Het hedendaagse geloof in de goddelijke macht

image_pdf

22 september 1961

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk daarom zelf na en trek uit het gesprokene zelf uw conclusie. Mijn onderwerp van heden is: Het hedendaagse geloof in de goddelijke macht.

De moderne mens gelooft veelal niet meer werkelijk in God. God is voor hem eerder een onwerkelijke persoonlijkheid geworden, waardoor het hem mogelijk is verantwoordelijkheden af te schuiven en bepaalde spanningen af te reageren. Er zijn in de moderne wereld maar zeer weinige, die God als een werkelijkheid in zich gevoelen. Gelukkig neemt het zoeken naar God en het streven naar een beleven van God als werkelijkheid op het ogenblik weer toe. Ook het overdenken van de mogelijkheden om een innig en voor het Ik reëel contact met God te verwerven, is steeds groeiende. De resultaten, die op dit terrein langs vele wegen bereikt kunnen worden, zouden dan ook in de komende jaren aanmerkelijk hoger kunnen liggen, dan in de afgelopen periode het geval was.

Men zou kunnen stellen, dat de exoterische begrippen, die op het ogenblik omtrent het Goddelijke gangbaar zijn, in feite alleen woorden zijn, die grotendeels hun werkelijke betekenis reeds lang verloren hebben. De verhouding van mens tot God is er langzaamaan een geworden, waarbij de mens zijn toevlucht tot God alleen pleegt te nemen, wanneer hij werkelijk geen andere uitweg meer ziet. Zelfs dan doet hij dit nog niet in ware overgave en overtuiging, maar eerder uit een gevoel van: “Wie weet. Misschien helpt het wel”. Een persoonlijke realisatie van de werkelijkheid Gods, zowel in eigen wezen als in Zijn Schepping, komt minder en minder voor.

Er is een groot verschil tussen de godsdienstige beleving en de geloofsbelijdenis en een werkelijk contact met God. Zelfs de stellingen van het geloof, dat men aanvaardt, hebben hun ware zin en inhoud verloren.

De grootste behoefte van de moderne mens is wel zekerheid en geborgenheid. Het blijkt hem meer en meer, dat hij deze sociaal en economisch niet op voor hem bevredigende wijze zal kunnen bereiken. De mens kan niet vreugdig leven zonder deze zekerheid. Hij kan deze niet vinden in stellingen en theorieën, die voor hem worden opgesteld door anderen. Hij kan alleen vluchten in de mystiek, of in de esoterie. De zuiver rituele godsdiensten kunnen hem daarbij als hulpmiddel dienen, maar zijn niet in staat hem zonder eigen en innerlijk streven, direct contact met God, of zelfs maar een waar geloof – laat staan de fel begeerde zekerheid – te verschaffen.

Juist door dit falen van alle leringen en stellingen, is inkeer tot het ik in deze dagen wel de eerste noodzaak tot Godserkenning. Deze inkeer is bij een betrekkelijk klein percentage van de mensheid begonnen. Naarmate door ontevredenheid in de wereld het persoonlijk conflict met de uiterlijke wereld toeneemt, zal ook het uit levensnoodzaak zich tot het innerlijk ik keren, toenemen.

De moderne mens zal zijn God meer en meer gaan beleven als iets ongrijpbaars, iets, dat zich in hem eerder kenbaar maakt als een warmte, een gloed, een Licht, dan een direct kenbare persoonlijkheid. Hij zal die God ook niet meer gaan zien als een Rechter en Wetgever. God geeft immers geen directe wetten, die in menselijke woorden uitgedrukt kunnen worden en waaraan men allerhande juridische kunstjes kan verbinden, die men kan ontduiken, afkopen enz. Ook zal de mens meer en meer in strijd komen met de stelling, dat hij eerst na de dood en dan voor eens en altijd geoordeeld zal worden. In zich zal hij erkennen, dat God direct is in Zijn oordeel.

Indien God zegt: “Gij zult niet stelen”, dan wil dit zeggen, dat men werkelijk geheel niets van een ander tegen diens wil mag nemen, noch door pressie noch door het opleggingen van verplichtingen die niet uit een onderlinge overeenkomst voortvloeien, noch op een andere wijze.

Het nemen van een te grote winst bij handel, zal – volgens het innerlijk weten – evenzeer stelen zijn, als het afpersen van gelden, het onrechtmatig heffen van belastingen enz.

