Het eeuwige vuur

image_pdf

10 maart 1967

Allereerst herinner ik u eraan, dat u zelfstandig en zelfs kritisch na moet denken, daar wij immers niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van heden is: Het eeuwige vuur.

Wanneer wij spreken over het eeuwige vuur, zo bekruipt de doorsnee christen een wat onaangenaam gevoel. Hij denkt dan aan een soort onderaardse satéroosterij, waar de vele zondige zielen, zonder dat zij hierdoor geheel gelouterd worden, zich wentelen in vlammen die niet verteren. Maar hoe komt men aan deze voorstelling? Hoe is het beeld van de hel, dat men zo lang heeft gehad, ontstaan? Wat is de betekenis van het vuur in deze zin voor de mensheid (godsdienstig) en hoe komt men aan dit eeuwige vuur als een steeds weerkerende factor in geloof en angsten?

Hoe men aan dit beeld van de hel komt, kan men zich gemakkelijk voorstellen. Het christendom ontleent veel van zijn geloof aan de joden. Dezen nu zijn een volk, dat afstamt van vuuraanbidders.  Het had echter de aanbidding van het vuur en zijn symbolen afgezworen om te komen tot de aanbidding van de Ene God. Toch treffen wij in het judaïsme wel degelijk bepaalde factoren aan, die kennelijk stammen uit de vuuraanbidding. Zo is daar God, die spreekt vanuit een brandend braambos, waarbij wordt opgemerkt dat dit vuur brandde en toch niets verteerde. Herinnert u dit niet aan de voorstelling, die men van de hel pleegt te geven?

Verder leeft dit volk langere tijd in de woestijn. En wat is de grootste kwelling in een dergelijke omgeving? De droogte, de dorst, de verzengende zon. De hitte is daar een voortdurende kwelling. Geen wonder, dat men hitte en vuur met de kwellingen der onderwereld associeert.

Toch, dit moeten wij hierbij onmiddellijk opmerken, hebben de joden geen absolute voorstelling van de hel, zeker niet in het begin van het geloof. De onderwereld is voor hen meer een beeld dat stamt van de heidenen en behoort in feite niet geheel tot hun eigen geloof.

De christenen echter hebben een tegenwicht nodig voor al het onrecht en de kwellingen, die de wereld hen aandoet. Zij zoeken deze in een Wrake Gods, in een uiting van de goddelijke toorn.

De afstamming van het eerste christendom verloochent zich hier niet. God wreekt alle onrecht door kwellingen met een eeuwig vuur. Dit helse vuur wordt steeds belangrijker. Zeker speelt hier ook de ervaring van velen in Italië een rol. Daar liggen nu nog steden begraven, verstikt onder vulkanische as, of zijn eerst kortelings weer uitgegraven, zoals Pompeï en Herculanum.

Stel u een dergelijk schouwspel voor en de indruk, die het op de beschouwer maakt. Een rode gloed overheerst alles. Het schijnt vuur te regenen vanuit de hemel, die door grauwe asregens steeds weer verduisterd is. Men zal hierbij ongetwijfeld hebben gedacht aan het lot van Sodom en Gomorra. Gods straf uit zich in vuur.

Hoe begrijpelijk is het, dat ook dergelijke voorstellingen meewerken bij de opbouw van een hellebeeld. Zo het eeuwige vuur echter in en voor de mensen niets meer dan dit zou zijn, zouden wij het hier eenvoudigweg bij laten en desnoods nog enkele filosofen aanhalen, zoals de man, die schreef: “De hel is datgene, wat de mens voor zichzelf van het leven maakt”. Maar dan vergeten wij dat in de Oudheid het vuur als god vereerd werd, dat het in ieder geval gezien werd als veel dichter staande bij de werelden van de goden dan alle andere elementen.

Zo men al aan een onderwereld gelooft, is dit een duistere wereld. Het vuur daarentegen is vooral een louterend iets, een geheimzinnige werking. Ook dit geheim, dat men steeds weer met het vuur verbindt, heeft begrijpelijke achtergronden. Het eerste vuur, dat de mens ontmoet en kan beheersen, stamt van bomen die door de bliksem zijn ontstoken, door hemelvuur dus. Het vuur, dat hij met zich pleegt te dragen en in zijn holen en haardsteden zo zorgvuldig voor uitgaan behoedt. Zelfs veel later nog, zoals de Vestaalse maagden in hun tempel, heeft het een onbestemde, goddelijke bron. Je weet niet wat het is en waar het vandaan komt.

Vuur is kostbaar: Het is een vuur, waarmede je wapens kunt maken, een middel om je eten beter te bereiden, licht wanneer het duister is, warmte in de koude van de nacht. Het schept een geheel nieuwe en tot dan toe ongekende leefbaarheid van de wereld voor de mens, om het eens modern uit te drukken… Indien het vuur alleen maar offer- en kookvuren zou hebben omvat, zou de verering van het vuur waarschijnlijk snel zijn uitgestorven. Maar de natuur toont vuur ook op andere wijze. Wij weten bijvoorbeeld dat in de woestijnen olieputten en gasbronnen opeens vlam kunnen vatten en met grote rookontwikkeling en loeiende vlammen een hitte verspreiden. Dat degenen, die een dergelijk vuur dicht zou willen benaderen, alleen reeds door de uitstraling in as wordt verteerd. Dit alles draagt ertoe bij, dat vele volkeren het vuur zien als een uiting van de goden, ja een beeld van God zelf. Het is immers een geheimzinnig verschijnsel dat verdwijnt, wanneer men het verwaarloost, maar waarvan niets, maar dan ook niets, meer overblijft. Dit vuur is in staat alle gekende dingen aan te tasten of te veranderen, maar geeft de mens vele mogelijkheden. Is het een wonder, dat men naar het vuur grijpt wanneer men iets aan de goden wil offeren? Het vuur is God of een teken van God.

Geen wonder, dat wij zekere ontwikkelingen zien in de oude steden langs de Dode Zee en langs Eufraat en Tigris. Men vereert hier voornamelijk de maan (de zon is te verschrikkelijk, te geweldig) maar eert en vereert daarnaast in dezelfde tempels ook het vuur. En als in Egypte de Isisfeesten en Isisplechtigheden worden gevierd, zo speelt daarbij niet alleen de maan een rol. Fakkels spelen bij alle symbolische spelen een grote rol, terwijl het vuur zelf tot deel wordt van inwijdingen. De strijd met het vuur geeft de mens als het ware de mogelijkheid het dichtst bij de godenwereld liggende element te overwinnen en zo door te dringen in de wereld van het onzegbare.

Het beeld van het eeuwige vuur is vooral, dankzij deze tendens, volgens mij van groot belang, zelfs nu nog. Wij treffen het vuur steeds weer aan als louterend element, een kracht, die nog steeds in geestelijke zin een groot geheim betekent. Maar het is een kracht geworden, die de mens kan leren overwinnen. In onderaardse holen doolt degene, die inwijding zoekt rond, tot hij de zaal van het licht heeft gevonden en op zijn weg toeft hij een ogenblik hangende boven een afgrond in de ruimte. Hij moet het water overwinnen en de druk van een stormwind weerstaan die hem van het pad dreigt te werpen. Dan moet hij het vuur overwinnen. Eerst dan kan hij de zaal van licht en inwijding betreden en de laatste proef, die van beheersing, af gaan leggen. Het vuur krijgt meer en meer het karakter van een inwijding in het goddelijke leven zelf. Wanneer wij spreken over de geest Gods, waarmede wij de geestelijk lichtgevende, de verlichtende werking van de Godheid bedoelen, grijpen wij dan ook (en zeker niet alleen bij het Pinkstergebeuren, maar ook in vele andere vormen van geloof) als symbool hiervan naar de vlam.

Een hindoeheilige vaart, voor allen zichtbaar, ten hemel en rond hem is een krans van vlammen, die overgaan in een verblindend licht. Dit doet denken aan Jezus op de berg Thabor.

Een joodse profeet vaart ten hemel “in een vurige wagen”. De leerlingen komen met het Pinksterfeest bijeen. God kondigt zich eraan als een stormwind uit het niets en “de geest Gods staat boven hen in de gedaante van vurige tongen of vlammen”. Het vuur, dat in het verleden ofwel symbool was van het goddelijke zelf dan wel van eeuwige kwellingen, wordt langzaam maar zeker steeds meer gemaakt tot het symbool van het onvatbare, dat wij vaak de Heilige Geest noemen.

Hier begint voor ons, naar ik meen, het belangrijkste deel van dit eeuwige vuur, zoals dit wordt gezien in de menselijke geschiedenis. Wanneer een mens in emotie geraakt, werkelijk door iets geheel gegrepen wordt, zo zegt men immers zelfs nu nog, dat hij in vuur en vlam staat.

