Het geheim van de dood

4 mei 1958

De dood, er is op de wereld daaromtrent wel veel geschreven en gedacht, maar wanneer we teruggrijpen naar de oude waarheden, dan ontdekken we daar toch wel een zeer bijzondere visie, die – zover mij bekend – met de werkelijkheid overeenkomt. Ik zal zo vrij zijn om veel van de ietwat mythologische beelden, die gebruikt worden, voor U te vertalen in een enigszins meer technisch Nederlands.

Het sterven zelve is een afscheid nemen van een bepaalde wereld. Eerst wordt de levenskracht samengetrokken in de mens en hierdoor ontstaat een langzaam maar zeker afflauwen van elke gevoeligheid in het lichaam. Deze levenskracht verkrijgt een zeer grote spanning in het lichaam zelve. Zij trekt zich samen in de centra, waarin de zenuwverbindingen zijn gelegen en vertoeft een tijdlang rond het hart. Daarna vloeit de laatste kracht omhoog door de ruggengraat en daarbij voegt zich ook de kracht, die zich rond het hart bevindt. Dit brengt met zich mede, dat het denken met de totaliteit van de in de hersenen gelegen herinneringen zeer snel wordt geactiveerd en de laatste ogenblikken een bijna eindeloze tijdsspanne schijnt te zijn, waarin het verleden kan worden herleefd. Dan – met een laatste samentrekking – verplaatst alle levenskracht zich naar de aura en wel speciaal naar het astrale lichaam. – Het astraallichaam zal vervolgens deze krachten tezamen ballen op een zodanige manier, dat het mentaal lichaam volledig met deze krachten is bezield en het etherisch lichaam t.o.v. het dan bestaande voertuig een zelfstandigheid krijgt, als eens het astraallichaam had t.o.v. de stof.

Het klinkt misschien enigszins technisch. Maar in de vele beelden, die hiervoor gebruikt zijn, kunnen we duidelijk deze gegevens aflezen. De dood van de mens is niet zoals men denkt een langzaam uitklinken en insluimeren of wegdrijven uit de werkelijkheid. Het is een bewust en scherpomlijnd proces, waarin wij ons wel degelijk van ons vroegere leven zeer veel herinneren. Het is goed, dat deze herinnering bij ons bestaat, want juist zo zullen wij in het laatste ogenblik van onze eenheid met een stoflichaam het totaal van onze herinneringen kunnen vergaren en meenemen naar andere werelden. Deze herbeleving duurt betrekkelijk kort. Er wordt bij ons een tijdsduur aangenomen van maximum vijf minuten. In die vijf minuten kunnen ongeveer veertig levensjaren intens beleefd worden. De herhaling, zoals deze plaatsvindt, gebeurt in een zodanig tempo, dat bij een terugkeer tot de wereld dit praktisch niet meer te realiseren is. Voor die tijd en ook na de periode van herinnering echter is de gevoeligheid voor geestelijke krachten zeer groot.

Wanneer ik weer teruggrijp naar het bedoeld wijsgerig betoog, dan kunnen we daar vinden, dat de oude priesters reeds het volgende daaromtrent schreven; “Op het ogenblik, dat de sluier valt over het spel der zintuigen, ontwaakt de geest tot haar werkelijk bestaan. Er is een vreemde wereld van licht en duister, waar de diepe slagschaduwen bevolkt zijn met sombere figuren en het licht ons schijnt uit te nodigen om op te trekken tot een vreugdig veld, dat wij nog niet geheel kunnen overzien.” Dit is volledig waar. Wanneer wij stoffelijk het lichaam in rust kunnen brengen, is het ook voor de stofmens mogelijk om vele geestelijke gebieden te betreden. Hij leeft daar, hij werkt daar en kan daar voortdurend zichzelf gelijk zijn. Dus altijd weer een geheel eigen leven leiden, onafhankelijk van hetgeen in de stof gebeurt.

