Het feest van de begoocheling

image_pdf

1 april 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen dan ook dat u zelfstandig na zult denken over het gebrachte. Nu zou ik gaarne willen spreken over: Het feest van de begoocheling

Indien wij hier in Engeland waren, zou ik een mooiere titel weten: “The Coming of the April Fools”. Het is op het ogenblik 1 april. Op deze datum vallen ons de vele sterke verhalen op, die men aan de goedgelovigen voorhoudt met het doel zich te verlustigen in het feit dat die er in gelopen zijn. Ik geloof dat het moderne leven evenzeer dergelijke verhalen en dwaasheden vertoont, zodat enkele aspecten die niet tot het feest van 1 april behoren, wel een onderzoek waard zijn. Bij het bezien van vele serieuze mededelingen in deze dagen, kan ik mij namelijk niet aan de gedachte onttrekken, dat hier een goed bedoeld bedrog evenzeer gebonden is.

De doorsnee mens zal – misschien met uitzondering van deze eerste april – geneigd zijn, hetgeen hem op meer officiële wijze wordt medegedeeld, voor waar aan te nemen. Men is er aan gewend dat de berichtgeving redelijk betrouwbaar is en denkt er niet aan, dat iemand misschien redenen zou hebben de mensen te bedriegen.

Het zal u waarschijnlijk reeds duidelijk geworden zijn, dat bedrog en zelfbedrog in deze dagen hand over hand toenemen. Er moeten daarvoor ook drijfveren aanwezig zijn. Wij kunnen niet aannemen dat de mensen tot een bedrog of tot een schijnbaar onredelijk gedrag overgaat, dan wel komt tot een rationalisatie die niet steekhoudend is, indien op de achtergrond geen factor aanwezig is die de mens daartoe drijft, of een mogelijkheid tot bereiken, die voor de mens van groot belang is. Er zijn vele voorbeelden te geven in het heden. Ik wil mij tot enkele van deze verschijnselen beperken.

Ik denk bv. aan de recente tournee in Frankrijk van de heer C.. Hoe vreemd doet het de denkende mens niet aan enerzijds de gebeurtenissen te Boedapest te moeten herdenken of steeds weer te moeten horen, hoe slecht het wel is in Rusland en hoe men daar in afgelegen gebieden een soort slavernij handhaaft, om anderzijds voorgehouden te krijgen hoe goed de mens C. nu eigenlijk wel is en hoe aardig de Russen toch eigenlijk zijn. Deze voorstellingen zijn deel van een politiek, dat weet ik. Maar achter het rookgordijn van deze politiek moet toch ook ergens een waarheid schuilgaan, die misschien wel voor een deel verborgen ligt in een uitspraak van de heer C. zelf: “Christus was eigenlijk een heel goede mens. Hij zou communist hebben kunnen zijn, wanneer Hij niet had gesteld, dat je iemand die je op de linkerwang slaat, de rechterwang voor moet houden, want wij doen dat niet. Wij slaan flink hard terug op de rechterwang van de ander.”

Op de achtergrond van de vele verhalen ligt dan ook wel allereerst de vraag: hoe moet de mens leven? Moet men nu werkelijk leven in een sfeer van vrijheid, in een geest van overgave en verdraagzaamheid? Is het voor de mens – en de geest – noodzakelijk alles wat het leven brengt, maar zonder meer te aanvaarden? Of moeten wij ons verzetten tegen al wat met ons denken strijdig is? In de Bijbel staat een spreuk: Oog om oog, tand om tand. In de evangeliën staat de nieuwe wet: Heb uw naasten lief, vergeef uw vijanden… . Wanneer ik mensen terug hoor grijpen naar die oude wet van represailles, is het voor mij evenzeer duidelijk, dat deze mensen terug vallen op een zeer oud principe, dat stamt uit de tijd dat zwervende stammen nog geregeerd werden volgens het recht van de sterkste en hun gebied en invloed alleen met geweld konden handhaven en bewijzen. “Oog om oog en tand om tand” is een uitspraak, die zelfs in het O.T. reeds gewraakt wordt: Mij is de wrake, zo zegt de Heer…. . De mens is bang voor de macht van anderen en meent juist daardoor vaak, dat hij de aantijgingen en aanvallen van anderen voor zijn prestige met gelijke munt moet betalen. Ik kan mij voorstellen dat het gebeurde in Boedapest hierop berust, zodat de wreedheden een kwestie van prestige waren en zijn. De terughoudendheid van het westen lijkt mij in dit geval – en vele anderen – te wijten aan een zekere angst, ofschoon daarnaast zeker zo hier en daar ook wel sprake van een christelijke vergevingsgezindheid is geweest.

Toch is het gebeurde van de laatste dagen voor mij raadselachtig en vraag ik mij af: “Hoe kan een mens redelijk bestaan en denken te midden van dergelijke tegenstellingen”. Wij mogen rustig stellen, dat de Heer C. een rustige of prettige mens is. De Heer C. heeft verder ongetwijfeld veel goeds gedaan voor zijn land en – gezien vanuit het standpunt van het regime dat hij vertegenwoordigt – zouden wij nog meer goeds van hem mogen verwachten. Dit wil nog niet zeggen dat de verschillen, die bestaan tussen een primitieve leer van: “oog om tand, tand om tand” en de geestelijk veel hoger staande leer van vergevingsgezindheid daarmede onbelangrijk worden, of zelfs geheel van de baan zijn.

Het spel dat op het ogenblik wordt gespeeld, het winnen van vrienden en respect, is namelijk niet zo belangrijk. Belangrijker is de vraag: Hoe staat het op het ogenblik met de mensheid?

Bedriegt zij zichzelf om haar angsten meester te blijven, of is zij bewust en feitelijk bereid christelijk te handelen? Indien het antwoord op dit laatste standpunt bevestigend luidt, rijst de tweede vraag: waarom wapent zij zich dan als tegen een machtige en haast onverslaanbare tegenstander? Meent men echter dat er geen sprake is van christelijke vergevingsgezindheid en verdraagzaamheid, dan rijst de vraag: waarom aarzelt men zijn machtige hoeveelheid wapens in te zetten, wanneer een onrecht tegen een ander volk wordt begaan?

Hiervoor geeft men vele redenen. Ik meen dat dezen allen zijn gebaseerd op een zelfmisleiding die niet alleen in de politiek, maar ook in het dagelijkse leven van de mens een grote rol speelt. Enerzijds verlangt de mens er naar op zijn God te vertrouwen en te geloven in een kosmische rechtvaardigheid, anderzijds wordt hij voortdurend gedreven door de angst, die een zonder meer aanvaarden van het gebeuren op de wereld als zijnde een deel van de Goddelijke wil in zouden kunnen houden. De kern van het probleem der zelfmisleiding ligt in de idealen en het geloof van de mens. Hij gelooft in God en gelooft in zijn idealen, maar vreest de gevolgen van een handelen volgens dit geloof of ideaal. Deze tegenstrijdigheid lost hij dan op met vele schone woorden, die nader bezien geen enkele werkelijke betekenis hebben. Hierdoor overtuigt hij zichzelf – en naar hij hoopt ook anderen – dat alles in orde is en zijn wijze van handelen goed en zijn dromen waar zijn.

Hiervoor vinden wij een sprekend voorbeeld in de moderne economie. Naar ik aanneem is het een ieder bekend dat in de laatste jaren nogal wat spanningen op economisch gebied optreden.

Ook zal het velen bekend zijn, dat de werkeloosheid in verschillende gebieden op de wereld ook de laatste maanden toeneemt. De traagheid van de markt is degenen die met handel en industrie te maken hebben, een bekend verschijnsel, dat de laatste jaren met vlagen optreedt, maar in betekenis vooral gestadig toeneemt. Toch horen wij van instanties die het kunnen weten, dat het economisch op het ogenblik overal zo goed gaat. Ik citeer enkele uitspraken uit de laatste maanden: “Wij kunnen zeggen dat het gevaar voor een deflatie, door onze laatste maatregelen, geheel overwonnen is…”. “Wij kunnen aannemen dat de inflationaire spiraal ten laatste tot stilstand is gebracht…”. “De tijdelijke traagheid in de verbruikersmarkt blijkt van zeer korte duur te zijn…”. Dit zijn uitspraken die niet volledig, of ook maar gedeeltelijk juist kunnen worden genoemd.

