Het eiland van de wet

 26 februari 1961

 We willen vandaag dan eens een keer spreken over iets, wat eigenlijk al lang vergeten is in de historie der mensheid. Er is een tijd geweest, dat het eiland van de wet gelegen was temidden van de 11 eilanden.  Dit is een geschiedenis die voor uw historie speelt, maar het is een wet die nog geldt in uw tijd. Want op het eiland van de wet staat een tempel, cirkelvormig gebouwd, omringd door grote portalen en in het midden van die tempel staat de zuil van de Wet. Ze is hoog, ach, misschien wel 10 meter hoog. Bekleed is de steen met het gehamerde goud en daarin staan de symbolen gegraveerd van oneindigheid. Er zijn bij deze tempel priesters of wijzen, die deze wet van buiten kennen, want lezen kunnen maar weinigen in deze tijd. Eens in het jaar komen de vorsten bijeen, ééns in de 7 jaar wordt een stieroffer gebracht en de wet bevestigd. Het is het centrum van een wereld die op het punt staat teloor te gaan, middelpunt van het stervende Atlantis. In deze tempel is veel gebeurd. We hebben daar gezien, de eerste pogingen tot vrede. We hebben daar gezien de strijd tussen de zwarte en de grijze magie, de strijd van de witmagiërs tegen het duister. Het is een vreemd en heilig stukje grond, waarin, zo men zegt, de stem van de goden spreekt. In deze dagen nog vertelt men u, dat in de grote piramiden van Cheops soms geesten afdalen en zelfs nu nog een mens zouden willen wijden. Die legende van eens, is in de tempel van Atlantis volkomen waar geweest, maar om de sleutel te bezitten tot die inwijding, om te komen tot een begrip van wat was, wat is en wat komen zal, moet je de wet kennen. Die wet luidt: “Gij zult in uzelf het lichte kennen.” Er wordt niet gesproken over een God. De wereld is vol met goden en demonen. Maar in uzelf zult ge het licht kennen. Het licht dat sterker is dan het licht van de zon. Het licht dat tintelt in de leden, dat spreekt tot de geesten, de ziel op doet wieken als een vrije vuurvogel, zich eeuwig vernieuwend in het licht van de vader-zon, waaruit de aarde is voortgekomen. De gedachte dat men het licht in zichzelf allereerst moet kennen vóór alle dingen, geldt ook heden. Een mens die zich niet bewust is van een innerlijke band met zijn God, leeft niet werkelijk. Hij is een marionet geworden, een pion op een schaakbord van omstandigheden en vindt geen mogelijkheid om zelf en bewust te volbrengen wat zijn taak is.

Het tweede artikel van de wet luidt: “Gij, die het licht kent en aanvaardt, zult dit licht trouw zijn.” Trouw zijn: nooit verloochenen, nooit een ogenblik zeggen: Ik geloof het wel dat het licht is. Ik aanvaard heel rustig, dat het wel eens een keer duister kan zijn. Nee, het licht zelf. Het licht zelf moet men trouw zijn, want alleen degene, die dit licht voortdurend aanvaardt als enige waarde, zal in het leven in staat zijn, altijd het juiste pad te gaan. Wanneer de vorsten en de priestervorsten van Atlantis samenkomen, dan is deze trouw voor hen de belangrijkste band. Alleen daardoor is het mogelijk, temidden van de verwarringen die zich in de wereld opstapelen, toch een eenheid te behouden. Alleen daardoor is het mogelijk tot inzicht te komen, steeds weer opnieuw. Slechts wie in zichzelf het licht kent en trouw is aan dit licht, vindt zoals men zegt, de werkelijkheid. En dan komen er grote reeksen in verschillende soorten gedeelde bevelen en orders, want in Atlantis zijn er maar twee algemene wetten en daarbij luidt de wet voor hen die de priesterlijke waardigheid nastreven: “Gij zult het licht, dat in u is, kenbaar maken. Gij zult uit het licht uw weten putten. Gij zult al uw weten beproeven in het licht en zo uzelf tot eenheid maken.” De eenheid die ge zijt, is niet de wet, maar de kracht van deze wereld, want gij zijt tot kracht geschapen. Het is logisch dat iemand, die een priesterlijke waardigheid ambieert, een mens, die de goddelijke invloed op aarde wil representeren, volledig aan die godheid gebonden moet zijn en wat meer is, dat hij alleen door zelf geheel een te zijn met die godheid, met dat licht, dit licht op aarde manifesteren kan. Het verwerkelijken van Gods wil, Gods weten, is eigenlijk doel, zijn enig doel, zijn bestemming.