De consequenties hiervan zullen U duidelijk zijn. Het leven, zoals de mens dat voert, kan aangevuld worden door een geestelijk bestaan. Komt de dood, dan wordt dit geestelijk bestaan veel werkelijker en lijkt – bij een bewust beleven van een geestelijke sfeer reeds tijdens het stofbestaan – de geestelijke wereld steeds meer werkelijkheid, terwijl de stof verwaast tot een droom, die bepaalde ervaringen en waarschuwingen kan inhouden. Nu heeft Descartes eens gezegd, dat alle leven een sterven is. En andere wijsgeren hebben dat onmiddellijk aangevuld; Wanneer je op de wereld komt als mens, begin je afscheid te nemen. Je neemt afscheid van verloren minuten, dan afscheid van bepaalde toestanden en belevingen; op de duur ook afscheid van veel wat je in de wereld kende, van mensen, die je dierbaar waren en al wat dies meer zij. Logischerwijze kan men op deze manier het sterven zien als de climax van het stofleven en niet als een neergang, een ondergang. Deze climax betekent een terugkerende werkelijkheid, waarbij de droom – soms een nachtmare gelijk – vergaat en de stoffelijke onwerkelijkheid vervangen wordt door het wezenlijk bestaan, dat wij te allen tijde kennen.

Om dit betoog aan te vullen ben ik zo vrij ook te putten uit leringen, die in onze eigen wereld worden gegeven. En daarbij wordt de verhouding stof en geest dan van onze zijde uit als volgt gekarakteriseerd; Leven betekent je bewust zijn. Je kunt slechts daar leven, waar je bewustzijn je toestaat de wereld te kennen. Ons wezen echter blijft zich van zijn eigen wereld bewust, ook wanneer het neerdaalt in de stof of langere tijd zou vertoeven in lagere sferen door andere oorzaken dan schuldbewustzijn en verwerping van het goddelijk Licht. Wij komen zo voort uit onze eigen wereld en gaan van daar tot de materie. In deze materie, dit stoflichaam, beloven wij datgene wat niet belangrijk en niet werkelijk is, tenzij dan als een licht, geworpen op onze huidige daden en ons streven in ons eigen bestaan.

Ik heb U niet zonder enige redenen juist deze punten genoemd. Per slot van rekening leef je in de wereld dus altijd in meer of mindere mate met ondergang en dood. En wie zoekt naar bewustzijn, wie zoekt door te dringen achter de normaliteit van een stofbestaan, zal dan ook steeds weer alle verschijnselen van het sterven, de verschijnselen van andere werelden op zijn pad vinden. Het is goed, dat wij ons realiseren, dat onze eigen wereld, onze geestelijke wereld, voortdurend ons nabij is; dat wij er deel van uitmaken en dat de krachten, die wij daar kennen, ons ook bijstaan, terwijl wij in de stof verkeren.

De wereld, waarin de doorsneemens voor zijn incarnatie verkeert, is er een, die niet alle vorm heeft verloren, Ze werd eens door een dichter, die pas was overgegaan, getekend in enkele coupletten, die ik – waar ze in een vreemde taal waren geschreven – maar wederom voor U overzet in Nederlands; Eeuwige pijnbossen, geurend als wierook, Weiden van smaragd, geboetseerd en bezaaid met edelstenen, die bloemen zijn. Tempels, die witmarmeren ranken op de heuvelen en klokken, die zachtjes roepen tot een voortdurend gebed. Een wind, die een loflied zingt. En mensen, die de vrede ademen, als bereiden zij zich voor de vleugels uit te slaan, vlinders, die op zullen vliegen naar de zon.

Dat is ook voor de meesten van U het vaderland. Het werkelijke land, waarin U thuishoort. En in dat land worden banden gevlochten met meesters en leraren, worden voortdurend contacten gelegd, die veel verdergaan, dan men zich in een vormwereld nog kan voorstellen. Want wij allen hebben onze eigen meesters, zoals wij gezocht hebben naar waarheid in onze eigen tempel, in ons eigen denken en Godsbewustzijn. En deze leraren of meesters zijn vaak onze geleiders, wanneer wij in een aards bestaan een tijdlang stoffelijk gebonden ronddolen. Terugkeren tot de wereld betekent een taak aanvaarden. Een taak, die volkomen vrij staat van al wat menselijk wel als taak wordt gezien. Soms krijgen wij  alleen de taak om enkele arabesken te tekenen op het blanke vlak van een materieel bestaan. Wij duikelen als clowns door het leven heen en weten niet waarom we lachen, waarom we wenen. Soms ook is het onze taak om een vore te trekken, zoals de ploeg door de akker snijdt en nieuwe vruchtbaarheid geeft, de verborgen werkelijkheid onder de harde aardkorst open legt, tot ze vrucht kan dragen.

