Het Goddelijke werk

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 10)   juli 1958

In de schepping heeft elke mens zijn eigen plaats, zijn eigen lot, zijn eigen moeilijkheden en ook zijn eigen mogelijkheden. Wij kunnen die mens beschouwen als een deeltje, dat in het Al bestaat. Doen we dit, dan blijven er zekere vrijheden over, bestaan er bepaalde mogelijkheden. Maar één ding is er niet, dat is de onmiddellijke verbinding met het Goddelijke, met het totaal van de kosmos. Vandaar dat onze groep ge­looft deel te zijn, niet slechts van de kosmos maar direct deel te zijn van de scheppende kracht, die daarin leeft. Dat betekent voor ons dat al hetgeen wij doen, onderhevig is aan kracht van het Goddelijke. Alle ver­schijnselen zijn een uitdrukking van het Goddelijke in hun meest verschil lende waarden. Alles kan worden herleid tot God.
Nu zijn wij onszelf over het algemeen van dit Goddelijke slechts zeer ten dele, soms zelfs niet, bewust. We zijn in staat ónze fouten te maken. We dwalen soms wat, we dolen soms wat. We zijn niet altijd reëel, zoals dat heet. Maar achter dat alles blijft toch het Goddelijke als kracht schuilen.
Nu zijn er bepaalde regels en wetten, die voor ons eigenlijk uitdrukking geven aan deze kosmos, aan het goddelijk Wezen in ons. Al hetgeen in overeenstemming is met deze wetten, met deze regels, is dus het Goddelijke, dat zich in ons openbaart. Een persoonlijkheid bezittende, een ego hebbende, zoeken wij ongetwijfeld naar onze eigen wijze om dit aangevoelde in ons leven tot uitdrukking te brengen. Dit is een taak en een werk, dat wij verrichten. Het goddelijke werk is in de eerste plaats en vóór alles: Het volbrengen van de goddelijke wil, zoals wij die menen te kennen en aan te voelen, te allen tijde, overal en zonder enige aarzeling. Hierbij is het niet belangrijk of wij toevallig nu precies zo handelen als de wereld goed noemt. Daarbij is het ook niet belangrijk, van welke krachten wij gebruik maken. Belangrijk is slechts dat wij als wezen, als persoonlijkheid, voortdurend in zo groot mogelijke harmonie zijn met God. Dat al hetgeen wij op aarde trachten te verrichten, een uitdrukking is van onze eenheid net God. Zo verrichten wij, wanneer wij eerlijk en oprecht streven op aarde, het goddelijke werk.
Aan dat goddelijke werk zijn zeker wel enkele beperkingen verbonden. Het is ons niet altijd mogelijk om het geheel van de goddelijke kracht te overzien of te kennen. Maar aan de andere kant hebben wij gaven gekregen. Gaven, die in het normale menselijke bestaan teloor gaan. Gaven, die wij misschien niet eens helemaal begrijpen; waarvan wij niet altijd precies weten wat wij er nu eigenlijk mee aan moeten. Deze gaven echter stellen ons in staat ‑ u hebt dat in de voorgaande lessen kunnen horen – om uit de kosmos zelf krachten te putten; om ook krachten te verwerven uit alle sferen, waarin enige harmonie met het Goddelijke nog bestaat. Het trach­ten ‑ ongeacht de werkwijze of de methode, ongeacht hetgeen voor ons persoonlijk nu het belangrijkste wordt in onze taak ‑ steeds elke goddelijke kracht, die wij vinden, te realiseren, tot uitdrukking te brengen, is het voornaamste, dat wij in deze cursus hebben getracht u te leren. En dan moet ik even samenvatten, wat wij o.m. besproken hebben.
Wij hebben u erop gewezen dat helderhorendheid en helderziendheid ontwikkeld kunnen worden. Dat zelfs de normale gevoeligheid voor gedachte-uitstralingen en invloeden in de omgeving van groot belang kunnen zijn voor onze eigen ontwikkeling. Wij hebben u zelfs uitvoerig ingelicht over de mogelijkheden van geestelijke genezing. Wij hebben u ook gewezen op de risico’s, die daarin schuilen en de verplichtingen, die dus op eenieder blijven rusten, ondanks het aanvaarden van of het werken met geestelijke genezing. We hebben getracht u een inzicht te geven in dat eigenaardige samenstel van krachten, waarvan wij voor onszelf toch steeds weer het middelpunt zijn.
Eén ding heeft boven alles weer de boventoon gevoerd in elke les: Geloof in het bovennatuurlijke, maar handel volgens de rede. Werk met de krachten van het Goddelijke, ook al zijn ze op aarde niet erkend en noemt men het humbug of tovenarij; maar zorg daarnaast dat ge voor uzelf volledig verantwoord blijft. We hebben u steeds weer gezegd: “Denk erom, je bent mens en als mens moet je leven.”
