Het goddelijke

10 september 1973

Ik wil allereerst een paar punten doornemen. Wij zullen proberen om ons in deze bijeenkomsten een beetje te richten op het Goddelijke. God. Al deze supermysteriën, die eigenlijk vaak of filosofisch of alleen religieus benaderd worden.

Wij gaan niet preken, maar wij willen trachten u een beeld voor te leggen van bepaalde aspecten van het Goddelijke, de werking en ook de mogelijkheid die er voor een mens bestaat om iets van die werkingen in en aan zichzelf te ervaren.

Daarbij zullen dingen zijn waarvan u zegt: Dat weet ik al. Er zullen ook punten bij zijn, waarvan u zich zal afvragen: kan dat wel? Deze cursus is wat het eerste deel betreft, grondig voorbereid.

Er zijn studies gemaakt t.a.v. sommige aspecten, waarover wij wat twijfel hadden. U krijgt niet met een inleider te maken. U krijgt met verschillende inleiders te maken en dit omdat eenieder juist datgene zal doen, wat volgens zijn persoonlijke ontwikkeling, studie en kennis het beste ligt.

In de tweede helft van de bijeenkomst zullen wij zoveel mogelijk gastsprekers laten doorkomen. Wij hebben in het afgelopen jaar proeven genomen en bij deze proeven zijn wij uitgegaan van een harmonie, waarin bepaalde mystieke aspecten een grote rol spelen. Wij kunnen ons niet geheel houden aan hetgeen in het programma indertijd beloofd is. De groep heeft overigens dit voornemen onzerzijds goedgekeurd.

Wanneer wij bezig zijn met problemen als God, Godheid of het Goddelijke, met het onbekende dus in wezen, dan moeten wij goed begrijpen dat wat wij doen niets anders is dan een naam geven aan een enorme ruimte. Een ruimte, waarin wij ons kunnen bewegen. God is niet iets waar wij tegenaan kijken. God is iets waarin wij ons bewegen. Het resultaat daarvan is, dat onze eigen relatie tot God, vanuit God gezien, altijd wel dezelfde is, maar vanuit ons eigen standpunt gezien voortdurend verandert en voortdurend wisselt. Wij zien God vaak als een krachtbron. Ik geloof dat wij daar een fout maken.

Wanneer wij namelijk kracht nodig hebben, dan is die kracht er altijd. De kracht, die wij de Goddelijke kracht noemen en die wij beschouwen als een groot mysterie, is in wezen net zo mysterieus en net zo alomtegenwoordig als de atmosfeer rond de wereld. Wanneer je bij elke ademhaling moet blijven nadenken, dan is de kans groot, dat je aan verstikking overlijdt. Wanneer je voortdurend bezig moet zijn om een beroep te doen op die Goddelijke kracht en deze voortdurend bewust moet gaan plukken, dan is de kans heel groot, dat je aan krachten tekort komt.

Hoe deze mysteriën voor te stellen? Wij hebben even gedacht aan het bekende beeld van de Goddelijke werkelijkheid met zijn eigen trilling, omgeven door de maagd, die de begrenzing vormt en gelijktijdig een sfeer van weerspiegeling schept, waarin de oervormen tot stand komen. Wij hebben gezegd: ach, dat weten we wel en als ze het niet weten, waarom zouden wij hen ermee belasten? Want God is nu eenmaal niet te omschrijven. Wat wij ook doen, wij blijven altijd ergens steken bij een menselijk begrip. Het is alsof je een vijfdimensionaal wezen wilt omschrijven in een ééndimensionale weergave en dat kan niet. Je kunt zeggen: het is een punt of het is een streep.

Wanneer wij proberen iets te zeggen van die oneindigheid, dan is dat precies hetzelfde. Wanneer je in jezelf een beroep doet op God, wat gebeurt er dan? Wanneer je dit bewust doet, dan zou je het moeten doen om deel te hebben aan het besef, dat in het Goddelijke ligt. Het Goddelijke is een alwetendheid, een alomvattendheid en wanneer wij ons daarop richten, dan zullen wij uit die alwetendheid, alomvattendheid al datgene kunnen verwerven, dat voor ons passend en noodzakelijk is. Passend omdat wij het kunnen, begrijpen, er althans vorm aan kunnen geven; noodzakelijk vaak omdat wij daardoor over een zekere impasse in ons eigen leven en denken heen kunnen komen.

Wanneer wij God om kracht vragen, dan vragen wij iets wat er al is. Dat is niet alleen tijd- en krachtverspilling, maar het is bovendien een in je eigen bewustzijn distantiëren van een kracht, die rechtens de jouwe is. In jezelf moet je niet zeggen: God, geef mij kracht. In jezelf moet je zeggen: God, geef mij wijsheid. Laat mij begrijpen. De situatie waarin je verkeert als mens of vaak ook als geest, is er een van een zeker isolement. Je bent dermate begrensd t.o.v. je omgeving dat het je niet mogelijk is om al wat er in je leeft, in al wat je denkt en bent tot uiting te brengen.

En toch zou je van die wereld een antwoord willen hebben dat niet alleen maar slaat op uiterlijkheden, maar dat je gehele wezen, zoals het werkelijk is, aanvaardt. Hier hebben wij dan de oplossing weer: God. Of het Goddelijke. De kracht, waarvan wij deel zijn, omvat alles wat wij zijn en meer dan dat. Het is het enige dat kan responderen op onze werkelijkheid. Ons werkelijk wezen. Voor de rest is er altijd een begrenzing en zullen wij nooit helemaal contact hebben met elkaar.

Mensen kunnen honderd jaar samenleven en denken dat ze elkaar kennen, maar ze vergissen zich altijd weer. Je kunt telepathisch doordringen in elkaars bewustzijn. Je kunt alles overnemen wat in die ander leeft en toch komt er een ogenblik, dat je zeggen moet: Ja, maar hier ontbreekt iets. Daar zijn dingen, waar ik eenvoudig niet op kan reageren. En dat betekent dus: aanvaarding van het ik is mogelijk vanuit de Godheid; doorbreking van het isolement ook. Want zodra wij in het totaal opgaan, hoe beperkt dat dan ook verder moge zijn, zal dit totaal reageren op datgene, wat wij wezenlijk zijn, maar daardoor dit wezenlijke ook elders uitdrukken. Wij hebben niet meer de behoefte aan een erkenning of een begrip, we existeren ook overal buiten onszelf. Wij zijn niet meer begrensd door de ik-voorstelling.