Onze taken in de materie zijn in de eerste plaats wel; het vervullen van een scheppingsplan, het tot stand brengen van eeuwige waarden. Daden, die wij hebben gesteld in de materiële wereld, gaan nooit verloren. Zij blijven afgedrukt tot een stempel in de materie. En al is onze taak soms zo schijnbaar nutteloos als die van de wind, die schuurt langs de rotsen en toch in duizenden jaren afrondt wat scherp is, tot glans brengt wat eens ruw en ongevormd scheen, zo hebben wij een invloed. Een invloed, die de volmaaktheid schept. Onze meesters, de groten en bewusten, leiden ons daarbij. De krachten, die regeren in de hoogste werelden van het licht, behoeden ook ons, wanneer wij onze taak naar behoren vervullen.

Er is een vreemde eenheid, die juist de dood van de mens maakt tot het ware leven. Een grote, een wonderlijke band, die alle werelden omspant, zeker. Maar ook het intiemst denkbaar persoonlijk contact met een kracht, die eigenlijk alle dingen gelijk schijnt te betekenen. Het is een stem, die in ons spreekt, het is een adem, die ín ons ademt. Het is het vuur, dat ons warmte en koude doet ervaren. En deze grote kracht – geopenbaard juist op het ogenblik van het sterven – betekent voor de bewuste de werkelijke bevrijding.

Daarom zal niemand, die zoekt naar de inhoud van het leven, angst mogen hebben voor de dood. De dood is het herbeleven van wat lang verloren scheen. Het is het weer aanvaarden van een werkelijkheid, opdat men – ontwakende uit een angstige droom – wederom een dagtaak kan vervullen in een wereld van lichte geest, van vrede. En achter alle deze dingen ligt wat men wel geliefd te noemen, de grote liefdekracht van het Al. Ik geloof, dat het woord “liefde” hier niet voldoende is. Liefde is een binding, die je persoonlijk ervaart met anderen. En dit is meer. Het is een volkomen eenheid, waarbij geen gedachte en geen ademhaling meer denkbaar is zonder al het andere, waarvan je deel uitmaakt. Zo ademt God in ons. Zo zullen wij eens in Hem ademen en weten, dat we leven.

De dood hoeft echter nog meer eigenaardige kwaliteiten. En dan grijp ik weer terug naar de oude boeken der priesters en vertaal U enkele zinsneden; “Wanneer de ziel weg wiekt van de wereld, zijn er vele vreemde werelden, die zij betreden kan. Werelden geboren uit vuur. Werelden bewoond door monsters. Maar ook tuinen vol zaligheid.” En ook dit is waar. Voor de mensheid op deze wereld begon te leven, waren er andere werelden met grote steden, met torens, die naar de hemel staken, en mensen die geloofden in een God. En vele zielen van deze werelden zijn gereïncarneerd op de aarde, omdat ze nog niet in staat waren het ware geestelijk bestaan, het droomloze en rustloze geestelijk leven te accepteren.

Wanneer de aarde zo dadelijk wegdrijft na een laatste afscheid van het licht, dan zullen er ook van deze werelden weer zielen opwieken naar andere werelden en daar leven. Werelden in vele kleuren. Werelden met vele gestalten. Soms zo geestelijk en lichtend, dat het levend wezen daar niets anders is dan een lichtvlek, die danst in de zon en die in zijn licht leven geeft aan al, wat het ontmoet. En andere werelden, waar een vraatzuchtige schaduw zich verbergt voor het laatste licht om alle leven in zich op te nemen en het te absorberen, te leven ten koste van alle dingen. Deze wereld is niet slecht – er zijn veel somberder werelden – maar ze is ook niet licht en vrolijk. Ze is als de kleur, die haar kentekent. De kleur van het groen, een teken van geloof, van vertrouwen en hope. Geloof in God en een beter leven. Vertrouwen in de zin van het bestaan. Hoop op een ontwaken in een andere en lichtender wereld.