Dat is erg belangrijk. Want hoe kunnen wij Gods werk volbrengen, wanneer wij trachten ons te verwijderen uit de wereld, waarin wij bestaan? Het feit alleen dat ik leef in mijn wereld, dat u leeft in de uwe, is een bewijs, dat de kosmische krachten zelf ons dit als deel van het leven hebben gegeven. Wij hebben geen recht dat te verwerpen. Wij moeten blijven aanvaarden ‑ altijd weer en te allen tijde ‑ datgene wat de Schepper ons geeft. Geen vlucht van de ene wereld naar de andere, geen zoeken naar bovennatuurlijke krachten om daarmee te ontkomen aan onze eigen wereld. Wel altijd weer streven naar vergroting van onze eigen vermogens op alle terreinen, zowel redelijk als wat geloof, wat bovennatuurlijk vermogen betreft.
Het is uw taak, wanneer u ernstig streeft naar een kosmische harmonie, wanneer u ernstig streeft naar een bewust en een verantwoord leven, om op alle gebied steeds weer zo goed, zo verantwoord mogelijk te handelen. En wanneer u soms in twijfel bent, dan is er altijd één vraag, die de oplossing het best geven kan: Schaad ik een ander daarmee? Doe ik dit slechts ten voordele van mijzelf? Indien ge op één van beide vragen met ‘ja’ kunt antwoorden, beschouw dan uw voornemen nogmaals. Zolang ge eerlijk kunt zeggen: “Ik zoek in mijn streven, redelijk en stoffelijk of geestelijk, zonder ontkenning van mijn huidige wereld en toestand en mijn verantwoording, zoals die hier bestaat, de mensheid te helpen, de kosmos meer tot uiting te brengen, een groter bewustzijn te scheppen en een grotere vrede, dan kunt u handelen, dan bent u volledig vrij.
Ongetwijfeld zullen er vaak in zo’n ontwikkeling tegenslagen zijn. We zullen trachten iemand te helpen en het zal niet direct gelukken. U zult roepen om raad en die raad zal juist nu niet gegeven worden. U hebt misschien lange tijd geschouwd, vele geesten gezien en opeens is uw wereld ledig en beperkt tot uw eigene alleen. Dan lijkt het wel eens of er een soort verraad aan u wordt gepleegd. Dan hebt u het idee, dat ge benadeeld zijt, dat het niet goed meer is. Juist wanneer u werkt met de krachten, die we in deze cursus met u besproken hebben, zal dat verschijnsel vaak voorkomen. Maar bedenk dan één ding: Het gaat hier niet om uw gerustheid of om uw vrede; het gaat om harmonie met de kosmos. Wanneer in uzelf een voldoende vertrouwen op God aanwezig is, wanneer u voldoende gelooft aan licht en lichtende kracht, wanneer u voldoende vertrouwt op een leiding van een goddelijk en scheppend Wezen, dan zult u al die dingen kunnen aanvaarden. Dan zult u vaak begrijpen dat een falen soms noodzakelijk is. U zult misschien begrijpen, dat die raad voor u absoluut fataal zou kunnen zijn, wanneer hij nu gegeven werd, dat hij uw eigen bewustzijn zou stilzetten. Het zou zelfs kunnen gebeuren dat u juist, wanneer al die gaven zich zo zonder meer zouden ontwikkelen,² losgeslagen zoudt zijn van de werkelijkheid.
Bedenk wel, dit leven met alles, wat u is overkomen en wat u nog overkomen zal, dit bestaan met al zijn inhoud, is uw taak. Het is deel van het goddelijke werk, dat u te volbrengen hebt op uw eigen wijze. U zult daarin uw besluiten moeten nemen volgens uw beste weten. U zult daarin steeds weer uw eigen falen moeten erkennen, wanneer blijkt dat u nog niet voldoende één zijt met het Goddelijke. Maar boven dit al­les staat de grote zekerheid, dat ‑ wanneer u eerlijk streeft, eerlijk zoekt, nooit één weg, die u wilt gaan, voor u gesloten kan blijven.
Zeker, u zult vaak onaangenaamheden meemaken. U zult ontdekken dat het soms erg moeilijk is om nu uit te maken wat droom is en wat waarheid. Werk dan met de middelen, die u gegeven zijn. Blijf vóór alles een redelijk mens. Sta met beide benen op de grond. Laat u niet van de kook brengen, onverschillig door wat voor eigenaardige verschijnselen dan ook. Het is uw taak niet te oordelen over de wereld of over de mensen. Het is uw taak zelfs niet die wereld te veranderen of te verbeteren op uw manier. Het goddelijke werk is en blijft te allen tijde alleen maar: Een zoeken naar eenheid met God; en die eenheid zo goed mogelijk manifesteren en openbaren daar waar je door de goddelijke kracht bent geplaatst te midden van de schepping. Het goddelijke werk is één‑zijn met de schepping. Niet door haar te begrijpen en haar te beheersen ‑ daarvoor zijn we te klein ‑ maar door haar te aanvaarden, door in haar zo eerlijk mogelijk te allen tijde en overal te zoeken naar het Goddelijke.
In deze zin trachten wij steeds weer u iets te geven. Niet om u alleen maar iets rijker te maken. We zouden misschien met minder moeite u meer overtuigende, meer fantastische verschijnselen kunnen tonen. We zouden u misschien gemakkelijk met geweld helderziende kunnen maken. Maar u zou er niets aan hebben. Het gaat er ons om deze eenheid te vinden. En dan mag ik hier voor die laatste keer, dat we dan spreken over deze onderwerpen, misschien ook iets vertellen over ònze wereld en óns denken. (Dat hoort er eigenlijk niet bij. Het gaat hier over actief geestelijk streven en per slot van rekening, u leeft in deze wereld en daar alleen moet uw activiteit voorlopig tot uiting komen.)
