Het eeuwig Verborgen Priesterrijk

Het is een eigenaardige titel en ook een eigenaardige benaming. Want het priesterrijk is eeuwig, maar het is ook verborgen; en het is in die eeuwigheid altijd verborgen. De meeste mensen weten niet wat een dergelijke term betekent, of ze stellen zich er iets vaags van voor: Een verborgen wereld ergens. Zo iets als het rijk van de Heer der Wereld in de grotten onder de aarde of het centrum van de Witte Broederschap ergens in de bergen, waar de priesters een eigen rijk hebben. Dit is zeker niet het geval. Het eeuwig verborgen priesterrijk is eeuwig, omdat het voortvloeiend uit eeuwige krachten. Er bestaat een wet die we noemen: de kosmische wet van harmonie. Deze kosmische wet van harmonie komt in alle leven, in elke sfeer, in elke wereld tot uiting. Als iemand, die een persoonlijk bewustzijn heeft, deze wet van harmonie voor zich leert waarmaken, dan verkrijgt hij een andere status. We zeggen; hij wordt ingewijde. Maar daar is eigenlijk meer aan verbonden. Hij is dan wat men noemt: Meester van de harmonische kracht. En het zijn deze meesters, die altijd weer optreden als de bemiddelaars tussen grotere kosmische eenheden en de roepen, waaruit zij voortkomen. Wij kunnen dan natuurlijk wel weer spreken van grote Adepten e.d., maar ik geloof dat dat overbodig is en bovendien misleidend. U zult begrijpen dat deze bemiddelaars, doordat zij deze kosmische harmonie beheersen, harmonisch zijn. Als wij spreken van het eeuwig verborgen priesterrijk dan spreken wij in feite van een eenheid, die zuiver materieel niet is uit te drukken. Misschien is dit priesterrijk nog het best te vergelijken met het Koninkrijk Gods; het rijk dat in u is. De feiten, die je daarover zou kunnen opsommen zijn vele, maar ik wil mij uit de aard der zaak beperken tot datgene, wat uw eigen wereld betreft. Op uw eigen wereld is met de komst van de mensheid ook de eerste ontwikkeling van de menselijke geest tot stand gebracht. In deze ontwikkeling zijn enkele eenlingen (meestal geïncarneerden van andere werelden) gekomen tot die beleving van de kosmische harmonie. Zij waren in het begin meer priester Zij waren bemiddelaar tussen de mens en de krachten van het bovennatuurlijke: de groepsgeesten en natuurgeesten. Van daaruit zien wij langzaam maar zeker een soort op geloof berustende organisatie ontstaan en krijgen we te maken met de eerste primitieve vormen van denken in bovennatuurlijke waarden. Vanaf dat ogenblik is directe leiding niet meer gewenst. Degenen, die in deze harmonie leven, zoeken als het even kan hun opvolgers, hun soortgenoten. Er ontstaat dan in de mensheid een langzaam groeiend aantal persoonlijkheden, die naar de kosmische harmonie streven en enkelen, die deze reeds hebben bereikt. Zij vormen het eerste verborgen priesterrijk. Hen zien wij dan leiding geven aan de mensheid; niet alleen geestelijk, maar ook wel degelijk stoffelijk. Zij helpen de mens bv. te komen tot de eerste landbouw. Zij helpen de mens bij zijn eerste pogingen om het water te overwinnen. Misschien zijn zij zelfs wel aansprakelijk voor de eerste uitvindingen van stenen wapens, het eerste rad, de eerste slede. Precies kun je dit alles niet nagaan. Maar wel is zeker, dat deze Meesters der kosmische harmonie in het begin vooral organisatorisch optreden, doordat zij de mens de middelen geven, waarmee een grotere gemeenschap kan worden gebouwd. Dat is ook begrijpelijk. Een mens kosmische harmonie prediken is heel aardig, maar als hij honger heeft en ziet dat degenen rond hem, waar hij wat voor voelt, sterven, dan voelt hij zich niet harmonisch. Je moet altijd eerst beginnen de mens de middelen te geven om te leven en om redelijk vrij te kunnen denken. Dat hebben deze priesters inderdaad dan ook gedaan.

Als eenmaal de eerste grote taken zich gaan vormen (het eerste feodaal systeem ontstaat), als wij de oorspronkelijk eenvoudige stamverhoudingen meer aartsvaderlijke vormen zien aannemen, dan is het tijd voor het priesterrijk om zijn invloed a.h.w. terug te trekken. De mens staat nu alleen. Maar in de mensheid zijn degenen verborgen, die voortdurend de pols van de mens voelen en zijn geestelijke, en morele ontwikkeling nagaan. En telken male wanneer het nodig is, treden er dan leraren, profeten op. Dan worden er kleine ontdekkingen gedaan, zodat de mensheid langzamerhand ook geestelijk verder kan doordringen en zich kan vrijmaken van vele dingen die bijgeloof zijn, waardoor deze mens aan de andere kant ook een beetje meester over zijn milieu kan worden. U zult begrijpen, dat dit verborgen priesterrijk nu niet meer zo openlijk kan zoeken naar helpers en opvolgers. Toch is het zeer belangrijk, dat er voortdurend vertegenwoordigers van deze krachten op aarde zijn. Het resultaat is, dat we de z.g. geheimscholen of inwijdingscholen krijgen, die in verschillende vormen bestaan. Er zijn vormen, die we ook bij de Druïden (de Kelten) vinden, waarbij zon-­ en maanverering tegenover elkaar staan. Elders treffen we denkwijzen aan, die uitgaan van een bepaalde oerkracht. Opvallend is wel, dat we altijd weer de triade tegenkomen: de drie‑vorm of de drie‑eenheid. Of wij nu spreken van Brahma‑Shive‑ en Vishnoe, of dat we het hebben over de Vader, de Zoon en de H. Geest, of zo als het oorspronkelijk was: de Vader, de Moeder en de Geest, dat maakt weinig verschil. De drie‑eenheid is een inwijdingswaarde, die altijd weer wordt gehanteerd. Er is één bron, waaruit alle dingen voortkomen. Die bron kun je “Het” noemen, zoals vele volkeren en inwijdingsscholen ook hebben gedaan. Je kunt het ook een meer persoonlijke naam geven; God. Je kunt het ook een geheime Godsnaam geven. Hieruit komen de tegenstellingen voort, waarbinnen het leven zich openbaart. De harmonie kan alleen bestaan, indien de tegenstellingen binnen het “ik” tot een zeker evenwicht komen. De drie‑eenheid zegt dus eigenlijk tegen de mens. Kijk eens, je leeft tussen licht en duister, tussen wat je goed en kwaad noemt. Je leeft tussen geboorte en dood. Uit al deze waarden moet je een zeker evenwicht opbouwen. Je moet voor jezelf weten, dat je voortdurend en op elk ogenblik tegenover de kosmos zuiver staat. Daarmee moet je beginnen. En je dat doet, dan is daar die goddelijke kracht, waarin alle waarden van licht en duister, van alle dingen, zich concentreren. Het besef van “Het”, het Oneindige, het Goddelijke ‑ of hoe u het noemen wilt ‑ is dan de bereiking. We hebben dan de kosmische harmonie gevonden. De kosmische harmonie kan voor ons echter niet bestaan, tenzij wij het kunnen beseffen in alle waarden en in alle tegenstellingen,

Het is dan ook geen wonder, dat wij naast deze drie‑eenheid overal weer rangindelingen vinden, die in graden lopen en waarin het getal 3 weer een rol speelt. Niet omdat het getal 3 zo heilig is, maar het priesterrijk heeft heel goed begrepen: een mens kan niet ineens aan die kosmische harmonie beginnen. Hij moet beginnen met iets te leren; hij moet leren denken. Heeft hij leren denken, dan moet hij leren leven. Dan moet hij denken en leven in overeenstemming brengen en zo komen tot het hogere besef, tot de harmonische erkenningen. Uit de harmonische erkenning komt dan de beleving; en uit de beleving komt wat u inwijding zou willen noemen. Iemand, die ingewijd is en die ondanks zijn onnoemelijk toegenomen mogelijkheden bereid is om nog steeds binnen en voor het geheel te blijven leven en streven, treedt daardoor eigenlijk al de tot dit priesterrijk. Het is dus geen kwestie van wijdingen; er is geen plechtigheid voor nodig. Op een gegeven ogenblik ben je er, ben je deel geworden van dit rijk.

Er zijn op aarde vele verschijningsvormen van dit priesterrijk geweest. Ik hoop niet, dat u me ketters zult noemen, als ik u erop wijs, dat bv. ook het christendom hiervan deel uitmaakt. In het christendom is heel veel verkeerd begrepen. De meeste mensen realiseren zich dat niet meer zo. Het is een gewoonte, een sleur geworden. Maar wie is een Zoon van God? Een Zoon van God is hij, die God als zijn vader beseft en erkent. Het behoeft er niet één te zijn. Eén voor de hele kosmos. Maar het is wel één waarde voor de totale kosmos. Als we zeggen, dat Jezus een Zoon van God is, dan hebben we in deze zin volledig gelijk. En als we dan tevens spreken over het feit, dat hij ingewijd is, dan moeten we ook weer zien dat hij voortkomt uit de kring der Essenen. We weten dat Paulus op een gegeven ogenblik tegen zijn mede apostelen zelfs zegt;­ “dat hij wijsheid spreekt in het oor der wijzen.” Waarmee hij dus kennelijk aanspeelt op de geheime groepering van esoterici, die ook in het jodendom aanwezig is.

