Het godsbegrip

image_pdf

9 februari 1965

Ik zou deze keer graag met u willen spreken over het godsbegrip. Daarover hebben wij het al heel vaak gehad, maar wij kunnen dat godsbegrip misschien ook zo ontleden, dat het een zuiver persoonlijke tint krijgt, een zuiver persoonlijke betekenis. Ik wil daarbij niet ingaan op de maximale verdelingswaarde van de mensheid in typen onder de verschillende stralen, want dan komen wij aan een aantal van 144 grondtypen. Ik wil ook niet ingaan op al die verschillende uitwerkingen van de z.g. stralen, de bindingen net bepaalde sferen en krachten.

Ik wil alleen maar ingaan op God, zoals Hij in de mens zelf bestaat en zoals Hij dus ook in die mens werkzaam is. Mij dunkt dat dit voor iemand, die esoterische scholing zoekt en mystieke beleving, van uitermate groot belang kan zijn.

God is en blijft de naam, die wij geven aan het hoogste mysterie. God is voor ons zoiets als het leven. De kern van ons eigen leven is voor ons even ver en even onbereikbaar en even onbegrepen als God. Wanneer wij een vergelijking willen maken tussen de opbouw, die de mens buiten zich heeft gepleegd, om zo te komen tot een begrip van de geestelijke relaties, de hiërarchische verhoudingen, dan kunnen we dus heus wel stellen, dat in de mens God is leven.

Leven openbaart zich. God openbaart zich. God openbaart zich in licht en duister. Leven openbaart zich eveneens in twee afzonderlijke fasen, die wij kunnen noemen het waakbewuste leven en het niet – waakbewuste leven.

Deze twee fasen staan tegenover elkaar. Zij vullen elkaar aan. Zoals op aarde dag en nacht moeten wisselen en de juiste balans o.m. van de voor u zo belangrijke zuurstof in stand te houden, de plantengroei op de juiste wijze te laten voortgaan, zo kunnen wij zeggen, dat de uitwisseling tussen bewuste en onbewuste waarden voor mens en geest van het hoogste belang is, omdat hierdoor het klimaat ontstaat, waarin bewustzijn en bewustwording rationeel mogelijk zijn.

Dit is misschien een visie, die enigszins afwijkt van de gebruikelijke opbouw. Maar ze is volledig verantwoord. Wanneer wij iemand kunnen beletten om te dromen, dan zal hij de waarden, die normalerwijze in zijn onderbewustzijn aanwezig zijn, overbrengen naar zijn waakbewustzijn. Er ontstaan. dan allerlei illusies en – wat erger is – obsessies. Ik geloof dat dit feit op het ogenblik reeds wetenschappelijk vaststaat. Er zijn althans onderzoekingen in die zin gedaan en ik geloof dus, dat wij voor onszelf de neiging om de droom terzijde te schuiven – of wat in die droom bestaat – te zien als een zelfstandige openbaring, even goed opzij moeten zetten als de gedachte, dat goed en kwaad afzonderlijke werelden en waarden zijn, die elk op zichzelf beoordeeld kunnen worden.

De onderbewuste wereld bestaat ook voor de geest. Menigeen denkt dat, wanneer je uit het lichaam weg bent, het gehele wezen zich van het totaal van zijn ik bewust is. Dat is niet waar.

God openbaart zich bv. eenmaal in tegenstellingen, in tegendelen. Op het ogenblik, dat ons ik volledig geïntegreerd is, dat geen licht en duister meer bestaan, dat er geen onbewustzijn en bewustzijn tegenover elkaar staan, hebben wij het allerhoogste bereikt. Wij zijn gekomen in die toestand van daadloos bestaan, die men wel eens Nirwana noemt, wij zijn één geworden met God. Maar zolang dat niet het geval is, blijft er in ons altijd bestaan het deel van het ik, waarvan wij ons niet bewust zijn. Het deel van het ik, dat wij bewust beleven, dat wij dus erkennen en tussen deze beide ontstaat de interpretatie.

Dit is de triade, die in het ik bestaat. Er is het onbewuste de Vader. Er is het bewuste de Zoon. En er is het bewustzijn, een afzonderlijke functie, die wij de geest kunnen noemen. Daaruit volgt – en voor velen misschien minder aanvaardbaar – dat de feitelijke kroon van het ik bestaan het onbewuste is.

En toch is ook dit redelijk. God is het raadsel, het niet-begrepene. Op het ogenblik, dat God begrepen is, houdt het leven zoals wij het kennen op te bestaan. Waarom zou het in onszelf anders zijn?

Laat ons nu zien, hoe zich de persoonlijkheid verder ontplooit. Want het is niet voldoende om te zeggen; wij hebben dus die tweeledigheid, de uitwisseling daartussen en daarmee is het af.

Wij hebben in onszelf dank zij de werking van bewustzijn, en onderbewustzijn twee waarden.

De emotie, de gevoelswereld, die de interpretatie bepaalt van alles wat wij zijn en wat wij beleven. Een wereld, die reikt tot in de materie. Want ook in de materie wordt uw eigen idee omtrent de wereld en al hetgeen daarin geschiedt bepaald door de emotie, de gevoelswereld.

De gevoelswereld kunt u bv. vergelijken met het middelste pad van de levensboom.

Maar er zijn nog twee andere wegen. Want ofschoon dit middenpad voor ons vaak het gemakkelijkste, het best bruikbaar is, het pad van de verlossing, zoals men wel eens zegt, zo hebben wij daarnaast het pad van de schoonheid en het pad van de wijsheid. En hier ontstaat een heel curieus iets.

