Het grote geheim van de schepping

Er is aan alle dingen een begin. Het enige begin, waarvan wij aannemen dat het bestaat, maar dat wij niet kunnen aantonen, is dat van het bestaan, van het zijn zelf. Persoonlijk kunnen wij dit zien als een begin en een einde. Maar waar begint de wereld, waar begint de zon en waar begint het heelal?

De mens speurt ijverig naar deze vragen en probeert een antwoord te vinden op grond van de z.g. vliedende beelden in de sterrenhemel, het vliedend Al. Hij zal proberen dit na te meten aan de hand van stralingen. Maar daarmee is het antwoord niet gegeven, want het is lang niet zeker, dat de ruimtelijke condities en verhoudingen, die men op aarde ziet, de enige zijn.

Ik kan u hier wel bij vertellen dat er sprake is, voor zover onze beste onderzoekers in de geest dit weten, van tenminste 63 heelallen, die alle gezamenlijk rond een punt (een ledig punt weer) schijnen te circuleren. Typisch is daarbij, dat de structuur van deze heelallen een zekere overeenkomst vertoont, maar dat vooral de structuur van de materie in deze heelallen een verschillende is. Daarbij geldt verder nog, dat als een dergelijk heelal tot stilstand komt en de uiteindelijke stilstand (de overwinning van de inertie) heeft plaats gehad, er een ontlading volgt, waardoor het zichzelf a.h.w. reïncarneert in een nieuw Al, waarin de materiële condities de omgekeerde verhouding van materie en antimaterie geven, welke bij de geboorte van het oorspronkelijke Al bestond.

Dat klinkt natuurlijk allemaal erg wetenschappelijk en ingewikkeld. Maar hoe wij ook zoeken, wij komen altijd weer terug tot de kern van de vraag. Waar is het begin?

Dat begin kan liggen in een heelal op het moment van explosie. Maar dan moet er iets geweest zijn wat kon exploderen. En als wij vragen: Wat is dat? Dan kunnen wij zeggen: Dat is oerstof.

Waar is de oerstof begonnen? Er is geen antwoord op deze vraag te geven langs redelijke weg. Er is voor zover mij bekend ook geen enkele wetenschappelijke benadering mogelijk waardoor wij dit zouden kunnen verklaren aan de hand van proefnemingen, metingen of zelfs maar abstracte berekeningen. Daarom grijpen we terug naar de oude mystiek, de oude esoterie. Ik begin dan met een beeld, dat de meesten van u zullen kennen:

God is een kracht. Die kracht kunnen wij niet ontleden. Die kracht is normalerwijze latent en heeft in zich een grote potentie. Op het ogenblik, dat wij spreken van een schepping, is er sprake van een vibratie, waardoor de kracht van latent actief wordt; en deze trilling bestrijkt dan een bepaald gebied. Dit gebied kan niet ruimtelijk worden uitgedrukt. Het kan ook niet in tijd worden uitgedrukt, maar kennelijk omvat het o.m. deze beide waarden. De omgrenzing van dit terrein zorgt voor een weerkaatsing van deze zelfde energie naar het middelpunt. En dan hebben we het z.g. grote Arcanum, de Goddelijke werkelijkheid: God. Een punt, van waaruit de kracht pulseert tot aan de omgrenzing (ook wel de Jonkvrouw genaamd) en van daar terugkeert tot het middelpunt. Maar dan hebben we nog geen schepping. We hebben alleen een energie, dus een potentie, die van latent actief wordt en daarmee basta.

Nu gaat de esoterie verder en zegt:

Het geheel van hetgeen er binnen deze trilling van het Goddelijke bestaat, wordt gespiegeld buiten het Goddelijke. Dat is een manier van uitdrukken; want kan er iets bestaan buiten dat Goddelijke? Dan moet er weer iets zijn dat groter is dan de scheppende Macht, iets, waarin de schepping plaatsvindt. En ook daarvoor zouden we dan weer een Schepper moeten postuleren. We kunnen het ook anders zeggen: Binnen het geheel van deze kracht is het leven in een groot aantal dimensies omvat; d.w.z. afmetingen die gezamenlijk een zeer ingewikkelde structuur vormen; en deze structuur zou dan volgens onze eigen mensen ook weer zijn een aantal van 63, waarbij de meeste structuren terugvallen tot de z.g. drie‑dimensionale, waarbij het totaal van de overige dimensies zich als een vierde dimensie in voortdurende progressie of verandering manifesteert.

Ik zal trachten het nog iets eenvoudiger te zeggen: Uw eigen wereld heeft drie dimensies, de tijd is de vierde. Als wij aannemen dat in de tijd het totaal van de andere waarden in het Al ligt besloten, dan kunnen wij ons voorstellen dat er een andere structuur bestaat, waarin bv. de diepte wegvalt, maar waarvoor bv. een geestelijke hoogte in de plaats komt. Die omvat dan ook drie dimensies en kent ook tijd. Toch zijn beide werelden al voldoende van elkaar verschillend om voor elkaar niet meer kenbaar te zijn. Het aantal z.g. oerbeelden, dat wij in de mystiek terugvinden, postuleert dan o.m. de primaire Adam, de primaire plant, het primaire dier, de primaire engel enz. enz.; vormen, waaruit het totaal van de verschijnselen wordt afgeleid.

Maar wij kunnen het eenvoudiger stellen: In dit pulserend geheel, dat wij de Goddelijke wereld of de Goddelijke werkelijkheid noemen, ontstaat er voor de beschouwer, die zich bevindt in een niet alle dimensies omvattende ruimte (of bestaan, dat is hetzelfde), een aantal vormen, die het totaal van het goddelijke geheel representeren vanuit zijn standpunt. Daar elk schepsel in zijn zoeken naar de kern deze zal zoeken vanuit en door zichzelve, zal die kern het Goddelijke representeren, maar in de vorm van de mens, omvattende al het menselijke, in de vorm van de plant, omvattende alle mogelijkheden van het plantaardig bestaan, enz..

Hier hebben we dan de oervormen als spiegelwereld teruggebracht tot iets, wat waarschijnlijker is: een beschouwen vanuit een bepaald standpunt, waardoor wij een bepaald beeld van het Volmaakte, het Goddelijke krijgen.

Nu zoudt u zeggen: Nu ja, dan zijn we er wel. Helaas niet. Want we hebben dan nog steeds te maken met de verschijnselen en met de bron; maar we moeten ook de beschouwer verklaren. Nu bestaat daarvoor een zeer ingewikkelde these van brahmaans oorsprong, die in mystiek zegt:

“De mens is een wezen, dat door zijn gebrekkig begripsvermogen slechts een klein deel van zijn werkelijk ik gelijktijdig kan beschouwen. Daar hij vanuit dit ik zijn wereld bepaalt, zal dus elke verandering in zijn beschouwing van het ik gepaard gaan met een verandering van wereld of van bestaan.”

Een interessante these en misschien ook nog niet zo onwaarschijnlijk. Wanneer iemand slaapt, dan is hij zich van de buitenwereld niet bewust. Iemand, die wakker is en geketend, is zich alleen bewust van de cel, waarin hij zich bevindt. Iemand, die wat langere ketenen heeft, kan misschien door een raam naar buiten kijken, maar verder niet. Naarmate de vrijheid (de mogelijkheid tot waarneming) wordt vergroot, wordt de wereld groter.

Voor ons is het grote geheim van de schepping wel dat wij niet in staat zijn het geheel te beschouwen; dat wij in ons bewustzijn ‑ ook als mens ‑ wel verschillende delen van die schepping kunnen zien, maar de werkelijke samenhang daartussen en de werkelijke overeenkomst gaat voor ons steeds weer teloor. De gepostuleerde Godheid is altijd een verstandelijke, een denken; de macht. Waarom? De mens denkt. Voor hem is de denkmogelijkheid en de daarbij behorende herinnering (het weten) het kenmerk van het mens‑zijn. Hij beziet het mens‑zijn als de voor hem hoogste vorm van bestaan. Hij projecteert zijn God dus weer naar de oermens toe. Maar kan God (de totale God, wel te verstaan) een denkend wezen zijn in menselijke zin? Ik meen dit antwoord te mogen ontkennen.