In de eerste plaats is het natuurlijk moeilijk om voor geheel de wereld te zeggen welke tendens de markten op het ogenblik nu feitelijk regeert. De benadering van waarden, die de statistiek geeft, is geen feitelijke weerspiegeling van de toestanden in de wereld. Toch baseert men zijn uitspraken op statistieken, die onvolledig, of zeer eenzijdig zijn. Men doet dit onwetend. Hieruit rijst de vraag: Stelt men deze dingen misschien, omdat men hoopt dat zij waar zullen worden?

Tracht men zichzelf en anderen te overtuigen dat de door allen gevreesde toestand, de crisis, dan niet op zal treden? Hierbij dient men niet over het hoofd te zien, dat de mens die deze dingen vreest, in staat is zijn gunstige verklaringen te rationaliseren en delen daarvan zelfs op het ogenblik als juist aan kan tonen. Innerlijk weet hij m.i. wel dat hij een interpretatie geeft van enkele feiten en zo komt tot beweringen over het geheel, die niet juist kunnen zijn. Ook dit verschijnsel is niet uitsluitend iets van de economie of politiek. Soortgelijke processen vinden wij overal elders.

Hoeveel mensen stellen hun toestand – ook betreffende zichzelf – veel gunstiger voor dan zij in werkelijkheid is? Menigeen handelt zelfs als iemand die alvast trakteert, omdat hij misschien morgen een meevallertje zal hebben. Men hoopt dat iets mogelijk zal blijken en handelt daarom alvast maar, alsof het een feit ware. De oorzaak is ook hier vrees. Men vreest dat het tegendeel van het beweerde waar zal zijn, maar wil deze vrees niet erkennen. Zoals vele mensen eenvoudigweg praten over iets wat onaangenaam is en doen alsof het niet gezegd of gebeurd is.

Juist wanneer de doorsnee mens voor de ondergang staat, gaat hij zich voorhouden dat het toch slechter is geweest en dat dit alles ongetwijfeld tot ongekende verbeteringen zal voeren. De rationalisatie is in deze gevallen haast stereotiep een aanhalen van het gevreesde bij anderen, het wijzen op het feit dat het elders zeker niet beter gaat. De onlogische conclusie is dan: Omdat het een ander slecht gaat, gaat het mij goed… . Het pessimistisch spreken over de ziekten van anderen is hier een aardig voorbeeld van. Uit de twee voorgaande voorbeelden kunnen wij leren, dat de doorsnee mens meestal bang is voor de werkelijkheid. Of de angst dan wel niet gefundeerd is, doet hierbij niet ter zake: hij is bang en daarom zoekt hij naar een uitvlucht.

Deze vindt hij dan in de ten dele – of geheel onware – verhalen die hij zichzelf en anderen vertelt. Zelfs de waarheid wordt hierbij uit zijn verband gehaald en tot een eenzijdig sprookje gemaakt om zichzelf te overtuigen, dat men gelijk heeft en er geen werkelijke reden tot vrezen bestaat.

Dit brengt ons tot een volgende punt in de recente gebeurtenissen: Zuid-Afrika. De geschillen die daar gerezen zijn tussen de blanke bevolking en de “naturellen” waren reeds lang tevoren te voorzien. Wij hebben dan ook reeds jaren geleden op deze groeiende spanning gewezen en ook dit jaar duidelijk gemaakt, dat grotere opstanden moesten worden verwacht. Hier is het nu gemakkelijk schande te roepen over al wat men tegen deze naturellen doet. Ofschoon ik de Nederlanders, die zo reageren, gaarne zou willen wijzen op het optreden van de Nederlandse troepen tijdens de politionele acties in Indonesië en de Amerikanen zou willen herinneren aan de kleurlingenproblemen, die ook daar in het zuiden nog steeds bestaan. Zeker is, dat de verontwaardiging van de gehele wereld zich op het ogenblik ontlaadt over Zuid-Afrika. Daar is reden toe. Wat meer is: Ik meen zelfs, dat die wereld gerechtigd is en zelfs verplicht onmenselijk optreden aldaar zo sterk te laken, dat men er van afziet. Evenals onmenselijk optreden elders de kop ingedrukt dient te worden. Waarom vergeet een ieder in zijn verontwaardiging eigen fouten? Het valt ons waarschijnlijk nog meer dan u, mensen, op, hoe een ieder altijd weer met nadruk op de gebreken van anderen pleegt te wijzen. Wij menen dat men dit vooral doet, wanneer men zich innerlijk van eigen gebreken maar al te goed bewust is. Men zou zelfs kunnen stellen, dat de wel zeer redelijke houding van het kabinet-De Quay in dit geval wijst op een zeer redelijke verhouding in Nederland tussen blanken en de leden van andere rassen. Toch is het belangrijk, dat de felheid waarmee men aanvalt, verklaard wordt. Dergelijke symptomen zien wij ook in het eigen leven van het individu regelmatig optreden. In de eerste plaats de “goedbedoelde verontschuldigingen van anderen” in termen als: “Nu ja, hij is een jood. Kom, dat moet je zo zwaar niet nemen. Hij is maar een Indonesiër. Och, het is maar een neger, dat moet je niet vergeten….” . Uitdrukkingen die u hier even vaak – of meer – zult horen als de uitdrukkingen: “Die vent is gek. Hij stemt VVD Zo stom als die, zou ik niet graag zijn…. . Dat stemt PvdA… .” Ik overdrijf hiermee misschien iets, maar geef tevens een voorbeeld van bepaalde tendenzen die door vele groepen in de wereld bewust – of onbewust – gesteund worden.

Ik hoop u ervan overtuigd te hebben dat publicaties en dergelijke vaak zeer eenzijdig zijn. De voorbeelden die ik noemde zijn slechts een benadering. U kunt deze zelfs met vele andere voorbeelden aanvullen. Verder meen ik te hebben aangetoond, dat hierbij in vele gevallen bewust – soms onbewust – sprake is van misleiding. Ook wanneer de misleiding in het begin bewust geschiedde, zien wij vaak dat zij uiteindelijk tot zelfmisleiding wordt. In kleine kring zien wij de enkeling ook vaak anderen misleiden om te eindigen met zelfs in eigen leugen te geloven. Waarom misleidt de mens zichzelf dan? Ik meen dat de doorsnee mens er moeite mee heeft de waarheid omtrent zichzelf te aanvaarden, zo deze hem al bekend is. Het is erg moeilijk om zelfs aan jezelf toe te geven, wie en wat je zelf bent. Moeilijker valt het nog, wanneer je toe moet geven dat je gefaald hebt, of wel de taak, waaraan je een groot deel, of zelfs heel je leven hebt gewijd, uiteindelijk onbelangrijk was. Een mens vreest de dood. Vertelt u mij niet dat u die dood niet vreest. Misschien bent u in staat de dood gelaten te ondergaan, gesterkt door innerlijk weten, of een geloof omtrent een hiernamaals, is het misschien gemakkelijker de dood te aanvaarden, maar een zekere vrees voor die dood blijft bij de normale mens bestaan. De mens zoekt onbewust duurzaamheid en bezit daardoor de neiging zich in zo blijvend mogelijke waarden binnen zijn wereld uit te drukken.

Hoeveel kinderen zeggen niet tegen hun ouders: Wanneer ik groot ben, zal ik een belangrijk – of een rijk – mens zijn. Als ik groot ben, zal ik iets doen, wat iedereen kan zien… . De mensen zijn innerlijk als deze kinderen. Zij willen gaarne hun stempel drukken op de wereld, waarin zij leven. Wanneer je nu toegeeft, dat je uiteindelijk weinig tot stand hebt gebracht, lijkt het leven opeens zo nutteloos en lijken de offers die je misschien hebt moeten brengen, zo overbodig. Juist hiervoor is menigeen even bang als voor de dood, vooral waar men het succes op een wat eigenaardige wijze pleegt te tellen. Sommigen tellen hun succes in guldens, anderen in ridderorden, weer anderen in gezag, of de eerbied die zij van hun medemensen mogen ontvangen.

Onbewust heeft men dan immers het gevoel dat men iets nalaat, wat door de dood niet kan vernietigd worden. Zo zoekt iedere mens naar een blijvend resultaat van zijn leven. Eigenaardig is hierbij, dat vooral in de laatste eeuw hierbij de nadruk steeds sterker is gaan vallen op stoffelijke bereikingen en resultaten. De gulden is langzaamaan meer waard geworden dan eer of aanzien.

