tijd, dat zult u wel met mij eens zijn, worden deze factoren wel buitengewoon belangrijk. Want, indien de mens niet vertrouwd had op zijn Goden, indien de mensheid van Atlantis eenvoudig zijn eigen weg gegaan was, dan zou er zeer zeker geen groots rijk van Atlantis mogelijk geweest zijn. Sterker zelfs: de priesters van Atlantis hadden een eed van overgave afgelegd. Zij hadden zichzelf verklaard tot werktuig van hun God. Op het ogenblik, dat zij dit vertrouwen niet neer gaven, deze overgave a.h.w. terug nemen en maakten tot een dode formule, ontstond de splitsing in de witte en de zwarte priesterkasten. Hierdoor ging Atlantis ten onder. De geschiedenis heeft deze feiten wel degelijk opgetekend en degenen onder U, die voldoende op de hoogte zijn met het verloop der menselijke historie zullen begrijpen, dat vooral de witte priesters, die uitweken naar Tibet, naar Zuid Amerika, naar China en Egypte, Zuid Afrika en Spanje in hun werken nog sterker dan tevoren op dit vertrouwen, deze overgave hebben gelegd. Zij waren echter verstandig genoeg om in te zien, dat in de ontwikkeling, die zich daar af ging spelen een dergelijk vertrouwen en een dergelijke overgave, die tot een zinneloos instrument worden, leidt, niet meer verantwoord was. Want alras begonnen in de wordende beschavingen profeten te spreken en stemmen der Goden, die zeer zeker niet uit een lichte sfeer stamden. Zij kwamen maar al te vaak met machten uit het duister. Het gevolg was, dat net vertrouwen, zowel als de overgave aan bepaalde condities werden onderworpen. Zo vinden wij bv. in vroeg Tibet een formule, waarin de priester zijn overgave in wezen, hart en ziel aan de God bepaald: Zolang als ik U, mijn God. Daar gaat het om:

Zolang als ik U, mijn God, kan erkennen als Heer van het Licht, als hem, die mij leiden zal, ben ik de Uwe met hart en ziel, met lichaam en geest. Niets zal mij van U scheiden. Ik heb geen wil meer, want Uw wil is de mijne. Ik heb geen stem meer, tenzij gij door mij spreekt. Alle macht, die ik zal bezitten, alle macht, die ik zal verwerven, zal ik niet voor mijzelf vragen, maar slechts aan U geven.

In deze formule is het opvallende, dat, terwijl de gedachte over gave veel sterker wordt uitgedrukt dan in het begin, veel nauwkeuriger wordt omschreven, aan de andere kant de conditie, waarin de persoon zijn houding tegenover het Goddelijke bepaald wordt tot een: Zolang ik U, mijn God, erken. Dat is begrijpelijk. Een mens moet vertrouwen hebben. Een mens moet op een bepaald moment tot over gave kunnen komen. Maar dat neemt niet weg, dat het voor die mens alleen maar aanvaardbaar kan zijn, wanneer hij ook in staat is te zeggen: Ik kan dit niet meer aanvaarden. Dat hij kan zeggen: Ik ben van inzicht veranderd. Neem mij niet kwalijk, mijn God, maar ik neem mijn belofte terug. Want Gij zijt niet, wat ik U dacht te zijn, De mens wordt vrijer. Uit deze tijd stamt een geschrift, waarin het vertrouwen sterk naar voren komt. Aangezien dit van zeer filosofische aard is, zal ik zo vrij zijn om enkele frasen met weglating van de tussen liggende beschouwingen naar voren te brengen.

Vertrouwen – zo schrijft deze filosoof – is iets, dat niet omschrijfbaar is. Mijn vertrouwen is een aanvaarden van een beter weten en een hoger inzicht. Ik moet dit baseren op een erkennen van mijzelf als de mindere van een ander.

Om even later verder te gaan en te zeggen:

De weg, die mij wordt voorgeschreven zal ik volgen, zolang, ik er van bewust ben, dat datgene, die mij leidt meer weet en meer ziet, dan ik weet en zie. Op het moment, dat ik de gelijke ben, is mijn vertrouwen niet meer een aanvaarden van leiding. Het vertrouwen zal blijven bestaan, omdat ik weet, dat hij mij ten goede geleid heeft. Maar ik kan niet meer zeggen: Ziet, Gij geeft mij de richtsnoer en de leiding. Nu echter zie ik zo scherp als hij, ik denk zo scherp als hij. Misschien kunnen wij elkander leiden.

Hij geeft dan verder nog verschillende belangrijke en interessante uiteenzettingen. Maar zijn hoogtepunt bereikt hij m.i. hier:

Het vertrouwen in mijzelf zal ik altijd moeten hebben. Wanneer ik niet in mijzelf vertrouw, moet ik een dwaas zijn. Ik moet voldoende vertrouwen in mijn eigen oordeel, mijn eigen eerlijkheid en mijn eigen waarde, om in staat te zijn de waarde van anderen te erkennen. Ik aanvaard een ander volgens mijn oordeel, omdat ik in mijzelf vertrouw. Heb ik echter mijn oordeel geveld, dan ben ik aan mijzelf verplicht vertrouwen te schenken aan degene, die ik als beter en hoger dan mij zelve erkend heb. 

U zult opmerken, dat wij hier wel degelijk een ontwikkeling van de idee Vertrouwen gekregen hebben. Niet dat dit in die tijd een overal kenbare en op de voorgrond tredende vorm van vertrouwen was. Het resultaat, dat ik u hier geef, is het resultaat van een denken, dat zich met deze beiden eigenschappen, die aan het begin staan van elke magische bewustwording wel heel sterk heeft bezig gehouden. Het is niet voor niets, dat de erfgenamen van de wijsheid van Atlantis de grote magiërs geworden zijn. Dat zij de Witte Broederschap hebben voortgebracht. Zij hebben veel over deze dingen na moeten denken, omdat zij een plaats moesten vinden voor zichzelf in de wereld, die enerzijds voor het ik aanvaardbaar was en anderzijds toch een werkzaam aandeel verzekerde in de bewustwording der wereld. Zij wensten niet het contact met het hogere te verbreken, maar zij wensten ook niet meer de slaven van elke willekeurige geest te zijn. Zij wilden zelfstandig werken en zelf in staat zijn om te oordelen. Wanneer zij echter eenmaal spraken over overgave, dan was deze ook volledig. Wanneer zij vertrouwen geschonken hadden, dan was er ook geen plaats meer voor twijfel. Maar voor zij deze dingen wilden geven, voordat zij tot overgave konden komen, gingen zij eerst de dingen onderzoeken. Zij moesten eerst voor zichzelf overtuigd zijn, dat alles aanvaardbaar was. Dan eerst konden zij de verplichtingen aanvaarden, die gepaard gaan met de mantel der wijsheid. De jaren en de eeuwen gaan verder. Langzaam aan ontstaan nieuwe gedachten richtingen en esoterische scholen.

Eigenaardig genoeg wordt een lange tijd dan van overgave en vertrouwen maar heel weinig gehoord. Buiten de vestingen van de oude wijsheden der aarde is de mens niet meer zo geneigd om vertrouwen te schenken of zich geheel over te geven aan een God. Hij wil dit zelf doen. Hij meent, dat hij dit zelf wel af kan. Wij horen van gebeden, waarin de Schepper ten hoogste wordt aangeroepen als helper, of als Heer der Heerscharen, maar waarin de bidder met al zijn smeken zeker niet meer zegt, dat hij zich overgeeft aan het Goddelijk Besluit en men tracht de Goden tot dienaren van het ik te maken. Dit is een tijd, dat het fetisjisme sterk op de voorgrond treedt. Van vertrouwen in de Goden is al evenmin sprake. Wanneer het orakel van de ene God geen bevredigend antwoord geeft, dan gaat men eenvoudig naar de concurrentie in de hoop, dat die het beter zal zeggen.