Het is een aanloop vanavond. Het begint vanavond weer opnieuw en wanneer je je afvraagt wat de belangrijkste aspecten zijn van een groepering, die tenslotte toch ergens naar een mystieke bereiking moet streven en een mystieke beleving moet doormaken, dan zeg je: Ja, maar hoe kan ik bereiken? Hoe kan ik ook weer het isolement, dat ligt tussen mijn begripswereld en uitdrukkingsmogelijkheid onder meer – hoe kan ik die overbruggen? Dat kan ik natuurlijk doen met uitstraling, met gedachten, met kracht. Maar ik zou iets meer willen bereiken. Ik zou ook een zeker begrip willen bereiken.

Dit is een samenzijn, een samenzijn waarbij wij proberen om het isolement dat elke mens kent, te doorbreken. En hoe kunnen wij dat beter doen dacht ik, dan door eerst te gaan naar die ene kracht, waarin het isolement niet behoeft te bestaan en begrijpen dat van daaruit de werkelijkheid kan worden geschapen.

Wat is dan die Goddelijke werkelijkheid? Wanneer wij het bekijken vanuit een menselijk standpunt: een reeks van wetten. Er zijn een aantal situaties, die voor ons altijd weer terugkeren en waaruit wij ons schijnbaar niet kunnen losmaken. Wij noemen het kosmische wetten. Wetmatigheden. Maar laten wij eerlijk zijn: Is zo’n kosmische wet nu werkelijk iets wat werkelijk existeert in het Goddelijke? Als ik b.v. zeg: oorzaak en gevolg, dan veronderstelt dat tijdsduur. In God is er geen tijd. Indien ik zeg: wet van gelijkblijvende velden, dan heb ik het over evenwicht. Maar is er in God sprake van een evenwicht? Hoe kan daar sprake van zijn? Wij weten het eenvoudig niet. Wij kunnen dus nooit proberen om God en het Goddelijke alleen langs wetmatigheden en allerlei mooie stellingen te bereiken. Het enige wat ons overblijft is het ontvangen van het Goddelijke.

Nu hebben wij getracht om met dit alles ook nog iets tot stand te brengen en het eerste punt, dat ik u vandaag voorleg en dat een beetje dubieus zal zijn voor sommigen van u is dit: God is meer reëel wanneer je zelf leeft in een poging het geheel te aanvaarden, dan wanneer je neerknielt om God te aanbidden. Waarheid staat niet in boeken, zelfs niet in de grootste profetie. Waarheid is datgene wat ik in mijzelf erken op het ogenblik dat ik mijzelf niet op de voorgrond stel, maar datgene ontvang waarvoor ik niet eens een naam heb. Leven is niet het existeren in een bepaald vlak. Leven is het voortdurend veranderen van je bewustzijn, waarbij veel vergeten wordt, maar nooit voorgoed. Leven is het accumulatieproces van ervaring, waardoor je vanuit jezelf komt tot een complexiteit die in staat is iets te begrijpen van de eenvoud van de totaliteit.

Hier moet u maar eens nadenken, want al klinkt het erg diepzinnig, het is ergens heel eenvoudig. Weet u, een eenvoudig mens staat dicht bij God, heeft men weleens gezegd. Dat is waar, omdat een eenvoudig mens geen verschil maakt tussen een rots en zichzelf. Of om het bijbels te zeggen: Adam wandelde met God totdat hij had gegeten van de boom van kennis. En zo is het met ons. Wanneer wij als vanzelfsprekend de existentie van die totale kracht aanvaarden, is er niets aan de hand. Dan wandelen wij gewoon met God en dan zeggen wij tegen Hem: Het is mooi weer vandaag, heb jij daarvoor gezorgd?” Maar op het ogenblik, dat wij gaan zeggen: “Maar hier is God en daar sta ik, arme zondaar” dan straffen wij onszelf als God het niet doet, want wij zijn zondaars en het moet gebeuren.

Wij zijn langzaam maar zeker gegroeid naar een wereldbeeld, waarin de tegenstellingen en de paradoxen zich opstapelen. Wij proberen alles precies onder te brengen en dat het een geheel is, ontgaat ons. Wij zijn als een mens die een groot mozaïek ziet vol kunstwaarde en die zegt: “Nu ga ik eerst de steentjes tellen, hoeveel van elke soort.” En wat heeft dat er nu mee te maken? Het gaat om de voorstelling, om het geheel. En de delen waaruit het is opgebouwd zijn eigenlijk onbelangrijk.

Wij moeten proberen om terug te keren naar die eenvoud. Alleen maar naar het geheel kijken en niet vragen naar het hoe en waarom. Hoe en waarom is iets dat werkt in onze eigen wereld, in onze menselijke of geestelijke begripswereld. Zoals voor ons op aarde kosmische wetten kunnen gelden. Maar deze dingen zijn niet inherent aan de totaliteit. Ze zijn eenvoudig onze poging om de totaliteit klein te maken, zodat wij haar kunnen bereiden en hanteren. Maar hoe kun je iets hanteren, waarin je leeft? Je kunt een atmosfeer van een wereld verpesten, je kunt hem goed houden, maar kun je de stormwind bevelen? Het gaat niet. Wij kunnen misschien onze relatie met God vertroebelen, wij kunnen ze zuiverder maken. We kunnen dan misschien zeggen wanneer er een storm zal zijn en wanneer niet. Wij kunnen het misschien voorvoelen, maar u kunt het niet dirigeren. Hoe klein we God ook proberen te breken, Hij ontsnapt aan onze greep. En daarom heeft het geen zin om alles te ontleden. Het is eenvoudig: hier is het leven. Hier is een kracht en in die kracht leef je. Aanvaard die kracht en ga vanuit die kracht werken.

Dan zeggen de mensen: “Prachtig, dat hebt u uitstekend gezegd, maar staat er niet geschreven…” Want dat komt dan vaak. Er is meer menselijk verstand en meer menselijk inzicht en meer menselijke inwijding kapotgegaan aan wat er staat geschreven dan aan iets anders. Hoeveel mensen hebben niet een Bijbelspreuk genomen om daarmede alles te rechtvaardigen wat in strijd is met alle goddelijke en menselijke waarden? Dat doe je onwillekeurig. Je zegt: “Er staat geschreven dat…” en dat ga je dan interpreteren. Kun je een geschreven woord interpreteren? Als het eeuwigheidswaarde heeft, niet. Dan is het alleen maar het puntje van een ijsberg: je ziet de werkelijkheid ervan niet. Die kunnen wij ook niet vinden. Wij hebben geen behoefte aan iets dat geschreven staat, we hebben behoefte aan iets dat leeft.