Onze wereld kent ook een actief geestelijk streven, kent ook een zoeken naar waarheid, kent ook haar plotselinge resultaten, haar mislukkingen, net zo goed als bij u. Zij kent haar vreugde en haar vrede, wanneer eenheid met God is gevonden. En op andere ogenblikken een soort honger, die je jaagt om te zoeken naar daden, naar een uitdrukking voor wat in je leeft en wat je nog niet duidelijk genoeg beseft.
In onze wereld is het woord ‘God’ wat anders dan bij u. God is een gevoel. God is iets, wat je aanvaardt. En deze God, Die wij aanvoelen, bepaalt voor een heel groot gedeelte ons handelen. Want wij kunnen onze persoonlijkheid niet prijsgeven. Ieder van ons heeft zijn eigen persoonlijkheid, zijn eigen denkwijze. En slechts in een betrekkelijk los verband kunnen wij samenwerken.
We aanvaarden gezamenlijk één wet, aanvaarden het gezag van hen, die wijzer zijn dan wij. Maar zo goed als u op aarde zoekt naar een uitbreiding van uw vermogens, elk op uw manier, zo zoeken wij dit in onze sferen. Ook wij zoeken ernaar om dit verborgene, dat in ons leeft, nog steeds in­tenser tot uiting te brengen, steeds verder te doen uitgroeien. Niet alleen voor onszelf, maar voor de gehele wereld, tot alle grenzen tussen de sferen kunnen verbleken en de waarheid overal kan bestaan.
Een beperkte waarheid is een leugen, dat weten wij. Dat weten wij misschien intenser, smartelijker dan u. Juist in onze beperking, in ons ik‑ zijn, zullen wij voortdurend een deel van de waarheid moeten misvormen. Dat is het tolgeld dat wij betalen, wanneer wij het ‘ik’ nog steeds als centrum blijven zien van het zijn, wanneer ons denken nog beperkt is. Die tol betalen wij zowel als u. Maar het behoeft geen pijnlijke tol te zijn, het behoeft niet smartelijk te zijn. Want wanneer wij alleen maar trachten de goddelijke wil, zoals wij die ervaren, zoals wij die kennen, voortdurend te vervullen, het werk Gods te volbrengen in on­ze eigen wereld en in elke wereld, die daarvoor openstaat, volgens ons beste weten en kunnen, zal al dat andere vanzelf wel komen. Juist de onzelfzuchtigheid, waarmee je tracht je werk te volbrengen, is de zekerheid, dat het werk zegen brengt.
De aanwijzingen, die u ontvangen hebt in deze groep, zullen zeker niet allen in staat stellen om nu plotseling een nieuwe wereld te betreden, een nieuwe bewustwording te vinden. Maar voor enkelen althans kunnen ze een begin betekenen; een begin van een zelfstandige ontwikkeling. Anderen zullen tenminste enig begrip hebben overgehou­den van al hetgeen mogelijk is, al hetgeen kan worden bereikt. Vraag niet meer. Wij kunnen u niet meer geven dan op een wijze, die ons onverantwoord lijkt. En geloof me, we durven heel wat op onze verantwoording nemen. Maar niet dit: Een mens gaven geven, die hij zichzelf niet ver­worven heeft.
Daarom willen wij aan het einde van deze bijeenkomst ‑ het einde ook van deze cursus ‑ dan zeggen: “Vrienden, het is noodzakelijk voor u dat u uw eigen leven leeft, zo goed als u kunt. Het is noodzakelijk voor u, dat u allereerst stoffelijk elke verantwoordelijkheid draagt en eerst daarnaast uitgrijpt naar de geestelijke hulpmiddelen. Het is voor u noodzakelijk, dat u te allen tijde weer bereid bent om zelf de verantwoordelijkheid te dragen voor al hetgeen u doet. Slechts dan kunt u resultaten boeken. En wanneer de gaven in u ontwikkeld worden, wanneer u meer en meer leert af te gaan op andere, misschien intuïtieve krachten, dan zult u ook leren dat deze zich in het normale leven inschakelen. Niet daarbuiten staande als een buitengewone begaafdheid, maar als iets wat in uw leven binnenkomt en er een zo hecht en intens deel van gaat uitmaken, dat je u niet meer kunt voorstellen, dat u handelt zonder ook deze gave, deze waarde mee te betrekken in al wat u doet. Het heeft geen zin te trachten boven de mensheid uit te groeien. Het heeft wel zin te trachten steeds meer en beter mens te zijn met een steeds groter ge­bruik van alle mogelijkheden, die in dit mens‑zijn gelegen zijn.
Indien u op deze wijze na het einde van deze cursus wilt verdergaan, zoekende en lerende misschien, strevende misschien, anderen helpende, dan ben ik ervan overtuigd, dat dit geen verloren tijd en geen verloren moeite is geweest. Voor ons niet en voor u niet. Want in een eerlijk streven u geestelijk wat verder te brengen en wat meer rust en vrede te geven, hebben wij het werk Gods volbracht, zoals wij het zien. U, u zult uw vrede vinden. Uw geluk en uw kracht in het volbrengen van het goddelijke werk in uw eigen wereld op uw eigen wijze.