De ontwikkelingen van de wetenschap in deze periode is naar mijn mening hieraan niet vreemd. Wanneer wij de huidige wetenschap bezien, kunnen wij haar splitsen in twee delen, die elk een eigen werkwijze schijnen te volgen. De eerste groep is het best te omschrijven met het woord methodiek, terwijl de tweede groep het best wordt omschreven met het woord inspiratie. De meerderheid van wat in deze dagen onder wetenschap wordt verstaan, behoort tot de eerste groep en gaat alleen uit van reeds gekende waarden. Men zoekt niet naar de oplossing van elk probleem, doch vindt het probleem in hetgeen wetenschappelijk reeds vaststaat, en zal van hieruit trachten het reeds bestaande verder uit te bouwen. Daarbij houdt de richting van de methodiek zich over het algemeen zeer strak aan bewijsbaarheid van stellingen en logica. De verklaring van de effecten zijn belangrijker dan de effecten zelf, die men alleen wenst te aanvaarden, wanneer een steeds herhaalbaar bewijs voor de bron ervan kan worden gegeven.

Nu zal niemand ontkennen, dat methodiek en bewijsbaarheid voor de groei der wetenschap belangrijk is, terwijl de logica, vooral bij een praktisch gebruik van het wetenschappelijk bewezene, onmisbaar is.

De tweede groep, de inspiratieve wetenschap gaat uit van aangevoelde affiniteiten, speculeert rustig op gevoelens en bereikt vaak veel belangrijker vernieuwingen dan de eerste groep. Nu de nadruk is komen te liggen op het praktisch bruikbaar zijn van alle resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, gaat de tweede groep teloor. Het vanuit jezelf zoeken naar een oplossing, het in en met jezelf worstelen om een nieuw begrip te vinden, staat steeds minder in aanzien. Commerciële mogelijkheden worden van groter belang geacht. Overal, ook in de wetenschap, zoekt de mens zijn aansprakelijkheid te ontlopen. Hij eist organisatie, steun, ongeacht verdienste en bovenal een mede-verantwoordelijk-zijn van anderen, die de draagwijdte van het wetenschappelijk bereikte zelden geheel kunnen overzien. Voorbeelden hiervan zien wij in het dagelijkse leven, wanneer kleine orkesten in nog kleinere plaatsen subsidies eisen, “omdat zij cultureel belangrijk zijn”. Ook hier een typisch afschuiven van de verantwoordelijkheid.

Opmerkelijk is de enige uitzondering van belang op deze tendens: de liefdadigheid, die in half georganiseerde vorm vele verantwoordelijkheden heeft leren dragen, die zij vroeger zeker niet aankon. Toch kan worden gesteld dat de doorsnee mens in deze dagen wordt opgevoed tot een scepticisme tegen alles wat niet bewijsbaar is, tegen alles wat je niet kunt verhandelen, of in beide handen pakken. In de opvoeding ligt de nadruk reeds op de uiterlijke waarden. Het is geen wonder dat de mens deze gedachtegang ook in het eigen leven in toenemende mate toe gaat passen: Wanneer niet uiterlijk blijkt wat je bent, ben je niets en zou je dus evengoed niet geleefd kunnen hebben. Wanneer niet uiterlijk gesuggereerd kan worden, dat dit of dat het geval is, spreekt men in vele gevallen niet eens meer over waarheid of onwaarheid. Dan is het eenvoudig niet zo.

Toch heeft de mens alleen werkelijke ruimte tot ontplooiing in het Ik. Men lacht er wel om, wanneer iemand zich van de gehele wereld niets aantrekt – of men klaagt zo iemand aan – maar zou in feite gaarne hetzelfde zijn en doen. Denk hier aan de individualisten van deze tijd, als de kunstenaar Jean Cocteau, een Einstein, een Schweitzer e.a. Dit zijn mensen die zich van de wereld weinig of niets aantrokken. Zij gaan hun gang naar eigen inzichten, zo goed als zij maar kunnen. Zij weten hun eigen wezen sterk kenbaar uit te drukken, ofschoon bij ontleding de waarde van hun leven vaak niet geheel te definiëren is. Zij zijn voor de wereld belangrijker dan de mens die naar een onmiddellijke en uiterlijke bevestiging van zijn bereikingen zoekt.

Het is dwaas jezelf tegenover de wereld steeds weer te adverteren als iets, wat je nog lang niet bent, maar hoopt eens te worden. Even dwaas als het is in plaats van feiten, je hoop voor de toekomst als enige waarheid aan anderen voor te houden. De doorsnee mens zoekt in deze dagen niet in de eerste plaats naar een innerlijke bereiking, of een persoonlijk bereiken, maar streeft naar erkenning door de massa. Misschien is juist uw tijd hierdoor er een van superlatieven geworden. Wat zou u hiervan denken: “Het grootste schouwspel ter wereld ooit vertoond, op super breed scherm in super de luxe kleuren met de langste vertoningsduur, die men tot op heden aandurfde. Een schouwspel dat vele miljoenen gekost heeft, waaraan wordt mee gewerkt door het grootste aantal artiesten aller tijden en de toeschouwer zozeer boeit, dat hij nog lange tijd na afloop niet weet, waar hij eigenlijk is”. U lacht er om? Leest u dan de moderne filmadvertenties maar eens na. Slechts zelden ligt de nadruk op de belangrijkheid van het onderwerp en de kunstzinnige vertolking. Zo men deze al noemt, komen zij toch in de tweede plaats. Het klinkt u misschien vreemd in de oren, omdat u op dergelijke termen niet meer gerekend hebt. In het normale leven ontmoet u deze overdrijving steeds weer, maar bemerkt haar slechts zelden.

Wanneer men u iets buitengewoons belooft, of een toekomstige regeerder belooft u wat hij allemaal zal gaan doen, dan zegt u automatisch al: “O, daar zal ook wel wat gelogen worden”.

Vele onwaarschijnlijkheden die men u steeds weer voorhoudt, hoort u niet meer, zozeer bent u hieraan gewend. Men heeft voor dergelijke verklaringen en reclames een grote tolerantie ontwikkeld, waardoor men een groot deel van de overdrijvingen – en sommige waarheden – à priori uitschakelt. Soms komt dit op komische manier tot uiting. In Nederland kwam een film in vertoning met de titel: “Mam’selle Striptease”. Iemand die de aankondiging zag, merkte onmiddellijk op: Misschien hebben zij bij de filmkeuring ervan genoten, maar wat wij ervan te zien krijgen, is die naam vast niet helemaal waard… De suggestie van de titel werd dus onmiddellijk terug gebracht volgens rede en logica tot het aanvaardbare en waarschijnlijke. Eenzelfde soort reactie zien wij in toenemende mate bij politieke redevoeringen, predicaties e.d. De mens zoekt naar een kern, men zoekt naar de waarheid die achter alle schijn verborgen ligt. Voor zich wenst men dit niet te doen en zoekt men steeds weer eigen illusies te handhaven. Voor zich droomt men steeds van grotere en grootsere dingen. In vele gevallen handelt men althans ten dele, alsof die dromen werkelijkheid zouden zijn. Men gelooft steeds maar te zijn, wat men zou willen zijn. Men verwacht dat anderen een dergelijke waardering zonder enige kritiek zullen aanvaarden.

Laat mij u een voorbeeld geven van de “April Fools in Life”. De Pietersens hebben geen geld om er een auto op na te houden. Toch heeft mevr. P. de heer P. geprest om ten koste van grote offers en vele zorgen een auto aan te schaffen. Deze wordt dan voor de deur geparkeerd en één, twee maal per week zorgvuldig opgepoetst. Misschien is het ten koste van slechte voeding en bekrimpen ook nog mogelijk eens per maand gloriërend voor enkele uren te rijden. Voor deze mensen is belangrijkheid identiek met rijkdom. Dit laatste wordt gesymboliseerd door de auto.

Men vraagt zich niet af, wat het bereiken van dit symbool in feite aan offers, kracht en zenuwspanningen kosten zal. De P’s zijn tot slaven van hun imaginaire belangrijkheid geworden.

De aardappelen halen in een vioolkist is wat uit de mode geraakt. Maar vele arbeiders gaan eerst huiswaarts, nadat zij hun werkkleding in een deftige aktentas hebben geborgen en zich een heerachtig uiterlijk inclusief witte boord hebben aangemeten. Het is alsof zij zich schamen voor de vuile handen die zij met eerlijke arbeid kregen, en willen doorgaan voor meer dan zij in feite zijn. Is hier sprake van een onbewuste drang mee te tellen in de wereld, je stempel op je eigen kleine wereldje te zetten en anderen afgunstig te maken? Welke andere reden kan men hebben om in eigen kring te streven naar een méér lijken, dan je bent? Zoekt de mens op deze wijze niet een droom van onsterfelijkheid voor een ogenblik te beleven, terwijl hij weet dat deze nooit in feite gerealiseerd kan worden?