We zouden kunnen wijzen op andere grote figuren, zoals de Boeddha, die ook bepaalde kentekenen heeft van dit priesterrijk. Wij weten niet, of hij deze onmiddellijk heeft bezeten. We nemen aan van niet. Zelfs indien de incarnatie een heel bijzondere is, moet er op aarde eerst een evenwicht worden gezocht en gevonden tussen zijn en denken; en daarin moet het besef van het hoge, van het Oneindige worden gevonden. Maar wel is opvallend, dat alle grote Leraren, die u op aarde kent en daarnaast ook heel wat Leraren die minder bekend zijn, leringen geven die berusten op de stelling van het kosmisch harmonisch zijn. Of we nu uitgaan van het mededogen of van de naastenliefde, van de gelijkheid der dingen en der mensen of van de kosmische eenheid der leringen of specialistisch van de ene waarheid, dat maakt niet veel verschil uit. Maar overal waar we zoeken, vinden wij het terug.

Als u naar de grondstellingen van de Pythagoreën kijkt, dan vindt u daarin 3 graden; u vindt daar 3 functies en u vindt daarin ook de leefregels, die zeggen; je moet goed, je moet vrij leven. Je moet leven voor anderen. Daar komt het op neer. En waar u ook kijkt, het is hetzelfde. Daarom durf ik wel stellen, dat een zeer groot aantal van degenen, die als geestelijke leraren op aarde roem hebben verworven, op de een of andere wijze met het priesterrijk verbonden zijn geweest.

Het wordt echter steeds moeilijker. De mensen nemen in aantal toe. Die toenemende aantallen betekenen ook een toenemen van strijd, van naijver, van ver­deeldheid. Er komen grote wereldrijken. En wereldrijken kunnen alleen bestaan door geweld. Het priesterrijk trekt zich dan a.h.w. terug. Het tracht de oude leer via geheime scholen in leven te houden, zoals het altijd heeft gedaan. En of we nu teruggaan naar Plato, Plinius of wie dan ook in de oudheid, we zul­len horen: zij hebben respect voor de Mysteriën. Als we in de middeleeuwen gaan kijken, dan blijkt dat daar ook mysteriën zijn, alleen zijn die een beetje anders; ze zijn soms typisch christelijk. De Graalmystiek bv., die in de riddertijd opbloeit, gaat heel wat verder dan alleen maar een religieus verhaaltje. Neen, we zien altijd weer dat het priesterrijk, in het verborgene actief blijft. Het kan zich echter niet openbaren voor wat het is. En dat is de grote moeilijkheid, als je probeert dit rijk te begrijpen Ik kan u niet daarin binnenvoeren. Ik kan u ook niet binnen brengen in de een of andere gemeenschap en zeggen: Hier vindt u de toegang tot het priesterrijk. Die is overal. Maar ik kan u misschien duidelijk maken wat de grote moeilijkheid is.

Indien dat priesterrijk zich te veel gaat hechten of binden aan de mensen of aan een groep mensen, dan wordt daardoor de harmonie verstoord. Een erkenning van de totaliteit is nodig. Een naastenliefde op niet‑persoonlijke basis is nodig. Een mededogen, dat het geheel zijnde omvat is nodig. Dat vloeit uit die harmonie voort. Op het ogenblik, dat ik mij bind aan een bepaald geloof, een bepaald denken, een bepaald land, een bepaalde groepering, ben ik verloren. Want dan zijn er tegenstellingen en moet ik zeggen; Dit is goed en dat is kwaad. En dat kan ik alleen kosmisch doen, indien ik het zie als een interactie van waarden. Daarom kan dat verborgen priesterrijk zich niet openbaren. En zolang er een schepping zal zijn (wie weet, of ze ooit eindigt), zal dat priesterrijk verborgen moeten blijven bestaan. Het is een bewustzijn, dat niet met anderen zonder meer kan worden gedeeld. Het is een beseffen en, een daaruit voortkomen van krachten, dat alleen­ kan worden gehandhaafd door een zekere onafhankelijkheid van de wereld van het andere. Wanneer een priester van het moderne priesterrijk (dus van het eeuwig priesterrijk in deze dagen) op aarde zou komen en hij zou zijn macht openbaren, hij zou iedereen vertellen wat dat priesterrijk is, dan zou hij zich genoopt gaan voelen zijn speciale leringen te, verdedigen tegen de aanvallen van de wereld, die ongetwijfeld zouden komen. En zelf zou hij daarmee de sleutel van het rijk verliezen. Het kan eenvoudig niet. Daarom zien we ook steeds weer, dat de leermeesters, die later overal gekend en geprezen zijn, een lange tijd in het verborgene blijven. En zelfs als ze dood zijn, blijft die verborgenheid nog voortduren, want ze behoort tot het priesterrijk. Dit eeuwig priesterrijk kan alleen maar be­staan, indien in de mens iets geeft. Het kan nooit iets opleggen. Het kan nooit iets forceren.

In de Witte Broederschap treffen we ongetwijfeld zeer vele hoge entiteiten aan, waarvan we kunnen zeggen; Dezen behoren tot het eeuwig verborgen priesterrijk. We vinden op aarde onder de ingewijden waarschijnlijk ook een paar, waarvan we kunnen zeggen; Die horen erbij. Maar daarmee staat de zaal stil. De grote vraag ven de mens is altijd: Kunnen wij dan dat priesterrijk betreden? En dan gelooft men aan vele disciplines en leringen, waardoor dit zo langzaam maar zeker zou kunnen worden bereikt. Ach, de oplossing is eigenlijk heel eenvoudig. Zo eenvoudig, dat de meeste mensen het niet willen; het is te gewoon. Het priesterrijk vraagt de heerschappij over je zinnen. Een mens, die door zijn instincten wordt beheerst, die door zintuiglijke strelingen kan worden verleid, zal nooit evenwichtig zijn. Hij behoeft die dingen niet te ontkennen, maar hij mag er nooit aan gebonden zijn. Daarom is de eerste regel altijd; Leer je zintuigen regeren. De tweede regel is; Neem nooit een standpunt in, maar help waar je kunt. Dit klinkt zo eenvoudig. Maar als mens kies je graag partij. Helpen zonder partij kiezen is voor veel mensen eigenlijk erg moeilijk geworden. Ze moeten iets hebben, wat ze willen helpen. En dat iets alleen maar zien als de kosmische waarde van evenwicht en van welbehagen, dat wil er niet in. Maar toch is dit een van de vereisten. Dan als laatste vereiste: Leer in jezelf alle vrees voor duister, alle begeren naar licht overwinnen. Leer aanvaarden wat is. Indien je aanvaardt, wilt, bestaat, dan komt hierdoor voor jezelf eindelijk ‑ en misschien voor de eerste keer in je bestaan ‑ tot uiting, dat alles in feite evenwichtig is. De wereld is niet wreed en ze moet niet worden verbeterd; de wereld verandert eenvoudig. Maar er is altijd goed en er is altijd kwaad. Er is altijd licht en er is altijd duister. Er is altijd warmte, er is altijd, kou. Ze zijn er altijd beide op een zodanige wijze, dat ze elkaar in evenwicht houden. En dat moet je leren. Heb je ook dit beseft, dan kom je ook aan de z.g. 4e trap (het is maar een naam) en ga je voor het eerst een eenheid voelen met God. En dan komt het eerste moment van openbaring. Dat eerste moment is een bijna zinloos zweven. Het is een vorm van extase. Velen zouden het als een soort uittreding willen omschrijven. In die uittreding tref je vaak nog verschillende bezwaren aan, die uit je eigen wezen voortkomen. Je moet ze overwinnen. En dan besef je eigenlijk voor het eerst wat vrede is,