Het ego

Dit is natuurlijk maar een kleine beschouwing. Want over het ‘ik’ is onnoemelijk veel te zeggen. Het ‘ik’ van de mens bestaat nu eenmaal uit verschillende gebieden en verschillende waarden.
Daar is het ‘ik’ met zijn bewuste denken, dat gelijktijdig beperkt en gericht wordt door het z.g. karakter, de stoffelijke eigenschappen. Dat verder wordt beïnvloed, via het onderbewustzijn, door alle herinneringen, die er bestaan en dat bovenbewust verder geleid wordt door stromingen uit de omgeving. Een ‘ik’ echter, dat toch altijd blijft berusten op redelijke of pseudo‑redelijke processen. Het stoffelijk gedeelte van het ‘ik’ is gebonden aan de vaststelling, het constateren, Het kan zich alleen van zichzelf volledig bewust zijn, wanneer het een omschrijving geeft van alle punten afzonderlijk en deze dan bijeenvoegt in een beeld, dat voor het ‘ik’ aanvaardbaar is.
Dit laatste betekent dat het z.g. redelijke vaak een vertekening inhoudt van de werkelijkheid. Het is een weergave van de beperkte wereld, waarin de mens leeft door zijn beperkte begripsvermogens enz. Het menselijk voorstellingsvermogen is zelfs soms zo beperkt, dat kenbaar voorkomende toestanden voor het ‘ik’ als niet mogelijk worden gezien en daarom eenvoudig als mogelijkheid verwaarloosd. We zien anderzijds dat reëel geheel niet‑bestaande waarden voor het ‘ik’ volgens een proces, dat redelijk (pseudo‑redelijk) mag worden genoemd, zo actief worden, dat de mens daardoor geheel wordt geregeerd en beheerst in al zijn doen, denken en handelen, ofschoon de waarde buiten hem dus fictief blijft. Dit ‘ik’ is noodzakelijk in een wereld, zo beperkt en zo vast van vorm als de stofwereld, waarin men leeft.
Daarnaast echter bestaat ook de geest. Die geest heeft enkele voertuigen, die aan de stof gebonden zijn. Een astraal voertuig b.v. zal meestal stoffelijke vormen simuleren. Het zal de gedachteprocessen van de stof zelfs ten dele imiteren, ofschoon de snelheid iets groter is en de inhoud ervan intenser. Daar staat tegenover dat het niet zo wordt uitgewerkt, als de gedachtebeelden zelf minder omvattend zijn.
Wanneer wij echter ook deze werelden van materiële gebondenheid gaan verlaten en wij komen tot het werkelijk geestelijke bestaan, dan ontdekken wij dat het ‘ik’ plotseling zijn gehele waarde schijnt te veranderen. Er is geen rede meer. Er is geen redelijk proces meer. Het redelijk proces is ten hoogste een weerkaatsing van een gevoelsbeleven. Ik meen te mogen stellen dat het ‘ik’, in de geest althans, in de eerste plaats gevormd wordt en in stand wordt gehouden door een gevoel, dat de relatie vaststelt t.o.v. de hoogste sferen en de laagste, ook zonder alle waarden te begrijpen. In het gevoel wordt dus een evenwicht gezocht tussen verschillende werelden. Dit gevoel bepaalt de wijze, waarop men in de eigen wereld reageert.
Leeft men in de stof, dan zal dit geestelijk wezen ook wel degelijk zijn emotionele gesteldheid trachten stoffelijk weer te geven. Maar de rede misvormt, vervormt. Zij kan niet de directe levensaanvaarding, die voor de geest in de lichtere sferen zo kenmerkend is, stoffelijk overdragen. Er is dan ook geen direct verband te zien tussen een stoffelijke uiting en het geestelijke deel van het ‘ik’. Integendeel. Heel vaak is een stoffelijke uiting slechts zo ten dele geestelijk, dat het werkelijke wezen aan de stoffelijke vormen en handelingen niet kan worden herkend. Wij moeten dat goed begrijpen. Wat dus op aarde het ‘ik’ lijkt, is in ieder geval geen directe weergave ervan. Hoe sterker de geest doorwerkt in de stof, hoe meer dit schijnbaar onredelijke, dit gevoelselement, natuurlijk in alle handelingen de overhand gaat krijgen. Het bepaalt dan min of meer de situatie, die wordt ingenomen of wordt geproduceerd aan de hand van eigen leven
Alles wat het stoffelijk ‘ik’ (dat ik zo-even omschreef) beleeft, wordt omgezet in gevoelens, in emoties. En eerst in deze emotionele vorm kan het werkelijk doordringen tot het geestelijke deel van het ‘ik’. De ervaringen, die in de beperking van de stof worden opgedaan, zijn echter voor dit geestelijke ‘ik’ van groot belang. Want door de beperktheid en de eenzijdigheid van de invloeden ‑ ook op emotioneel gebied ‑ zal het mogelijk blijken om een bepaalde stuwing te veroorzaken, een bepaalde richting te geven aan het beleven van het geestelijk ‘ik’.