Vuur: Vuur als drijfkracht. Emotie als energie. Vlam: Beeld van het vuur, maar ook symbool van het zich bepalen tot -, het overgeven aan één enkel doel, één enkele gedachte. De mens, die voor iets in vuur en vlam geraakt, voelt zich enerzijds in het grotere opgenomen, anderzijds voelt hij zich verwijderd van de veelheid van zijn normale bestaan en bepaald tot één enkel doel, één enkele gedachte. In een dergelijke toestand kan een mens ronddolen door onbekende werelden, kan alle emoties doormaken die denkbaar zijn en duizenden kleuren zien van een spectrum, dat een menselijk oog nog nooit in werkelijkheid heeft aanschouwd.

Toch blijft hij daarbij – en dit is het typerende – door zijn doel, zijn erkenning, bezield. God zelf is als het ware een vuur, dat ons reinigt en dreigt te verteren. Wat zich in God afspeelt, weten wij niet. Maar in de mens is het beeld van vuur, het vreemde, verterende en scheppende tegelijk in feite nog steeds een goede weergave van de geheimzinnige Schepper en diens onbegrijpelijke Wezen. Zoals eens in een andere mythologie de tijd zijn kinderen verslond, zo verslindt het vuur alle onzuiverheden, alles wat zwak is en niet past bij de goddelijke wereld. Maar zoals de tijd aan de andere kant de geboorte van de goden en het ontstaan van alle leven mogelijk maakte, zo maakt het vuur het erkennen mogelijk, het vuur is het eerste licht dat wij zelf kunnen dragen. Het geeft ons de eerste mogelijkheid tot onafhankelijk erkenningen. Licht en vuur zijn in dit verband wel zeer met elkander verwant.

Het is dan ook geen wonder dat bepaalde voorstellingen van de zon, die dan als godheid wordt aanbeden, omringd wordt op vele voorstellingen door symbolische vlammen. Indien men deze voorstellingen ziet en zich niet af laat leiden door verklaringen, zo ziet men geen stralenbundels, geen pijlen, maar ondanks de attributen of zelfs handjes, vlammen. De zon, de God, die alle leven geeft, is niet te scheiden van de aardse manifestatie vuur. Men meent dat dit vuur de geestelijke bezieling, maar ook het stoffelijke leven geeft aan de aarde en het leven op de wereld mogelijk maakt. Een mens die zo leert denken, moet wel gaan zoeken naar een andere voorstelling van het bestaan, een wereldbeeld, waarin het vuur een andere plaats wordt toegekend dan die van instrument voor eeuwigdurende martelingen door wraakzuchtige goden aan hun schepselen opgelegd.

Vergeet hierbij niet dat bijvoorbeeld de middeleeuwen reeds een geheel ander beeld hadden van de nu nog populaire voorstelling van de hel als een zee van vlammen, zelfs al zouden meesterstukken als Dante’s hel dit misschien doen vermoeden. Schilders als Bosch en van Eyck maken ons wel duidelijk dat de hel nog heel iets anders is dan vuur alleen. Dan reeds blijkt, dat men verdoeming allereerst gaat zien als een terugvallen op jezelf. Hel, onderwereld, is niet meer het verterende vuur, waarin het leven voort moet gaan, maar eerder een soort verstarring, een soort eeuwige koude, waardoor je gebonden blijft aan wat je bent en jezelf niet meer kunt veranderen, al begeer je dit ook met geheel je wezen. Hel is ‘stasis’. Vuur daarentegen wordt een goddelijk wapen, een Goddelijke Kracht, die wel tot de hel kan doemen, maar toch ver staat van de hel zelf en anderzijds ook verder komt te liggen van de goddelijke openbaring. Het vuur wordt meer en meer de tegenpool van de God, die zich openbaart in geestelijk Licht. Het goddelijke Licht is het zich kenbaar maken van God, de openbaring aan de geest. Het nu eveneens goddelijke vuur is eerder de materiële openbaring, de bereikingsmogelijkheid van de mens, de levensdrang.

Dat de mensen oorspronkelijk deze dingen vaak door elkaar hebben gehaald, is niet verbazingwekkend. Zij hadden immers, vooral in het begin, geen middelen om een werkelijk onderscheid te kunnen maken tussen vuur en licht, daar zij zelfs het licht van de zon als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van het bestaan aanvaardden en slechts het niet altijd schijnende licht in de nacht, de maan, als vererenswaardige kracht erkenden. Vuur gaf ook licht in de nacht en daarnaast betekende het nog heel wat meer. Maar om het nu te associëren met de laaiende gloed van een zon, was niet denkbaar. Nu weten de mensen anders. Daarom zou ik in verband met het eeuwige vuur en de achtergronden, die wij daarin nu kunnen erkennen, het volgende stellen:  Het Goddelijke Vuur is de materiële energie, staande tegenover het Goddelijke Licht dat de vormende en geestelijke kracht vertegenwoordigt. Waar het licht de erkenning geeft, de intelligentie als het ware, wordt het vuur tot het middel van uitdrukking. Het vuur wordt als het ware tot lichaam van het licht. Wanneer je zo gaat denken, kan men natuurlijk wel allerhande bezwaren aanvoeren, als bijvoorbeeld het feit dat het vuur in feite een versneld oxydatieproces is, maar redelijk zijn dergelijke bezwaren niet. Het is niet redelijk om bij het zoeken naar de achtergronden van het goddelijke in de schepping de filosofen voor te werpen, dat zij in hun beredenering van het licht en de wereld van de materie eerder rekening houden met de oude, in haast elke mens levende associaties, dan met de natuurkundige feiten. Ik meen dat het vuur in feite een symbool is geworden van de bewuste, de ook van zich bewuste mens. Het is het beeld van de mens, die God innerlijk ontmoet en zo de glans van het Goddelijke Licht als het ware manifesteert in de vlam van het leven.

Deze voorstelling van zaken bestond ook reeds in de vroege jaren van het christendom. Misschien werd dit wel de allereerste aanleiding tot het streven van de kerk alle vuur tot symbool van de onderwereld te maken. Voor mij is het duidelijk waarom toen het vuur, als inspirerende, stoffelijke uiting van het goddelijke niet gewenst was, zodat juist de hel niets anders meer mocht zijn dan een wereld vol kwellende laaiende vlammen. Want een kerk, die haar vaste geloofspunten heeft, gehoorzaamheid eist van haar gelovigen en zichzelf beschouwt als enig gerechtigde interpretator van de goddelijke wil, kan geen zelfstandig denkende, laat staan geïnspireerde mensen gebruiken. In het verleden zijn zij natuurlijk nog wel aanvaardbaar, maar in het heden is de profeet een gevaar. Men heeft in een kerkelijk organisatie, die zich begint te gedragen als een werkelijke wereldmacht, geen behoefte aan mensen die door het goddelijke innerlijk worden beroerd en zich zo boven haar uitspraken en wetten zouden kunnen stellen.

O ja, er zijn natuurlijk toch wel geïnspireerde mensen. En als zij hun openbaringen diplomatiek genoeg aanbieden, mogen zij wel een kloosterorde stichten of ergens bij de heidenen als martelaar sterven. Maar indien zij niet diplomatiek genoeg zijn en hun bron van inspiratie en hun verworvenheden niet voor zich willen houden of alleen binnen een bepaald kader tot uiting brengen, dan grijpt men de kans om per brandstapel voor dergelijke mensen reeds op aarde een soort hel te scheppen, onder het mom van een hoop, dat hun zielen hierdoor voor de kwellingen van het eeuwige vuur nog zullen worden behoed door een laat maar nog tijdig berouw en aanvaarden van de kerkelijke waarden als enig juiste. En zo niet, dan is de verbranding in ieder geval een afschrikwekkend voorbeeld voor eenieder, die meent zelfs iets van de waarheid te kunnen vinden en verkondigen buiten de machtige kerk om. Overigens is het typisch dat men steeds weer de hoop uitspreekt, dat de vlammen de ziel van de zondaar zullen louteren, waarbij de vlam dus weer de louterende werking krijgt toegekend, die hij bijvoorbeeld in bepaalde Griekse filosofieën heeft.