Schoonheid is voor de mens eigenlijk een gevoelswaarde. Het is dus een zeer subjectief iets. Maar in het ik bestaat een oordeel, dat niet gebonden blijkt aan de gevoelswaarde. Noem het mijnentwege een instinct, een ervaring, maar het is een vaststaand criterium, dat wel tijdelijk door het bewustzijn wat gemanipuleerd kan worden, maar dat in zich voortdurend aanwezig blijft.

Schoonheid zouden wij binnen het ik het best kunnen bepalen door te zeggen: Harmonie. Al datgene waarmee wij ons kunnen vereenzelvigen, wij kunnen dan zelfs nog haten, maar waarmee wij ons vereenzelvigen betekent voor ons de concrete levenservaring. Het leven wordt voor ons waardevol door de vereenzelviging. Dit geldt voor de bewustwording zeer sterk in de geest, maar ook op aarde neem ik dat deze regel wel geaccepteerd kan worden. Aan de andere kant hebben wij de wijsheid. Wijsheid is iets meer dan kennis. Wijsheid is de correlatie van het weten. Het is het in verbinding brengen van de afzonderlijke feiten. Wij zouden kunnen zeggen; de samenhang. En ook in ons is deze aanwezig. Wij hebben nl. een vermogen om al datgene, wat in ons bestaat het bewuste en het onbewuste, de gevoelswereld en de kennis en de redelijke kennis voortdurend tezamen te brengen in een levensbeeld, een voorstelling van het bestaan, dat ons inzicht geeft in onze wereld en in onszelf. Wijsheid impliceert dus niet alleen een zelfkennis. Een volmaakte zelf kennis zou alweer de opheffing betekenen van al datgene, wat je bent als levend mens. Maar ze impliceert een beperkte zelfkennis, die echter daardoor het begrip voor de werkelijkheid, dus de definitieve waarden van eigen wezen en wereld, mogelijk maakt. Het is de wijsheid, die objectiviteit schept.

In deze voorstelling, kunnen wij dan natuurlijk een aantal entiteiten placeren. Wij kunnen spreken over de chakra, die elk voor zich een functie uitoefenen, die met een van de drie door mij genoemde wegen in verband staat, uitgezonderd het kruinchakra, dat alle wegen omvaamt. Maar het is niet nodig om er zover op in te gaan.

Wat ik voor u op het ogenblik heb ontworpen, dat is het schema van het eigen zijn. Het is de verklaring ook van het bestaan in u van het onbewuste, zowel als van het bewustzijn. Het maakt duidelijk, waarom gevoel betekenis heeft en voor het leven zo buitengewoon belangrijk kan zijn. Want door de gevoelswereld kunnen wij onbewuste waarden en bewuste waarden zo met elkaar mengen, dat een juist inzicht en een juist ervaren ontstaat.

Om dit beeld van God in de mens nog even af te ronden; wij hebben naast de hooggeestelijke functies ook de laagstoffelijke functies. Deze zijn schijnbare tegenstellingen. Maar wanneer in de kosmos rond ons geldt; zo boven, zo beneden, zo moet dit ongetwijfeld ook gelden in onszelf.

En daaruit kun je deze conclusie trekken: Menselijk denken en menselijke daden zijn elkaars weerkaatsing. Menselijk bewustzijn (innerlijk) en voorstellingsvermogen (uiterlijk) zijn elkaars gelijken. De materiële mens is de volledige weerkaatsing, van de geestelijke mens. Het materiële leven is de volledige weerkaatsing van het geestelijk leven.

U zult u afvragen waarom ik deze avond juist deze les heb gekozen. Wanneer u,  geconfronteerd wordt met al die werkingen in de atmosfeer, met al die gebeurtenissen op de wereld, met al die eigenaardige gevoelens en prikkelbaarheden, die ook u ongetwijfeld in deze tijd steeds weer beroeren, dan zult u zich gaan afvragen of het niet beter is om nu haar de geest te vluchten. Zoals menige mens de geestelijke waarden gebruikt om aan zijn stoffelijke noodzaken te ontkomen zoals menigeen God alleen in zichzelf oproept om daardoor zijn mens-zijn te kunnen vergeten.

Maar u kunt dit niet. U kunt nimmer opgaan tot God zonder gelijktijdig meer uzelf te worden waar u bent. Elke intensifiëring in de geest gaat gepaard met een intensifiëring in de materie. Elke beleving van het hogere impliceert erkenning en beleving ook in het lagere. Daarom is de esoterie zeker niet de vluchtweg, die menigeen daarvan wil maken. Zij geeft ons zeker de mogelijkheid om die verre God beter te beleven, en de waarden die in elke mens, in elk leven bestaan wat meer te omschrijven er een klein beetje vorm, organisatie aan te geven. Maar dat zijn alleen de theorieën, om onszelf te kunnen zijn moeten wij in alle werelden, waar wij bestaan, dezelfde zijn. Als de kern van ons leven God is, dan zal overal de kern van ons leven God zijn. En dan gaat het er alleen maar om, hoe wij als mens of geest die verschillende uitingen van God tegenover elkaar willen afwegen.

Levenskracht in de meer stoffelijke vorm is misschien voor u de laagste uiting van God. U leeft. Dat is meer dan alleen maar een kloppend hart hebben en adem hebben. Het is een vreemd, vluchtig element, dat je niet kunt vaststellen. Iets dat misschien lijkt op een biologisch-chemische werking, maar dat toch nog net dat kleine beetje meer omvat. Dat leven is God. God in een bepaalde uiting, in een voor ons bepaalde vorm.