De processen, die zich in het Goddelijke afspelen, zijn tenminste 7 tot 9 maal meer omvattend qua wereld en beschouwing dan het voor de mens hoogst bereikbare. Het is duidelijk, dat het goddelijke geheel een totaal andere vorm van redelijkheid of denken zou moeten bezitten dan voorstelbaar is. Aangezien daarin zoveel verschillende waarden optreden, mag eveneens worden gezegd: De mens zal de Godheid vanuit zijn standpunt nimmer kunnen begrijpen en ‑ zelfs indien hij Hem redelijkheid toekent ‑ Zijn besluiten als onredelijk en vaak onverklaarbaar ervaren. Een belangrijk punt, geloof me.

Om nu die geheimen van de schepping nog wat verder na te gaan: als dat Goddelijke wordt bezien, dan moeten we dat toch wel vooral gaan bekijken als een aantal mogelijkheden. Maar kan er nu een mogelijkheid bestaan, die niet wordt gerealiseerd?

In de mystiek wordt vaak gepostuleerd dat alle mogelijkheden, die in God bestaan, volledig zijn geuit en dat het bewustzijn daaruit selecteert wat het voor zich verkiest. Die stelling behoeft niet onjuist te zijn, maar zij wekt het denkbeeld, dat we zonder meer zouden kunnen overstappen naar die andere werkelijkheid, als we ons eigen bewustzijn maar voldoende konden veranderen. En men vergeet daarbij dat wat voor God werkelijk is, dat voor ons nog niet behoeft te zijn. Er is sprake van twee verschillende vormen van realiteit: de Goddelijke en de menselijke. Het gaat hier dus niet om het voortdurend en gelijktijdig bestaan van alle mogelijkheden, die de mens zich kan denken. Het gaat er alleen om, dat al hetgeen hij kan denken als mogelijkheid kan worden gerealiseerd. Hier is echter niet God, de Schepper; de mens is de herscheppen. Alweer een punt dat van belang is, willen wij het grote geheim van de schepping en de geheimen, die daarmee verbonden zijn kunnen begrijpen.

De volgende vraag is: Waar komt het leven vandaan? Ook dit acht ik wel een van de grote geheimen van de schepping. We kunnen dan weer gaan koketteren met de balansen, waarin langzaam maar zeker een verschuiving optreedt, zodat er een materiële en geestelijke vorming ontstaat, daar de verschillen door een ieder, die de verschillen ondergaat, zullen worden gerealiseerd. Mooi, heel mooi, maar onduidelijk en vaag. Maar als we het nu eens zo stellen:

Leven is de goddelijke kracht. Ook bij ons. Elke realisatie, die daarin optreedt, is levensbewustzijn. Het leven is continu en oneindig. Het levensbewustzijn behoeft dat niet te zijn. Of als u het misschien meer in eigen termen wilt zeggen:

De ziel is oneindig en eeuwig, daar zij deel is van het Goddelijke maar de geest is eindig. Het bewustzijn kan teloor gaan. Dat kan positief gebeuren, doordat het bewustzijn volledig opgaat in het totaal van de goddelijke kracht. Het kan negatief gebeuren, doordat het die kracht probeert te ontkennen en daarbij al het bewustzijn, niet alleen van de kracht maar ook van zichzelf, verliest. Het feit blijft echter bestaan: het leven is oneindig, het bewustzijn van het leven niet. De realisatie is wel degelijk gebaseerd op de verschillen in onze situatie. Besturen wij die zelf? Neen. Wij besturen deze verschillen niet zelve, zij zijn eigen aan de golving (de golf van bewustzijn of van leven of hoe u het zeggen wilt), waarin wij bestaan.

Dan kun je zeggen, dat er oervormen zijn. Je kunt zeggen, dat er spiegelsferen zijn en Hiërarchieën maar je kunt er niet aan ontkomen. Voor ons zijn al deze dingen alleen maar een middel om onze eigen positie uit te drukken, om ons bestaan aanvaardbaar te maken.

Het grote geheim van de schepping dat niet is op te lossen is: Wat is goddelijke energie? Wat is de kracht van de Godheid? Wij kunnen dit niet definiëren, daar het geheel waarschijnlijk meer omvat dan alle voor ons kenbare vormen van energie en bovendien het niet‑geuite maar potente in het Goddelijke voor ons onkenbaar zal blijven. Wij werken in het leven dus met de verschijningsvormen, nimmer met het totaal van het Goddelijke.

Als het Goddelijke tot zichzelf moet terugkeren, dan kan dit worden uitgebeeld als een soort vijver, waarvan de golfjes naar de kant kabbelen en terugkomen. Maar is het misschien niet eenvoudiger u dit voor te stellen als een magnetisch veld, zoals bv. een planeet heeft?

God komt in actie. Deze actie brengt een magnetisch veld tot stand. Dit magnetisch veld wordt niet eens bewust geschapen (dat dus in tegenstelling tot een God, die alle dingen afzonderlijk maakt), het is inherent aan het Zich uiten van de Godheid. Dan stel ik hiermede God als een wezen, dat ‑ ofschoon Zich onttrekkend aan ons bewustzijn – in Zichzelf waarden bevat, die voor ons de wetten zijn van zowel het bestaan (de uiting van die Godheid) als van het totaal der mogelijkheden van die Godheid. Hoever deze reiken is niet te zeggen. Het begrip oneindig is daar van toepassing voor zover het ons voorstellingsvermogen betreft. Het is niet zeker, of dit oneindig ook kan worden gepostuleerd als concreet t.o.v. het Goddelijke zelf. Alle vormen, die ontstaan, bestaan niet buiten, maar binnen deze energie, deze emissie van het Goddelijke. Daarbij zal elk verschijnsel, dat in deze emissie of in dit veld optreedt en dat door de goddelijke actie wordt geproduceerd, gebonden zijn aan de mogelijkheden die het Goddelijke geeft. Het zal daarbij echter niet gebonden zijn aan een bepaalde verwerkelijking. Zijn placering t.o.v. het Goddelijke en de rest van het veld bepaalt wat het is voor God. Wat het is voor zichzelf, ligt aan de wijze, waarop het zich zijn eigen plaats realiseert en aan de eigen verhouding tot zijn bron, die het een grond van besef, van redelijkheid, van aanvaarding geeft.

Daar vanuit ons standpunt het geheel van deze verschijnselen altijd minder zal zijn dan het geheel der mogelijkheden, zal er voor elk wezen, al is het beperkt in zijn bestaan en mogelijkheden, altijd een groot aantal mogelijkheden van ontdekking, expressie en beleving zijn, die niet worden geconcretiseerd, maar die in feite tot het eigen wezen behoren.

Als wij aannemen dat God ergens – althans voor ons ‑ enige overeenkomst heeft met de mens, dan wordt ook de volgende vergelijking aanvaardbaar: Het scheppend Wezen heeft een gedeeltelijke uiting naar buiten toe. Het heeft daarnaast een totale uitingsmogelijkheid naar binnen toe. Er is een verschil tussen uiterlijk en innerlijk. Dit verschil kan zover gaan, dat beide tijdelijk met elkaar strijdig zijn; en dat brengt ons op goed en kwaad.

