Het gebeuren in de slaap

image_pdf

27 mei 1960

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Mijn onderwerp voor hedenavond is: Het gebeuren in de slaap.

Wanneer de mens slaapt, is het wel duidelijk, dat juist gedurende de slaap bepaalde lichamelijke processen zich afspelen. Ik denk hierbij aan het zich reinigen van het lichaam, dat door een grotere hoeveelheid afvalstoffen in de eerste morgenafscheiding zichtbaar wordt. Daarnaast zien wij een zich ontspannen van de spieren en een pogen van het lichaam ook het zenuwstelsel tot kracht en betere reactie te brengen. Verder is bekend, dat tijdens de slaapperiode de hersenen blijven reageren. Deze reactie is soms zo sterk, soms ook wel betrekkelijk zwak.

Indien de reactie van de hersenen zeer sterk is, krijgen wij te maken met slaapwandelen, praten in de slaap etc. De gedroomde toestand wordt hier dus overgebracht naar een lichamelijke werkelijkheid. Ook krijgen wij te maken met het normale droomleven, waarin beelden uit de dagelijkse werkelijkheid en beelden uit de fantasie dooreen worden gewerveld en aanleiding geven tot velerlei reacties. Ook de automatismen blijven werkzaam, waardoor de mens zich gedurende de nacht tenminste een 20-tal keren draait en wentelt. Hij blijft zich ook gedurende de slaap bewegen.

De curve van de slaapdiepte is voor elke persoon verschillend, maar toont toch aan, dat naast twee perioden van diepe slaap, ook een enkele periode van diepste slaap voorkomt. Daartussen wordt de toestand van waken vaak bijna bereikt en kan de slaap wel zeer licht worden genoemd.

Vreemd genoeg wijkt de mens onder bepaalde condities van het normale slaappatroon af. In de eerste plaats ontdekken wij, dat het lichaam praktisch onbeweeglijk kan blijven gedurende een langere periode. Er is dan geen sprake meer van het zich normaal bewegen en wentelen. De ademhaling, die meestal diep is en soms zelfs tamelijk luidruchtig, wordt teruggebracht tot een zeer zwakke, maar ook zeer gelijkmatige ademhaling. De hartslag vertraagt zich nog verder, zodat het totaal der lichamelijke reacties terugvalt tot onder 40% van waak-normaal.

Gelijktijdig kan worden vastgesteld, dat in deze toestand de diepste slaap, die door een meting van de lichaamsreacties kan worden opgetekend, men een werkelijk zeer diepe afzondering van de wereld bereikt. Dit kan soms gedurende meerdere uren achtereen gehandhaafd blijven. Het is juist op deze toestand en het daarmede gepaard gaande gebeuren in de slaap, dat ik vandaag uw aandacht in het bijzonder zou willen richten.

Wij allen weten, dat de mens een geest heeft, die zich onder omstandigheden ook tijdelijk van het lichaam af kan zonderen. Dit volledig onbewust zich scheiden van lichaam en geest kan nog worden onderverdeeld in de toestand, die als normaal tijdens de momenten van diepste slaap voorkomt in meer actieve ogenblikken en meest actieve ogenblikken. In het eerste geval wordt de geest, inclusief astraal lichaam, van het lichaam gescheiden en rust dan boven het lichaam op een hoogte van 50 cm. tot 150 cm. als een volkomen replica van het stof-voertuig. Zo dit al normaal is, zullen wij gedurende de langere perioden van diepste slaap vaak ontdekken, dat geen astraal voertuig zichtbaar is. Het is eenvoudig verdwenen. Indien een helderziende dit nagaat, blijkt vaak zelfs, dat het astraal lichaam geheel in het lichaam gebonden is gebleven en zich als een uitstraling daarin onmiddellijk kenbaar maakt.

Wat kan er gedurende een dergelijke toestand nu gebeuren? Eenvoudig gezegd: actie, waarbij de geest zich bezig houdt met problemen, die niet op stoffelijk vlak liggen. Hierbij zal een deel van het wezen, bestaande uit meerdere of enkele voertuigen zich op een bepaald geestelijk vlak weren. Er kan op dit geestelijk vlak arbeid worden verricht en gedurende deze periode blijft het contact met het stoflichaam op afstand gehandhaafd. Men noemt dit wel het gouden of zilveren koord. Deze geestelijke activiteiten hebben voor het menselijke lichaam geheel verschillende werkingen. Allereerst zien wij een toestand, waarbij de mens zelfs uit een slaap, die korter is dan normaal, geheel verfrist ontwaakt. Hij heeft dan niet alleen stoffelijke rust genoten, maar ook een soort geestelijk bad gehad, waarbij het ik wordt doordrongen met geestelijke krachten, waarden, rust en vrede. Hierdoor is hij in staat met zeer grote vitaliteit en zeer snellere reacties een overzicht van de toestanden te krijgen en te handelen. Het ontwaken geschiedt in dergelijke gevallen, snel, vergeleken met de normale toestand. De reacties zijn onmiddellijk scherp, juist en zeer vlot. De mens is besluitvaardig en blijmoedig gestemd. Dit kan alleen voorkomen, wanneer het ik in de geest een harmonische toestand heeft gevonden. Deze kan liggen in het contact met een leraar of meester. Eveneens kan dit alles worden veroorzaakt door een rusten, een vertoeven in hoofdzakelijk meditatieve sferen. Een dergelijke toestand kan ook het gevolg zijn van geestelijke arbeid, die dan altijd plaats zal vinden in Lichte sferen.

Wanneer bij het ontwaken een ongewone traagheid, of een toestand van uitputting kenbaar wordt, terwijl wij zeker weten, dat de mens toch diep, of tenminste normaal geslapen heeft, dan moet daarvoor eveneens een oorzaak aan te geven zijn. Vooral wanneer een mens niet voldoende bekwaam is om meer bewust een andere wereld te betreden, of daarin arbeid te verrichten, zal hij bij het zich voordoen van dergelijke mogelijkheden meer dan normale krachten moeten gebruiken. Dezen zullen dan ten dele ook via het koord aan de stof ontnomen kunnen worden. Vergelijkenderwijze: Een grootvader, die in vele jaren niets aan sport had gedaan, gaat met zijn kleinkinderen voetballen. Na een half uur heeft hij het gevoel, dat al zijn ledematen verrekt en verwrongen zijn; zijn hart laat hem niet meer toe te spelen. Zijn adem gaat met stoten en hij gedraagt zich, of hij zo dadelijk een aanval van epilepsie zal krijgen. Dit is zeker een gevolg van gebrek aan training en kunnen. Een grootvader onder dezelfde omstandigheden, die veel aan sport heeft gedaan, zal precies weten, wat hij doen kan. Hij kan veel langer en veel vlotter met zijn kleinkinderen spelen, terwijl hij na afloop zeker niet zo sterk vermoeid is als in het eerste geval bleek. Wanneer hij maar de mogelijkheid krijgt een kort ogenblik te rusten, zal hij zich ontspannen en gezonder voelen.

Wanneer u geestelijk uitgaat en in contact komt met uw eigen wereld – uittreding op eigen wereld, schijn- of schaduwwerelden of lagere sferen, dan kan over het algemeen gesproken worden van verschijnselen van uitputting. Alleen de bewuste kan dit geheel voorkomen. Erger wordt het nog, wanneer men uittreedt naar de lagere sferen. Onder het schaduwland vinden wij vele sferen, die enigszins een weerkaatsing van Zomerland zijn. Wij vinden daar, zij het somber en grijs, de vormen en belevingsmogelijkheden, die ook in Zomerland bestaan, maar alles is onvolkomen en vuil. Degene, die daar komt en niet bewust is, zal zich al snel laten verleiden tot een contact opnemen met de wezens, die daar leven. Hij laat zich al snel verleiden van hen een gift aan te nemen, soms laat men zich er zelfs soms toe brengen met deze wezens te eten en te drinken.

Natuurlijk blijft dit alles in zekere zin fantasie. Het is immers niet stoffelijk werkelijk? Maar voor de geest is dit alles reëel. Men zou kunnen zeggen, dat juist bij het aanvaarden van giften of voedsel een sterke binding met de lagere sfeer wordt gevormd. Dit veroorzaakt een aftappen van energie, een soort vergiftiging van het zenuwstelsel, die langere tijd kan blijven voortbestaan.

Heeft de mens meer dan normaal last van een diepe slaap, waaruit hij zeer vermoeid ontwaakt, dan is het wel degelijk de moeite waard te gaan zien, of deze geest misschien pleegt uit te treden naar eigen wereld zonder voldoende bewustzijn, of deze geest misschien ook uittreedt naar lagere gebieden. Is dit het geval, dan kan men, door voor het slapen gaan zich op te leggen: “Ik zal geen enkel contact aanvaarden…”. Een wens, die door de geest in de meeste gevallen zal worden gevolgd. Zo kan men zich vaak behoeden voor onnodige prikkelbaarheid, uitputting enz. na de nachtrust.