Wanneer dit alles alleen zijn uitwerkingen zou hebben op stoffelijk terrein, zou ik hieraan niet zo veel woorden besteden. Maar deze dwaasheid zet zich ook voort op mentaal en zelfs op zuiver geestelijk terrein. De mentale parvenu is nog kenbaar en vliegt er nog wel eens in. Deze laat zich vaak verleiden, tot ontstellende opmerkingen als: “Op een spinet klinkt het wel mooi, maar op aspedistra klinkt het toch fraaier”. Zo iemand tracht verstandelijk boven zijn stand te leven, gebruikt niet alleen vreemde woorden die hij niet begrijpt, maar piekert ook onnodig over problemen die hij maar ten halve door heeft. Dit alles alleen om zich aan anderen te laten zien, hoever zijn verstandelijke vermogens wel ontwikkeld zijn.

Daarnaast ontstaan droombeelden die aanleiding kunnen zijn tot haast fatale misvattingen in het dagelijkse leven. Deze verwarring die voor de stoffelijke beschouwer ten hoogste vermakelijke vergissingen te zien geeft als een “wel gecondoleerd” op een bruiloft, voert tot andere en ernstiger dingen. Deze mensen denken immers. Gedachten zijn krachten. Daarbij maken zij zichzelf wijs, dat zij weten. Zo ontstaat vaak een verwarde gedachtewereld, die astraal de meest eigenaardige gevolgen kan hebben. Zij vellen oordelen en verwachten dat anderen naar dit oordeel ook zullen handelen. Zij stellen hun oordeel als onfeilbaar, ofschoon er geen enkele werkelijke waarde aan hun oordeel kan worden gehecht. Dit brengt hen niet alleen steeds weer in allerhande perikelen, maar geeft hen bovendien een geheel vals beeld van de wereld en hetgeen zij in die wereld zelf betekenen. Bij overgang voert dit tot een hanteren van verkeerde maatstaven, met alle gevolgen van dien.

Geestelijk zien wij hetzelfde. De uiterlijke kentekenen vinden wij bij mensen die in feite geheel niet helderziende zijn, maar zich toch genoopt voelen met een wat verwezen gezicht rond te kijken om op te merken: Wat doet die grote zwarte hond hier, zou die van jou geweest kunnen zijn? Zolang dit niet verder gaat, is het nogal onschuldig. Men doet dit om anderen te laten zien, dat men geestelijk toch wel wat betekent. Op den duur schept men zich een droomwereld vol chimaera’s en meent dat deze werkelijke geesten zijn, die men werkelijk ziet. Men schept zich werelden vol lichtende figuren en komt soms onder invloed van deze waan tot dingen die bedenkelijk dicht bij sacrilegie liggen. Dan ziet men geen honden meer. Dan vertelt men: Toen ik vannacht in bed lag, verscheen opeens de Here Jezus… . Je weet in je meer eerlijke ogenblikken wel, dat het niet zo was. Maar je voelt je er belangrijk door en overtuigt jezelf tegen beter weten in.

Op deze wijze gaan sommige mensen de reële wereld geheel verlaten. Zij komen aandragen met hier en daar opgevangen brokken van wijsheid, leggen die in de mond van niet reëel bestaande geestelijke meesters en maken zich daardoor in de ogen van anderen en uiteindelijk ook in eigen ogen onfeilbaar. De meest verwarde inzichten en de meest betreurenswaardige stoffelijke en geestelijke resultaten kunnen hieruit voortkomen. In alle aspecten van het hedendaagse leven zien wij mensen die zichzelf en anderen ijverig bedriegen, mensen die in een schijnwereld leven om zo aan hun angsten te ontvluchten en belangrijkheid te winnen in een wereld, die niet eens zo bestaat, als zij deze menen te kennen. Begrijpt u nu de toepasselijkheid van mijn in het Engels gestelde ondertitel: “The Coming of the April Fools”?

Het zelfbedrog neemt in deze wereld steeds toe. Ik weet wel dat dit zelfbedrog vanuit vele kanten wordt gestimuleerd. Toch vraag ik mij af of de mens niet de plicht heeft – en niet alleen maar het recht – om steeds weer terug te keren tot de eerlijke waarheid omtrent zichzelf en steeds weer zich in waarheid voor ogen te stellen, wat hij is en wat hij kan? Meent u ook niet dat het de plicht van de mens is in het leven, in de praktijk en uit bestaande mogelijkheden, stoffelijk en geestelijk, zoveel mogelijk voor zich te gewinnen. Nu kan de waan, de droom, ons helpen. Ik kan niet ontkennen dat de waan en de droom voor enkelen zeer belangrijk en goed kunnen zijn. De belangrijkheid ontleent deze dan aan het feit dat zij de mens in staat stellen moeilijkheden te overwinnen. Zelfsuggestie kan de mensen soms redden van geestesziekten en levensmoeheid. Dit geldt niet voor allen. De doorsnee mens verkeert in omstandigheden, waarin een zo reëel mogelijk stoffelijk en geestelijk leven noodzakelijk is. Men moet tot zelfstandigheid komen, een persoonlijk geestelijk en stoffelijk leven nastreven.

De belangrijkheid van de wereld en alles wat daarmee samenhangt, is voor de mens en voor de geest zeker niet gelegen in wat anderen zeggen. Op het ogenblik kankeren de mensen tegen de atoombom. Zij hebben daarbij in zekere mate gelijk. Maar indien zij daarom de ontdekkers daarvan willen veroordelen, is dat dwaas. De ontdekking was onvermijdelijk; bovendien vergeet men al te vaak dat de mens, dank zij deze ontdekkingen, machtsmiddelen in handen heeft gekregen, die hij ook ten goede zal en kan gebruiken. De mens denkt soms zo eenzijdig en onredelijk. Hij weigert beide zijden van de zaak te zien. Dit moge blijken uit een iets ouder citaat: Een prediker riep uit: “Judas, de verwerpelijkste onder de apostelen, moet wel een prooi van de duivel geweest zijn, anders had hij zijn Meester niet verraden”. Mogelijk is dit waar. Maar het staat hier niet aan de mens om te oordelen, daar zonder een Judas het gehele kruismysterie er niet geweest zou zijn. Zonder Judas zou zeer waarschijnlijk het christendom niet eens bestaan, zoals het heden bekend is. Judas was eerder een noodzakelijke pion op het schaakbord der eeuwigheid, die geofferd werd. Geen mens heeft het recht te oordelen, of te veroordelen. Want velen zijn, bewust of onbewust, als deze Judas. Wij kunnen alleen hopen, dat, wanneer wij voor een dergelijke keuze komen te staan, wij de waarheid zullen kunnen zien en niet verblind worden door een droom zoals Judas, die droomde een macht achter de troon te zijn, wanneer Jezus door zijn verraad gedwongen, eindelijk zijn plaats als “Vorst der Wereld” zou hebben ingenomen. Laat ons hopen dat wij, wanneer het er voor ons op aan komt, reëel kunnen zijn en niet het beste en heiligste wat ons rest, verraden, om daardoor een imaginair iets te bereiken.

En op een pottenbakkersakker te eindigen, zij het misschien meer geestelijk. De achtergronden van het menselijke denken zijn vaak vreemd. Vreemder misschien dan men durft denken, omdat de doorsnee mens niet eens goed beseft wat nu eigenlijk zijn beweegredenen zijn. Een voorbeeld hiervan vinden wij in de gewoonte van de mens vele dingen te verheerlijken, die in feite slechts instinctief en gans natuurlijk zijn. Evenals de mens er toe komt om andere dingen af te keuren en te verwerpen in het openbaar, maar deze in het geheim na te streven, omdat deze waarden niet verloochend kunnen worden, daar zij al even zeer instinctief en natuurlijk zijn. De mens stelt zich al te graag voor als de arbiter die oordelen zal over de wetten der natuur. Maar vrienden, wie kan oordelen over de wetten der natuur, die men niet, of slechts zeer ten dele kent? Wie kan oordelen over de waarde van vele dingen, wanneer hij weigert de oorsprong daarvan in te zien?

