Het Goddelijke buiten ons

uit de cursus ‘Filosofieën van het Goddelijke’ 1955-1956

Wij moeten ervan overtuigd zijn dat ‑ hoe wij ook leven en waar wij ook gaan ‑ datgene wat wij God noemen altijd met ons is. Maar een mens ‑ en ook heel vaak een geest ‑ is geneigd om voor alles buiten zichzelf te beschouwen. Nu weten we allen dat ook deze beschouwing tot persoonlijke waarneming kan worden teruggebracht met slechts relatieve waarden t.a.v. de werkelijkheid. Maar toch beschouwen wij dan de wereld buiten ons en zoeken daarin God.

Er is zeer veel, ik zou haast zeggen onnoemelijk veel gefilosofeerd over het Goddelijke, juist in de wereld buiten ons. De alleroudsten hebben dit reeds gedaan met hun zoeken naar goden, die natuurkrachten beheersten. Zij hebben het gedaan met het toeschrijven van goddelijke eigenschappen aan de geest van een bepaalde plaats. Hun denkwijze moge dan vaak hebben geleid tot een Olympus, tot een godenheir, zij was echter gebaseerd op het zoeken van elke mens en van een groot gedeelte van de geest (zeker de lagere geest) naar een god, die buiten hem staat, die hij kan ontmoeten en waarin hij niet slechts kan ingaan en kan opgaan.

Stel nu dat wij God gaan beschouwen (herinner u onze beschouwing van de vorige keer hierover) in al het zijnde, dan kunnen wij van onze kant zeggen: Er bestaat geen tafel, er bestaat geen stoel, geen steen, ja, geen zandkorrel, geen atoom, lucht of het is God. Want alle kracht is uit God. Maar wanneer wij het zelf beleven, zegt een korrel zand ons weinig; een tafel en een stoel zeggen ons nog veel minder.

Als we God zoeken buiten ons, dan is het eigenaardig genoeg vaak een samentreffen van verschillende krachten, dat ons tenslotte het goddelijk aspect in de wereld buiten ons toont. Men heeft God heel vaak gezocht in het geweld. Men heeft God gezocht in het onweer, in de donder met zijn dodende bliksem die daaraan voorafgaat en verteert. Men heeft Hem gezocht in de wind, die als een gierende orkaan de vlakten schoonveegt. Men heeft Hem zelfs gezocht in de stilte. En in al deze dingen is God.

Moge het ook zijn dat in de joodse leer, later door de christenen overgenomen, Mozes op de berg God niet vindt in de aardbeving, niet in de storm, niet in het hemels vuur maar alleen in de stilte, dan is dat een kwestie van Mozes. Het is niet een kwestie van de mens. Voor sommigen is het natuurgeweld van een door storm opgezweepte zee een herinnering aan de grote kracht en oneindigheid Gods.

Men noemt vaak de natuur het meest kenbare aspect van het Goddelijke. Ik kan mij voorstellen dat dit voor sommigen van u waar is. Desondanks meen ik dat wij die God buiten ons eerst eens aan een nauwkeurige beschouwing moeten onderwerpen. Als ik mij voorstel dat ik een mens ben (voor een ogenblik weer een mens met een lichaam, levend op een beperkte wereld) en ik wil daar mijn God zoeken, dan ga ik uit. Ik ga door de straten van de stad, totdat ik buiten ben waar de natuur haar stilte kent en ik schouw naar de ondergaande zon. In de wolken tekent zich een rijkdom van kleuren af. Het is haast mystiek in het langzaam wordend duister. Dan zeg ik: Ja, daarin vind ik God. Waarom?