Het vuur, de vlam, is ook al snel de basis van alle belangrijke mengprocessen. Indien wij de alchemist bezien, zo gaat het daar niet alleen om de juiste oven. Het is vooral het vuur in die oven, dat van het allergrootste belang is. Het vuur dat moet worden geregeld en aangeblazen tot de juiste temperatuur. Het vuur moet de mogelijkheid eerst scheppen. Dan eerst wordt het experiment, wordt de menging van stoffen mogelijk. Dit geldt ook in de geestelijk zin van het alchemistisch denken. Noem dan het vuur desnoods energie, wilskracht, doorzettingsvermogen. Zeker is het, dat er allereerst kennis, willen beseffen, moet zijn, voor men ook in zich de waarden van de kosmos tezamen kan brengen en zo voor zich een nieuw besef kan bouwen of desnoods een nieuw leven, een nieuwe kracht, tot stand kan brengen. De kerk moest zich ook tegen dergelijke interpretaties van het vuur verzetten. Zij kon haast niet anders, want dit denken, waarbij vuur en andere stoffelijk aangeduide waarden als bijvoorbeeld zwavel tot geestelijke symbolen werden, bracht de oude inwijdingsleren van vroegere tijden weer op de voorgrond. Het bracht het denkbeeld van inwijding (en niet alleen wijding) als bepalend voor de priesterlijke en persoonlijke waarde van de mens terug. De kerk kon dit niet gedogen. En toch kon zij zelf geen afstand doen van het vuur, van de vlam. In de kerken van heden zelfs, waar men Jezus aanbidt op rituele wijze, vindt men voor het altaar de godslamp, de eeuwige vlam, die dooft, zodra Jezus in gedaante van brood, niet langer aanwezig is. In wezen is de godslamp niet slechts een eerbewijs, maar een ‘eeuwige vlam’ die de blijvende waarde moet uitdrukken van alles wat Jezus op deze wereld was, deed en nog is.

De burgermaatschappij heeft dit symbool graag overgenomen. Wanneer de vaderlandsliefde moet worden opgeschroefd en de soldaten in het bijzonder (maar alstublieft anoniem) geëerd moeten worden, ontsteekt men ‘de eeuwige vlam’ bij het graf van de ‘onbekende soldaat’. De vlam, die staat voor daden en weten die niet kunnen vergaan. De vlam is het symbool geworden van het eeuwige, maar ook van het zich steeds weer vernieuwende denken, de onzelfzuchtige daad die het goddelijke bevestigt, de nieuwe bewustwording. Ik zou willen poneren, dat in deze tijd veel meer dan men zich realiseert, de oude vuuraanbidding en verering in allerhande riten en plechtigheden zelfs van niet kerkelijke aard, een grote rol speelt. Vuur en licht samen zijn de verbluffende openbaring van het werkelijke leven, zoals men dit kenbaar maakt op het paasfeest, waar immers vuur moet worden geslagen met een tondeldoos en daaraan een paaskaars ontstoken: Het licht, het vuur. Uit het vuur komt het Licht. Uit de materie komt het bewustzijn, het Goddelijke Licht kan slechts op voor ons kenbare wijze werken, wanneer het zich openbaart in de materie. Een hartstochtloze wereld is een wereld, waarin God niet meer werkelijk wordt erkend, waarin hij niet meer als gever van het werkelijke leven kan worden aanvaard. Het Licht alleen kan niet voldoende inzicht geven. Zo men deze weg kiest, ontstaat een te vroeg Nirwana, een voortdrijven in een wereld, waar men zich misschien nog bewust maar zelf niet meer actief is, een stasis, waarin alle werkelijk leven en beleven langzaamaan dooft. Maar wanneer er nog vuur, nog elan, nog uiting van kracht, beleving van materie is in positieve zin en de hartstochten van het leven (de onvolmaaktheden van de mens zegt men hiervoor wel) en de strijd in jezelf en de strijd tegen de wereld kent, wanneer men de erkenning doormaakt en de behoefte tot strijd en correctie, dan is er waarlijk leven en bewustwording. Dit is het eeuwige vuur, dit is de energie, die wij steeds weer krijgen. De kracht, die in en rond ons verschijnselen oproept waardoor Gods Licht voor ons kenbaar en aanvaardbaar wordt.

Gods Licht kan schijnen. Maar als er niets in je is, wat op dit Licht kan reageren, kan antwoorden, hoe kun je het dan ervaren en erkennen. Je werpt het af en buigt het rond je als bijvoorbeeld loodglans of laat het als een doorschijnend iets door je wezen gaan, zonder daardoor zelf meer kenbaar te worden of iets te veranderen. Wij, mensen en geesten, moeten leren onszelf naar waarheid te kennen, te omschrijven en in daden uit te drukken. Daarvoor hebben wij het goddelijk vuur nodig. Dit alleen geeft ons de daarvoor noodzakelijke kracht. Dan mogen de kerken preken over het hellevuur, maar zelfs dit is in feite het enige, wat ons de erkenning van het werkelijke Licht mogelijk maakt. Sterker nog wil ik het zeggen: Voor ons is het Licht niet kenbaar, wanneer er geen tegenstelling tot dit Licht aanwezig is en wij zullen de waarden en mogelijkheden van het Licht nooit leren beseffen, wanneer er niet het vuur, de bron van ons persoonlijk hanteren van Licht, voor ons kenbaar bestaat.

Misschien wilt u meer weten van achtergronden. Maar welke? Ik kan spreken van de zon, waarin een eigenaardige werking de materie in de kern zozeer verdicht, zodat zij haar stralende eigenschappen tijdelijk te zeer bedwingt en zo komt tot een hoog stralend vermogen, dat niet geuit wordt. Daar dergelijke stoffen met zeer hoog atoomgetal alleen onder zeer grote druk stabiel kunnen zijn, zal elke actie in de zon, waarbij dergelijke massa’s uit de kern naar buiten dringen, erupties doen ontstaan. Hierdoor ontstaan de enorme vlammen, die in de corona zichtbaar zijn. Maar zien wij naar de zon zelf, dan zien wij daar als een tegenstelling tot de normale delen van het oppervlak, de trechters van nog niet geheel tot dezelfde gloed en ontspanning gekomen materie en noemen deze zonnevlekken. Ook dit is vuur. De schijnbaar duistere gloed van de nog niet geheel actieve materie is de oorsprong van de steeds blijvende lichtgloed van de ster.

En zelfs in uw aarde, diep verborgen zelfs onder het vlak van magmahaarden en normale elementen, ligt een menging waarin gekristalliseerd ijzer een rol speelt, nikkel zich op vreemde wijze mengt met de rest en zelfs andere elementen in ongewone vormen (cadmium is een der meer actieve) aanwezig zijn. Onder grote druk en met een werking, die men nauwelijks meer gloed of vuur zou durven noemen, ontstaat een versmelting van atomen tot vreemde elementen waarbij zeer hoog explosieve, die doen denken aan de elementen die werkzaam zijn op de zon. Maar in de aarde krijgen zij de kans niet geheel tot de buitenste aardlagen door te dringen en onmiddellijk uit te barsten. Zij zetten hun kracht om in warmte, wanneer door werkingen in de aarde de druk wat nalaat. Dan worden gesteenten weer vloeibaar, dan wordt de aarde misschien onmerkbaar voor langere tijd enkele graden warmer. Maar verder gebeurt er niets kenbaars. Deze onderwereld zonder vlammen, deze wereld van druk en gloed is het, waardoor de mogelijkheid tot het bestaan van het leven op aarde in stand wordt gehouden.

Want indien de aarde geen eigen warmte had, zou zij alleen door de stralingswarmte van de zon geen leven kunnen dragen, maar ook wanneer de zon eens zou doven, zou er geen leven meer mogelijk zijn op de wereld. De onderaardse vuren en de straling van de zon, beiden zijn noodzakelijk, wil er op aarde enige mogelijkheid tot leven bestaan. Realiseer u dit: Vuur baart leven. Begrijp, dat op de achtergrond zelfs van onderwereld beelden vol van kwellingen en vuur, zoals wij overigens ook in de Islam aantreffen, in feite terug te voeren zijn tot een godserkenning, die echter niet geheel strookt met de menselijke behoefte, alles door geweld, gezag en dreiging te verwerven.

De mens verwerpt vaak een zeer groot deel van het leven om de doodeenvoudige reden, dat hij daarmede geen raad weet. Zo verwerpt hij vaak het vuur, zowel als de materiële mogelijkheid en erkenning, omdat hij niet beseft dat juist hierdoor de goddelijke openbaring binnen de materie tot uiting kan komen en op geen enkele andere manier. De mens vereert het vuur, maar vreest het. Het vuur immers ontrukt hem aan zijn zelfgenoegzaamheid, het confronteert de mens met goddelijke waarden, met een goddelijke stem. Hij vreest deze. Want indien hij het vuur zou aanvaarden, zo schrijft misschien een goddelijke hand met vurige letters op stenen tafelen een nieuwe wet, zoals eens op de (overigens ook van vulkanische oorsprong zijnde) berg Sinaï is gebeurd, naar men zegt. De mens wil geen nieuwe wetten van God. Hij wenst de wetten, die hij zichzelf gemaakt heeft uit goddelijke wetten en eigen behoeften. Hij wil geen menselijk vuur, dat de mens misschien minder berekenbaar en (volgens zijn maatschappelijke opvattingen althans) minder betrouwbaar zou maken. Hij wenst de menselijke hartstochten te reglementeren tot zij uiteindelijk, daar hij niet geheel zonder kan, geworden zijn tot vlammetjes als in een vlampijpoven, die geregeld kunnen worden en waarvan men tevoren kan uitmaken, hoelang en hoe hard zij zullen branden en welke gevolgen zij zullen hebben. Dit alles opdat er toch vooral niets zal kunnen zijn, wat zich zou kunnen verzetten tegen of stellen buiten hetgeen in de mens reeds als gewoonte denken en handelen gekristalliseerd is.