Velen interpreteren nu nog de zedenwetten, die zij als Goddelijke wetten beschouwen, volgens de stoffelijke inzichten en wensen, waarbij de maatschappelijke verhoudingen een aardig woordje meespreken. De moderne mens zal meer en meer gaan beseffen, dat een dergelijke wetgeving onmogelijk van de Schepper werkelijk afkomstig kan zijn. In de plaats van alle wetten en gebruiken, die tot op heden golden, zal hij meer en meer aandacht gaan geven aan het innerlijk gevoel van goed en kwaad. Dit vraagt een hoger moreel inzicht, dan het alleen volgen van uiterlijke wetten. Dit is waar, maar de moderne mens zal – krachtens zijn innerlijke behoeften – ontdekken, dat alleen door te leven volgens de innerlijke wet, vrede en geluk blijvend verworven kunnen worden.

Steeds meer zal God m.i. voor de mens ook tot een innerlijke krachtbron worden, waaruit hij tevens een oordeel geveld ziet over eigen leven en verhoudingen, in gevolgen zowel als bereikingen. Het is aan te nemen, dat de moderne mens zich steeds minder aan de stellingen van anderen zal gaan storen. Het kan dus voorkomen, dat, volgens zijn besef, belasting diefstal is. In dat geval zal hij door deze innerlijke kracht a.h.w. verplicht zijn zo te leven, dat hij zich aan het betalen daarvan kan onttrekken, ongeacht de gevolgen, die dit voor hem kan hebben.

Uit deze gevolgen kan hij, onder meer door het al dan niet groeien van innerlijke vrede en kracht, constateren, of de stelling, die hij aanvoelde, al dan niet juist is. Wanneer er hierdoor buiten hem om conflicten ontstaan, die hem zijn innerlijke vrede beroven, zal hij immers zijn God zoeken en aan de hand van zijn ervaringen zijn oorspronkelijke stelling aanvullen, verbeteren en veranderen.

Op het ogenblik, dat God voor de mens niet meer een in bepaalde, dogma’s en theorema’s vastgesteld vreemd en ver Wezen is, maar een direct deel van eigen belevingen is, zal men God veel dichter bij zich weten. Hoe intenser men zich aan die God kan overgeven, hoe sterker deze God ontvangen zal worden. Het gevolg zal waarschijnlijk zijn, dat op den duur een coöperatieve gemeenschap ontstaat, die in haar wezen anarchistisch is, doch door het innerlijk Godsbeleven een voldoende basis vindt voor alle noodzakelijke samenwerking en maatschappelijke vorming.

Want door het innerlijk beleven van een God, Die niet meer aan bepalingen, voorstellingen, of beperkingen is gebonden, vindt men voor zich een steeds juister wijze van leven en oriënteert men zich steeds juister en eenvoudiger in eigen wereld. Dat men vooral in het begin van die ontwikkeling vaak lijnrecht in zal gaan, tegen wat men zegt, meent, of goed acht, is van minder belang. Want men heeft in zich voldoende kracht en bewustzijn om op de juiste wijze – rekening houdende met alle kosmische wetten en daardoor in zekere harmonie met de verdere Schepping – zijn innerlijk beleven tot uiting te brengen.

De houding van een mens, die zijn God op het ogenblik reeds innerlijk zo kent en ontmoet, zal in vele gevallen afwachtend zijn. Het is, alsof deze mens zich voorbereidt op een taak, maar nog niet precies weet, wat hij moet beginnen. In vele gevallen houdt hij zich wat meer op een afstand van de gemeenschap en haar wijze van denken en leven, dan op het eerste gezicht verstandig lijkt. Hij weet echter in zich, dat er een ogenblik zal komen, dat zijn leven zin krijgt.

Misschien kan men het beste een vergelijk maken met een contact, dat om wordt gedraaid.

Opeens en zonder verdere inleidingen beseft de mens, die innerlijk zijn God beleeft, wat zijn weg, taak en betekenis voor de wereld is. Zelfs wanneer men nog niet weet, hoe dit alles zal gaan, zelfs al droomt men daarover misschien op een geheel verkeerde wijze, wanneer het ogenblik van innerlijke verlichting is aangebroken, zal de mens precies weten, waar hij moet gaan en wat hij moet doen. Voor een buitenstaander zal dit alles wel eens onbegrijpelijk zijn, maar wie enigszins zijn God in zich heeft mogen aanvoelen, weet, dat in elk menselijk wezen alle kosmische wetten en mogelijkheden geheel aanwezig zijn.

