Het hanteren van gedachtebeelden

 23 december 1962

We moeten dan beginnen met te stipuleren, dat hoort bij zo’n onderwerp. Onder gedachtebeelden kunnen wij verstaan: ontvangen beelden, d.w.z. voorstellingen – soms in woorden, soms ook zuiver visueel uitgedrukt – die invloeden van buitenaf in ons tot oen kenbaar geheel maken. We kunnen er echter ook onder verstaan: In onszelf ontstane voorstellingen – uitgedrukt in woorden, in symbolen of weer in visuele voorstellingen – die wij gebruiken en die in en rond ons aanwezige kracht naar buiten te richten, al dan niet op een bepaald brandpunt.

Ik geloof, dat iedereen het met deze definitie eens kan zijn? Dan beginnen we maar eerst met de invloed van buitenaf. Wanneer een mens in zekere mate receptief is, zal hij van buitenaf duizenderlei invloeden ondergaan, die hij niet bewust constateert. De ontvankelijkheid van die mens betekent ook, dat hij dus zintuiglijke waarnemingen doet, welke hij zich niet bewust realiseert. Wanneer dit alles tezamen komt in het eigen wezen, kan de invloed, uitgaande van de geest (bv. een kosmische kracht, plus een aantal niet bewust gedane waarnemingen in de stof), gezamenlijk een scherp omlijnd beeld geven. Dit scherp omlijnde beeld kan dan een fragment zijn van een toekomstig gebeuren of van een gelijktijdig op aarde plaatsvindende gebeurtenis, maar evengoed en zelfs waarschijnlijker een beeld van iets, dat gaat komen maar dat niet op die manier zal plaatsvinden, want je vertaalt met je eigen denken.

Elke invloed en vooral een geestelijke invloed, die van buitenaf komt, moet zodanig worden omgevormd, dat ze op stoffelijk, redelijk vlak begrijpelijk is. Wanneer ik u een aantal lichtimpulsen geef, dan staat u waarschijnlijk net zo verbluft te kijken als iemand, die nooit heeft gehoord van radar en van het eerste radarscheepje. Er moet dus een beeld zijn, dat begrijpelijk is en daarom wordt het weer omgezet in een aantal voorstellingen in het “ik”. We kunnen ze onderscheiden in demonen en lichtkrachten, d.w.z. al hetgeen voor mij niet aanvaardbaar is, alles waarvoor ik bang ben – ook als het in zichzelf goed kan zijn – al wat ik verwerpelijk acht – ook al is het op zichzelf misschien noodzakelijk en goed – zal voor mij de gestalte krijgen van een demon. Het is lelijk, het is somber, het wekt angst en spanning. Die spanning ligt dus niet noodzakelijkerwijze in de invloed, maar kan evengoed in mijzelf bestaan.

In de tweede plaats heb ik de lichtkracht. Alles, wat lichtend en goed voor mij is, zal ik als lichtend zien. Wanneer we dus aannemen, dat Joosje Pek op de wereld zou kunnen rondwandelen en hij zou iets verkondigen, dat een invloed zou betekenen, die u innerlijk volledig bevestigt, dan is hij voor u een lichtgolf, een lichtende gestalte; dan brengt hij vreugde met zich nee, een attractie en geen afstoting en angst. Ik hoop hiermee duidelijk te hebben gesteld, dat ons persoonlijk leven en denken van het allergrootst belang is, onder elke interpretatie van ontvangen gedachtebeelden afhankelijk is van onze persoonlijkheid. Ik mag hier misschien even afwijken van het eigenlijke onderwerp om te wijzen op de z.g. geestelijke inwijdingen.

Geestelijke inwijdingen kunnen soms plaatsvinden in de stof, dus in eenzaamheid, in overpeinzing, waardoor men op den duur wat men noemt hallucinaties krijgt. Maar ze kunnen ook plaatsvinden – en dat gebeurde vroeger veel meer – onder invloed van een soort hypnose. In een trance wordt het “ik” gestuurd op het pad dat noodzakelijk is om een zekere kennis te bereiken. En nu het eigenaardige: iedereen ontmoet op een dergelijk pad datgene, wat hij/zij vreest. Er is dus geen vaste reeks beproevingen, maar er is in feite een confrontatie met de angsten van het “ik”. En het zijn die angsten die doden; het is niet de invloed van de inwijding zelf. Die is en blijft, die is kennis. Het is een geven van inzicht. Maar voordat de mens dit kan aanvaarden, moet hij eerst zichzelf overwinnen; en daaruit ontstaan dan die beelden, waardoor de een door een slangenkuil gaat en de ander door een vuurzee, terwijl een derde zich door een berg heen moet graven en de vierde ergens balanceert over een smalle sabel boven de kloof der oneindigheid. U moet dit goed onthouden. Bij gedachtebeelden ben ik – voor zover dat het ontvangen betreft – altijd afhankelijk van mijn interpretatie, mijn denken en mijn oordeel. Wanneer ik liefde ontvang en ik kan die liefde in mij niet juist verdragen of zien, dan maak ik haar tot haat. Vind ik verstand en kan ik dat verstand niet verdragen, dan maak ik het tot een dwaasheid. Ik vertaal naar mijn eigen beeld. Is dat duidelijk? Dit is wel belangrijk.