Er zijn hier in de hallen der priesters nog vele kleine wetten en regels aan toegevoegd, maar belangrijk is voor hen in feite alleen maar, dat ze in zich het licht kennen en dit durven openbaren, dit kunnen openbaren. Daarnaast staat een wet voor hen, die zoals het heet: net pad des vuurs gaan. Het pad des vuurs komt waarschijnlijk voort uit de gang die men eens heeft gemaakt naar de enkele werkende vulkaan, die temidden van dat eilandenrijk zich machtig omhoog heeft gerekt, de tocht waarbij men tussen zon en vuur van aarde mediterende, in vele dagen trachtte de eenheid van hemel en aarde te bereiken. Wij zouden; zeggen; degenen, die inwijding zoeken. Voor degenen, die inwijding zoeken, gelden ook afzonderlijke wetten. “Gij zult het licht in alle dingen kennen. Gij zult het licht in al uw daden doen spreken. Gij zult u laten leiden door het verschil tussen licht en schaduw.” Gij zult u laten leiden door het verschil tussen licht en schaduw. Het is zo duidelijk. Er zijn voldoende lichten in de werelden rond ons. Er zijn werelden van schaduw, maar indien wij werkelijk willen leven, het pad van inwijding moeten gaan, dan zullen we de begrenzing moeten kennen van het licht. Het licht wijzigt zich, het licht verplaatst zich, zoals de zon. En met de zon rijzen de schaduwen, De ingewijde mag nooit in de schaduw leven, maar moet steeds de schaduw erkennen, want, en dit staat in inwijdingsboeken, al het geschapene is een schaduw van het licht. Door de schaduw te kennen, kent men de werking van het licht. Wie de werking van het licht kent en het licht aanvaardt, beheerst de schaduwwereld. Ook hier al in het oude verleden, een absoluut zoeken naar meesterschap en beheersing. Ook hier al in een tijd die gij vergeten zijt, mensen die van lichtende kracht tot lichtende kracht gaande, steeds weer de schaduw, het gemanifesteerde, erkennende als een schim van de werkelijkheid, een kosmische werkelijkheid voor zich zoeken en uiteindelijk bereiken.

Voor de vorst staat er: “Uw werkelijk zwaard is het licht. Het licht is het zwaard der rechtvaardigheid. Wee hem die onrechtvaardig is, want hem ontvalt het zwaard. Hem blijft slechts de klacht van de duisternis.” Je moet trouw zijn, ook wanneer je in de wereld leeft, aan het licht. Het licht is een machtig wapen en met dit wapen moet je vechten, moet je strijden. Wanneer je een ogenblik dit licht uit het oog verliest, heb je geen wapen meer. En dan staat er naast: de wet van de handwerklieden, en de wet van de vissers, de wet van de handelaren, nog ergens: de wet van de mens. Het is of ze de synthese is van alle voorgaande wetten. En zij zegt: “Weet, dat de aarde vruchtbaar geschapen is. Uw vruchtbaarheid is het antwoord op uw licht, het licht dat ge in u draagt. In vruchtbaarheid zijn belangrijk: eerst de vruchtbaarheid der gedachten, dan de vruchtbaarheid van weten, dan de vruchtbaarheid van daad, en eerst dan zal uw eigen vruchtbaarheid een werkelijk zegel kunnen zetten, de band tussen u en de kracht des lichts.” Het zijn allemaal eenvoudige dingen, maar als je zo’n tempel betreden hebt, je hebt hier het heiligdom gezien dat uit tienduizenden jaren van zoeken en denken is gebouwd, dan gaan je gedachten onwillekeurig verder dan alleen maar die wet, die maar in goudplaat gehamerd staat. Je gaat voor jezelf nadenken. In de eerste plaats misschien wel om na te gaan of je dan niet verder bent dan die mensen in die dagen en in de tweede plaats, om je af te vragen of die wet vandaag misschien nog net zo krachtig en geldend is als eens.

Met u wil ik juist op deze bijeenkomst over die wetten nadenken. Over het wezen en de werkelijkheid van de wereld. Het wezen en de werkelijkheid zoals deze in de oudheid bestonden en waarschijnlijk ook nu. Laat ons eerlijk zijn: Wanneer in ons niet is een goddelijk licht, iets wat ons voortdurend verder drijft, omdat we voelen dat ergens een vaderland ligt, iets waar we thuis horen, zullen we dan nog streven, zullen we dan nog werkelijk iets doen? Nee, dan is het leven alleen maar een spel, waarin het er niet op aan komt, welke inzet je gebruikt. Alleen, wanneer je het licht in jezelf kent, is het belangrijk om goed te leven, om juist te leven. Alleen de mens die zijn God erkent, niet in een vorm, niet in een stelling of een dogma, maar als een innerlijk licht, zal in staat zijn in zijn leven de juiste weg te gaan. De juiste weg voor hem, die dan ook de juiste weg voor anderen zal zijn. Wanneer deze mens naar inwijding zoekt, dan is hij geneigd om te experimenteren. Hij is geneigd zich aan te passen aan zijn wereld, kortom hij ziet duizend en een afwijkingsmogelijkheden van het licht, maar alleen wie trouw is aan het licht, wie voortdurend dat licht alleen voorop stelt, kan komen tot een werkelijk resultaat. Die beantwoordt aan de wet. Nu was dat in de oudheid allemaal heel eenvoudig. Je zei: trouw aan het licht en je bedoelde trouw aan hetgeen geopenbaard was, trouw aan hetgeen op de bergtop tot je kwam als inspiratie.