Een veel voorkomend verschijnsel. Maar lot wel een verschijnsel, dat een overgang betekent. De mens worstelt om zijn zelfstandigheid. Want in zijn pas bereikt idee van zelfstandigheid, van vermogen, kan hij nog niet komen tot een nieuw aanvaarden van de Goddelijke krachten, of een nieuw vertrouwen op een hogere macht, ook al kan hij zelf niet inzien, waarom niet, of hoe. Kijk, dit is nu weer een punt, dat op de duur allerlei beschouwingen naar voren brengt.

Zo wil ik u thans iets citeren uit een priesterlijke beschouwing, die nog geen drie duizend jaar oud is. Wij spreken over de overgave aan God.

Maar hoe kan ik mij overgeven aan een God, wanneer ik die God niet ken. Men toont mij zijn beeld en ik ken de rijkdom en de pracht van zijn tempels, Maar hoe kan ik mijzelf geven aan een tempel? Ik moet mijn God zelf kennen voor ik mij aan hem over kan geven. Slechts aan een God, die mijn wezen vervult kan ik in werkelijke overgave mijn leven bieden.

Ik mag hierbij misschien nog opmerken, dat dit uit een tijd stamt, waarin tempelmaagden etc. nog schering en inslag waren. Een tijd, dat de tempel tot de grootste slavenhouders der landen behoren. Het is opmerkelijk, dat de gedachten juist zo wordt uitgedrukt, want hier wordt eigenlijk een soort van esoterische scholing geboren. De vroegere esoterische school begon met het opleggen van verplichtingen om daarna eerst te gaan onderrichten.

De nieuwere esoterische school gaat dit omkeren. En dat duurt voort tot heden ten dage toe. Zij begint niet te onderrichten en stelt telkenmale, wanneer een voldoende begrip is bereikt om tot een conclusie te komen aangaande de waarde der overgave, aan de grote krachten de waarde en wijsheid van de leerstellingen, de leerling voor de plicht: Nu zult gij dit en dat gaan doen. Het is aardig om te zien, hoe dit zich zelfs heeft voortgezet in de gebruiken der priesterwijding, zoals die bij de Rooms Katholieke Kerk nu nog bestaat. Ook daar wordt de seminarist eerst geschoold. Daarna krijgt hij een lagere wijding, die hem enerzijds zekere voorrechten geeft en anderzijds zekere verplichtingen oplegt. Heeft hij deze wijding ontvangen, dan vervolgt hij wederom zijn studies. Hij wordt a.h.w. ingewijd in de geheimen van de Kerk eigenlijk ook een genootschap dus, waartoe hij behoort. Wanneer hij het priesterschap heeft bereikt, dan kent hij alle voor het priesterschap noodzakelijke dingen. Hij is echter ook dan in de gelegenheid om verdere wijsheid te verwerven en zal uiteindelijk een hogere functie in de priesterkaste kunnen gaan bekleden, als bisschop of paus.

Een ontwikkeling dus, waarin voortdurend eerst de kennis wordt verworven, daarna de gelofte afgelegd en de verplichting aanvaard. Deze oude priesters hadden echter toch wel een wat eigenaardige opvatting omtrent het vertrouwen: Zij stelden het n.l. zo: Ik leef – ik citeer hier weer uit een geschrift.

Ik leef in de tempel van de grote Heer. Hij is het, die mij geestelijk en stoffelijk mijn brood geeft. Hij is het, die mij de geheimen onthult, waarvan ik voordien het bestaan niet kende. Hij is het, die mij de weg wijst, die ik moet gaan. Hem moet ik vertrouwen, want zou ik hem niet vertrouwen, dan zou ik ook niet mogen accepteren, wat hij mij geeft.

Heeft u het in de gaten? Het eergevoel komt op de voorgrond. Hier gaat het erom; ik moet of helemaal verwerpen, of ik moet helemaal accepteren. Maar ik kan niet als een halve gelovige het woord spreken aan de ene kant en mijn daden en handelingen aan de andere kant stellen. Dat gaat niet. Overigens voor sommige dominees en priesters ook heden ten dage een aanbevelenswaardig voorbeeld. De tijd draait verder en wij komen zo langzamerhand aan bij de grote filosofen. Daar ontdekken wij hierover de eigenaardigste theorieën, die er zover mij bekend ooit verkondigd zijn op aarde. Zo is er een, die zegt:

Wanneer ik mij overgeef, moet ik mij overgeven aan iets, dat ik ken en vertrouw. Maar hoe kan ik de wereld kennen? Ik weet zelfs niet, of ik werkelijk ben. Alleen weet ik, dat ik denk. Ik denk en dus heb ik een bewustzijn. Ik besta dus waarschijnlijk wel. Maar alles wat er buiten mij bestaat, kan waan en begoocheling zijn. Hoe kan ik mij dan overgeven aan iets anders dan aan mijzelf? 

Een aardig woordenspel. Gelukkig, dat hij erbij voegt:

In mijzelf ken ik een stem, die voor mij de waarheid is en die ik vertrouw. 

Daarmede impliceert hij, dat hij zich overgeeft aan de God in hem. Een opvallende beschouwing. Anderen daarentegen proberen met spitsere rapieren en lichtere woorden dit probleem op te lossen.

Wanneer wij ons aan de God overgeven en hij ons in zijn tempel heeft opgenomen, dan is het zijn zorg, wat er verder geestelijk met ons gebeurt. Hij draagt dan de verantwoording. Ons is het de vruchten te plukken van al hetgeen hij ons biedt.

Een tamelijk cynische opvatting der overgave. Met vertrouwen gaat het evenzo.

Vertrouwen – zegt één van deze geboren redenaars – vertrouwen is een handelszaak. Ik geef mijn vertrouwen alleen, wanneer ik er resultaten voor terugzie. Wanneer ik mijn vertrouwen geef en het brengt mij niets, dan ben ik een dwaas, want dat vertrouwen is een keten, die ik mijzelf vrijwillig opleg. Zo zal ik geen keten aanvaarden, tenzij ik overtuigd ben, dat het voor mij iets meebrengt.

Overigens geen houding, die vrij aanbevelenswaardig kunnen vinden. Ik haal dit alle en aan om u te laten zien, hoe juist ook in deze tijd door de door mij naar voren gebrachte onderwerpen wel, degelijk in de belangstelling stonden. Er zijn wel degelijk in vele gevallen als onderwerp van debat werden gebruikt en ook het pro en contra dezer dingen voortdurend heeft besproken. De grootste acte van vertrouwen en gelijk ook de volste overgave kunt u vinden in de evangeliën. In de simpele woorden:

Als het Uw Wil is, O Heer, dat deze beker Mij voorbij ga, dat niet Mijn, doch Uw Wil geschiedde. 

Vertrouwen! Wanneer God het goed oordeelt, dan zal Hij zeer zeker dit in mij tot uiting brengen en ook mijzelf aan Hem overgeven. Ik vertrouw erop, dat God net enig ware en het enig goede zal doen. Een volledige overgave.

Ik heb geen wil, wanneer God spreekt. Zijn Wil geschiedde. Om Hem gaat het, niet om mij.

In de tijden van het christendom vinden wij deze gedachten duizenden malen geparafraseerd terug. Wij vinden het o.a. terug bij de Filosoof Aquino, die zegt, dat overgave aan God de enige weg is tot de werkelijkheid. Wij vinden het terug bij de zieners, als de bekende Curé van Ars, die uiteindelijk zegt:

Ik stel mijn vertrouwen in God en zo zijn tijd en duivel en dood voor mij waarden der waan, want mijn God leeft en ik heb mijzelf aan Hem geschonken. 

Wij kunnen het misschien dichterbij gaan zoeken en Albert Schweitzer citeren, die zegt.