Goed en kwaad in God kan ik mij niet voorstellen. Goed en kwaad vanuit een beschouwer kan ik mij alleen voorstellen als een relatief en zuiver persoonlijk waarderen van door dit “ik” erkende waarden. Maar als ik aanneem, dat het uiterlijk en het innerlijk van het Goddelijke kunnen verschillen (wetend, dat ik dus God teveel vergelijk niet een mens en wetend, dat dit alleen maar een voorbeeld is), dan kan ik ook zeggen:

Daar het uiterlijke van de innerlijke waarden verschilt; zal er tussen deze beide een spanning en een strijdigheid kunnen zijn. Zodra dit geschiedt, kan het verschil worden gemeten van binnen naar buiten toe als kwaad en van buiten naar binnen toe als goed. En dat is ook een groot raadsel, want de grote geheimen van de schepping zijn niet alleen maar: Hoe moeten we ons dat voorstellen? Het is ook: Hoe moeten wij ons oriënteren? Nu kan men daarvoor 1001 regels en wetten geven, maar de meest eenvoudige luidt als volgt:

Op het ogenblik, dat denkwijze, actie of enigerlei andere mogelijkheid van leven of beleven de mens voert tot een nader begrip van, of een beter gevoeld innerlijk contact, met het hogere, is het goed. Op het ogenblik, dat dit begrip, dit contact wordt verzwakt, is het kwaad. En dan heeft u daar de enige maatstaf van goed en kwaad, die we kunnen gebruiken.

Nu heb ik daarnet alle Hiërarchieën en alle nevenuitingen met een paar woorden afgedaan. Ik geloof niet, dat ik daartoe geheel gerechtigd ben, want we weten allen dat vanuit de mens gezien er tussen het “ik” en de Godheid een groot aantal machten staat. Maar nu zeg ik weer iets:

Als ik mij de beweging van het Goddelijke voorstel als een golving, dan zal die golving een verticale uitslag hebben, indien ik mij het gemiddeld vlak (dus de gemiddelde begrenzing van de vijver) als een horizontaal vlak voorstel. De machten, die wij boven en onder ons kennen, staan niet in directe relatie tot God, maar zij bepalen de top en het dieptepunt van de golf van kracht, waarin wij op dit moment beleven.

Als wij het verleden daarbij betrekken, zullen wij dus bepaalde Goden, grote krachten of Meesters aanbidden, vereren of aanvaarden, die vandaag niet meer werkelijk bestaan. Omgekeerd is het vandaag niet mogelijk een God, een Meester of een Hiërarchie te eren, die morgen zal bestaan. Al deze krachten zijn onze interpretatie van de werkelijkheid, waarin wij ons bevinden. En zoals u vandaag ander weer hebt dan morgen en het nooit helemaal precies gelijk kan zijn in alle omstandigheden (die van uzelf inbegrepen), zo kan in geen enkel ogenblik het totaal van die kosmische Hiërarchie worden gezien als één en onveranderlijk voor alle tijden. Het enig vaste, dat er bestaat, is het goddelijke veld en de kracht die het voortbrengt. Al het andere is interpretatie en niets anders. Maar daar elke interpretatie van een Heer, van een Meester, enz. voor ons het vaststellen is van een hoger niveau van energie, mag eveneens worden gesteld, dat wij uit deze krachten de energie kunnen ontvangen, welke behoort tot het voor ons op dit moment juist geplaatst zijn binnen het Goddelijke. Een punt, waarover ongetwijfeld nog veel meer te zeggen is en wat we dan eventueel kunnen doen in de vraagstelling zo dadelijk.

Als ik de Hiërarchieën dus laat rusten, dan doe ik dit omdat het voor mij niet alleen maar gaat om de vraag: Wat is het begin? Maar ook om: Wat is het heden? En dan kan ik wel weer grijpen naar een van die diepe mystieke formuleringen, die zo vaak door de mensheid zijn misverstaan maar ik weet niet of u het zonder uitleg zult begrijpen. Ik zal haar voor alle zekerheid geven:

Het heden is het begin, het einde, en alle tijd, gezien vanuit het punt van bewustzijn dat nu in mij bestaat.

Erg mooi, maar in de praktijk komt het erop neer, dat de kracht in zichzelf dus niet verandert. Zij is er of, zij is er niet. God openbaart Zich of Hij openbaart Zich niet. Tussenfasen zijn er niet. Er is geen aanloopperiode en er is geen periode van beëindiging. Dat kan materieel bestaan maar t.o.v. het totaal der energie niet.

In het heden bezien wij de energie op een bepaalde manier. Nu brandt er een lamp. Die lamp geeft een bepaalde vorm van lichtenergie. Morgen ziet u zonlicht; dat is andere energie. Maar wat er ook is, hoe het ook wordt omgezet, het totaal van alle energie blijft gelijk. Het is elke keer voor ons heden, wanneer wij constateren: zo is het totaal van de levensenergie voor ons. En als dat begin dan al niet helemaal valt te beseffen, dan kunnen we toch in ieder geval zeggen: Het begin van de energie wel.

Het bewustzijn van de mens oriënteert zich steeds op dat heden, dat in overeenstemming is met zijn bewustzijn en voor hem een relatie met de energie zelf en de verschijnselen daarvan mogelijk maakt. Wat weer kan worden vereenvoudigd en dan zeggen we: Er is geen volgorde van tijd, waarin we steeds in latere jaren zullen incarneren. Er is geen ruimtelijke beperking waardoor we altijd in Europa of in India of alleen maar op de aarde kunnen incarneren. Er is geen enkele beperking buiten die van ons besef, want het is onze waarneming, onze realisatie van wat er is dat voor ons bepaalt waar en hoe we leven.

Daar zien we dus een heel eigenaardig verschijnsel. De mens selecteert (en zo selecteert elk bewust en levend wezen) door zijn waarneming (dus door zijn bewustzijn) die reeks dimensionale waarden, welke voor hem het geheel van de kosmos vormen, maar gelijktijdig slechts een deel zijn van het totale aantal mogelijkheden daarin.

Daar elke verandering van bewustzijn een verandering van wereld voor het individu impliceert, zal het geheel van de schepping of elk deel daarvan voor het “ik” kunnen worden waargemaakt, zonder dat wij nu kunnen beweren dat het een altijd bestaande toestand is. God is de kracht, die het gehele leven schept en in stand houdt. Het bewustzijn schept zich uit die kracht de wereld, waarin het past. Als zodanig is elke wereld en elke omstandigheid op een wereld niet Gods werk in concreto, maar in abstracto, daar de werkelijke vertaler van de kracht in omstandigheden en milieu de mens is.

Dat is ook altijd een groot geheim. De mensen zeggen: “Wie is de Schepper? En als God de Schepper is, waarom heeft Hij dan bv. de oorlog toegelaten? Waarom is er overvloed hier en hongersnood daar?” Vanuit een God kunnen wij dat inderdaad als een groot raadsel zien. Maar de oplossing is zo eenvoudig:

God geeft de kracht, wij scheppen de vorm. En waar dit gelden moet voor de wereld van de mensen, zo zal dit eveneens gelden voor elke andere denkbare wereld of sfeer. Zij zal steeds ontstaan als het resultaat van een bewustzijn, dat leeft uit de Goddelijke kracht en dat zijn relatie met die kracht op een bepaalde wijze vaststelt. Er is dus geen enkele garantie, dat hetgeen u rond u ziet, werkelijk is zoals u het ziet. Het is wel zeker, dat het ergens bestaat; niet dat het zo bestaat als u het waarneemt. Door de wijze, waarop u het waarneemt, bepaalt u de verhouding tussen u en het andere.

Kijk, dat zijn de grote geheimen. Degene die dit gaat begrijpen, kan uit het denkbeeld van de schepping en het leven vanzelf de kleine geheimen ontcijferen, waarover we ook nog wel zullen spreken, maar die toch eigenlijk veel meer onderworpen zijn aan de mens. Het grote geheim is de landkaart. Het kleine geheim is de weg, die daarop is ingetekend.

Alles tezamen genomen is een mens dus gelijktijdig het machtigste wezen dat er in zijn leven bestaat, want het is de complete schepper, volgens eigen bewustzijn, van het totaal der erkende levensomstandigheden.

Nu komen we echter juist op dit punt weer in conflict met een voor de mens en voor de geest ook wel degelijk, bestaande waarheid.