In de moderne tijd moet je dat wat anders gaan bekijken, vermoed ik. Stel nu eens een keer, dat wij ook het licht in ons dragen, dat is toch zo, nietwaar? En dat wij aan dit licht trouw moeten zijn. Dan komt de grote vraag: Wat kan dit licht zelve zijn en wat brengt het ons? Die vraag is natuurlijk niet nieuw. Die heeft men in de tijd van Atlantis op willen lessen, men heeft ze neergelegd in het Sanskriet van een verleden, men heeft ze neergetekend in het Oerdoe, men heeft het neergeschreven in Egyptische beeldtaal, in het Griekse schrift, men heeft het neergeschreven in de kerkboeken van het christendom. Hetzelfde pogen om te zoeken naar: “wat” het licht is en hoe kunnen we daaraan trouw zijn? Maar als je reëel denkt, dan kom je tot de volgende oplossing: Het licht is in de eerste plaats wel de levenskracht en het leven zelf. Het is een innerlijk weten, een doel, en mogelijkerwijze ook het aanvaarden van een taak. We weten voor onszelf heel goed, wie we zijn en wat we willen. Het is ons onmogelijk om ons bewust te zijn van God en van het licht en onszelf niet te kennen. Alleen door ons zelve komen we tot de erkenning van het licht en van het goddelijke.

Wat is dan deze wet die onszelf voort moet voeren? Volgens mij in de eerste plaats wel het erkennen van de vaste relatie, de vaste verhouding tussen alle dingen. Daarnaast echter de erkenning, dat wij in het totaal der dingen zelve thuis horen. We moeten niet zoeken naar iets wat boven onze wereld ligt. Het licht vraagt van ons niet dat we ontsnappen aan de beperktheid van een stoffelijke wereld, de grove vormen vaneen geestelijke wereld, die vormen kent. We zijn dan niet trouw aan het licht, we ontsnappen aan bepaalde werelden. Wij willen onszelf alsjeblieft vrij maken van wat deel is van wat het licht zelf geschapen heeft. Nee, de trouw aan het licht houdt allereerst wel in: het aanvaarden van de wereld, waarin je leeft. Ook in de oudheid heeft men dat zo uitgedrukt en zelfs in Atlantis heeft men reeds vastgesteld, dat hij, die zijn God trouw is of het licht trouw is, wanneer hij tot de grote tempel behoorde, leeft zijn leven, maar in de naam van die God of van het licht.

Wat is God verder? Wat is dat licht verder? In de lofzangen, die we zowel in de verre oudheid vinden als dichterbij, zelfs Ichnaton heeft er nog over gezongen, nietwaar, we vinden ze terug hier en daar, bij Salomo bv. in de bijbel horen we steeds weer:”Gij zijt het die schept. Gij zijt het die leven geeft. Uit u zijn de bloemen en de dieren, uit U is de mens. Uit U zijn de engelen en is alle schoonheid en alle grootheid.; Dus niet alleen leven in je eigen wereld, maar je God erin erkennen. Leef in je wereld, zo veel mogelijk, in het erkennen van de schoonheid, niet aan de hand van een zuiver persoonlijk oordeel natuurlijk, maar in een zoeken die schoonheid te ondergaan. Een volkomen logische conclusie. Zolang als je het schone in het leven, het mooie a.h.w. blijft erkennen en in jezelf aan God jezelf steeds refereert, ben je trouw aan het licht. En dan kunnen we natuurlijk nog gaan vechten over hetgeen dan wel uit God is en niet uit God. De Middeleeuwen hebben dat uitvoerig gedaan, en er bestaan honderden boeken die alleen maar gaan over het feit wat van de schepping nu eigenlijk aan God mag worden toegeschreven en wat des duivels is. Wel, de oplossing die men ons biedt in deze Atlantische leer, is eigenlijk heel eenvoudig: “Er is niets dan God, maar de God die in ons is, maakt ons verwant met alle dingen.” Omdat er niets is dan God is het makkelijk, we hoeven er niet over te vechten wat nou van de duivel komt en wat niet. We hoeven ons alleen maar af te vragen: wat is onze taak? Wat is het, dat het goddelijke ons heeft opgelegd? En dan kom je vanzelf natuurlijk tot de laatste vraag in dit verband: Hoe kan ik de taak kennen, die God mij heeft gegeven? In de z.g. bijzondere priesterleer van Atlantis stond over de taak dit: “Wanneer de noviet ingaat, zo is hij verblind, maar uit de blindheid komt het aanschouwen voort. In het aanschouwen is het eerst gekende beeld dat van eigen wezen, het tweede beeld dat van eigen taak. Want een ieder, die het licht zoekt en aanvaardt, kent niet slechts zichzelf, maar beseft ook zijn betekenis in het licht.” Dat is veelomvattend. Je kunt nu zeggen: Mensen dat is zo, maar dan hoor ik onmiddellijk een hele wereld vol van protesten en niet alleen uit de stoffelijke wereld, maar ook uit de geestelijke.