Wat blijkt nu? Wij kunnen delen van dit leven, van de God in ons, overdragen aan een ander. Er zijn echter bepaalde omstandigheden krachtoverdrachten mogelijk als bv. in magnetisme. Wij kennen in andere gevallen de overdracht van voorstelling, van wilskracht als bij hypnotisme. Wij kennen dat definitieve rapport tussen verschillende mensen, waardoor het lijkt alsof ze in gedachten en leven zelfs met elkaar verbonden zijn, God is iets wat je delen kunt met anderen.

Maar wanneer je aan een ander leven geeft, leef je zelf niet minder, maar intenser. En dat is een heel belangrijk punt. Naarmate je geeft, word je rijker. Een krankzinnig iets. God is altijd dezelfde, of wij van die kracht, die Hij is in ons, iets weggeven of niet. Maar naarmate wij meer van Zijn kracht buiten ons kunnen geven, worden wij dan, ín onszelf van Zijn kracht meer bewust. Dat is onze rijkdom.

De bewustwording, op zuiver stoffelijk vlak ligt dus eigenlijk in de hantering van de levenskracht. In vele vormen, maar altijd met weer als kernwaarde het leven, het levende.  Die conclusie kan onmiddellijk weer worden overgezet naar de sferen. Naarmate ik meer kan geven, zal ik mij van meer bewust zijn. Naarmate ik sterker in mij zelf het vermogen tot geven ontdek, zal ik buiten mijzelf meer betekenen, maar in mij zelf mijn betekenis beter beseffen.

Dit brengt mij tot de kern van het tweede deel van mijn betoog. Aangezien het kenbaar worden van God afhankelijk is van Gods uiting, kunnen wij voor onszelf stellen Al datgene wat wij zijn en doen in vanuit God gezien een scheppende werking. Voor onszelf is het het kenbaar worden van God. Hoe meer wij zijn, leven en denken en, daarbij niet alleen in onszelf besloten blijven maar onze gedachten, onze denkbeelden, onze daden laten uitgaan in de wereld, zullen wij de werkelijkheid van God beter beseffen.

Maar God is licht en duister. D.w.z. dat onze uiting niet alleen voor ons bewuste waarden meebrengt, maar altijd gelijktijdig ook onbewuste waarden. Wij kunnen nimmer ons bewust zijn uitbreiden zonder ook de waarden van het onbewuste in ons te wijzigen. Niets kan optreden, dat ons onbewuste bestaan beïnvloedt, zonder dat ons bewustzijn daarvan onmiddellijk de weerslag, ondervindt.

God openbaart zich in ons als een balans. De kosmische wetten, die gelden buiten de mens, gelden ook in de mens. Slechts daar, waar het je evenwicht tussen onbewust en bewust bestaan gehandhaafd blijft zal God, zal het leven kenbaar worden.

U zult begrijpen, dat hier nog een derde conclusie bij hoort. Waar de gevoelswereld en de gevoelsmatige benadering voor ons meestal de middenweg, ook de kortste weg tot God betekent, moeten wij stellen, dat deze alleen acceptabel is en dat die gevoelsweg alleen reëel is, wanneer dit inhoudt gelijke waarden van bewuste en onbewuste benadering. Op het ogenblik dat ons onbewuste wezen onze gevoelswereld te sterk gaat beïnvloeden, liggen wij uit evenwicht en is er geen Gods-erkenning mogelijk. Op het ogenblik dat onze rede te sterk gaat ingrijpen en de innerlijke onbewuste vooroordelen e.d. te ver opzij gaat schuiven, gaan wij naar de andere kant. Ook hier staan wij buiten de onmiddellijke benadering van God.

Als ik een parallel kan trekken tussen de kosmische God en de God in mijzelf, dan mag ik aan de God in mijzelf dezelfde krachten en vermogens toeschrijven, die ik aan de kosmische God toeschrijf. Er kan een verschil zijn van maat, van afmeting, van maatstaf volgens mijn bewustzijn. Dit is echter nimmer een feitelijk, een reëel verschil. Het is alleen naar een interpretatief verschil. Wanneer ik keer tot de God in mijzelf en ik erken die Kracht op evenwichtige wijze (dat hoort erbij), dan zal het totaal, dat ik in die Kracht erken, of aanvoel, waar worden.

Nu komen wij op een gevaarlijk terrein. Wanneer iemand in verrukking verzonken is, dan wil hij wel eens boven de aarde zweven. In die toestand van verrukking zal hij waarnemingen doen, die niets meer te maken hebben met tijd of ruimtelijke afstand. Hij zal in diezelfde toestand ideeën vormen, die hem normaal vreemd zijn. Hij zal ook in die toestand evenals in sommige droomtoestanden aan schijnbaar normale dingen een buitengewone belangrijkheid toekennen. Hij zal in dingen, die redelijk gezien onlogische en onbetekenend zijn, het antwoord zien op de meest ingewikkelde en moeilijke vragen.

Ook dit zal de esotericus in aanmerking moeten nemen. Want wat in die toestand wordt beleefd, is, toch reëel. Maar die realiteit kan dan voor het ik waar worden, wanneer het in verrukking of desnoods in droom of slaap beleefde weer kan worden omgezet in de feiten. Ik wil trachten u een voorbeeld te geven, aan de hand waarvan dit wat meer uitgebreid kan worden verduidelijkt.