Ik zie de kleuren goed. Maar wanneer ik de kleuren elders zie of anders zie, zeggen ze me omtrent God nog heel weinig. Toch zijn het ook de kleuren van de wolken bij een buitengewoon mooie zonsondergang, die mij het Goddelijke zo sterk voor ogen helpen roepen. Wat komt er dan verder bij? De zon die achter de horizon zinkt. Zeker. Maar er zijn ook dagen dat zij ondergaat in een flets licht en zegt zij mij niets. De stilte. Het kan stil zijn, zonder dat ik eigenlijk God vind in de stilte. Schijnbaar is er een combinatie van omstandigheden noodzakelijk om mij nader tot God te brengen.

Als ik deze scène dus ga ontleden, dan kom ik tot de volgende ontdekking: de geboeidheid, de geconcentreerdheid van mijn wezen is niet alleen gericht op de kleur, op de dalende zon of op het wordend duister, ze is gericht op het geheel van de omstandigheden. Daardoor worden gevoelens in mij gewekt en eerst deze gevoelens doen mij God zien in wat er buiten mij is.

Het is belangrijk dat we deze laatste uitdrukking onthouden: een gevoel in mij. U kunt naar buiten gaan en plotseling een schitterende bloem zien. U gaat die beschouwen en buigt u tot haar. En terwijl u zo al die tere verkleuringen van de blaadjes ziet, de wonderlijk fijne structuur, denkt u: ja, God is toch groot. U ziet dit als directe schepping Gods en U gaat er een ogenblik in op. Maar er zijn andere bloemen, die helemaal niet die ontroering in u wekken. Waarom deze ene bloem dan wel? Alweer: U ontwaart in u iets bijzonders en daardoor projecteert u a.h.w. uw weten en kennen omtrent God op een voorwerp in de buitenwereld.

Nu ik God buiten mij zoek, kan ik dus overal gaan zoeken. Het is misschien een somber gezegde, maar men kan God vinden op de mesthoop en in de oneindigheid. God is een ster en een stukje afval; want al deze dingen zijn uit God geboren. Maar de wijze waarop ik ze beschouw, de waarde die ze voor mij hebben, vooral de emotie die ze in mij wekken, bepalen of ik werkelijk hierin God zal zien of niet.

Emotie, gevoel. Maar dat zijn weer werkingen die in mij leven. Hoe moet ik ze dan zien? Is het misschien mijn geest die in zich een verborgen beeld Gods draagt en nu plotseling iets daarvan herkent in een waarneming door de stof? Is het misschien ‑ wonderlijke vraag – alleen maar een samentreffen van omstandigheden dat mij het onverklaarbare van de schepping voor ogen stelt? En reageer ik daarom zo? Wekt dat die gevoelens in mij?

Ongetwijfeld zou ik hierover zeer veel kunnen zeggen. Ik meen genoeg te doen met vast te stellen dat de gevoelens in ons moeten voortkomen uit eigenschappen die in ons wezen liggen. Eigenschappen die ten dele tot het rijk van de geest, maar ook zeker ‑ wat ik vanuit mijn standpunt nog veel gemakkelijker en beter beoordeel dan u ‑ een deel zijn van het zuiver stoffelijke.

God is het onbegrepene. Hetgeen we in de wereld rond ons niet kunnen begrijpen en toch kunnen aanschouwen, is eigenlijk voor ons het symbool van God. God is het eeuwige wonder zolang we Hem in de wereld buiten ons hebben gezocht. Hij is altijd het wonder gebleven. En zodra het wonder ophoudt te bestaan, schijnt God daaruit voor ons te verdwijnen.

Gij zult zeggen: Maar ik weet toch wat een bloem is. En ik weet hoe de zon ondergaat. Ja, u weet. Het is een kennis. Maar het is niet iets wat u zelf kunt doen, wat u zelf tot stand kunt brengen. Het is niet iets wat gij beheerst. Er zijn geheimzinnige krachten waarvoor gij namen hebt, die dit alles tot stand brengen. Maar gij kunt voor uzelf niet bepalen hoe dit alles werkt. Daarom: God.