Maar deze stoffelijke treden zijn niet bestemd voor ons, wanneer we verder willen gaan dan alleen maar stoffelijk leven en genieten. Deze werelden zijn deel van het Grote Spel. En onze meesters zullen ons soms ook daar een taak kunnen opdragen. Maar indien wij onze lessen leren, indien wij weten reeds in het stofbestaan op deze wereld de eenheid te realiseren, wanneer we die eenheid versterken, wanneer we rusten mogen in de zalige velden van een wereld vol schoonheid in de geest, dan keren wij niet meer tot de stof terug. Dan sterven wij geen tweede maal, maar stijgen wij op naar het licht.

Je zou het misschien weer het best kunnen zeggen met de woorden van die dichter in onze wereld, die trachtte in de eerste 150 jaren van zijn bestaan daar een epos te scheppen, dat deze wereld en haar werkelijkheid recht zou doen. Hij zegde toen; “Als zeepbellen hangen de werelden in de ijlte van de ruimte. En op de dunne, schemerende huid spelen zielen hun spel, gebonden in vorm. Soms weerspiegelt zo’n zeepbel de schoonheid van het Al en is een tuin vol wonderen. Somwijlen is zij ook vol van de schaduw en de monsterlijkheid, die bestaan kunnen als contrast met de zuiverste schoonheid. Doch mijn ziel, wat trekt gij uit deze vergankelijkheid? Weet toch dat al, wat ge daarin aanschouwt, slechts de spiegeling is van Uw eigen wereld en Uw eigen wezen. Droom niet, mijn ziel. Zie de schoonheid van de zeepbellen, die dansen op de oneindigheid; maar ken Uw eigen leven, dat werkelijk is en onvergankelijk.”

Dit is de waarheid over de dood. Een waarheid, die U misschien vele malen heeft getekend gekregen, maar waarvan de inhoud deze keer toch een ietwat andere was. Want men heeft mi] gezegd, dat ik U iets moest brengen van het geheim van het leven. Welaan, het geheim van het leven, vrienden, is dat wij ons eerst in de dood bewust kunnen worden van de spiegeling, die onze wereld is. Niet het werkelijke, maar het vertekende beeld van de ware gestalte, van de ware wereld in de bol, die U thans nog noemt; Uw werkelijkheid.

o-o-o-o-o

Het is misschien een beetje vreemd contrast, als U juist op een van de eerste zonnige dagen,  daar de dood als les krijgt voorgeschoteld. Maar dat komt waarschijnlijk, omdat wij de dingen van een andere kant zien. Per slot van rekening, wanneer U wakker wordt en U ziet ‘s morgens de zon, dan bent U blij. Wanneer U dood gaat en U ziet het eerste licht, dan zult U ontdekken, dat het contrast nacht en zonnige dag eigenlijk nog niets is. Maar het ligt nu niet direct in de bedoeling, dat wij over dit onderwerp blijven doorgaan, want er zijn nog zoveel dingen, die ook belangrijk zijn in het leven. En het gaat weer lopen naar het einde van het seizoen, dus we moeten in de lessen, die ons resten, proberen om zoveel mogelijk werkelijke waarden op de voorgrond te stellen. En daarom zal ik maar meteen van leer trekken.

Leven betekent op vele vlakken gelijktijdig actief zijn. Je handen doen dit, je ogen zien dat, je hersenen denken weer wat anders en je geest realiseert nog weer wat anders. Die vele vlakken van activiteit worden oppervlakkig tot een eenheid samengebonden. Want al doen Uw handen het één, zien Uw ogen het andere en denkt U het derde, dan is er toch een zeker samenspel in, een zekere harmonie. Er kan van elk vlak weer een bewustzijn naar elk ander vlak rijzen. Het punt van samenkomst is altijd gelegen op het hoogste vlak, het hoogste niveau, dat voor U op dat ogenblik bereikbaar is. Men noemt dat de rede plus het onderbewustzijn.