Dan gaan we over naar punt 2, dat misschien in deze dagen zelfs belangrijker is: Het uitzenden van gedachtekracht en de gedachtebeelden, die daarvoor worden gebruikt. Ook hier wil ik weer zo eenvoudig mogelijk zijn. Wanneer u begint een gedachtekracht uit te zenden (dus uw gedachten op iemand te concentreren), dan kunt u dat nooit direct, doen. Ik kan niet zeggen: “Ik ga de wereld vrede geven,” indien ik geen beeld heb van iets, dat vrede is. Ik kan alleen aan de hand van een voorstelling, van een beeld mijn invloed in de buitenwereld kenbaar maken. Dit geldt zelfs voor het gewone stoffelijke gedrag. Een mens, die niet weet wat hij wil of die door allerhande angsten, voorbehoud en twijfelzucht niet komt tot actie, heeft geen werkelijke invloed op de wereld. Hij wordt wel door de wereld beïnvloed, hij maakt er ook deel van uit, maar hij heeft in die wereld niets te zeggen. Om iets te bereiken moet je een beeld hebben van wat je gaat doen, wat je wilt doen, maar ook van het doel waarheen je streeft. Die dingen tezamen geven pas de praktische mogelijkheid om die wereld te beïnvloeden.

Dan komen we tot het vormen van een gedachtebeeld. Ik kan bij het vormen van een gedachtebeeld mijn eigen wezen niet ontkennen. Het is voor u dus niet mogelijk een werkelijk gedachtebeeld te vormen, bruikbaar om daardoor krachten uit te wisselen, dat afwijkt van uw persoonlijkheid, van uw wezen. Bent u lichtzinnig, dan kunt u nooit een ernstig gedachtebeeld scheppen, bijwijze van spreken. En bent u stoffelijk in uw denken en ervaren en speelt dat bij u een grote rol, dan zult u niet in staat zijn een zuiver geestelijk gedachtebeeld te ontwerpen. Het beeld zelf wordt dan opgebouwd uit de volgende factoren: In de eerste plaats, eigen ervaring plus eigen weten; dus ook wat je hebt geleerd. Deze n.l. geven het kader aan, de omlijning van het beeld. Ik kan mij niet iets voorstellen, dat geheel buiten mijn ervaring ligt en toch een volledig rapport verwerven met het heelal. In kan in de tweede plaats nooit iets in mijzelf produceren, waarvan ik niets weet, waarvan ik het bestaan misschien niet eens ken. Dus omraming door eigen kennis en ervaring. Eigen wilskracht, eigen begeren, eigen erkenning van hogere waarden geven verder gestalte aan het beeld. De gestalte van het gedachtebeeld wordt weer opgebouwd aan de hand van je eigen conclusie; want om een gedachtebeeld op te bouwen moet ik dus een conclusie trekken. Ik moet zeggen: Uit het vele, dat er bestaat, is dit voor mij de juiste weg; of: kan ik zo op de meest juiste wijze iets bereiken? Die beelden kunnen dan zonder meer worden uitgezonden.

Ik kan dus een gedachtebeeld opbouwen, dat ik gewoon in de wereld uitstuur. Wanneer ik een haat tegen iemand heb, kan ik dus een soort demon opbouwen; dat zal dan zwartmagisch zijn, maar het kan toch. Ik kan alle begrippen van haat en alle verwensingen bij elkaar voegen tot een voorstelling van hetgeen ik die ander zou willen aandoen. Dat wordt een persoonlijkheid. Mijn begeren, mijn idee, wordt een soort geweten van een demon, en mijn inhoud wordt tot een gestalte. Die gestalte behoef ik mezelf niet te realiseren. Dus wij kunnen a.h.w. de inhoud, het geweten en de motorische kracht van een demon vormen en dan bouwt deze harmonisch met deze inhoud zelf zijn gestalte. Dat kan soms onaangename gevolgen hebben. Want wanneer we een dergelijk gedachtebeeld projecteren, kan het wel eens tot ons terugkeren; en we zullen dan meestal niet in staat zijn het precies als onze eigen schepping te herkennen. We denken dat het een vreemde kracht, een vreemde demon is, die op ons afkomt. En het resultaat daarvan kunt u zich voorstellen: we raken in de ban van onze haat, onze begeerte en alles, wat wij dus naar anderen hebben willen uitzenden, valt op ons terug. Het zijn zeer eigenaardige gevolgen. Ik wil u een klein voorbeeld geven.

Iemand wil gelijktijdig een bepaalde mens goeddoen en een andere mens kwaad; dat kunt u zich voorstellen. Onze demon wordt een soort Janusfiguur; hij wil gelijktijdig de een beheersen en de ander vernietigen. Nu is een van die twee personen, waarop ik dus mijn gedachtekracht, mijn beeld op heb gericht, onaantastbaar. Dan komt die demon tot mij terug. Ik herken echter die demon niet voor wat hij is. Ik denk dat hij mij door een ander is gezonden, omdat hij het antwoord is van ergens uit de ruimte op de innerlijke onzekerheid, haat, achterdocht. Want de krachten die ik ter vernietiging gebruik, werken in mij door en gelijktijdig ook het goede, dat ik heb gewenst. Ik word onevenwichtig. Ik word op den duur door bepaalde ideeën geobsedeerd; ik verlies er mijn krachten in. En wat blijft er over? Heel vaak een magiër, die (want dit is eigenlijk een vorm van magie) aan zijn eigen schepping te gronde gaat. Dus u moet wel heel erg voorzichtig zijn, wanneer u een gedachtebeeld op een bepaalde persoon richt. Maar we kunnen een gedachtebeeld gelukkig ook alleen als lens gebruiken. En daarbij gaan we dan uit van een zekere soort abstractie. Ik kan me natuurlijk vrede of gezondheid voorstellen.