Het onbegrepene in de wereld buiten ons is God. Maar hoe meer we leren begrijpen en beheersen van de wereld rond ons, in des te meer dingen wij onszelf zullen zien en des te minder het Goddelijke uit de wereld buiten ons tot ons kan komen. Elke verrijking van ons wezen, elk verstandiger worden, elk rijper worden, brengt met zich mee dat de wereld buiten ons minder goddelijk wordt, maar gelijktijdig dat wij meer van deze wereld in onszelf kennen en begrijpen. Zouden wij de gehele wereld begrijpen, dan zou er in die wereld geen God meer zijn. Dan zouden wij meester van de natuur zijn in plaats van de slaven ervan. De natuur zou voor ons geen God meer zijn, maar een werktuig.

Als ik verder in deze lijn doorga, komt er een ogenblik waarop ik dan alles moet weten. Want het leven gaat voort, onophoudelijk. Steeds meer wordt mijn geest rijp en rijk beladen met kennis en wetenschap, steeds meer verwerft zij zich macht en beheersing. Hoe meer er aan macht en beheersing over het geschapene in mij leeft, des te minder ik God daarin zal kunnen zien. Er moet een ogenblik komen dat er geen God buiten mij is. Het gevaarlijke moment, waarin je jezelf de vraag gaat stellen: Ben ik God of ben ik geen God?

Het antwoord kunnen wij op het ogenblik natuurlijk gemakkelijk geven, zeggende: Gij zult nooit God zijn. Want gij kent niet uw eigen oorsprong en gij zijt niet uw eigen oorsprong. Maar goed, dat vergeet men te gauw.

De mens en de geest zijn maar al te zeer geneigd al hetgeen zij beheersen onmiddellijk tot zich te trekken als macht, als iets dat het hunne is; hun recht en hun erfdeel. En hetgeen zij niet bezitten, vergeten zij maar al te vaak in hun grote rijkdom.

Zo is het begrijpelijk dat wanneer al het zichtbare, al het kenbare aan ons onderworpen is, God daarin voor ons niet meer bestaat. Wij Vragen ons niet af: Waar is het vandaan gekomen? Wij zeggen: Wij zijn er meester van. En dan … zijn wij de eigenaars, de scheppers, de makers. Wij vergeten dat wij werken met een grondstof, die wij niet zelf hebben gemaakt. Het bewustzijn laat niet toe God buiten u te zien als een werkelijkheid. De God in u zult gij kunnen zoeken, ongetwijfeld. De God buiten u sterft.

De ontwikkeling nagaande van de gedachten hieromtrent moeten wij langzaam maar zeker de hele ontwikkeling van de mensheid mee betekend zien in deze bewustwording.

Eerst veel goden, onnoemelijk veel goden. Kleine goden. Een god die een beek doet murmelen, een koele bron doet opwellen. Een god die als een echo van een schalmei over de velden danst en vruchtbaarheid geeft, Een god die toornend zich verschuilt in de wolken en grommend zijn bliksemstralen uitzendt. Goden in elke golf, in de zee. Goden overal. Maar de wijzen en de filosofen gingen reeds vaststellen dat deze goden eigenlijk maar attributen waren van één macht. Men gaat alles steeds meer terugbrengen tot één God. En uw wereld is zover dat zij eigenlijk nog maar twee goden kent buiten zichzelf. Twee ongekende krachten die in de natuur en in alle dingen tot uiting komen: goed, en kwaad. Wij geloven in één God, maar we vereren er a.h.w. twee. De God van het kwaad en de God van het goede.

Het resultaat is dan ook dat onze vereenvoudiging ons heeft beroofd van veel wonder-beleven. Het wonder van een met geesten en goden doortinteld woud, wordt, vol van bovennatuurlijke krachten is ons ontnomen. Er blijft misschien nog over de stille kathedraal, de dom van levend hout, waarin wij ons een ogenblik tot God wenden; maar die wij weten te zijn, een volkomen natuurlijk product, opgebouwd volgens wetten die wij kennen en dat te veranderen is naarmate het ons invalt.