Nu zal hier een vraag kunnen rijzen: “Gaat dit stoffelijk ‘ik’ dan geheel teniet?” Ik meen daarop te mogen antwoorden, dat dit inderdaad het geval is. Het stoffelijk ‘ik’, zoals u het thans kent, blijft niet voortbestaan. Het kan nog enige tijd simuleren zichzelf te blijven door lagere voertuigen waarin dit begrip nog heerst. Maar het werkelijke ‘ik’ is niet meer identiek met de uitingsvorm, die wij op aarde het ego hebben genoemd. Het is gelijktijdig méér door een veel groter besef voor al, wat er bestaat en minder door een niet meer zo redelijk combineren en deduceren, als het ‘ik’ op aarde steeds heeft gedaan.
De kern van het ‘ik’ is de ziel. Die ziel blijft altijd tegenwoordig. Wij weten dat b.v. zuivere materie tot leven kan komen, bezield kan worden zonder dat er in feite nog van een geestelijk ‘ik’ sprake is. Het geestelijke deel sluimert nog volledig, is niet ontwaakt en heeft nog geen bewustzijn. Aan de hand van steeds opeenvolgende ervaringen ontstaat dan tweeledige reactie. De eerste: Een zoeken naar het redelijke, beheersing van de omgeving, een aanpassing aan de omgeving in de stof. De tweede: Een verwerken van invloeden ‑ meestal in het begin alleen als gunstig en ongunstig ‑ op een hoger niveau. Zo is de ziel eigenlijk de kern geweest van zowel stoffelijk als geestelijk bestaan.
Die ziel beschrijven, is moeilijk. Wij noemen haar vaak een direct deel van de goddelijke kracht. Dat we daarmee zeer onvolledig zijn, zal u duidelijk zijn. Want per slot van rekening, wij kunnen niet alleen maar stellen, dat we een deel van de goddelijke kracht zijn. We moeten meer zijn. Dan spreken we ook nog wel eens over een afzondering van het Goddelijke. Maar het Goddelijke is ondeelbaar, is één. Ook dit is dus niet reëel of redelijk. We kunnen hoogstens zeggen dat het bewustzijn, dat aan de hand van de werking der ziel ontstaat (zowel in geest als stof), een ik‑heid vormt, die zich nog niet van eigen wezenskern geheel bewust is.
Dan lijkt het mij verstandig om het ‘ik’ van de mens in te delen in drie factoren.
De eerste: Uitgaande van de ziel, goddelijke wil en scheppingsdrang, al‑bepalend. Daardoor levenskracht zijnde, onafhankelijk van vorm en van uiting.
De tweede: Geest; een gevoelsverhouding waarin eigen relatie tot andere delen van de kosmos wordt vastgesteld en het ‘ik’ zo komt tot een gedeeltelijke harmonie (misschien later een algehele harmonie) met het zijnde. Hierin kan de ziel dan haar eigen eigenschappen binnen de geest volledig openbaren, versmeltend deze beide tot eenheid en houdt het ‘ik’ als handelend wezen op te bestaan. Het blijft echter als een centrum van bewustzijn waarin het Goddelijke Zichzelf erkent.
Het derde deel van het ‘ik’: Zogenaamde redelijke vermogens, gepaard gaande met erfelijke factoren. Deze tezamen vormen een lichamelijke grens, waarbinnen het geestelijke zich kan uiten. Gelijktijdig vormen ze een reservoir, waarin stoffelijke ervaringen kunnen worden opgeslagen en de geschapen toestanden tot elkaar in relatie kunnen worden gebracht volgens de wetten der directe omgeving.
De stof zal altijd voor de geest gelden als een aanvulling van vermogen tot kennen, tot ervaren en dus vergroting van emotionele inhoud. De geest dient waarschijnlijk (ofschoon wij dit niet zeker weten) de ziel als middel tot erkenning, waardoor een bewustzijn deel kan uitmaken van de schepping en, deel uitmakende hiervan, daarin opgaan zonder zichzelf te verliezen. Het geheel der schepping zo makende tot één wezen, bewust in alle cellen van het geheel, harmonisch buiten alle maten, volmaakt en oneindbaar, niet vernietigbaar.
Een derde en laatste vraag die ons dan blijft, is dit: “In hoeverre zijn redelijke processen voor het ‘ik’ van belang?” Mijn antwoord daarop is: “Redelijke processen zijn voor de mens, voor het ‘ik’, slechts in zoverre belangrijk als zij hem in staat stellen te beleven binnen zijn eigen wereld. Naarmate met het redelijke een intenser beleving kan worden bereikt en een groter harmonie, zal het redelijke in verhouding belangrijker lijken. Het gaat echter niet om de verklaring, maar om het verschijnsel. Het gaat niet om de beheersing van begrippen, maar om de beleving van goddelijke waarden. Het gaat niet om het bestaan of niet‑bestaan in één of meer werelden, maar om een aanvoelen van het totaal‑zijnde; en om het geopenbaard‑zijnde vanuit het ‘ik’ te dienen door met het ‘ik’ daarvan bewust deel uit te maken.