De mens weet niet wat vrede is. Hij streeft er wel naar, maar hij weet niet wat het is. Maar dan weet je wat vrede is. En omdat je dat weet, kun je, ook begrijpen wat kosmisch harmonie moet betekenen. De beperking valt weg; en daarmee voeg je aan de totaliteit van je menselijk bestaan, met alle gees­telijke waarde die erin zitten, iets van het onvergankelijke, van het Goddelijke toe. Je brengt a.h.w. een nieuwe substantie als een bewuste kracht in het geding; en daarmee treed je binnen in het priesterrijk. De vraag is echter, of je erin zult blijven. Het bereiken van die innerlijke kracht n.l. betekent het bezitten van een onnoemelijke macht. Het klinkt wat gek om het te zeggen: je zou de mensen kunnen verpletteren. Maar we horen ervan dat het gebeurt. We horen dat bv. Jezus een gebaar maakt en een heel stel soldaten, die opgewonden klaar staan om hem te arresteren, liggen ineens met hun aangezicht ter aarde. We horen in een ander geval van olifanten, die Ananda (een van de leerlingen van Boeddha) tegemoet komen. Een van die dieren is in must (een opwinding). Hij maakt een gebaar en het dier verstijfd. Hij gaat naar de olifant toe, spreekt een paar woorden, het dier kont tot kalmte en de heilige gaat verder. Dit zijn feiten, die een enkel wonder omschrijven. Maar stel u nu eens voor, dat u dat met iedere mens zoudt kunnen doen. Dat indien u van een mens iets niet bevalt, u met een gebaar die mens kunt doen verstarren of doen neervallen; dat u alleen door uw gedachten te richten en te concentreren mensen kunt laten zweven of laten neervallen; dat u de mensen gedachten kunt geven; dat u alle gegevens uit de gehele wereld beter kunt coördineren dan de beste computer, omdat u ze overal opvangt waar uw interesse maar gericht is. Het is duidelijk, dat het een grote last is om een dergelijke begaafdheid te bezitten. Het is niet gemakkelijk om haar te dragen. Het zou misschien nog te doen zijn, indien je je helemaal uit die wereld kon terugtrekken. Maar dat kun je niet, want in die kosmische harmonie moet je deel zijn van de mensheid. Je kunt je niet onttrekken aan wat je bent, maar je moet zijn wat je bent in harmonie met de oneindigheid. Je moet de kosmisch harmonische waarden van het Al uitdrukken ook in dat, wat je nu bent. En dat is het kritieke punt. Want al heel gauw kom je ertoe te zeggen: Nou, laat mij maar eens een paar wondertjes weggeven. Of: Waarom zou ik dan genoegen nemen met minder dan een ander? En dan gebruik je die middelen om voor jezelf wat te bereiken. Maar voordat je het weet, ben je daarmee de kracht ook kwijt. Dan houd je alleen de handigheden over en ontstaat er wat men noemt het z.g. duistere rijk. Zoals er een eeuwig priesterrijk is, is er ook een eeuwig duister rijk (een magisch rijk, zou je misschien kunnen zeggen, maar dan zwart‑magisch), waarin het ego tot doel wordt gemaakt van alle krachten, die men erkent en kan ontvangen. Degenen echter, die de neiging om deze macht te gebruiken buiten de erkenning van een kosmisch harmonische noodzaak om terzijde kunnen leggen, die daadloos kunnen blijven al daagt de hele wereld hen uit, die treden binnen en zijn priester van het priesterrijk. Men vertelt u waarschijnlijk, dat er in dit verborgen rijk een bepaalde hiërarchie bestaat. O zeker, er zijn natuurlijk verschillen. Maar kun je nu zeggen, dat van twintig familieleden bij elkaar de een meer familie is van de ander dan de anderen? Het is altijd wederkerig. De hiërarchie, die soms in het priesterrijk wordt beschreven, is in feite niet veel anders dan de projectie van een bepaalde hemelse ordening, die men dan wil toepassen op degenen, die deze kosmische harmonie hebben bereikt. In feite is er geen hiërarchie. Je bent er. Je bent deel van het priesterrijk, je vertegenwoordigt het hele priesterrijk, en je bent mens. Je bent mens, of het nu in de geest gebeurt of dat je hier op aarde de sleutel vindt, je bent mens. Als mens kun je je niet onttrekken aan de mensheid. Je kunt je zelfs niet onttrekken aan je eigen wezen. Dat betekent dus, dat je je functie uitoefent in de eerste plaats voor de mens, maar dat je daarbij de mens niet voortrekt bij andere schepselen, doch dat je hem volgens de kosmische harmonie meer mens wilt laten zijn in verband met het geheel. Waar een harmonie bestaat, tracht zij zich te reproduceren in harmonische spiegelingen. Die harmonische spiegelingen vinden we vaak – helaas erg vertekent – terug in vele mystieke systemen en mysteriescholen. Er zijn tegenwoordig bepaalde groeperingen (ik meen dat o.a. de Rozenkruisers dat nog doen), die dit verborgen priesterrijk kennen en erover spreken. Zij zien dit als iets, wat uit hun eigen school voortkomt. Dat is natuurlijk dwaasheid. Hun eigen school kan echter een weg zijn voor een mens om tot dit priesterrijk te komen. Als ik hier een persoonlijke mening mag invoegen in deze inleiding: Ik vind het zo buitengewoon jammer, dat de meeste mensen eigenlijk niet meer in staat zijn de betekenis van het priesterrijk te begrijpen en dat daardoor in vele op zich toch wel zeer nuttige groeperingen (ik noemde de Rozenkruisers, maar ik kan net zo goed de maconnerie of de theosofie noemen), die eigenlijk wel over de middelen beschikken om dit rijk te betreden, een misverstand is gekomen. Het eerste christendom b.v. was zuiver een mysterieschool. Het was geen prediking in de eerste plaats; dat hebben de mensen ervan gemaakt. Het was ook geen bekering en geen “dwing hen in te gaan”. Dat had er niets mee te maken. Al die regels, die tegenwoordig zo vaak worden geciteerd, zijn wel gesproken maar in een totaal andere context, met een totaal andere betekenis dan men nu wel vermoedt. Laten we er maar enkele nemen; “Klop en u zal worden opengedaan”. “vraag en u zal worden gegeven”. Dat hebben de mensen gezien als: Nou, als je maar hard genoeg bidt, gebeurt er wel wat. Maar wat heeft Jezus daarmee bedoeld? Hij heeft bedoeld: Klop; dus dring aan om binnen te komen in het Koninkrijk Gods (of het priesterrijk, dat is hetzelfde). Hij heeft gezegd: “Vraag en u zal worden gegeven”. Vraag de middelen om daartoe te komen en u krijgt de hulp, die u nodig hebt. Maar dat was dus helemaal niet bedoeld voor het algemeen. Het was eenvoudig bedoeld als een vingerwijzing naar het Koninkrijk Gods, waarover Jezus predikt. En als hij tegen zijn leerlingen zegt: “Gaat en verkondigt alle volkeren”, dan bedoelt hij daar helemaal niet mee: Ga nu vertellen wie ik geweest ben. Hij bedoelt alleen: “Maak de mensen duidelijk dat harmonie, dat eenheid in de juiste vorm gegoten, de werkelijke oplossing is voor alle tijden.” Dat is de oplossing van alle raadselen, het is het eeuwige rijk. In het christendom heeft men dat verkeerd begrepen. Men heeft er zoiets van gemaakt: Jezus heeft iemand de sleutels tot de hemel gegeven. Het Koninkrijk der Hemelen heeft men er toen van gemaakt. Men wil dus eigenlijk via een godsdienst en een soort genade komen tot iets, wat toch ergens gelijkt op dat vrederijk, het priesterrijk, waarover ik spreek. Maar dat kan immers nooit gebeuren door uw gehoorzaamheid. Het heeft niets met uw gehoorzaamheid te maken. Vroeger wist men dit. In het begin waren er geen priesters; er waren oudsten. En “oud” was een synoniem (het is dat in sommige landen nog) voor wijs. Het waren de wijzen van de gemeenschap. Die gingen voor, die waren priesters. Tegenwoordig heeft men er een wijding van gemaakt. Maar die wijding, die overdracht van kracht (gebaseerd overigens op de gebeurtenissen in het aartsvaderlijke tijdperk) hebben niets te maken met de persoonlijke bereiking, waardoor dit eeuwig priesterrijk kan worden verworven. Dat is natuurlijk erg jammer. We zien dan ook dat er een ogenblik komt, dat men te vuur en te zwaard de mensen tot christenen wil maken en daarbij helemaal over het hoofd ziet, dat ook de christelijke leer als mysterieleer de sleutel is, de weg tot het Koninkrijk Gods. En dan niet het Koninkrijk der Hemelen dat ergens ver weg ligt, maar het Koninkrijk Gods dat in je is. Bij de Boeddha zien we precies hetzelfde. De Boeddha geeft ons een hele reeks leringen. Hij geeft ons de pijlers, waarop wij ons kunnen baseren. Hij toont ons de wegen, die we moeten gaan. Maar als je dat alles bij elkaar voegt, dan is het geen godsdienst; het is een leefwijze. Het is een manier om meester te worden over jezelf. Het is een wijze om jezelf los te maken van de wereld en van te sterke bindingen en gelijktijdig toch deel te hebben aan de totaliteit van die wereld, op een andere manier. Zelfs in de hindoe-leer kunnen we dat terugvinden. En als we zoeken naar de betekenis, die we zelfs in de islam vinden, dan ontdekken we dat ook daar heel wat dingen zijn gezegd, die later wel verkeerd zijn geïnterpreteerd. Een van de meest opvallende is wel, dat de profeet tot zijn leerlingen en volgelingen uitdrukkelijk zegt; “dat men de priesters moet respecteren”. Dus ook de anderen, de priesters van een ander geloof, de heiligen en ingewijden. Kennelijk heeft ook Mohammed iets geweten van dit verborgen priesterrijk.