Wij moeten natuurlijk verder. Wij moeten naar één God toe, ook in ons werkelijk geloven en niet alleen maar in ons woord-geloven. Maar tot nu toe staan goed en kwaad nog steeds buiten ons. Want wij zien alle krachten die van buitenaf op ons inwerken als factoren buiten onze beheersing. Wij kunnen er toch niets aan doen, als plotseling iemand die wij liefhebben, heengaat? Dat is de wil des Heren. Wij kunnen er toch niets aan doen, als we plotseling een grote meevaller hebben? Dat is toeval of ‑ als we vroom zijn ‑ God Die ons, zijn dienaren, dat heeft geschonken. Het zijn dus eigenlijk relaties tot onszelf, die God geworden zijn; de relaties van de wereld.

Een God Die ons iets ontneemt, is een boze of toornige God Die we vrezen. De God Die ons iets geeft, Die ons troost, ons beloften geeft van voortbestaan, dat is de goede, liefdevolle God. Alweer, omdat we minder goden kennen en meer en meer komen tot een conceptie van de ene God ‑ het is ons gevoel, onze reactie op de wereld, die bepaalt hoe we God vinden buiten ons.

God is leven. Maar God is voor ons ‑ in de stof en in de lagere sfeer ‑ niet het leven dat in ons woont, want dat zijn wij zelf. God is het leven rond ons. Maar waar komt voor ons wezen dat leven rond ons vandaan? Kan er iets bestaan, wanneer we niet meer voelen of denken of horen?

God kan misschien het grote scheppingsspel voortzetten, wanneer ons bewustzijn is gedoofd. Maar voor ons niet. Voor ons leven deze dingen alleen maar, als we leven. Dus: het leven in de andere dingen, waarin wij God vinden, is uit onszelf voortgekomen.

De mens, die God buiten zich zoekt, die Hem zoekt in een Koningrijk der Hemelen ergens gelegen boven de wolken, misschien in de stratosfeer; de mens, die een slechte God vreest, een demon ergens in de kern der aarde, die mens verheerlijkt eigenlijk alleen zichzelf, zijn eigenschappen. Toch hebben we er behoefte aan. Wij kunnen niet zonder de God buiten ons. Wij kunnen nu wel al de waarden ervan gaan afbreken en analyseren, maar op een gegeven ogenblik moet je even ‑ al is het maar met één zucht ‑ iets van het goddelijke wonder kunnen beleven. Anders ben je als mens of als geest ongelukkig; dan lijkt je het leven zo vaag, zo leeg; dan zit er geen beweging, geen gang meer in.

Wat is dan de God buiten ons?

De God buiten ons is de projectie van al hetgeen er reeds in ons leeft maar waarvan wij ons niet bewust zijn.

De God buiten ons is eigenlijk het totaal van onze mogelijkheden die we wel bezitten, maar nog niet kunnen realiseren. De God buiten ons is de kracht die in ons bestaat, maar waarvan wij ons niet bewust zijn. Daarom kunnen wij niet buiten die God. Daarom kun­nen wij het niet stellen zonder deze voorstelling van een bovennatuurlijk wezen dat daadwerkelijk zonder ons weten of beheersen ingrijpt.

Wij kunnen die eenvoudige, ware God nog niet aanvaarden. Wij kunnen nog niet geloven in een God, Die alleen maar is: LEVEN, KRACHT, waaruit alles wordt geschapen door ons bewustzijn, door onze wording. God, Die de wereld voor de mens heeft geschapen misschien, maar de mens heeft gesteld tot HEER over de wereld. Dat vergeet men.