Zo staat het nu ook in ons werkelijk bestaan. Wij doen veel dingen, die onafhankelijk van elkaar geschieden. En op aarde zult U heel veel doen, dat voor Uw geest net zo interessant is als dat breien, dat U automatisch zit te doen of dat aardappels jassen, waarbij het eigenlijk alleen maar om het resultaat gaat. Wanneer U dat nu goed in de gaten houdt, dan zullen de volgende stellingen waarschijnlijk niet zo vreemd klinken en dan zult U daar misschien ook Uw conclusies aan willen verbinden.

In de eerste plaats; Dat wat je op aarde doet is nooit belangrijk, tenzij dan om de resultaten, die je ermee kunt winnen. Datgene wat stoffelijk bereikt wordt volgens een stoffelijke wereld is over het algemeen onbelangrijk. Alle fouten kunnen hersteld worden. Want een fout herstellen betekent niet in de geschiedenis van de wereld die fout veranderen, maar voor jezelf een zodanige aanpassing vinden, dat die fout wordt tot een deugd, tot een nieuwe realisatie. Leven – in stof en in geest – brengt met zich mede een voortdurende strijd. Deze strijd openbaart zich in de mens meestal als twijfel. Hoe sterker die twijfel is, hoe groter de hoeveelheid krachten, die moet worden gebruikt om voor het “ik” nog een zekere aanvaarding te bewerkstelligen. Het is voor ons dus goed om die twijfel zo klein mogelijk te houden, opdat wij niet te veel met onze aandacht gebonden zullen zijn aan het materiële alleen. Zogenaamd stoffelijk praktisch denken en leven heeft slechts waarde, in zoverre het ’t ons mogelijk maakt ons stoffelijk werk te voltooien.

De taak, die wij in de stof hebben, is altijd te herkennen aan de volgende punten. In de eerste plaats; Hoe en waar ben ik geboren? Dit is bepalend voor de taak, die U gekozen heeft en toont U het beginpunt. In de tweede plaats; Welke niet door mij beheerste toevalligheden hebben invloed uitgeoefend op mijn leven? Wanneer U die opsomt, dan ontdekt U, dat deze U in een bepaalde richting hebben gedreven. Dit is het beeld, de buitenlijn van de taak, de omtrek. Dan vraagt U zich ten derde af; Hoe ben ik in staat geweest in al deze dingen toch steeds weer vrede en innerlijk geluk te vinden? Dit geeft U aan, in hoeverre U in staat bent geweest Uw taak te vervullen en ook waar U eventueel een paar steken hebt laten vallen. Om dan die taak – die stoffelijke taak reeds nu in het leven zo goed mogelijk te volbrengen -, ga je dan proberen (na dus de vaststelling; hoe ben ik geweest in al die dingen?) met voor jezelf het volgende te doen.

In de eerste plaats; Zonder mij te veel aan de fouten in het verleden te binden, ga ik mij afvragen in hoeverre zij hun invloed in het heden doen gelden. Wanneer ik die factoren in het heden erkend heb, zal ik trachten ze zo te verbeteren, dat het heden voor mij aanvaardbaar is. Het is mijn taak steeds weer het ogenblik “nu” voor mijzelf volledig aanvaardbaar te houden, zodat ik zonder zelfverwijt met een innerlijke vrede a.h.w. voort kan gaan.

In de tweede plaats; Al wat ik doe, al wat ik onderga, heeft zin, ook geestelijk. Er kan niets gebeuren, dat geen betekenis heeft. Het is niet aan mij om die betekenis op het ogenblik al na te zoeken, waar ik de werkelijke samenhangen nog niet kan overzien. Wel is het echter mijn taak om datgene, wat ik doe, voortdurend ook met een hogere intentie te volbrengen. Hoe meer ik deze intentie kan leggen op de voor mij werkelijk goede punten in het bestaan, hoe intenser ik ook mijn eigen levenswerk zal kunnen voltooien.