Maar het vuur laat zich nimmer werkelijk beteugelen. Soms meent men dat vulkanen ‘dood’ zijn, omdat zij eeuwenlang niet gewerkt hebben. Maar dan, onverwacht, opeens, komt er nieuwe gloed. Dan is er werking, dan dreigt uitbarsting en is de zekerheid opeens verdwenen. Zo gaat het ook bij de mensen. Je kunt mensen lange tijd in een bepaalde roes en droom houden. Of dit nu gaat via godsdienst, een ideologie, of met een ze doodgewoon te dik en te vet voeren met een zogenaamde welvaart. Er komt een ogenblik, dat zij weer uitbarsten.

Eenieder meent ook dan, dat dit niet past, dat dit duivels is, voortkomt uit de hel, de onderwereld. Maar ik zal altijd beweren dat dergelijke dingen niet uit de hel stammen, maar de actie zijn, waardoor het goddelijke Licht, de openbaring weer op aarde in verschijning kan treden. Het is de mens, die door het vuur in het leven verteerd wordt en dit vuur van zich uitstraalt, desnoods door zijn angsten, waardoor het goddelijke licht op aarde zich steeds weer kenbaar openbaart. Want de werkelijke achtergrond van het eeuwige vuur is God en niets anders.

Alles wat de mensen ervan maken, is een drogbeeld, ontstaan door de angst voor iets, wat meer is dan het menselijke, dat sterker kan zijn dan de menselijke rede en beheersing. Zoals mensen bang zijn voor bijvoorbeeld hartstochten, die hen ingeschapen zijn, alleen omdat deze niet voldoende gereglementeerd, niet meer zouden passen in hun sociale maatschappij. Zoals de mensen steeds weer bang blijken te zijn voor moed, die niet vraagt wat er officieel aan moed en heldendom op het ogenblik gewenst is en waar niet, maar doodgewoon ingrijpt waar het nodig is. Een heldendom, dat net zo goed een agent neerslaat, die iemand onnodig mishandelt, als iemand neerslaat, die een agent mishandelt. Aan deze vrijheid van reageren en handelen hebben de mensen een hekel. Daarvoor zijn zij bang. Juist daarom maken zij ook nu nog, zij het wat verkapter en anders dan in vroegere eeuwen, van het vuur het teken van de hel. De mensen zijn eenvoudig niet in staat het vuur te bemeesteren en daarom trachten zij het vuur, ook het vuur van de inspiratie, te blussen, zowel in de steriliteit van de kloosters, als in de antiseptische omgeving van het zogenaamde wetenschappelijk universitair denken. Men is bang voor het vuur, bang voor het onbeheersbare en onredelijke.

Het is geen wonder, dat zelfs in deze tijd het beeld van vlammen in de hel nog niet verdwenen is. Want wat de mens boven al is gaan vrezen, is de eigen levenskracht, de eigen energie, de eigen inspiratie, kortom, de kracht die vanuit hemzelf in de eigen wereld werkzaam is en de kosmos bezielt. Hij kan die krachten met zijn huidige begrippen niet aan en vreest door de uitingen verteerd te worden, als een soort Jeanne d’Arc te sterven op een brandstapel van voor anderen niet aanvaardbare ontwikkelingen en feiten. Want hoezeer men martelaren bewondert en zalig prijst, het martelaarschap wordt tegenwoordig door niemand werkelijk begeerd.

Laat ons dan constateren:

  1. De mens vreest het vuur, omdat het voor hem het oncontroleerbare en in wezen goddelijk element is, dat te zeer in zijn eigen omgeving en milieu ingrijpt. Hij vreest dit evenzeer als emotie, als mystiek, als hartstocht, dan wel als het geestelijke vuur, waarin misschien een Heilige Geest zich openbaart.
  2. Onbewust vereert de mens het vuur en voelt hij er zich toe aangetrokken. Daarom beseft hij innerlijk ergens, dat hij het geestelijke vuur der mystiek, zowel als het meer stoffelijke vuur der ervaringen zal moeten doorleven en toch zich bewust van zichzelf zal moeten blijven om te kunnen komen tot iets wat hij ‘inwijding’ noemt. Helaas begrijpt men (redelijk) niet, dat men deze trappen van leven en bewustwording niet kan overslaan indien men het Lichtwerkelijk wil kunnen aanvaarden en beseffen wat het in werkelijkheid betekent, ook voor de mens.
  3. De hel is het product van mensen, die zo zeer hun eigen wezen en wereld vrezen (en daarbij hun God in wezen haten), dat zij van zijn werkelijke uitingen een wereld van vlammend licht hebben gemaakt en van reiniging en loutering een vuur vol eeuwige sadistische kwellingen. Toch was de stem die Lucifer veroordeelde, niet een stem van wraak zondermeer, die voor eeuwig doemde. Niet voor niets ook zien wij in het menselijke geloof zelf dat Lucifer de zoon van de morgen wordt genoemd, zelfs door de mensen. Want deze zogenaamde engel des kwaads is een kind van het licht, zoals ook het vuur een kind van het licht is.
  4. Bij alle processen van esoterische (innerlijke) bewustwording, geestelijke bewustwording en zelfs het zich vernieuwend denken in redelijke zin (uitdrukkelijk bedoel ik dit niet als wetenschappelijk denken, want dat is weer wat anders) zal men het vuur van node hebben, de drijfkracht en alle onreinheid verterende energie, waaraan men misschien zelf meent ten onder te gaan. Want slechts daarin zal men de kracht vinden al, wat men in het licht der schepping erkent, op nieuwe en juiste wijze met elkander te verenigen en de resultaten voort te brengen, die de mens tot een waarlijk van God bewust en eeuwig wezen maken.

Ik hoop dat u dit als inleiding voldoende zult vinden. Ik besef zeer wel, dat het u moeilijk valt hier onmiddellijk vragen over te stellen. Ik stipte echter voor u aan: Oude godsdiensten, vuuraanbidding en verering, hellevoorstellingen van de christenheid en hun achtergronden, de esoterische waarde van het vuur als één der fasen van beproeving. Verder maakte ik duidelijk dat het vuur het stoffelijke leven is, de energie, die zelfs als hartstocht en dergelijke zich openbaart in uw wereld. Ik meen dan ook dat u in deze reeds voldoende punten zult vinden, waarover u na wilt denken en eventueel een eigen mening hebt. Ten laatste heb ik gesteld dat het vuur noodzakelijk is voor alle lagere waarden en mede gesteld dat het goddelijke en eeuwige Licht alleen door de beproeving van het vuur aan ons kenbaar en aanvaardbaar kan worden.

Vragen.

  • Behoort het vuur bij één van de 7 stralen of is het een kenmerk van elke straal?

Het vuur is het kenmerk van alle stralen. Maar het tegenpart van elke straal is een bepaalde werking van een bepaald deel van het vuur, daar het vuur in verschillende gradaties en werkingen voorkomt, zeker wanneer wij het geestelijk interpreteren. Men kan dan ook zeggen: Ten aanzien van het geheel van de stralen is het vuur het conterpart, de uitings- en scheppingsweg misschien ook, maar voor elke straal zal vanuit dit vuur een andere mogelijkheid tot realisatie ontstaan.

  • Vat u uitingsmogelijkheid alleen geestelijk op of ook bijvoorbeeld in meer natuurkundige zin?