Deze dingen zijn op zich natuurlijk interessant. Zij komen overigens nogal vaak voor. Het kan ook gebeuren, dat een mens tijdens de slaap uittreedt naar een eigen geestelijke wereld. Er bestaat dan een soort dubbelleven. Men bestaat niet alleen in de stoffelijke wereld, maar heeft ook een soort droomwereldje – dit kan soms actief tot een bepaalde geestelijke sfeer behoren – waarin men gedurende de nacht zijn activiteiten voort pleegt te zetten. Kenteken: Zoals tijdens de nachtrust op uw wereld de tijd verstrijkt en volgens de geldende wetten verder gaat, zo zal het dagbewustzijn een verstrijken van tijd in de eigen geestelijke wereld betekenen. Personen, die in een dergelijke wereld optreden, zijn reële entiteiten. De toestanden, die wij er aantreffen, zijn voor een deel een product van eigen stoffelijk denken. Wanneer wij in een dergelijke wereld bezig zijn, bestaat de neiging de stoffelijke wereld als minder belangrijk te zien. Laat dat lichaam maar moe worden. Wij hebben de kracht nodig, wij moeten hier ons huis bouwen, of een volgens ons eigen geestelijk denken belangrijke taak volvoeren.

Dit treedt zowel op, wanneer het gaat om bv. het schrijven van een boek, als het helpen van een andere geest. Men dient hiermede voorzichtig te zijn: Wanneer wij in onze geestelijke wereld teveel krachten verbruiken, wordt ons stoffelijk ervaringsleven sterk bedreigd. Heeft men deze fase meerdere malen ten dele bewust beleefd, zodat men een herinnering aan het geestelijk werken bezit, dan is de oplossing eenvoudig genoeg, namelijk, wij stellen voor onszelf gewoon een beperking, die inhoudt, dat wij in de geest alle werkzaamheden zullen blijven volbrengen, zover wij tenminste harmonisch zijn met de ogenblikkelijke noodzaken en verplichtingen van het stoffelijk bestaan. In een dergelijk geval zullen geen uitputtingstoestanden daarna niet meer optreden. Soms kan wel enige vermoeidheid bij het ontwaken nog voorkomen, maar nooit meer op een zodanige wijze, dat ons humeur en stoffelijk vermogen daardoor meer en blijvend beïnvloed zal worden. Het verbruik van krachten door de geest is dan nooit meer zo groot, dat wij daardoor kunnen worden belemmerd in het volvoeren van onze stoffelijke taken.

Nu is het voor de geest wel prettig in een eigen wereld buiten de stof regelmatig te kunnen leven, maar in dagen van spanning zijn er voor de mens nog andere mogelijkheden. Het is op aarde onmogelijk rond 10.000 mensen samen te brengen en hen door een geestelijke leraar lessen te doen geven. Het is wel mogelijk de uitgetreden geesten, die zoeken, vooral wanneer zij eigenlijk een beetje rondzwerven, op te roepen en aan een dergelijke les deel te doen hebben. Dit onderricht brengt dan met zich, dat men in het begin bij het ontwaken vaak uitgeput is. Men is echter niet terneergeslagen. De werking van de lessen is verder kenbaar aan een verandering van eigen standpunt. Een mens, die dergelijk onderricht doormaakt, zal steeds weer ontdekken, dat er een strijd ontstaat tussen zijn gewoonten, zijn verlangens en een inzicht, dat niet geheel langs de weg der rede kan worden verklaard.

U zult begrijpen, dat dergelijke lessen zeer belangrijk zijn. De mens, die daaraan deel kan nemen, dient zich, wanneer het maar even kan, daarop met zijn gedachten in te stellen. Zeker kort voor het inslapen is het belangrijk zich voor te houden: Ik wil geheel harmonisch zijn met de geest, die mij helpt en die mij leidt. Op deze manier kunt u bepaalde stoffelijke weerstanden enigszins onderdrukken. Dit betekent minder vermoeidheid bij het ontwaken, terwijl tevens een beter naar de stof overbrengen van voor u belangrijke delen van de les mogelijk wordt.

Misschien is een dergelijk werken vanuit het menselijke standpunt wat typisch, maar ik kan u verzekeren, dat vanuit de geest van deze mogelijkheid vele malen gebruik wordt gemaakt. Jammer is het, dat slechts een klein deel van degenen, die aan dergelijke lessen deel nemen, zich ook van de oorzaken voor de wijziging van gedrag etc., bewust zijn. Hiervoor hebben wij nog geen remedie kunnen vinden.

In sommige gevallen zien wij tijdens de slaap het zich opbouwen van een eigen wenswereld. Dit is geen droom in de werkelijke zin van het woord. Wanneer men namelijk iets zeer verlangt, bestaat de mogelijkheid, dat de geest harmonisch wordt met de sferen, waarin uw ideaal of uw idee van rust het beste verwerkelijkt is. Daarbij is het niet belangrijk, of u nu zoekt naar een woestijn, een sneeuwvlakte, een kabbelend beekje, of een oceaan. Deze voorstellingen kunt u in verschillende sferen altijd weer uitgedrukt vinden. De mens, die zo droomt, zal gedurende de slaapperiode dus een aan eigen instelling geheel aangepast beleven ondergaan. Over het algemeen zijn het vooral de meer onbewuste dromers, 2/5 tot de helft van de mensheid, die op deze wijze contacten met bepaalde sferen opbouwen. Dit proces speelt zich af aan de hand van wetmatigheden en berust op de wetten van harmonie. Indien wij een geestelijke wereld wensen, waarin wij krachten vinden en wijsheid, is het dan ook belangrijk – juist kort voor het inslapen – zo harmonisch en edel mogelijk gestemd te zijn. Zelfs wanneer de mens dan niet aan een onderrichting deel kan hebben, zal hij zo toch contacten vinden, die hem rust geven en lichamelijk een algehele ontspanning mogelijk maken.

Nu heb ik tot hiertoe de psychologie buiten beschouwing gelaten. Ook deze kan belangrijk zijn bij een ontleding van hetgeen er tijdens de slaap voor de mens gebeurt. Voor ik hierover iets zeg, moet ik nog enkele contacten noemen, die tijdens de slaap op kunnen treden. Gedurende de slaap zijn contacten mogelijk met hen, die overgegaan zijn. Dit betreft vooral overgegane mensen, die in het leven op enigerlei wijze een gevoelsband met u gekend hebben en niet meer op normale wijze tot u kunnen komen. Daarnaast kan contact optreden tijdens de slaap met zuiver persoonlijke Meesters. De slaapperiode kan worden gebruikt voor het leggen van contacten met meer ingewijden, zowel in als buiten de stof. Verder is het mogelijk gedurende de slaap buiten het heersende tijdscontinuüm te treden, en andere, zij het toekomende of in het verleden liggende delen van de tijd te zien, of gedeeltelijk zelf te beleven.

Een overvloed van mogelijkheden bezit het rijk van de slaap, waarin de mens en de menselijke gedachte gezamenlijk regeren als een vorst en een vorstin. Men moet zich goed realiseren, dat de slaap een zeer belangrijk deel is van het menselijke leven. Zonder de statistieken als bewijs aan te halen om aan te tonen, dat de doorsnee mens 1/3 van zijn leven in slaap doorbrengt, zou ik er toch op willen wijzen, dat juist de aanpassing van het stoffelijke gebeuren aan het kosmische, geheel de juiste correctie van eigen leven en denken, tijdens de slaap kunnen worden verworven. Het gebeuren tijdens de slaap is wel degelijk zeer belangrijk.

Voor ik ga sluiten, zou ik nog willen wijzen op enkele psychische verschijnselen tijdens de slaap, die ten dele onder de psychologie vallen en waarvan de gevolgen zelfs ten dele fysiek zijn. Het zal u bekend zijn, dat elke lichaam reeksen van behoeften heeft. Deze reeksen van behoeften worden vaak uitgedrukt door handelingen of lichamelijke acties tijdens de slaap. Dit kan nooit plaats vinden, zonder dat het denkvermogen mede hierbij is gemoeid. Het menselijke denken kan tijdens de slaap niet de stof regeren, wanneer niet het levenslichaam, het astraal voertuig en zo mogelijk ook het mentaal lichaam, aanwezig zijn. Niet alleen vinden wij onder de meer fysieke verschijnselen de hartstochtdroom van de puber, maar ook de belevingsdroom, die bij haast iedere mens pleegt voort te komen. De belevenissen lijken absurd en zonder zin. Men krijgt een taak, die niet bij het eigen wezen schijnt te passen. Voorbeeld, een dokter ziet zich in de slaap gedwongen hoefijzers te smeden, teken tot het vormen van anderen. Wanneer hij ontwaakt, ontdekt hij, dat hij aan de rand van het bed heeft liggen schudden. Een ander worstelt met een slang: Vrees voor onbekwaamheid en onmacht. Hij wordt wakker geheel in lakens en dekens verstrikt. Een mens droomt, dat hij worstelt en vecht: Hij zoekt heerschappij.