Wij zijn t.o.v. de schepping ‑ stof en geest ‑ a.h.w. in Gods plaats. Wij hebben de eigenschappen en de mogelijkheden om al hetgeen wij nu goddelijk noemen eens zelf te zijn. Al hetgeen ons thans een wonder lijkt, zal later een eenvoudige uiting zijn van ons bewustzijn en onze kracht. Wij weten diep in de kern van ons bestaan dat het leven zo volledig en afgerond moet zijn. Dat er ergens iets moet zijn dat ons alles kan geven wat wij verlangen; iets dat alle kwaad kan vernietigen. Wij weten niet dat wij het zelf zijn. Ook daarom moeten we wel iets buiten ons stellen dat dan voor dat gedeelte van ons wezen, dat wij niet kunnen beheersen en regeren of waar wij te weinig van af weten, optreedt en handelt. Iets, waaraan we onze eigen fouten kunnen wijten. Iets, dat de lasten van onze schulden kan dragen. Dat noemen we God.

Wat wij zien als een God buiten ons wezen, in de natuur misschien of in een kerk, misschien in de meditatie, dat zijn wij allemaal zelf.

Wij kunnen eenvoudig niet zonder deze aanvulling. Vraag u dan af: Hoe moet ik met deze God buiten mij werken? Hoe moet ik dat bevatten?

Probeer uzelf daarop een antwoord te geven, omdat ieder buiten zich zijn eigen God heeft. In ons leeft dezelfde kracht. En de God buiten ons is de aanvulling van onze persoonlijkheid, van het deel der schepping dat wij in de volmaaktheid zijn en dat wij voor onszelf trachten te bereiken.

Ik voor mij beleef het zo: God is al datgene wat ik niet ben. Buiten mij is God al wat ik in mij zou willen bezitten en niet bezit. God buiten mij is het gemis, waaronder ik lijd, omdat ik de volmaaktheid nog niet kan bevatten.

Ik weet dit, maar ik kan het niet als een werkelijkheid beschouwen. Want deze God moet voor mij leven, anders zou ik in zelfverwijt moeten gaan neerzitten en eenvoudig het leven langs mij heen laten gaan. Dat kan ik niet. Want de ware God, de God, Die het leven in mij is, heeft mij één ding opgelegd, dat vloek en zegen is tegelijkertijd: je moet leven of je wilt of niet. Nu in deze, dan in gene wereld, maar onophoudelijk leven. Leven, totdat je eens komt in een sfeer waarin je één bent met alle leven en daar – ook verder levend ‑ in ieder geval de persoonlijke ervaring van het leven kunt terugbrengen tot een algemene, tot een deelhebben in een volmaaktheid in plaats van zelf te worstelen om een volmaaktheid te bereiken. Ik geloof in die God buiten mij.

0, ik weet wat Hij is. Toch geloof ik erin. Ik kan niet zonder dat leven, omdat er in mij nog zoveel gebreken zijn. Er is zoveel dat ik zou willen doen, maar dat ik niet volbreng. Er is zoveel dat ik in mij voel als iets dat niet goed is, dat verkeerd is, omdat ik de werkelijke reden en waarde ervan niet begrijp. En ik moet iemand hebben, die ik daarvoor vergeving kan vragen. Want ik durf niet tegen mijzelf te zeggen: Je bent met het ene deel van je bewustzijn dwaas en je stelt het andere deel van je bewustzijn er tegenover om het dan maar weer goed te maken.

Is het een wonder dat we altijd moeten spreken over een God van Liefde? Er moet voor ons een God zijn, Die liefde heeft voor al het geschapene. Wij kunnen er geen andere goden meer tegenover zetten. Die fase zijn we ontwassen. Wij kunnen niet meer verschillende goden tegen elkaar uitspelen als een schizofrene scheppende kracht, die zichzelf bestrijdt tot aan de finale vernietiging. Wij kunnen alleen maar zoeken, altijd weer zoeken naar een God Die ons helpt de volmaaktheid te bereiken. In onszelf kennen we onze onvolmaaktheid, hebben we de diepe afgrond van onze gebreken gevonden. We weten dat er volmaaktheid is al kunnen we haar ons niet voorstellen. En dan hebben we een God nodig Die voor ons compenseert.