Ik kwets misschien velen onder u, wanneer ik stel dat de moederliefde in de eerste plaats een dierlijk instinct is. Toch is dit een aantoonbaar feit. De wolvenmoeder is even goed voor haar welpen, als de mensenmoeder voor haar kind en is daaraan, zolang zij in kind-moederrelatie tot elkaar staan, ook evenzeer gehecht. De mensaap – een chimpansee bv. – behandelt haar kind even goed en vaak haast op dezelfde wijze als een vrouw, tot het trainen van het kind en het leren lopen toe, compleet met het ook bij mensen zo gebruikelijke knuffelen en aanhalen. Dit wil niet zeggen, dat moederliefde niet meer kan zijn dan dit. Ik wijs er alleen op, dat veel van hetgeen als opofferende moederliefde wordt geprezen, in feite niets anders is dan het uitleven van een instinctieve drang. Zij moet dan ook worden aanvaard als een natuurlijk verschijnsel en mag niet worden gezien, noch door de moeder, noch door anderen, als een bijzondere verdienste. Pas daar, waar de gedachten van zelfopoffering ook na het ophouden van de kind-moederrelatie – dus wanneer het kind zelfstandig is – verder bestaat en dus mentale processen een grote rol spelen, onderscheidt zich de menselijke moederliefde van de dierlijke.

Hetzelfde geldt voor begrippen als kuisheid, trouw, e.d. Wij treffen die ook bij bepaalde diersoorten aan als deel van het instinct. Wanneer men zich daarop gaat beroemen, beroemt men zich alleen op een eigen neiging, die niet uit zelfoverwinning, maar uit erfelijke aspecten voortvloeit. Men kan stellen, dat genoemde deugden in vele gevallen geen deugden zijn, maar alleen het gevolg van een persoonlijke of raseigenschap die aan het instinct grenst en erfelijk kan worden overgedragen. Wanneer deze deugden ook in gedachten, dus gans mentaal, blijven bestaan en ongeacht het al of niet aanwezig zijn van gelegenheid – of partner – blijven bestaan, winnen zij aan betekenis. Overigens gaat het hier niet in de eerste plaats om de inhoud, die men aan deze begrippen pleegt toe te kennen, maar voornamelijk om de waarden die men zelf daaraan praktisch weet te geven. Degenen onder u die wat ouder zijn, kunnen, wanneer zij eerlijk zijn, voor zich wel vaststellen: “Het was alleen maar gezellig en aardig om de stoffelijke aspecten ” of, wanneer zij werkelijk gelukkig zijn geweest: “Het uiterlijk was wel aardig, maar er was iets meer, iets innerlijks, wat nooit werkelijk naar buiten kwam”. Dit is vaak kenbaar in een wederzijds begrip, een aanvoelen, de spontaniteit die tevens een sterk aanvoelen van de andere te zien gaf, veel sterker dan redelijk verwacht kon worden.

Wanneer je dit overweegt, kom je waarschijnlijk – evenals ik – tot de conclusie: De mens heeft te zeer getracht alle dingen in het leven als een redelijk proces te zien. Doordat hij dit deed, heeft hij bepaalde natuurwetten geschonden, of ontkent, anderzijds vaak tegen de natuur in bepaalde regels en wetten voor zichzelf gesteld. Het gevolg hiervan is, dat hij steeds weer in verwarring komt en voor vele problemen komt te staan, die een oplossing eisen. In de meeste gevallen zoekt hij naar de oplossing van de vraagstukken die hem kwellen, een rationalisatie, die geen werkelijk redelijke basis heeft. Hij zoekt deze heel vaak door eigen wezen verkeerd voor te stellen en zich te bedriegen omtrent de waarde van de daden en het leven van anderen.

Misschien is dit onderwerp voor u niet zo aangenaam, maar ik meen dat het een beschouwing waard is. Wanneer, mijne vrienden, u in het leven steeds weer af blijft gaan op de waardemeters buiten je en daarvoor eigen innerlijke waarden gaat veranderen of perverteren, ben je toch eigenlijk een Aprilfool, een dwaas, die zich steeds weer door anderen laat bedriegen en misleiden. In elke mens vinden wij grote reeksen van eigenschappen, waarvan de meesten goed zijn. In elke mens vinden wij zeer vele kwaliteiten, die niet onmiddellijk – soms zelfs nooit – naar buiten treden en toch kostbaar zijn, boven alle stoffelijke mate. Denk nu maar eens aan de verrassingen met de nozems. Als ik mij niet vergis, hebben deze nozems in hun smalle broekjes en zwarte vesten, waarvan niemand iets goeds pleegt te verwachten, heel wat gepresteerd bij de “Doc-open” actie en daarmede getoond dat zij wel degelijk ook voor goede dingen, voor het geluk van anderen, warm kunnen lopen. Dat zijn verborgen eigenschappen.

Indien wij alleen afgaan op de eigenschappen waarmee de mensen adverteren, lopen wij vast. Wanneer wij alleen willen leven volgens de eigenschappen die wij aan de buitenwereld tonen, komen wij er niet. Wanneer wij voortdurend zeggen sterker te zijn, dan wij in feite zijn, wanneer wij steeds voorgeven edeler te zijn, dan wij kunnen zijn, anderen wijs maken, dat, wat wij denken – en waaraan wij innerlijk wel eens twijfelen – zonder meer de absolute waarheid is, zijn wij verloren. Stoffelijk, doordat wij uiteindelijk niet meer tegemoet kunnen komen aan de dingen die de wereld ons aan de hand van het getoonde stelt.

Geestelijk is het nog erger, want misschien mag het u op aarde gelukken anderen te bedriegen omtrent uw wezen. Hier kunt u misschien met uw omzwenken van het een naar het andere, met uw grote woorden of krachtproeven, menigeen een rad voor de ogen draaien. Maar zo dadelijk staat men zonder deze hulpmiddelen van de stof in de geest. Daar sta je niet als hetgeen je dacht te zijn, of anderen deed geloven, wat je was. Daar sta je steeds weer als jezelf, zonder meer. Misschien behoudt u uw dromen en waan. Maar wanneer u dit, ondanks alle Licht, toch doet, zult u juist daardoor de werkelijke waarde en vreugden van een voortbestaan niet kennen. Maar zelfs indien u niet aan een voortbestaan kunt geloven, zou ik u nog willen vragen: is het werkelijk de moeite waard je ware geluk te verspelen en voor een mogelijke eeuwigheid bovendien nog risico’s te lopen, alleen maar om een extra complimentje, een extra tikje aan de pet, of een mooie medaille op je buik? Bedenk wel: Ook voor uw geluk op aarde is het belangrijk niet de dwaas te zijn, die zichzelf veel voorspiegelt en ieder ander gelooft, omdat het geloof zo aangenaam lijkt… . U bent reële mensen in een voor u reële wereld. Mensen met eigen waarheid, eigen leven, eigen verantwoordelijkheid en een eigen doel. Handel dan naar hetgeen je bent, niet naar een droom, of om een angst te ontgaan, die door elke ontwijking meer invloed op je krijgt.

Er zijn mensen die veel te zeggen hebben en toch zelden spreken, omdat zij aannemen dat anderen ook belangrijke dingen te zeggen hebben. Er zijn ook mensen die in feite niets te zeggen hebben. Het zijn juist dezen, die het langste aan het woord plegen te blijven.

Vragen.

  • Ben je na de overgang bevrijd van deze begoocheling, of komt zij ook dan nog voor?

Over het algemeen komt zij niet meer voor, nadat je erkend hebt wat de geestelijke waarheid in feite is. U kunt dit het Licht Gods noemen, het betreden van het Vaderhuis, of het betreden van het Koninkrijk Gods. Wanneer je de waarheid, die geestelijk bestaat, aanvaardt, zal je daardoor natuurlijk niet opeens alle dingen weten. Je bent niet opeens volmaakt. Maar je zult wel degelijk jezelf erkennen voor wat je bent. Hierdoor kun je juister streven en in steeds grotere mate deel hebben aan het Licht, Gods waarheid steeds beter beseffen, Gods openbaring steeds beter in jezelf bevatten. Op het ogenblik dat je de geestelijke waarheid terzijde stelt, komt de zelfmisleiding steeds sterker naar voren. Verkennende werelden, zoals Zomerland – en de vele lagere sferen – zijn werelden, waarin de gedachten vormbepalend werken. Het gevolg is dat zelfmisleiding wel degelijk mogelijk is. Hoe meer men open staat voor anderen, hoe geringer de mate waarin deze misleiding geschieden zal.