Wat is de kern van leven voor een mens? In wezen harmonie. Wat is harmonie? Harmonie is een onbegrensde eenheid, die niet beperkt wordt door bepaalde facetten of gebonden wordt aan voorwaarden; die eenvoudig aanwezig is, die bestaat. En dat is nu hetgeen wat wij t.a.v. onze relatie met God altijd weer voor ogen moeten houden.

Wij hebben vanavond een gastspreker, die waarschijnlijk het woord “God” niet in zijn mond zal nemen. Dat is eigenlijk heel begrijpelijk. Het is een nogal hoge spreker, zoals dat dan heet. Kortom iemand, die meer is dan ik. En hoe dichter je bij God staat, hoe minder je over Hem praat, weet u dat? Ik denk dat het komt omdat zo iemand geleerd heeft met God te leven als met een natuurlijk bestanddeel van zijn existentie. Wij hebben dat nog niet helemaal geleerd en daarom zijn wij er druk mee bezig.

Wanneer u zo dadelijk met die spreker te maken krijgt, moet u eens opletten. Het lijkt mij heel interessant om een vergelijking te maken. Ik doe mijn uiterste best om een klein beetje in de richting van wat er tenslotte beloofd was te doen, niet alleen iets te zeggen over God, maar eigenlijk ook over U. Over God kunnen wij praten zolang wij willen en wij zeggen nog niets. Wanneer ik praat over God, dan praat ik in wezen over de mens. Hoe die mens op de een of andere wijze met die God gelieerd is, die contact met Hem heeft en die Hem beleven kan in allerlei facetten. Dan gaat het erom: wat betekent het voor ons? En nu blijkt dus volgens mij – en dat hoop ik dan dadelijk geïllustreerd te zien – dat juist die relatie die wij creëren van: “Hier is God en daar zijn wij”, dat dat eigenlijk het bewijs is, dat wij nog niet ver genoeg zijn.

Ik hoop, dat het u duidelijk wordt, dat een aanwezigheid kan bestaan zonder dat ze voortdurend genoemd wordt. En dat een lichtende werkelijkheid zich kan openbaren zonder dat er eigenlijk iets over gezegd wordt. Dat is mij altijd opgevallen. Wanneer je hoort over de grote meesters van deze wereld die allemaal zo dicht bij God staan, die Gods woord spreken en die zelfs soms Gods zoon zijn, dan hoor je nooit dat ze daar zelf mee opscheppen. Het zijn altijd anderen die dat zeggen. Ik geloof niet dat het nodig is om te zeggen: “Ik ben al dan niet ingewijd. Hoogstens is het voor een ander nodig, omdat hij je volgt en daar dan een reden voor wil opgeven.

En nu is onze gastspreker iemand die in dit opzicht uitgescholden zou moeten worden als één van de grote ingewijden etc., maar hij is eigenlijk gewoner dan ik ben. Hij heeft het gewoon niet meer nodig.

Wanneer je krampachtig wilt bewijzen dat je iets bent, dan bewijs je daarmee, dat je het nog niet bent. Wanneer wij krampachtig willen bewijzen dat God met ons is, dan doen wij iets dat eenvoudig overbodig is. Want anders wordt het vanzelf wel duidelijk. Zolang wij proberen het te bewijzen, is het nog niet zo. Op het ogenblik dat wij er geen aandacht aan schijnen te schenken, maar het zichzelf bewijst, openbaart het een waarheid.

Ik zou zeggen; het geheel van deze kosmos waarin wij leven, bestaat uit God en uit alle energie. En wij zeggen toch ook niet: “Hé, wat is dat? Dat is spinazie à la crème, dat is God gebonden met God.” En toch is het eigenlijk waar. Want in alles wat leeft en in alles wat bestaat, existeert diezelfde kracht. In elke mogelijkheid die er voor ons openligt, is diezelfde kracht aanwezig. Waarom zouden wij dan dat normale leven, dat precies diezelfde kracht is, dan beschouwen als iets minderwaardigs en daarboven iets anders gaan stellen?

Waarom zouden mensen van God een soort goulash hebben gemaakt? In stukken gesneden, waarvan sommigen zonde en anderen deugd zijn, overgoten met een sausje van rechtgelovigheid. Ik dacht dat God leven was, niet alleen maar een stukje. Wanneer u biefstuk eet, dan eet u een dooie koe. Dan kan die koe geen melk meer geven, hij kan niet meer loeien, niet meer eten en lopen. Wanneer wij bezig zijn met onze begrippen van afwegen van “Dit is goed en dat is kwaad” en “Hier is de Goddelijke openbaring”, “Hier is de rechtgelovigheid”, dan hebben wij God van zijn leven ontdaan voor onszelf. God maakt het niet uit, Die bestaat toch wel, maar wat doen wij ermee?

En nu nog een paar gekke stellingen: Alle kracht heb je altijd tot op het ogenblik dat je ontkent dat die kracht er is. Je ontkent de aanwezigheid van de kracht die voortdurend in en rond je is, op het ogenblik dat je je beroept op krachten buiten jezelf. Want daarmee ontken je de aanwezigheid ook in jou van de werkelijke kracht. Gezondbidders zijn dus mensen, die proberen op een slechte manier, door een beroep op God, iets tot stand te brengen, wat ze in een gewoon geloof in de werkelijkheid waarvan ze deel zijn, zonder moeite en veel beter zouden kunnen doen. Ik heb nog zoiets voor u. Daarover moet u ook eens denken.

Leven is bewustzijn. Bewustzijn is onuitwisbaar. Dan is er geen dood. Wanneer wij verschijnselen vrezen die wij dood noemen, dan komt het omdat wij daaraan een betekenis toekennen die daarin niet wezenlijk bestaat. Het is een deel van God, onuitwisbaar. Dood verandert daar niets aan. Dientengevolge is er geen werkelijke dood. De enige dood die wij kunnen sterven, is de dood die wij onszelf aandoen door te stellen dat wij uitgeblust worden. Want eerst dan sluit ons bewustzijn zich af voor de wereld, welke die wereld dan ook moge zijn en zullen wij langzaam moeten ontwaken tot een nieuw besef. Maar wanneer wij die afsluiting voor onszelf niet aanvaarden, dan is er eeuwig leven, waarbij de vorm niet veel meer is dan een tijdelijke uitdrukking van een klein facet. Zoals je je voor sommige gelegenheden op aarde pleegt te kleden, bij wijze van spreken.