Dan; Hoe meer ik in mijzelf harmonisch leef en hoe meer ik een eenheid ben zonder te grote angsten of te grote verlangens, hoe groter de kracht is, die ik zal bezitten. Dit betekent, dat in een geval van overgang ik dus in minder tijd meer zal kunnen absorberen van het stoffelijk leven zo mijn geestelijk bewustzijn aanmerkelijk zal kunnen vergroten. Hoe meer ik inzicht krijg in mijn eigen persoonlijkheid, hoe gemakkelijker ik ook een beeld van de wereld schep. In dit beeld van de wereld moet ik bewust trachten al wat lelijk is zo veel mogelijk te ontkennen. Dit doe ik door de gunstige waarden, die in alles – zelfs in het grootste ongeluk – gelegen zijn, voor mijzelf steeds weer op te sommen en op de voorgrond te brengen. Ik begrijp hierdoor de positieve werking, die van alles op aarde uitgaat, kan daarmede meestreven en één zijn en kan ten dele mij doen dragen door het leven zelve.

Dan zijn er nog een paar punten, die ook wel belangrijk zijn. In een stoffelijk leven kan gezondheid vaak een invloed uitoefenen op het bewustzijn en ook op de geestelijke bewustwording. Er zijn ogenblikken, dat wij om een les te leren een zekere ziekte moeten ondergaan, een zeker lijden moeten kennen. Het heeft weinig zin ons daartegen te verzetten. Maar wij mogen dit niet dulden als een last, waartegen wij niets doen. Het is onze taak een zo groot mogelijke harmonie in onszelf te scheppen. Dat betekent ook, dat wij de ziekteverschijnselen zoveel mogelijk onderdrukken, zoveel mogelijk doen verdwijnen, dan wel omvormen tot iets, dat gemakkelijker te hanteren en te dragen is.

Om nu die gezondheid te bevorderen kunnen wij heel goed putten uit geestelijke krachten, Wij doen dat het best door concentratie. En wanneer het ons lukt de krachten van onze geest in de stof merkbaar te maken o.a, ten bate van de gezondheid, zal blijken, dat de ontwikkeling, die we zuiver stoffelijk doormaken, gelijktijdig een vergroting van innerlijke vrede en eigen potentie betekent. We kunnen meer volbrengen, we kunnen meer verdragen, we kunnen meer begrijpen en overzien. Het realiseren van deze potentie tot handelen en begrijpen is belangrijk, waar het ons weer voor de geest een grotere reeks van details geeft, aan de hand waarvan het geestelijk leven beter kan worden gewaardeerd.

Een beetje droge kost. Een beetje zonder de fraaiheid, die U misschien op een zondagmorgen verwacht. Maar …. goed, we moeten zo’n enkele keer ook op de praktijk wijzen. Wanneer U al die voorgaande dingen nu goed hebt bekeken, dan zult U voor zichzelf zeggen; “Neen, dat leven heeft schijnbaar veel meer zin, dan je zo oppervlakkig denkt. En alles, wat erin gebeurt, heeft veel meer zin.” Dan zul je ook gaan zeggen; “Ja, maar waar krijg ik dan eigenlijk een leidraad voor wat goed is?” Nou, die kan ik U ook geven. Want alles, wat voor de geest goed is, betekent een bevestiging van het leven, nooit een ontkenning.

Levensontkenning is voor de geest niet aanvaardbaar. Wanneer je het leven verwerpt, dan wreekt in de eerste plaats het denken zich door het verworpene toch weer voor je op te bouwen. In de tweede plaats heb je de werkelijke ervaring niet, en kom je dus in je latere herinneringen veel betekenisvolle waarden te kort. Daarom kun je het voor jezelf het best zo stellen; “Ik zal noch metterdaad noch in gedachten ooit het verwerkelijken van mijn dromen schuwen, zolang deze dromen niet voor mijzelf een verwijt betekenen.” Op het ogenblik dus, dat je dingen denkt, waarvan je zegt; “Ja, eigenlijk is het niet goed,” en je denkt er nog eens over na en je zegt; “Ja, het is eigenlijk wel heel slecht, maar ik ben nou eenmaal zo,” dan heb je daar iets gevonden, dat je moet ombuigen tot iets, dat wel voor je aanvaardbaar is.