Dan kan ik me die voorstellen op zuiver symbolische manier (ik denk bv. aan een heel vredig landschap. Het ligt er natuurlijk aan in welke tijd je geboren bent, nietwaar? De een denkt zo aan het schilderstuk van het Angelus en de ander misschien eerder aan een dansende menigte of aan wapenstilstandsdag of zo iets). Je hebt dus dat beeld, dat zoveel persoonlijkheden omvat. Het bevat zoveel verschillende factoren, dat geen daarvan een bijzondere belangrijkheid kan verwerven. Dat wil zeggen, dat ik dus geen vorm schep, die ik uitzend maar door het beeld heb ik mijn eigen wezen geconcentreerd; en de in mij aanwezige kracht kan ik uitstralen. Die uitstraling kan nooit gericht zijn.

Op het ogenblik, dat ik ga richten, moet ik uit de menigte a.h.w. weer een bepaalde persoon nemen, maar dan moet ik ook weer een voorstelling opbouwen. De eerste conclusie, die dus ons onderwerp van vandaag wettigt, is deze: Uitzenden van gedachtekracht in het algemeen is veiliger dan het zenden van gedachtekracht aan een bepaald iemand. Het opbouwen van gedachtebeelden, die een algemeen doel hebben, kan voor het “ik” verheffend zijn en is niet gevaarlijk. Het opbouwen van beelden, die een persoonlijke bedoeling of angst weergeven en die we bv. tegen anderen richten, zijn echter voor ons zeer riskant, omdat ze altijd tot onszelf kunnen terugkeren. Dan heb ik hiermee een paar van de belangrijke aspecten behandeld, die dus algemeen zijn.

Nu moet u goed begrijpen, dat – wanneer ik te maken heb met wat men bv. noemt; “het witte licht” – dit witte licht geen stemming is: Er zijn mensen, die denken dat net een vredige stemming is of dat het een beeld van een bepaald iets weergeeft. Neen, dat is niet waar. Dit licht is: een grondstof; doodgewoon de grondstof, die wij met onze gedachten tot de juiste beelden kunnen vormen. Ons innerlijk leven, de manier waarop wij openstaan voor anderen, de manier waarop wij met anderen in contact zijn, de manier waarop wij God beleven en ons dat voorstellen, dit alles tezamen zijn de handen, waarmee wij kneden uit het licht.

Dat het licht goddelijk is, dat het levend is, daarover behoeven wij ons niet bekommeren; wij maken het niet. Je kunt per slot van rekening zeggen dat sneeuw water is. Maar als je een sneeuwpop maakt, gaat je dat wateraspect niets aan. Wel de kneedbaarheid, de vastheid, die je kunt bereiken en de manier, waarop je bet kunt vormen en eventueel door ijs en dooi. Zo gaat het ook met het witte licht. Wanneer ik in dit witte licht denk, dan heb ik een grondstof, die licht is, ontzettend licht. Het is, of ik iets maak, dat uit zichzelf al kan vliegen. Wanneer je uit normale gedachtestof een gewone vogel zou willen maken (dus een gedachtebeeld daarvan zou willen opbouwen; meestal is dat astrale materie), dan krijg je iets, dat misschien met moeite kan wieken, het kan wel vliegen. Zou ik uit het witte licht hetzelfde maken, dan is die vogel al als een leeuwerik naar de zon gestegen, voordat ik goed heb gekeken waar hij is. Dus een grotere intensiteit, grotere wezens echtheid en meer eigen vermogen.

Wanneer ik met normale gedachtekracht een beeld schep, dan is het mijn levenskracht, die de levensmogelijkheden geeft. Zo’n schil, zo’n schijnbeeld, dat ik opbouw, wordt door mijn persoonlijke aandacht, door mijn wil, door mijn levenskracht dus in staat gesteld zich als een levend wezen te gedragen. Maar de lichtende kracht is op zichzelf leven. Het witte licht is dus in het bijzonder, zelfs intenser, leven. Het is a.h.w. een hoogspanningsenergie van een bijzondere geestelijke geaardheid. En toch kan ik deze door een gedachtebeeld vormen. U zult begrijpen, dat ik nu dus te maken heb met een pop die ik vorm, maar die ik niet beheers. Het is niet mijn wil, mijn levenskracht, maar het is de essentie, waaruit ik mijn beeld bouw, dat daaraan inhoud en leven geeft. In deze dagen is dat buitengewoon belangrijk. Het is de tijd van het witte licht. Een tijd, waarin dus zeer belangrijke beslissingen kunnen vallen.

Op het ogenblik, dat u een beeld gaat opbouwen met bepaalde onaangename eigenschappen, zal dit zijn onaangename eigenschappen ook zonder uw wil en met een kracht, die misschien veel groter is dan uw eigen kracht, kunnen uitleven. Wanneer ik nu haat opbouw, dan is die haat zo intens, dat het lijkt, of ik een lucifer afstrijk en een heel pakhuis in brand steek. Wanneer ik liefde uitzend (onpersoonlijke liefde dus of bv. naastenliefde), dan kan datgene, wat ik heb misschien een grein zijn, maar de uitwerking in het geschapen gedachtebeeld is a.h.w een paar ton. Wanneer we dus over deze kersttijd en het witte licht dat neerdaalt horen spreken, dan moeten we goed begrijpen, dat dit witte licht nu niet betekent; vrede op aarde met vorst en sneeuw en ijs en een Christmas carol ergens voor de schoorsteen. Het betekent dat de gedachtebeelden, die de mensen in deze dagen vormen, bijzonder sterk en intens zullen zijn. Het betekent dat de werkingssfeer van de gedachtebeelden, die hij vormt, ver buiten het bereik liggen van zijn eigen mogelijkheid; dat zijn eigen vermogen aan totale geestkracht meermalen kan worden overtroffen door het gedachtebeeld, dat hij vormt.