U zit met een mathematisch probleem. U bent daar in uw droom mee bezig en u schrijft in uw droom zo maar als vanzelf sprekend op de uitkomst is 17. U vindt dat fantastisch mooi. Maar wanneer u de volgende morgen wakker wordt, komt u tot de conclusie dat die uitkomst nimmer 17 mag zijn. Het moet zijn 339. En u weet niet, hoe u aan die uitkomst 17 gekomen bent, U zegt nu: De oplossing, in mijn droom was een fictie. Dit is het voorbeeld. Nu stel ik: De relatie, die bestaat tussen het probleem en uzelf, oftewel de feitelijke uitkomst, wanneer de oplossing van het probleem op uzelf wordt toegepast, is 17. De andere uitkomst is in feite een fictie. Zij is een algemeen rekenkundige waarde. Maar zij staat niet in relatie met uzelf. Het antwoord, dat u in de droom kreeg, was het persoonlijke antwoord. Het gaf niet een zuiver mathematisch antwoord, maar een antwoord op de betekenis, die uzelf hebt in deze relatie en bij de oplossing van het probleem voor de wereld. U stelt dus verhoudingen vast.

Omdat u die verhoudingen vaststelt, is een groot gedeelte van hetgeen vaststaat in die verrukking toestanden of op andere gebieden, die eigenlijk de grens zijn tussen onbewustzijn en bewustzijn, altijd onredelijk. Maar die onredelijkheid, bestaat alleen – en dat moet u onthouden – wanneer het ik buiten beschouwing wordt gelaten.

Conclusie: Wanneer het ik op zichzelf met gebruikmaking van de waarden van bewustzijn en het onbewuste in zijn wezen een probleem oplost, zal het altijd de uitdrukking zijn van de persoonlijke verhouding tot de wereld en eventueel tot de God, die in die mens bestaat.

Aangezien dergelijke verhoudingen voor persoonlijke toepassing wel in aanmerking komen, zal elk antwoord zo bereikt zuiver persoonlijk blijven. Maar de verhouding, zo geconstateerd, geldt ook wanneer de rede daartegen is. Wanneer ik op die wijze een magisch middel zou ontdekken, dat ingaat tegen alle bekende natuurwetten, dan zal – mits ik het antwoord hanteer – het ik ( en dus de God in dat ik en de hele hiërarchie die aan die God vastzit, die het ik vormt) onttrokken zijn aan de normale waardering. De mens leeft slechts in zijn eigen werkelijkheid, zolang hij zijn persoonlijke wereld terzijde stelt om een gedeelde wereld als enig oordeel als enige waarheid, te aanvaarden.

Nu zult u in de esoterie dit heel vaak tegenkomen. Het ontwikkelt in uzelf een gedachtegang, een filosofie, die voor U volledig bevredigend is, tot u geconfronteerd wordt met filosofen, met denkers, met wetenschappelijke feiten. U gaat dan, omdat u de feiten niet passend kunt maken voor uw antwoord, het antwoord verwerpen. Dit is onjuist. Het antwoord, dat wij in onszelf bereiken, is altijd de voor ons juiste uitdrukking van de relatie tussen ons en de buitenwereld. Die zwevende mijnheer, in meditatie of contemplatie verzonken, erkent zijn wereld niet en wordt zo zelfs lichamelijk daarvan enigszins losgemaakt.

Wanneer je aan de andere kant al het redelijke overboord zet, dan wordt de relatie met de buitenwereld een volkomen irreële. En om de God Die in je leeft te kunnen uiten, om Hem te kunnen overdragen, moet er een binding bestaan tussen het ik en dat andere.

Daarom zeggen wij; Ook de innerlijke wereld en de innerlijke God kan worden gezien als gebaseerd op twee zuilen, waarvan er een altijd de innerlijke waarde omvat, de schoonheid, en de andere altijd de uiterlijke waarde omvat, de wijsheid. Welk pad wij ook kiezen in onszelf en op welke wijze wij tot bewustwording zoeken te komen, wij zuilen altijd tweede pijlers nodig hebben om bewust te kunnen bestaan in werelden, die niet slechts afhankelijk zijn van ons eigen voorstellingsvermogen, onze eigen droom. God-Almacht. God-alomtegenwoordig. God-het-Al-zijnde.

Ik is God. God is ik, het leven in mij. Mijn leven is alomtegenwoordig. Mijn leven is binnen de beperkingen van zijn eigen vermogen (dus binnen de verhouding, die door de kracht van het ik bepaald wordt) almachtig. En in alle dingen, die mijn ik zijn of deel van mijn ik uitmaken, zal die kracht tegenwoordig zijn.

Wanneer u iets bezit, dan wordt een deel van uw kracht daarin a.h.w. overgeladen. Wanneer een z.g. psychometrist iets afleest van een voorwerp, dan leest hij in feite de projectie, a.h.w. het deel van de godheid, van de levende kracht af met zijn manifestaties, zoals die ook in het ik van een mens bestaan. (Wanneer het natuurlijk een goede psychometrist is.) Daaruit kunnen wij dus ook weer een aantal conclusies gaan trekken.

Mijn ego, mijn leven en mijn levenskracht is alomtegenwoordig. Dan zal mijn levenskracht in het geheel van de wereldrond mij geuit zijn, of ik dit erken of niet. Mijn levenskracht, de onbekende kern van mijn bestaan, is almachtig. In mij (en zover de wereld rond mij door mij mede bezield wordt) is mij niets onmogelijk. Ik heb er alleen maar de voorstelling voor nodig plus de aanvaarding van de macht.