Want het klinkt nu wel mooi, maar wij voor onszelf willen we toch graag die taak gedefinieerd zien. Je moet er een aanduiding aan geven die praktisch is. Wel, aan de hand van alle studies die men gemaakt heeft in de loop van de tijden en ook hetgeen wij daaromtrent aanvaarden, en aanvaarden in de geest, zou je een taak zo willen stellen: In het leven wordt u voortdurend iets geboden wat voor u betekenis heeft. Dit voor u betekenis hebben, betekent niet alleen dat het prettig is, maar dat het specifiek met u samenhangt. U kunt zich er niet aan ontworstelen. U bent ermee gebonden en het keert steeds weer op uw levenspad terug, nu in deze, dan in gene vorm. Dat wat onverbrekelijk op uw levenspad als last blijft rusten, dat wat met uw hele proces van denken, leven en bestaan gebonden is, is uw taak in dit gebied van het leven. Er zijn vaste waarden, die altijd weer voorkomen: wanneer je ook duizend keer incarneert, dan zul je die waarden steeds weer op je levenspad vinden in de stof. Wanneer je ook miljoenen sferen door zou trekken, je zou steeds weer diezelfde kracht, diezelfde gedachte, diezelfde behoefte vinden. Dit is je taak ten opzichte van het goddelijke, om trouw te zijn aan God moet je die taak vervullen. Het is misschien erg gemakkelijk om, zoals veel latere esoterische doen, uit te roepen: Mens wees uzelf. Maar het lijkt me verstandiger als je dan zegt: “Mens, besef wat in je leven van zo groot belang is, weet, wat je gedachten steeds weer vervult; weet, wat voor vrede en wat voor onvrede er in je leven bestaat.” Eerst wanneer je dit hebt beseft, het zuivere en direct kenbare, dan kun je een stap verder gaan. Eerst in het weten hierover kun je zeggen: Alles wat voor mij disharmonie, leed en verdriet is, is een niet op de juiste wijze beantwoorden aan de goddelijke wetten. Ik kan dan trouw zijn aan de wet, maar niet trouw genoeg aan mijzelf, of ik zie het buiten mij wel, maar ik vergeet dat het licht in mij leeft.

Op het ogenblik dat iets in mij een drijvende gedachte is, iets wat me voortjaagt, iets wat me ook weer steeds nieuwe schoonheid doet ervaren, nieuwe vreugde, nieuw licht, is dit zeker deel van mijn leven en mijn levenstaak, van mijn plaats in de kosmos. Op het ogenblik dat iets als een voortdurend leed terugkeert, is het een aanwijzing dat ik hier juist niet beantwoord heb aan de goddelijke taak. Er is geen sprake van schuld; er is alleen sprake van onbegrip. Dat wat in u vertekend bestaat, dat wat in u tot lijden wordt, moet worden herzien, moet worden omgewenteld en gekeerd, totdat het past in het schema van uw leven, totdat het daarin een harmonie voort kan brengen, totdat u juist ook mede daaruit a.h.w. het geluk, de vreugde kunt paren van het zijn in het licht.

Een zeer interessante reeks van stellingen, zoals u ziet. En zeker niet een reeks, die we zomaar terzijde mogen gooien. Niet alleen, dat die dingen vandaag de dag geldig zijn, maar ook het feit, dat ze zo lang geleden al bestonden. Want Atlantis is de wieg geweest van de huidige mensheid. Voor Atlantis vinden we de moerasachtige perioden van vasteland  met vreemde leerachtige bladbomen en varenbomen, met grote dieren en daartussen enkele gejaagde mensen, die vaak nog als halve amfibieën leven. Die leven in water en dan weer op de vaste grond. Wezens, die lichtende krachten aanbidden, die zich als een soort lichtzuiltje of als een soort werveling van licht manifesteren op de platgetreden altaren. Wanneer in deze tijd al, deze eerste tijd dat de mens zichzelf bewust, dat hij vrijheid krijgt in zijn voertuig, vergroting van bewustzijn en mogelijkheden, hij deze wetten als juist erkent, dan moeten zij m.i. ook de grondwetten zijn van het menselijk bestaan en daarnaast het direct voortvloeisel uit de grote geestelijke wetten.