Voor de orthodoxe gelovigen is dit alles niet helemaal aanvaardbaar. Maar de mens, die alle eigenschappen, die vanuit het Goddelijke in hem aanwezig zijn, tot uiting brengt, doet in feite wonderen en mirakelen geschieden. Menselijk bewustzijn en menselijke wilskracht – in feite een zeer sterk begeren – kunnen door het gevoel van eenheid met het Goddelijke zo sterk in de wereld worden geuit, dat zij sterker zijn dan alle andere stromingen en werkingen. Dientengevolge kan de mens optreden als heerser, zowel over haast alle krachten in de natuur, als over het merendeel der krachten in de minder bewuste mens. Streven naar een dergelijk innerlijk beleven, zoeken naar een persoonlijk Godsbeleven, is de enige oplossing in deze dagen. De moderne mens heeft slechts de keuze tot een langzaam ondergaan in een steeds meer tot starheid neigend materialisme – om later zijn weg onder grote moeilijkheden voort te zetten – dan wel de innerlijke wereld te verheffen boven alle verschijnselen van zijn stoffelijke wereld en bepalend te achten voor het geheel van zijn daden in de stof en geest. Het lijkt mij dan ook zeker, dat steeds meer mensen tot deze wijze van Godsaanvaarding en Godsbeleving zullen komen.

God is liefde. Liefde betekent niet, dat de mensheid gebed wordt op een satijnen kussen en gevoerd wordt met marsepein, en gespaard voor alle gevolgen van zijn eigen fouten.

God is liefde, maar dit betekent niet, dat er geen lijden, strijden of werken meer noodzakelijk is. Het betekent niet, dat hij mensen, dieren en planten nu een leven geeft, dat alleen vreugde bevat.

Veel is onbegrijpelijk vanuit menselijk standpunt, doch noodzakelijk voor de ontwikkeling van geest en stof. De mens, die in zich zijn God vindt, ontdekt, dat deze inderdaad liefde is, ook al zal lijden en strijden daardoor nog niet opgeheven worden. Door het aanvoelen van de Goddelijke liefde vindt men de ware eenheid en harmonie, in de eerste plaats wel geestelijk.

Het gevolg van dit alles op aarde is een groeiend onderling begrip, een toenemen van samenwerking. Zo wordt God voor ons juist door zijn liefde een werkelijkheid, iets, wat ons steeds weer vreugde en bewustzijn geeft. De Goddelijke rechtvaardigheid – uitgedrukt in de kosmische wetten – ondergaan wij, ondanks onszelf. De Goddelijke liefde kunnen wij zelfs in een toestand van zeer beperkt bewustzijn reeds beamen met geheel ons wezen.

Juist daarom meen ik – zonder dat er sprake is van een wegvallen van alle zorgen en leed – juist de Goddelijke liefde – innerlijk ervaren – voor de moderne mens de dragende factor zal worden van zijn contact met God, zijn Godsbeleven en zijn godsdienst.

Esoterie: De innerlijke en uiterlijke wereld

Om de juiste definitie van esoterie te vinden lijkt het mij goed de uiterlijke en innerlijke wereld met elkaar te vergelijken. De eerste vraag wordt: Is er tussen deze werelden een werkelijk verschil? Kan men innerlijk anders zijn dan in zijn uiterlijke betekenis voor anderen? Volgens mij is het verschil hoogstens gradueel, want alles, wat je innerlijk bent, komt op een gegeven ogenblik naar buiten. Zelfs indien men tracht zijn innerlijk ik te onderdrukken, komt er een ogenblik, dat een zo hoge spanning is opgebouwd, dat een uiting niet meer vermeden kan worden. Volgens mij is het onmogelijk een blijvend en werkelijk verschil tussen uiterlijke en innerlijke wereld vast te stellen. Zo er al een scheiding is, stamt deze naar mijn mening uit het menselijke denken. Aangezien het menselijke denken allesbehalve volmaakt is, kunnen wij wel aannemen, dat de voorstellingen, die men heeft omtrent de verschillen van uiterlijke in innerlijke wereld, ook niet volmaakt zijn. Deze vraagstelling is geen oplossing van het werkelijke vraagstuk.

Wij moeten ons dus nu gaan afvragen, wat dan wel het verschil tussen de innerlijke en de uiterlijke wereld is volgens de mens. In de eerste plaats reikt de innerlijke verder dan de uiterlijke wereld, stelt men. Is dit waar? Natuurlijk zal de huidige stoffelijke vorm op een bepaald ogenblik voor u niet meer bestaan. Maar is men in de stoffelijke vorm dan niet zichzelf? Is men stoffelijk iemand anders, dan men innerlijk is? Er is toch geen verschil in persoonlijkheid? De geest, waarover men bij het beschouwen van de innerlijke wereld zoveel spreekt, blijft niet alleen in de mens verborgen, maar leeft door de stof ook naar buiten toe. Van buitenuit zal er evenveel uw geest beïnvloeden als uw lichaam. De consequentie hiervan luidt: Elke voorstelling, die een scheiding tussen stof en geest inhoudt, beiden in gescheiden en afzonderlijke werelden plaatsende, stamt uit het menselijke denken. Hierdoor zal men de stoffelijke mogelijkheden niet voor het geestelijke doel en de geestelijke krachten niet voor een stoffelijk doel durven gebruiken, waardoor de mens in zijn mogelijkheden en beleving wel sterk wordt beperkt.