In de esoterie ga je vaak a.h.w. weg van het leven. Je zoekt niet om het leven dichter naar je toe te brengen, om het meer intens, meer concreet, meer beheerst te maken. Je zoekt een fictief ego te onderkennen, je veronderstelt een bestaan in andere werelden of sferen, een andere vorm ook een andere rationalisatie van het ik als juist. Maar wanneer ik afwijk van mijn feitelijk ego, dan zal ik mijn macht (de almacht van God in mij), mijn bewuste alomtegenwoordigheid (Gods alomtegenwoordigheid via mijn wezen) terzijde schuiven.

Almacht, alomtegenwoordigheid, alwetendheid, vreemde dingen. Ik moet terugkeren tot een reëel aanvaarden eerst van mijzelf. Maar ik moet gelijktijdig dit ik niet als beperkt aanvaarden. Ik moet niet alleen in mijzelf opklimmen tot hogere werelden ik moet mijzelf en mijn bewustzijn uitbreiden, totdat het hogere werelden omvat en gelijktijdig alle andere werelden, die ik reeds kende, blijft bevatten. Het is geen tijd van wonderen meer, zo pleegt men algemeen te zeggen. En menig esotericus is eigenlijk blij, dat er geen wonderen meer zijn. Want een wonder kan zoveel raadselen met zich brengen.

Wanneer ik het wonder verwerp, maak ik het volledig onmogelijk. Het is niet mijn rationele aanvaarding alleen, die het mogelijk maakt, Ik moet het in gevoel, in werelderkenning a.h.w. en in rede gelijkelijk aanvaarden. Op het ogenblik dat binnen het ik de balans volledig bestaat, zien wij het wonder ontstaan. Eigenaardig genoeg zijn er dus mensen die zo sterk op hun gevoelswereld geconcentreerd zijn, dat ze zowel redelijk gezien als qua onbewustzijn eigenlijk een klein beetje vreemd zijn.

Men spreekt wel van hysterisch. Nu is het eigenaardige, dat een hystericus alleen door de gedachte zijn voorstelling, lichamelijk kan uiten. Dat een hystericus alleen door de voorstelling, beschikt over vermogens of kennis, waarover hij normaal niet zou kunnen beschikken. Een vorm van alwetendheid misschien. Een vorm van absolute ik-beheersing. Hier is de aanvaarding het belangrijke.

Maar alleen die gevoelswereld zonder meer isoleert gelijktijdig. Vandaar dat dergelijke mensen nooit komen tot een gebruik van hun krachten, dat voor de wereld even belangrijk is als voor hen zelf. Wij zien wel iemand, die gestigmatiseerd wordt door deze inwerking. Maar we zien maar zelden, dat een gestigmatiseerde dan ook de genezende kracht heeft van de Jezus, die hij zich voorstelt. Hij is in zich en op zich geconcentreerd. En daardoor is in zich de beleving eigenlijk waardeloos. Zij betekent geen volledig concreet bestaan. God is wel als mogelijkheid hierin tegenwoordig, maar God is niet geuit. Men kan het niet geven. En daardoor blijft de  wereld van het ik klein.

Maar je kunt het ook anders zien. Er bestaat een bekende praktijk van magiërs. De mensen, de medicijnmannen, de bedrijvers van goena-goena enz., zij nemen bepaalde voorwerpen, maken die a.h.w. tot een deel van zichzelf door allerhande formules en methoden, die op zichzelf onbelangrijk zijn en plaatsen die ergens. Maar nu het vreemde. Ook wanneer zij op grote afstand zijn en er gebeurt iets met die voorwerpen, worden zij zich daarvan bewust. Hoe komt dat? Omdat zij alomtegenwoordig zijn.

Dit zijn geheimen, die naar ik meen toch wel belangrijk zijn, esoterci zowel als anderszins in deze tijd. Het is hier eenvoudig om te zeggen dit zijn uw mogelijkheden en uw vermogens. Maar wanneer ik u duidelijk maak hoe de samenhang is, dan zult u misschien meer doen dan constateren, dat ik mogelijk gelijk heb.

In een wereld, waarin de rationele waarden steeds meer beheerst worden, een wereld als de uwe, waarin onbewuste waarden een even grote rol of misschien een grotere rol spelen dan de bewuste, waarin de gevoelsreacties vaak zo egocentrisch zijn, dat eenvoudig geen contact met de wereld mogelijk is, zodat ze voor die wereld geen werkelijke betekenis of ten hoogste een negatieve waarde krijgen, daar zou die beheersing van groot belang zijn. En daarom wil ik hieraan ook weer een paar eenvoudige regels verbinden.

Wanneer de God in mij (het leven, de kern van mijn leven) gelijk is aan de kosmische godheid in structuur, dan zullen alle eigenschappen, die de kosmische Godheid bezit, in mij berusten. Aangezien een schepping alleen harmonisch evenwichtig kan bestaan, zal ik met die krachten kunnen werken, zolang ik harmonisch evenwichtig mij deze krachten realiseer.

Hoe meer ik van mijzelf in de wereld geef, hoe groter het deel van de wereld, waarvan ik mij bij voortduring bewust ben. De bewustwording, het bewustzijn, de realisatie van de mens zijn niet gebonden aan zijn eigen persoonlijkheid. De scheppende krachten, die in de kosmos bestaan, bestaan in u. Dientengevolge kunt u overal scheppend ingrijpen, indien tegenover u geen gelijk sterke realisatie van scheppende kracht bestaat.