Kijk, dat is nu alles, wat ik u eigenlijk daarover kan zeggen. Het bestaat. Het is alleen maar zo jammer, dat men dat niet meer begrijpt. Dat men niet begrijpt, dat leven niet een kwestie is van voorschriften volgen, maar van enerzijds beheersing bezitten en anderzijds harmonie vinden en God vinden. In deze tijd, nu we de era van Aquarius zo langzamerhand zien aanbreken, geloof ik dat dit priesterrijk een grotere rol zal gaan spelen. Het kan haast niet anders. Er moet elke keer weer een nieuwe openbaring zijn. Die openbaring is steeds dezelfde oude waarheid. De mensen wisten het allang, maar het moest weer eens gezegd worden. Het moest weer eens bewezen worden en duidelijk gemaakt. Deze nieuwe era begint, ook weer met een aantal – zal ik zeggen – kleine geheimen. Want je begint altijd met de kleine mysteriën, de kleine onderrichtingen om daaruit de mogelijkheid te scheppen tot het volgen van de grote onderrichtingen. Die kleine mysteriën groeien op het ogenblik. Ik geloof niet dat iedereen er evenveel belangstelling voor heeft, naar het zal u duidelijk zijn dat bewust en doelmatig leven (en dat is iets, wat de mens van vandaag wel wil) niet kan bestaan in het volgen van voorschriften alleen. Voorschriften zijn niet doelmatig. Wetten zijn dood. De mens leeft. De mens moet uit zich het wezen van de dag scheppen en zich niet laten creëren door een aantal op zich onveranderlijke of als onveranderlijk gestelde waarden in een richtlijn. Aquarius vergt van de mens een groter begrip zowel voor geestelijke waarden als voor techniek. Hij vergt van de mens vooral ook een groter begrip voor broederschap, een vermindering van de persoonlijke binding, maar daartegenover een grotere verbondenheid met de totaliteit. En dat is juist weer kenmerkend voor de leerstellingen, die horen bij het priesterrijk. Dat is een deel van de weg van het priesterrijk. We moeten dus aannemen, dat er een aantal Leraren zal komen, die de mens helpen met kleine richtlijnen, kleine leringen en kleine systeempjes om in deze richting te gaan leven. En wanneer zij (de profeten) geweest zijn, komt de Messias, de Verlosser. Na deze profeten zal de grote openbaring van deze tijd moeten komen. Als we nu zien hoe de wereld zich heeft ontwikkeld en ook hoe de massa zich heeft ontwikkeld, dan kunnen we wel ongeveer nagaan wat het moet worden. Het kan nooit meer een openbaring zijn, zoals die van Jezus, van Boeddha of zelfs een veldtocht voor recht en waarheid als die van Mohammed. Het iemand zijn, die aan de ene kant grote geestelijke gaven moet bezitten, maar ook een groot overwicht. Iemand, die macht heeft.

Er bestaat een profetie, die op deze tijd wel eens van toepassing zou kunnen zijn, waarin staat: “Dat hij komt om u het brood te geven, om u te wekken waar gij slaapt en u het licht te wijzen, dat uw ogen hebben afgewezen.” Brood is voedsel, datgene wat je nodig hebt. Brood is het universeel weergeven van levensonderhoud. Het leven van de mensheid in deze dagen zal geestelijk te gronde gaan. Er moet dus iemand komen, die een enorme revolutie teweeg brengt en die in staat is het denker. van de mensen te wijzigen. Alleen om het eten gaat het niet. Het eten, dat kunnen ze voor de wereld wel redden, al lijkt het zo nu en dan vraagwaardig. Maar dan moet er een mentaliteit zijn, er moet een besef zijn, waardoor de mensen samenwerken en allen tevreden zijn met net genoeg. Hij zal komen om brood te brengen, begrijpelijk. Hij zal hen wijzen op het licht, dat ze nog niet gezien hebben. De mensen hebben heel veel dingen ontdekt, die ze tot nu toe geheim houden en alleen maar beschouwen als middelen tot machtsuiting. Dat kan niet meer in de Aquarius-tijd.

De nieuwe Leraar zal moeten bewijzen, dat er andere mogelijkheden zijn. Hij zal de mensen waarschijnlijk wijzen op nieuwe mogelijkheden voor het atoom. Maar hij zal hen ook wijzen op nieuwe mogelijkheden voor bv. de bouw van bepaalde producten. Hij zal hen erop wijzen hoe een bacteriologie, die voor een groot gedeelte agressief ontwikkeld is in vele landen, ook op een geheel andere manier defensief kan worden gebruikt om een normaal redelijk leven mogelijk te maken. Ook dan weer zal het priesterrijk de mens eerst de middelen geven en dan de leer. Dit is typerend. Het eeuwig verborgen priesterrijk kan zich in zijn totaliteit nooit openbaren, daardoor zou het uiteen vallen. Maar het kan wel voortdurend zijn: erkenning van de kosmische harmonie; en daaruit een groeiend besef, dat materieel van toepassing is op elk terrein, aan de mensen brengen. Het kan zich voortdurend openbaren. Of dat nu is in de vorm van de wat primitieve leringen van een Melchizedek of van de grote openbaringen van profeten (van Jezus zelfs), altijd weer zal zij de mensheid van uit haar harmonie datgene brengen, wat die mensheid kan aanvaarden. Want een dwingen, een opleggen, is voor het priesterrijk onmogelijk. Dwingen en opleggen is eenzijdig. Het verstoort de kosmische harmonie. En de kosmische harmonie is de basis van het rijk. Juist daarom hebben in deze tijd het onderwerp aangesneden. U begrijpt allen, dat al het geweld dat er op dit ogenblik losbreekt uit de mensen voortkomt. Dat wordt u zeker niet van bovenaf gedicteerd. Al die hongersnood, al dit streven naar een nieuwe vorm van beschaving en samenleving, al dit zoeken van de mensen naar een nieuwe waardigheid, dat is niet alleen maar een probleem, het is ook een gunstig teken. De mens reist naar een nieuwe horizon. Hij probeert een nieuw land te betreden; een land van mens zijn. Maar dit land draagt hij in zichzelf. Zijn strijd is een bewijs, dat hij niet de harmonie heeft gevonden, die nodig is om zonder strijd te bestaan. De tekorten en de overvloed, die in verschillende delen van de wereld zo vaak voorkomen, zijn er een bewijs van dat de mens de harmonie nog niet heeft gevonden. Zijn angsten en zijn verwaandheid t.a.v. zijn bereikingen zijn een bewijs van onevenwichtigheid. We weten allemaal dat die wereld op het punt staat zeer grote spanningen te doorleven. We weten allemaal, zoals we hier aanwezig zijn, dat hier heus niet alleen een kwestie van macht en politiek ter sprake komt. Het is gewoon de mens zelf met de aan hem inherente eigenschappen en behoeften, die een grote rol spelen. Een veel grotere rol dan de andere dingen. Hier kan volgens mij alleen een oplossing komen door het stichten van een groot aantal kleine mysteriën. In die kleine mysteriën kan de mens dan ‑ met een afbuigen van de toch eigenlijk wel wat onpraktische godsdienstigheid van deze dagen ‑ komen tot een Godsbeleven, die eerst wat eenzijdig gericht zal zijn, maar die hem langzaam maar zeker vrijmaakt in zijn denken en die hem ook leert dat de beheersing van zijn lichaam en zijn zinnen van belang is. Niet omdat de zinnen kwaad zijn, maar omdat het altijd verkeerd is de slaaf van iets te zijn. En uit die kleine mysteriën komt dan de grote openbaring. En uit de grote openbaring ‑ naar ik hoop voor velen ‑ de mogelijkheid de sleutel te vinden tot het eeuwig verborgen priesterrijk, dat altijd ergens in en rond u aanwezig is, maar dat ge alleen kunt vinden, wanneer ge het Oneindige in uzelf vindt en leert zien in de wereld.

****************

*  Waarom heet dit rijk “priesterrijk? Hoe interpreteert u eigenlijk het woord “priester”?