Ik werk en ik vertrouw op God, dat ik mijn werk goed zal doen. 

Al deze factoren samen moeten wij nu proberen samen te vatten in een voor u aanvaardbare en ook bruikbare les t.a.v. deze waarde in Uw eigen leven. Ik heb u dit historische aanloopje gegeven om u te laten zien, dat de wijze, waarom men deze gedachte tot uiting brengt, sterk verschilt naargelang de tijd en de omstandigheden en de ontwikkeling van de mens. Sta me nu toe, om deze gedachte vanuit mijn standpunt. voor u te ontwikkelen. Vertrouwen, een volledig vertrouwen zou het voor ons onnodig maken zelf ook naar iets te doen. Wij zouden ons dan volledig tot God kunnen richten en Hij zou ook zeer zeker volledig kunnen zorgen, dat al onze behoeften vervuld worden en alle voorwaarden van ons zijn. Wij vertrouwen echter niet voldoende in onszelf en niet volledig in God om dit tot stand te kunnen brengen. Een overgave en het al hoger en beter erkende, zelfs indien het het Goddelijke Zelf is, valt een modern mens en ook een moderne geest niet zo licht. Vroeger was de wereld klein en werden werkelijke feiten werkelijk erkend. Daar waar de feiten erkend werden bleven zij zeer lange tijd verborgen. Wij hebben u reeds eens verteld, hoe bv. in China en Indië het geheim der atoomsplitsing reeds honderden jaren bekend was. De verloren geheimen der alchemisten zijn niet anders dan geheimen, waarnaar men nu nog zoekt met de middelen der moderne wetenschap, die voor de moderne wetenschap reëel en waardevol kunnen zijn. De wetenschap, het leven, en hebben het leven van de stof en ook in de geest zo mooi in de hand. Wij hebben het geregeld op onze eigen wijze, wij zijn a.h.w. tot kleine Godjes geworden in onze denkwereld. Wij weten, waar wij heen gaan, wij hebben het recht om te beslissen en te bepalen. En dat gezag, dat ons vooral in de jongere jaren ook ons werkelijk wel als noodzaak is opgelegd en ons in de geest ook voortdurend een drang, waardoor wij ons zelf willen uiten en anderen helpen. Dat kunnen wij niet zo makkelijk opzij zetten. Geloof mij, het is voor mij veel eenvoudiger om voor u te leraren, dan in vol vertrouwen iets aan te nemen, wat ik niet begrijp en niet overzie en wat zelfs ook niet strookt met mijn persoonlijke ervaring dan iemand, die hoger staat. Het is makkelijk genoeg dan iets voor een ander te doen, het is vaak heel moeilijk om iets voor je te laten. Je hebt altijd het idee, dat je het zelf nog beter zou kunnen. Wij hebben wel veel vertrouwen meestal in onszelf. Ondanks ons zoeken naar grotere waarden, menen wij toch, dat wijzelf toch wel heel wat zijn en wat kunnen. Zou dat de fout kunnen zijn? Ik geloof het niet. Want zo stel ik wanneer ik op God vertrouw, dan moet deze ontwikkeling voor mensheid en geest in de lagere sferen noodzakelijk zijn geweest om een volgende fase van de grote bewustwording in dat Al, mogelijk te maken. Het kan niet iets nutteloos zijn. Wanneer ik mijzelf nu ga verzetten tegen die God, omdat het nu niet het Al, maar mij persoonlijk betreft, dan maak, geloof ik, een grote fout. Wij denken op tweeërlei wijzen. Wij zijn als geest al heel gauw overtuigd, dat wij heel wat weten. Wat dat betreft, vertrouwen wij onszelf helemaal volledig, maar wanneer de innerlijke stem zegt: Ja, maar hoor eens, maar dat moet je ook accepteren, dan zeggen wij: Neen, want ik heb dat nu allemaal zo goed gedaan. Dat is wat anders en dat kan ik niet accepteren. Dat is pijnlijk. Het vertrouwen, dat wij in onszelf, hebben, baseren wij in ons geval op God. Maar gelijktijdig weigeren wij op God te vertrouwen, wanneer God niet precies datgene doet, wat ons past. Wat is de oorzaak daarvoor? Wij moeten de ziekte vinden, die ons vertrouwen zover heeft ondermijnd, dat wij niet eens meer zo kunnen geloven in God, dat de Goddelijke kracht zich in ons uitwerkt. Hoe moeilijk valt het ons als geest niet om twee, drie sferen te stijgen om voor een moment even in dat licht te zijn, dat volle intense licht, waarin de hoog bewusten leven. Hoe moeilijk is het voor u niet, om werkelijk voor een moment alle stofzorgen en gedachten opzij te zetten en u te laten doortrillen door de werkelijk levende kracht van het Al.

Wij zijn ziek, want dit is in den beginne wel mogelijk geweest. Er zijn velen, die het volbracht hebben. Jezus heeft tot Zijn leerlingen gezegd: Gij, klein gelovigen! Wij geloven niet, maar waarin geloven wij dan niet? In ons zelf wel! Per slot van rekening om te blijven bij de Apostelen, die in vele opzichten een treffend, symbool zijn voor de mens van heden ten dage. Simon Petrus was bereid om met het zwaard een hele bende mensen te lijf te gaan, hoewel hij het gevecht toch zeker niet had kunnen winnen. Hij vertrouwde voldoende op zichzelf om zijn Meester te kunnen bevrijden. Maar hij vertrouwde gelijktijdig niet op God en Zijn Meester om hem mogelijk te maken om over de wateren te wandelen. Want, zo zei zijn denken, zijn bewustzijn, dat kan ik anders ook niet, dus kan ik het nu ook niet. En toen Jezus Zelf pas hem overrompelde door naar hem toe te gaan en uit het water op te lichten en te dragen, toen accepteerde hij en nog maar ten halve.

Ziet u, daar zit het hem juist. Wanneer het van ons uitgaat, dan durven wij veel meer dan wij aan kunnen. Dan nemen wij lasten op ons, die wij gewoon niet dragen kunnen. Maar wanneer het erom gaat, dat God de regelen, die wij beschouwen als onschendbaar voor ons, zal opheffen, omdat Zijn Wezen een grotere wet is, dan alle verschijnselen, die wij; kennen, dan zeggen wij stop. Er zijn natuurlijk heel veel factoren, die dat in de hand werken. Ik denk hier bv. aan de godsdienst, die in plaats van een intens geloof, eenvoudig een even intense formule leer stelt, waar het gaat om woorden en niet meer om innerlijke toestanden. Dat op zichzelf kan het je zeer moeilijk maken. Een wereld, die meer vertrouwen heeft in dode letters op een blad papier, dan op het bewustzijn van een levend mens. Dat zijn zo van die waarden, die in de wereld erg belangrijk zijn. Met ons gaat het al evenzo. Wij zien een wereld vol van problemen en wij weten, dat wij ze op kunnen lossen. Wij zijn er ons helemaal niet van bewust, dat die oplossing, die wij ons zo goed hadden gedacht, in wezen eigenlijk helemaal verkeerd is. Daar zit hem de knoop. Dat is hetgeen, wat wij niet aan kunnen. Wij kunnen het verschil niet aan tussen ons zien van de wereld en de waarheid, die in God bestaat. En daar ligt ook het probleem vertrouwen geheel in opgelost. Zodra wij aanvaarden, dat onze wereld niet de werkelijke is, dat onze bedoelingen uiteindelijk beperkt worden door een onvolledig overzien de reële waarden, dan wordt onze hele wereld wankel. Dan moeten wij wel vertrouwen in God, omdat dit voor ons de enige methode is om de waarheid en de werkelijkheid te benaderen. Dit betekent voor ons, dat wij toegeven eigenlijk een schimmenspel op te voeren, dat wij met onze onvolledige kennis een weg gaan, die op zijn minst genomen twijfelachtig is. Wij menen nu wel, dat wij alles zien, maar als mens zien wij niet eens alle kleuren van het spectrum. Wij menen nu wel, dat wij alles weten, maar wij horen niet eens alle klanken van het leven rond ons, laat staan de onsterfelijke muziek van de sferen. Wij denken, dat onze wetenschap groot is; dat ons vermogen om de dingen met zuiver inzicht te bepalen nu toch wel uiteindelijk bewezen is. Wij denken, dat wij veel weten. Maar uiteindelijk zijn wij nog niet eens zo ver, dat wij kunnen omschrijven, wat wij niet hebben.