Ik weet natuurlijk net zo goed als u dat de periode van Lemurië ons de wetgevers heeft doen zien als hoge geestelijke krachten. Maar de mens die zich vrij maakt, juist van deze wetgevers en overweldigend hun natuurlijk gezag, zal niet alleen behouden wat hem bevalt, wat hem convenieert. Het lijkt er misschien op, maar wanneer hij komt tot de stollingen van het licht in mij en niet alleen van de zon, daar ergens boven in de lucht, dan bewijst dit m.i. dat hij vanuit zichzelf het verevende proces heeft voortgezet, dat hij is gekomen vanuit de zuivere materiële gebondenheid, het overheerst worden door de natuur en de geestelijke kracht, tot een zelfstandig aanvaarden van verantwoordelijkheid en taak.

Atlantis laatste periode, de periode waarin de tempel stond waarover ik u sprak, was een periode van strijd en verwarring. Het rijk ging ten onder aan zijn behoudzucht, zijn poging om zichzelf af te zonderen van anderen. Het ging ten onder, zoals de profeten van die dagen zeiden, door zijn ontrouw aan het licht. En wanneer je zo vandaag de dag in ongeveer gelijke toestand begint te verkeren op aarde, dan is het dus ook nog wel even interessant om na te gaan, waarin die ontrouw bestaat. De ontrouw van Atlantis bestond in: het voor zich opeisen van het recht slaven te overheersen en levens te nemen, het voor zich opgeëiste recht om eigen wezen, eigen ras, eigen kleur en eigen beschaving te stellen boven al het andere op de wereld. Het geloof van Atlantis, dat zijn wetenschappelijk bereiken belangrijker was dan de mystieke beleving van de lichte kracht zelf. Dat was het oordeel, dat Atlantis over zichzelf heeft geveld. Het is daardoor, dat de grote steden zijn ondergegaan en dat slechts een heel flauwe afschaduwing van wat toch eens een wereldomspannende beschaving en cultuur was, is overgebleven ergens in Egypte en Tibet, in Achter Indië, misschien hier en daar in de Middellandse zee, in Zuid Amerika enz. wanneer wij teveel gaan denken aan onszelf, aan onze beschaving, aan onze moraal, aan onze God, wanneer we de nadruk leggen op bezitsneiging en bezitsvorm, vooral ook in het geestelijke, dan doemen wij onszelf tot ondergang. Dit is niet alleen materieel, maar ook geestelijk waar. Wij zeggen de trouw op aan het licht in ons. Het licht in ons is de regerende kracht, de heersende kracht.

Ik heb niet veel tijd meer om mijn inleiding te voltooien, maar ik zou toch uw aandacht nog even willen richten op het volgende. De oude wet van het licht, die door alle tijden heen op deze wereld zich manifesteerde, werd ook nog uitgelegd op een zeer bijzondere manier en wel in het z.g. witte kader, of ook wel wat men noemde, de witte cirkel. Dat is dus het begin van die witte broederschap en daar zegt men van het licht het volgende: “Het licht is rechtvaardig, want het doodt alle duister, het licht is liefde, het versterkt alle licht tot het zichzelf verliest in het lichtende. het is vol schoonheid, want het openbaart de gehele schepping. Het is geheel versluierd, want in zich toont het zijn kracht niet, maar slechts door zijn uiting, wie de weg gaat van het licht, openbaart de kracht van het licht, is het licht.” De gedachtegang zal duidelijk zijn. Hier treedt een toekennen van eigenschappen aan het licht als bv. rechtvaardigheid en rechtvaardigheid vreemd genoeg vóór liefde. Er komt verder in op de voorgrond: de gedachte, dat op het ogenblik dat het ik volledig beantwoordt aan het licht, er geen verschil meer te maken is tussen bv. een menselijke persoonlijkheid en het lichtende.

Waar a.h.w. het licht in ons een volle openbaring vindt, zijn wij het licht. Dit is een bevrijdingsgedachte die we terug kunnen vinden bij de geboorte van grote meesters op aarde. Ook zij worden vereenzelvigd met het licht en sommige van hen worden goden of, zoals Jezus, zoon Gods genoemd. Maar deze oude waarheid kan niet alleen maar voor een enkeling gelden. De gedachte is, dat wij allen het licht zo sterk kunnen aanvaarden en zo natuurlijk kunnen beleven, zonder veel komedie en zonder veel wetjes en regeltjes, nee, zo maar heel gewoon, dat wij a.h.w. het gemanifesteerde licht worden. Het is dit, het gemanifesteerde licht zijn, dat ook in uw tijd een grote rol speelt. We krijgen nl., zoals u weet, te maken met de nieuwe wereldleraar en zijn leer en alles wat daaruit verder voort gaat komen. We krijgen te maken met de ontwikkeling van de komende tijd.