Je kunt de indeling in facetten volgens de straal en zelfs tot in de natuurkundige verschijnselen doorvoeren, ofschoon ik dit niet heb gedaan. Natuurkundig zien wij in verband met vuur vele verschillende werkingen optreden. De reactie van verschillende stoffen, (bijvoorbeeld metalen) op hetzelfde vuur zal anders zijn. Zo kan men zelfs natuurkundig en in verband met de stralen een aantal verschillen constateren, die in wezen wel onder de indeling van de stralen en hun werkingen schijnen te ressorteren. Bijvoorbeeld, onder purper of violet licht valt het samenstellen van alliages, die een juiste en beheerste regeling van temperatuur vergen, om de juiste legering tot stand te brengen. Het ontstaan van de legering met de gewenste eigenschappen is niet alleen afhankelijk van de juiste hoeveelheden van verschillende metalen, maar ook van de aanwezigheid van de juiste temperatuur. Onder de rode straal zien wij andere verschijnselen. Hier kunnen wij ons een proces voorstellen zoals zich in een Bessemer peer afspeelt. Hierbij wordt één en dezelfde waarde in metaal aan vuur onderworpen, nu met een gelijktijdige doorstroming van licht en eventueel ook de bijmenging van andere, niet metallieke elementen, dat hierdoor van ijzer staal kan worden gemaakt. Er zijn dus wel degelijk parallellen te trekken. Ik vrees echter dat, zo wij ons tot dergelijke vergelijkingen en wetten bepalen, wij allereerst terecht komen op het terrein der magie. En die, zoals u wel weet, is vanuit het menselijk natuurkundig inzicht niet geheel bij. Vandaar, dat het redelijk gezien zal moeten blijven bij een reeks van vergelijkingen, zonder dat wij ook redelijk aanvaardbaar duidelijk kunnen maken, dat een bepaald verschijnsel valt onder een bepaalde straal en dat hierdoor mede wordt bepaald welke rol het vuur bij het tot stand komen van het verschijnsel zal spelen.

  • Vijfde planeet nu planetoïdengordel. Vergaan door vuur? Schets van deze beschaving. Stand technische ontwikkeling. Verschilpunten met onze beschaving. Beschrijving uitvindingen die zij hadden en wij niet, met technische omschrijving, recepten, formules en berekeningen.

Leuke vraag. Wij hebben echter niet de tijd dit alles nu en geheel te beantwoorden zoals u begrijpt, terwijl ook andere beperkingen bij beantwoording zeker hun rol zouden spelen.

De naam van de planeet was ondermeer Shastar en betekende ongeveer: ‘aarde’ of ‘wereld’. De ontwikkeling vertoont tot op zekere hoogte parallellen met die op aarde. Grootste verschil: Een gebruik van metalen komt veel vroeger voor, daar bij erupties ook smelting van metalen op toegankelijke wijze plaats vindt. De cultuur kent een wat strengere sociale organisatie dan uw wereld tot op heden, al is men schijnbaar wel op weg naar een dergelijke alomvattende ordening. Sterke kaste-indeling, waarbij elke lagere kaste de slaaf is van alle hogere kasten, eigen verantwoording is alleen aanwezig binnen dit verband. Uitvindingen: onder meer atoombom. Men houdt zich niet alleen met krachtwinning door explosie, maar ook door implosie bezig. Voertuigen hebben een elektrische aandrijving, die op veldrepulsie is gebaseerd, maar zij zijn niet zo talrijk, als zij reeds nu op aarde zijn. De meest belangrijke uitvinding was wel een uitvinding, die projectie van hersenreacties tot op verre afstand mogelijk maakte. Men kan dit beschouwen als een soort mechanische telepathie, al is dit niet geheel juist.

Deze laatste uitvinding werd de aanleiding tot de ondergang van deze planeet. Men kon hierdoor het denken van standen en individuen niet alleen duidelijk herkennen, maar ook beïnvloeden. Hieruit moest op den duur wel een ongelimiteerd geweld ontstaan. De explosie van de planeet, die reeds ver in het verleden plaats vond, werd veroorzaakt doordat, dankzij menselijk ingrijpen, een deel van de actieve planeetkern bloot kwam te liggen, de atmosfeer werd weggeslagen en een soort atoombrand ontstond. Een deel van de planeetmassa werd hierbij geheel verteerd. De hierbij ook voorkomende explosies deden de planeet na enige tijd uiteenvallen in een aantal brokstukken (voornamelijk van de korst) die allen verschillende banen volgden en onderling verschillende versnellingen vertoonden, maar waarvan de hoofdmassa toch ongeveer de oude planeetbaan volgde. Op formules, schema’s en dergelijken kan ik in deze bijeenkomst, zoals u wel zult begrijpen, niet ingaan. Ten hoogste kan ik dus antwoorden, dat ik het eens bestaan van een dergelijke planeet bevestig, ofschoon dit met vele moderne wetenschappelijke opvattingen in strijd is.

  • Wanneer vond deze explosie plaats?

Bij benadering en uitgedrukt in aardjaren, ongeveer 2,8 miljoen jaren.

  • Is het mogelijk, dat enkele van deze asteroïden door extra- galactische wezens wordt gebruikt om de aarde waar te nemen?

Dit is onwaarschijnlijk. Enkele asteroïden zijn wel groot genoeg om hierop bijvoorbeeld een depot van goederen te vestigen, ofschoon het gebrek aan atmosfeer, onvoldoende zwaartekracht en dergelijke hier toch grotere moeilijkheden zouden veroorzaken.

Een gebruiken van asteroïden, zelfs als vaartuigen, is mijns inziens niet mogelijk, daar dit impliceert dat men beschikt over een aandrijfmethode, waardoor men een dergelijke (in verhouding) toch grote massa kan voortstuwen en verder (wat een zeer groot manoeuvreervermogen zou vergen) deze massa uit een zeer ingewikkelde reeks van kleinere delen zonder schade los zou moeten kunnen maken. Daarvan is mij niets bekend en ik acht de veronderstelling zelfs daarom reeds onaanvaardbaar.

De vraag of men vanuit deze asteroïden observatiemiddelen op de aarde zou kunnen richten beantwoord ik eveneens negatief. In deze baan bevinden zich immers zeer grote hoeveelheden zeer kleine delen (men zou hier van een soort zandstorm in de ruimte kunnen spreken) zodat een observatorium aan erg veel schade onderhevig zou zijn, terwijl de waarnemingen onbetrouwbaar zouden zijn. Wie in staat is dergelijke installaties op te bouwen, zal dan ook wel een betere mogelijkheid kunnen vinden voor dergelijke waarnemingen.

  • Er zijn asteroïden, die in oppervlakte minstens zo groot zijn als Europa…?

U overdrijft. Er zijn in deze baan enkele planetoïden met een oppervlakte vergelijkbaar met die van Europees Rusland. Er zijn er inderdaad enkelen, die deze omvang benaderen. U vergeet daarbij dat dit de oppervlakte van een bol of veelvlak is, zodat de massa in verhouding zeer klein blijft. Het leven in het inwendige van dergelijke asteroïden is mogelijk, maar heeft voornamelijk zin wanneer het gaat om het aanleggen van (eventueel bemande) depots van onderdelen, brandstoffen en dergelijken. Conclusie: grotere basissen in de asteroïdengordel zijn dan ook, volgens mij, niet denkbaar, gezien de moeilijkheden bij de vestiging daarvan en de gevaren, die voor elk een dergelijke post benaderend voertuig zouden ontstaan. Andere en veel eenvoudiger methoden zijn denkbaar. Daarbij herinner ik eraan, dat er in het zonnestelsel zelfs enkele manen zijn, die oorspronkelijk ruimtevoertuigen waren.

Indien u stelt dat er desalniettemin wezens kunnen zijn die een dergelijke keuze voor nederzettingen zouden doen, zo kan ik alleen maar zeggen: Ik weet daarvan niet. Maar als het zo zou zijn, zijn deze wezens zo roekeloos en zo weinig logisch en redelijk, zelfs wetenschappelijk denkende wezens, dat u maar blij moet zijn wanneer dergelijke entiteiten zich niet met de aarde bemoeien.

  • Zijn de wezens die eens die planeet bewoonden, op de aarde aangewezen voor een verdere ontwikkeling?

Enigen zeker. Men kan het als volgt stellen: Degenen op die planeet, die geen voldoende rijpheid bezaten om hun verdere bestaan geheel in de geest voort te zetten, hadden ook de mogelijkheid op aarde te incarneren en zijn daarbij op gaan treden als menselijke wezens, dus wezens met een snellere en hogere ontwikkeling dan alle andere vertebraten.

Hoger ontwikkelden traden in de geest op onder gezag van en samenwerkend met andere, reeds daarvoor actieve geestelijke krachten, als groepsgeesten en leiders van kleinere rassen en soorten. Er was dus wel een deel dat deze weg koos. Incarnatie op andere planeten was echter eveneens mogelijk. De theosofische denkwijze, waarbij dus alle dergelijke wezens op aarde zouden moeten incarneren of als beschermende geleidegeesten voor die aarde op zouden moeten treden, klopt echter niet geheel.

Men stelt zich hier (bij de theosofen) in feite voor, dat alle ontwikkeling van leven aan de buitenkant van het zonnestelsel zou beginnen. Naarmate de zon minder actief wordt en de planeten minder bewoonbaar worden, zou het leven zich steeds op meer naar binnen gelegen planeten verplaatsen, waarbij gezien incarnatie en dergelijke, op elke der meer naar binnen liggende planeet dus een uiteindelijk hogere trap van ontwikkeling zou kunnen ontstaan.