Wij kunnen nu wel veel bepalen en veel richtlijnen stellen. Alles volgens onze ervaringen. Maar is dat alles wel toepasselijk? Dat is alleen toepasselijk, wanneer de feitelijke toestand gelijkelijk gehandhaafd blijft. En wat is de feitelijke toestand? Een gedeelde waan. Op het ogenblik, dat die waan bij anderen verandert, kan ik met mijn feiten nergens meer naar toe. Op het ogenblik, dat een ander nog alleen maar de hoogste tonen kan horen, kan ik mij met een lage stem niet meer verstaanbaar maken, ook al is die stem op zichzelf nog zo mooi en ver dragend. Wanneer wij dit begrijpen, zien wij ook in, waarom de moderne wereld weer meer in God moet gaan vertrouwen. Nu spreek ik niet over de overgave. Ik spreek alleen nog maar over het vertrouwen.

Al het menselijk weten en kunnen heeft uw wereld tot nu toe rampen gebracht. Het heeft de wereld misleid. Indien de wetenschap in staat zou zijn een tiende gedeelte van haar weten en kennen op de juiste manier samen te voegen, dan zou zij de geheimen van leven en dood reeds lang kennen. Maar zij is niet in staat om de sleutel te vinden. Wij moeten begrijpen. Ik spreek nu eerst over uw wereld. Daarna zal ik over mijn wereld spreken. Wij moeten begrijpen, dat wij in al het stoffelijk denken en doen wel moeten vastlopen. Dan kun je niet meer verder. Dan is het net of de wereld steriel wordt. Wanneer wij nergens meer vooruit gaan, wanneer wij ergens meer schot in weten te krijgen, dan is het net, of je gek wordt. Dan ben je in staat om met atoombommen te gaan gooien, ook al weet je, dat het 80 % van de mensenlevens op deze aarde zal kosten, want je ziet geen uitweg. Juist, want ondanks alle weten, al je kennis, zie je geen uitweg. Jij ziet. Dat houdt dus in, dat, als het het menselijk bewustzijn de toestand op deze wereld en de gang der dingen op deze wereld zou moeten bepalen, deze wereld allang een hopeloze woestenij zou zijn. Maar er zijn machten die haar toch in leven houden, die, wanneer er weer nieuwe wapens zijn uitgevonden, wanneer de aarde scheurt en barst, ja, wanneer een hele wereld dreigt te verzinken, zoals eens Atlantis verzonk, ingrijpen. Er zijn krachten en machten, die meer weten dan dat, die ver boven het normale bewustzijn van de mensheid uit voorzien wat mogelijk is.

Reeds 12.000 jaar geleden werd een begin gemaakt met het klooster, dat een gunstige stand in moest nemen ten opzichte van de siderische pool en gelijktijdig afgelegen moest zijn. Dat alles in uw dagen! Denkt u, dat eens de witte priesters van Atlantis ook niet gedacht hebben:  Zouden wij niet liever onze eigen krachten en weten inzetten dan weg te trekken op een reis van jaren. Weg te trekken om misschien te sterven onderweg. Om in het gunstigste geval ver van alle beschaving in een woestenij ver van ons geliefde land, verwijderd van de klanken der melodieuze taal, die ons zo lief is, te blijven vertoeven, omdat. Zij hadden het vertrouwen in een hogere macht. Omdat de priesters van Atlantis dit vertrouwen hadden, lig en nu nog de wijsheden van de oude wereld te wachten, totdat zij door het Oosten opnieuw aan de wereld worden geopenbaard. Zij hadden een vertrouwen, dat hen het onmogelijke deed beproeven.

Dat hen zich deed vestigen in gebieden, die volgens alle rede, dodelijk waren, omdat de barbaren, die daar leefden, niemand buiten hun eigen stam daar tolereerden. En het is goed gegaan. Zij hebben voor die dagen haast onmogelijke prestaties verricht. Zij zijn met lasten,  die ettelijke tonnen bedroegen, getrokken van de kusten van Afrika tot Tibet in dagen, dat er hoogstens een lastdier te krijgen was.

Want in die dagen waren er allang geen vliegtuigen meer. Je verplaatsen door de kosmische kracht was voor hen niet mogelijk met een dergelijke last. Toch werd die taak volbracht. Er word hen gezegd; Houw een tempel in de levende rots, Er werd hen niet erbij gezegd; hoe. Zij begonnen, na enkele uren vonden zij een grot, groot genoeg om een eerste heiligdom te vestigen. Afgezonderd genoeg om hier de concentratie te vinden, die noodzakelijk is voor het verrichten van dergelijke arbeid met de geest. Daarom bestaat er nu nog een berg, waarin oude tempelkamers het oude kruis vormen, dat het symbool is voor deze oude leer van Atlantis. Wanneer u dat alles kunt begrijpen, zult u ook begrijpen, dat vertrouwen de enige uitweg is. Men moest vertrouwen op grotere dingen dan de wereld, de wetenschap, of hetgeen men zelf is. Indien de mensheid vertrouwt op God, dan is er een uitweg, ook al lijkt dat onmogelijk. Wanneer God u zegt: Zo zult gij handelen en het klinkt u als waanzin in de oren, dan zult gij het toch doen. En het zal goed zijn. En een overgave? Zou die in deze tijd mogelijk zijn? Ik geloof het niet. Overgave is het volledig afstand doen van je eigen wezen. Geheel te zijn niets meer dan een verlengstuk van een ander. Welke mens zou dat in deze dagen kunnen doen? Zelfs de kloosterlingen, die dit heden beloven, doen het in werkelijkheid niet. De wereld zal eerst weer haar vertrouwen in God moeten vinden, voordat meer dan een enkeling in staat zal zijn zich over te geven aan de hogere leiding, die is de werkelijkheid van alle dingen, die is de stem Gods. Wij zijn besmet met de gedachten dezer wereld. Wij zijn trots op onze wetenschap en menen, dat er een logische verklaring mogelijk moet zijn voor alle dingen, want anders zijn zij niet aanvaardbaar. Vertrouwen ook wij in onze wereld eigenlijk met veel te weinig, maar wij toch reeds zoveel meer weten van God? Ik zou mij hier nederig op de borst moeten slaan en zeggen: Me a Culpa. Door mijn schuld ook. Want ook ik kan niet altijd aanvaarden. Ook ik kan niet altijd vertrouwen op dat grote licht. Wanneer mij dat zou zeggen:  Zo is het, dan voel ik mij gedwongen om het na te zoeken, tot ik het zelf ook gevonden heb.

Toch zou het misschien beter zijn, wanneer ik kon aanvaarden. Maar dat ligt niet. meer op mijn weg. Zoals ik zijn er velen. Toch werken wij ten goede, want wij hebben één ding geleerd in de wereld van het licht.

Wanneer alle andere vertrouwen je zwaar valt, hoef je alleen maar je eigen wereld van licht, van vreugde, van werk en zoete rust te bezien, om te kunnen vertrouwen in een liefdevolle God.