Het redelijk proces heeft daarmee betrekkelijk weinig van doen. Het is voor de mens de aanloop tot verdere geestelijke beleving. Het is voor de geest soms een middel tot benadering van de mens. Verder is het onbelangrijk. Gevoelswaarden, die ook op aarde bestaan (zoals geloof), zijn in feite voor het ‘ik’ veel belangrijker dan alle rede ooit kan zijn. De mens in zijn wereld zal dit echter nog niet beseffen. Het zij hem dus voldoende zijn eigen ‘ik’ zoveel mogelijk tot homogeniteit op te voeren, tot een eenheid van denken, weten, handelen en gevoelen (ervaren), waarin hij zichzelf te allen tijde geheel en zonder innerlijke verdeeldheid weet.
Wie zo bestaat op aarde, leeft reeds het leven van de geest, ongeacht de stoffelijke uiting. Geest, die zo bestaat, heeft het bewustzijn ook van de stoffelijke werelden, zonder daarom ook maar één glimp van het licht te verliezen, dat zich als vrede in haar wezen in of buiten de sfeer openbaart.

Vergeven en vergeten

Het is heel moeilijk om te vergeten in de zin van uitwissen uit je bewustzijn. Al wat een stofmens meemaakt, wordt neergegrift in zijn onder­bewustzijn en blijft te allen tijde deel van zijn leven uitmaken. Je kunt­ niet iets geheel vergeten door het uit te wissen. Wanneer men dan ook spreekt over vergeven en vergeten, dan doen wij er goed aan ons eerst te realiseren, hoe je zou kunnen vergeten.
0p het ogenblik dat wij iets doormaken, heeft het voor ons een bepaalde betekenis. Een betekenis die, naar wij menen, vaststaat. Toch zal bij een later terugzien heel vaak blijken dat invloeden, die wij op de een of andere wijze als zeer schadelijk hebben ervaren, tenslotte ons een hulpmiddel waren in het leven. Ons oordeel staat dus niet vast. De feitelijke indruk staat wel vast. Wij kunnen niet vergeten door het feit uit te wissen. Maar wij kunnen wel vergeten in die zin, dat we al hetgeen er aan lelijks, aan onaangenaams, aan haatwekkends in zit, trachten te vervangen door een begrip van de lering, die het ons heeft gegeven, van de geestelijke ontwikkeling, die wij er misschien aan te danken hebben, ja, zelfs van al datgene, wat ons daardoor stoffelijk mogelijk is geworden.
Wij weten dat Jezus de zonden van de tollenaars, van de Farizeeën, van de Sadduceeën, die daar bijeen waren om een vrouw te stenigen, in het zand schreef met een takje. En toen zij beschaamd heengingen, wiste hij het uit. Toch mogen wij aannemen, dat de kennis, die hen tot dit neerschrijven in staat stelde, in hem behouden bleef. Jezus vergaf niet door de kennis eenvoudig teniet te doen. Ik meen zelfs, dat hij dat niet eens gekund zou hebben. Maar wat hij wel kon, was voor de buitenwe­reld het geheel wegwissen. En daar komen we dan op een tweede betekenis van het vergeten.
Het vergeten kan betekenen dat wij tegenover de buitenwereld nooit de slechte dingen van anderen zullen noemen. Het heeft geen zin. Wanneer eenmaal de daad is afgerekend, wanneer er geen noodzaak is te hameren op het kwaad om meer kwaad te voorkomen, dan is het beter dat dit rust; dat het wordt geïnterpreteerd als een invloed in ons eigen leven zonder daarbij ons nog op een persoonlijkheid te richten. En dan wordt misschien ook het vergeven gemakkelijker.
Je kunt zeggen dat menig mens veel zal moeten vergeven. Maar daar staat tegenover dat ook hem of haar veel vergeven moet worden. Want wij zijn niet volmaakt, niet als mens en ook niet als geest. Wij zijn niet in staat het totaal der schepping te overzien. En in vele gevallen zullen wij dingen doen, die o.i. goed zijn, terwijl ze gelijktijdig voor anderen ellende betekenen, grote mistoestanden. Laat ons allereerst begrijpen dat het voor ons nodig is anderen te vergeven, anderen niet aan te rekenen wat ze doen; al is het alleen maar omdat wijzelf toch evenals zij misschien wreed zijn, ongeluk kunnen brengen of veroorzaken, kunnen kwetsen. Begrijpen we dat, dan wordt ook het woord ‘vergeven’ voor ons omschrijfbaar.
Vergeven betekent: niet aanrekenen. Wanneer iemand je kwaad doet en je vergeeft niet, dan is het of je een vordering op hem hebt. Dan eis je a.h.w. als een soort geestelijke Shylock je pondje vlees. “Dat heeft men mij aangedaan en dit zal ik wreken. Ik kan nooit meer die mens benaderen zonder weer op te eisen, wat van mij is.” En natuurlijk, daar hebt u gelijk in. Want eenieder, die t.o.v. u schuldig is, heeft een zekere verplichting. Maar niet tegenover u, tegenover de wereld. En daarin ligt misschien de grootste fout. Wij hebben geen recht om te zeggen dat anderen tegenover ons iets goed moeten maken. Evenmin als anderen het recht hebben om te zeggen, dat wij al hetgeen wij in hun leven misschien betekend hebben, moeten goedmaken. Want dat kunnen wij niet. Dat kunnen ook die anderen niet. Wanneer wij dan begrijpen, hoe de vele wreedheden, die in de wereld gebeurd zijn, eigenlijk samenhangen met een noodlot, dat groter is dan mensen, wanneer wij begrijpen hoeveel van het onrecht, dat gebeurt, geboren wordt uit een eerlijke overtuiging, uit een andere wereldbeschouwing misschien, zullen wij misschien kunnen leren vergeven door te zeggen: “Dit is mij wel aangedaan, maar niet door deze mens. Door een kracht, die groter was.”