Bijvoorbeeld Mars zou dus een top van beschaving en geestelijke ontwikkeling hebben gehad, die hoger kon zijn dan de huidige op aarde, maar niet zo hoog is als de uiteindelijke vorm van beschaving en ontwikkeling, die op aarde zal ontstaan, voordat alle leven op deze planeet onmogelijk wordt, terwijl Venus dus weer een hogere bereiking zal kennen, voordat ook hier geen leven meer mogelijk zou zijn. Maar dit is een theorie.

Tot mijn spijt kan ik deze theorie niet als feitelijk en geheel juist onderschrijven. Zelfs indien wij de stelling van 12 planeten rond de zon aanvaarden, zijn er aan de buitenzijde enkele planeten van zodanige structuur (klein, zeer groot, zeer ijl, zeer dicht) dat geen enkele vorm, die een aardse of voor de aarde uiteindelijk bruikbare mentaliteit en geestelijke achtergrond zou bevatten, en zich daar niet stoffelijk zou kunnen ontwikkelen. De verste buitenplaneet, waarop een dergelijke ontwikkeling denkbaar zou zijn, is Saturnus. Vervolgens wil ik opmerken dat een bereikt geestelijk peil niet inhoudt dat men een verdere noodzakelijke evolutie niet noodzakelijk op (stoffelijk gezien) dichtstbijzijnde planeten zou moeten doormaken. Vanuit de wereld van de geest liggen alle denkbare en ondenkbare planeten even ver af.

Men kan dus zelfs niet stellen dat, ongeacht de feitelijk voorgekomen incarnaties, de planeet die nu de asteroïdengordel vormt deel was van een noodzakelijke evolutieketen van de rassen der mensheid. Wel kan worden gesteld, dat de wezens die daar geleefd en gewoond hebben (met humanoïde vormen, maar van de mensheid toch wel verschillend) interesse hadden in en zelfs voorkeur toonden voor de evolutie binnen hun oorspronkelijk zonnestelsel. Dit was echter geen noodzaak die uit het ras voortkwam, doch werd eerder door eigen geestelijke en sociale ontwikkelingen mede bepaald. Het vinden van elders gelegen incarnatiemogelijkheden en het vinden van andere geestelijke taken is dus ook voor die wezens mogelijk geweest.

  • U sprak over manen, die oorspronkelijk ruimtevoertuigen zijn geweest? Doelt u op Phoebos en Deimos van Mars?

Ja. U heeft hier te maken met gecamoufleerde voertuigen. Het bedekken met materialen, die van Mars zelf werden aangevoerd, had overigens niet zozeer een camouflage van de vorm ten doel, dan wel een voor langere tijd onaantastbaar maken van die voertuigen.

Hierdoor werd alle interne straling af gedempt, terwijl gelijktijdig schade door inslag van kleinere meteoroïden en meteoorstenen werd opgevangen, zodat het niet noodzakelijk was een deel van de krachtinstallaties van deze voertuigen ingeschakeld te laten. Dit immers zou de houdbaarheid en mogelijkheid tot behoud van de voertuigen aanmerkelijk beperkt hebben.

  • Deze manen zouden hol zijn…..?

Heeft u ooit een voertuig gezien dat van binnen massief was? Zelfs een paard is van binnen zo hier en daar nog hol. Deze manen zijn niet bewoond. Wanneer machines, die grotendeels op atoomreacties zijn gebaseerd en waarbij de bediening niet mechanisch maar via lichtgevoeligheidswijziging en veranderingen op moleculair vlak tot stand komen, een ernstig defect krijgen, kunt u zich misschien wel voorstellen dat zich stralingen ontwikkelen, die lange tijd vergen voor zij tot een verdraagbaar vlak zijn teruggebracht. Ik kan met zekerheid stellen dat bij één van deze voertuigen dit het geval is geweest. Het andere schijnt (mogelijk bij reddingsoperaties) zozeer met stralingen besmet geworden te zijn, dat men voor 20.000 tot 30.000 jaren die voertuigen als onbruikbaar moet beschouwen. Vandaar de getroffen maatregelen. Ik hoop dat dit nu voldoende is en wil dit antwoord beschouwen als het laatste in deze, toch van het onderwerp wel zeer ver afwijkende, reeks.

  • Einde der wereld door vuur? Hoe? Wanneer?

Men beroept zich op “ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”. Daarbij zij opgemerkt dat men hierbij niet bedoelt een ondergang van de aarde zelf, maar op een verandering van alle verhoudingen op de aarde. Vergelijk de zondvloed. Deze is zeker niet wereldomvattend. Zij betekende echter wel het einde van een toen bestaande cultuur. Enige associaties met de ramp van Atlantis doemen hierop.

Een vernietiging ‘door vuur’ kan ongeveer als volgt worden voorgesteld: Atoomoorlog.

Resultaat: grote en deels langere radioactieve massa’s bevinden zich langere tijd in de atmosfeer. De eigenschappen van deze bovenste lagen van de atmosfeer worden hierdoor beïnvloed, zodat men andere kleuren aan de hemel zal zien. De observatie van sterren, mogelijk met uitzondering van de zon en de planeten (uitgezonderd misschien een maan) zal moeilijker worden. Leven zal voortbestaan op delen van de aarde, die enige tijd voor te veel fall-out gespaard blijven. Dit leven zal echter onder de invloed van de stralingen muteren, zodat wij een geheel andere wereld zien ontstaan.

Wat de zondvloed betreft, kennelijk is dit verhaal een samenstelling van meerdere overleveringen. Wij mogen dan ook daarbij verder wel degelijk denken aan de vroegere atmosfeer der aarde, die zeer veel waterdamp bevatte. Door een verandering in de stralingsintensiteit van de zon ontstond afkoeling, zodat de nevel overging in een zeer langdurige neerslag. Deze langdurige regenval, die over de gehele aarde plaats vond, zal in het verhaal van Noë mede verwerkt zijn, naar ik meen. Ook toen was er sprake van ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. De plantengroei, tot dan toe hoofdzakelijk mosachtig,  varens en algea, muteerde zeer sterk onder invloed van de nu meer direct optredende zonnestraling, terwijl gelijktijdig de hemel zichtbaar werd. Ook de dieren en de allereerste voorlopers van de mensheid hebben zich bij deze veranderingen aan moeten passen. Het denkbeeld van een nieuwe hemel, van een nieuwe aarde, zonder dat hierom de gehele wereld moet vergaan of alle leven geheel moet worden uitgeroeid, is dus wel degelijk denkbaar.

Wat uw vraag ‘wanneer’ betreft: Geen definitieve data zijn verkrijgbaar. De meest waarschijnlijke oorzaak van een dergelijke verandering is de mens zelf. Indien een dergelijk ingrijpen van de mens niet binnen 100 jaar plaats vindt, zo mogen wij aannemen dat een mogelijkheid tot een dergelijke wereldomvattende ramp (want dat zou het zijn) nog t.m. 5000 jaar weg ligt. Dan kan er sprake zijn van een nova-worden van de zon. Dan zou de gehele aarde ten onder gaan. Gezien de cyclische verschijnselen van die zon en haar beweging in de ruimte is echter een dergelijk verschijnsel eerst over rond 12 tot 14.000.000 jaar waarschijnlijk. Een neerstorten van de maan is reeds eerder denkbaar, na rond 2.000.000 jaar, maar zou mijns inziens geen ondergang door vuur betekenen.

Ten laatste kunnen wij ons voorstellen, dat de aarde zozeer wordt beschadigd, dat alom vulkanische uitbarstingen voorkomen. Hierbij zou vuur t.m. een groot deel der wereld kunnen beïnvloeden. Gezien de huidige situatie en de nu aanwezige stress lijkt mij het optreden van dergelijke werkingen eerst over ongeveer 300 jaren waarschijnlijk. Een dergelijke ramp zou echter in omvang ten aanzien van het genoemde wel zeer beperkt zijn. Indien de mensheid echter verder gaat door met haar proeven en ingrijpen deze stress te vergroten, zo is het niet ondenkbaar, dat reeds na rond 5000 jaar een ramp die het gestelde nabijkomt, op zou treden, beginnende met vulkanische werkingen van grote omvang op de zeebodem, daarna ook op het vasteland. Een dergelijke reeks van uitbarstingen zou een verandering van de asstand van de aarde en daarmede ook de vereiste verandering of vernieuwing van de hemelen met zich kunnen brengen. Ik meen echter dat men voorlopig zich over het einde van de wereld niet ongerust hoeft te maken.