Dat zijn twee afzonderlijke vragen. Ik weet niet, of u dit beseft. Men noemt dit “priester”‑rijk, omdat de priester al in de oudheid de bemiddelaar is geweest tussen het hogere en de normale mensheid. De priester is dus degene die actie t.a.v. van God kan volbrengen. De hogepriester is degene, die voor het aangezicht van God kan treden. En uit deze gelijkenis volgt de dedicatie, welke voortvloeit uit het deelhebben aan dit priesterrijk, aan deze kosmische harmonie, die waarschijnlijk de naam “priester”‑rijk in aan­zijn heeft gebracht. Historisch is hierbij wel interessant te vermelden dat degenen, die met de goden spraken, zelven altijd als priesters werden gezien. Een profeet (in Israël bv. is dat interessant te zien) is dus geen priester in de zin van het woord, maar hij beschikt over alle voorrechten ‑ en zelfs enkele meer ‑ die men normalerwijze aan de priesters toekent. Dat zijn zeer opvallende punten. Ik meen, dat in de oudheid het idee “inwijding” en “priesterschap” bijna identiek zijn geweest en dat uit deze oude het verborgen priesterschap. Daaruit is later de formulering van het verborgen priesterrijk voortgekomen. Het besef omtrent de werkelijke geaardheid ervan heeft op den duur waarschijnlijk ook bij de leerlingen de formulering “het eeuwig verborgen priesterrijk” doen ontstaan. Dat is dan het eerste deel van de vraag U vraagt mij.

Wat verstaat u onder een priester. Persoonlijk versta ik onder een priester iemand die in zich goddelijke waarden erkent en zonder enig eigen erkenning en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden gebruikt om anderen eveneens in contact te brengen met die God.

*  U heeft gezegd, dat het goed is om geen partij te kiezen. Is dit niet te gemakkelijk?

Geen partij kiezen is uitermate moeilijk. Het is veel gemakkelijker om on­verschillig te zijn. Maar onverschillig zijn betekent: je niets van de beide partijen aantrekken. Geen partij kiezen (wat dus op weg naar het priesterrijk noodzakelijk wordt) betekent, dat je beide partijen in hun waarde, met hun eigen motiveringen en achtergronden volledig aanvaardt, zonder een van hen voor te trekken bij de ander. Het is een waarnemen van de werkelijke situatie en de werkelijke achtergrond. Het is a.h.w. een kunnen meevoelen met beide partijen. Het is een willen helpen, maar dan ook beide partijen; niet daar waar het eventueel gaat om geweld, maar waar het gaat om beter te zijn, beter te leven, gelukkiger te zijn. Je zou kunnen zeggen: Zoals het Rode Kruis toch zeker niet alleen Israël maar ook de Arabieren moet helpen, zo moet je in het priester­rijk geen partij kiezen. Je moet eenvoudig kijken; waar kan ik helpen; en daar help je. En dat is heel wat moeilijker dan partij kiezen, want dan kun je je met iemand of met een groep vereenzelvigen en hierdoor kom je vanzelf tot prestaties en offers, die je anders eigenlijk wel zwaar zouden vallen. Dus; beide partijen zien, de hele situatie erkennen en overzien, zoals ze is en dan toch helpen; en dan nog aan beide kanten. Met het gevolg, dat men je aan beide kanten meer verwijten maakt dan dat men je dank heet. Dat is heel erg moeilijk, gelooft u mij. Dat is zeker niet de gemakkelijkste weg.

*  Is het milieu, waarin men leeft, niet beslissend, of liever gedeeltelijk beslissend, voor hoe je leeft?

Indien u onder “hoe je leeft” uiterlijke omstandigheden alleen verstaat, ja. Maar ik geloof, dat aan leven iets meer vast zit dan gebruiken, moraal, sociale verhoudingen en wat dies meer zij. Ik geloof, dat leven in de eerste plaats gebaseerd is op de innerlijke beweegreden; d.w.z. het eigen motief en het eigen begrip, dat achter het gedrag binnen de gemeenschap (het milieu) schuil gaat en dat overigens heel vaak aanleiding wordt tot een zich afwenden van bepaalde regels, die in het milieu toch als bindend gelden. Als u zegt, dat we door het milieu worden bepaald, dan zeg ik: U heeft gelijk wat de uiterlijkheden betreft. Het is n.l. zo: U wordt als mens geboren. Dat beperkt uw mogelijkheden, maar het schenkt u andere mogelijkheden. Ook dat is dus een zekere gerichtheid, die ontstaat. Maar dat wil nog niet zeggen, dat u ais mens daarom edeler bent dan b.v. een paard. Het zou kunnen. We hopen, dat het altijd het geval zal zijn. Maar er zijn heus wel gevallen denkbaar, waarin geestelijk gezien een mens veel minder waard is dan een varken. Ik bedoel dit niet hatelijk, maar doodgewoon omdat het dier in ieder geval bepaalde vormen van vriendschap kent en zijn egoïsme natuurlijk is, terwijl bij de mens vriendschap deel gaat worden van het egoïsme en egoïstisch wordt geëxploiteerd. En op dat ogenblik is het dier de meerdere. Als u begrijpt wat ik daarmee wil zeggen, dan zult u mij toegeven, dat ik deze vraag dus het best zo kan beantwoorden; Het milieu bepaalt weliswaar onze gebruikelijke wijze van handelen en uitdrukking, evenals de in ons bestaande opvattingen, maar niet de in ons bestaande motiveringen en de achtergronden van waaruit wij handelen ‑ zelfs binnen het milieu ‑ tegenover anderen.

*  Uw vergelijking met het dier. Is het niet zo, dat een dier nog een ontwikkeling tegemoet gaat en dan weer gaat afzakken?

Het dier heeft normalerwijze (en dan spreek ik uit een geestelijk standpunt) een ontwikkelingsweg voor zich, waardoor het een grotere onafhankelijkheid van zijn instincten verkrijgt en een veel zuiverder beschouwing van zichzelf met betrekking tot de wereld dan het als dier kan hebben. Maar dat is een ontwikkeling, die een volgende trap betreft. We kunnen iemand hebben, die een heel goede leerling is, maar hij zit in de eerste klas. Dan weet hij minder dan iemand van de eindklas Gymnasium. Maar het kan zijn, dat hij qua intellect en studievermogen e.d. toch diens meerdere is. En nu zeg ik: dat het belangrijker is dat je deze grondcapaciteiten hebt, want dan is de bereiking haast vanzelfsprekend, dan dat het belangrijk is in welke klas je zit. Dat was mijn argument t.a.v. het milieu.

*  Kun je intellect ook niet ontwikkelen, net als gaven?

Ja, dan moet ik eerst vragen; Wat noemt u intellect? Intellect is over het algemeen een dooddoener voor iemand, die toevallig hetzelfde mooi vindt, zegt en weet wat anderen ook mooi vinden. Dat is dan wat men noemt het intellect. Het is dan een zekere aanpassing zonder meer. Maar als u daarmee bedoelt, begripsvermogen, niet samenhangt met de z.g. verstandelijke ontwikkeling. Mensen die enorm veel feiten kennen en die geen grein wijsheid bezitten. Er bestaan mensen, die kunnen niet eens lezen en schrijven, maar ze hebben een levenswijsheid, die overweldigend groot is. Als u nu onder intellect de verstan­delijke kunde verstaat, dan zeg ik: Ach, die is voor mij waardeloos. Het is alleen maar een werktuig. En indien het werktuig wordt verheerlijkt en het doel, waartoe men het zou gebruiken helemaal achterwege laat, dan is het werktuig nut­teloos geworden. Dat is zelfs zo bij cultuur. Cultuur is ook een veel gebruikt woord. Maar het is niets anders dan de uitdrukking het gemeenschappelijk beleven. Het is dus een normuitdrukking waardoor een creatieve weergaven mogelijk is. Maar op het ogenblik, dat ik cultuur ga stellen boven de massa en iets dus tot cultuur ga promoveren wat voor de massa niet als zodanig aanvaardbaar is, dan wordt cultuur eenvoudig een farce. Er zijn mensen, die zeggen dat elektronische muziek een cultuuruiting is. Dan zeg ik: Dat is waar op het ogenblik, dat deze muziek voor een behoorlijk aantal mensen een weergave kan zijn van uitdrukking. Is het dat niet, dan is het eenvoudig een intellectuele constructie (en dan intellect in de slechtste betekenis van het woord), die met cultuur niets te doen heeft. En degene, die dit als cultuur verheerlijkt, is dus alleen degene, die het prettig vindt om een ander te laten zien hoeveel meer hij weet en hoeveel beter hij reageert en denkt. En dat is op zich­ zelf kolder.

*  In de kosmische harmonie wordt de mens niet voorgetrokken bij andere we­zens, meen ik te hebben verstaan. Is onze eerste plicht als mens dan niet on­ze hulp aan de medemens? Als dit in even sterke mate geldt t.o.v. dier en plant, hoe kunnen we dan leven?

Onze voeding gaat al ten koste van ander leven. Dat is zeer eenvoudig te beantwoorden, al zult u me niet geloven. Iemand, die in de kosmische harmonie leeft, beseft het verschil in waarde dat ook voor het “ik” aan het leven wordt gehecht. Het leven is voor de mens, om­ dat hij bewuster denkt en een scherper herinneringsvermogen heeft, veel groter dan voor een dier. Voor een plant is het leven zelfs betrekkelijk onbelangrijk. En iemand, die zich met vruchten zou voeden, doet dus eigenlijk iets, waar geen plant iets op tegen zou hebben. Die vruchten zijn ervoor om weggeworpen te wor­den. De plant zegt ook niet: Ik maak een vrucht om mij voort te planten. Dat is iets, wat er eenvoudig bij hoort, dat is ingelegd. Zo is die vrucht. Maar voor de plant zelf is het feit “ik draag bloesem, ik draag vrucht” een vaag gevoel van welbehagen, meer niet. En als die vruchten dan afvallen, dan is dat weer een gevoel van welbehagen.