Wanneer hij wakker wordt, blijkt hem, dat hij zijn hoofdkussen onder zijn lichaam heeft gedrongen en als tegenstander gebruikt. Er zijn vele dergelijke tekenen. Het tandenknarsen tijdens de slaap is bv. vaak een teken van innerlijke onrust of onvrede. Dit alles kan op de volgende basis worden verklaard. Zolang de voertuigen van de geest in het lichaam aanwezig zijn, kan het denken worden voortgezet. Hierbij gaat het niet alleen om het stoffelijke behoefte-element, maar vooral om het psychische behoefte-element. Een zeer groot deel van de lichamelijke behoeften blijkt bij nadere beschouwing eerder psychisch dan fysiek.

Bij de seksuele drang kan bv. worden gezegd, dat slechts 1/6 van de gevoelde behoefte werkelijk fysiek is. Al het andere is eerder psychisch en vindt als behoefte zijn ontstaan in het voorstellingsleven. Wat de honger betreft, kunnen wij vaststellen, dat een op de twee mensen, die honger-dromen heeft, deze niet ontleent aan een werkelijke behoefte aan voedsel, maar eerder aan een verlangen naar prikkeling van de smaak.

Wij moeten met de grote invloed van het denken op de behoefte rekening houden en vooral beseffen, dat de psyche een groot deel van de slaap, door deze niet uit het lichaam zelf stammende behoefte, vergiftigen kan. Zolang men als mens op aarde leeft, zal men tegen de fysieke behoeften en ook psychische behoeften slechts betrekkelijk weinig kunnen doen. Men kan zich wel de stoffelijke verwerkelijking van een behoefte ontzeggen, maar men zal dan niet kunnen voorkomen, dat de behoefte in het denken en ook in de droom steeds weer overheersend optreedt. Men wordt door de behoefte op den duur geobsedeerd. In Nederland zegt men dan ook: “Waar het hart vol van is, loopt de mond van over”. Onbewust haalt men steeds weer, hetgeen men verlangt, hetgeen waarmede men zich bezig houdt, naar voren.

Dit geldt nog sterker in het droomleven. De beïnvloeding van het lichaam zal voor ons soms aanvaardbaar blijven. Het is geen werkelijke schade en wij zullen dan ook geen bezwaar tegen de invloed hebben. Indien wij, doordat onze slaap vermoeiend of onaangenaam wordt gemaakt, wel bezwaren koesteren, zullen wij moeten trachten in te grijpen. Onaangenaam kunnen de lichamelijke reacties op een droom zeker zijn. Denk aan de tandenknarser, die sterker aan tandcariës is blootgesteld, of nog duidelijker: De dromer, die in de slaap tot lozingen of ontlasting komt. Nu kunnen deze lichamelijke acties en reacties gedurende de slaap inderdaad bestreden en voorkomen worden. Daartoe dient men zich voor het inslapen in te stellen op een zo hoog mogelijk, maar voor het ik ook zo aanvaardbaar mogelijk geestelijk beeld. Indien voor u Jezus het Allerhoogste, het Schoonste is, stel u dan op Hem in. Stel u rustig voor bij Hem te zijn. Daarmede maakt u een contact met Lichte sferen. Ook al zult u Hem Zelf misschien niet ontmoeten, zo zult u zeker een sfeer vinden, die uw geest verjongt, verfrist, verheugt, terwijl het lichaam, nu ontdaan van de sterke beïnvloedingen vanuit de psyche, rustiger kan slapen en zeker geen enkele functie zal vervullen, die niet onmiddellijk lichamelijk noodzakelijk blijkt.

Denk hierover eens na en bedenk dan tevens, dat het op deze wereld haast onmogelijk is elke mens de geestelijke scholing te geven, die hij verlangt, en het meer persoonlijk geestelijk onderricht, waaraan hij behoefte heeft. Bedenk dan ook, dat de mens die zich instelt op een actief gebruiken van de slaapperiode door geestelijk contact, juist in deze periode veel, zo niet alles, kan leren wat in deze tijd noodzakelijk is. De mens kan zo leren, wat geestelijk voor hem noodzakelijk is, maar ook wel degelijk inzicht verkrijgen in veel, wat stoffelijk goed voor hem is.

Er is geen ogenblik, dat wij in het dagelijkse leven, of in de slaap, ongebruikt hoeven te laten. Het is dwaas een groot deel van je leven tot een soort afval te maken, een reeks van dagdromen en fantasieën, wanneer er mogelijkheden bestaan voor meer dan dit. En er is meer. Dit meer is alleen bereikbaar en bruikbaar voor de mens, die bereid is leringen te aanvaarden zonder van uit zich te gaan kritiseren en te eisen, dat de leraar onderwijst wat hij verlangt en met hem en zijn meningen mee zal denken. Indien u bereid bent geestelijk mee te gaan met de krachten, die u willen leiden, dan wordt uw slaap een zeer actieve periode, die u geestelijk altijd zal verrijken, maar ook stoffelijk steeds meer verbeteringen mogelijk maakt.

Besef verder, dat u tijdens uw slaap vele nuttige dingen kunt doen en vele voor u nuttige contacten op kunt nemen. Daarom zou ik u de volgende raad willen geven: Stel u elke avond opnieuw in geloof in de geest die u helpt en leidt. Geloof desnoods alleen in de kracht van uw God, maar stel u zo in, opdat u harmonisch met het hogere kunt zijn.

Ook uw stoffelijk leven zal daardoor rijker zijn. U zult sterker en vrolijker zijn; uw lichaam zal minder uitgeput worden door nutteloze dromen en strijd. Gelijktijdig zult u het geestelijke Licht kunnen bereiken. Reeds nu zult u kunnen leren in de geest eenvoudige, maar belangrijke taken te vervullen. Zeg niet, dat het voor u niet weggelegd is. Onbewust kunt u – zonder het te beseffen – reeds nu hieraan deel hebben.

Indien u zich zo in blijft stellen, zullen de waarden, die nu nog niet bewust tot uiting komen, in u door kunnen dringen tot het directe bewustzijn. Misschien begrijpt u dan nog niet het hoe, het waarom, het vanwaar. Dit vergt een veel verdere ontwikkeling. Maar u zult actief deel kunnen nemen aan het werk van de geest, de vruchten ervan plukken. Daarbij zijn de geestelijke vruchten der harmonie van het allergrootste belang, daar dezen u het mogelijk maken steeds bewuster, ook tijdens het dagbewustzijn, de krachten rond u te benaderen en te gebruiken. Mij dunkt, dat het zeker de moeite waard is zich voor het inslapen even te bevrijden van te oppervlakkige, of fantastische denkbeelden. Hetgeen men zo kan bereiken, loont ook zeker wel de moeite die het kost, lichamelijke begeerten etc. even terzijde te stellen en daarvoor in de plaats in zich een begeren te scheppen naar harmonie en eenheid met God. Indien u al dan niet bewust deel kunt nemen aan de grote kosmische taak, die velen op het ogenblik rond deze wereld op zich nemen, zo zult u althans onbewust een deel hierin kunnen hebben en uit de ontvangen leringen een inwijding kunnen ondergaan.

  • Is het fout om voor het slapen gaan alles te overdenken, wat je morgen zult gaan doen?

Fout wil ik niet zeggen. Vanuit menselijk standpunt is dit wel begrijpelijk, maar verstandig is het niet. Ik kan begrijpen, dat u vandaag de boodschappenlijsten voor morgen reeds opmaakt. Maar dit doet u toch niet, hoop ik, voor u gaat slapen? Wanneer u kort voor het inslapen bezig bent met alles wat u morgen wilt gaan doen, dan zult u dus ook denken aan de man, die u zult gaan ontmoeten, aan de boodschappen, die u vooral niet moogt vergeten. U activeert uw hersenen en schept de mogelijkheid voor reeksen van droombeelden, die u in uw slaap zullen blijven achtervolgen, beelden, die u gespannener maken, dan werkelijk noodzakelijk is. Misschien veroorzaakt u zo bij uzelf meerdere nachtmerries. Het is beter te denken aan iets, dat vrede geeft. Zo men al de positieve harmonie niet onmiddellijk na kan streven, omdat men daardoor geen voldoende gevoel in zich heeft, dan nog is het beter te denken aan het zingen van een vogel, of aan de blauwe lucht, dan aan de noodzaken van morgen. U zult bemerken, dat dit voor u veel beter is dan kort voor het inslapen plannen voor morgen te maken. Hebt u wel eens opgemerkt, hoeveel de volgende morgens toch geheel anders zijn, wanneer je voor het inslapen met morgen bezig bent? Ik zou zeggen, dat dit alleen reeds bewijst, hoe nutteloos een dergelijke overpeinzing meestal is.

  • Is het goed, wanneer men voor het inslapen alle gebeurtenissen en handelingen van de dag nog eens nagaat om zo een oordeel over jezelf te vellen? Wanneer je ontdekt fouten gemaakt te hebben, dien je je dan voor te nemen het een volgende keer anders te doen?