Wanneer die gedachtebeelden nu onbeperkt zouden blijven bestaan, dan zouden we dus een soort Nemesis kunnen scheppen, een soort gerechte godin, die voortdurend rondgaat en krachtens de haar eens ingelegde eigenschappen een oordeel spreekt over een ieder, ook over degene die haar heeft geschapen. Maar dat is niet waar, want energie op zichzelf heeft geen vorm. Het witte licht is een vorm van goddelijke Energie, van goddelijke Kracht. Wanneer we dus daaraan een vorm geven, dan is de grens waarbinnen die energie wordt vervat, ons denken; en zolang de intensiteit van ons denken dus de vorm kan vasthouden, blijft die gestalte bestaan. Wij beheersen haar niet. Maar op het ogenblik dat onze invloed op die vorm ophoudt te bestaan, zal ze langzaam vervloeien en veranderen.

Het is als de sneeuwpop, die ontdooit: de contouren verzwakken en op den duur gaat het witte licht dus weer in zichzelf op; het wordt weer een met alle lichtende kracht. Als wij in deze kersttijd dan de nadruk leggen op de bezwaren die er zijn, op het negatieve, als wij erop wijzen wat je eigenlijk moet doen om een beetje te veranderen en als wij een heel klein tikje de draak steken met de zoete sentimentaliteit, die zoveel mensen hebben, dan heeft dat ook zin en reden. Want u schept uw gedachtebeeld.

Maar een gedachtebeeld in deze dagen, een gedachtekracht die wordt geproduceerd, waaraan vorm wordt gegeven, een kracht die dat witte licht, die leven de energie vorm en gestalte geeft, die mag niet vervreemd zijn van de wereld. Kijk eens, als u Jozef, Maria en het kerstkindje zou scheppen in dat witte licht, vrede op aarde, en u mediteert, dan kunnen er tien atoombommen ontploffen, naar in dat stalletje blijft, die sfeer wel. Jozef glimlacht verder, Maria blijft glimlachen tegen het Kindje, het Kindje kraait eens, maar daar hebben we niets aan! We hebben dan de kracht gebonden in een voorstelling, die niet actief is, die niet nuttig is. We mogen natuurlijk niet iets zwartmagisch kiezen; dat zou al heel erg gevaarlijk zijn. Maar we kunnen toch in ieder geval een gedachtebeeld kiezen, dat past in deze tijd.

Deze tijd is een tijd van strijd, of u dat beseft of niet. En wat er zo al is gebeurd in de laatste dagen ook in politiek opzicht is niet allemaal zo positief en zo mooi als het u wordt voorgesteld. Er is op het ogenblik juist in deze kersttijd op aarde een enorme prestigestrijd aan de gang. Die prestigestrijd is ook te begrijpen. Rusland moet zijn gezag behouden, Amerika moet een steeds groter gezag winnen, China is de enige, die niet bang is voor oorlog en dus beide anderen probeert te provoceren. Omdat deze drie machten zo tegenover elkaar staan en bij een eventuele wereldvernietiging China met zijn grote mensenreserve en zijn praktisch niet bestaande belangrijke industriële doelen voor een groot gedeelte vrij uit zou gaan, rekent China erop dat het dan de wereldmacht heeft. Dit spel wordt dus in deze dagen gespeeld; op de achtergrond. O, u zult er niets van merken in de kerstredevoeringen van de Koningin, of van anderen. Dit alles tezamen kan dus niet meer met een kerststalletje, met de zoetheid en de liefelijke marsepeinen glimlach van een illusie worden bestreden. Binden wij het witte licht in een dergelijke op zichzelf onvruchtbare voorstelling, die in deze tijd niet werkelijk leeft, dan gaat er veel teloor.

En daarom moeten we een gedachtebeeld scheppen, een voorstelling, die actief is. En een actieve voorstelling in deze tijd vergt, dat de mens zich zijn tekortkomingen realiseert. Hij mag niet uitgaan van het idee dat alles goed is als hij nu maar goed denkt. Hij moet zeggen: Wat is de praktijk? Wat is a.h.w. de inwijdingsgang, die ik doormaak? Wat zijn de gebreken van de wereld rond mij? Al deze details vaak onbewust opgenomen kunnen ertoe bijdragen een juist gedachtebeeld te geven. Want wanneer men zich verzet tegen wat wij in een redevoering zeggen, dan zal dat verzet ook op alle soortgelijke factoren in de wereld. Zo bouw je dus eigenlijk een denkbeeld op. Je vormt het denken van de mens; en de mens zal daar tegenover zijn positivisme zetten. Maar dat is niet meer een vredig positivisme, dat is niet: O, wat zitten we hier te zingen; Stille Nacht, Heilige Nacht;. en: O, wat liggen de herdertjes vredig bij nachte. Dat wordt een kwestie van: Wat is er dan allemaal zo verkeerd in de wereld? Waarom val je dit aan? Ik weet wat goed is: ik weet wat heilig is en ik zal het bewijzen. En dan hebben we een strijdbare figuur; en dat hebben we nodig. Denkbeelden, die alleen naar heerlijk rustig wegkabbelen, hebben niets met de werkelijkheid gemeen.