*  Er is dus wel een verschil van waarde?

Er is een verschil van waarde; en die is gebaseerd op de betekenis, die het leven voor zichzelf heeft. Het bewustzijn van het “ik” en van het leven speelt dus wel een zeer grote rol. Daarom is het ook helemaal niet zo erg, dat u vlees eet bv.. Want u moet een dier niet zien als een mens. Voor het dier is het “eet en wordt gegeten” een natuurlijk deel van zijn bestaan. Natuurlijk, het zal trachten zichzelf in leven te houden. Maar het is niet iets, zoals sterven is voor een mens. Een dier kan de dood ook gemakkelijker aanvaarden, als het er­ op aankomt en ziet dat niet als zo’n ontzettend overgang als een mens. Daarom is het doden van een dier ook lang niet zo erg als het doden van een mens,

*  En dan geldt bij de mens ook nog een verschil van waarde.

Gezien vanuit de bewuste geldt dat inderdaad. Maar ik geloof niet, dat een gewoon mens in staat is zonder meer daarover te oordelen, daar deze waarde­ring voor de mens nimmer gebaseerd mag zijn op zijn persoonlijke betekenis alleen, maar op hetgeen hij qua eigen bewustzijn plus waarde in het geheel betekent. En dit laatste kun je alleen maar zien, als je de kosmische harmonie toch aar­dig bent genaderd.

*  De mens heeft nog niet de harmonie gevonden om zonder strijd te bestaan.

Maar is een bestaan zonder strijd wel mogelijk? Zelfs ons lichamelijk bestaan is toch een resultaat van strijd; in het omzettingsproces bv.. Ja, er bestaan bepaalde vormen van leven (men noemt dat symbiose), die van elkaar a.h.w. kracht (levenssappen) gebruiken en die toch voor elkanders bestaan noodzakelijk zijn. Dan is er in zekere zin dus wel een strijd, want er is een omzetting. Maar die strijd gaat voor zover het het leven betreft niet uit op vernietiging, maar is een vorm van zelfinstandhouding, waarbij de instandhou­ding van de ander inherent is. Dan kan er menselijk gezien (we praten nu even zuiver menselijk) toch altijd nog een strijd bestaan; n.l. je eigen oriëntatie. Die strijd kun je dus niet uitwissen, voordat je het kosmisch “harmonisch zijn” bereikt. Maar je kunt wel degelijk je eigen benadering van de ander en het andere baseren niet alleen op jezelf, maar ook op de ander of het andere.

En als daar bovendien een wederzijdse verhoging van waarde in gelegen is, dan valt die strijd eigenlijk weg. Het typerende is, dat strijd eigenlijk altijd een waardeverhoging ten gevolge heeft. Ze is dus niet ‑ zoals een mens denkt ‑ zuiver destructief, zij is selectief; en in haar selectiviteit geeft zij bovendien ontwikkeling. Ze betekent dus een versnelling van het perceptieproces en eventueel ook van creatieve processen. Als die strijd nu gericht is tegen een ander, dan heeft ze die gevolgen ook. Maar die gevolgen vallen terug, omdat men in het eigen bewustzijn daar­van geen volledig gebruik kan maken. Door die strijd ontstaan de resultaten buiten je en – terwijl uiterlijk – dezelfde strijd, die voortvloeit uit een innerlijk zoeken naar een wederkerige bevordering van het beste, een beheerste, bewuste erkenning van de resultaten en daarmee ook een beheersbaarheid van die resultaten tot stand brengt. Het is dus een zeer eigenaardig proces. Maar indien u het zo wilt uitdrukken. Neen, leven zonder strijd in de zin van tegenstellingen is ondenkbaar. Maar er is wel leven zonder strijd kenbaar in deze zin: dat de noodzakelijkheid van de tegenstellingen voortdurend wordt erkend en dat elke actie dus niet ten doel heeft één van de tegendelen uit te roeien, maar om beide juister, vollediger en harmonischer t.a.v. elkaar tot uiting te laten komen.

*  Dus de ideale strijd zou zijn: een samenwerking.

Inderdaad.

*  “Leer in jezelf overwinnen de vrees voor het duister en het verlangen naar licht.” Maar verlangen is toch de drijfkracht van alle streven? Hoe kan men verdergaan zonder verlangen?

Omdat als je het verlangen naar het licht kwijtraakt, je het verlangen naar het verschijnsel kwijtraakt. Licht en duister zijn verschijnselen. Daarvoor in de plaats komt de erkenning van de essentie. Dit is iets, wat u zich moeilijk kunt voorstellen. Het lijkt u waarschijnlijk het ronddobberen in een ledig Niet. Maar wanneer in dat ledige Niet een besef is, dan het Niet op zich onbelangrijk; dan is het besef belangrijk. Zo kunt u zich misschien voorstellen dat de mens, die de tegenstellingen wel erkent, maar ze niet meer vreest of begeert, voor het eerst in staat is om een betekenis te beseffen, Angst vervalt, begeerte vervalt. Neem die waarden weg en je krijgt voor het eerst de mogelijkheid tot een objectieve, een waarheidserkenning. En dan zul je die waar­heid misschien niet begeren in de oude zin van het woord, maar de beleving daarvan is zodanig intens, dat ze voor het bestaan een veel grotere achtergrond (ik wil niet eens meer zeggen drijfveren, maar achtergrond) vormt en daar­ door ook een veel grotere levensinhoud geeft dan begeren en streven of angst (dus vluchten) ooit kunnen geven.

*  Die achtergrond zou dus ook kunnen worden uitgedrukt in geluk?

Het is een beetje moeilijk voor mij om hierop een antwoord te geven. Ik zou van mijn standpunt uit zeggen: Het is een toestand van geluk. Maar aangezien de meeste mensen begeren om gelukkig te zijn en het begeren om gelukkig te zijn ongelukkig maakt (in dit verband dan), kunnen we het dus alleen hante­ren als een toestand, niet als iets wat bereikbaar is.

*  Kunnen wij door te willen alleen harmonie bereiken of is hiervoor een ze­ker groeiproces nodig?

Als alle mensen, die harmonie wilden, dit zonder meer konden waarmaken, mijne vrienden. Eden zou herboren zijn op aarde! De meeste mensen verlangen naar harmonie. Maar om te weten wat harmonie is, moet je groeien. Er is dus eerst een groeiproces nodig, voordat het begrip “harmonie” voldoende inhoud krijgt.

In de tweede plaats is die harmonie alleen te bereiken, indien je niet alleen weet wat harmonie is, maar bovendien al hetgeen disharmonie bevordert uit jezelf kunt verwijderen. Anders gezegd: Indien je meester bent over jezelf. En daarom moeten we zeggen: Dit is wel degelijk een groeiproces. Harmonie is iets, wat langzaam ontstaat, wat nog langzamer wordt erkend, maar wat eenmaal erkend de beperkingen van het eigen bestaan verbreekt en een verbondenheid geeft met alles, waarvoor het “ik” nog maar enige mogelijkheid van erkenning of perceptie zou hebben. Dan groeit men a.h.w. naar de kosmos toe. Er ontstaat dus de kosmische harmonie, die wederom het resultaat is van een in de harmonie ontstaand groeiproces van harmonische erkenning.

*  Wat is de bestemming en het huidig beleven van de persoonlijkheden, die in hun aards bestaan eens tot het verborgen priesterschap hebben behoord, zoals bv. Jezus, Boeddha, de profeten?

Wanneer zij op aarde leven, zal de zin van hun bestaan altijd zijn: uiting te geven aan de harmonie, die zij hebben bereikt. Met andere woorden: zij re­presenteren op de volgens hun wezen en erkenning juiste plaats datgene, wat eeuwig en alomvattend is. Wanneer zij dit niet op aarde doen, dan beheren zij tot het Scheppende of het Goddelijke en is hun bestaan dus een deel daarvan. De zin van hun zijn is gelegen in het feit, dat zij binnen het totaal Scheppen­de noodzakelijk zijn. Dit is misschien een beetje moeilijk, maar dit zijn nu eenmaal filosofische concepten.

*  Wat werd in de bijbel bedoeld met de Orde van Melchizedek?