Veel mensen zeggen: “Het is belangrijk dat dit of dat gebeurt.” Er kan niets gebeuren dat niet toch waar is, dat toch niet bestaat. Laten we dan begrijpen dat de belangrijkheid bij ons ligt voor ons bestaan en dat ze nooit kosmisch aanwezig kan zijn. Op die manier krijgen we tenminste een reëel inzicht en zullen we alles wat we doen beseffen als een deel van ons eigen streven en ons eigen willen. En als wij dan onze gang willen gaan kunnen we dat doen, daartegen is geen bezwaar, maar laten we het niet proberen buiten onszelf te stellen als iets van bovenaf.

Er is geen voorbestemming, omdat wij allen in wezen gelijk zijn. We kunnen niet anders zijn dan wij zijn en kunnen onszelf niet verbeteren en onszelf niet verminderen. We kunnen alleen totaalbewust zijn van datgene wat wij zijn, of een deel ervan verwerpen, of misschien alles. Wat wij zijn, maken we zelf uit. Het is onze reactie op de totaliteit waarvan wij deel zijn en waarin wij een vaste vorm en een vaste waarde bezitten. (En dan toch zeggen dat er geen voorbestemming is …!) Maar dat komt omdat uw eigen wil uw beleven bepaalt, maar nooit datgene wat u werkelijk bent.

En dan zou ik nog iets willen zeggen over iets wat u waarschijnlijk al honderdmaal gehoord hebt, maar wat niet genoeg herhaald kan worden.

Hemel en hel zijn de dingen, die wij scheppen uit ons onbesef voor de totaliteit. In de hel verpersoonlijken wij onze angsten, in de hemel onze begeerten. Maar de werkelijkheid is een bestaan, waarbij wij allen een steeds grotere harmonie kunnen vinden. Wijzen we die af, dan verdwijnt ons besef tot het punt waarop wij opnieuw de ontwikkelingsweg moeten gaan. Als er kracht is, Goddelijke kracht – ik heb daarnet er al voldoende over gezegd – dan is het besef van die kracht voldoende en is niet eens de wil nodig om die kracht te doen existeren. Ze is er. Wanneer wij onze wil gebruiken, dan is het om onze relatie als deel van die kracht met een ander deel van die kracht op een bepaald moment voor onszelf te fixeren.

Anders gezegd: Als iemand genezen moet worden, dan doe je het onbewust als je er niet aan denkt, bewust als je er wel aan denkt. Maar dat kun je eenvoudig niet veranderen. En als jij het niet doet en het niet wil doen, dan zal er een ander zijn die het toch doet.

Dan kom ik tot de conclusie, dat in het gehele bestaan alles alleen betrekking heeft op onze beleving. Onze beleving is het enige reële. Wij spreken over God en het Goddelijke en al die mooie vaagheden en dan proberen wij misschien om daarin een dwingende factor te scheppen die niet bestaat, want wij zijn vrij. Want wij kunnen niet willen, wat niet ons als mogelijkheid tot willen is gelegen. Wij kunnen niet verwerpen wat voor ons als mogelijkheid tot verwerpen niet bestaat. Wij zijn wel bepaald in onze totaliteit, maar voor de rest: wij zijn er gewoon. Laten we er dan vanuit gaan dat we bestaan, dat we zijn. De rest doet niet ter zake en laten we dan proberen om daarachter iets te voelen voor onszelf van kracht en van mogelijkheid, die een beetje verdergaat dan alleen maar de menselijke zaken.

Wanneer wij die kracht voelen, hoe dan ook en waar dan ook, dan kunnen wij daarnaast zeggen: in die kracht – of wat in die kracht aanwezig is – ben ik volledig bekend. Met alles. Ik kan niets geheimhouden, ik kan er niets bijvoegen. Daar ben ik volledig erkend en aanvaard. En in deze situatie van je aanvaard weten, kun je geloof ik ook veel meer aanvaarden. Je kunt een deel van het isolement tenietdoen.

Nu heb ik veel gezegd en ik heb meer raadselen aangesneden dan u op dit moment heeft verwerkt. Om een laatste punt aan te roeren:

Er is geen verschil tussen mens en geest dan het verschil, dat uit het bewustzijn, voortkomt. Het bewustzijn impliceert wereldbewustzijn, relatiebewustzijn. Zodra wij deze bewustzijnswaarden wegnemen is er geen verschil. Dan behoeven wij dus niet uit te gaan van deze verschillen, maar kunnen wij uitgaan van de gelijkwaardigheid. En op basis van die gelijkwaardigheid een contact vinden, dat dan misschien in termen stof-geest etc. wordt uitgedrukt, maar waarbij wij alleen voor onszelf omschrijven wat in wezen harmonie is, uitdrukking van harmonie, van verbondenheid.

Dat zijn zo de punten, die ik bijeen heb gehaald voor deze eerste les. Wij kunnen natuurlijk verder filosoferen, maar ik denk, dat onze gastspreker dat beter doet. Wij kunnen proberen om sfeer te kweken, maar is die sfeer eigenlijk niet alleen afhankelijk van hetgeen u denkt, van wat u doet, van de manier waarop u aanvaardt? Zeker, hoe groter iemand is, hoe vollediger hij u kan aanvaarden zonder daar beperkingen of kritiek of iets dergelijks aan toe te voegen en dat verhoogt de mogelijkheid tot harmonie, maar de kracht blijft hetzelfde. Het licht blijft hetzelfde.

Alles wat op dit moment hier is aan mensen, aan geest en aan kracht is niets anders dan één facet van één en hetzelfde. Dat is onze harmonie, onze werkelijkheid. U wilt in uzelf misschien graag iets vinden van God. Begint u dan eens met geen verschil te maken tussen uzelf, anderen en God. Laat het geheel eens op u inwerken. U denkt misschien, dat de benadering van de werkelijkheid gepaard gaat met allerlei denk- en leerprocessen. Die denk- en leerprocessen hebt u nodig om voor uzelf een uitdrukking te geven aan hetgeen er in u bestaat. Maar het verandert er niets aan. Kennis is voor ons de definitie van iets, wat in ons bestaat en wat wij erkennen. Iets, dat buiten ons bestaat en dat wij menen te herkennen.