Een voorbeeld; Je houdt van uitgaan, maar je voelt dat zo uitgaan naar een nachtkroeg eigenlijk niet deugt voor je, dat het slecht is en allerhande onaangename consequenties met zich brengt. Probeer dan uit te gaan met dezelfde vreugde voor een strandwandeling of een wandeling door de bossen. Dan zul je tot de conclusie komen, dat je daar dezelfde bevrediging kunt vinden, zodat de honger verdwijnt, zonder dat je daarmee het zelfverwijt op je laadt. Het zoeken naar een harmonische oplossing voor alles, wat in je leeft, is dan ook wel erg belangrijk. Stoor je in ’s hemelsnaam niet aan de conventies. Dat heeft geen zin. Maar stoor je vooral toch wel aan elk aarzelend zelfverwijt, dat er in je is. Op het ogenblik dat er even maar iets niet goed lijkt, probeer het dan om te buigen, zodat het goed is volgens je bewustzijn. Ook al moet je het dan in een heel andere richting gaan zoeken, dan je oorspronkelijk dacht. Dat is de werkelijke oplossing. Op die manier verrijk je je leven en verrijk je het leven van anderen meestal ook. Want je bent dan in staat om – laten we zeggen zonder de aardse conventies te veel te storen of zonder mensen uit hun gewone denken en doen te brengen – aan alle mensen toch weer een inhoud te geven.

Bedenk, dat de vreugde, die je in jezelf draagt, altijd iets is, dat je rijkelijk aan anderen kunt mededelen. Hoe sterker een mens van binnen is, hoe meer vreugde hij heeft en hoe meer kosmische liefde (dus niet persoonlijk gerichte liefde) hij in zich kent voor het gehele zijnde – niets uitgesloten – hoe meer hij ook in anderen dit licht kan ontsteken. Het ontsteken van dit licht in anderen betekent gelijktijdig, dat je zelf meer van de waarheid ziet op de wereld en dus ook beter bent voorbereid op een eventueel geestelijk verdergaan.

Vraag Uzelf nooit af of het wel kan, wanneer U weet dat iets goed is. Alles wat volgens Uw weten goed is, is te verwerkelijken. Er is niets, dat U daarvan kan terughouden. Om de doodeenvoudige reden, dat wat volgens Uw weten werkelijk volledig goed is en waarvoor U zich geheel wilt geven, te allen tijde met Uw geestelijke wereld in overeenstemming is en alle kracht van Uw geestelijke wereld dan ook onmiddellijk tot uiting kan worden gebracht in de stof. En dat is heel wat meer dan menigeen denkt. Het is net – om een vergelijking te gebruiken – of je nog met een gulden in je zak loopt en je komt ineens tot de ontdekking, dat je een miljoen op de bank hebt staan. Als je je geestelijke kracht weet te gebruiken, dan staan de verhoudingen, van wat je op aarde kunt volbrengen, precies zo als van die ene gulden tot dat ene miljoen. En dan reken ik dat miljoen met alle belastingen en lasten eraf, dus zuiver om te besteden.

Als je dat nu allemaal in de gaten hebt gehouden, zul je wel begrijpen, dat op het leven eigenlijk heel weinig is aan te merken, wanneer je het maar goed leeft. Het kan je een hele hoop vreugde brengen, een hele hoop plezier. Het kan je een hele hoop innerlijke sterkte brengen. En ik geloof, dat je verstandig doet – wanneer we nu toch al over de dood hebben gesproken vandaag – om het leven dan maar te beschouwen als iets, dat je zo goed mogelijk moet oplossen. Opdat die dood (en wees er niet bang voor; hoe eerder die komt hoe meer je boft – ook al denk je er op aarde anders over) werkelijk voor je wordt een ontwaken uit een droom, die zoveel kostbaarheden heeft meegebracht, zoveel nieuwe ideeën, dat je in je eigen wereld nog vrediger, nog lichter en nog zonniger leeft. Nou, dat was dan in het kort, wat ik vandaag wilde bespreken. Ik hoop, dat jullie me dus niet kwalijk nemen, dat ik hier en daar een beetje zakelijker ben geweest; en dat jullie bij het nalezen nog eens na wilt gaan in hoeverre dit allemaal ook bruikbaar is. Er zijn er verschillenden bij hier, die kunnen – wanneer zij die regeltjes gebruiken – al een heel eind verder komen.