Indien men onder hemelen niet de stoffelijke hemel wil verstaan, maar het beeld dat de mens zich van God, het leven na de dood en geestelijke werelden maakt, dan zal dit beeld waarschijnlijk binnen 350 jaren vanaf heden ingrijpend veranderd zijn.

  • Hoe ziet u de legende van Prometheus in verband met uw inleiding?

Het vuur, zoals Prometheus van de goden rooft en de mensen brengt, is niet het gewone vuur. Het betekent kennis, het gebruiken van ondermeer het vuur. Kennis aan de goden ontstolen, betekent voor degene die haar met anderen deelt, verantwoordelijkheid.

Indien ik kennis bezit, groter dan de uwe en u deze geef, zo ben ik zelf geheel aansprakelijk, ook voor alles wat u daarmede zult doen. Wie tot de wereld der goden (een andere naam voor het Goddelijk Licht) doordringt, kan namelijk niet ontkennen dat hij binnen dit Licht een eenheid vormt met alles wat is. Hij zal evenmin kunnen ontkennen, dat alles wat hij geeft, vanaf zijn peil naar een lager vlak van bewustzijn toe, zijn verantwoordelijkheid blijft, tot het lagere voldoende gestegen is om daarvan een geheel bewust gebruik volgens de goddelijke wetten te maken. Prometheus wordt dus aan de rots (de materie) geketend door het gebeuren, het onafwendbaar menselijk gebeuren, waarbij de mens de gegeven kennis misbruikt door haar niet te gebruiken volgens de intentie van de gever, maar in overeenstemming met eigen slechts begrepen egoïstische belangen. Het is hierdoor eveneens duidelijk hoe het komt, dat Prometheus steeds weer gekweld wordt door de boden van de goden, die hem de lever uitrukken. De lever die in bepaalde streken de zetel der gevoelens, van de ziel zelfs, heet te zijn.

De legende van Prometheus omvat zo, volgens mij, het beeld van de mens, die goddelijke waarden beseffend deze aan de mensheid geeft, zonder zich af te vragen of de mensheid in staat zal zijn die gaven juist te gebruiken en ook zonder zich af te vragen of de gever ooit in staat zal zijn hetgeen met zijn gaven gebeuren zal, enigszins te controleren. Prometheus is een mythische persoonlijkheid. Men denkt altijd dat zo iemand in het verleden heeft geleefd.

Een tijd van bestaan kan echter niet worden gegeven, zelfs indien wij toegeven dat er eens op aarde een wijze of vorst heeft geleefd, die de basis werd voor die gestalte in de legende. Want deze is nimmer de Prometheus geweest, doch iemand die vanuit verre landen bepaalde technieken meebracht. Deze kennis komt waarschijnlijk van het vroege Cyprus, waar tijdlang restanten van de Atlantische wijsheid werden bewaard. Via Kreta gaat een deel van deze wijsheid, dit is wel zeker, ook naar de kusten van Hellas.

  • Zijn er nog resten van dit Atlantis te vinden, archeologisch bijvoorbeeld?

Het lijkt mij niet zo moeilijk dergelijke resten te vinden, wel echter zeer moeilijk deze te definiëren als behorende tot de Atlantische beschaving. Wat van dit rijk na de grote ramp is overgebleven, viel immers deels terug tot barbarisme, deels ook ging het op in andere culturen en beschavingen en schijnt nu, vanuit het huidige standpunt, eerder daarvan deel uit te maken dan een afzonderlijke cultuur te zijn. Daar, waar men terugvalt, blijven bepaalde verhalen en legenden bestaan, zoals ondermeer in Ierland en Wales. Zelfstandig geworden koloniën, als bijvoorbeeld de handelssteden in het zuiden van Spanje, hebben wel grote invloed op de ontwikkeling in omliggende gebieden, in casu de ontwikkelingen rond het Middellandse Zeegebied. Wat van die cultuur nog overblijft tot meer kenbare tijd, kan echter moeilijk meer als zuiver Atlantisch worden beschouwd, daar de bewoners van dergelijke koloniën na het wegvallen van het moederland een vermenging van bloed en cultuur met omliggende gebieden ondergaan.

Kort en goed: Restanten van de Atlantische beschaving, zover materieel, zijn grotendeels opgegaan in andere grotere culturen en worden vaak als opvallende overblijfselen daarvan beschouwd. Ik denk hierbij ondermeer aan een oud schrift in India (cuniform) waarvan men de oorsprong niet kan achterhalen. Als bewijs zou ten hoogste (en onder voorbehoud waarschijnlijk van de meer wetenschappelijke denker) het bestaan van gelijke gebruiken, legenden en bouwwijzen kunnen gelden, die wij op verschillende continenten aantreffen, waarvan, zover men weet, toch in niet historische tijden geen contacten bekend zijn. Hier echter vertroebelt de eigen ontwikkeling het beeld. De piramidevorm van bijvoorbeeld Mexico kan wel enigszins vergeleken worden met de ziggurath van Babylon, maar vertoont hiermede toch grote verschillen, terwijl opzet en vorm nog verder afwijken van de Egyptische piramidebouw. Zoals men de collonaden en pilaren in structuur niet geheel kan vergelijken wanneer men Griekenland, Egypte, Mexico en het noorden van Z-Amerika naast elkander beziet. Wel blijken in al deze gebieden grote overeenkomsten in structuur te zijn (en zelfs in verhoudingen) wanneer wij de religieuze bouwwerken nader bezien.

Men zou speculatief dus wel aan kunnen nemen dat er ergens een gemeenschappelijke bron van kennis en waarschijnlijk zelfs geloof heeft bestaan, daar het niet waarschijnlijk is dat mensen in geheel verschillende delen van de wereld (die, zover wij weten, geen directe contacten hebben gehad) tot een gelijke weergave van bepaalde goddelijke aspecten zouden komen, daarbij in verhoudingen van de bouwwerken en zelfs hun structuur grote overeenkomsten tonende, terwijl uiterlijk zeer grote verschillen van godenleer en dergelijke toch bestaan. Ik vrees dat alle bewijzen voor het bestaan van Atlantis een dergelijke vaagheid zullen blijven bezitten, omdat men alles wat men terugvindt zal beschouwen als deel van de latere culturen of gastculturen.

  • Hoe uitgestrekt was dit nu verzonken land?

Het laatste rijk omvatte 13 grotere en ik meen 47 kleinere eilanden. Dus geen vast land, maar een reeks van eilanden, die door veelal smalle zeestraten van elkander gescheiden waren. Vergelijk Denemarken in deze dagen. De oppervlakte was rond 2 1/2 Nederland. Het eerste of oudere rijk omvatten nog een aantal grotere en meerdere kleinere eilanden. De omvang daarvan was ongeveer 7 maal Nederland.

  • Is Stonehenge een Atlantische bouw?

Neen. Dit is een latere structuur, wel oorspronkelijk gebaseerd op Atlantische gebruiken. De eerste eredienst is de erkenning van de wet en daarmede het bestaansrecht van de stammen. Al snel worden hierbij echter medegoden betrokken. Nog later is het een plaats waar men bloedoffers brengt en geesten en vreemde krachten oproept. Dan is het bouwsel een kerk geworden, wordt hernieuwd opgetrokken en uitgebreid. Dan brengt men ook de gracht en wal rond deze tempel aan, die, opvallend genoeg, de verdedigingswerken niet aan de binnenzijde, maar aan de buitenzijde en naar binnen toe gericht draagt.

  • Was wat daar gebeurde zwarte magie?

Vanuit een christelijk standpunt is alle magie, die niet behoort tot de christelijke wereld en gebruiken, zwarte magie. In deze zin, ja. Indien u echter vraagt of deze magie absoluut slecht en duivels was, zo luidt het antwoordt “neen”. Geen enkele vorm van magie is namelijk werkelijk zwart, tenzij zij door iemand met egoïstische doeleinden wordt beoefend. Dit ligt echter niet aan de riten zelf, maar aan de intentie waarmede zij worden volbracht.

  • Indien uw zienswijze aansluit bij het cultuuronderscheid tussen appolijnse en dionysische cultuur, kunt u dan de redenen van dit onderscheid geven waar u partij koos voor de dionysische cultuur en de appolijnse schijnbaar als negatief zag? Is met uw begrip van vuur niet slechts één van de aspecten van het goddelijke behandeld of geldt tertium nun datur naast vuur een harmonische vorm of zoon en H. Geest?