Maar kennis kan nooit zijn een juistere of grotere of hogere benadering van de kracht, waarin wij leven. Vervelend, niet? Als je zolang gestudeerd hebt om het allemaal te begrijpen en dan hoor je dat het niet nodig is. Maar als je niet gestudeerd had, zou je niet begrijpen dat het niet nodig was. Want de grote kunde, die wij in een cursus als deze misschien kunnen opdoen, is het begrijpen van het overbodige. Begrijpen hoeveel er niet nodig is. Wanneer wij dat beginnen te beseffen, dan komen wij tot eenvoud en in die eenvoud komen wij langzaam maar zeker ook tot een begrip dat wij de totaliteit nodig hebben en dan niet de enkele dingen.

Ik heb als jongen een belevenis gehad die ook in die richting wees, alleen begreep ik het toen niet. Ik had een kostbaar geschenk, een horloge gekregen. En ik vond dat zo interessant dat ik elk radertje afzonderlijk wilde  kennen en bezien, maar mijn horloge heeft nooit meer gelopen. Mijn vader die dat zag, heeft dat met pijnlijke indrukken onderstreept.

Ik dacht dat wij – zonder het pak slaag overigens – vaak precies hetzelfde doen. Wij begrijpen niet dat het belangrijke van een horloge is dat het loopt, dat het de tijd geeft; wij willen weten hoe en waarom. En dat kunnen wij alleen wanneer wij dat binnen het kader van het geheel zien. Wanneer wij het proberen uit elkaar te halen, dan houden wij niets over. En waarom is het zo belangrijk? Het is belangrijk dat de tijd kan worden afgelezen.

Nu zou ik zeggen: Wanneer het zo met God is, dan is de werkelijkheid en de waarheid net zo. Het is helemaal niet belangrijk, dat wij alle onderdelen precies kennen; het is voor ons belangrijk, dat wij begrijpen dat die kracht er voor ons is en we met de kracht en vanuit die kracht functioneren.

U hebt al gemerkt dat ik tijd zit te vullen. Ik had ontzettend veel te zeggen en toen ik het gezegd had, dacht ik: Wat moet ik nu verder nog doen? Ik dacht dat daar een fout ligt, die we allemaal weleens hebben. Het idee dat je de zaak toch een beetje moet versieren. Laten we dat tegenover elkaar vooral doen. Want we denken allemaal dat iets mooier is, wanneer er een randje omheen zit. Maar het werkelijke wegen wordt niet bepaald door de versiering. Laten we begrijpen, dat we geen versiering nodig hebben, ook niet tegenover God. Dat we niet behoeven te zeggen: “God, ik zal dit en dat doen, wanneer u dat en dat doet.” Per slot van rekening: God heeft geen marktkraam met genade.

Wij moeten gewoon erkennen dat het nodig is en weten dat al wat werkelijk nodig is, waar wordt uit die totaliteit. En wij willen ook graag gewichtig doen. Wanneer wij maar niet denken dat onze pretenties onze relaties met het Goddelijke kunnen beïnvloeden, kunnen veranderen.

Ik denk, dat wij pas werkelijk verder komen wanneer wij begrijpen, dat wij alles, wat wij zelf doen met enorm veel moeite en enorm veel kracht en inzet, tenslotte niets anders is dan waarmaken wat er in ons is gelegd door het Goddelijke. Het is geen verdienste. Soms falen we, tenminste dat denken we. Maar er zijn dingen die wij gewoon niet kunnen op een gegeven ogenblik. En wanneer wij dan meer willen dan wij kunnen, dan dalen we in onze eigen ogen misschien, maar niet in de ogen van de werkelijkheid. En die werkelijkheid is, beantwoorden zo goed als je kunt. Het meest volmaakte antwoord van een beperkt deel tegenover de totaliteit, waarvan het deel is. En daarom is het niet erg wanneer je een keer faalt. Het is alleen erg wanneer je dat falen dan gaat beschouwen als een belasting, een rem, waardoor je verder niets meer kunt doen, dan wel – en dat gebeurt even vaak – dat je denkt dat je het kunt ombuigen in een succes. Je kunt alleen maar jezelf zijn zo goed je kunt. Werken met de krachten en het besef dat in je is, zo goed je kunt. En het vreemde is, dat wanneer je dat doet, de hele kosmos antwoord geeft.

Wanneer de gastspreker komt moet u hem zijn gang laten gaan. Hij is niet meer of minder dan u, alleen begrijpt hij misschien een beetje beter dan u wat hij is. Dat is het enige verschil. Laten wij dan eens kijken of wij in die aanvaarding misschien de kracht zien die er altijd is, maar die wij eerst moeten voelen, die wij eerst moeten aanvaarden, voordat wij er ons van bewust worden. Ik dacht dat het dan een geslaagde avond kon worden.

De gastspreker

Men heeft mij gevraagd om een paar dingen te zeggen. Het is altijd een beetje moeilijk, want weet u, veel heb je eigenlijk niet te zeggen. Het onderwerp zou zijn: “God”. En dat zou betekenen, dat ik met één woord alles gezegd heb. Maar aan de andere kant zijn er toch ook dingen, die ons nader staan in ons eigen denken, waarbij wij trachten een klein beetje beter te begrijpen wat er voor ons eigenlijk aan de hand is.

Het was in de dagen dat ik nog in de stof leefde, zodat wij nog weleens vochten. Dat doen de mensen trouwens nog, naar ik hoor. Dat ging met stokken en ik kreeg eens een keer – dat was praktisch de eerste keer dat er ernstig getraind werd – een grote klap op mijn hoofd. Later heb ik begrepen, dat mijn schedel iets op een maankrater leek. Degene, die erbij was, keek ernaar en zei: “Maak je niet druk, jongen, want het is niets.” Op dat moment was ik het niet met hem eens. En ik denk zo, dat met alle hoge, geestelijke leringen en alle troost die ons wordt gegeven, het op hetzelfde neerkomt. Je krijgt een klap, een ander zegt: “Dat is niet zo erg”. Maar jij zit er maar mee. Dat lijkt mij zo de relatie te zijn tussen de mensen en al die krachten die dan zo hoog zijn. Ze hebben waarschijnlijk wel gelijk wanneer ze ons vertellen dat we onbelangrijk zijn, maar we willen het gewoon niet geloven. En wij vinden het natuurlijk heel mooi wanneer ze zeggen, dat we alles kunnen, maar ze moeten niet vragen het dan ook te proberen. Moet daar nu zo’n hoge geest voor komen?