Onze God Die we buiten ons zien, is de compensatie van ons leven dat wij zien als onvolledig en niet goed. Wij kunnen niet vrij zijn in de schepping. Daar hebben wij de moed niet voor. Wij durven de verantwoordelijkheid voor ons leven niet dragen in de schepping. Daarvoor zijn we te bang. Wij durven de wereld niet vanuit een zuiver persoonlijk stand­punt benaderen en beleven. Wij zijn veel te weinig overtuigd van onze eigen waarde. Daarom hebben wij die God nodig.

Ja, dan moeten we toch proberen de relatie met die God zuiver te maken, ook al geloven we dan dat deze God door ons wezen in de wereld komt; dat Hij a.h.w. een uiting is van de levende kracht in ons wezen, daar wij als persoonlijkheid in Gods wereld het geheel van de in ons levende kracht moeten zijn.

Wij hebben ons de vraag gesteld: Hoe benader ik God?

Ik moet God benaderen met een vol vertrouwen. Het vertrouwen dat ik niet in mijzelf heb, moet ik in God hebben, want anders heb ik helemaal geen houvast. Een God buiten mij, een God Die ingrijpt en Die de wereld rond mij weer in orde brengt, als ik heb gefaald. Omdat ik geen zelfvertrouwen heb, moet ik vertrouwen hebben in God.

Maar ik mag niet bang zijn voor God. Want heb ik angst voor God, dan heb ik angst voor een gedeelte van mijzelf. Die angst zal mij benepen, bang en klein kunnen maken; die zal mij kunnen wegdrijven van een vollediger en groter bewustzijn. Ik moet God zien als een God van Liefde, want anders kom ik er niet.

Hoe moet ik tot die God gaan? Ik moet mijzelf aan die God durven overgeven als mijn wezen niet in staat is te volbrengen. Een mens die op een gegeven ogenblik met zijn denken niet ver genoeg komt, neemt zijn handen en schrijft zijn gedachten neer om uit deze verkorte gedachten later verder te berekenen wat het eindresultaat is. Zo moeten we doen tegenover God. Onze God is a.h.w. het rekenbord waarop wij ons wezen steeds weer omschrijven. Waarop wij de som maken die tenslotte moet uitkomen in het getal 3: de drie‑eenheid van ons wezen, de drievoudige uiting van de levende kracht, het drievoudig bewustzijn dat terugvoert tot de grote eenheid.

Daarom mogen we niet aarzelen naar God te gaan, hoe vaag of hoe scherp omschreven wij die God ook kennen. Wij moeten tot die God gaan. De een doet het met bidden, de ander alleen met een stil vertrouwen. Hoe gij het ook doet, het hindert niet. Gij kunt niet zonder God, Die voor u de aanvulling is: Degene, Die alles geeft wat gij nog niet bezit.

Een filosoof heeft in de laatste tijd hierover een beschouwing opgesteld, waarin hij zei: “De wetenschappelijke naam voor de God van de meeste mensen is onderbewustzijn. “Ik zou dit willen uitbreiden: Alle God buiten ons is niets anders dan de naam die wij geven aan hetgeen onbewust in ons bestaat. En zoals het onderbewustzijn soms kan doordringen in de mens en hem plotseling kan brengen tot een intuïtieve handeling, tot plotselinge realisaties, versnelde prestatie, tot bereiking daar waar hij anders zou aarzelen, zo kan onze God als wij Hem werkzaam maken in ons wezen, voor ons datzelfde betekenen op onze weg naar bewustwording.

Na al deze dingen te hebben gezegd over de God buiten ons, moet ik dan toch ook spreken over de God in ons. Zoals er een God buiten ons is, moet er een God in ons zijn.

Wat is God in ons wezen?