In die ontwikkeling, ligt volgens mij dezelfde oude wet, hetzelfde oude geloof en wanneer ik dan zo dadelijk ook het woord overgeef aan één van onze geestelijke leraren, dan doe ik dit in de zekerheid, dat hetgeen hij u zegt verankerd is in het geloof en het wezen der mensheid. Wat Atlantis is geweest, dat leeft nog in u, dat is niet teloor gegaan, de wetten, die ik u heb genoemd, de verklaringen, die ik u heb gegeven, hebt u voor een groot gedeelte erkend en u hebt gezegd: “Dit is oud, dit is niets nieuws voor mij.” Besef wel, op dit terrein is er niets nieuws voor u, want gij zijt mens, gij zijt deel van het licht, lichtdrager, en daarom kan er niets nieuws zijn. En wanneer u zo dadelijk hoort over de nieuwe wereldleraar en de geestelijke lessen die deze tijd met zich brengt, denk dan eens aan dat oude en lang vergane Atlantis.

Dat Atlantis, dat alleen nog maar als een sage voort bestaat. Want daar hebben ze dezelfde kans gehad die u wordt geboden in deze dagen. De kans om zelf het licht te worden, niet God te worden, maar de directe verpersoonlijking van Gods kracht. Deze mogelijkheid wordt u in deze tijd geboden. Aanvaardt ge deze, de wereld zal groter en edeler dan ooit voortbestaan. Verwerpt ge ze? Atlantis is ondergegaan en buiten een fluistering en een naam is er niet veel van over gebleven. Bedenk wat er van uw wereld zou overblijven en bedenk ook dat de velen, die een andere weg gekozen hebben in Atlantis tijd, als mens vele malen moesten leven voordat ze uiteindelijk hetzelfde punt konden bereiken en nu niet tezamen met de wereld, maar tenminste individueel een zekere keuze konden doen.

o-o-o-o-o

Er is een tijd, dat lichtende krachten uitgaan en alle sferen samen boeien en binden tot één geheel. In een dergelijke periode is alleen het innerlijk bewustzijn belangrijk, al het andere vervaagt en vervliegt. Uit het licht word een kracht gezonden, die zowel op uw eigen wereld als in alle sferen mij bekend, zich heeft gemanifesteerd. Op uw wereld hebt u van hem gehoord als de nieuwe wereldleraar, in de sferen spreekt men vaak van hem als de liefde des lichts of de liefde Gods.

De leer daarvan is voor u eenvoudig en begrijpelijk. “Mens,” zo luidt deze leer “Heb het leven lief, heb je God lief, Hecht je niet aan bezit, hecht je zelfs niet aan mensen als een blijvende waarde. Hecht je alleen aan God en Zijn levende kracht en aan de geest, die Zijn licht in zich draagt. Vrees niets, want niets kan u aantasten en ten onder richten, buiten hetgeen gij vreest. Verwerp niets van uw wereld, zover dit kennen en weten heet. Al wat in uw wereld leeft, is aanvaardbaar voor u, maar gij moogt het slechts aanvaarden als een middel om het lichtende en het goddelijke uit te drukken.” In onze wereld klinkt natuurlijk een dergelijk betoog anders, en vindt het een totaal nieuwe en vrolijke, vreugdige waarde.

Ik wil trachten u iets te vertellen over wat die leer in feite voor ons betekent. Er zijn tijden dat het goddelijk licht uitgaat en alles verenigt. Er zijn tijden, dat het goddelijk licht elke scheiding wegvaagt. Zo’n tijd is gekomen. Bereidt u voor op de grote eenheid zonder verpozen, want in ons allen is vreugde en licht en kracht, indien we de volheid van het zijn kunnen aanvaarden. Alle sferen en werelden smelten samen, alle scheidsmuren vallen weg voor hen, die het licht kunnen aanvaarden en in zich dragen. Verheugt u, want het lijden in het duister wordt weggevaagd voor allen, die geloven aan een God. Verheugt u, de poorten staan open, opdat geest zowel uit lage sfeer en mensheid, als van de hoogste sfeer in kan gaan tot ditzelfde, dit ene, het rijk van een liefdekracht, die het volle licht zijnde, al, zonder onderscheid, samenvoegt, één doet zijn en harmonie maakt tot weerspiegeling van Zijn wezen.