ROZEROOD

Een levend juweel, dat fonkelt van dauw en in zijn rode glans weerkaatst de liefde van een God, Die heel de wereld gadeslaat. Een levend schoon door doornen omzetten. Doornen, die je bij het aanschouwen van het rood haast zou vergeten. Toch, rozerood kent doornenpracht. En soms….dan trekt de doom bloed en brengt aan ’t rood een nieuwe gloed van leven en van mensen.

Er bloeien rozen in de geest. In alle kleuren – wit het meest; en daarna rozerood. Rozerood in diepe glans herinnert aan de dood en overwinning. ’t Is niet licht van zuivere glans als ’t wit, maar ’t doet nog denken aan het leven. Maar weet, dat met dit geest’lijk rood het lijden is verweven. Men kan niet slechts de geuren roemen en zien de pracht; want zo men haar beroert….een vreemde kracht voort U voort tot lijden.

De doornen der rozen, die spreken ontzegging, die spreken ontkenning van veel, dat zou. Zijn. Ze zeggen; De volheid van kleur betekent niet slechts pracht maar pijn. En om het rozerood voor zich dan te bezitten moet men de pijn ook kunnen doorstaan.

Een wereld, zo vol van geluk en van zon; een wereld, zo vol van levensjuwelen, waarmee je als mens in ‘t aardse bestaan voor een wijl’ zo vrolijk zou willen spelen – en toch niet mee voort kunt gaan. Een teerheid, een broosheid, die dra vergaat als een bloem, die verlept, wanneer ze wat staat zonder water, vervreemd van haar eigen bestaan.

Kort, kort gloeit het rood van de rozen. Dra is het met ’t leven der rozen gedaan. Maar de vrucht, die zij dragen, die voert hen weer voort tot een volgende tijd. Zo kan de kracht, die in ons bloeit als rozen, soms zijn iets, dat van leven tot leven geleidt je en knoopt steeds de banden opnieuw.

Maar waaruit zijn de rozen ontstaan? Waarom bloeit die roos daar zo wit of zo rood? Omdat de aarde haar leven schonk en haar voeding en krachten bood,

Zij leeft uit de aarde, zij leeft uit de zon, zoals gij leeft uit schijn en uit werkelijkheid. En zoals zij verbloeit en keert tot ’t begin, zo is er een levensweg, die leidt. door het spel van zelfzucht, zoete min, naastenliefde zonder grens, van chaos tot het kosmisch zijn. Dan is de roos een mens, die dra vergaat. En het rood is de gedachte, die hij beperkt nog achterlaat, wanneer hij opgaat tot de Nachten van ’t zijn, tot ’t hoogste Licht,

Dat is zo’n beetje, wat hier Uw rozerood in mij doet opkomen. Weet U, wanneer wij eigenlijk zo denken aan een bloem, dan zien wij altijd haar volle schoonheid. Wanneer zij in knop is, is zij onaanzienlijk. Wanneer ze vergaan is, vinden we haar lelijk en zouden we haar weg willen werpen. Maar we vergeten dan heel vaak, dat het een levenscyclus is,

Zo is het met ons ook. Daar is altijd in ons leven wel iets, dat eerst nog kracht moet gewinnen en openbloeien. En wanneer dat eenmaal gebeurd is, ja, dan krijg je de glorie van de bloem, de volheid van het leven. Maar terwijl die volheid begint, denk je dat zij het doel zelve is. En dan heb je het verkeerd gezien. Het leven bestaat om vrucht te dragen; om bewustzijn te geven, Maar niet alleen om schoon te zijn. En dan treuren we heel vaak om onze verwelkende bloem, omdat we nog niet begrijpen, dat. dat nodig is, voordat het leven werkelijk vruchten draagt.