Laten wij dan daar in ieder geval maar op vertrouwen; de liefde Gods, Werkzaam in beide sferen. Misschien dat wij dan nog zo ver komen, dat wij niet alleen vertrouwen op een eigenschap van God, maar op God zelf. Dan zal het misschien ook ons mogelijk zijn om in volledige overgave tot het licht te gaan, al schijnt het leven uit ons weg te branden, al vernietigt het schijnbaar geheugen en gedachten. Dan kunnen wij ons overgeven aan God en Hem naderen. Het vertrouwen zegt ons, dat deze gang niet met een uitblussing beloond wordt, maar met een nieuw bewustzijn, dat de God waardig is. Die nu is geworden tot de besturende kracht van ons wezen. De gedachte, die ons weten uit maakt, de kracht ons deel maakt van het hele Al. Deze beschouwing, wil ik niet besluiten zonder daaraan nog een klein commentaar in lichtere vorm te verbinden. Laten wij niet neer praten over vertrouwen en dat woord niet meer noemen, wanneer wij niet in staat zijn dat vertrouwen ook redelijk te geven en laten wij niet meer zeggen, dat wij vertrouwen, wanneer dat vertrouwen is weggenomen. Laten wij, of ons geheel geven, of niet geven. Maar niet praten over overgave, terwijl daarmede in werkelijkheid een verrijking van onszelf bedoelen, in plaats van een weg schenken van ons hele wezen, dat daardoor onderdanig wordt aan hogere machten. Laten wij deze termen niet gebruiken als een leugen tegenover onszelf. Laten wij niet in het openbaar zeggen: Wij hebben vertrouwen, wanneer wij het in werkelijkheid slechts dan geven, wanneer wij niet anders kunnen. Maar laten wij wel steeds proberen onszelf het vertrouwen van anderen waardig te maken en gelijktijdig proberen op waardige wijze te leren vertrouwen in de grote krachten, die ons allen leiden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Ik zou graag deze avond met u willen spreken over de leer van Tao. Een leer, die o.a. door Confucius, of Kung Fu Tse, zoals zijn naam eigenlijk is, in mijn land zeer sterk werd verbreid.

Zij draagt in zich verschillende elementen, die ook voor u, naar ik meen, van belang kunnen zijn. Tao is de leer van het gedrag, dat gebaseerd is op het eeuwige. Er is een eeuwig en onverstoorbaar principe, dat alle menselijke gedragen en beleven behoort te regelen. Zolang men de wet van Tao inderdaad tot uiting doet komen in elke uiting van het leven, zal het leven gelukkig zijn volgens alle mogelijkheden, die in het menselijk lot liggen. In de eerste plaats leert ons deze wet, dat er een gezag is. Dit gezag wordt voorgesteld, zoals dit in ons land gebruikelijk was, als te bestaan uit de hemelse Keizer, omgeven door de Vorsten der vier landen, daaronder de stoffelijke Keizer. Onder de stoffelijke Keizer de bonzen, de priesters, en daaronder wederom de mandarijnen en gezagsdragers, waar achter dan uit eindelijk de gewone mens komt. De Keizer is de uitdrukking van het hemels gezag.

Wanneer wij dit gaan vertalen in voor uw tijd meer bevattelijke termen, dan kunnen wij dit zeggen:  De grote kracht, die het Al heeft geschapen, draagt in zich een aantal eigenschappen, die voor elke mens als wet tot uitdrukking komen.

Het is begrijpelijk, dat deze wetten op de mens hun stempel hebben gedrukt en deze mens ook deze wetten als waarheid moet erkennen. Zo kiest dan de mens als verpersoonlijking van de wet, die direct uit God stamt van een mens. Het doet er verder weinig aan toe, wie of hoe die mens is. Hij is een symbool van de Goddelijke Wet, die ook bij de mens volledig en juist tot uiting moet komen. Of u nu zegt: de president, of de eerste minister, of u nu zegt, de koningin of de koning, of de keizer blijft gelijk. De vorst is het symbool van de Goddelijke Kracht. Als zodanig moet hij het vermogen bezitten deze wetten tot uiting te brengen. Hij is dus een gezagsdrager. Hij ontleent dit gezag niet aan zijn vorst zijn, maar aan het feit, dat een Goddelijke wet bij de mensheid tot uiting komt. Wanneer de priester zich om de een of andere reden tegen de vorst zou verzetten, dan zou hij zich op grond van zijn erkennen van Goddelijke Wetten tegen de uiting op aarde van de Goddelijke wetmatigheid richten. Een priester, die zich tegen zijn vorst verzet, kan dus geen goede priester zijn, Zo gaat het ook vaak met het aardse bestuur. De wet van Tao stelt de priester onder de vorst, of de keizer.

Eerst daarna komen de hoogwaardigheidsbekleders. Dit is begrijpelijk. Zij zijn slechts de zintuigen, de ogen, oren en soms ook de handen van de vorst. Aan hen is het gegeven om Zijn wet tot uitvoering te brengen, zijn gezag te doen gelden. Nu weten wij echter, dat in vele gevallen de wetten worden vastgelegd in grote wetboeken. Deze wetboeken, zijn uiteindelijk niets anders dan een verzameling van de regels, die de mensheid als voor haar bestaan noodzakelijk en goed dus van God komend heeft erkend. Onder de instrumenten, die de wet tot uitvoering doen komen, bestaat de gewone mens. Hierin wordt wederom een onderscheiding gemaakt, die in deze moderne tijd helaas ook in mijn land verloren dreigt te gaan. Eerste, onder de gewone mensen, is de ouderdom. Want de ouderdom heeft lang geleefd en gedurende dit leven de Goddelijke Wetten aan den lijve ondervonden. Zij zullen misschien niet altijd wijs zijn, maar wij moeten in hen respecteren, dat zij inderdaad geleefd hebben onder het juk der Goddelijke Wet en zo voor ons de mogelijkheid hebben geschapen, ons aan hun voorbeeld spiegelend, de Goddelijke Wetten ook voor onszelf te erkennen. Na de ouderdom komen de kinderen. Het vreemde is, dat iemand, die oud is zonder kinderen te hebben, niet wordt geacht. Het is echter begrijpelijk, wanneer men bedenkt, dat de continuïteit van ras en volk voor ons altijd de grote noodzaak zijn geweest. Wie kinderen had, was gezegend. Hij kon zijn geslacht voortzetten en doordat er nog leden van zijn geslacht op aarde leefden, ook zijn rechten doen gelden in het Rijk van de hemelse Keizer.

Degene, die deze voortzetting van het stoffelijke leven in deze zin echter niet had, kon zich niet beschermen door de Goddelijke Wet in de eeuwigheid stellen, om voort te gaan in de tuinen van het hemelse keizerrijk. Hij werd uitgewezen naar het land achter de Bronnen van de Gele Rivier. Dat is een land vol duisternis en smart, dat men slechts kan verlaten, wanneer men naar de aarde gaat om daar de verzuimde plichten alsnog te vervullen. U ziet, in deze leer zit ten vele elementen, die in de moderne tijd ook belangrijk kunnen zijn. Tao is echter niet alleen een leer van de Goddelijke Wet en die op een bepaalde wijze op aarde geuit worden. Zij leert u, dat die wetten ook in u bestaan. Het aardige is, dat zij onszelf als de uitvoerders van deze wet stelt.

Het is mijn plicht om rechtvaardig en hoffelijk te zijn. Die verplichting wordt mij niet door mijn omgeving op gelegd, maar door het feit dat ik leef onder de Goddelijke wet, die mij achting voor mijn naasten inboezemen moet.

Ik moet eerlijk zijn, want ook al is een ander oneerlijk tegenover mij, dan is het voor mij een noodzaak de Goddelijke Wet in mij zelf te erkennen. Ik mag dus geen bedrog met bedrog beantwoorden. Als wij de grondslagen van deze leer nemen, dan kunnen wij haar gaan toepassen op elke fase van het menselijk bestaan. Dus ook op uw eigen leven. Indien u hiertegen geen bezwaar heeft, dan zou ik dat thans gaarne voor u doen. Mag ik aan nemen, dat uw zwijgen voor mij een goedkeuring inhoudt?