Bovendien zal deze denkwijze de werkelijkheid, waarin men leeft en werkt, vervalsen, omdat men bepaalde geestelijke werkingen in de stof niet – of niet geheel – kan aanvaarden.

Een ander argument voor een verschil berust op de stelling: God is in mij. Daarmee ben ik het geheel eens. Maar als God alleen in u zou leven, blijft het een grote vraag, waar dan de rest vandaan komt? Volgens mij houdt het feit, dat God in u is, terwijl uw wezen en bewustzijn beperkt zijn, tevens in, dat God buiten u moet bestaan. Menige esotericus zal bereid zijn mij zover te volgen, maar werpt dan de volgende stelling op: “Dit kan wel waar zijn, maar wij moeten streven naar de God in ons, want alleen Deze kunnen wij waarlijk bereiken en begrijpen”. Voor mij is dit niet voldoende. Want wanneer u iets in de wereld beleeft, verwerkt u daarvan niet het werkelijke beeld, maar slechts een beeld, waarin uw vermogens, begrip en visie een rol spelen. U kunt zelfs niet feitelijk vaststellen, wat er werkelijk buiten u gebeurt, of bestaat. Daarom vindt u een zanger/zangeres mooi, terwijl een hond van ellende zit te huilen door de vele schrille boventonen die hij hoort. Wie alle stralingen binnen de erkende lichtfrequenties zou kunnen waarnemen, zou een geheel andere wereld zien, dan u. Mijn antwoord is dus niet zo dwaas. Want wij beleven alleen de wereld, die wij in ons kunnen bevatten en zullen buiten ons alleen de God erkennen, die wij in onszelf ook kunnen beleven.

Het is wel gemakkelijker te stellen, dat ik mijn God enkel in mij kan bereiken en dus enkel innerlijk moet streven. Ik kan dan vele dingen buiten mij met een schouderophalen afdoen met een: “Het is natuurlijk onplezierig, dat de mensen zoveel lijden, maar ik kan daaraan toch niets doen, want in mijn innerlijke wereld erken ik dit niet…” Esoterie kan tot dergelijke stellingen voeren en is dan een werkelijk gevaar voor de bewustwording, zowel als voor het moreel van de mens. Menige esotericus meent – evenals Zarathustra – eerst de berg te moeten beklimmen en tot een Übermensch te moeten worden. Eerst dan, na lange eenzaamheid en ervaring, zo meent hij, kan ik afdalen tot de wereld om aan de arme onbewusten mijn Licht te brengen. Deze stelling lijkt mij niet geheel reëel. Dat kan alleen als juist worden aanvaard, wanneer ik aanneem, dat er een groot en haast onoverkomelijk verschil bestaat tussen de innerlijke en de uiterlijke mens. Mijn stelling is: Het exoterische en het esoterische kennen een grote overeenkomst. Mits wij dit beseffen, kunnen wij alle esoterische waarden op het ogenblik, dat zij beseft worden, ook exoterisch uitdrukken, terwijl alle van buiten komende waarden onmiddellijk kunnen worden omgezet in, of verwerkt, in een esoterisch erkennen.

Nu kunt u aan de hand van het gestelde nog menen, dat er sprake is van gescheiden werelden, die een grote wisselwerking kennen. Maar denkt een mens anders over zijn linkervoet dan over zijn rechtervoet? De voeten samen vormen de mogelijkheid tot gaan. Men kan deze moeilijk van elkaar scheiden. Zou men een been missen, dan dient men onmiddellijk een vervanging daarvoor te vinden. Lukt dit niet, dan is men hulpeloos. Ook zult u zich er niet mee bezighouden, dat uw linker- en uw rechteroog afzonderlijke organen zijn en elk een enigszins verschillend beeld geven. Tezamen vormen de ogen het zien. De innerlijke en de uiterlijke wereld vormen samen het leven. Zij kunnen niet van elkaar gescheiden beschouwd worden zonder de mens hulpeloos te maken en afhankelijk van anderen. Innerlijke en uiterlijke wereld tezamen vormen het ware zijn. Zodra de esoterie zich op het innerlijk alleen gaat concentreren, zonder daarbij aandacht te schenken aan de andere delen van het wezen, is zij dus onaanvaardbaar. Vaak gebruikt de esotericus fraaie symbolen en beelden. Hij stelt bv.: In mij is een wildernis, een jungle te vinden, die zeer gevaarlijk is. Maar kan ik door deze wildernis heendringen, dan vind ik de tempel, waarin mijn God woont… . Is de wereld buiten u dan zo goed, zo veilig? Het verschil is, naar ik meen, volgens de meeste mensen niet zo groot. Zoals buiten u spanningen en gevaren bestaan, zoals u uiterlijk fouten kunt maken, zo zal het ook in u zijn.