Een dergelijke boodschap zal voor uw wereld misschien te ver gaan, zelfs wanneer mijn woorden nog geen duizendste weer kunnen geven van de lichtende vreugde die er in ligt, van de belofte van eeuwigheid, van onveranderlijkheid en toch voortdurende vernieuwing. Wanneer ik mij dan tot uw wereld richt, zo wil ik dit in de eerste plaats doen in profetische zin. Besef dat gij, zoals ge hier samen zijt, de vele anderen die op deze dag samenkomen in kerken en andere plaatsen, gezamenlijk slechts een mogelijkheid hebt: Het vergeten van onderscheid, het vergeten van ras en stand, ja zelfs van kennis en onkunde. Er is voor u slechts één kracht, die werkelijk kan worden in deze dagen: het erkennen van een ieder als uw gelijke, als uw broeder of zuster. Hoe sterker gij dit tot uiting brengt, hoe voller gij leeft in de mens en met de mens, hoe lichtender uw leven wordt, wanneer ge u baseert op de kracht des lichts.

De wereldleraar heeft dit voor uw wereld uitgedrukt als: Het Koninkrijk Gods is nabij. De oude beloften worden vervuld en de oude wetten gaan ten onder. Want slechts de mens, die in vrijheid zich weet te verheugen over al hetgeen hem zijn Schepper heeft gegeven en deze vreugde doet weerklinken in een ieder die hij ontmoet, is waarlijk waardig de innerlijke verlichting te ondergaan. Wie in zich de vreugde van het bestaan kent, die vreugde doorgeeft aan anderen, deze, zo vertelt de wereldleraar, zal het hoger besef gewinnen.

De dagen, die u te wachten staan, zijn zwaar. Ik kan het u zeggen met de stem der profetie en zo ge wenst, uitdrukken in zelfs tastbare beelden. Duitslands welvaart wankelt, Oost Duitslands macht wordt omgeworpen, Ruslands groten sidderen, de draak van China wordt vastgenageld door het pogen van een gehele wereld. Het duistere Afrika vergt voor zich het licht en verwerft het licht op het ogenblik, dat het vergeet alleen om zichzelf te smeken. De overdadige welvaart sterft en wordt opgevolgd door een hardheid van leven, die het kinderlijke spel van het grote volk aan de andere zijde van de oceaan doet verkeren in de werkelijke ernst van zoeken en leven, het circusspel doet vergaan en daarvoor in de plaats zet de werkelijke beleving van het goddelijke, dat niet gebaseerd is op sociale maatstaven.

Uw wereld is als een deel van een grote kosmische installatie, waarin de essence van het wezen wordt afgezonderd van het grove, en de fijne geesten en het fijne licht worden opgezonden om verder te gaan en dat, wat verouderd is, wordt achter gehouden. En in deze dagen zal het licht in de mensen sterker worden. Uit de vreugde van het leven en de schijn van bandeloosheid misschien, zal voortkomen het intens en zonder voorbehoud met geheel zijn ziel, zijn geest en zijn lichaam, beleven van het goddelijke, het uitdragen daarvan tot geen element de mens kan bedreigen en geen haat hem kan beroeren.

De tijd van de kosmische eenheid op aarde gemanifesteerd, komt naderbij, de proeven daartoe zal uw aarde binnen enkele jaren reeds moeten ondergaan. Ik kan tot u spreken met de stem der belofte. Weet wel, dat al wat ge nu zijt, alle lijden wat ge nu kent, zo dadelijk zal smelten als sneeuw voor de zon. Dat, wat ge ziet als een belasting van uw leven kan u tot een sterkte en vreugde worden, en dat wat ge niet hebt geacht kan uw rijkdom blijken, want dit zeg ik u: Uit de krachten van het Al, en van de wereld komt voor een ieder, die God en Zijn licht kan aanvaarden, de volledige geopenbaardheid van zijn drieheid in elk wezen tot uiting. Drie zijn de krachten Gods en driemaal zult gij God kennen, drie malen zult gij hem geopenbaard zien in uzelf en rond u, en driemaal zult ge de vreugde van die openbaring smaken voor het getal der jaren zeven telt. Doch slechts wie de liefde in zich draagt tot God en Zijn wereld kan dit ondergaan en aanvaarden.