Daarmee werd bedoeld: een z.g. witte of onbloedige priesterorde, die de erkenning had van de Drie‑eenheid: van de Vader en de Moeder (de Zoon was er dus niet bij). Dit Vader‑Moeder‑principe word kenbaar gemaakt in de offers, die men aan de Schepper (in de vorm van de zon) bracht door middel van de vruchten der aarde. Dus niet van leven of bloed, maar alleen door de vruchten, de ge­wassen van de aarde, welke in die tijd als niet‑levend werden beschouwd. De Orde van Melchizedek was een groepering, die bovendien zeer grote gaven van profetie had. Zij behoorde tot de geheimscholen van het huidige Pakistan en waren in de tijd, waarover wij spreken, verbreid over praktisch het gehele ge­bied van Zuid‑Azië, het huidige Arabië en een groot deel van Noord‑Afrika tot ongeveer het Victoria-meer. Trekt u daar ongeveer maar een lijn. Deze priesters brachten dus hun begrip plus de profetie aan de mensen, opdat zij de onbloedige vrede zouden leren kennen, die belangrijker was dan de vruchtbaarheid, die uit bloed geboren werd in vele van de godsdienst en van die tijd.

*  Behoorde Jezus ook niet tot diezelfde Orde?

Hij behoorde niet tot diezelfde Orde. En er staat ook nergens in de Schrift zelve een aanwijzing, dat hij daartoe behoorde. Wel is er een parallel getrokken, omdat n.l. de Orde van Melchizedek water, (vruchtensappen) vruchten en bloemen offerde en in een van de offers, die in de bijbel wordt geciteerd, hij wijn en brood offerde. Jezus nu offert aan het Laatste Avondmaal symbolisch zichzelf door met zijn leerlingen brood en wijn te delen. Dus niet het Paaslam (het was een Paas­maaltijd), maar hij deelde de matze en de wijn met water met zijn leerlingen en deed daarbij de bekende uitspraak, die wordt vertaald als (het is niet helemaal juist): “Neemt en eet; dit is mijn lichaam. Neemt en drinkt; dit is mijn bloed. Doet dit te mijner gedachtenis.” In feite heeft hij gezegd: “Neemt en eet dit brood; dat is het lichaam. (Dus niet mijn, het is het lichaam.) Neemt en drinkt, want dit ….en dan zegt hij inderdaad iets, wat “bloed” is, maar dat kan ook worden vertaald als de vruchtbaarheid of de Geest. Jezus’ symboliek is dus een maaltijd, waarbij geest en lichaam symbolisch met elkaar huwen en zich offeren, opdat de gemeenschap de totaliteit zal kennen. Maar dit wordt meestal anders geïnterpreteerd en in de godsdiensten is men er dus wel erg voor om daarvan een herdenkingsmaaltijd of zelfs een sacrament te maken.

*  Een van de voorwaarden om tot het verborgen priesterschap te kunnen behoren was om nooit een standpunt in te nemen, maar te helpen waar dit mogelijk is. Een andere voorwaarde was om alle vrees voor het duister en alle begeren voor het licht te overwinnen en om in de plaats daarvan te leren aanvaarden. Is dit aanvaarden niet in tegenstelling met het geven van hulp in de eerder genoemde voorwaarde en leidt het bovendien niet tot de apathie, die wij bij de Indiërs zien?

Ik geloof, dat hier sprake is van een misverstand ten aanzien van het losstaan van de dingen. Als je geen partij kiest, als je alle mensen helpt, als je niet bang bent voor het duister, als je het licht niet begeert, dan ontstaat er geen onverschilligheid, maar een aanvaarding van de feiten. De mens leeft nooit in een wereld van feiten. Hij leeft altijd in een wereld, waarvan een groot gedeelte illusie is. Maar om tot dat priesterrijk te kunnen behoren, moet je kunnen leven in waarheid. Je helpen is dan niet in strijd met de erkenning van de waarheid, maar is jouw reactie op de waarheid die nu bestaat; niet een reageren op toestanden, die je zou begeren. Het is dus niet trachten iets tot stand te brengen, maar het is anderen helpen in staat te zijn zelf iets tot stand te brengen. En daar is een heel groot verschil in.

*  Is de gelijkzijdige driehoek niet het symbool van de Drie‑eenheid van God, waarmee de gelijke ontwikkeling wordt bedoeld van de drie basiskrachten n.l.; energie (de Vader), wijsheid (de Moeder) en liefde (de Zoon), als de kracht die wijsheid en energie in harmonie doet samengaan? Kunnen wij dit symbool als zodanig voor ons onderbewustzijn benutten?

U kunt elk symbool voor uw onderbewustzijn benutten, aangezien een symbool niets anders is dan een schematische voorstelling van een over het algemeen complexe en vaak ook emotioneel gebonden reeks vaststellingen. Dit wil niet zeggen, dat deze verklaring van de driehoek de enige is of de enig juiste. Er zijn vele andere, die evenzeer ‑ misschien onder andere omstandigheden ‑ waardevol kunnen zijn. Indien u een symbool kiest, kiest u voor uzelf een kort schrift van emoties en gedachten, waardoor u voor uzelf in zeer korte tijd een besef of toestand kunt herbeleven, zonder alle voorafgaande fasen te doorlopen.

*  Zoudt u kunnen mededelen of de Rozenkruisers rechtstreeks in contact staan met de allerhoogste geesten?

Niet rechtstreeks, als u dat bedoelt. Ik wil daarop liever niet verder ingaan. Maar ik wil erop wijzen, dat heel veel scholen en kerken wat dat betreft pretenties hebben, die niet geheel waar zijn, maar die zij noodzakelijk achten om de hoogheid van hun streven of lering duidelijk te maken. De leer van de Rozenkruisers op zichzelf bevat zoveel waardevols, dat het dwaas zou zijn te zeggen: Zij kan niet met de hoogste krachten in verbinding staan. Maar de Rozenkruisers als totaliteit staan niet in directe verbinding met de hoogste geesten. Hoogstens kunnen uit de Rozenkruisers persoonlijkheden voortkomen die misschien zelfs behoren tot dit priesterrijk of ‑ ermee in contact staand ‑ als mediator kunnen dienen voor hun eigen groep of richting. Maar dan is het altijd nog de vraag, of de uit de aard der zaak nooit volledig juiste interpretaties van deze personen in staat is om datgene wat wordt gegeven, volledig juist weer te geven en tot zijn recht te doen komen. Dit geldt overigens voor andere groepen evenzeer.

********************************* 

Mag ik misschien nog een ogenblik uw aandacht vragen voor enkele punten, voordat we de bijeenkomst besluiten. We hebben ‑ het is haast niet te vermijden ‑ nogal wat grote woorden ge­bruikt: kosmische harmonie e.d.. Laat ons a.u.b. een ogenblik teruggaan tot de meer eenvoudige feiten van uw wereld en uw leven. Als een mens geboren moet worden, dan kan dat een toevalsproduct zijn; het kan ook een geestelijk overlegd samenwerken van twee entiteiten betekenen, of zelfs drie. Het is duidelijk, dat in het tweede geval de mogelijkheden voor de geest en ook de winstpunten voor de wereld groter zullen zijn dan in het eerste. We kunnen proberen om vanuit de stof contact te leggen met de geest; omgekeerd kan de geest dit doen uit haar wereld met de stof. Het zal u echter duidelijk zijn, dat wanneer dit contact een toevalsproduct is, er altijd grote hiaten zul­len blijven en grote mogelijkheden tot vallen. Alleen indien er een bewuste en wederkerige werking is van iemand in de stof en iemand in de geest, zijn contacten bereikbaar, die werkelijk blijvend waardevol zullen zijn. Als je op aarde bent en je leeft volgens bepaalde regels en wetten alleen omdat het zo gebruikelijk is, dan wek je in jezelf heel veel weerstanden op, die je op de een of andere manier moet afreageren. Een groot gedeelte van de onvrien­delijkheden, van de haat, van het misverstand op aarde komt eenvoudig voort uit het feit, dat men eigenlijk niet weet wat men wel wil, maar wel weet wat men niet mag. Indien je echter uitgaat van het standpunt, dat alle dingen in principe aanvaardbaar zijn en dan voor jezelf nagaat wat voor jouw leven, jouw behoeven en jouw denken op dit moment juist is, dan ontstaat er altijd een handeling, een gedachte of een waarde in het leven, die ook haar betekenis behoudt, wanneer alles voorbij is; of dit nu een gesprek is, een maaltijd, een gebed of mijnentwege het uiten van lelijke woorden (tegenwoordig zijn het literaire woorden). De kwestie is dus: de uiting moet voortkomen uit een bewust aanvaarden, een bewust erkennen, en als het even kan uit een wederkerigheid. Ik kan niet bidden, als ik mij geen God kan indenken, Die mijn gebed hoort. Ik kan moeilijk gaan eten, als een ander tegenover mij honger zit te lijden. Als we samen eten, dan wordt het pas een maaltijd. Zo kan ik doorgaan. Dit zijn de meest eenvoudige dingen.