Er zijn boven ons krachten, die meer weten. Wij kunnen daaraan weten en wij kunnen daaraan kracht ontlenen. Wij kunnen ons daardoor laten leiden. Zijn die krachten dan werkelijk? Noodzakelijk is dit niet. Een deel van wat wij zien als een leidende kracht, een engel, een God, een Troon, een Heerschappij of iets anders, is wel degelijk waar, ook al zien we haar op onze eigen wijze. Maar bij elk aanvaarden van wat wij het hogere noemen, zullen wij een deel van eigen bewustzijn het zwijgen opleggen en daarvoor in de plaats een ander bewustzijn aanvaarden. Zo kan worden gesteld, dat onze Meesters, geleiders, heersers en hoe we ze verder noemen, in ons bewustzijn een andere benadering van God en wereld tot stand brengen en daarmede een herscheppen van eigen leven en levenscondities. Dit brengt inderdaad een verandering van bewustzijn met zich mee. Daar de mens echter deze Meesters of Goden en wat ze verder mogen zijn zelf kiest, is hij ook hier weer in feite de primaire, actieve factor. Hij is de bepalende; nimmer het andere of de ander.

Wat hebben we nu allemaal over die geheimen gezegd?

Ten eerste heb ik u het beeld van een God gegeven als een werkelijkheid, waarin wij leven en waarbuiten voor ons niets bestaat.

Ten tweede heb ik u gezegd: Deze goddelijke kracht is een energie, die geen vorm heeft. De vorm verkrijgt zij eerst door het bewustzijn. De mogelijkheid, dat er bewustzijn ontstaat, moet dus inherent zijn aan het veld, aan de Goddelijke werkelijkheid zelf. Op grond waarvan wij onder dit punt nog kunnen vermelden: Alle kracht is een uitdrukking van het Goddelijke, waaruit ze is voortgekomen en bezit (althans potentieel) alle mogelijkheden van besef, van scheppen en van denken, zoals deze in de Bron bestaan, maar dan binnen de beperkingen van eigen plaats of actie in het veld.

Ten derde: Er zijn geen hogere krachten of geesten, waarop wij ons kunnen beroepen in die zin dat zij zullen bestaan, zoals ons wordt geleerd, zoals wij denken of zoals wij dit wensen. Zij bestaan wat ons betreft slechts voor zover wij ze scheppen en aanvaarden.

Ten vierde: Alle voorstellingen van mystiek, alle occulte en materialistische voorstellingen zullen waar zijn, indien het bewustzijn dat ze postuleert ze als waar aanvaardt, en wel alleen voor dit ego en voor niemand anders.

Ten vijfde: Op grond hiervan zal elk gekend of aanvaard bewustzijn te allen tijde en onafhankelijk van omstandigheden, in tijd of ruimte bereikbaar zijn voor het individu dat het erkent, maar alleen voor zover deze erkenning plaatsvindt. Het geheel kan worden gerealiseerd; en waar dat wordt gerealiseerd zal het geheel der krachten daarbij volledig moeten worden aanvaard, zonder enige uitzondering.

Hier heeft u dan in een paar punten en in een betrekkelijk korte inleiding: de grote geheimen der schepping.

Het groot Arcanum kan verder dan nog worden uitgedrukt in de tweeledigheid der kringloop: de kringloop ten hemel, de kringloop naar beneden, uitgedrukt in de staande 8; de parallel-heelallen met hun energie en bewustzijnsoverdracht, uitgedrukt in de liggende 8 of het teken der oneindigheid. Wij kunnen nog spreken over de verschillende werelden, die t.o.v. elkaar bestaan, maar al die dingen zijn eigenlijk verklaard in hetgeen ik u heb gezegd.

Er blijven raadselen over, maar die zijn eigenlijk een vraag van formulering, niet van erkenning. Ik geef u daarom in overweging die punten, welke u belangrijk vindt en welke volgens u te oppervlakkig of onjuist zijn besproken, zo dadelijk zelf aan te snijden, zodat wij deze stellingen, waarvan ik u hier een summier maar toch redelijk volledig beeld heb gegeven, verder kunnen ontleden en formuleren, in het bijzonder volgens uw behoefte.

***********************

*  Hebben goddelijke wetten te maken met goed en kwaad of is wat wij kwaad noemen disharmonie?

Datgene, wat wij goddelijke wetten noemen, mits deze wetten betrekking hebben op de structuur van het Al, is het geheel van de voor ons voorstelbare levenscondities en als zodanig bepalend voor onze eigen oriëntatie t.o.v. wereld en God. Als wij spreken over kwaad, dan heeft dat in feite dus niets te met goddelijke wetten. Het is een algemene misvatting, dat iets kwaad is, omdat het tegen Gods wet ingaat. Maar een Goddelijke wet is een absolute wet. Het is een levensconditie voor ons. Wij kunnen niet tegen een Goddelijke wet ingaan. Proberen wij dat toch, dan hebben we geen resultaat en hoogstens een voor ons onaangename terugslag. Het meeste dat bij de mensen kwaad wordt genoemd is niet datgene, wat volgens een Goddelijke wet verboden is maar datgene, wat om de een of andere reden voor zijn medemensen niet aanvaardbaar is. U zult dus begrijpen, dat ik in deze zin geen antwoord kan geven. Ik kan u wel zeggen, dat voor de mens persoonlijk ‑ en dat is een heel andere kwestie ‑ kwaad kan worden geformuleerd, als datgene waardoor men met zichzelf en met de wereld of met God in disharmonie komt, dan wel anderen in disharmonie brengt met de wereld met God of met zichzelf. Dat is dus kwaad. Een meer reële definitie daarvan kan echter alleen worden gegeven volgens menselijke waarderingen, niet volgens kosmische normen.

*  De ziel is oneindig en in staat de kosmische samenhangen te ervaren. Kunnen ziel en bewustzijn zover komen, dat er sprake is van begrip door de mens? Liever een vaag, doch juist aanvoelen van de goddelijke werkelijkheid dan een vereerde voorstelling.

Dat is aardig gezegd. Maar: “de ziel is oneindig”, wordt gezegd op grond van het feit, dat de ziel zelf een deel is van de levensenergie, die door het Goddelijke tot uiting komt. De ziel zelf kan dus niet zonder meer met het bewustzijn worden geassocieerd. Wanneer men dus spreekt over geest en ziel en daarmee de essentie bedoelt en niet het bewustzijn, kan worden gezegd: zij is oneindig. Het bewustzijn is dus het herscheppend vermogen plus de voorstelling en eventueel het begrip, welke in het “ik” in die ziel bestaan. Of dit al of niet bestaat, is dus voor de ziel in feite van geen belang. Het is echter wel van belang voor de realisatie van het eigen “ik.”

Nu zegt u; Kan er voor het “ik” begrip zijn van al het zijnde? In menselijke vorm is dit niet bereikbaar, maar het is denkbaar dat een ziel zozeer haar eigen perceptievermogen uitbreidt, dat zij het totaal van de in de Goddelijke uiting bestaande mogelijkheden in zich kan bevatten en begrijpen. Zij is dan a.h.w. gelijk geworden aan God, behalve in haar oorsprong. Op het ogenblik, dat dat optreedt, zal er ten eerste van menselijkheid geen sprake zijn en ten tweede zal het ik niet meer bestaan volgens de menselijke formulering van ik‑heid.

U zegt: Liever een vaag gevoel dan een kennis. Ik geloof, dat dit zeer menselijk is geformuleerd. Voor de mens zijn er inderdaad een aantal punten, die door hem moeilijk begrepen worden, maar vaak wel juist worden aangevoeld. Maar het is dwaas dit aantal punten onnodig uit te breiden. Anders gezegd. In het menselijk denken en leven is kennis en begrip belangrijk voor zover het de menselijke wereld betreft. Eerst daar, waar de menselijke wereld geen mogelijkheid tot begrip, tot ervaren meer geeft, zal in de plaats daarvan het aanvoelen treden.

*  U zei zo even: De ziel is gelijk aan God, behalve, in haar oorsprong. Dat begrijp ik niet.

Dat is heel eenvoudig. Wanneer de ziel het totaal van de mogelijkheden, die er in het Goddelijke bestaan, begrijpt en bevat ‑ en dat is dus denkbaar ‑ dan is deze ziel dus in haar besef en ook in haar uitingsmogelijkheid voor zichzelf gelijk aan God, want zij draagt in zich het totaal van dezelfde uitingsmogelijkheden, die God in Zich draagt.