Maar denkbeelden, gedachtebeelden vooral, die wij kunnen opbouwen, positief, d.w.z met het doel de mensheid en het “ik” te dienen, die lichtende kracht bezitten en gelijktijdig met volle intensiteit zich verzetten tegen onevenwichtigheden, dat zijn dingen, die een minister de mond kan snoeren op het ogenblik dat hij iets gevaarlijks zegt; die een mens, die met haat in zijn hart loopt, ineens een bloempot op het hoofd gooien, zodat hij zijn moordplannen niet kan uitvoeren. Het is een beetje overdreven en wat simpel, maar het is om u slechts een beeld te geven van die kracht, zoals ze is. Uit het prikkelen van de mens tot positivisme kan dus een beeld voortkomen, waarin hij zich heeft verzet tegen de schijnbare negativismen. Het resultaat van die geprikkeldheid is, dat hij iets opbouwt , dat positief is, dat actief is en dat zijn gedachtebeeld wordt; bv. een voorstelling van een gerechte Godheid (niet alleen van een zoetelijke Godheid); dus een kracht, die evenwicht herstelt; of wanneer de mens zover is gevorderd dat hij meer algemeen denkt, dus naar de wereld toe denkt. Niet de uitstraling van een kracht die zegt: “Het is zo goed om alleen maar te leven”, maar een kracht, die de onevenwichtigheden van het leven aanpast, die niet slechts vrede brengt, maar ook onvrede bestrijdt. Dat kunnen wij uit het lichte, dat ons op het ogenblik uit hogere sferen bereikt, vormen.

Nu begrijpt u misschien ook, waarom we de laatste maanden onze stijl hier en daar een klein beetje hebben gewijzigd en voortdurend hebben gezocht niet slechts naar een waarde van verrukking (wat dat betreft is het gemakkelijk genoeg, verrukking kun je de mens gemakkelijk genoeg brengen), maar naar een zekere onrust, eigenlijk naar een zekere onvrede. Want uit onvrede komt het positivisme voort, mits er een concept is van vrede. Uit het niet bereiken, uit de frustratie komt het scheppen voort van hetgeen de frustratie niet slechts opheft, maar verder onmogelijk kan maken.

Dat zijn de feiten in de wereld op het ogenblik, u zult het met mij eens zijn, dat de mens altijd weer positieve dingen moet bereiken en niet alleen maar denken. Als we nu eens teruggaan naar een gedachtebeeld, een denkbeeld, dan zijn we al zo gauw geneigd om ons een voorstelling van iets te maken; en die voorstelling is dan helemaal aangepast aan wat wij netjes vinden. Meneer de baron zal zich in zijn denkbeelden een wereld voorstellen van mensen, die ook zeggen: “Verdorie, kerel, zeg hoe gaat het met je?” Want dat is zijn idee van beschaving, en zijn vrede zal misschien liggen op de renbaan of in het sociale werk. Hebben wij iets aan denkbeelden, die uw eigen wezen zo sterk bevestigen in zijn uiterlijke vormen? U zult het met me eens zijn, naar ik hoop; dat de bestaande opvattingen allemaal onevenwichtig zijn. Alle voorstellingen zelfs van goed en kwaad, van fatsoen en onfatsoen, van aangenaam en onaangenaam op deze wereld zijn zodanig gerelativeerd, dat elk denkbeeld daarin eerder een wereldondergang dan een bewustwording betekent.

Wij moeten naar een nieuwe, naar een vrije wijze van denken. Een vrije wijze van denken kan nooit bestaan, als de mens bang is om zich bepaalde dingen te realiseren. Laten we zeggen, dat u vegetariër bent en dat u ineens trek krijgt in een biefstuk. Wanneer u dat voor uzelf niet toegeeft, dan krijgt u een vervalste gedachtewereld. De denkbeelden, die u uitzendt, zullen een voor u onbekende inhoud hebben. De denkbeelden, die u opbouwt en van waaruit u toch eigenlijk de wereld wilt gaan besturen, hebben een dubbele bodem. Dan ziet u eruit als de goochelaar, die een goudvis tevoorschijn wilde toveren en per ongeluk het verkeerde laatje te pakken had; hij stond met twee konijnen in zijn handen. De man deed, alsof het zo hoorde, maar in feite voelde hij zich als een politicus, die zegt: “Ik heb altijd wel gezegd, dat het zo zou gaan.” U vindt het niet leuk om het zo te zeggen.

Neen, u heeft gelijk. Het klinkt niet serieus. Maar laat ik u dan wat anders als voorbeeld geven. Eigendom is heilig bij sommige mensen. Bij anderen is het absoluut iets onheilig. Wanneer ik zeg; dat eigendom heilig is en ik wil iedereen zijn eigendom geven (ik straal dit beeld uit), dan verbreek ik de werkelijke samenhangen, die er op de wereld bestaan. Ik stel steeds meer begrenzingen; en grenzen betekenen verdeeldheid, geïsoleerd zijn en daardoor op den duur ook onvermijdelijk neer strijd, meer geweld en meer ellende. Ik kan ook alle bezit willen afschaffen, maar daardoor isoleer ik de mensen ook en nu in bezitloosheid. Dus zou ik daar ofwel onderdrukking door een topklasse dan wel een voortdurende strijd om toch weer wat bezit te krijgen veroorzaken. Maar erken ik het gematigde bezit en kan ik dan ook ten volle aannemen, zelfs wanneer het tot zijn eigen schade ergens bestaat, dan zal ik daardoor een evenwicht scheppen tussen de te grote bezitszucht van de ene groepering en de te anarchistische drang bij een andere. Ik breng ze tot elkaar.