Ik mag het misschien met een voorbeeld duidelijk maken. De Japanners en ook de Duitsers hebben in hun kampen onnoemelijk veel wreedheden bedreven. Wij behoeven daar geen doekjes omheen te draaien, dat is overal bekend. En wij kunnen onmiddellijk verdergaan door te zeggen dat ook anderen in hun kampen heel vaak wreedheden bedrijven of bedreven hebben. Maar kunnen wij nu b.v. een Japanner veroordelen omdat hij handelt volgens hetgeen hij geleerd heeft? Volgens hetgeen zijn opvoeding is en zijn wereldbeeld? Mag men een Japanner b.v. veroordelen, omdat hij voor een gevangene een voeding goed genoeg vindt, die tenslotte ook in zijn land voor velen voldoende moest zijn? Men kun natuurlijk wraakzuchtig blijven en zeggen: “Ja, maar er zijn er zovelen door gestorven. Ik heb er zoveel door geleden.” Maar heeft dat zin? Was het hier die mens afzonderlijk, die dit deed? Of was het een macht van onbegrip en kwaad? Kijk, daar moeten we die mens kunnen vergeven, want er zijn andere dingen, die wij niet kunnen beoordelen, die hem misschien minder schuldig maken of anders schuldig dan wij denken. Wij hebben geen recht ons te wreken.
En wanneer dat nu eenmaal het geval is, dan moeten wij zoeken naar de goede inhoud. Dan moeten wij zeggen. “Nu ja, in al die ellende hebben wij toch ook iets geleerd. Wij hebben misschien iets ontdekt van onszelf en van anderen. We hebben begrepen, waar onze zwakten en on­ze fouten lagen. We hebben misschien nieuwe krachten ontdekt, die wij nooit meenden te bezitten.” En dan vergeten we maar dat dit lijden allemaal zo persoonlijk was. Probeer een beetje afstand ervan te nemen. En dan zeggen we alleen tegen onszelf: “Alles wat ik in het leven kan doen om te voorkomen dat een ander ‑ zelfs degene, die mij dit heeft aangedaan ‑‑ een gelijksoortig lijden zal ondergaan, dat zal ik doen.” Dan heeft men de ware zin van vergeven en vergeten gevonden. Datzelfde kun je zeggen t.o.v. de Duitsers. Dat kun je zeggen t.o.v. al diegenen, die lijden hebben veroorzaakt. En je kunt dit uit het grote overbrengen in het kleine.
Een mens heeft je in je leven misschien veel leed bezorgd. Hij heeft je misleid en uitgebuit. Dat kan. En het kan heel erg pijnlijk zijn. Er kan een grote schuld zijn ontstaan tegenover jou. Maar denk je eens in, mens, wat was de bron hiervan. Wat was de oorzaak? Was je misschien zelf mede schuldig? Was het de omgeving, de opvoeding, waren het de omstandigheden? Kun je beoordelen, in hoeverre die ander werkelijk schuld had? Kun je beoordelen, werkelijk en oprecht, in hoeverre je een eis tegenover die mens mag stellen? Ik vrees van niet. Zou je dat willen doen met volle hardheid, dan zou het hele leven recht hebben om elk falen ook aan jou te wreken. Vergeef, opdat u vergeven worde. Zeg dan: “Ik heb veel geleerd. Ik heb misschien veel bitterheid ervaren. Maar het zal mij in staat stellen in de wereld beter te zijn en anderen een dergelijke bitterheid van lijden te besparen.” Zeg dan niet: “Hoe groot is het onheil, dat mij is overkomen.” Maar zeg: “Hoe groot is de lering, die ik eruit heb mogen ontvangen.” Het is moeilijk, maar het is de enige weg om te komen tot een werkelijke bewustwording.
Vergeten is niet het uitblussen van alle herinnering, maar wel het uitblussen van elke persoonlijke relatie, die anderen zou doen ha­ten, verwerpen of verachten. Vergeven, wil niet zeggen dat het is alsof die feiten nooit geweest zijn. Het wil meer zeggen. Vergeven wil zeggen dat jezelf geleerd hebt, wat dit lijden kan betekenen en dat je het daarom elke andere mens zult besparen én het niet zult aanrekenen aan hen, die je dit aandeden, omdat je begrijpt dat ook zij misschien door veel lijden, door veel ellende bedreigd worden. En zoveel te gemakkelijker zal het je vallen te vergeten en te vergeven, wanneer je bovendien nog be­denkt dat met de dood het leven niet ten einde is. Wanneer je bedenkt dat elke ziel met zijn eigen daden en verantwoording verder zal moeten worstelen in een ander leven, in licht of duister, in lijden of in vreug­de, in dood en ondergang om toch nog weer voor zichzelf het enig ware terug te vinden: het goede. Iemand, die wreed is, iemand die schuldig is, is te beklagen, want hoelang zal het duren, voordat hij ‑ met een volledig bewustzijn van wat hij heeft gedaan – het licht weer kan aanvaar­den, vrij kan zijn? Bedenk ook dit.