Maar die ziel kan niet bestaan uit zichzelf. Zij is en blijft deel van de energie van dat grotere, dat wij God noemen. Of God een origine heeft, weten wij niet. Wij nemen aan van niet, maar wij kunnen dat niet met zekerheid zeggen. Eén ding is echter zeker: voor de mens staat vast dat hoe hoog het bewustzijn van het ego ook moge stijgen en hoever het zich aan de menselijkheid ook moge onttrekken, het altijd deel blijft van deze God. Zo is er een verschil in origine.

*  Het besef in de ziel, noemt u dat geen bewustzijn of wel?

Ik kan dit eventueel, zo u dat wenst, bewustzijn noemen. Maar ik noemde het noch besef, noch begrip of bewustzijn. Ik noemde het voorstellingsvermogen of erkenning. Dat heb ik gedaan, omdat ik hier dit grote geheim van de schepping (dat, wat ik in mij volledig ken en mij voorstel is voor mij deel van de werkelijkheid) doorvoer tot het uiterste. Zeg ik bewustzijn, dan wil men daaronder vaak beredeneringsvermogen verstaan of iets anders. En in dit geval is dat natuurlijk niet helemaal juist. Vandaar mijn formulering. Maar als u onder bewustzijn dit totale kennen in uzelf wilt verstaan, dan is dat goed.

*  Mag ik nog even op de vorig vraag terugkomen. U hebt zo-even gezegd, dat er een mogelijkheid bestaat dat een ziel zo ontwikkeld wordt dat ze gelijk is met God.

Behalve in haar oorsprong. Daarmee heb dus willen aangeven, dat het totaal der mogelijkheden, die in het Goddelijke bestaan (althans theoretisch; over de praktische mogelijkheid durf ik geen oordeel vellen), hetzelfde kan bevatten als de originerende kracht en als zodanig qua mogelijkheden voor en vanuit zich gelijk zal zijn aan de kracht van de Schepper Zelf. Met dien verstande, dat voor het totaal van deze uitingen altijd de kracht aan de Schepper zal worden ontleend.

v  De mens selecteert uit de mogelijkheden en schept zo zijn eigen wereld. Die selectie kan ook door ons plaatsvinden in de krachten boven ons, zoals Hiërarchieën, Tronen enz. Is het juist, dat daarin geen wijziging mogelijk is? Of is dit wel mogelijk, b.v. door verschil in bewustzijnsniveau?

De vraag is wat onduidelijk. Ik meen haar als volgt te mogen verstaan. Corrigeert u mij als het niet juist is: Dat dus de hogere leiding voor de ene mens anders kan zijn dan voor de andere, zodat wat de één aanvaardt en als werkelijkheid beleeft gelijktijdig voor de ander onwaar en onaanvaardbaar zal zijn.

v  Nee, dat was de bedoeling niet. De bedoeling was, dat er van die zijde dus sprake zou kunnen zijn van afwijzing of onwil, zoals men bij de primitieve godsdiensten vaak de uiting krijgt: De hemel is doof en er komt geen antwoord; we krijgen geen contact.

Ja, dat is alleen waar, indien u postuleert dat die hemel een zelfstandig bestaan heeft waar de mens niet bij betrokken is. Maar voor de mens wordt de hemel pas een waarheid, als hij die hemel aanvaardt. En als hij aanneemt, dat die hemel doof kan zijn, zal die hemel doof zijn. Hier ligt de beperkende waarde en de afwijzing feitelijk in de mens en niet in de hogere kracht. Dan volgt dus hieruit, dat de mens in feite van het hogere onafhankelijk is. Ofschoon dit in concreto wel kan bestaan, zij het dat het een andere afmeting is. Is onze lijn naar het goddelijke – zeg – van links naar rechts, dan is onze lijn naar de hogere kracht er één van beneden naar boven. Het is dus a.h.w. een kruising. Want het is de top van de golf van kracht, die wij als werkelijkheid beleven. Maar als wij ons tot die kracht richten, dan formuleren wij de vorm, die deze kracht heeft. En die formulering bepaalt de eigenschappen, welke die kracht ten opzichte van ons zal hebben. Er is dus voor een hemel, die doof is de formulering van een hemel, die doof kan zijn nodig.

*  Maar in werkelijkheid staan de krachten dus altijd open voor de mens, die daarin gelooft?

U zegt het verkeerd. U maakt het weer afhankelijk van de krachten. Op het ogenblik, dat de mens aanneemt dat de krachten altijd voor hem openstaan, zal hij uit het totaal van de kracht, waarin hij deze voorstelling heeft opgebouwd, altijd een antwoord krijgen. Dit antwoord zal niet altijd overeenstemmen met zijn redelijke verwachtingen of zijn menselijke verlangens, maar het zal inherent zijn aan de voorstelling, die hij zich van het hogere heeft gemaakt. Dus niet de werkelijke wens of wil van het ik zonder meer, maar altijd de voorstelling van het hogere.

*  En geldt ditzelfde van de mens t.o.v. het leven, dat lager staat dan het menselijke?

Ook hier is dit waar. De wijze waarop de mens het z.g. lagere leven visualiseert, bepaalt de verhouding, die er tussen de mens en dat leven zal bestaan.

*  Het enig vaste dat bestaat in het goddelijke veld, is de kracht, die het voortbrengt. De rest is interpretatie. Al het Goddelijke wordt weerkaatst door de omgrenzing. Het kwade gaat van binnen naar buiten. Maar is dan de opheffing van deze verstoring? Moet het kwade uitwerken tot aan de omgrenzing? Kan het goede deze tegengestelde kracht ergens hanteren.

Uit deze vraag blijkt al hoe moeilijk het u zo even is gemaakt, want dit is een verwarring van feiten. In de eerste plaats wordt hier het kwaad gebruikt als een vaste waarde. Ik heb getracht duidelijk te maken, dat het kwaad geen vaste waarde is en dat voor ons als goed kan worden geformuleerd alles, wat ons nader tot de Schepper of tot ons begrip van de Schepper brengt, of zo u wilt in grotere harmonie met het Zijn. Kwaad is al datgene wat naar buiten toe is gericht; dus wat een ontkenning van de Schepper of van onszelf inhoudt. Maar dat heeft weer niets te maken met die omgrenzing, want die heb ik geciteerd als een beeld. Ik ben daarbij uitgegaan van een bekende esoterische stelling, die zegt:

“God is het centrum van het Koninkrijk Gods (of de Goddelijke werkelijkheid), waarin Zijn licht pulseert in een eeuwige trilling, gaande tot de omgrenzing of Jonkvrouw en vandaar tot Hem terugkerende.”

Dat was een citaat. Daarnaast heb ik u gezegd: Maar dat impliceert niet, dat daarbuiten niets zou bestaan. In feite echter bestaat er niets buiten het Goddelijke, maar bestaat alles binnen het Goddelijke en is het deel van deze kracht; met dien verstande, dat het onvolledige niet in staat is het totaal te beseffen. Ik heb daarbij gesproken over die 63 dimensies in vergelijking tot de 4 dimensies. Als u zich dit even herinnert, dan zult u al begrijpen dat deze vraag is opgebouwd uit onderdelen, die geen werkelijke samenhang hebben en dat de argumentatie daarin dus absoluut onjuist is.

*  Maar het is ook het verkeerde papiertje, dat meneer voorleest. Hier kom ik misschien beter uit de verf. Al het Goddelijke wordt weerkaatst door de omgrenzing, die het Goddelijke zich stelde. Hierin bevinden zich het goede en het kwade; dus in plaats van tegenstelling. Het kwade gaat van binnen naar buiten, zo heb ik begrepen. Waar is dan de plaats van deze ene golf van tegenstelling? Waar is de opheffing van deze verstoring, aannemende dat er een streven tot herstel van evenwicht bestaat? Moet het kwade zich geheel uitwerken tot aan de omgrenzing of kan het goede deze in tegengestelde kracht hanteren? Is de mens het tegengestelde punt in de omgrenzing van de Godheid, die deze omgrenzing schiep?