Gaat men naar de duistere werelden, waarin immers het individu zeer sterk besloten blijft in eigen wensen en angsten, dan zien wij zelfmisleiding in zeer sterke mate optreden. Het gevolg hiervan is, dat men zich in deze werelden steeds anders tracht te tonen dan men in feite weet te zijn. Hoe dit mogelijk is? Ik wil u hier herinneren aan een schrijver die stelde: “De Faust is een meesterwerk, maar in de figuur van Mefistofeles heeft Goethe zich vergist, want wat werkelijk kwaad is, zal trachten zich zo goed mogelijk voor te doen. Een werkelijke duivel laat geen emblemen als horens en bokspoten zien”. Naar mijn mening had hij gelijk, want je wilt zelfs in de duistere werelden voor goed doorgaan. Vandaar dat juist geesten die uit het duister komen, zich graag aankondigen als iemand die heel belangrijk is. Zij geven vaak heel wat strengere zedenlessen dan de verlichte geest. Ook kondigen zij zich vaak aan als beroemde personen als Alexander de Grote, Napoleon, of Nero. Zij kunnen gemakkelijk worden herkend, daar zij niet in staat zijn logisch te zijn en van hun onmacht voortdurend sterker blijk geven, als zij worden gedwongen te tonen, dat zij de eigenschappen bezitten, die zij anderen zeggen te zullen geven. Daarbij zullen zij, wanneer het om meer abstracte problemen als goed en kwaad of godsdienst gaat, zich meestal “plus royaliste que le roi” tonen.

  • U citeerde de heer C. Had hij daarmee naar uw mening gelijk?

Als communist wel, maar de communist gelooft niet aan God. Hij ziet niet het grotere verband der Schepping en beseft niet, hoe belangrijk het is dat alle wezens binnen de Schepping een zo groot mogelijke kosmische eenheid bereiken. De christen beseft dit wel. Vandaar mijn opmerking omtrent de stammen in de oudheid met hun “oog om oog, tand om tand”. Zoals u misschien hebt bemerkt, stelde ik het christendom als zijnde de blijk van een hoger bewustzijn daarboven. Voornoemde geschillen zijn tevens de werkelijke verschillen tussen communisme en christendom. De communist heeft een ideaal. Hij wil een ieder geven, waar hij recht op heeft, door de gemeenschap als enige waarde te erkennen. De christen daarentegen weet, dat hij allen gelijkelijk lief moet hebben.

  • Hoeveel werkelijke christenen bestaan er op de wereld?

Hoeveel communisten geven werkelijk alles, wat zij bezitten ten bate van anderen? De grote zelfmisleiding wordt hier kenbaar aan het feit, dat de mens idealen niet beoordeelt naar hun werkelijke, vaak theoretische blijvende inhoud , maar naar de uiterlijke tekenen die zich aan hem tonen in de vertegenwoordigers van deze idealen. Daarnaast blijkt dan nog, dat hij – in overeenstemming met eigen belangen en instelling voor het uiterlijk kenbare – een eigen interpretatie weet te vinden. Wanneer bv. een priester zou falen, zou men onmiddellijk geneigd zijn te zeggen: “Dit is dus de kerk?” Maar in feite is er alleen maar sprake van een mens die gefaald heeft in het volgen van de stellingen die de kerk uitmaken, waartoe hij behoort. De daad van de priester maakt dus de kerk niet beter, of slechter. Dit geldt voor elk ideaal evenzeer.

De conclusie is dan ook gewettigd, dat de mens, ofschoon hij redelijk abstract kan denken, niet in staat zal zijn een werkelijke scheiding te maken tussen een abstracte stelling en een gedeeltelijke realisatie daarvan in de wereld. Voor zijn bewustzijn zijn deze beide dus onverbrekelijk verbonden, wat niet waar is. Om bij het beschouwen van stellingen tot een menselijk redelijke conclusie te komen, dient men niet de eventuele resultaten daarvan in de praktijk te zien, maar aan de hand van een voor zichzelf beschouwen en toetsen te komen tot een voor het ik geldende mening omtrent de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid ervan in de praktijk. Acht men de stelling aanvaardbaar, dan zal men daarmee moeten werken en deze in de praktijk moeten brengen, ongeacht het al dan niet op deze wijze reageren van anderen, die menen een groter inzicht te hebben en met meer recht de abstracte stellingen aan anderen te verkondigen.

  • Mijn gedachten dwalen af naar het tegenwoordig zo vaak voorkomend aankondigen van een overlijden onder bijvoeging van de woorden: de begrafenis heeft in stilte plaats gehad. Is hier een samenhang?

Er is inderdaad – zij het zeer ver – een verband met het onderwerp. Dit in “stilte” heeft namelijk een vreemde achtergrond. Wanneer een begrafenis openbaar is en velen daarbij misschien spreken, zo is dit een publiek gebeuren. De dode is door zijn dood a.h.w. eigendom geworden van al degenen die hem of haar eer komen bewijzen. Voor degenen die zich met de overgegane nauw verbonden achten, is er geen sprake meer van enig voorrecht, maar eerder van een onaangename taak. Men wenst in de familie vaak de bezitsrelatie zo lang mogelijk in stand te houden en tracht dit te bereiken door de openlijkheid uit te sluiten, waardoor de intimiteit van het gebeuren voor hen een bijzondere beleving en soms zelfs een bijzondere troost kan worden. Men weert anderen van het toneel van eigen smart, ontdoet zich van de noodzaak tot beheersing, terwijl men zich tijdens de plechtigheid eerlijker en daardoor intenser één kan gevoelen met het gebeuren. De doorsnee mens voelt dit natuurlijk niet bewust zo aan. Een andere reden voor deze woorden ligt wel in het feit, dat men de last van een openbare begrafenis niet wil hebben, omdat men voor de overgegane maar weinig belangstelling heeft.

Ook tracht men daardoor vaak te voorkomen, dat een ander voordeel zou kunnen trekken van het overlijden. In de meeste gevallen is er een achtergrond, die vaak tot het onderbewuste behoort. De rationalisatie is dan meestal zelfbedrog.

  • Als de overledene dit nu zelf wenst? Wanneer hij voelt niet belangrijk te zijn en waar wil zijn?

Als hij waar wil zijn, moet hij dit zeker niet op deze wijze doen: wanneer men dood is, heeft men er niets meer aan, wanneer men bloemen krijgt. Voor velen in de stof is het toch een behoefte, hetgeen die mens voor hen betekend heeft, nogmaals uit te drukken in bloemen of woorden. Wanneer de persoon zelf dit stelt, vraag ik mij af, of hier geen misverstand in het spel is. Men spaart hiermede niemand iets, maar ontneemt wel anderen de mogelijkheid om een laatste maal hun waardering uit te drukken. De begrafenis is niet iets, dat plaats vindt voor de overgegane. Die bemerkt daarvan heel weinig en zal, wanneer hij bewust genoeg is, er hoogstens eens naar gaan kijken. Zij is er voor de nabestaanden. Degene die dus de omstandigheden van zijn eigen begrafenis wil bepalen, zal hier wel rekening mee moeten houden.

  • Vindt men het prettig na de overgang bloemen op het graf te zien, die met liefde door vrienden gegeven zijn? Heeft het opdragen van missen nut?

Het eerste is vaak inderdaad waar. Het vraagt een zeker bewustzijn om de begrafenis bij te kunnen wonen, zonder de angst te kennen: Ik leef nog en nu word ik onder de grond geduwd…. De vreugde die dit kan geven, is wel sterk afhankelijk van het geestelijk bewustzijn van de overgegane. Missen hebben inderdaad waarde, indien voor de overgegane dit gebed een directe kracht uit de hemel is. Indien de overgegane hierop prijs stelt, heeft men mijn inziens geen recht hem of haar dit te onthouden. Het feit alleen reeds, dat waarde hieraan wordt gehecht, geeft de persoon voor wie de mis wordt gelezen, kracht en bevestigt zijn bewustzijn van persoonlijk bestaan. Ik oordeel hier niet over de feitelijke waarde van bepaalde tendensen, doch stel, dat elke soort van gebed e.d. voor de overgeganen, die waarde hieraan hechtten bij hun leven, ongetwijfeld belangrijk zullen zijn. Zelfs indien men daarin zelf niet gelooft, lijkt het mij dus goed in de geest van de overledene misoffers op te doen dragen, gebeden te doen zeggen, of wat in de godsdienst gebruikelijk is, waarin de overledene geloofde.