Verder meen ik, dat degene, die een exoterische fout maakt, daarvan wel degelijk ook esoterische invloed ondergaat. De achtergrond en betekenis van de fout zijn eerder in het innerlijk te zoeken, dan in de buitenwereld. Het symbool is klaarblijkelijk ontleend aan het beeld, dat de geestelijk strevende mens zich van de wereld maakt. De innerlijke tempel zal waarschijnlijk ontleend zijn aan het oude gebruik van alle tempels een vrijplaats te maken. Het is de uitdrukking van de innerlijke geborgenheid, die nooit bereikt kan worden zonder een aanpassing van de uiterlijke wereld hieraan. Met de tempel bereikt men een toestand van harmonie. Dit is waar. Maar kan men gelijktijdig uiterlijk disharmonisch en innerlijk harmonisch zijn? Volgens mij is dit niet mogelijk. Harmonie kan m.i. pas dan ontstaan, wanneer alles, wat buiten ons is, beantwoordt aan hetgeen wij innerlijk zoeken, begrijpen en zijn, terwijl de innerlijke eenheid met God enz. alleen zin krijgt, wanneer wij deze kunnen uiten.

Om het symbool weer te vervolgen: De tempel in mij, waarin God woont, vindt buiten mij zijn evenbeeld. In de wereld, die ik beleef, onverschillig of dit een stoffelijke wereld, dan wel een sfeer is, zal ik eveneens achter alle strijd en verwarring het Goddelijke, het reine levenslicht, kunnen erkennen. Wij moeten, stelt de esotericus, in de tempel van ons eigen wezen binnengaan om daar onze God te ontmoeten. Maar de meesten struikelen. Want wat zich als Goddelijke werkelijkheid in en buiten de mens openbaart, beantwoordt niet aan de menselijke voorstelling daarvan. Menigeen treedt de tempel van zijn eigen wezen binnen en vindt daar het Gouden Licht. Maar, gedreven door de voorstellingen, die hij zichzelf gemaakt heeft, vertoeft hij niet om dit Licht te ondergaan, maar stelt: Er is hier niets! Het licht is wel mooi, maar waar is nu God? Men zoekt God altijd weer op een troon of altaar. Dat Hij in alle dingen rond ons is, ademt en leeft, negeren wij liever.

De eenvoud is voor de mens moeilijk te aanvaarden. Hij meent, dat het hogere alleen geuit wordt in het onbegrijpelijke, het uitermate ingewikkelde. Maar God is hetzelfde Licht, dezelfde levenskracht, of je Hem nu in of buiten het Ik erkent. Ook hier is er volgens mij geen werkelijk verschil te ontdekken tussen het exoterische en het esoterische van de kosmos. Esoterie is dan ook ten hoogste een uitdrukking, die het innerlijke, of werkelijke van een leer of geloof aan kan geven als tegenstelling tot het uiterlijke, het zichtbare daarvan.

Zover het eigen ontwikkeling betreft, mag gesteld worden, dat men elk innerlijk beeld uiterlijk weer zal vinden. In de symbolen van zijn esoterisch denken en zijn esoterische bewustwording geeft de mens zijn visie weer op het uiterlijke leven. Tussen de beide waarden is het bewustzijn de bindende factor, zoals het menselijke of redelijke denken de scheidende factor is. Dan is de esoterie een wijze van denken, waarbij men op een voor het Ik aanvaardbare wijze zijn verhouding tot God en de wereld weergeeft en zo een eenheid van beide werelden tot stand brengt, die aan de hand van het redelijke denken niet bewust bereikt kan worden. Hieruit volgt, dat ieder, die streeft, de esoterie dient te beschouwen als een middel om zichzelf te toetsen en zo zijn werkelijke plaats in de Schepping steeds juister te definiëren.

image_pdf