De formulering is ongetwijfeld beter, maar ook hier gaat u in de eerste plaats uit van de esoterische stelling, die ik heb aangehaald. Ik heb u echter een ander beeld gegeven, n.l. het magnetisch veld, gelijk aan dat van de aarde, waarbij de polariteit een kwestie is van relatie tot het veld. Als zodanig is de bron van goed en kwaad, als u daar al over wilt spreken, dezelfde; en is de richting van goed of kwaad eenvoudig afhankelijk van de wijze waarop wij zijn georiënteerd. Zo ligt de werkelijke tegenstelling goed en kwaad dus niet in de schepping of in het Goddelijke, maar in onszelf. Een opheffing daarvan betekent dus een in onszelf tot harmonie, tot eenheid komen. Zolang wij in onszelf het kwaad bestrijden en het goede willen doen, zonder in staat te zijn te leven zonder over goed of kwaad te spreken, maar met onszelf in vrede te blijven, blijven goed en kwaad bestaan. Dan is kwaad al datgene, wat ons verwijdert van deze vorm van harmonie of eenheid en is het goede al datgene, wat daartoe voert. In de schepping gezien zou datzelfde dan ook moeten gelden t.o.v. het Goddelijke.

Ik houd er niet van uitspraken te doen, die gevaarlijk zijn. Ik probeer ze altijd te vermijden. Maar misschien mag ik het dan deze keer toch doen in de hoop, dat u mij niet zult misverstaan. Er is in de schepping geen werkelijk kwaad en geen werkelijk goed. Er is voor ons slechts de werkelijkheid van goed en kwaad, die wij voor onszelf scheppen of die wij uit anderen aanvaarden. Als zodanig zijn goed en kwaad menselijke en geen Goddelijke of kosmische waarden. Misschien, dat nu duidelijker is wat u bedoelde. Dat betekent niet, dat er voor u niets bestaat dat kwaad is; dat ligt aan uzelf. Er kan voor u heel veel zijn dat goed is; maar dat ligt ook aan uzelf. God heeft geen goed of kwaad gesteld. De boom van goed en kwaad is door mensen geplant, niet door God in het paradijs geschapen ten verderve van de arme mens. Onthoudt u dat!

*  Komt het wel voor dat een mens in een andere wereld reïncarneert of zijn wij aan deze aarde gebonden?

U bent alleen gebonden aan uw eigen besef. Zo er voor u een besef van een andere wereld bestaat, dat concreet genoeg is en daarin waarden liggen, die voor u begeerlijk zijn, zult u zo voor uzelf waar maken en als zodanig dus volgens de gangbare termen van de kleine geheimen reïncarneren op een andere wereld.

*  De ziel is eeuwig, het bewustzijn eindig, zei u. Kan ik dus het woord “ziel” gelijk stellen aan het begrip “leven”? En is dit ook weer synoniem met de “Goddelijke emissie, zich uitende in het veld”?

Ja, de Goddelijke emissie is het veld. Als u voor “ziel” zegt: de Goddelijke emissie of Goddelijke kracht of het deel van de Goddelijke energie, dan is dat volledig juist.

Als u voor het “bewustzijn” zegt: de oriëntatie in het deel van de kracht t.o.v. het geheel, dan is dat inderdaad ook juist. Het bewustzijn is eindig. Het kan nooit meer omvatten dan zijn bron is. Het kan verder voor zichzelf nooit verdergaan dan een perfecte harmonie met deze bron. Het kan daarnaast teniet worden gedaan of nieuw worden opgebouwd. Het is dus een voor het “ik” variabele factor, bepalende de wijze, waarop de Goddelijke energie en ook het eigen wezen wordt erkend. Als u het zo beschouwt dan zult u zien dat mijn uitspraak dus zeker niet voor niets werd gedaan.

*  Als het mogelijk is, dat de verhouding materie tot antimaterie na een heelal-manifestering omkeert, waarin bestaat dan de omkering en t.o.v. welk criterium van materie?

Als criterium, wanneer wij spreken van een omkering, moeten wij spreken over de verhouding materie ‑ antimaterie op het ogenblik, dat het heelal tot aanzijn komt. Dan kunnen wij zeggen, dat de antimaterie bij de eerste explosie of bij het eerste zich vormen van een Al ongeveer 3,657 duizendste bedraagt. En als wij dit dus zien als de bron, dan zien wij later het z.g. lekverlies van energie. Bij elke omzetting van energie uit de ene vorm naar de andere, verdwijnt een zeer gering percentage; en dat wordt dan wel in honderdduizendsten gemeten, maar het verdwijnt. Dit verdwijnend deel der energie lekt gedeeltelijk uit het nu bestaande Al (het bereikt dus a.h.w. een andere dimensie). Maar door dit wegvallen van energie ontstaat er een omkering van “spin” (draaiing) en relatie tussen de kleinste delen en vormt zich antimaterie. Op het ogenblik, dat de verhouding materie ‑ antimaterie in een heelal ongeveer fifty‑fifty is, heeft dit Al zijn grootste uitdijing, bereikt en begint te krimpen. Bij deze krimping ontstaat een voortdurende reeks explosies, waardoor de voeding aan de andere dimensies, zullen we maar zeggen, toeneemt, totdat de flux daarheen zo groot is, dat elke energie-uiting onmiddellijk naar dit andere Al wordt gedraineerd. Op dat ogenblik ontstaat er dus een moment van absolute rust er is geen uiting meer. Wanneer dit ontstaat, vindt er in feite een hernieuwde explosie plaats in dit parallel‑Al (dus dit lek‑Al, als ik het zo eens mag noemen) en het bezielt dan zichzelf. Het trekt alle nog mogelijk actieve materie en straling tot zich en wat er overblijft is dus een dode kern, die echter ledig is en die dan weer uit het andere Al a.h.w. energie begint te zuigen. Het is een soort pompbeweging. Vandaar dat wij het teken “oneindig” ook wel eens gebruiken om deze elkaar begrenzende waarden van tegengesteld energetisch gehalte uit te drukken,

*  De verhouding 3,567 is dat 1:3,567?

Neen, duizendste t.o.v. 100.

*  Waar blijft dat verlies?

Dat lekt in wat u zoudt kunnen noemen een andere dimensie. Het verlaat dus het kenbare en actieve Al en formeert een materiële structuur, die in zich actief kan zijn, maar dat tijdens het lekproces lange tijd niet is; en als zodanig kunt u dus zeggen: het is een druk, die naast de bestaande wereld in een andere dimensie wordt opgebouwd en welke pas actief wordt op het ogenblik dat er geen voeding meer is, want dan wordt er naar een balans gezocht; en die balans kan alleen ontstaan door een explosie.

*  Is dat een parallel naast ons liggende dimensie of ligt die op een bepaald hoger vlak?

Als u het zo wilt uitdrukken zegt u dan maar parallel.

*  Eigenlijk schept de boel zichzelf zo’n beetje als gevolg van de wet van oorzaak‑en‑gevolg. Begrijp ik dat goed?

Ja. Het is primitief uitgedrukt, als u me toestaat dat op te merken, maar het is niet geheel onjuist. U kunt dit zien als oorzaak‑en-gevolg. U kunt zeggen dat het geheel van de energie-uitwisseling in feite een perpetuum mobile is, waarbij het totaal der energie voortdurend blijft behouden, maar de bron, waarin die energie tot uiting komt of de omgeving waarin ze tot uiting komt, steeds wordt verplaatst, zodat we een slingering krijgen tussen het huidige materiële Al en een ander, voor u nu nog potentieel materieel Al, dat zich explosief realiseert op het ogenblik, dat uw eigen heelal tot volledige stilstand is gekomen.

*  Dat betekent, dat het ene heelal dus ruimtelijk verschilt van het andere, of is dat ook alweer een illusie?