Nu, dat hoeft helemaal niet. Een hoge geest, mijne vrienden, is iemand, die door een ander hoog genoemd wordt. En veel mensen noemen een ander hoog om duidelijk te maken, dat ze zelf zo laag niet zijn. De werkelijkheid is eigenlijk veel eenvoudiger en met uw welnemen zou ik daar dan toch liever wat over vertellen.

We zijn allemaal, één vlammetje. Als je ooit in het donker hebt gezeten met een kaars aan en zonder gezelschap, dat die toestand aangenaam maakt dan weet je; dat een kaars niet veel licht geeft. Maar zet nu eens honderd kaarsen bij elkaar, dan is er een zee van licht. Wij zijn allemaal een klein lichtje, een klein vlammetje. Zolang we alleen blijven staan, is het hoogstens goed voor de verliefden. Zodra wij begrijpen, dat wij tezamen met anderen licht moeten geven, is er zoveel licht, dat het meer lijkt dan iedereen nodig heeft. Dus om te beginnen: laten we nu allemaal die vlammetjes eens laten branden en niet zeggen: “Een ander moet het maar doen.”

Je hebt kracht. Goed. Iemand kan de kracht van een vlo hebben en dan is het veel. Maar onthoudt één ding: de kracht van twee vlooien is altijd meer dan van één. Een mens kan een enorme wil hebben, maar als er twee zijn die elkaar helpen, dan willen ze veel consequenter en bereiken ze meer.

Nu is het natuurlijk heel aardig, dat ik dat zo vertel. Dan denken de mensen: We maken er een vereniging van en vragen een zendmachtiging aan, en dan maken we er een politieke partij van. Wel, dan is de zaak verziekt omdat iedereen voor zichzelf staat tegenover de anderen. Maar we hebben gelukkig ook nog iets, waarbij we geen verschillen hebben. Ik bijvoorbeeld heb ook een beetje kracht, een beetje wil. U ook. Wanneer we samendoen dan hebben we meer kracht dan tien miljoen mensen die alleen staan.

Wanneer we grijpen naar het licht of naar de harmonie alleen voor onszelf, dan komen we daar niet ver mee. Maar wanneer wij trachten vanuit onszelf een soort gemiddelde te vinden, waardoor we met anderen samen die harmonie en de rest hebben, dan blijkt er ineens enorm veel mogelijk. De meest perfecte democratie wordt kenbaar wanneer het gaat om de kracht van de geest. Alleen ben je niets, al ben je de meest machtige en hoge geest. Je kunt niets. Maar zodra je zegt: “Niet ik, maar u, maar wij” zijn alle dingen mogelijk.

Zoeken naar de werkelijkheid, ach, ik heb het ook gedaan. Ik heb gezocht naar de verlichting, Wij zijn allemaal op zoek naar iets groots en omdat wij het zo groot willen hebben krijgen we niets. Wanneer we tevreden zijn met het beetje dat we hebben en we willen dat samen met anderen uitdragen en beleven, zijn wij veel. We weten heel weinig. We weten pas iets, wanneer we weten wat wij niet weten. Maar als we dat beetje dan niet afzijdig houden van anderen, maar we proberen het met anderen te delen, door te geven, dan ontvangen we ook. En dan blijkt dat er enorm veel weten is. Een mens die alleen lacht – ik heb het in menige taveerne gezien – loopt gevaar een pak slaag te krijgen. Een mens die zijn lach met anderen deelt, kan vaak nog op rekening van een ander drinken ook. En dat is nu gewoon kosmische wijsheid.

U dacht misschien dat het allemaal met grote woorden moest. Ik heb er in mijn tijd genoeg gehoord en ik heb ze ook genoeg gesproken. Als ik het goed naga had ik zoveel gestudeerd, dat ik een opgeblazen niets was, al noemden de anderen mij een filosoof en wijsgeer. De gewone dingen die je ziet, overal; die heel eenvoudige zaken en krachten en werkingen, waar je eigenlijk allemaal mee te maken hebt, die je elke dag gedemonstreerd krijgt, die zijn het geheim van de hoogste kracht. We zijn niets bijzonders. We zouden het misschien willen zijn, maar het lukt toch niet. Laten we dan maar gewoon zijn, maar dan ook gewoon deel zijn van anderen.

Het is natuurlijk vleiend voor je eigen gevoel, dat je kunt spelen met de kracht van zonnen. Ja, denk niet dat ik opschep, maar ik heb het gedaan, ik weet waar ik over spreek. Maar als je het goed bekijkt is het eigenlijk niet veel waard. Pas wanneer je ziet wat er in de zon leeft en in een mens en in een geest leeft, leeft ergens ver buiten uw eigen wereld op een andere planeet, leeft in een sfeer, leeft in duister, leeft in licht, leeft overal, dan speel je niet meer met zonnen, maar je probeert een beetje de essentie, de ziel ervan te zijn. Een stukje van een zon, een stukje van een mens, een stukje van een geest. Dan pas weet je wat leven is.

We denken altijd dat we leven. Als je een rups vangt – misschien hebt u het nooit gedaan. Ik wel – dan doe je dat beest in een doosje. Je geeft het wat blaadjes. Het beest weet niet meer dat de wereld groter is. Het zegt: mijn wereld is rond en half doorzichtig (wanneer het zich tot een cocon gesponnen heeft). En dan zijn het net mensen. En als er een vlinder zou uitkomen, dan zou deze niet eens wegweten met die ruimte. De vlinder fladdert, wanneer ze uit de cocon kruipt, wat rond en weet een-twee-drie geen raad met die andere wereld. En dan is dat wezen nog veranderd.

Wanneer u hier leeft, of u speelt met zonnen – stel dat u zover komt – dat zit u in een potje. Alles is er wel, maar het is niet van jou. Je zit opgesloten in het gebeuren. Totdat je begrijpt: ik moet niet hier in een potje zitten, ik moet naar buiten toe. Ik moet overal kunnen zijn. Ik moet alles een beetje kunnen zijn. Dan weet je wat leven is.