Dit laatste kan ik het met u niet helemaal eens zijn, met het eerste wel. Wanneer u overdenkt, wat u op de dag hebt gedaan, zal hier een erkennen van misvattingen en fouten bijkomen. Indien wij ons tevens voorstellen te verbeteren en te corrigeren, niet morgen of vandaag, maar direct aan de hand van de ervaring, ontstaat natuurlijk een verbetering van inzicht en een vergroting van bewustzijn. In deze gevallen zijn wij te vaak geneigd onze schuldenlast te zien als iets, wat ons bezwaart, in plaats van de ervaring te aanvaarden als iets, wat ons verder helpt. Ik weet, dat er mensen zijn, die deze praktijk volgen zonder dat dit bezwaren voor hen oplevert. Ik mag mij er dus niet tegen verzetten. Toch zou ik erop willen wijzen, dat het eigenlijk verstandiger is eens heel gewoon te zeggen: “Dit zijn mijn fouten, indien ik gefaald heb in – bijvoorbeeld – naastenliefde, dan zal ik trachten deze nu in mijzelf op te wekken. Over de fout denk ik dan verder niet na…. ” Indien men de zaak overbrengt op het gevoel en de gedachte in zich maakt tot een compensatie, wordt niet slechts bewustzijn gewonnen, maar ontstaat tevens de voor de doorsnee mens noodzakelijke innerlijke rust, die hem in staat stelt tijdens de slaap tot een hoger beleven te komen. De door u voorgestelde methode is in de gestelde vorm alleen geschikt voor hen, die reeds wat esoterie zijn voortgeschreden dan de doorsnee mens.

  • Is het ook niet belangrijk bewust alle spieren van het lichaam voor de slaap te ontspannen? Men zal dan sneller tot de juiste toestand kunnen komen.

Voor degene, die hierin geschoold is, is deze methode niet enkel aanvaardbaar, maar dient zij zelfs een standaardprocedure te zijn. De mens, die niet gewend is, ook maar één spier door zijn gedachten te ontspannen, zal zich zozeer inspannen om zich te ontspannen, dat hij niet tot een werkelijke ontspanning komt en reageert op de inspanning door A: De kunstmatig ontspannen spieren wederom in een kramptoestand terug te brengen tijdens de slaap, wat mogelijk spierpijnen bij het ontwaken tot gevolg heeft. B: Men zal dit constateren en daardoor geestelijk te zeer met het lichaam bezig blijven, terwijl de geest beter elders actief kan zijn.

Ik zou voor willen stellen, indien wij deze bewuste ontspanning willen leren, dit niet te doen kort voor het inslapen, maar overdag te oefenen. Dan kunnen wij immers door het hervatten van onze gewone activiteiten het lichaam zonder optreden van krampen weer aan de normale toestand aanpassen. Ook storingen voor de geest zullen dan niet kunnen ontstaan. Eerst indien men hierin vaardig is geworden, kan men ook later gebruik maken voor de slaap van de voor het lichaam inderdaad belangrijke ontspanning. Indien u dit probeert zonder ooit zoiets gedaan te hebben, dan kan ik u niet veel anders als gevolg daarvan garanderen dan een onrustige slaap, een pijnlijke nek en waarschijnlijk ook pijnen in de lenden na het ontwaken. Vele procedures, die door scholing worden eigen gemaakt en zeer nuttig kunnen zijn voor de slaap, kunnen niet zonder meer door de leek worden gebruikt. Al hetgeen ik hier naar voor heb gebracht is voor elke leek en zonder enige voorafgaande scholing onmiddellijk bruikbaar. Het brengt met zich een geestelijke ontwikkeling, waardoor men op den duur ook zeker stoffelijk de lessen zal verkrijgen, die noodzakelijk zijn voor een verdergaan en ook alle stoffelijke kwaliteiten kan ontwikkelen, die bij een verdergaan belangrijk kunnen zijn.

In mijn betoog heb ik gewezen op het bereiken van een grotere veerkracht, het verwerven van een versneld reactievermogen. Deze zullen dan, gezien de bestaande belangstelling, ongetwijfeld in de praktijken van yoga, esoterie e.d. kunnen worden omgezet.

  • Ik heb gehoord, dat het noodzakelijk is tussen opstaan en ontwaken c.a. 20 minuten te laten verlopen.

Ik kan mij voorstellen, dat dit vooral in de winter zeer aangenaam is. Tot mijn spijt moet ik stellen, dat ik hiervoor geen enkele noodzaak aanwezig acht bij een gezond mens en wel om de volgende redenen.

  1. Een werkelijk gezond lichaam zal met één slag overgaan van slaap tot waakbewustzijn. Bij dieren kunt u dit zien. Zij leven natuurlijk. Ook voor de mens zou een dergelijk ontwaken natuurlijk moeten worden geacht.
  2. Wanneer wij geestelijk beleven en trachten vluchtige beelden of dromen vast te leggen, dienen wij onmiddellijk na het ontwaken en voor wij ons van onze omgeving gans bewust zijn, reeds met enkele woorden, dit nader te omschrijven, aan de hand waarvan wij zo dadelijk een herinnering van het gedroomde op kunnen bouwen. Ook daarvoor is de onmiddellijke reactie noodzakelijk.
  3. Wanneer wij gezond zijn en langer in bed blijven, zullen wij wel een zeer geleidelijke overgang naar de waaktoestand doormaken, maar gelijktijdig zullen wij in vele gevallen door het versnellen van de hartslag, wat nog sterker wordt door de gedachte aan alles, wat wij deze dag moeten doen, het hoofd aanmerkelijk zwaarder belasten dan noodzakelijk is. Hierdoor vergroten wij de mogelijkheid tot het ondergaan van sufheid en hoofdpijnen over het algemeen veel meer met een nog even in bed blijven liggen. Onmiddellijk opstaan verdient ook hier de voorkeur.
  4. De mens dient zolang te slapen als dit voor het lichaam noodzakelijk is. Bij het ontwaken dient men op te staan, ook wanneer het volgens de gebruiken daarvoor nog veel te vroeg is. Wanneer het lichaam dan later om meer slaap vraagt, zal men het tekort voordeliger en beter door een korte periode van rust of slaap gedurende de dag aan kunnen vullen. Dit is ook gezonder.
  5. Voor de geest is een dergelijke periode van 20 minuten ook niet noodzakelijk, daar zij bij een terugkeer uit de hoogste sferen door de tijdloosheid van haar wezen toch een onmiddellijk contact met de werkelijkheid kan verkrijgen, zodra de zintuigen de omgeving waarnemen.
  • Soms heb je de indruk in het lichaam terug te vallen.

Ik ken het verschijnsel. Vergeet niet, dat dit ook kan voortkomen uit het lichaam. Wanneer bij het wakker worden, voor bewustzijn van de omgeving bestaat, het bovenlichaam iets wordt opgericht, waardoor de voeten wat lager komen te liggen, zal het bloed even uit het hoofd wegstromen. Dit geeft de illusie van een val. Deze op een droom gelijkende beleving kan men bij een slapende mens veroorzaken, wanneer men even op het bed drukt. Voor een idee van in het lichaam vallen kan een normale en stoffelijke reden bestaan.

Uitzondering: wakker worden met de idee, dat men in het lichaam valt en onverklaarbare paniek. Dit wordt in vele gevallen veroorzaakt door het ontmoeten van astrale wezens of andere u schijnbaar vijandige wezens, waardoor u zo schrikt, dat u te snel en onbeheerst in uw lichaam terugkeert. Verdere kentekenen van een dergelijk gebeuren: Een abnormaal snelle hartslag en zeer wijde pupillen, die zich niet onmiddellijk aan de lichtsterkte aanpassen. De blik is wazig en doet de waarnemer denken aan ogen met te veel belladonna.

  • Soms lijkt het, of men niet in zijn lichaam terug kan keren. Hierdoor ontstaan angstgevoelens en onrust.

In een dergelijk geval is er sprake van het voorgaand reeds beschreven geval, waarbij de vrees komt, dat men er niet in zal slagen zijn lichaam tijdig te bereiken. De angst ontstaat bij het ontmoeten van astrale of lagere wezens, die niet bij u passen en waarvan u schrikt. Deze angst in zinloos, daar de gedachte: “Ik ben in mijn lichaam….” een bijna gelijktijdig weer in het lichaam zijn met zich brengt. Zou men werkelijk niet in het lichaam binnen kunnen dringen, dan is er geen sprake van een gebeuren, dat enkele seconden duurt, maar eist een terugkeer, dan een strijd van 3-4 minuten tot enkele jaren. Dan is het lichaam in beslag genomen door andere krachten en wordt daardoor gebruikt. Verwar het korte moment niet met een mogelijk in bezit genomen zijn. De door u gestelde angst kan hieruit niet volgen.