De mens leeft op een wereld, die velerlei verschillende richtingen van denken en streven kent. Elke mens echter is inderdaad een deel van een veel grotere macht, dientengevolge zal deze mens in zich de wetten van deze groter macht dragen. Onverschillig wat er rond hem gebeurt, moet hij deze wet, die in hen leeft, ten uitvoer brengen. Niet voor elke mens is deze wet des levens gelijk. leder gaat op zijn eigen manier zijn eigen weg. Maar laat hij zich hinderen in het uiten van hetgeen zijn levenstaak is door zijn medemensen, menselijk opzicht, of wetten, die hij in het eigen bestaan niet als Goddelijk kan erkennen, dan zal hij onder gaan. Dan wordt het doel van het leven niet vervuld.

Ongetwijfeld zou het belangwekkend zijn te zien, hoe de mensen zouden gaan reageren, wanneer zij dit in praktijk brachten in uw wereld. Er zouden maar weinig mensen zijn, denk ik, die bereid zouden zijn, onder welk voorwendsel dan ook, een medemens te doden. Degenen, die zouden doden, zouden echter ook de dood als een begerenswaardig iets moeten zien, want zij erkennen dit door hun daad als iets goeds, als iets redelijks. Er zouden weinigen zijn, die armoede zouden willen laten voortbestaan. Slechts zij, die zelf arm willen zijn en in de armoede een goed zien, dat onschatbaar is, zoals vele wijzen doen, zouden arm blijven. De anderen echter zouden begrijpen, dat elk verschil in welstand uiteindelijk een gevaar betekent.

Een gevaar, waar door onvrede, ontevredenheid, onredelijkheid ontstaat. Iets, waar door de andere mensen worden afgeleid van de Goddelijke Wet door zich te verrijken, of in stille wrok te bekommeren om problemen, die niet de hunne zijn. Het zou niet dwaas zijn, wanneer die wereld van u, dat alles in praktijk bracht. Het gaat nog verder. Ik weet niet, of u wel eens gehoord hebt van een gebruik, dat er bij mij in het land bestond. Nl. dat elke dokter, die een patiënt verloor aan de gevel van zijn huis daarvoor een lantaren aan moest brengen. Misschien kent u het verhaal? Er was eens een zeer rijke mandarijn, die zeer ernstig ziek werd. Hij zeide tot zijn bediende: Zoek mij in deze plaats de dokter, die de minste lantarens aan zijn gevel heeft. De bediende keerde terug en sprak: Meester, ik heb u een goed arts gebracht, want zie, deze heeft slechts één lantaren aan zijn gevel. De arts genas de mandarijn en deze prees zowel de machtige wijsheid van de arts, als ook zijn eigen inzicht om hem te kiezen. Hij sprak tot hem: Toen mijn bediende u zeide: Kom tot het huis mijns meesters, wist ik reeds dat slechts één lantaren brandde aan uw huis en heb mijzelf gezegd: Zo er één is, die mij genezen kan, zal het deze vorstelijke wijsgeer onder de genezers zijn. Toen boog de dokter zeer diep voor de mandarijn en zeide: Heer, gij overschat mijn klein begrip. Eerst sedert gisteren ben ik arts.

Dit verhaal schetst de wijze, waarop men te land kan komen, wanneer men zich te zeer richt naar het menselijk inzicht, wanneer men te veel afgaat, op wat de wereld buiten u zegt. Wat gij in u weet, is belangrijk, doch menig wijze in China zeide: Geef mij een arts, die veel lampen aan zijn huis heeft, want hij, die er velen gedood heeft, zal misschien geleerd hebben, hoe hij een enkele moet redden. Deze wijsheid mogen wij rustig onthouden. Niet zij, die nooit een fout gemaakt hebben zullen de beste mensen zijn, maar wel zij, die zoveel fouten gemaakt hebben, dat zij hun eigen fouten hebben leren inzien en erkennen. Niet de onschuld bepaalt de waarde van een mensenleven, maar de wijsheid. Wanneer dit wordt toegepast door ons op onszelf, dan leren wij, dat wij de Goddelijke Wetten in ons zelve steeds weer moeten uiten. In deze uitingen zullen wij natuurlijk fouten maken. Wij zuilen misslag op misslag begaan. De wereld zal van ons zeggen: Zie, deze is een slechte arts, want vele mislukkingen hangen als brandende fakkels aan zijn huis. Maar de wijzen weten, dat, wie veel gepoogd heeft, ook veel fouten zal maken, maar veel wijsheid zal ervaren. Zo is het niet erg, wanneer de wereld lacht, omdat u uw eigen weg zoekt. De verachting, of goed keuring van de wereld heeft u weinig te zeggen. Wanneer gij wijs zijt, betekent dit voor u slechts het slijk in een goot, waarvoor gij uw gewaad beschermt door het een wijle wat op te tillen. Deze dingen zijn van geen belang. Zij kunnen uw leven niet maken en niet breken, want uw leven ligt in u. In u ligt de Goddelijke Wet. Beter, dat de wereld u veracht, dat de wereld u haat, dan dat gij zou zondigen tegen de wet in uzelf. Tao wil zeggen: De Goddelijke Wet, zoals je die kent, tot uiting brengen. Het betekent echter gelijktijdig erkennen, dat de Goddelijke Wet op voor mensen aanvaardbare wijze tot uiting wordt gebracht door machten, die door de hemelse Keizer, de Goddelijke Macht, op aarde zijn geplaatst. Toch werd ook Kung Fu Tse verbannen en heeft lange tijd in de buiten provincies gastvrijheid moeten genieten bij zijn leerlingen, omdat hij de grote Keizer, de hemelse Vorst, de Zoon des Hemels had beledigd. Want hij had tot hem gesproken: Wie de macht der Goden draagt, moet de Goden waardig zijn. En dat was een belediging. Het hield in, dat deze Zoon des Hemels de hemelse Keizer zeker niet waardig was. Ik geloof echter wel, dat een dergelijk verwijt in de mond van elke wijsgeer past, wanneer hij ontdekt, dat de wereldse macht in strijd is met de Goddelijke Wet. Maar het is niet zijn recht zich te verzetten, wat Kung Fu Tse dan ook niet gedaan heeft, want hij had zeker een opstand kunnen verwekken. Hij had de Zoon des Hemels zeker zeer kunnen benauwen in de hemelse tuinen van de Gouden Stad. Hij heeft geen opstand verwekt, maar is gevlucht.

Want zelfs indien het Goddelijk Gezag alleen naar tot uiting komt in een nietswaardige, is het op zich toch nog Goddelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor ons zelf. Wij moeten zelf bepalen, hoe de wetten, die worden gegeven, in overeenstemming zijn te brengen met ons eigen wezen. Wij hebben niet het recht het gezag om te werpen. Wij hebben slechts het recht voor ons zelfde in ons liggende Goddelijke Wet als juist te erkennen en te uiten, ondanks alles wat het gezag zegt. En dit heeft de wijze meester gedaan. Ik heb uw goedkeurende lach gehoord, toen ik enkele spreuken uit ons rijk van het Midden aanhaalde. Ik zou u daarvan, voor ik weg ga, dan gaarne nog een paar kleine voorbeelden van willen geven.

Men zegt wel bij ons: een mens, die lacht zonder vreugde, is als een vat vol wijn, waarin water de wijn dreigt te vervangen.

 De lach moet een uiting zijn van vreugde. Ware vreugde kan alleen ervaren worden, wanneer men rechtvaardig is. De onrechtvaardige kent de ware vreugde niet. Zijn lach is geen ware lach. Indien men bij de wijn der rechtvaardigheid het water van menselijke belang voegt, wordt zijn lach hard, droef en somber en zonder ware vreugde.