Om mijzelf een beeld te vormen van God bv. gebruik ik het symbool. Ik kan het alziend oog gebruiken, de cirkel misschien, ik kan een kruis gebruiken. En elk symbool dat ik gebruik bezit voor mij, zolang ik er in geloof, een vaste en zelfs positieve waarde. Ik kan aan dit symbool krachten ontlenen en ik kan daarmede o.m. in geestelijk opzicht kracht uitoefenen. Dit geldt ook, wanneer het symbool op zichzelf eigenlijk niets betekent.

Hieruit volgt, dat het hanteren van symbolen en voorstellingen voor ons niet in de eerste plaats is het erkennen van reële waarden, maar het erkennen in onszelf van verhoudingen, die op redelijke wijze moeilijk uitdrukbaar via het symbool worden aangegeven.

Alle symboliek in de esoterie en daarbuiten is niets anders dan een samenvatting van bepaalde redelijke voorstellingen, onbewuste waarden in het ik, plus emoties of gevoelswaarden. Het symbool kan het totaal dragen van de in mij aanwezige factoren en kan voor mij zo het middel zijn om mijzelf volledig te uiten en niet slechts een deel of een onevenwichtige combinatie van de delen in mijzelf aan het woord te laten.

Dan stel ik: Het gebruik, het bewuste gebruik van het symbool is zowel voor de innerlijke bereiking en erkenning als voor de uitoefening – a.h.w. van de krachten en machten, in het ik verborgen – van het hoogste belang. Symbolen zijn in staat om het geheel van de menselijke persoonlijkheid in een tijdelijke gelijk gerichtheid te projecteren naar buiten toe, dan wel te projecteren naar binnen toe op een bepaald punt van realisatie.

Symbolen zijn voor ons als zodanig middelen tot macht, middelen tot bereiking, middelen tot bewustwording. Want al datgene, wat wij tot stand kunnen brengen, is niets anders dan een uitdrukking van (en daardoor ook een realisatie van!) datgene, wat wij zijn. Het geheel van ons leven, van ons bestaan in alle sferen en werelden en in alle fasen van bestaan, is niets anders dan deze zelferkenning. Door die zelferkenning alleen komen wij tot ons einddoel. Het gebruik van alle ons ten dienste staande middelen bevordert dit.

Ik geef u een eenvoudig voorbeeld van hetgeen theoretisch is behandeld. Wanneer ik gezag wil uitdrukken tegenover u, wat doe ik dan? Ik sta op. Dat lijkt vreemd. Maar ik ben nu groter dan u. U kijkt naar mij op. Ik kijk op u neer. U ziet mij allemaal beter, maar ik zie ook u allemaal beter. Ik heb de relatie, die tussen ons bestaat, al veranderd.

Dat klinkt misschien dwaas. Maar als u ooit te maken krijgt bv. met een politicus, die op een rostra staat, met een priester, die op een preekstoel staat, die hebben gezag over u. Weet u waarom? Omdat u naar boven kijkt. En leven is de hemel. Boven wordt geassocieerd met God en met hemel, nietwaar? Wanneer u opkijkt, dan ziet u gezag.

Wanneer ik dan een uitdrukking wil geven aan een bepaald iets, dan kan ik dat doen met een gebaar. En nu kent u dit gebaar allemaal ik hef de beide handen op alsof ik ga zegenen. Dit gebaar drukt uit, dat mijn kracht uitgaat naar u. Maar als ik nu ook nog naar boven kijk, dan impliceer ik, dat ik kracht ontvang en die kracht uitdruk op u.

Wat is er gebeurd? Ik heb alleen door deze actie een beroep gedaan op dingen waar u eigenlijk niet eens aan denkt. Ik heb een zeker overwicht geschapen. Een overwicht, waar u kregel onder kunt worden, of waaraan u zich volledig kunt onderwerpen. Maar een overwicht, dat u ergens aanvoelt. Ik heb uw instincten gemanipuleerd. En wanneer ik dat doe met een bepaald doel, dan wil dat zeggen, dat ik bij u allemaal dus een zekere stemming heb gewekt.

Of om het anders te zeggen een zekere harmonie. Maar ik heb meer gedaan. Ik heb nl., iets van mijzelf in u gelegd. Want ik heb ook die gedachten van zegening of uitstraling in mijzelf moeten kennen. Ik ben alomtegenwoordig. Ik ben in u. Ik trek bij u aan de touwtjes. Niet helemaal, maar voldoende om uw gevoelens, uw aandacht, uw emoties wat te manipuleren.

Dat is allemaal erg uiterlijk. Maar nu ga ik weer proberen iets te vinden, waardoor ik die invloed kan versterken. Nu kan ik dat doen door gebaren. En hoe meer die gebaren rond zijn, hoe meer ze u omhullen. Want een gebogen lijn onthult. Dat is een beetje raadselachtig.

Ik kan het ook anders doen. Ik kan proberen een scherpe reactie te krijgen. Dan moet ik een scherphoekig gebaar maken. Dat werkt op u in. Wanneer ik een kracht, een suggestie desnoods alleen heb gelegd en daardoor iets uit mij of uit een hogere wereld aan u heb doorgegeven, dan kan ik met die gebaren alleen dus uw wijze van aanvaarding voor een deel bepalen.