Zelfs dat is in zekere zin een illusie, want ze bestaan ruimtelijk gelijk. Maar u maakt het uzelf moeilijk. Misschien kan ik het u zo zeggen: Je kunt 2 gassen dooreenmengen. Neem daarvoor nu eens waterstof en zuurstof. Wanneer de verhouding een bepaald percentage heeft bereikt, komt er een explosie. Door die explosie ontbinden beide gassen zich in een aantal andere bestanddelen en combinaties en er ontstaat dan a.h.w. een ander heelal. Dat is natuurlijk erg primitief, maar het maakt het u misschien mogelijk om te begrijpen wat ik bedoel. U kunt dus plaatselijk op één punt bestaan, maar als er een zekere verzadiging is bereikt is een reactie onvermijdelijk; en zo is dat met die dimensies ook. Daarom zeg ik ook dimensie; anders had ik wel gezegd. een andere ruimte. Maar vanuit menselijk standpunt is het ruimtelijk uitgedrukt bijna identiek.

*  Bestaan de 63 heelallen binnen één veld, zodat een onderlinge uitwisseling op hetzelfde krachtniveau kan plaatsvinden of volgen zij elkaar in verticale orde op? Treden zij in beide gevallen in een orde van gelijktijdigheid op?

Dat is erg mooi gezegd. Maar: mag ik u een tegenvraag stellen? Als ik 10 kamraderen heb, die in elkaar draaien, hoe wilt u dat dan formuleren, als ik elk daarvan heelal noem? Wilt u zeggen, dat ze elk een afzonderlijk heelal zijn op een eigen niveau, of wilt u zeggen dat ze horizontaal of verticaal gegroepeerd zijn of kunt u alleen zeggen: Zij zijn elk zichzelf en als zodanig in zichzelf besloten en door de beroering met het andere gelijktijdig de uitdrukking van een voortdurende actie, die niet slechts de “spin” van elk hunner bepaalt, maar bovendien een totale beweging weergeeft.

*  Ik zou zeggen, dat ze gelijktijdig en in dezelfde ruimte voorkomen.

Dan zoudt u dus moeten formuleren: De 63 heelallen komen gelijktijdig (voorzover tijd een waarde is) en in dezelfde ruimte voor. Zij hebben een structuur, die voor elk daarvan ongeveer gelijk is. Zij zijn van elkaar afgesloten, doordat zij elk voor zich een besloten dimensionale structuur zijn en slechts een wijziging van dimensionale structuur zal een overgang van het ene heelal naar het andere mogelijk maken.

*  Welke kenmiddelen werden er door u gebruikt voor waarnemingen van of gegevens over deze andere heelallen?

O, dat is heel eenvoudig. Ik heb u al gezegd: De geest is niet aan dimensies gebonden op de wijze van de mens, omdat het voorstellingsvermogen en daarmee ook de wereld van de geest zeer flexibel is. Op het ogenblik, dat er voor ons een harmonie bestaat met althans één gepostuleerde waarde, die in dat andere heelal voorkomt, wordt dat andere heelal voor ons een werkelijkheid. Daarmee is dus de waarneming van dat heelal mogelijk geworden. Overigens wil ik erbij voegen, dat zeker niet iedereen in de geest in staat is tot een dergelijke prestatie en dat wij het over het algemeen moeten zoeken bij hen, die zich in de hogere, vormloze en vaak zelfs niet meer in de kleuronderscheidende werelden leven. Hun waarnemingen worden dan meestal niet uit eigenbelang gedaan, maar om ons, die nog niet zover zijn, een inzicht te geven, waardoor wij misschien een eigen oriëntatie t.a.v. de werkelijkheid kunnen bereiken.

Dan moet u daarbij ook begrijpen, dat deze interrelatie door een wederkerige erkenning is ontstaan en zo voor beiden, de lagere geest (ik bv.) en de hogere geest (de waarnemer), wordt geconcretiseerd in deze uitwisseling van gegevens, die echter weer op de actualiteit van het totaal van het zijnde, zoals de hogere geest het beseft, moet zijn gebaseerd.

*  Is het ons bekende heelal één der 63 of een combinatie van meerdere?

Eén der 63. De sterrennevels worden niet als afzonderlijke heelallen gezien.

*  Na welke inwijdingshoogte is een bewustzijn van en heelal buiten het onze mogelijk geworden?

Geen antwoord mogelijk, omdat inwijdingshoogte veronderstelt, dat er een inwijding (dus het verkrijgen van feiten door middel van anderen) bestaat, waardoor een eigen Al kan worden verlaten. Dit is niet juist, althans onder de huidige condities. Ik kan mij voorstellen, dat er een ogenblik komt, dat de mathematica zich zover ontwikkelt, dat zij de abstractie van het andere Al als een realiteit kan berekenen en zich daar in kan verplaatsen door te handelen volgens schijnbaar hypothetische berekeningen en structuren. Dit is echter op dit moment ‑ althans voor de mens ‑ nog niet bereikbaar. Hij zal dus een innerlijke harmonie met dit andere Al en een voorstelling van tenminste daar mogelijke of bestaande waarde moeten bereiken, voordat hij daarheen kan overgaan. Dit is niet door een inwijding te bereiken, maar slechts door een innerlijke erkenning, die heel vaak kan optreden als gevolg van een eigen harmonie met het totaal van het eigen heelal. De erkenning is dan niet redelijk, maar gevoelsmatig.

*  Als het bewustzijn in het Goddelijke opgaat of uitdooft, wat is in beide gevallen de zin van ons streven naar bewustzijn?

Wanneer ons bewustzijn in het Goddelijke opgaat, dan zal hier – naar wij aannemen ‑ een erkenning van het Goddelijke (een soort zich spiegelen of zelfbeschouwen in gedachten) mogelijk zijn, waarbij de zin voor het goddelijke aanwezig is voor ons, omdat wij gelijktijdig onszelf spiegelen in God. Spreken wij over een uitdoven van bewustzijn, dan moeten wij wel begrijpen dat het hier gaat over de term bewustzijn, zoals ze menselijk wordt gehanteerd. Er is een bestaansrealisatie, die echter geen formuleringen meer verdraagt, welke voor de mens nog als redelijk of als een bewustzijnswaarde omschrijfbaar zijn. Dit zal ook in het eerste geval gelden, zodat wij in feite kunnen zeggen, dat eenwording met het Goddelijke of uitblussing in het Goddelijke identiek zijn vanuit menselijk standpunt en dat de waarde van beide in wezen gelijk is. De zin van het leven kan dan niet meer langs menselijke norm worden vastgesteld, tenzij wij willen concluderen ‑ en dat is menselijke beperkt ‑ dat de volledige erkenning van eigen wezen en het deelgenootschap van dit wezen in het totaal van het Goddelijke Zijn het eigenlijke doel van het bestaan zou inhouden.

*  De spanning tussen binnen‑ en buitenkant doet in ons het begrip goed en kwaad ontstaan. Kunt u dit nog iets nader uitwerken?

Mag ik het heel eenvoudig en daarom kort maken? U houdt ervan om op zondag lekker in de tuin te knoeien. Uw vrome buren vinden dat verschrikkelijk. Wanneer u het toch stilletjes doet, bent u bang voor de buren en daarom is het kwaad.

*  Dus dat wekt de spanning?

Inderdaad.

*  Indien gesteld wordt, dat de mens schepper is van eigen plaats binnen de Goddelijke kracht, verplaatst zich het kerngeheim naar de mens zelf. Hoe kan de mens schepper zijn van een nieuwe plaats van een tevoren niet gekende werkelijkheid? Ik kan mij deze schepping alleen door beïnvloeding en lering van hoger bewusten voorstellen.