God in ons wezen is de volmaakte uiting, die in ons mogelijk is. Wij kunnen nooit de volheid van God geheel beleven of zijn. Wij kunnen wel ‑voor zover wij daartoe bestemd zijn en deel uitmaken van Zijn wezen ‑ een gedeelte van Zijn volmaaktheid in ons bevatten. Wij kunnen uit het leven nooit meer levenskracht putten dan wij kunnen bevatten, dan ons gegeven is., Wij kunnen nooit verder komen in het leven dan datgene, wat in den beginne reeds door de Schepper voor ons is vastgesteld. De God in ons is het bewustzijn deel te zijn van de grote Macht Die altijd wel voor ons een raadsel zal blijven.

In ons is een bewustzijn dat alle wereld voor ons kan vervullen. Ik zei u reeds: Al datgene wat we buiten ons zien als prestatie van het Goddelijke is in ons aanwezig. Wij behoeven slechts tot de God in ons te gaan om alles te realiseren wat ook maar aan mogelijkheid voor ons wezen denkbaar is. Alles wat wij willen zonder meer. “Vraagt en u zal gegeven worden. Klopt en u zal worden opengedaan”. Ja zeker, als gij durft aankloppen bij de levende kracht in uw eigen wezen! Want gij zult uzelf niets weigeren wat voor uw wezen bewustzijn kan betekenen. Gij zult uzelf niets onthouden. Gij zult u geen poort van bewustzijn sluiten zolang in u een bewust verlangen daarnaar vraagt. De eenheid van uw wezen maakt het zelfs de God in u onmogelijk u te weigeren wat gij verlangt, indien gij intens verlangt en uw leven daarop durft baseren en opbouwen in vol vertrouwen dat het Werkelijkheid wordt. Of gij nu bidt tot een God achter de wolken of tot een stenen beeldje dat gij in uw handen draagt of dat gij teruggrijpt naar de kern van uw wezen of in verdwazing het vormloze rond u aanspreekt, het blijft hetzelfde, Want al wat voor ons kan zijn is in ons.

Bestaat er dan nog meer dan dat?

Ja, er is meer dan de God in ons en buiten ons. Er is meer dan het leven zelf en de volle volmaaktheid daarvan. Er is meer dan een projectie van dit wezen in de buitenwereld Maar wat dat is, kunnen wij niet zeggen. Wij zijn er een deel van. Geheimzinnige krachten komen uit het Onbekende.

Zij doorspoelen ons en geven ons de voortdurende volheid van al wat er in ons leeft. En zij verdwijnen weer en wij weten niet waarheen. Steeds weer komt die kracht. Zolang die kracht er is, leven wij. Zolang die kracht er bestaat, leeft de God in ons.

Mag ik die Kracht, leven noemen? Ik geloof het niet. Want het moet meer en minder dan leven tegelijk zijn. Tenslotte is leven bewustzijn. Wat niet bewust is, dat is immers dood volgens menselijke opvattingen.

Méér dan bewustzijn. Méér dan het leven zelf. Het grote raadsel der oneindigheid. Maar dat is iets waarover ik u niet veel kan zeggen. God is overal. Maar wat God is weten wij niet. Wij kunnen trachten het te bepalen. En wij zullen ons een volgende keer zeer zeker daarmee bezighouden. Thans meen ik voldoende gezegd te hebben en besluit dan ook de beschouwing voor deze avond,

Tempeldienst

Een tempel is het huis van God. Een tempel is een plaats van verering en aanbidding. Een tempel is een heiligdom. Degenen die zich aan de tempeldienst wijden, zorgen dat deze tempel waardig blijft aan de Kracht die erin wordt vereerd, dat het Huis des Heren rein blijft, zodat het Hem waardig is.