Wat ik voor u kan doen, dat kan ik natuurlijk ook voor mijzelf. En zo breng ik een innerlijk proces naar buiten toe. En nu heb ik nog meer, symbolen nodig. Dan neem ik bv. klank. O, u hebt het al zo vaak gezien en ook hier heeft men gedemonstreerd, dat men met klank iets kan doen. Maar daarvoor heb ik dingen nodig, die ook weer een bepaalde indruk wekken. Als ik zeg: O, machtig duister, dan zegt u, neen, ik moet niets van duister hebben. Ik ben als kind al bang in het donker geweest. Maar zeg ik: O, machtig licht, dan gaat het iets betekenen. Maar dan moet ik nog meer doen. Ik moet dat machtige licht laten spreken. En dus moet ik het opbouwen naar boven toe. Want daar is dat licht. En dan krijg ik inderdaad – en niet alleen maar als een illusie – een zeker vermogen, een zekere kracht. Want wat krijgen we nu, precies hetzelfde, maar nu aaneengesloten en gemeend wat ik u verklaar:  O, MACHTIG LICHT……… De stem gaat naar boven. Merkt u het? Nu ben ik helemaal geen meester, maar ik heb iets gemanipuleerd. Ik heb een harmonie geschapen door suggestieve middelen te gebruiken. Wanneer ik u allemaal kan binden en boeien, dan gaat van u de aandacht uit naar mij. Mijn aandacht is dus gericht op hetzelfde als u. Het staat buiten mij. Het is niet alleen meer in mij uw reactie op dat punt is voor mij kenbaar. Het is een soort telefooncentrale. Uw signalen komen in en ook het mijne. Wanneer ik een signaal heb gelijk aan het eigen signaal (de draaggolf) van onze centrale, zal elk afwijkend signaal van u bij mij kenbaar worden.

Misschien hebt u dat op een seance wel eens meegemaakt, een zekere vorm van telepathie. Dat er gereageerd wordt op dingen, die niet uitgesproken zijn, of die eigenlijk onmogelijk hoorbaar zouden zijn. Dan hebt u met zoiets te maken. Naarmate voor mij iets meer het symbool wordt van een werk, krijgt het voor mij een andere betekenis. Ik kan dat alleen vanuit mijzelf zeggen. Want wat voor mij dus een middel is tot zekere macht, tot een zeker contact, een zekere bereiking, zal het voor u niet zijn.

Maar neem nu bv. een mens, die de oude gastvrijheid nog hanteert, die geeft zijn gast brood en zout. Waarom? Officieel omdat zout demonen verdrijft en omdat het brood het symbool van de gastvriendschap is. Je geeft je voeding, je bezit. Je deelt met die ander. Ik weet het. Maar toch doet hij heel iets anders. Hij geeft daarmee a.h.w. zichzelf over aan die ander. Vandaar dat die oude vorm van gastvrijheid zo onnoemelijk veel meer omvat dan het; kom binnen, kerel met een handje, dat je tegenwoordig kent.

Het was weer het symbool, de rite, die de mens ertoe bracht zichzelf aan de gast te geven. Vandaar dat zelfs je ergste vijand die eenmaal bij je te gast is, door je verdedigd moet worden. Zolang hij binnen je rijk valt, is hij deel geworden van je persoonlijkheid.

En als ik diezelfde dingen nu zou kunnen gebruiken (ik kan dat moeilijk esoterisch demonstreren, dat begrijpt u), dan kan ik op een gegeven ogenblik over een kennis beschikken, die ik normaal niet heb. Ik kan een vindingrijkheid of een tempo bereiken, dat normaal niet het mijne is, Ik kan een kracht demonstreren, die eigenlijk normaal niet bestaat.

En dat is nu hetgeen wat ik eigenlijk in deze demonstraties wilde laten zien.

Er zijn onnoemelijk veel oude boeken op aarde. En wanneer ik nu met een onderwerp bezig ben. en ik wil daarin lezen, dan lees ik eruit. Die boeken liggen ergens dichtgeslagen, begraven onder het stof misschien in de Vaticaanse bibliotheek, of misschien ergens weggeborgen en half verrot onder de aarde. Maar dat geeft niet. Ik lees ze. In die dingen ligt een idee. Op het ogenblik, dat mijn idee a.h.w. exclusief mijn persoonlijkheid beheerst, zal al datgene waarin die idee bestaat voor mij worden tot deel van mijn wezen. Ik lees in die boeken, alsof ze deel zijn van mijzelf. Moeilijk te demonstreren, maar het is zo.

Wanneer ik wil dichten – u hebt het vaak gehoord bij het schone woord – dan zal beslissend zijn voor datgene, wat ik presteer, de wijze waarop ik mijzelf in de ritmische weergave van een idee verdiep. En wanneer ik een denkbeeld heb, dan moet dat denkbeeld een voorstelling zijn. Ik zal proberen dit duidelijk te maken, want dit is misschien nog wel te demonstreren.

U zegt kosmos. Nu kan ik over die kosmos alles gaan zeggen. Maar ik moet een beeld hebben. Kosmos. Dan denk ik aan een sterrennevel. Zon, schijf van sterren, die daar hangt in een ledige ruimte met een vreemde warreling erin. Die leeft. Verder voel ik ín mijzelf dat ritme van die kosmos. Dan dicht ik vanzelf. O, ik rijm misschien niet, maar dat is wat anders. Wanneer ik dat beeld neem, dan zeg ik: Levend kloppend hart van licht in duistere oneindigheid, gij zijt geboren uit de waarden van het Leven.

Dat is dichterlijk. Het heeft een ritme. Het zegt iets van die werveling, die voor mij bestaat. Zo kan ik dat uitdrukken. En wat meer is, wanneer ik het zo uitdruk en een ander volgt mijn woorden, volgt dat ritme, dan ontstaat bij die ander een idee, dat in zekere mate een analogie is van hetgeen ik denk.