Ons doel, wanneer wij een gedachtebeeld opbouwen in deze dagen, als wij de wereld in haar werkelijke gedaante gaan zien, is toch in de eerste plaats evenwicht te scheppen. Geen extreme idealen, die zijn onmogelijk, maar evenwicht. Evenwicht in onze denkbeelden. Evenwicht in de gedachtekracht, die wij uitstralen, is noodzakelijk. Alleen daaruit kan een wereld ontstaan, die op den duur want ze behoudt toch wel haar eigen onevenwichtigheden in het kleine de delen vindt tot de grote bereiking. Dat betekent, dat die denkbeelden, dat de kracht der gedachte, voor zover die van ons uitgaat, voortdurend bewust gericht moet zijn.

Wij mogen wel degelijk onze kracht richten op wat men misschien zou kunnen noemen; het perfecte compromis, het opheffen van strijdwaarden, die vernietigend kunnen zijn. Er blijven in ons altijd voldoende kleine strijdwaarden over, waarmee je moet afrekenen, zodat die wereld toch haar strijdkracht behoudt. Maar de grote, de felle tegenstellingen, de absolute eenzijdigheid van deze wereld moet gebroken worden. Dat kunnen we alleen doen door onze eigen denkbeelden, onze eigen gedachtekracht daaraan aan te passen.

Ik ga zo langzamerhand dit onderwerp besluiten, maar wil toch nog even de nadruk leggen op persoonlijke gedachtebeelden. U denkt aan een bepaalde mens; u stelt zich die mens voor. Op een gegeven ogenblik spreekt u tot die voorstelling en de voorstelling geeft antwoord. Dat is iets, dat meer voorkomt dan u zou denken. Het is een soort droomtechniek, waarvan de mensen niet beseffen dat ze een bepaalde werkelijkheidswaarde heeft. Nu krijgen we dit: Wanneer het beeld, dat ik mij heb opgebouwd, redelijk juist is, zal het antwoord dat ik krijg ook redelijk juist zijn; d.w.z. dat de tendens daarvan overeenstemt met de feitelijke toestand. Maar nu ga ik daaraan altijd weer mijn eigen woorden opdringen. Ik ga dus dit gedachtebeeld a.h.w. vervormen. Laat ons zeggen: jongen denkt aan meisje of meisje denkt aan jongen. “Houd je van me?” Het antwoord van het beeld is: “Ja, ik houd van je.” Daar zit ergens een achtergrond, er is genegenheid. Maar nu zegt de ontvanger of ontvangster: “Zal ik je morgen ontmoeten?” Het antwoord is: “Ja.” Maar dit “ja” is niet voldoende. “Ja, morgenvroeg om 9 uur zal ik je zien op de hoek bij de lantaarn. “Kom.” Hier is de eigen wens een nadere specificatie geworden van de bevestigende invloed, die inderdaad kon worden ontvangen. Het “ja” geldt; men zal elkaar inderdaad ontmoeten. En bepaalde details kunnen misschien toevallig kloppen; maar dat de tijd en de plaats helemaal kloppen, is haast onmogelijk. Ik ga dus uit mijzelf antwoorden geven, die mijn verlangen omschrijven en niet de werkelijke reactie van de ander. Daardoor vervals je dus, heel vaak het persoonlijk gedachtebeeld.

Op dezelfde manier ben je geneigd om met je gedachten tot iemand te spreken of te roepen. Je krijgt antwoord. Dat is misschien een heel eigenaardig verschijnsel voor degenen, die daarmee nooit bezig zijn geweest, maar het is toch heus waar. Als u het probeert, zult u het wel merken. Er komt een ogenblik, dat je ergens antwoord krijgt. Je vraagt je af, of je met jezelf spreekt. Het gedachtebeeld omvat dan inderdaad waarden van u en van de persoon of de groep of de plaats, waarmee u zich in dat gedachtebeeld, verbindt. Uw eigen interpretatie ervan is echter meestal niet de werkelijkheid. Ik mag dat misschien ook wel even nadrukkelijk vaststellen.

We hebben dat niet alleen met mensen, die onderling contact zouden willen opnemen, we hebben het ook met het contact, dat men wil opnemen bv. met een Meester of met Jezus. Dan denk je, dat je het antwoord van Jezus hoort. Neen, je hoort jezelf. Je denkt, dat je het antwoord van een Meester hoort (de tendens is er), maar wanneer de Meester zegt (ik geef dus een onvolmaakt voorbeeld): “Wees matig en beheerst,” dan zal de mens daarvan maken: “Wees matig met drinken, want je drinkt teveel en beheers je driften, want je bent veel te driftig.” Dat heeft de Meester helemaal niet gezegd, dat maak je ervan. De mens zal in een dergelijk gedachtecontact, dat dus op denkbeelden, op gedachtebeelden berust, heel vaak zijn eigen ideeën gebruiken om te definiëren wat hij van de andere kant opvangt. Ik wil u erop wijzen, dat u zich dat ook in deze dagen heel goed bewust moet zijn. Want u bent geneigd uit te kijken naar een geestelijke Meester en een antwoord te krijgen, dat in de details precies beantwoordt aan uw schuldgevoelens, uw begeerten of uw overtuiging. De algemene tendens ervan zal juist zijn; maar de manier, waarop u het zelf uit elkaar hebt gerafeld, maakt het gevaarlijk om teveel op die details te vertrouwen. Op dezelfde wijze gaat het, wanneer u via gedachtebeelden iets uitzendt naar een ander. De algemene tendens kunt u overbrengen, maar de details, waarmee u probeert te werken, zijn onbetrouwbaar. U kunt deze niet gemakkelijk of goed overbrengen.