Ik kan tot u spreken met de stem van mijn eigen wereld: Hoezeer hongeren wij naar het ogenblik, dat niet meer het leed van onze broeders en zusters ons doet terugkeren in beperking. Hoezeer verlangen wij naar het ogenblik, dat wij niet keren tot het lagere; de poorten van onze werelden open mogen staan, de jubelende vreugde mogen zien van allen, die daar binnengaan. Er is een tijd nabij, dat dit mogelijk wordt. Hoe groots is de wereld en hoe groots is de Schepper, hoe wordt zijn juichende reeks van kleuren en klanken samengeweven in het witte licht tot een kroon die geheel de wereld omspannend, zich toont in de flonkering van het onbekende. Hoezeer spreekt in ons allen reeds nu de stem van Hem die, komend tot de mens en gaand vanuit de mens, alle grenzen verbreekt. Het is een tijd van vreugde, een tijd van licht, een tijd waaraan gij deel moogt hebben, indien gij de juiste weg weet te vinden, de weg niet verwerpt en niets verwerpt, maar in alle aanvaarden slechts denkt aan God en de lichtende kracht. De keuze der tijden wordt wederom aan de mensheid voorgelegd. Wederom wordt de wereld gewogen en wederom wordt de mensheid de sleutel aangeboden tot het rijk der oneindigheid. In de andere wereld weten wij: velen zullen ingaan tot het rijk dat wij kennen en verder. Velen zullen de ongebonden eeuwigheid in en met ons leren kennen. Zij, die het oordeel zullen spreken over een wereld, voor hen hebben wij slechts een bede en een wens: Dat zij zichzelf vergetend de eenheid aanvaarden met God en licht, met mens en mens, ongeacht staatsvorm of geloof, om zo de kleine vlek licht, die aarde heet, te maken tot een fonkelend juweel in de geestelijke kroon van de kosmische God.

Mijn wens tot u is, dat wij elkander mogen ontmoeten daar, waar geen grenzen de geest terug dwingen, elkaar mogen ontmoeten in die grote vrijheid, waarin Gods liefde de plaats inneemt van al wat ge nu nog kent in emotie en beperking.

o-o-o-o-o

 Een klein stukje commentaar hoort er nog bij. Wat u allemaal hebt gehoord, daar moet u allemaal eens goed over nadenken natuurlijk, maar het komt eigenlijk hierop neer: De meeste mensen zijn vrijer in daden dan in gedachten, als ik het zo mag zeggen. Een hele hoop mensen doen datgene wat ze eigenlijk liever niet zouden denken en als ze het denken dan denken ze het zo, dat ze het liever zouden doen dan het alleen in gedachte kunnen behouden.

Die mensen zijn beperkt, die mensen zitten in de dalen, die hebben ongeluk, omdat ze nog niet begrijpen dat al die verschijnselen, al die kleinigheden, maar bijkomstig zijn. Het hele leven is net als een kinderspelletje, maar de school, die zit van binnen. En nu is eigenlijk alles wat onze leraar zo-even heeft gezegd terug te brengen tot die paar woorden, die ik er dan aan ga wijden: God is liefde, goed, God openbaart Zijn liefde, dat is nog beter. God openbaart Zijn liefde in ons, als we maar willen aanvaarden. Dat is fantastisch. Wanneer wij deze liefde in ons zelf kunnen aanvaarden en kunnen beleven, dan vallen de grenzen weg die er bestaan tussen de verschillende sferen, dus dat wil zo ongeveer hetzelfde zeggen, of je als straatjongen ook bij de koningin in het paleis op bezoek mag gaan, zonder dat iemand er wat van denkt.

Wegvallen van de grenzen, d.w.z. dat je je bewustzijn onmetelijk uit kunt breiden, d.w.z. dat je je vreugde van beleven uit kunt breiden, doordat je aan veel meer werelden deel hebt. Kort en goed gezegd: een wereld vol van geluksmogelijkheden ligt voor je. Het komt voort uit deze tijd, en dat zal ongetwijfeld, laten we zeggen binnenkort, zich gaan manifesteren. Nu noemt hij daar zeven jaar, maar zeven jaar is een symbolisch getal, hoor. Als het getal der jaren zeven is, dan betekent dat alleen dat de cyclus voltooid is. Maar ik zou zo zeggen: reken er nu al vast mee. Probeer in jezelf steeds vrijer, steeds lichtender en vooral steeds vreugdiger te zijn. Probeer a.h.w. God zelf te zien, zodat je zegt: Nou, al die rommel laat ik nu maar liggen.

Ik heb zoveel om plezier om te maken, om gelukkig mee te zijn, de rest zullen we later wel eens bekijken. Op die manier zul je ongetwijfeld, (dat kunt u van mij aannemen) reeds nu zien, hoe de begrenzingen wegvallen. U zult meer begrijpen van wat de wereldleraar op het ogenblik vertelt en u zult aan onze hoge werelden en sferen intenser deel kunnen hebben. Daar kwam het eigenlijk op neer. Dus het is zoiets als: Lui, maak je borst nat, stroop je mouwen op, het is tijd om binnen te stormen in een nieuwe goddelijke wereld, vol van nieuwe openbaringen en vermogens. Wees blij dat het dadelijk begint, en maak je a.h.w. klaar om de grote vreugde en grote vrijheid van de komende tijd te ondergaan.  Zo, dat is mijn commentaar erbij. Een beetje op zijn Janboerenfluitjes, zoals dat heet, maar ja, ik heb altijd de hoop, dat ik dan toch nog meer verhelderend ben.