Aan de lach kent men menig mens, terwijl neergeslagen ogen de waarheid verhullen. Terwijl wij nu toch met deze spreuken bezig zijn, nog een tweede: wanneer gij met een zeilwagen op de weg zijt dat is een kruiwagen met een zeil, door een koelie gehanteerd en daarop zijt gezeten, zo, indien men u zegt: Daar vliegt een reiger, schouw op en verlustig u aan het schouwspel. Maar zo gij een loon verwacht voor de vracht, die gij vervoert, richt uwe ogen op de weg. Anders zal het loon u ontgaan en de vloek van uw vracht op u neer dalen.

M.a.w. wanneer een mens een taak begint, mag hij zich niet laten afleiden door allerlei bijkomstigheden. Gij heeft een taak op u genomen en daardoor erkend als voor u passend en goed. Gij krijgt daarvoor een zeker loon. Dat loon kan geestelijk of stoffelijk zijn. Maar indien gij u van uw taak af laat leiden, dan zult gij uw loon moeten derven en zelve nog schaden lijden. Gij zult verder hetgeen gij wilde, volvoeren tot een ongelukkig einde brengen en zo ook anderen schade toe brengen. Dan is er nog zo’n wijsheid die ik u als laatste graag wil voorleggen. Men zegt van sommigen bij ons wel:   Wanneer zij de mandarijn zien, buigen zij. Wanneer zij een bonze zien, betalen zij. Maar wie hen een aalmoes vraagt, slaan zij de deur uit.

Die soort mensen bestaan wel meer. Zij buigen voor alle grootheid. Al wat edel is, of enig aanzien geniet, wordt geëerd. Wanneer een idioot om in Uw tijd te spreken met een grote Cadillac voor de deur komt, dan zal de chef ober hem bedienen, alsof hij een genie ware.

Wanneer een rijk mens binnen komt in eenvoudige kleding en vraagt om een glas water, dan zal hij hem de entree verbieden. Bent u misschien ook wel eens zo geweest? Telt gij ook zwaar de stoffelijke waarden en probeert gij misschien de geestelijke waarden met een klein stoffelijk offer af te doen? Dan zult gij ongetwijfeld de werkelijke waarheid de deur uitschoppen. En toch  is de waarheid zo belangrijk. De waarheid zegt u n.l. precies, wat gij zijt en wat gij doen moet.

Zij zegt u, dat al Uw waan nietig is, maar zij toont u gelijktijdig, hoe gij in werkelijkheid kunt verwerven, datgene wat, gij tot nu toe alleen maar in uw verbeelding bezeten hebt. De waarheid mag dan armelijk lijken, maar zij moet welkom worden geheten. Degene daarentegen, die stoffelijk boven u staat, zult gij de eerbied bewijzen, die u toekomt, want gij moet hoffelijk zijn. Maar gij zult hem zeker niet verheffen boven de wijsheid en de armoede, die de waarheid met zich draagt.

Indien men de mandarijn naast de rover hangt, weet niemand na vijf dagen meer, wie de mandarijn en wie de rover was. 

Stoffelijke waarden en waarderingen, hebben geen waarde meer, zodra het stoffelijk leven is afgelopen. Zoals er geschreven staat:

Terwijl de zon duizenden keren haar weg door het Al maakte en de aarde ongetelde keren rond wervelde, zuchtte de hemelse Keizer en sprak tot zijn hofhouding: Het wordt tijd, dat wij ontwaken. Want de eeuwige krachten tellen niet met jaren. Zij tellen ook niet met miljoenen jaren. Er is geen tijdsverhouding meer te vinden. Maar de eeuwige krachten zijn het, waar het uiteindelijk op aankomt.

Ziet de keizer heeft hem aangezien en hem verheven tot zijn troon, hem een aanstelling gevende als keizerlijk moerbeibladbezorger. Misschien een wat rare titel voor u. Maar zo iemand was een zeer groot heer en had een zeer grote sinecure. Een dergelijk iemand had de rang van mandarijn en wel van mandarijn van de pauwenveer. Hij had zeer veel emolumenten en had daarvoor alleen maar te zorgen, dat op tijd het moerbeiblad werd geplukt en aan de zijderupsen gevoerd, die voor de keizerlijke zijde moesten zorgen. Een eenvoudig mens kan, wanneer hij waardig is tot een zeer grote rang stijgen. Deze rang was bij ons een beloning voor degenen, die geen wijsheid of geleerdheid bezaten en toch waardig waren om aan het keizerlijke hof te verkeren. Zo verheft de Eeuwige de mens, die waardig heeft geleefd, ongeacht zijn kennis en vermogen aan zijn hof en voor die mens gelden dan de dagen der eeuwigheid. Wat zijn onze ogenblikken van kort leven daarbij vergeleken? Het is beter tachtig tot honderd jaar op aarde te lijden en een waarheid te vinden, die toegang geeft tot het eeuwige, dan duizend jaren op aarde in vreugde te leven en een dwaas te blijven, die niet kan binnentreden in de eeuwige stad van de eeuwige Keizer. Ongetwijfeld zult u zich misschien afvragen, of dit nu esoterie is, of iets anders. Ik zal trachten ook hier mijn bescheiden licht te doen schijnen om u bij staan in uw wijze erkenning. Dit is volkswijsheid. Maar volkswijsheid baseert zich meestal op de esoterische kennis, die altijd de dragende en drijvende kracht is van een volk en zijn wetten. Als zodanig kan zij, mits juist geïnterpreteerd, esoterie zijn van de hoogste graad. En nu een laatst commentaar. Misacht de eenvoud: niet. Vaak draagt de eenvoud in zich een kracht en een wijsheid, die in het opzienbarende geheel niet bestaat.

0-0-0-0-0-0

Voor wij gaan besluiten wil ik nog gaarne een paar woorden voor mijzelf heen spreken. Ik weet niet eens, of ik tot u praat, of misschien tot die kleine vriend, die mij is voorgegaan, die onwillekeurig weer zijn oude glimlach aannam en wederom trachtte te zijn, wat hij lang vergat te zijn. Een zoon van een volk, dat wijzer is dan menigeen beseft.

Hij sprak u over de wetten, die altijd weer regeren. En ik weet, dat er geen wet bestaat in het Al, tenzij zij in het Goddelijke leeft. Al het andere vergaat. Soms komt in mij de vraag op: Wat is Goddelijk in de Wet? En wat is slechts mijn gedachte? Mijn kleine vriend heeft dat niet naar voren gebracht. En daarom zou ik gaarne dit een ogenblik vastleggen, als resultaat van een bespreking, die ik met hem samen heb gehad, als een voortzetting van een aangename discussie, die wij enige tijd geleden moesten onderbreken, omdat hij ergens moest gaan werken. Ik geloof, dat elke wet, die in een mens leeft en elke drang, die in een mens leeft, elke wet, die in een geest leeft en elke drang, die in een geest leeft, Goddelijk is, wanneer zij door het gehele wezen als juist en goed wordt ervaren. Ik geloof, dat deze wetten betekenen niet kosmische wetten, maar de aanpassing van de kosmische wet aan de eigen persoonlijkheid, waardoor voor die persoonlijkheid een passende richtlijn wordt gegeven, die juist deze persoon uiteindelijk tot erkenning van de volle waarheid de weg kan voeren.

Het antwoord, wat ik daarop kreeg, was dit: Ik kan niet ontkennen, dat dit waar is, maar, zo vervolgde deze spreker, die u zo-even gehoord heeft, wanneer ik weet, dat mijn wet slechts een aanpassing is van een grote wet, dan moet ik toch wel voorzichtig zijn, dat ik niet een ander schaad, die op zijn wijze de grote wet beleeft en toepast in zijn eigen leven. En daarom is het noodzakelijk, dat wij algemene wetten erkennen.