Een mens op aarde is vergeleken bij een geest iemand die maar net begint te leven, die nog halfdood is. En een geest die nog steeds naar zijn eigen hemel zoekt, is iemand die een beetje ruimer doosje krijgt. Maar hij zit nog steeds vast. Op het ogenblik dat je begrijpt dat je deel van de kracht bent, je deel bent van het geheel en wat ik ben, ben ik in, met en door al het andere. Dan veroordeel je niet meer en je beoordeelt niet meer en je hebt geen boven en geen beneden meer, je hebt “zijn”. Je hebt de zuivere existentie. En in de tijd van het existentialisme is het zonderling, dat juist dat vergeten wordt.

Men heeft ook gevraagd of ik het een beetje mystiek kon maken. Dan kan ik natuurlijk wel wat kolder gaan kletsen. Voor de meeste mensen is dat mystiek genoeg. Maar wat heb ik aan mystiek, geheimen en verborgenheid? Wat je nodig hebt is werkelijkheid, leven. Niet iets waardoor je wegkomt uit je wereld, neen. Iets waardoor je leeft in en met je wereld en alle andere werelden.

Wanneer je zo’n verlanglijstje krijgt, van laten we zeggen zo’n impresario, dan staat er van alles op. Men heeft ook gevraagd: “U bent zo hoog, kunt u ook wat krachten manifesteren?” M.a.w.: de werkelijkheid is voor die mensen niet goed genoeg. “Goochel een beetje.” Maar ik ben geen goochelaar. Er is kracht. Natuurlijk is er kracht. Hebt u kracht nodig? Besef dat die kracht er is en u hebt ze. Moet ik dat doen? Neen, dat is niets voor mij.

U wilt geestelijke verlichting? Onthoudt dan een ding. Verlichting is niet doorkijken naar steeds meer dingen, het is gewoon het wezen van de dingen beseffen. Dat esoterische hunkeren naar verlichting doet mij vaak denken aan de koortsdromen van een nog niet rijpe maagd. Het is allemaal anders en als je je er teveel aan vastklampt deugt het later niet, zoals menige man tot zijn schade kan bevestigen.

De werkelijkheid is gewoon: Wat ben ik? Wat kan ik met anderen samen zijn? Licht, dat ben ik. Met anderen samen. Kracht, die is er. Wat ben ik samen met alles wat er is? Mystieke bewustwording? Dat is wat ik ben en wat ik weet met alles tezamen. Kijk, dat zijn de dingen, waar de meesten overheen kijken.

Goochelen met kracht. Niet moeilijk, helemaal niet moeilijk. Alleen doet het niets. O, ik kan hier gaan uitstralen, de een doet het zus en de ander doet het zo. Hier is de kracht. Goed, hier hebt u kracht. Wat verandert dat? Jazeker; er is kracht. Wanneer u goed voelt, weet u dat er kracht is. Maar wat heb je eraan? U neemt er wat van mee. Ja, maar voor hoelang? Als ik hier eonen van jaren kracht zou zitten uitstralen naar jullie, zouden jullie elke keer terugkomen om een beetje meer en jullie zouden niet beseffen dat jullie mij niet nodig hebben.

En dat is nu waar het op aankomt. U hebt mij niet nodig om meer te worden. Wij hebben elkaar nodig om bewust te zijn. Wij kunnen sprookjes vertellen, of dat nu gaat over roodkapje of over de heilige Allijakkes maakt ook geen verschil uit. Maar tenzij het sprookje waarlijk uitdrukt wat in ons allemaal leeft, zegt het niets. Dan is het sprookje de vorm, die wij geven aan de werkelijkheid en dat mag. Maar als wij de vorm nemen i.p.v. de werkelijkheid hebben wij helemaal niets. En daar zit, dacht ik, de moeilijkheid.

Ik weet dat jullie pech hebben, dat ik hier doorkom i.p.v. iemand die het mooi en verheven zegt. Ik heb in mijn tijd ook mooie woorden gesproken. Gelooft u mij. Ik heb gesproken over de essentiële waarden van de menselijke ziel, die vanuit het goddelijke bevestigd slechts door de mens zijn uitdrukking vindt. Ja, dat heb ik toen gezegd. Aap wat heb je mooie jongen. Dat weet ik nu. Dat wist ik toen niet. Toen dacht ik, dat ik de kosmos onthulde en nu weet ik, dat ik alleen mijn eigen pretenties heb onthuld. En zelfs nu ben ik nog een beetje pretentieus, want anders zou ik jullie geven wat je wilt en daarbij denken: ze worden toch wel wijs.

Maar aan de andere kant zou ik niet kunnen delen wat ik ben. Dan zou ik niet kunnen absorberen wat jullie zijn. En daarom doe ik het zo. Ik weet net hoe het gaat: er komt een gastspreker. Eens kijken wat het wordt. Vast heel mooi. Tsjonge, tsjonge, wat ben ik mooi. Wat ben ik gast. Dat is toch eigenlijk niets. Dat zijn allemaal termen, meer niet.

Maar wij zijn een leven. Een werkelijk leven. Niet wat er gebeurt, maar wat wij zijn. Ben ik niet apart, bent u niet apart? Wij zijn. Dat valt in het begin natuurlijk tegen. Maar je leeft zo intens. Je bent het niet zelf meer, die alles moet stimuleren en verwerken. Er is een geheel en dat weerkaatst niet alleen wat er in is, maar dat herkent daardoor alles wat er omheen is.

Ik had een vriend, die het veel had over de levensboom. En als ik hem zo hoorde dan was het paadje op, paadje af enz. tot je boven was en aan het einde van het paadje kwam mamaatje eraan te pas. Toen heb ik tegen hem gezegd: “Wat zijn nu die punten, waar wij naar toe gaan?” Toen heeft hij mij dat verteld. Dat waren engelen en die engelen stonden voor werelden, en in die werelden moesten wij leren en als wij die wereld kenden, gingen wij verder en dan gingen wij naar een andere wereld toe. Hij hield veel van verhuizen, denk ik. Daar heb ik eens over nagedacht en toen dacht ik dat ik er heel wat in zag en weet u wat ik er nu in zie? De paden van een levensboom gaan degenen, die niet beseffen dat ze de boom zijn.