Indien u zich voorhoudt, dat alleen reeds de gedachte: “Ik ben ik”, voldoende pleegt te zijn om de geest met alle voertuigen tot en met het astrale geheel één te maken met het stoffelijke lichaam, zult u begrijpen, dat dergelijke angsten niet redelijk zijn en door een zich instellen op de eenheid met de stof voor het inslapen kunnen worden voorkomen.

Angst.

Angst is de overprikkeling van het voorstellingsvermogen, waardoor een zodanige verbuiging van de werkelijkheid ontstaat, zodat men deze vreest en daardoor het bestaande niet meer dragen kan. Angst heeft over het algemeen slechts zeer weinige punten van aanknoping met de werkelijkheid. Ik kan mij voorstellen, dat vele mensen bang zijn door een atoombom te zullen sterven. Maar als een mens gelooft in een voortbestaan, is het tamelijk dwaas hiervoor bang te zijn. Er bestaat immers praktisch geen snellere en geluidlozere dood dan juist deze. De mens vreest pijn, maar het lichaam kent een pijngrens. De mens kan nooit méér pijn verdragen dan inderdaad lichamelijk draagbaar is. Hoe minder de mens nadenkt over de pijn, hoe gemakkelijker deze draagbaar wordt. Dit vergeet men wel eens.

Het denken van de mens, zijn innerlijke onzekerheid, zijn gevoel van onmacht, maakt de kern uit van hetgeen men angst noemt. Ik denk hierbij niet aan de panische angst, daar deze anders werkt. Deze impliceert het verlies van de rede, waarbij instinctieve handelingen worden verricht, die niet meer in overeenstemming kunnen zijn met een redelijk erkende mogelijkheid. Wij spreken hier over de normale angst. Laten wij dan in ons betoog voorop stellen, dat alle angst zinneloos is. Door te vrezen kun je niets voorkomen. Erkennen is goed, maar iets vrezen betekent jezelf tot slaaf ervan maken, het macht over je geven.

Het is voor elke mens noodzakelijk zich steeds weer voor ogen te stellen, dat er niets is, wat hij werkelijk hoeft te vrezen, omdat hem altijd voldoende mogelijkheid, leven en kracht gelaten wordt. Dit geldt zelfs, wanneer de dood optreedt. In alle gevallen zal de mens de mogelijkheid hebben verder te gaan en zelfs beter te worden, dan hij nu is in alle opzichten. Wij hoeven nu niet roekeloos alles te gaan wagen. Wij dienen redelijk te blijven. Maar vrezen is vaak geestelijk en ook soms stoffelijk dodelijk. Opvallend is, dat de door het denken veroorzaakte angst vaak tevens de oorzaak is van het menselijke onvermogen, van het tekortschieten. Ik garandeer u, dat een wereldoorlog – zo er een komt – geboren zal worden uit een angst, die geen werkelijke reden van bestaan heeft. Ik garandeer u, dat veel lijden na en voor de dood voortkomt uit dingen, die men vreest, zonder dat zij feitelijk bestaan.

Ik wil u er aan herinneren, dat het belangrijkste deel van elke geestelijke inwijding in feite steeds weer een overwinnen van de angst betekent, meer niet. Hij, die inwijding zoekt en daarbij vreest, zal falen. Niet omdat hij niet voldoende moed bezit, maar omdat de angst hem eenvoudig de capaciteiten zal ontnemen, die voor een slagen noodzakelijk zijn. De mens, die bewust uittreedt, passeert daarbij wat men “de Wachter aan de Poort” pleegt te noemen, doch wat in feite niets anders is dan de vrees voor de onvolmaaktheid van eigen wezen. Wie de wachter werkelijk vreest, wordt zijn slaaf.

Angst is het meest overbodige, het meest verderfelijke, wat er in een mensenleven bestaat. Vrees niets. Het vreemde is, dat wij – onverschillig of wij te maken hebben met het geestelijke leven of het laag-stoffelijke – als mens deze angst onszelf niet helemaal kunnen ontzeggen. Wij zijn even bang voor blaren op de voeten, wanneer wij een stukje moeten lopen, als voor een demon, die in feite geen macht op ons heeft in het astraal gebied tijdens een uittreding. Vergeet daarbij niet, dat wij – door onze angst voor blaren – de vorming daarvan bevorderen, moeilijker lopen en ons doel later zullen bereiken. Vergeet niet, dat door onze angst voor demonen, wij deze een macht geven over ons wezen, die voordien niet bestond.

De mens, die zichzelf kent, zal ook nog moeten leren zichzelf niet te vrezen. Menig mens durft zichzelf niet te zijn en menige geest leeft in een schijnwereld uit vrees voor een werkelijkheid, die hij innerlijk reeds kent. Een mens heeft het recht te zijn, zoals hij is. Hij hoeft zichzelf zelfs niet voor te stellen, dat bepaalde eigenschappen niet de zijne zijn. Daardoor maakt hij zich het leven alleen moeilijker. Het goede wordt minder bereikbaar, de waarheid van het bestaan wordt op deze wijze verdoezeld. Door te erkennen, wat eigen fouten en verdiensten zijn, zal de mens steeds in staat blijken het gunstigste van zijn leven te maken. Hij zal juist door dit erkennen van het eigen ik de Goddelijke waarheid kunnen zien, waar een ander, die tegen zichzelf en de wereld huichelt, vol angst aan de waarheid voorbij zal gaan.

Angst is de zelfgeschapen demon van de mens, die sterker is dan 1000 duivelen. Want de angst is in staat de mens tegen zichzelf te keren als niets anders in de kosmos. Angst is een waan, want zij, die geborgen zijn in God en Gods wil kunnen aanvaarden, hebben geen reden tot vrezen, voor hen bestaat er geen werkelijke nood en geen werkelijk lijden. Zij weten, dat alles wat komt, aanvaardbaar zal blijken en kan gedragen worden. Gods wil geschiedde. Het zal goed zijn. Dit laatste houdt wel niet in, dat wij vreugdig de beproevingen moeten aanvaarden, maar wij zullen ze kunnen doorstaan. Een ander, die vreest en niet op God betrouwt, kan dit niet. De waan, dat er iets voor ons onmogelijk is, terwijl wij met God leven, doet angst ontstaan, maar is tevens hetgeen, wat ons van de Goddelijke waarheid verwijderd houdt. Het is dit, wat het ons onmogelijk maakt in het leven van stof en geest, waarvoor wij toch geschapen zijn.

Wanneer u mij vraagt iets over de angst te zeggen, voel ik mij geneigd – zeker gezien de wijze, waarop wij nu met twee personen in het medium werken, wij vormen namelijk een Oosters-Duitse Alliantie – te stellen: angst is de vloek, die de mens over zichzelf brengt door onbesef van eigen wezen en mogelijkheden, door een tekort ook aan vertrouwen in zijn God en zichzelf. Wij menen, dat angst moet worden verdreven, waar dit maar mogelijk is. De mens moet leren de waarheid onder ogen te zien en uit de waarheid te bouwen. Eerst zo kan hij de werkelijkheid bereiken.

  • Verdwijnt de angst na de overgang?

De angst verdwijnt, wanneer het bewustzijn rijst, overgang maakt hierbij geen verschil. De dwaas zal voor zijn eigen schaduw vrezen en menen door duizenden duivelen achtervolgd te worden, ook na de overgang. De wijze, die demonen rond zich ziet, zal zeggen “dit kan voor mij niet bestaan, wanneer ik in God geloof”, en is vrij.

Ik wens u allen toe, dat u de angsten, die in u bestaan, zult leren overwinnen, dat u i.p.v. zelfbegoocheling de eerlijke waarheid zult bezitten en dat u in het vreesloos aanvaarden van een Goddelijke werkelijkheid het geluk zult vinden.

Esoterie.

Wij gaan ons bezig houden met esoterie. Ik wil beginnen met een verhaaltje: Oproer aan de hemelpoort.

Petrus stond weer uit een raam van zijn portierswoning te kijken, toen hij een dik mannetje met een kaal hoofd de weg naar de hemel op zag wandelen. Petrus kende hem niet op die afstand, maar toch kwam de man hem op de een of andere wijze bekend voor. Nu is Petrus nogal nieuwsgierig. Toen hij niet zien kon, wie daar eigenlijk wel aankwam, liep hij snel naar de observatiepost “Het Kwade Geweten” en leende van een van de dienst hebbende engelen een kijker.

Petrus ging weer met de kijker achter het raam staan, stelde de kijker nauwkeurig in, keek, keek nog eens, tja, er was geen twijfel mogelijk. Dat mannetje was Chroesjtsjov. En dit betekende, dat Petrus opeens zeer actief werd. Wat moest hij doen, als die man voor de poort stond? Daarom ging hij instructies halen.

Uit de boeken bleek, dat Chroesjtsjov veel kwaads, maar ook veel goeds had gedaan. Hemels bezien bleek de zaak zo ongeveer in evenwicht. Na lang beraad werd dan ook besloten, dat deze ziel de hemel in zou mogen, wanneer zij daar nederig om vroeg. Ik weet niet, of Petrus dat nu wel leuk vond. Per slot van rekening is hij meer van de zwarte dan van de rode kant.