Mijn commentaar, nu hier naar voren gebracht als een ook voor u hoorbare reparte op hetgeen hij zo-even gesproken heeft: ik kan dit alles aanvaarden, maar ik geloof, dat er één ding is, dat belangrijker is dan het erkennen van alle wetten. Dat is; uw bewustzijn van de vrijheid, waarin je te midden der wetten kunt leven. De werkelijke wet kun je niet overschrijden, omdat dit voor je wezen onvoorstelbaar is.

De wet, die je erkent is dus slechts een deel van de wet, die je op is gelegd. Je aanvaardt een wet vrijwillig. Een ieder, die een wet of een wetmatigheid aanvaardt, doet dit vrijwillig. Want ook zonder erkenning komen zij volledig in het wezen tot uiting. Laten wij dan niet spreken over respect voor de wet. Laten wij spreken van respect voor het bewustzijn van degene, die in zichzelf zo veel van de wet heeft erkend, dat ten koste van alles door dit wezen de wet in het eigen leven tot uiting wordt gebracht. Laten wij dit niet beperken tot een bepaalde wereld of sfeer, maar laten wij dit respect, betonen aan ieder, of hij nu komt uit het diepste duister, of uit het hoogste licht. Een ieder, die in zichzelf erkennend de Goddelijke Wetten, deze volledig en met misachting van verdere inzichten of omgeving vervuld, is onze achting waard.

De wet, die wij in onszelf aanvaarden, stelt ons vrij deze zienswijzen van anderen te verwerpen. Maar niet stelt het ons vrij van de eerbied voor degenen, die bereikten, wat wij nog nastreven; het erkennen, vrijwillig aanvaarden en uitvoeren van een Goddelijke Wet, zodat het Goddelijk Wezen eindelijk en voor ons begrijpbaar en aanvaardbaar kan worden en wij in de Goddelijke Werkelijkheid binnen kunnen gaan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Meditatie over eerbied.

Eerbied. Eer bieden. Wat is eer? Eer, hulde, huldebetoon, erkenning. Dus erkennen. Wanneer wij eerbied hebben voor iets, dan hebben wij dit, omdat wij er bepaalde waarden in erkennen, als eerlijk.

D.w.z. met onze eer. Ons wezen in zijn beste facetten en vormen. Zo moeten wij het kunnen zien en aanvaarden. Ja, er zijn vele dingen, die onze eerbied waardig zijn, zodat wij weigeren, datgene te eren, dat volgens ons beste weten goed, zuiver en rein is, datgene wat ons een stap verder op de weg kan brengen, of datgene, wat ons een doel voor ogen stelt, dat wij zelve ook eens zullen moeten bereiken. Eerbied weigeren, dan vernederen wij ons zelf. Dan zijn wij niet meer eerbiedwaardig. Eerbied tonen betekent erkennen. Het betekent openlijk toe geven, wat je als waarheid ziet, wat je als waarheid erkent en wat je meent.

Tonen wij eerbied voor een mens, dan zit daar waardering en genegenheid in. Ik zie niet in, waarom ik, met eerbied aan God denkende, niet evenzeer aan God zou denken met genegenheid en waardering. Want al hetgeen, er gegeven is, vind ik in God. Aan Hem kan ik mijn wezen toevertrouwen. Hij is beter, sterker dan ik. Hij is beter voor mij, dan ikzelf ben.

Hij is zo goed voor mij, dat ik niet anders dan Hem liefhebben kan, wanneer ik Hem kan aanvaarden. Ik eer dus God om wat Hij voor mij betekent door Zijn liefde. Maar ik bied God evenzeer mijn eerbied aan als een offer van mijn eigen begrip. Ik kan flauw iets begrijpen van Zijn Grootheid, van Zijn Goedheid, van de rechtvaardigheid van Zijn Wezen. Als een flauwe schaduw begrijp ik iets van Zijn Alwetendheid. In de wonderwerken der Schepping met zijn werelden verhoudingen en dimensies vind ik iets van de wijsheid van het Wezen, dat wij God noemen. Daarom heb ik eerbied voor God. Of ik eerbied heb voor een mens? Dan waardeer ik hem ook om wat hij is en wat hij doet. Wanneer ik eerbied heb voor een mens, dan kan ik hem niet zonder meer beschouwen als iets goeds, als iets heiligs en zijn werken en daden en werken verwerpen. Ik kan niet de mens en zijn daden eerbied bewijzen zonder ook zijn daden te eren, ofwel zijn wezen verliest alle aanspraak op eerbied door de wijze, waarop hij zich uit.

Een tussenweg bestaat er niet. De eerbied betreft altijd, zowel het wezen als ook de uiting ervan. Maar dan moet ik mijzelf ook afvragen: Ben ik de eerbied van een ander waard? Mijn rang geeft mij geen recht daarop, noch mijn stand. Mijn weten kan mij voor sommigen een recht op eerbied geven, omdat ik hierin hun meerdere ben. Maar er zullen altijd groteren zijn dan ik. Eigenlijk ben ik de eerbied van anderen dus niet geheel waard. Maar kan ik dan mijzelf eerbiedigen? Ben ik in staat om de kern van mijn wezen zo hoog aan te slaan, zo goed te begrijpen en te kennen, dat ik mijzelf eerbiedig en mijn wezen heilig houd? In mij woont het Goddelijke. Iets, dat ik ten koste van alles moet achten, beschermen en handhaven.

Het kostelijk goed mij op de eerste Scheppingsdag reeds gegeven. Eerbied heb ik voor alle dingen, waarin ik God erken, omdat ik God eerbiedig. Ik kan niet God eerbiedigen en Zijn Werken geen eerbied bewijzen. God heeft de wereld geschapen. Dan moet ik de wereld eerbiedigen, omdat God haar geschapen heeft. God geeft het leven. Dan moet ik het leven eerbiedigen, omdat het een werk God’s is, want in het eren der werken, eer ik de Maker.

Wanneer ik dit weet en besef, wanneer ik weet, dat ik ook zelf een deel ben van Zijn Scheppingswerk, van Zijn kracht, dan zal ik ook mijzelf eerbiedigen en al hetgeen rond mij is, zowel als mij zelve behoeden voor elke schade. Dan zal ik de kern van mijn wezen met dezelfde eerbied benaderen, waarmee ik ter tempel ga om daar voor het aangezicht des Heren te treden. God is in mij, omdat ik Zijn Werk ben. God is in alle dingen, omdat alle dingen een uiting zijn van Zijn Wezen. Laat dan zijn Grootheid in mij tot begrip worden, opdat ik Hem de eer kan bieden, die Hij waardig is. Volledig aanvaarden wil ik Zijn Wezen en Zijn Wet, trachten om al wat deel is van Zijn Wezen en Zijn werken te behoeden voor alle schade. Dan zal ik zeker een bewustzijn bereiken, waarbij mij eerbied voor mijzelf en mijn God mij leidt tot het bewustzijn van het feit, dat ik deel ben van zijn Wezen. Dan kan ik Hem geen eer meer bieden, noch mijzelf eerbiedigen, want dan ben ik deel van God en is alle onderscheid weg gevaagd. Maar zelfs dan nog zal ik de eerbied kennen, die de Schepper heeft voor Zijn eigen Wezen en de Schepping, die daaruit geboren werd. Laat de eerbied ons zijn, zolang wij van Hem gescheiden leven een gebed, een gebed tot Hem, aan Wie alle eerbied uiteindelijk verschuldigd is, opdat zij eens voor ons moge worden een erkennen van de eigenschappen in ons eigen wezen en de realisatie van de Volmaaktheid God’s, waarin Hij ons op genomen heeft en waarvan wij volledig deel uitmaken.