Maar hoe wil je ooit komen tot begrippen als kosmische harmonie, als een verborgen eeuwig priesterrijk, als je niet eens in staat bent om eerst aan je eigen leven een juiste en zinvolle gestalte te geven? Op aarde leven betekent niet alleen naar bestaan en afwachten wat er gebeurt. Dat betekent ook niet doen wat dominee, pastoor en de rechter zegt. Het betekent, dat elk moment, dat je leeft, verantwoord moet zijn voor jezelf op dat moment. Veel mensen leven vanuit het verleden naar een toekomst; vandaag gaat aan hen voorbij. Ik heb daar persoonlijk geen bezwaar tegen, maar voor henzelf zijn er bezwaren aan verbonden. Alles, wat het verleden heeft gebracht, is als resultaat het nu, het heden. Wie het heden leeft, staat in elk geval in de wer­kelijkheid. Iemand, die tracht het verleden vandaag waar te maken, is te laat, want het is er al. Iemand, die de toekomst probeert op te bouwen, desnoods op grond van iets uit het verleden, maakt een fout. Hij mag het verleden beseffen. Hij mag over de toekomst verwachtingen hebben, maar hij moet werken met wat er vandaag is. Leer altijd ‑ juist als u die kosmische harmonie eens wilt nastreven – te werken met de waarden van vandaag. Niet na te praten over gisteren en wat anders had kunnen zijn. Niet te praten over morgen en wat u dan zult doen. Maar alleen vandaag te handelen volgens uw beste weten. Vandaag uw gedachten te den­ken volgens uw beste weten. Vandaag de harmonie te zoeken, die voor u belang­rijk is. Dit zijn de dingen, die tellen. Het is in een wereld heel gemakkelijk grote idealen te bouwen. Er zijn vele mensen, die dit hebben gedaan. De mensen zullen het wel altijd blijven doen. Wat we morgen doen, wat we over drie jaar, over tien jaar doen, is en blijft een waan. Wat wil vandaag kunnen doen, is een werkelijkheid. Niet wat er geschreven staat dat wij moeten doen, maar wat wij kunnen doen, wat wij voelen te moeten doen dat is belangrijk. Niet wat men zegt, dat wij moeten geloven, naar wat wij vandaag als waar kunnen ervaren en beleven, is belangrijk. Een mens moet in zijn leven terugkeren tot dat, wat werkelijk en waarlijk belangrijk is. En dan kan vandaag een kerkelijk sacrament het meest belangrijke in je leven zijn en morgen is het misschien in de ogen van anderen een dwaze, onnodige of overbodige daad. Het heeft niets te maken met het oordeel van anderen, met de werkelijke beleving, de werkelijke belevenis.

Kosmische harmonie wordt opgebouwd uit het voortdurend trachten innerlijk harmonisch te zijn. En innerlijk harmonisch zijn is alleen te bereiken, indien je beantwoordt aan datgene, wat op het moment in jou leeft, wat voor jou noodzakelijk is. Illusies, dat je eens tot een priesterrijk zult behoren, zijn misschien erg troostvol, maar ze dragen er niet toe bij om je ook naar een stap in de goede richting te brengen. Er wordt veel te veel gesproken eigenlijk over harmonie, dat ben ik met sommigen van de aanwezigen eens. Maar er is in deze dagen niets belangrijkers dan harmonie. Misschien spreken we te veel over God en over Christus en over al datgene, wat daarmee samenhangt. Maar die beelden zijn dingen, die vandaag de dag belangrijk zijn. En zo gaat het in uw eigen leven ook. Er zijn dingen, waarvan u zich afvraagt, of ze eigenlijk niet doodgepraat zijn, of ze overbodig zijn geworden of dat ze eigenlijk niet betekenisloos beginnen te worden. Er zijn dingen, waarvan u zegt; Die kun je wel denken, maar die kun je niet zeggen, enz.. Mijn vraag is: waarom? Als die dingen behoren tot de noodzaak van vandaag, als ze een deel zijn van hetgeen je moet zeggen, moet zijn, van wat je wilt, van wat je moet doen, zijn ze dan niet van overwegend belang voor jou? Hoe kun je harmonisch zijn, als je steeds weer grote delen van jezelf terzijde drukt, als je bepaalde begrippen weigert te aanvaarden, als je voorbehoud gaat maken op elk terrein?

Er was eens iemand, die gezegd heeft: Als een mens zich aan God geeft, dan mag hij geen voorwaarden stellen. Dit betekent: ook geen voorwaarden omtrent wat hij zal zijn en wat hij zal doen in het heden. Je moet alleen navragen om a.h.w. deel van God te zijn, een functie van God. Dit misschien een beetje ver doorgevoerd, een beetje ver doorgepraat. Maar je kunt tegenover het dagelijkse leven in ieder geval wel dit zeggen: Als je de illusies wilt leven, als je alleen naar de symbolen en idealen wilt leven en je kunt ze niet waarmaken, dan is je leven bijna zinloos. Dan zul je altijd innerlijk in oproer zijn, dan zul je disharmonie kennen, dan zul je geen ogenblik van vrede kennen, geen ogenblik van rust. Maar als je jezelf waarmaakt en daarin je begrip over die idealen, over dat geloof, ever die God een rol speelt, dan is harmonie mogelijk. Ik heb u in het eerste gedeelte gezegd, dat de kleine mysteriën in deze tijd gaan beginnen. Veel van die mysteriën zullen niet aanvaardbaar zijn voor degenen, die godsdienstig denken in deze dagen, daarvan ben ik overtuigd. En veel van de z.g. mysteriescholen zullen het afwijzen als duivels, demonisch, dwaas. De kleine mysteriën zijn de eerste pogingen om de mens harmonisch te doen zijn. Het is de eerste poging om hen te bevrijden van een te grote persoonlijke gebondenheid en om hem te brengen tot een zekere objectiviteit. De kleine mysteriën zullen in deze wereld groeien. Ze zullen groeien als kleine godsdienstige sekten, als eenvoudige clubjes en groepjes van mensen. Ze zullen groeien als verkondigingen, die als wartaal worden beschouwd. Ze zullen groeien uit aanvallen op de gevestigde maatschappij. Kleine mysteriën, kleine groepen, waarin men eindelijk zichzelf zoekt en leert zijn, zonder daarom zichzelf centraal te stellen in elk gebeuren, waarin men enerzijds deel wil zijn van het totaal zijnde, maar anderzijds weer dit alleen te kunnen doen op zijn eigen wijze. De formuleringen, die daarvoor worden gegeven, zijn onbelangrijk. Het priesterrijk ligt voor de meesten van u veraf. Het kleine mysterie ligt dichtbij. In uw praktisch leven maakt u er veel meer van waar dan u waarschijnlijk ooit zult beseffen. Maar nu ziet u het nog niet als een uitdrukking van de waarheid in uzelf. Leer dat begrijpen. Leer begrijpen, dat u de waarheid uitdrukt van uw eigen wezen. En tracht daarbij dan zover te komen dat u dat niet alleen doet voor een bepaalde reden, maar omdat het jezelf zijn zonder meer noodzakelijk is. Tracht daarbij altijd iets meer te geven, iets meer te zijn. Probeer a.h.w. alleen te spreken, als je weet dat er wordt geluisterd; en te luisteren als je weet dat er tot je wordt gesproken. Die communicatie, dit langzaam ontstaan van begrip en eenheid ‑ hoe beperkt het ook moge zijn ‑ is het begin van een nieuwe tijd. Deze ontbolstering, waarbij veel van de heilige waarden van uw maatschappij terzijde kunnen worden geworpen of naar de huidige inzichten krankzinnig vervormd en karikaturaal worden weergegeven, is de tijd die komt. Leef niet voor de tijd die komt. Leef voor vandaag. Vraag u niet af wat morgen deze dingen voor u zullen betekenen, maar probeer te beseffen wat ze nu voor u hebben betekend.

Houdt u niet alleen bezig met de geheimen van het grote en het verre. Houdt u bezig met de geheime strijdigheden in uw wezen en tracht die op te lossen. Indien u dat doet, dan bevindt u zich op weg ergens naar dat verre, voor u zo verre verborgen priesterrijk. Welke weg u wilt volgen en welk systeem, is van geen belang. Maar volg hem met geheel uw wezen, met de inzet van uw gehele persoonlijkheid. Het priesterrijk is ergens een luchtspiegeling, die u misschien eens in werkelijkheid zult zien en bereiken. Maar de mogelijkheid om reeds nu harmonie te vinden, om nu ‑ hoe beperkt ook en hoe weinig kosmisch ook misschien ‑ iets te vinden van de wederkerigheid in denken en leven, in streven en bestaan, dat is de mogelijkheid voor u vandaag. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik aan het einde van de avond juist daarop de nadruk leg. Uw mogelijkheden zijn zoveel groter dan u wel beseft.

Uw innerlijke strijdigheden, uw onevenwichtigheden zijn zoveel groter dan u beseft. Juist daarom is het goed u een ogenblik te realiseren hoe u bent en wat u bent. Wanneer u daarbij dan ook nog nadenkt over dat priesterrijk, doe het dan alleen, omdat daarin de harmonie met het Allerhoogste, met het Eeuwige met “Het” Onbekende wordt bereikt. En zeg tot uzelf; Dit kan ik niet. Laat mij eerst de harmonie met het bekende bereiken.