Hoe het ook zij: Als een plichtgetrouw poortwachter stond Petrus met zijn plechtigste gezicht klaar, toen Chroesjtsjov eindelijk hijgend voor de poort arriveerde.

“Zeg, tovarich, waar ben ik?”

“Hier ben je aan de hemelpoort”.

Chroesjtsjov kon dat niet geloven. Hij zou graag eens iemand anders spreken. Dat kon.

Toevallig kwam Jozef langs wandelen. Op verzoek van Petrus stak hij zijn hoofd door het raam en vroeg vriendelijk:

“Had u wat gewenst willen hebben, meneer?”

“Kameraad, die idioot met die baard vertelde mij, dat dit de hemelpoort is, maar dat kan toch niet, want een kwartier geleden ben ik pas uit Kiev gekomen”.

“Het is toch werkelijk waar. U staat hier werkelijk aan de hemelpoort”.

Chroesjtsjov trok zijn gezicht in boze rimpels en plooien en zei een paar woorden in het Russisch, die ik vanwege de censuur niet kan vertalen. Daarna begon hij een toespraak, waarin hij beweerde, dat hemelpoorten niet bestaan en dat alles, wat daarover gezegd werd, alleen maar kapitalistische nonsens was. Maar hij sprak steeds zachter, want het leek hem, of de hemelpoort verbleekte. Toen hij bijna klaar was met zijn beschuldigingen aan het imperialistische westen, was er niets meer voor hem te zien. Petrus en Jozef stonden ook al vol verbazing te kijken. Voor hen bleef de hemelpoort de hemelpoort, maar zij vonden het maar vreemd, dat dat dikke, kale ventje langzaamaan geheel verwaasde.

“Wat zou dat betekenen?” vroeg Petrus.

“Ik denk”, antwoordde Jozef, “dat de hemel voor hem niet meer bestaat. Eigenlijk vind ik het erg naar voor hem, maar hij vindt nu nog wel een plaatsje in het vagevuur, of desnoods in de hel”.

Chroesjtsjov dacht waarschijnlijk, dat hij alles maar droomde, want hij begon al snel de weg naar beneden te wandelen. Daar stond de duivel net voor de hel. “Ha, die K.” zei de duivel. “Je hebt misschien wel wat goeds gedaan, maar ik kijk zo nauw niet.

Je hebt in ieder geval concentratiekampen helpen stichten. Kom er in, kerel!”

“U kent mij waarschijnlijk, maar mag ik ook vragen, wie u bent, kameraad?”

“Weet je dat niet? Ik ben de duivel zelf”.

Chroesjtsjov werd rood, stotterde dingen, die ook al door de censuur geschrapt zijn en begon hernieuwd uit te varen over perfide kapitalistische propaganda. Even later was ook de duivel voor hem verbleekt en zag hij ook de hel niet meer.

Nu wordt het verhaal erg droevig. Vele duizenden jaren later kwam namelijk Ahasverus na volbrachte boete bij de hemelpoort. Daarop vroeg men hem, of hij, die zoveel van wereld en al had gezien, de dwaalster Chroesjtsjov wilde zoeken, die al vele miljoenen jaren rondzwierf tussen hemel en aarde, zonder ooit ook maar iets te vinden.

Maar ook Ahasverus kon geen oplossing geven. Voor K. was er geen Kremlin meer, maar ook geen hemel, of geen hel. Want wanneer een mens nergens in gelooft, vindt hij ook niets. Dat is een treurig lot. Zelfs Petrus – en dat is veel gezegd – denkt nog wel eens over die zaak na. Dan mompelt hij bij zichzelf: “Ik wilde eigenlijk, dat zij maar met zijn tweeën waren geweest, dan hadden zij tenminste nog een partijtje kunnen kaarten”.

De moraal van het verhaal is tamelijk droevig. Wanneer wij iets werkelijk en met heel ons wezen verwerpen, verdwijnt het voor ons werkelijk, ook esoterisch. Zolang wij het kwade verwerpen, is dat natuurlijk schitterend. Wanneer wij het kwade niet aanvaarden en stellen: wij willen het kwade niet aanvaarden en wij willen de demonen niet zien, dan zijn alle demonen tegenover ons zo machteloos als de apen, die in Artis achter de tralies zitten. Op het ogenblik, dat wij niet in het goede geloven, kan ook het goede ons niet meer benaderen. De mens dient open te staan voor de dingen. Hij moet vrijelijk uit het zijnde alles in zich op kunnen nemen, wat goed voor hem is. Alleen zo kan het einddoel bereikt worden.

Hiermede komen wij tot de vraag: Wat moet de mens dan aanvaarden? Er is een verhaal, dat hierop een antwoord geeft Het gaat over de dagen, dat Jezus nog met St. Pieter over de aarde rondwandelde. Overigens heeft Pieter op deze tochten vaak domme dingen gedaan. Eens was Jezus met St. Pieter uitgegaan om kerken aan de mensen te brengen. Natuurlijk scheurde Pieter de zak, waar zij in zaten. Zo komt het, dat er nu nog in het zuiden veel meer kerken staan, dan in het noorden. Petrus heeft eenvoudig de kerken, die voor het noorden bestemd waren, onderweg verloren.

Op een van die tochten ontmoetten Jezus en Petrus een mens, die zeer goed voor hen was. Niet alleen gaf hij hen voedsel en onderdak, maar zelfs wat te eten voor onderweg. Petrus verbaasde zich over het feit, dat Jezus die mens niets schonk voor zijn gulheid. Eindelijk vroeg hij het. “Een mens, die met ware vreugde kan geven, is een gelukkig mens. Door hem iets te schenken, zouden wij hem alleen maar ongelukkiger maken.”

St. Pieter was het daar niet mee eens en bleef zolang aanhouden, zodat Jezus eindelijk toegaf. “Schenk die mens dan maar wat je wilt”.

Daarop schonk Petrus de man de gave, dat al zijn wensen zouden vervuld worden. Jezus meende, dat Petrus moeilijk iets gevaarlijker en slechter aan de man had kunnen geven.

“Maar je zult deze mens moeten observeren, zolang als deze beproeving voor hem duurt. Als hij in staat is ook maar drie maanden een goed mens te blijven met deze gave, zal ik alle gevolgen wegnemen en de man zelf een beste plaats in de hemel schenken”, sprak Jezus.

“Dat kan de man zichzelf ook wel wensen”.

“Let maar eens op”, meende Jezus.

Onzichtbaar keerden beiden terug en jawel, het spel was al begonnen. Bij het ontbijt had de man een stinkei gekregen. Nijdig had hij tegen de huishoudster gezegd – want die wilde natuurlijk niet geloven, dat zij een slecht ei opgediend zou hebben – “Ik wou, dat jij er met je neus in zat”. Pas toen de man tijdens de pogingen de oorspronkelijke toestand van des huishoudsters neus te herstellen, verzuchtte: “Had ik dat maar nooit gezegd”, keerde de rust enigszins weer.

Toen de man die middag naar de stad wandelde, zag hij een pluisje zweven: “Hé, kon ik ook maar zo zweven” en daar ging hij al, maar de eerste de beste verkeersagent hield hem aan wegens het te laag vliegen zonder brevet. De man kreeg een proces-verbaal. Hij wenste de zaak voor de rechter uit te vechten en omdat hij wilde winnen, won hij.

Steeds vreemder werden de wensen, steeds groter werden de gevolgen, steeds onrustiger werd het leven van de goede man. Zo onrustig, dat hij in een korzelige bui alles en iedereen naar de maan toewenste. U kunt er nu nog de gevolgen van zien. De maan draait en vangt altijd het licht op van de zon, maar als de zon schijnt op de zijde van de maan, waar al die naar de maan gewenste mensen nog steeds staan, is het op aarde nieuwe maan, want dan wordt er geen spiertje licht meer weerkaatst.

Naar men zegt eindigde het hele gedoe, toen de man eindelijk begrepen had, hoe hij aan de gave om wonderen te doen was gekomen en verzuchtte: “Ik wilde maar, dat ik die twee nooit had gezien. Ik wilde maar, dat mijn wensen niet vervuld werden”. Toen was alles natuurlijk voorbij. Maar het had hem veel moeite gekost zover te komen, want hij verlangde in het begin toch steeds weer zijn wensen vervuld te zien. Overigens werd hij voor zijn moeite beloond met een goede plaats in de hemel, dus had hij uiteindelijk niets te klagen.