Ik draag geen gedichten voor dat zou dwaasheid zijn. En een ander kan ook het ritme van dat gedicht niet vangen. Zoals ik het zeg, zal alleen degene het kunnen zeggen, die dat ritme, die het beeld heeft, dat erbij hoort. Daarom kun je gemakkelijk een gedicht maken, dat een ander kan nazeggen overeen loom, over bloemen. Dat kan hij zich voorstellen. Maar wanneer het gaat over God, wanneer het gaat over oneindigheid, dan is het mijn beeld daarvan. Dat pulseert in mij, dat werkt voor mij en dat bepaalt het ritme van de woorden, waarmee ik werk.

Wanneer ik nu zo praat, wat doe ik dan? U hebt mij zien gebaren. Ik heb precies hetzelfde gedaan, wat ik u in het begin demonstreerde. Daarom ben ik ook gaan staan. Ik heb mijn denkbeelden geladen met mijn voorstelling. Ik heb getracht een brandpunt te zijn voor u. Een brandpunt met een zeker gezag, met een zeker overwicht. En ik heb daardoor in die woorden meer gelegd, dan het woord alleen, inhoudt de mogelijkheid voor een begrip.

Misschien is het niet netjes al die geheimen uit de keuken te vertellen. Maar aan de andere kant, hoe vaak zult uzelf met die dingen geconfronteerd worden. In de komende tijd zal er een grote suggestibiliteit zijn onder de mensen. En dan zal het voorkomen dat er een voor u staat en zegt: En zo is het! En dat u ineens denkt: Hé, jij geeft mij jouw gedachten. Dat moet ik niet hebben. De suggestie breekt. U bent onafhankelijk.

Het kan zijn, dat er iemand komt en dat hij u overdondert, overweldigt. En dat u ineens denkt: Hé, zo hoort dat niet. Dat kan ik ook. O, dat leeft in mij ook. En dat u daardoor bevrijd wordt van een te grote gebondenheid. Het kan zelfs zijn, dat u staat te midden van voorwerpen en dat u denkt O God, dat wordt allemaal een bedreiging. En dat je ineens denkt; Neen, want ik leef daarin. Wanneer ik niet bang ben, dan zal dat leven van mij in die voorwerpen het gevaar terughouden. O, misschien niet uitblussen, maar van mij terughouden. En u zo de mogelijkheid geven om het te overwinnen. Kijk, dat is iets, wat volgens mij in de komende tijd erg belangrijk zou kunnen zijn.

En dan is er nog een klein punt. Ik heb in het begin gesproken over God. God moet je je kunnen voorstellen. En nu kun je je God moeilijk voorstellen als een persoon. God is een gebeuren. Dan moet ik hier grijpen in mijn persoonlijk denken. Als ik denk aan God, weet u wat ik dan zie? Ik zie de kleinste delen in hun baan gaan rond hun kern. Ik zie de moleculen langzaam wentelen. Ik zie ze botsen en stoten en hun eigen weg zoeken, zich verbinden en splitsen. Ik zie hoe alles zich samenvoegt en verdeelt en toch een geheel blijft. Dat is God voor mij. Voor u kan het anders zijn.

Maar wanneer ik die God heb en ik weet dat die God in mij is, dan kan ik een beroep doen op die God in mij, Dat is nu het typische. Wanneer iemand met volledige erkenning en overgave plus een voorstelling (dat is belangrijk, hoor het geeft niet hoe abstract of hoe reëel die voorstelling is) zich richt tot zijn God, dan heeft hij iets bereikt. Dan wordt dit werkelijk.

Denk niet dat het onzin is, wanneer men zegt: Je moet aan God denken of bidden. Dat is veel te vroom, zegt men. Maar ik wil hier als een soort slotwoord zeggen:  Mensen, denk er a.u.b. aan, die God is er. En of Hij nu precies bestaat zoals u het denkt, of dat hetgeen u zich voorstelt, naar een deeltje is van die God, dat geeft niet. U moet een beeld hebben. U moet de Bron zien van alle krachten. En uit die Bron moet je kunnen putten. U moet die bron zo superieur stellen, dat zij u vervult, dat u haar voelt als een aanwezigheid.

Zodra u dat bereikt hebt, hebt u uzelf niet alleen almacht geschapen (binnen de beperking van uw wezen), maar u hebt bovendien iets anders geschapen een gevoelsmatige erkenning plus een in het bewustzijn liggende realisatie van die God, waardoor al datgene, wat in het onbewuste bestaat, wordt geïntensifieerd en de Godheid voor uzelf een grotere betekenis krijgt.

Wanneer u zich een God kunt voorstellen en u zou kunnen bidden, weet u wat ik dan als slotwoord zou kunnen en willen zeggen? En nu zonder suggestie en overwicht.

Gij, God, zijt het leven.

Laat mij het leven beseffen, dat Gij zijt, opdat ik mijzelf ken.

En laat mij – mijzelf kennende en U beseffende – uitdrukking geven aan dat, wat leven waarlijk betekent.

 Dat is de bede, die misschien wel de meest juiste is.

Een volgend maal hopen wij, dat de ergste moeilijkheden voorbij zijn. Maar het is mogelijk, dat ook in de maand maart de ontwikkelingen nog zodanig beïnvloed kunnen worden, dat we minder contact hebben. In dat geval zal degene, die dan dienst doet, natuurlijk proberen u toch nog iets te leren.

Ik hoop dat u uit alles, wat ik naar voren heb gebracht, toch iets wijzer heengaat dan u gekomen bent. Ik dank u voor uw aandacht.

image_pdf