Onthoudt u dit goed, wanneer u in komende periode misschien gedachtecontacten legt met andere personen of wat ook mogelijk is misschien ergens een contact krijgt met hogere waarden, want dit ligt in deze tijd voor de hand. Wit licht geeft een enorme kracht. De geest zou dus contact kunnen opnemen. De details zijn nooit betrouwbaar. Let alleen op de hoofdtendens, de hoofdzaak a.h.w. Wanneer men zegt: “Ik zal u ontmoeten,” dan kan dat juist zijn. De stipulatie van de ontmoeting in plaats, in ruimte, in kleding enz. is altijd dubieus. Onthoud dat goed! Want alleen op die manier zult u in staat zijn deze denkbeelden te gebruiken en te ontvangen, zonder dat er teveel van verloren gaat.

En dan heb ik hiermee gesproken over gedachtekracht en niet alleen over gedachtebeelden. Ik ben dus eigenlijk schuldig afgeweken van de directe opzet van het onderwerp. Maar ik hoop daarmee tevens de gelegenheid te hebben gehad u het een en ander duidelijk te maken omtrent deze tijd, de kracht van deze tijd en de mogelijkheden van deze dagen. Ik kan niets anders wensen, dan dat u in staat zult zijn voor uzelf de juiste denkbeelden te vinden en ze in toepassing te brengen; dat u in staat zult zijn aan de juiste geestelijke krachten vorm en gestalte te geven; dat u in staat zult zijn om alle kracht, die rond u is ook voor uzelf te maken tot een kracht van vreugde, van evenwichtigheid, van licht.

Als u iets te vragen hebt over het onderwerp, kunt u het nu even doen.

Hoe doen we dat: de krachten. die om je heen zijn inderdaad opvangen en op de juiste wijze interpreteren?

Door de interpretatie van hetgeen in u ontstaat. Dus niet zeggen: “Nu ga ik eens lekker opvangen,” naar door datgene wat in u ontstaat nimmer te beschouwen in de details, naar altijd in zijn hoofdtendens. Wanneer er staat “vrede”, begrijp dan dat dit “vrede” algemeen is en dat het niet betekent dat u zich met de ruzies bij de buren moet gaan bemoeien, ook al zou u zelf die interpretatie eraan geven, en al lijkt het, of die kracht u daartoe stimuleert.

Algemeenheid dus in de eerste plaats.

In de tweede plaats: Leef gewoon, zoals u doet. Mediteer een keer, bidt een keer; precies zoals u gewend bent. Doe desnoods lichamelijk werk dat kan in sommige gevallen ook daartoe voeren. En wanneer er in u dit gevoel van contact ontstaat, wanneer deze vreemde spanning over u ligt, laat u er niet door opzwepen. Gebruik het niet om er iets bijzonders mee te doen, maar stel uzelf in op ‘t belangrijkste in deze dagen: evenwichtigheid, vrede. Zonder dat u daarbij verder enige wet, enige regel of enig vooropgezet kader erkent.

Zie dan wat het in u wordt en verwerkelijk het volgens uw eigen wezen; maar vooral, schep een beeld, waarbij u niemand uitzondert. Dat is heel belangrijk, dus een algemeen omvattend beeld. Dan zult u vanzelf zien, dat het ontvangende in u zekere reacties wekt. En daardoor gaat u dan weer een denkbeeld, een gedachtebeeld opbouwen en zult u haast automatisch ook gaan uitzenden. Is dit voldoende? Nu, dan zullen we er verder het beste van hopen. We zullen voor de gelegenheid sluiten met een meditatie