Ieder kan de tempeldienst op zijn eigen wijze volbrengen. Want er zijn vele tempels en vele vormen, waarin men God aanschouwt en God aanbidt. Maar alle tempels zijn tenslotte slechts beelden, buiten ons gestelde waarden, die de God moeten weergeven en het contact met God dat alleen in ons wezen kan plaatsvinden,

Waar kunnen wij God eren? Slechts in ons hart, in ons wezen, de kern van ons zijn. Waar woont de goddelijke Kracht, die wij kunnen bereiken in ons. Want zij is ons leven. Zo zijn we voor onszelf de tempel Gods, Heel ons leven behoort dan ook een tempeldienst te zijn. Een dienst, zoals in de oudheid zovelen, mannen en vrouwen, hebben bewezen aan hun goden. Een zich overgeven en zich wijden aan de God. Het volbrengen van Zijn taak, het spreken van Zijn woord, het volvoeren van Zijn wil.

Een tempel moet beheerd worden, want zij moet in goede staat blijven. De tempel van ons wezen moet in goede staat worden gehouden.

Daartoe hebben we deel te nemen aan het leven van onze sfeer. En hoe vollediger de zorg is die de priesters, tempeldienaren hebben voor het uiterlijk van de tempel, hoe beter het vaak zal gelukken om een goed en waardig offer in die tempel te brengen ‑ zij het dan, dat men het uiterlijke stelt boven de waarde van het offer. Zo moeten we in onze sfeer, altijd weer trachten ons qua wezen ‑ want ons wezen, ons uiterlijk, ons vertoon, ons lichaam, ons voertuig is toch tenslotte de tempel, waarin het leven woont ‑ zoveel mogelijk waardig te maken aan de Schepper Die ons het leven heeft.

We moeten trachten het uiterlijk en het innerlijk zo goed en zo schoon mogelijk te houden, zo rijk mogelijk te voorzien van al datgene wat nodig is om het leven tot uitdrukking te brengen. En wanneer we dat loven dan uiterlijk tot uitdrukking hebben gebracht, is het nog niet voldoende, want dan moet er van buitenaf iemand in de tem­pel komen en een offer opdragen.

De geest gaat uit in de wereld. Zij zoekt naar de waarden die voor haar het belangrijkst zijn. Zij neemt schoonheid en bezit, zij neemt vreugde en smart en draagt dat tot in de diepste kamers van het verborgen “ik”. Is de tempel slecht, dan zijn de dienaren slecht. Dan is er een schatkamer waarin angstvallig de schatten worden behoed. Maar eert men in de tempel God op een waardige wijze, dan wordt al wat binnen komt geofferd aan die God.

Zo is dit de ware tempeldienst: Neem wat het leven u geeft. Verzamel de rijkdommen van uw wereld, van uw sfeer, maar verzamel ze voor uzelf. Verzamel vooral datgene, wat gij in uw hart kunt binnendragen. Verzamel de kennis, de wijsheid, de liefde, de haat. Al datgene wat er bestaat aan emotie, al datgene wat er bestaat aan weten en bewustzijn. Breng deze dingen dan in uw wezen en leg ze op het altaar van het leven. Draag al wat uw bestaan u geeft aan vreugde en aan smart op aan uw Schepper. Dan zijt gij degene die dient in een tempel. Dan is het uw tempeldienst die u nader brengt tot God.

Er staat geschreven dat God sprak in het Heilige der Heiligen tot de Hogepriester: “Welaan, gij zijt Hogepriester in uw wezen en gij kunt spreken tot uw God.” Maar de Hogepriester kon slechts binnengaan als hij was gereinigd, als de offers waren gebracht. En vele dienaren brachten dan ook voor deze plechtigheid alles binnen. Zij maakten de binnenplaatsen schoon. Zij sloten de hof voor de ongelovigen af. Zij stookten het vuur op het altaar. Zij vulden het gewijde vat met water.

Deze diensten moeten onze zinnen en zintuigen ons bewijzen. Deze dienst moeten we vragen van rede, begrip en verstand, van bewustzijn en geest. Opdat deze priester ‑ na het offer ‑ zijn ziel voorbereidende, deze kunnen doen binnengaan in het Heilige der Heiligen, de kern van de levende Kracht die wij zijn, opdat daar het hoogste dat er in ons bestaat, nederig luisterend, Gods woord kan ontvangen.