  • Worden de in: “Tekenen aan de hemel” genoemde afbeeldingen in wolkenformaties bewust gevormd? Zo ja, door wie, of zijn het slechts interpretaties van de waarnemer op toevallige vormen?

In 9 van de 10 gevallen is inderdaad sprake van toevallige formaties, waarbij de vorm dus door zuiver natuurlijke oorzaken ontstond. Degenen die zich in hun jeugd wel eens de moeite hebben getroost wolkjes te kijken, herinneren zich waarschijnlijk wel, hoeveel vormen daarin op een gegeven ogenblik te zien zijn. Die vormen hadden niets met heiligen of verschijnselen te maken. Wanneer een dergelijke vorm ontstaat, moeten we dus steeds stellen dat zij zeer waarschijnlijk langs natuurlijke weg is ontstaan. Dit blijkt uit het betrekkelijk snel vergaan van het beeld. Daarnaast komt het – ofschoon slechts zelden – voor, dat een dergelijke formatie wordt gevormd door sterk bewuste geesten op aarde. Hierbij speelt de gedachtekracht een rol en blijft de vorm behouden, zolang degene die haar veroorzaakte, in concentratie blijft. Dan kunnen dergelijke vormen ook nog door meer bewuste geesten worden veroorzaakt, die dit meestal doen door het manipuleren van lucht- en water elementalen.

  • Niemand kan precies vertellen, wat er in Grieks vuur zit. Is het geheim geheel verloren gegaan?

Het ligt er maar aan waar je dat Griekse vuur wilt zoeken. Het Griekse vuur dat de Griekse jongeling voor de Griekse maagd koesterde, is nog steeds bekend, ofschoon de bestanddelen daarvan niet direct te rubriceren zijn. Wanneer u het Griekse vuur bedoelt, dat als ballen werd geworpen en ook wel als pijlkraag werd gebruikt, om brand en verwarring bij de vijand te stichten, dan kan ik u wel vertellen, dat hierin, naargelang de veldheer die het gebruikte, o.m. pek verwerkt werd, fosfor, benzoë-extract. Het mengsel was vaak gedrenkt in ruwe olie. Als vervanging voor het laatste werd wel vet gebruikt, ook werd zwavel toegevoegd.

In Klein-Azië en Azië werd daarnaast ook nog wel natuurlijk asfalt gebruikt als massa. Fosfor, zwavel en natuurlijke nitraten maakten de hoofdbestanddelen uit van het geheim. De massa werd onder olie bewaard en gebruikt als massa op ballenwerk, of in vaatwerk, waarbij de massa afgedekt bleef door olie tot het vaatwerk brak. Zwavel werd hoofdzakelijk gebruikt om de paniek verwekkende rook en de dampen, die, zoals men weet de mensen benauwd maken, of benauwd kunnen maken. Overigens zal ik het oorspronkelijke recept niet verder nazoeken, daar er tegenwoordig soortgelijke recepten bestaan, die in hun werking verschrikkelijker zijn.

  • Hoe komt het dat moorden vaak tijdens volle maan worden bedreven? Heeft de maan inderdaad zo een grote invloed?

De maan heeft inderdaad zeer grote invloed. In de eerste plaats is de invloed van de zwaartekrachtvariaties die zij op aarde veroorzaakt natuurlijk merkbaar. Dit is voor maanzieken van geen belang. Wat hen betreft, is het licht van de maan. Het maanlicht is – zoals u weet – zonlicht, dat door de weerkaatsing zeer eigenaardige eigenschappen krijgt. Het is zelfs enigszins gepolariseerd. Hierdoor ontstaat een sfeer van onwezenlijkheid. Degenen die voor de werkingen van dit licht bijzonder vatbaar zijn, zullen zich onder de invloed van dit licht dan ook sneller opwinden. Deze opwinding kan natuurlijk verschillende kanten uitgaan. Wij weten dat de maan op het ontstaan van verlovingen een gunstige invloed kan uitoefenen. In enkele gevallen – bij niet stabiele mensen – veroorzaakt zij een tijdelijk wegvallen van de rede.

Verder kan worden gesteld dat de maan in vele gevallen – vooral ook weer het maanlicht – invloed kan uitoefenen op het zenuwstelsel van normale mensen. Hierdoor ontstaan dromen, maar kan ook een zekere bandeloosheid ontstaan. Onredelijkheid hangt vaak met de maanstand samen. De normale redelijke beperkingen die aanwezig zijn en de remmingen die de mens tot een aanpassing aan de maatschappij brengen, vallen dan weg.

Heeft men reeds een emotionele aanleg en is men – bv. door haat – reeds niet geheel normaal, dan kan de maan een soort amok veroorzaken. Daarbij kan sprake zijn van een overlegd moord en vaak wraakoefening of lust, terwijl ook het amoklopen optreedt, waarbij dus de moordenaar moordt zonder aan eigen veiligheid te denken. Blijven echter bepaalde aspecten van de rede gehandhaafd, dan zal de mens die onder invloed van het maanlicht moordzuchtig wordt, zich aan de consequenties van zijn daden trachten te onttrekken.

De aanvallen zijn schijnbaar op willekeurige personen gericht. Sommige geesteszieken zijn voor het maanlicht wel zeer gevoelig en worden rond de tijd van volle maan – 2 à 3 dagen – onrustig en gevaarlijk. Wanneer men dezen bloot stelt aan licht, dat in het merendeel der waarden op het maanlicht gelijkt, zien wij deze zieken ook onrustig worden. Vaak zullen zij trachten hun eigen problemen – redelijk of niet – op te lossen op een manier die een normaal iemand niet direct aangenaam, of redelijk vindt. Wij zien bv. mensen die vrouwen haten en onder invloed van de maan tot vrouwenmoordenaars worden. Ook vinden wij moordenaars die hoofdzakelijk – of uitsluitend – de beoefenaars van een bepaald beroep achtervolgen. Hierbij is opmerkelijk dat de invloed van de maan bij zware bewolking klaarblijkelijk aanmerkelijk minder is. Indien de mensen weten dat hun kwaal – of moordlust – met de volle maan samenhangt, zullen door het verwachten van deze invloed de toestand van onredelijkheid en opwinding langs mentale weg ook oproepen, wanneer de maan niet zichtbaar is en zelfs de suggestie dat het volle maan is – terwijl dit niet zo is – als aanleiding van hun uitbarsting gebruiken. De laatste groep omvat een in verhouding klein aantal gevallen. Verder kan worden gesteld dat de maan in vele gevallen – vooral ook weer het maanlicht – invloed kan uitoefenen op het zenuwstelsel van normale mensen. Hierdoor ontstaan dromen, maar kan ook een zekere bandeloosheid ontstaan. Onredelijkheid hangt vaak met de maanstand samen. Van de invloed die de maan heeft op dromen, maakte men in de oudheid wel gebruik om mensen die ziek waren, hun eigen diagnose te laten stellen. Hiertoe deed men hen inslapen in het licht van de volle maan. De invloed van het licht en de onwezenlijke sfeer, versterkt door bepaalde dranken, maakte een sterke binding tussen bewustzijn en onderbewustzijn mogelijk, waardoor de patiënt in vele gevallen symptomen en oorzaken aan kon duiden die voor een meer natuurlijke geneeswijze zeer belangrijk waren. De priester-geneesheren van verschillende godsdiensten maakten dan ook van deze mogelijkheid gebruik.

  • Is de levensloop van de mens reeds bij de geboorte vastgesteld, of heeft de mens deze in eigen hand?

In grote lijnen kan bij de geboorte inderdaad wel de vermoedelijke levensloop worden vastgesteld. Zij is onder meer afhankelijk van de genetische waarden die in het lichaam aanwezig zijn, het bewustzijn van de geest die incarneert, het milieu waarin men geboren wordt, de gebruiken en structuur van het land, waarin de geboorte plaats vindt. Daarbij wordt de levensloop nog beïnvloed door de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis in de tijd van het land. Het is niet mogelijk het verloop van een mensenleven bij de geboorte helemaal en met volkomen zekerheid vast te stellen. De doorsnee mens zal in grote lijnen het pad, dat bij de geboorte reeds kan worden voorzien, volgen. Kleine afwijkingen daarop zijn regel. De bewuste mens is in staat zelf alle genoemde waarden te overwinnen en door zijn persoonlijke, lichamelijke, geestelijke en mentale ontwikkeling zich een gans ander lot af te dwingen, dat zelfs een ander levenseinde en een andere tijd van leven in kan houden.