Wij kunnen, zo wij de gestelde premisse volgen, allereerst opmerken dat geen persoon van de goddelijke drie-eenheid kan worden gezien als afzonderlijk of losstaande van het goddelijke geheel. Verder wil ik opmerken dat mijn pleiten voor de vrije beleving en erkenning van de natuur niet zondermeer inhield, dat deze ook zonder grenzen moet worden uitgeleefd. Ik verzette mij echter (naar ik meen terecht) tegen elke poging om het innerlijke vuur en daarmede de waarden van de natuur en de daarin liggende mogelijkheden tot beleving zodanig te neutraliseren, dat de mens komt te leven in een niet meer geheel reële wereld, waarin eigen voorstellingen, hoeveel schoner men die ook moge achten, in feite slechts in de plaats treden van de natuurlijke waarden. Hierbij is de mogelijkheid tot controle en beheersing (die bij aanvaarding van de natuur en haar werkingen, de temperamenten, het vuur in de mens, ontstaat) niet meer aanwezig. Wat dan van het menselijk beleven overblijft, is niet meer voldoende op de werkelijkheid afgestemd, om een beleving van eigen ik en een ware erkenning van het goddelijke mogelijk te maken. De indeling dionysisch en appolijnse is hier niet toepasselijk, al is het alleen maar omdat het aantal temperamenten op aarde heel wat meer dan twee bedraagt.

In dit verband kan men echter wel het volgende opmerken: Er zijn mensen, die hun vuur negatief tot uiting brengen. Zij zijn degenen, die hun licht onder de korenmaat zetten, de puriteinen. Er zijn ook mensen die hun licht openlijk doen stralen. Naargelang hun werking zuiver persoonlijk is, of meer met de algemeen kenbare schoonheid in verband staat, zal hun gedrag dionysisch of appolijnse genoemd worden. Het erkennen van het vuur, het gebruiken  van het licht, waar dit maar mogelijk is, wil immers niet zeggen dat men het daarom ontwaardt of misbruikt. De mens is zijn natuur, zijn temperament, zijn energie, kortom het gehele levensvuur dat in hem bestaat bewust, om door dit vuur en de manifestatie daarvan te komen tot een aanvaarding van het Goddelijke Licht en de daarin gelegen waarheid. Een mens die een deel daarvan tracht te ontkennen (wat iets anders is dan beheersen) schaadt daarmede niet alleen zichzelf, maar zal ook geen mogelijkheid vinden de Godheid in het ware licht van openbaring te aanvaarden en te ondergaan. Ik meen dat hiermede mijn standpunt voldoende verduidelijkt werd.

  • Hoe kwamen de oude Griekse filosofen ertoe het vuur te beschouwen als de oorsprong van alles?

Het vuur in zich is onvatbaar. Door zijn aanwezigheid werpt het schaduwen, maakt het kenbaar, geeft het licht. In feite was dit dus deel van een gelijkenis: Het schaduwbeeld, dat de mens ziet, zolang hij de werkelijkheid nog niet kan beschouwen. Daarnaast werd het vuur ook als mogelijke vernietiger van alle dingen beschouwd, vuur betekende ondergang. Maar men veronderstelde vaak een kringloop. In dit geval kwam men wederom tot het vuur: Chaos en geboorte tegelijk, als bron en einde van alle dingen. Overigens zijn deze redeneringen, zoals u misschien zult weten, reeds ten tijde van deze filosofen door anderen aangevallen en weerlegd, zodra men daaraan een minder zinnebeeldige en meer feitelijke uitleg zou willen geven. Indien men echter het vuur bleef beschouwen volgens de Eleusische zin, waarin het een inwijdingsopenbaring was, kon een werkelijk bewijs geleverd worden voor de stelling, dat het vuur in de vooromschreven zin het begin en einde van alle dingen is. Daar deze belevingen en de daaruit voortkomende stellingen echter, zover het geheim van Eleusus daarbij gemoeid was, geheim moest blijven, was een bewijsvoering moeilijk. Toch kunnen wij in deze zin met de filosofen zeggen: Wij gaan uit van de oerkracht, wij keren daarin terug, men kan het vuur als symbool van de ongrijpbare oerkrachten nemen. Het bezit vele eigenschappen, die dit filosofisch aanvaardbaar maken als symbool.

  • Is het verhaal van Prometheus het verhaal van een verlosser?

Prometheus is een ‘verlosser’, maar dan één van velen. Het kenmerkende van deze figuren is, dat zij vanuit een goddelijke, althans niet bekende bron, wijsheid putten, die zij aan de mensen geven en daardoor het leven van de mensen inhoud en waarde trachten te verschaffen. Ik meen dat Prometheus, zoals hij in de legende voorkomt, inderdaad een perfect voorbeeld is van deze houding en de daaraan vaak verbonden consequenties. Beschouwen wij de figuur, die voor Prometheus waarschijnlijk model heeft gestaan (deze leefde tussen 1700 en 1620 v.Chr.) zo is deze zeer zeker niet de ‘verlosser’ die de legende van hem maakt, maar eenvoudig een man, die wijsheid van de Atlanten meebracht, al noemt men dit wijsheid uit het Oosten. Ik neem aan dat de bron van diens kennis op Cyprus lag.

Misschien vinden velen onder u een deel van de gestelde vragen vervelend en ergeren zij zich daaraan enigszins. Bedenk echter dat zelfs het speculatieve denken (dat dus nog niets met feiten en bewijzen te maken hoeft te hebben) een hulpmiddel wordt, zodra men zich richt op het onbekende. Hierdoor juist zal de visie op de eigen (feitelijke) wereld duidelijker worden.

Men zal leren de mogelijke waarden nader te overwegen en daardoor zowel de kennis en de wereld als begrip voor eigen wezen binnen die wereld aanmerkelijk kunnen vergroten. Zelfs indien delen van het behandelde voor u onverstaanbaar blijven en u slechts een klein deel daarvan kunt volgen, zal uw denken, mits u positief daartegenover staat, gestimuleerd worden. Hierdoor bevordert u een juist erkennen van uw eigen relatie met de wereld en ook de zelfkennis. Feiten hebben niet alleen als zodanig waarde, maar zijn daarnaast mede aansprakelijk voor de emotionele verhouding, die tussen mens én wereld en mens en milieu steeds aanwezig is. De emoties zijn weer grotendeels bepalend voor de wijze waarop men zowel innerlijke mogelijkheden als uiterlijke mogelijkheden en krachten zal gebruiken. Indien men bereid is vreemde elementen, die niet tot de eigen ogenblikkelijke begripswereld behoren, tot zich te nemen, kan het innerlijke vuur, de eigen energie, mede hierdoor een zodanige werking verkrijgen, dat het mogelijk wordt meer Licht te verbreiden in de wereld, deze wereld meer te kennen volgens waarheid en zo ook het Goddelijke Licht beter te beleven.

Tenslotte ter beëindiging van onze bijeenkomst het volgende. Wij hebben gesproken over het eeuwige vuur. Daarbij zijn wij vele verschillende dingen tegengekomen, zoals vliegende schotels, Atlantiërs enzovoorts. Daarbij hebben wij ons kennelijk maar niet afgevraagd wat het eeuwige vuur voor ons kan betekenen wanneer wij niet meer in stoffelijke vorm leven. Het werkelijk eeuwige vuur kan het beste in de geest worden omschreven als liefde. Niet hartstocht, maar gevoel van verbondenheid met het andere. Dit in zich is het vuur, de openbaring van het Goddelijke geweld. Vanuit de liefde kan het Goddelijk geweld beseft worden. De verbondenheid, de kracht, waarmede je tracht de wereld naar je toe te halen en de krachten en werkingen van deze wereld te beseffen als een deel van jezelf is reeds meer dan vuur: Het is besef, een Licht van goddelijke origine.

Meestal denkt men daarover weinig na. Men ziet het eeuwige vuur of als de straf van de verdoemden, dan wel als iets mystieks en hoogs. Daarom stel ik er prijs op nog nadrukkelijk vast te stellen, dat het vuur voor de geest vooral en in de eerste plaats de uiting is van de relaties tussen het levende. Het Licht is de bron van alle dingen die wij niet kunnen beseffen.

Maar wij zijn het spiegelbeeld van het Licht. Wij brengen zelf Licht voort. Maar dat kunnen wij slechts doen, wanneer wij bereid zijn als het ware onszelf daarbij op te branden. Dit is geen werkelijke vernietiging, doch eerder een loutering. Want in het voortdurend werken met het vuur en beseffen van het Licht wordt ons besef voor de werkelijkheden van het Zijn steeds groter en kunnen wij op den duur een steeds veranderende en uitgebreidere vatting geven aan alles wat in ons leeft. Tot wij, geheel bevrijd van de uiterlijkheden, God in waarheid leren kennen en beseffen. Vuur brengt men in verband met hel en wereldondergang. Denk liever over de kracht die schuilt in het vuur, dat water kan doen verdampen en door stoom raderen voort kan drijven. Kracht waarmede een taak volbracht kan worden, lijkt mij dan ook een juister beeld.

image_pdf