Wij geesten en mensen zitten vaak in hetzelfde bootje. Wij willen er graag goed uitzien ter wille van God, de kosmische liefde, de geestelijke wijsheid. Wij zullen dan ook voor onze naasten heus wel eens iets goeds doen, maar wij verwachten, dat wij daarvoor dan naar onze wensen geestelijk licht, geestelijke kracht, geestelijk dit en geestelijk dat zullen krijgen. Zouden wij alle geestelijke gaven krijgen, die wij verlangden, dan zouden wij daarmede waarschijnlijk heel wat ongelukken maken. Het is dus niet voldoende het positieve te aanvaarden en het negatieve te verwerpen, ons open te stellen voor de Goddelijke waarheid. Wij moeten bovendien bereid zijn, al hetgeen wij nastreven, ook zelf te verdienen. Dat betekent, dat wij veel werk moeten verzetten om iets te worden. Vooral, wanneer wij naar de Goddelijke waarheid zoeken, want dan moeten wij allereerst onszelf leren kennen en doordringen tot de kern van ons wezen. Nu kun je natuurlijk jezelf op een soort geestelijke operatietafel gaan leggen en jezelf ontleden. Dan som je op: Ik heb zoveel fouten, zoveel gebreken, zoveel dit en zoveel dat, maar veel verder kom je ook daar niet mee. Want waar het om gaat is niet zozeer een redelijke kennis van je eigen weten, dan wel een gevoelseenheid met het Licht, met de Kracht, die in het diepste van je wezen verborgen liggen. Maar deze kern te ontdekken kost veel moeite, omdat wij trachten in het occulte, in het duistere, die tocht af te leggen.

Er was eens een man, die een heel groot huis kocht. Het telde 144 kamers, 7 keukens en een hele grote zolder. Onder het huis lagen echt-middeleeuwse kelders. Op een nacht werd de man wakker en hoorde een raam klapperen. Hij wilde dit dicht doen, maar vond het wat gek tegenover het personeel. Hij trok zijn kamerjas aan en ging zonder lamp op stap. Hij vond het losse raam al snel, maar de weg terug naar zijn eigen kamer vond hij niet. Hij kon ook geen licht maken, want dat had hij niet mee genomen. Alles vond hij, de kelders en de zolder, maar niet zijn eigen kamer. Die vond hij pas terug, toen het dag werd.

Zo gaat het ook in de esoterie. Je begint met te zeggen: Ik moet streven, ik moet zelfkennis hebben. Wat zit er allemaal in mij? De mens duikt gewoonweg onder in zijn eigen persoonlijkheid. Hij begint met psychologie, houdt zich bezig met het occulte, gaat alle voertuigen uit elkaar rafelen en doolt van astraal naar mentaal, verwart zich in de betekenis van het levenslichaam, om daarna weer wat hoger te zoeken.

U lacht? Veel mensen doen dit. Dan denken zij eerlijk, dat dit nu esoterie is, terwijl het in feite niet veel meer is dan een soort geestelijke uitslachterij. Wanneer je de waarheid wilt zoeken, maar geen licht hebt, zal je eerst moeten zorgen, dat je licht krijgt. Dan pas kan je je weg naar binnen vinden. Zelfs wanneer wij geheel openstaan voor alle krachten, wanneer wij positief zijn, kunnen wij geen zelfkennis bereiken, wanneer wij geen innerlijk Licht bezitten.

Dit geestelijk Licht komt uit uzelf. Het is geestelijk, een kwestie van gevoel en allesbehalve redelijk. Het Licht is het ene ogenblik in uw leven, dat u zelfs vergeet te geloven en alleen maar aanvaardt. De bewuste, of onbewuste aanvaarding van het Goddelijke Licht is het Licht van ons leven. Wanneer wij in onszelf zoeken gaan om de waarheid omtrent het Ik te vinden en misschien ook God te vinden in de kern van ons wezen, zodat wij vanuit onszelf de grote kosmische Godheid kunnen benaderen, dan moeten wij beginnen met aanvaarden, met het accepteren van het leven en alles, wat daarbij behoort. Anders komen wij niet verder.

Stel, dat wij dit Licht bezitten en aan alle voorwaarden kunnen voldoen. Wij gaan dan op dooltocht in onszelf. Zelfs dan is de kans nog groot, dat wij in de doolhof van het eigen leven verward geraken. Hoe? Denk eens aan de man, die zijn kam vergeten had.

Er was eens een mens die zichzelf redelijk goed kende, die alles geestelijk goed in orde had gemaakt. Maar, toen hij aan de hemelpoort kwam, wilde hij eerst eens zien, of hij er wel netjes genoeg uitzag. Wel had hij een spiegeltje, maar geen kam. Op de tocht naar de grote hoogten was zijn haar verward geraakt. Met de handen kon hij het niet naar zijn zin ordenen. Daarop vroeg hij aan Petrus een kam te leen. Deze meende: “Wanneer je binnen bent, komt dat wel in orde. Ik zie helemaal geen reden om mijn kam uit te lenen. Kom maar binnen”. De mens sprak: “Ik wil alleen gans netjes en in orde de hemel binnen komen”, waarop hij naar de aarde terugstormde. Hij is nog steeds niet terug en zijn haren zijn nog steeds in de war, want hij had vergeten dat een geest geen stoffelijke kam kan hanteren en gebruiken.

Wij hebben zo’n beetje onze trots. Wij zoeken de waarheid en vinden uiteindelijk, dat het nog wel gaat. Wij vergissen ons, wanneer wij menen, dat het erkennen van fouten in ons wezen een verdienste is. Wij vergissen ons bovenal, wanneer wij stellen, dat alles, wat wij mooi of waar vinden, ook werkelijk belangrijk is. Wanneer dan ook voor ons het ogenblik van inwijding komt, zijn wij maar al te zeer geneigd te zeggen: Wacht even, ik moet eerst alle gegevens die ik omtrent mijzelf bezit, netjes ordenen en groeperen. Het ogenblik van inwijding gaat ons dan voorbij, omdat wij vergeten, dat hetgeen wij met stoffelijk denken en geestelijk aanvoelen, vinden, niet meer te maken heeft met de alomvattende waarheid, die naar voren komt op het ogenblik van een inwijding, die een werkelijk doordringen in het ware Ik betekent en een bereiken van een innerlijk contact met God.

Helaas zien wij maar al te vaak, dat de mensen geen begrip hebben voor de werkelijkheid van een inwijding. Men meent, dat een inwijding komt, wanneer je altijd maar heel braaf en goed bent, maar het vreemde is, dat al degenen, die op aarde de grootste inwijding hebben gevonden – de levens der heiligen staan ons daar borg voor – de nozems van hun tijd zijn geweest. Steeds weer, wanneer wij iemand zien, die de grotere inwijdingen bereikt, zullen wij ontdekken, dat dit iemand is die daden aandurft zonder lang praten. Wanneer iemand gewend is te handelen en niet slechts te filosoferen, zal hij op het ogenblik, dat er een mogelijkheid tot inwijding komt, ook zeggen: Hier is voor mij iets te doen. Hij handelt. Natuurlijk laat hij zich helemaal leiden door de krachten, die zich in hem openbaren. Zeker zal een dergelijke mens nooit vragen: Mag ik a.u.b. eerst eens even kijken, of deze inwijding nu wel werkelijk bij mij past? Ons deel aan de inwijding is een aanvaarding, anders niet.

Met al deze factoren zijn wij al een aardig eind op de goede weg geraakt. Maar er is nog iets: De gewoonte.

Er kwam eens een meteoroloog in de hemel, die op aarde alleen beroepsfouten had gemaakt. Hij had wel eens mooi weer voorspeld op een dag, dat de mensen die hem vertrouwden, doornat door een wolkbreuk weg moesten vluchten. Toen hij in de hemel kwam, wilde hij het schrijven van weerberichten niet opgeven. Toen bleek, dat deze berichten altijd uitkwamen, ging hij aan zichzelf twijfelen, want hij was het nu eenmaal anders gewend. Daarom is hij de hemel ontvlucht, want toen alles zo goed ging, kon hij niet meer in zichzelf geloven.

Dit is voor de esoterie belangrijk. Wij moeten zelfvertrouwen hebben. Er komen in ons leven als mens en geest ogenblikken, dat wij voor alles op onszelf moeten durven vertrouwen. Dat klinkt verwaand, maar als wij moeten vertrouwen op de God, Die in ons woont, zo dienen wij ook in onszelf te vertrouwen. Want de God in ons is de basis van ons wezen, de ruggegraat van ons bestaan. Wij hebben dan ook niets te maken met al, wat er voor ons komt aan beproevingen, taken en inwijding. Wij kunnen dit alles rijkelijk aan. Wanneer er ogenblikken komen, dat wij Licht en Kracht krijgen, zodat wij zonder moeite verder kunnen streven, gaan wij vaak aan de waarde van het bereikte twijfelen en zeggen tegen onszelf: Hoe was het vroeger ook weer? Op het ogenblik, dat wij naar vroeger moeten teruggrijpen om het heden in eigen ogen aannemelijk te maken, zijn wij al verloren. Wij twijfelen dan immers. Esoterie in zijn hoogste vorm eist een absolute aanvaarding van de Lichtende krachten, die in ons zijn. Dan eerst mogen wij de grote bereikingen ook de onze noemen, eerst dan kunnen wij werkelijk binnengaan in het kosmische Licht.