  • De vorige week werd gezegd, dat Thomas evenmin als de andere evangelisten zelf tot de apostelen behoorde.

De apostelen waren over het algemeen eenvoudige mensen. Zij spraken dus wel over Jezus leven, maar waren zeker geen schrijvers. Zolang er kleine christengemeenschappen waren, bleek het persoonlijk contact met de apostelen een mondelinge overlevering meer dan voldoende. Eerst toen het christendom zich in meerdere, ver van elkaar gelegen plaatsen aanmerkelijk ging uitbreiden, werd het noodzakelijk de geschiedenis van Jezus leven meer vast te leggen. In de periode van 60 tot 200 n. Chr. ontstonden dan ook vele onderling vaak enigszins verschillende evangeliën, die enkel dus een afzonderlijke versie gaven van Jezus leven. De vier evangelisten die uiteindelijk door de kerk als de ware erkend zijn, waren zelf geen apostelen. Zij behoorden tot degenen die van Jezus leerlingen veel over Diens leven vernomen hadden. Daarnaast hadden zij vaak naast het horen van deze verhalen zelf nog onderzoekingen gedaan en studies gemaakt van Jezus leven en de profeten, waardoor zij Jezus Messias-zijn meenden te kunnen bewijzen, of nadruk te kunnen leggen op Zijn Goddelijke afkomst. Het is met zekerheid vast te stellen dat de evangeliën, zelfs de apocriefen, op zijn vroegst worden geschreven rond 30 jaar na Jezus dood. De apostelen waren toen reeds grotendeels dood, of zeer oud. Het is misschien aardig er op te wijzen dat de z.g. brieven van de apostelen, uitgezonderd enkele brieven van Paulus, niet door de apostelen zelf werden geschreven, maar in grote lijnen aan secretarissen werden gedicteerd.

Hieruit zult u kunnen begrijpen dat het niet redelijk is te zeggen: Dit is een evangelie, dus stamt het van een apostel… . Indien wij hierbij de vraag van eventuele Goddelijke inspiratie buiten beschouwing laten, kunnen wij, gezien de tijd waarin zij werden vastgelegd, wel zeggen, dat zij een weerspiegeling zijn van hetgeen de apostelen aan de gelovigen over Jezus leven – dus in feite overlevering – korte tijd na de feiten, maar zonder persoonlijk kennen, daarvan vastgelegd werd. In haast alle grotere christengemeenschappen werden op deze wijze de evangeliën beschreven. Het wordt begrijpelijk, dat men, uit een dergelijke menigte van geschriften, die vaak beïnvloed waren door de inzichten van de plaatselijke overheden op kerkelijk gebied, een keuze moest doen en enkele van deze geschriften als de enig juiste aan moest wijzen. De resterende geschriften mochten wel gebruikt worden, maar werden niet als onomstotelijk  waar en voor kerkelijk gebruik geschikt beschouwd.

  • Wij kennen bv. het evangelie naar Lukas. Lukas wordt ons als een dokter beschreven. Hij zal dus kennis hebben bezeten om, hetgeen hij hoorde, op papier te zetten.

Perkament. Dat “naar” is overigens niet geheel juist vertaald. Wij zouden zeggen: “door”. Het is de versie van Lukas, die zelf geen apostel was. (Naar kan worden vertaald als: In de zin van). Hij was tot dit werk wel degelijk in staat. Zoals overigens Johannes die kluizenaar was, maar voordien in de handel zat. Nu weet ik niet, of hij in die tijd ook met dubbel krijt wist te schrijven, maar schrijven kon hij ongetwijfeld.

Indien er geen vragen meer zijn, zou ik graag een paar punten ter overweging geven. Wanneer een mens in zich een zekerheid bezit, die hem in staat stelt het werkelijke leven te aanvaarden en te ondergaan, zonder enige geestelijke schade en in zich daaruit de kracht weet te vinden om de minder aangename omstandigheden van het leven zo nodig te overwinnen, dan heeft die mens een zeer groot goed gevonden. Nu bezit iedere mens een dergelijke innerlijke krachtbron, zodat ieder mens in staat zou moeten zijn, zijn omgeving en de nadelen daarvan, te overwinnen, waardoor het leven tot een gelukkig leven wordt en de mens zelf een harmonisch wezen wordt.

Wanneer je innerlijk probeert deze kracht te ontdekken en te ontwikkelen, zal je daarbij tot een vreemde ontdekking komen: Een mens kan alleen gelukkig zijn, wanneer hij bezigheden verricht die in overeenstemming zijn met zijn eigen wezen. De mens zal zijn grootste kracht eerst kunnen openbaren, wanneer hij in voldoende mate onafhankelijk is geworden van de stoffelijke regels en condities, die in zijn omgeving gelden. Geen mens zal in staat zijn zich geestelijk zover vrij te maken, dat hij de krachten die in zijn wezen schuilen, geheel kan ontplooien, wanneer hij zich steeds weer door de gedachten en angsten van anderen laat leiden.

De mens die zichzelf tracht te verwerkelijken, zo goed hij kan en daarbij rekening weet te houden met het goede, zoals hij dit in zich kent en gevoelt, zal werkelijk in staat zijn het stoffelijke leven te beheersen en daarnaast het geestelijk bestaan reeds door zijn bewustwording in de stof tot een hoger en aangenamer peil te verheffen.

  • Het geestelijke op een prettige manier realiseren. Hoe?

Wanneer je hard wilt lopen en je staat bij de start klaar, gebruik te maken van een duwtje van een ander, dan loop je sneller en prettiger, omdat de moeite van het op gang komen sneller overwonnen wordt met minder moeite. Maar als je diezelfde optater krijgt, terwijl je nog staat te suffen en nergens op rekent, is zij uitermate pijnlijk. Indien je je in de stof voorbereidt op de krachten die geestelijk op je in gaan werken, nadat je overgaat, zal je in de geest op een prettige manier een heel eind op kunnen schieten, want je bent zo op gang. Maar als je er niet op rekent, sta je een hele tijd te kijken, voor je weet waar het om gaat.

Slot.

Handelsgeest: de instelling, waardoor men een ander in staat stelt iets op hogere waarde te schatten, dan men zelf doet, zodat men steeds meer verdient aan het onbegrip van anderen voor de feitelijke waarde der dingen.

Chroesjtsjov: een waar hart, een stalen hand en een kaal hoofd, die tezamen in de politiek een steeds grote betekenis gewinnen.

Negerpassen: de papiertjes, waarmee de ene mens tracht de andere zijn vrijheid te onthouden, omdat hij de huidskleur van de ander niet voldoende vertrouwt om hem dezelfde rechten toe te kennen, die hij zelf geniet. Anders gezegd, een negerpas is een kleurverschil, dat administratief zo is uitgedrukt, dat het een onrecht is geworden.

Verwoerd: iemand die steeds tegen de stroom in worstelt, omdat hij niet beseft, hoe ver hij uit de koers ligt.

Kerk: een gebouw, waarin de mens God dient, omdat hij te dom is om God in de natuur te vinden. Anders gezegd: Een gemeenschap van mensen die zozeer van de waarheid en onfeilbaarheid van hun eigen overtuiging overtuigd zijn, dat zij op alle anderen neerzien en hen heidenen noemen. Anders: Een administratieve instelling, die eens ontstond om de verkondiging van een bepaalde leer mogelijk te maken, doch zeer snel in zich tot het beoogde doel werd.

Leiderschap: het vermogen anderen leiding te geven, waaronder men zelf veelal lijdt, waaruit volgt, dat de meeste leiders te veel te lijden hebben om lang leiding te kunnen geven.

Definitie: korte omschrijvingen die pretenderen een korte en juiste omschrijving van een onderwerp te geven, maar in mijn mond alleen de aanduiding van enkele facetten inhouden op een zo amusant mogelijke wijze.

Reis van Soekarno: reizen die doen denken aan het rijzen van gist, wanneer hij op stap gaat, is het een teken dat de zaak weer eens op overkoken staat.

1 april: de datum waarop de mensen elkaar openlijk bij de neus mogen nemen, terwijl zij op andere dagen er niet voor uit mogen komen, hoe graag zij een ander aan de neus rond leiden.

image_pdf