DAT WEET U ZELF HET BEST

Wanneer je onvermogend bent en dat op het ogenblik in jezelf erkent, of wanneer je je eigen mogelijkheden wantrouwt, dan heb je de neiging te zeggen: “Dat weet u zelf het best.” Wanneer je bidt en je hebt geen beeld van hetgeen je in de wereld werkelijk begeert of je durft het niet toe te geven, dan richt je je tot God en je zegt: “God, geef me alsjeblief ……. nu dat weet u zelf het best. En als we niet zeker zijn wat we in een winkel willen kopen, dan zeggen we: “Ik heb iets nodig voor een vrouw van 20, 40, 80 jaar, met een bepaalde smaak. Neemt u maar wat, u weet zelf het best, wat daarbij past.” We ontvluchten daarmee eigenlijk aan een zekere eis, die ons wordt gesteld, een zekere aansprakelijkheid. Want ik heb mijn levenstaak. Ik heb mijn mogelijkheden. In mij leeft een bepaalde drang, een bepaalde kennis en een bepaald geweten. Ik heb mijn eigen plaats in de schepping. En alles wat behoort tot die plaats en tot die taak, alles wat de uiting. is van mijn wezen, dat is mijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Ik ben ervoor verantwoordelijk, dat ik mijzelf ben. En op het ogenblik dat ik dit “ik”, dit innerlijk zijn ontwijk door een beroep te doen op de grotere kennis of mogelijkheden van een ander, elke keer als ik, zonder dat dit absoluut noodzakelijk is, kan zeggen: “Heer, Uw wil geschiede,” of; “U weet het zelf het best,” heb ik dus de aansprakelijkheid, die ik tegenover mijzelf had, terzijde gesteld. Ik heb gefaald tegenover mijzelf. Er viel zo even het woord verantwoordelijkheid. Verantwoordelijk ben ik voor alles wat ik doe; aansprakelijk ben ik voor dat, wat ik ben,, En dat vergeten de mensen. Zeggen: “Heer, Uw wil geschiede,” kan het resultaat zijn van een groot conflict tussen wat je erkent als noodzakelijk en dat wat je voor jezelf nog dragelijk acht. In een dergelijk conflict, erkennen de noodzaak en de weg gaande , die onze persoonlijkheid ons dicteert (die dus behoort tot onze taak, tot onze plaats in het Al), kunnen wij wel zeggen, als het ons onmogelijk en te zwaar lijkt: “God, laat deze beker aan mij voorbij gaan. Uw wil geschiede Maar als het nu niet noodzakelijk is, bespaar me dit.” Dan mag dat. Dan mogen we zeggen: “Ach, ik weet het, dat, en dat is noodzakelijk, maar misschien is er een uitweg. Als het mogelijk is, toon me die uitweg. Ach, U weet het zelf het best.” Dan mogen we dat zeggen, maar in geen enkel ander geval, want met dit verwerpen van de verantwoordelijkheid, het overdragen van onze aansprakelijkheid, het terugkaatsen van het balletje van het leven steeds maar weer, kunnen we niet ontvluchten aan de werkelijkheid. We denken dat te doen, maar we doen het niet waarlijk. Want wat ons betreft, is het leven altijd als een grote cirkel, een bol waar in wij leven. En alles, wat wij van ons werpen (ook de aansprakelijkheden die we afwerpen en ook de verantwoordelijkheid die we ontvluchten) kaatst tot ons terug, fel en vaak onder een onverwachte hoek, gevaarlijker dan op het ogenblik dat we ze van ons sturen. Wat wij van ons werpen, keert tot ons terug, laat ons dat niet vergeten. Dat geldt voor onze gevoelens, dat geldt voor onze emoties, onze krachten, dat geldt voor onze gedachten en wensen. Dat geldt voor ons geestelijk streven en ons stoffelijk bestaan. Wat wij uitwerpen, krijgen we terug, niet meer en niet minder. En daarom moeten wij begrijpen, dat het beter is wanneer belangrijke punten in het leven ter sprake komen te zeggen; “Zo kies ik. Dit zie ik als juist. Indien het niet zo is, Heer, Uw wil geschiede. Maar dit is mijn weg, dit is mijn leven, dit zie ik als mijn taak en mijn plaats in het Al en daarom moet ik dat volbrengen.” En wanneer het dan niet goed is, laat God dat dan voor ons corrigeren. Maar wij moeten uitgaan van ons wezen. Wij moeten niet zeggen: “Ach, doet U het maar”; of: “U weet het beter”; of: “Ik onderwerp mij aan Uw beslissing.” Wij moeten zeggen: “Ik voor mij erken dit als juist. Zo leef ik, zo werk ik, zo ervaar ik, en dan gooi ik al die bijkomstigheden opzij.” Vraag niet, wat er staat geschreven in de wet. Vraag niet wat er staat geschreven in de Geboden. Vraag niet, wat er staat geschreven in de gedachten van de mensen, naar de openbare opinie enz. Vraag jezelf af: Wat staat er in mij geschreven? Wat is mijn taak? Wat zie ik als juist? Wat komt er in mij op? Neem er de tijd voor om je dat te realiseren en zeg: Dat is mijn weg. Soms een moeilijke weg, en dan zeg ik: “Heer, als het kan, dat deze keer de beker aan mij voorbij ga. Neem het deze keer van me af. ik kan het haast niet dragen.” Maar we gaan verder. Want in deze dagen. zoals in alle tijden, is de bewuste vaak degene, die de grootste last moet dragen; is de ingewijde gelijktijdig de gehangene. Men beseft dat nooit. Men vergeet altijd weer, waarom die symbolen bestaan. Hoe meer je je bewust wordt van je wezen, hoe meer je aan je verantwoordelijkheid gebonden bent. Hoe meer je gebonden bent aan je besef en je taak, hoe moeilijker het zal worden om te zeggen: “Beslist Gij, Uw wil geschiede. U weet het beter.” En dan beseffen we: Wij leven. God is de oneindigheid, waaruit wij leven, maar wij leven, Wij moeten leven zoals we voelen, dat het goed is. We moeten leven volgens de kosmische taak, die we in ons beseffen. We moeten vervullen wat we in het verleden hebben voortgebracht, of het prettig is of niet. Wij moeten consequent verdergaan, opdat wij het begrip der Oneindigheid in ons eens volledig kunnen verwezenlijken. En daarbij zullen we gesteund en soms gecorrigeerd worden door God. We zullen geholpen worden door wijzen en we zullen soms steun ontvangen waar onze krachten tekortschieten. Maar zeker is het, dat wij verantwoordelijk zijn. Want ons leven is onze aansprakelijkheid tegenover het Al. En het juist leven van dit leven is onze aansprakelijkheid t.o.v. onszelf. Laat ons deze dingen niet ontvluchten, maar laat ons juist in deze tijd van licht erkennen, dat de grootste Meesters steeds weer hebben gezegd: “Dit is juist. Deze weg ga ik” En zelfs wanneer hij haast niet te gaan leek, hebben ze uitgeroepen: “Indien het Uw wil is, Heer, laat deze beker mij voorbij gaan.” Want de bewuste gaat de weg, die is zijn bestemming in de eeuwigheid.