Er zijn vele mensen, die zeggen: Ik ben te eenvoudig voor al die zware esoterie. Neem mij niet kwalijk, maar…: “in den beginne was het Woord”. Eén woord is genoeg om het ontstaan van heel de kosmos weer te geven. U kent meer dan één enkel woord; u voelt meer dan één enkele kracht. Zou u dan niet in staat zijn om met uw kennis en leven iets te begrijpen van de kosmos en er een eenheid mee te bereiken? Is er wijsheid nodig om de kracht van je spieren te gebruiken? Uitdrukkelijk niet. Is er dan wijsheid nodig om de krachten Gods te kunnen gebruiken, die even natuurlijk de onze zijn? Neen. Wel is een aanvaarding van God zowel als de Kracht noodzakelijk.

Elke mens kan aanvaarden. Op het ogenblik, dat je meent, dat het bij de aanvaarding hapert, dien je er allereerst voor te zorgen, dat je niet meer van jezelf denkt: ik kan dit niet, of dat, dat gaat niet… . Zeg jezelf telkens weer: “Het kan, want mijn God is met mij. Of ik verstand heb of niet, of ik kennis heb of niet, het geeft niet. Ik zal een weg vinden. Wanneer ik maar blijf handelen naar eigen beste weten en inzicht, betrouwende op de kracht, die mij leidt, zal ik slagen en daarin een inwijding vinden, want ik heb de kracht in mij.” Op deze wijze kan een ieder iets bereiken.

Een tweede fout zien wij vaak optreden, omdat menigeen kennis stelt boven innerlijk beleven. Er zijn mensen, die denken: Wanneer ik naar genoeg lezingen ga en genoeg boeken lees, word ik vanzelf esoterisch bewust, dan ken ik dus ook mijzelf en zal ik worden ingewijd. Het enige boek, waarin het ware geheim der inwijding opgetekend is, is het Boek der Schepping. Al het andere is maar en aftreksel van de grote waarheid. Alles wat u kunt leren, kan u verder helpen. Maar u mag nooit uw kennis tot basis maken van uw zoeken naar waarheid. De waarheid ligt in uzelf. Vertrouw dus ook hier op uzelf en weet, dat God Zich aan u openbaart. U kunt redelijk veel kennis hebben, maar uiteindelijk kan zij – esoterisch – nooit een werkelijk grote betekenis hebben.

Een andere vaak voorkomende fout is de stelling: Wanneer ik nu maar in God geloof, kom ik er vanzelf wel. Ik zal zo nu en dan wat bidden en dan komt alles wel voor elkaar. Maar zó is het niet. U zult zelf moeten handelen en niet alleen woorden gebruiken. In Gods wereld heeft alles zijn eigen pogingen te volbrengen. Zolang u stationair blijft in stoffelijk en geestelijk opzicht, mag u niet verwachten, dat een ander u verder zal dragen. Eerst wanneer de wil en de eerste daad er is, zal een andere kracht u misschien helpen veel sneller en beter te bereiken, dan u alleen ooit zou kunnen. De betekenis hiervan kunnen wij in de geest beter begrijpen, dan u in de stof. Wij verplaatsen ons geestelijk zeer snel. Het vreemde is daarbij, dat wij ons doel moeten kennen en de eerste schrede doen. Daarmede bereiken wij dan automatisch. De wil en de actie zijn bij ons aanwezig. Dit is dan genoeg om in één stap van New York naar Sydney te komen, of van de laagste sfeer naar de hoogste. Wij zouden ons nooit kunnen verplaatsen zonder die eerste schrede, die eerste handeling, zelf tot stand te brengen. Dit geldt esoterisch meer dan ergens anders. Begin dus. Misschien dat hetgeen je begint niet geheel zuiver of goed is volgens menselijke inzichten, maar wanneer je eerlijk gelooft, dat dit het beste is om een bepaald doel te bereiken, heb je daarmede een eerste stap gezet. Verder kunnen andere krachten je dan dragen, maar nooit voordien.

Sommige mensen denken ook wel, dat esoterie een geheim is. Ook dit is een fout. Ware esoterie is geen geheim. Zij is ook niet occult en behoort niet onder goochelen met geestjes. Esoterie is gewoon de nuchtere kern van het werkelijke bestaan zien met een terzijde stellen van alle conventies, burgerlijke opvattingen en schoolwijsheden, die je bezit. Esoterie is het erkennen van de relatie tussen jou en het Goddelijke. Dit is immers het enig werkelijke? Dit draag je van binnen. Natuurlijk kunnen wij allen veel bereiken. Dat is wel zeker. Toch kunnen wij niet te allen tijde evenzeer en evenveel bereiken. Een mens, die denkt, dat hij op slagroom alleen kan leven, heeft theoretisch gelijk, maar praktisch wordt hij er na korte tijd misselijk van. Een mens die denkt, dat hij alleen op geestelijke wijsheid voort zweven kan, door de kracht der hemelen door zal kunnen gaan tot in de eeuwige zaligheid, maakt een grote kans, dat hij te pletter valt door zijn geestelijke vermoeidheid.

Het is belangrijk, dat de mens het geestelijk streven weet te paren met een stoffelijk streven, dat hij aan stof én aan geest beiden voldoende nadruk geeft. Wanneer je op het ogenblik licht en duister tegenover elkaar zet, lijkt het net Sparta-Fyenoord 5 – 1. In de laatste tijd zijn door de Krachten des Lichts heel wat slagen gevoerd, die goed gelukt zijn. Er wordt veel bereikt. Wij hebben zoveel kunnen bevorderen, zoveel kunnen afremmen, zoveel gebeurtenissen zijn er, die de wereld weer naar het juistere evenwicht toe te brengen, dat dit wel tot Licht voor heel de aarde moet voeren. Wij bereikten iets in korte tijd. Wij zouden eigenlijk onze werkzaamheden kunnen vertalen in slagzinnen: “Ook al lijkt het overal nog donderen, steeds gebeuren er weer wonderen.” De tweede: “Rede of onredelijkheid, eigen lust of plicht, één leidsnoer zal nu bestaan: Het Goddelijk Licht”. U vindt deze uitdrukkingen misschien grof of meer passend voor een reclamecampagne. Ook de radioslagzin: “U vraagt en wij draaien”, zouden wij esoterisch kunnen parafraseren: “Wie God zoekt, hoort Zijn stem”.

Wat is esoterisch gezien uw familie? Zijn wij niet allen broeders en zusters in de geest en in de stof? Wij dienen te zoeken naar Licht voor heel de mensheid. Degene, die op dit ogenblik zichzelf kan vergeten bij een zoeken naar het Licht, wie alleen maar denken durft aan de mensheid en al wat daarmee samenhangt, zal wat bereiken, die helpt iets goeds tot stand te brengen. Er hangt een bordje aan de muur, waarop staat: “Maak je geen zorgen, het is zo gebeurd…” Deze leuze zou ik voor willen houden aan allen, die zich over de toestand op de wereld zoveel zorgen maken. Wanneer je naar de tandarts gaat, denk je aan je gezondheid. Als je de wereld ziet en haar wilt verbeteren, denk je toch niet alleen maar aan je eigen ik-je. Dan moet je voor alles denken aan de kosmische gezondheid, aan de innerlijke en kosmische evenwichtigheid. Daar gaat het om. Wanneer u zich eens zorgen maakt over de ontwikkelingen, of over gebeurtenissen, die komen – in oktober begint er weer zoiets – maak je dan geen zorgen, want het is zo voorbij. Als u maar vast weet te houden aan hetgeen waar het om gaat. Indien u maar vast weet te houden aan de innerlijke zekerheid, aan Gods Licht, dat met u is. Wanneer u dit doet, hebt u precies gedaan, wat wij aan alle mensen trachten bij te brengen. Er komt wel een verandering, die volbracht wordt op een wijze die inhoudt, dat als de mensheid maar klaar staat om haar te aanvaarden met voldoende vertrouwen in zich en God, maar anderzijds ook met een positieve houding, die doet zeggen: wij zullen hierop af gaan, want God zal ons helpen ook deze moeilijkheden te overwinnen…, dan wordt de wereld een paradijs.

Op het ogenblik zijn wij geestelijk weer aan het winnen. Die geestelijke winst breidt zich uit op elk terrein. Alleen wanneer de mensen ook klaar staan, wanneer de grote mogelijkheden gegeven worden, zal het grote wonder ook werkelijk en helemaal gebeuren. Want wij kunnen u de pap wel in de mond geven, maar slikken moet uzelf.

Hiermede besluit ik dan mijn bijdrage. Mag ik degenen die denken dat dit geen esoterie is, nog op iets opmerkzaam maken? De enige, die geen gevoel voor humor heeft in de kosmos, is de duivel. Wanneer er een wezen in de Schepping is, dat humor bezit, zo is dit God Zelf wel.

Daarom lijkt het mij niet noodzakelijk een preektoontje aan te slaan en de waarheid met plechtstatigheid te brengen. Laten wij niet vergeten, dat het preektoontje vele mensen op het ogenblik onaangenamer in de oren klinkt, dan een sirene of luchtalarm.

image_pdf