De wereld schijnt vol te zijn – en niet alleen uw wereld. In de mijne vind je ze ook nog – van wezens, die voortdurend bezig zijn hun eigen portret te schilderen zonder te weten hoe ze er uitzien. Vandaar al die zonderlinge vertekeningen. De werkelijkheid is dat ik besta. Ik heb het niet nodig om een portret te schilderen als ik er zelf al ben. Ik hoef niet iemand te zeggen: “Kijk, dat ben ik.” We moeten gewoon zijn.

En dat is voor mij het idee van de levensboom en al die dingen meer. God is alpha en omega. God is het begin en het einde. Maar wat verbindt begin en einde? De schepping. En wat is de schepping? Dat zijn wij. En wij zijn niet ergens een stipje op de lijn. Wij zijn de lijn, samen. Samen omvatten wij het begrip “begin tot einde”. En wanneer wij zeggen: “Ik ben alleen maar een stippeltje,” dan zijn wij tenslotte alleen maar een spatje, dat niet eens weet waar het staat. En daarom moeten wij gewoon uitgaan van dat doodgewone begrip van: “Wij zijn samen.” Kracht nodig? Dat is de kracht. God is datgene waardoor de kracht mogelijk is, dus wij zijn de kracht, Wijsheid nodig? God is de openbaring, wij zijn het besef van de openbaring. Bewustwording nodig? Aanvaard jezelf vanuit jezelf de kosmos en je bent je bewust van de kosmos.

Ik begin haast weer op de oude manier.

Waarom moeten wij dan eigenlijk zo mystiek doen? Kracht? Samen niets aan. Waarheid? Licht? Begrip voor de oneindigheid? Alleen word je er gek van. Samen niets aan. Wanneer ik zeg: “Niks aan”, dan bedoel ik alleen maar: het is niet moeilijk.

Wilt u vanavond met meer kracht naar huis gaan? Neem die kracht dan. Ze is er toch? En dan niet zeggen: “Ik ga kracht plukken.” Sommige mensen zitten kracht uit de hemel te plukken alsof ze een koe aan het melken zijn. Dat is niet nodig. Gewoon: je wilt die kracht hebben? Aanvaardt het geheel. Zeg: “Ik ben deel van het geheel” en je gaat weg met veel meer kracht dan je dacht te bezitten. Maar je hebt ze altijd gehad. En zeg nu niet: “Nu heb ik veel kracht, nu ben ik meer dan een ander”, want dan ben je het zo weer kwijt. Zeg gewoon: “Ik heb meer kracht en die kracht deel ik met anderen. Hoe meer ik mijn kracht deel met anderen, hoe meer kracht ik heb.” U wilt wat wijsheid, een beetje inzicht hebben? Als u inzicht wilt hebben, dan zal ik u een raad geven. Stel jezelf geen vragen en zeg: “In het geheel ligt het antwoord.” Dan heb je zoveel antwoorden, dat het je moeite kost de vragen erbij te vinden. Dan zie je de betekenis van de dingen en het kost helemaal geen moeite.

Ja, jullie hebben nog een brandpunt nodig. Ach, ik misschien ook, wie zal het zeggen? Goed, dan maken wij een brandpunt, waarom niet? Denk even mee: hier is kracht, hier is licht. Het is er toch, nu denken we eraan. Besef dat het er is. Er is kracht, er is licht. Het is er. Alles is eenvoudig wanneer ik luister naar alles, waarvan ik deel ben. Zeg tegen jezelf: “Ik luister, ik praat niet, ik argumenteer niet, ik aanvaard, ik besef.” Hier, daar is uw brandpunt. Dit is het symbool van alles, maar alles is rond u. Het is niet alleen hier, het is overal. Dit is alleen maar het symbool dat het er is. Geen vragen, laat de antwoorden komen. Adem de wijsheid van de kosmos in. Ze is er. Zeg niet: “Ik moet groeien.” Wanneer je dat wilt, kun je je beter laten bemesten. Zeg tegen jezelf: “Ik wil meer één zijn. Eén met de kosmos.”

Hier, dit brandpunt is alleen maar het symbool van die kosmos. Probeer er één mee te zijn. Laat je gedachten even loskomen van jezelf. Kom er maar eens even uit. We maken er een bolletje van licht van als u dat graag wilt. Hier …, dit is de kosmos. Die kosmos is rond ons. Die kosmos weet alles. Die kosmos brengt alles en in die kosmos zit het totaal van kracht van begin tot eind. Daar zit alle kracht in die wij nodig hebben. Daarin zit alle weten en bewustzijn dat wij nodig hebben. Daarin kunnen wij ons bewust worden van wat wij zijn. Daarin is het leven van de oneindigheid. Daarin zijn wij. Hier is het brandpunt, maar niet omdat ik dat doe. Omdat wij het doen, wij allemaal. Wij, zandkorrels, die samen het strand vormen. Dat is nu mijn idee van wijsheid en van een les en van de werkelijkheid.

Ik vraag mij af of die impresario mij nog eens zal proberen te arrangeren! Waarschijnlijk niet. Maar hij kan iedereen nemen als wij vanuit het geheel gaan. Er zijn veel vormen, maar er is één kracht. Er zijn onmetelijk veel woorden, maar er is maar één wijsheid. U leeft, ik leef. Wij zijn één leven.

Is dit nu eigenlijk alles? Wat zou ik jullie meer vertellen? U kunt uzelf betere verhalen vertellen dan ik, denk ik. Wanneer je maar niet denkt dat ze waar zijn, tenzij je ze ervaren kunt als een geheel met alle anderen. Wanneer u dat doet, dan behoef ik hier niet te komen, want dan zijn we toch één. En ik, ik blijf mijzelf. En u? U voelt misschien een klein beetje meer de harmonie of u zegt meestal: “Het geluk dat achter alle dingen ligt, achter alle verschijnselen.”

Lieve mensen, dit is het. Nu moet ik gedag zeggen, dat is beleefd. Ik wens het jullie van harte, maar ik wens jullie ook, dat je iets van hetgeen wij hier symbolisch even hebben gespeeld, meeneemt en waarmaakt. Dit zeg ik u: alle dingen zijn één. En elke eenling in het geheel verzonken, kan uit het geheel putten zover zijn begrip en zijn vermogen reikt. Doe dat. Dan maak je de wereld beter, de kosmos bewuster en jezelf gelukkiger.