Het klinkt misschien erg bijbels wanneer ik er op wijs dat in het Oude Testament staat: “Mij is de Wrake, zegt de Heer.” Mag ik het interpreteren in onze zin? Alle kwaad en alle onrecht wreekt zichzelf, doordat het onrecht zich vasthecht in de geest en daar overwonnen moet worden binnen de mens zelf, voordat hij verder kan gaan. Wanneer wij dit weten, wanneer wij begrijpen dat die kleine smarten van ons misschien een afgrond‑diepe smart van eeuwen betekent voor degene, die het begaan heeft, zullen wij dan nog zo hard zijn? Kunnen wij dan niet zeggen: “Ik vergeef het. En ik zal trachten dit kwaad voor eenieder te beperken, zover ik maar kan. Ik zal niet haten, want ik weet dat meer dan mijn haat het eigen wezen je eens zal tonen, wat je misdaan hebt en hoe.”
Wanneer je zo vergeven kunt, valt vergeten niet moeilijk. Want dan vergeet je eenvoudig dat het jou alleen betroffen heeft en dan zie je het als een kracht, vol van onrecht en onheil, die over de wereld hangt. Dan besluit je voor jezelf om niet meer te denken aan je eigen belang, maar te vechten tegen het duister dat voor zoveel anderen dreigt; licht te brengen en vreugde, opdat de wereld licht en vreugde moge worden opdat er geen reden meer moge zijn voor iemand of iets op de wereld om te haten, zich te willen wreken. Ja, opdat er niemand meer zal zijn die zich zo gedraagt tegenover anderen, dat er nog vergeving nodig is. Zo werkt men dan mee tot het ontstaan van een wereld, waarin vergeten een misdaad zou worden, omdat het erkennen van het leven is het erkennen van de vreugde die in de uiting Gods is gelegen.

Branding

Golven, die altijd maar weer tegen de kust slaan, watermassa’s, die zich schijnen uit te storten op het strand, die uiteenspatten tegen de rotsen. Het lijkt ons vaak dat het gehele geweld van de zee tot uiting komt in de branding. Toch is het niet haar werkelijke kracht, die wij hier zien. Het is een verschijnsel aan de oppervlakte. Het is datgene, wat alleen maar haar bewogenheid t.o.v. van een ander element, de lucht, aangeeft. In zichzelf is de zee rustig, is zij diep en bergt zij haar geheimen.
Zo is ook heel vaak veel van ons handelen en denken op aarde en in de sferen de branding van het werkelijke wezen. In ons verbergt zich een diepte, die wij soms zelf niet eens durven of kunnen doorgronden. Een diepte, waarin geheimen schuilen, waarin schoonheid geborgen is naast mogelijkerwijze minder aanvaardbare waarden. Maar onze contacten met een omgeving, met een wereld, brengen in ons de noodzaak onszelf te bewegen en ons aan te passen en ons te uiten. En zo richten wij dan onze krachten naar die punten, waar ze weerstand vinden, opdat wij onszelf niet in de ruimte zullen verliezen. Onze branding is slechts een poging om onszelf te blijven en toch de contacten met onze wereld af te reageren. Het is misschien daarom, dat wij van branding kunnen zeggen:
Eeuwige golfslag, soms suizende zang, soms daverend geweld, eeuwenlang heb je je wetten aan ’t land gesteld, bent stukgeslagen op de kusten en tot de diepten terug gesneld.
Zee, wanneer jij eens zou rusten, de luchten zouden ledig zijn en zelf zou je dra verdwijnen. De kracht van ’t aards bestaan tekent de lijnen, die je begrenzen; zoals de krachten en noodzaken van daad en verlangen zijn de kusten, die omringen de mensen en hun geestelijk streven.
Branding, je bent een symbool van het beperkte leven, dat eindelijk toch eens komt tot rust, omdat de zee met zee vereend niet kent meer grens en kust, maar een oneindigheid waarin zee en zee, en zee en lucht, ja, al wat is in ene stroom tezamen glijdt ‑ een cirkelgang, die tekent het bestaan. Een cirkelgang, die blust de vorm en waan, de begoocheling stil doet zijn.
Als de branding van het leven is geblust, dan blijft de lijn nog over van God, tonend eens Zijn schepping, voordat komt de rust en niets meer is.
Maar uit het duister soms herleeft een aarde en een zon. Dan zweeft een zonnestelsel ‑ zoals eens, toen ’t menselijk zijn begon ‑ en wordt uit hitte, uit geweld weer zee en lucht geboren. Een zee, die dan ter kust weer snelt als branding, zoals tevoren de zee eens zong een wiegelied, soms sprekende met bruut geweld, maar nimmer zeggende ’t geheim, dat in de diepte is verborgen.