Met andere woorden: voor de mens is een geleide schepping de enige mogelijkheid om met zijn eigen wereld tot vrede te komen. Dat is waar, want hierdoor kan hij de aansprakelijkheid, die hij in wezen draagt voor het totaal van eigen beleven en voor het totaal van eigen vorm en zijn, van zich afwentelen. Dat ben ik met u eens. Dat is een psychologische kwestie. Als wij zeggen dat de mens zelf schept, dan zeggen wij dat in zee de plaats van één waterdruppel nimmer bepalend zal zijn voor de aard of de beweging van de zee, maar dat het milieu van de waterdruppel daardoor aanmerkelijk kan veranderen. Als u dit eenvoudige beeld nu even vasthoudt, dan kunnen wij zeggen: de mens is als deel der Goddelijke kracht slechts één deel temidden van een ontelbaar aantal gelijke delen. De plaats, die hij voor zichzelf uitkiest verandert niets aan het geheel. Hij kiest echter uit het geheel zijn eigen omgeving. Als zodanig schept hij voor zichzelf de wereld, waarin hij leeft uit het totaal der mogelijkheden, die er in het totaal zijnde aanwezig zijn. Ik hoop, dat het antwoord nu wat eenvoudiger klinkt.

*  Nog niet helemaal. Want als ik op het voorbeeld even door mag gaan, zo kiest die druppel niet zijn eigen milieu, maar wordt hij gedreven naar zijn plaats of waar hij door de wind, de stroming of door de beweging van de aarde zal terecht komen.

Dat is nu het nadeel van een voorbeeld. In mijn voorbeeld heb ik een oceaan gepostuleerd alleen om aan te geven, dat de delen moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn; dat alle dus gelijk zijn en dat de plaatsing van een der delen temidden van het totaal der delen niet bepalend is voor het geheel of voor de waarde van het geheel, maar slechts voor de omgeving, het milieu van dat ene deel. In het door mij gestelde heb ik dus de verplaatsingsmogelijkheid van de druppel langs eigen wil a.h.w. geïmpliceerd. U kunt natuurlijk hetzelfde voorbeeld gebruiken om te zeggen, dat deze vrijheid niet bestaat; dat staat u volkomen vrij. U moet mij dan niet kwalijk nemen dat ik dan verwijs naar het eerste deel van mijn antwoord, waar ik zoals u zich zult herinneren probeerde duidelijk te maken, dat de mens de verantwoordelijkheid voor zijn plaatsing in het leven verlegt naar buiten hem liggende krachten om zo te ontkomen aan zijn onvrede met het huidige bestaan, terwijl hij anderszins niet bekwaam of niet geneigd is daarin de noodzakelijke veranderingen aan te brengen. Maar u behoeft mijn woord zeker niet zonder meer te aanvaarden. Ik zou het wel op prijs stellen, als u er eens over wilde nadenken.

Dan wordt het tijd om nu deze bijeenkomst te gaan sluiten. Er is mij één ding opgevallen en ik geloof, dat dit als eindthema zeker niet verwerpelijk is.

De mens is dus eigenlijk zelf het kerngeheim van de schepping. Vanuit menselijk standpunt is dit volkomen waar. Elke oriëntatie t.a.v. het Goddelijke en van een Goddelijke Werkelijkheid is afhankelijk van ons wezen, ons denken, onze realisatie. Dan zijn wij dus in wezen zelf het kerngeheim. Wij kunnen dit geheim het gemakkelijkst oplossen door ons voor te stellen, hoe wij temidden van het geheel leven. Daarbij is het voor de doorsnee‑mens niet aanvaardbaar dat hij zelf de coulissen opstelt en zo zelf kan veranderen. Toch is dit een feit.

Zoals de geest uit haar denkbeelden de omgeving schept waarin zij leeft, zo doet de mens dit in feite ook. Maar op aarde komende heeft hij een aantal gestipuleerde waarden voor zich aanvaard en deze werkelijkheid genoemd. En hierdoor is de aardse werkelijkheid meer gefixeerd dan de geestelijke werkelijkheid, waarvoor immers minder stringente regels van aanvaarding zijn gesteld.

Voor ons allen is het in de praktijk gezien belangrijk dat wij de grote geheimen van het heelal niet absoluut ontraadselen, maar dat wij begrijpen dat deze geheimen tenslotte op onszelf wijzen. Wij zijn de kern van het gebeuren. Niet wat we willen, maar wat we zijn, bepaalt de wereld. En omgekeerd wordt heel vaak dat, wat wij in ons denken en bewustzijn zijn, door de wereld bepaald. Er is dus een fatale ring, een kringloop zonder einde, een boeddhistisch rad, dat de mens rondsleurt van leven tot leven door hemel‑ en hellewereld naar een nieuw bestaan in de materie. Maar als wij niet meer zeggen: de wereld bepaalt mij, als wij niet meer zeggen; de wereld zegt mij, hoe ik mij moet vormen, of omgekeerd zeggen: ik kan aan die wereld alleen beantwoorden, maar dan heb ik ook niet een reden om zelf te zijn of te willen, ontkomen wij aan het rad. In het eerste geval ten goede; d.w.z. in een steeds positievere vorming van ons eigen bewustzijn en daardoor een steeds grotere vrijheid van keuze en handeling in het totaal van het bestaan. In het andere geval blussen wij datgene, wat wij volgens het bewustzijn van eigen wezen nu zijn, uit. De kracht blijft over; en in die kracht vormt zich een nieuw bewustzijn dat dan misschien wel deze grens kan overschrijden.

Het grote geheim van de schepping is; God bestaat. Maar wij zijn vrij in datgene, wat God heeft geschapen. Onze keuze t.a.v. het Goddelijke, maar vooral ook t.a.v. onszelf bepaalt hoe wij het zijn beleven, welke sferen en werelden wij betreden, ja, hoe de vormen van het leven zijn, die wij rond ons waarnemen.

De werkelijkheid veranderen kunnen wij niet, maar wij kunnen dat, wat voor ons werkelijk is, veranderen. Want al wat wij werkelijkheid noemen is een vorm van schijn en begoocheling, een uit onszelf opgebouwd aantal vormen.

De kracht, die in deze vormen schuilt, is waar. Zij is Goddelijke deel van het Goddelijke veld, georigineerd door de Goddelijke kracht, die actief wordt. Wanneer de activiteit van de goddelijke kracht ophoudt, zo blussen alle verschijnselen uit, want het veld houdt op te bestaan. Maar het kan herontstaan elke keer dat er een nieuwe actie is.

De vraag; “Waar zijn wij dan en hoe leven wij?” is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Maar zeker is, dat wij dit leven in de hand hebben; dat wij in deze kringloop van bestaan zelf kunnen bepalen waar wij gaan; en dat onze harmonie met een steeds groter deel van het Al, niet ons baserende op vormen, regels en voorschriften, maar op begrip voor de mogelijkheden van het zijn ons vanzelf de vrijheid geeft om steeds meer ons eigen leven en onze eigen wereld te bepalen, hoe en waar wij ook leven, in welke wereld of sfeer.

Wij zijn in deze zin vrije geesten en vrije mensen. De gebondenheid die er bestaat, is slechts illusie. Wij zijn deel van God. Daaraan ontkomen wij niet. Maar dit is geen gebondenheid, het is het wezenlijke bestanddeel van ons zijn.

Daarmee hoop ik u stof ter overdenking te hebben gegeven. Want het is zeer belangrijk, dat wij deze grote geheimen van de schepping tenminste in zoverre begrijpen dat wij beseffen, hoezeer wij zelf de wereld maken. Hoezeer wij zelf de relaties, de verhouding en de mogelijkheden in die wereld scheppen. Slechts met dit besef worden de kleine geheimen van de schepping gemakkelijker begrepen. Slechts van hieruit wordt veel wat; occult, magie, mystiek en wat hemel heet, begrijpelijk. Daarom vrienden, hoop ik dat althans deze laatste stelling tot u is doorgedrongen

Ik dank u voor uw aandacht en voor uw vaak goed overlegde vragen. Ik vraag vergeving als ik een kleine kritiek heb uitgeoefend. Begrijp wel, die kritiek geldt mij evenals u. Als u verward vraagt, heb ik niet duidelijk genoeg gesproken. Maar het is soms beter te wijzen op een verwarring van begrip dan te trachten deze constatering te omzeilen.