Het huwelijk als sociale instelling

uit de cursus ‘Levensproblemen van de moderne mens’ 1955

In onze beschouwing over het huwelijk als een toestand, die de geestelijke en stoffelijke band tussen twee mensen ook uiterlijk bevestigt, hebben wij buiten beschouwing gelaten de functie die het huwelijk in de samenleving inneemt. Om goed te begrijpen hoe de moderne problemen die het huwelijksleven met zich brengt tot aanzijn kwamen en hoe huwelijksvorm en gebruiken zijn gegroeid, moet ik u een kort overzicht geven van de verhoudingen die zijn voorafgegaan aan het wettelijk huwelijk. En tevens hoe het wettelijk huwelijk tenslotte is gekomen tot de huidige juridische vorm, waarbij het huwelijk een wettelijk contract is, dat een belangengemeenschap ‑ met of zonder restrictie ‑ betekent tussen man en vrouw.

In de oudheid vinden wij de wilde mens, de primitieve mens. Hier heerst nog in de relatie tussen man en vrouw het recht van de sterkste. Hier is dus roof en geweldpleging datgene, wat voorafgaat aan de paring; deze met of zonder instemming van de vrouw.

Zodra er echter een stamverband wordt gevormd, begint hiervoor een andere waardering te komen. De vrouw wordt tot een bezit en wordt verhandeld, waarbij de sterksten van de stam (de hoofden) plus de geestelijke zieners (de priesters) een zeker bedrag of beter gezegd een zekere gave ontvangen, die wordt betaald door de ouders (voor de toestemming a.h.w., zoals u aan een notaris iets betaalt), terwijl ook de aanstaande echtgenoot een aanmerkelijk bedrag als koopsom betaalt voor de vrouw in kwestie.

Hier is de toestand nog steeds zo, dat geen verhaal bestaat, indien die vrouw zou weglopen of sterven. Later wordt dit steeds formeler uitgedrukt. En naarmate de beschaving hoger wordt, wordt het noodzakelijk de plaats van een vrouw nauwkeuriger te definiëren. Zo vinden wij in de verre oudheid reeds huwelijkscontracten waarin wordt omschreven dat deze vrouw als eerste vrouw zal gelden, zodat de erfrechten overgaan op haar kinderen. Bekend is ook de clausule (in een mondeling of geschreven huwelijkscontract opgenomen), dat de man ‑ indien de vrouw geen kinderen voortbrengt ‑ is gerechtigd andere vrouwen tot zich te nemen en deze dan alle rechten te geven van de eerste vrouw.

Naarmate de maatschappij zich steeds verder ontwikkelt, zien wij echter het gebruik (vooral bij vorsten in zwang) om zeer vele vrouwen te trouwen, die in werkelijkheid nooit hun vrouw zijn. Zij behoren tot hun gezin en hofhouding. Wij zien o.a. dat vele farao’s, nagelaten dochters van gouverneurs huwen ofwel kinderen van buitenlandse vorsten om deze bescherming te geven, hen op te nemen in hun huishouding en eventueel ook (vooral waar het kinderen van buitenlandse vorsten betreft) de bestaande internationale verhoudingen te verbeteren en gelijktijdig een zekere gijzelaar te bezitten om zo pressie te kunnen uitoefenen indien nodig.

U begrijpt, dat in deze tijd het vastleggen van rechten meer en meer de vorm krijgt van een wettelijke contract met verplichtingen langs beide zijden. Deze gewoonte komt scherp tot uiting in de nieuwere cultuur, de nieuwe beschaving. Het contractuele betekent het scheppen van een verplichting voor beide partijen. Nauwkeurig omschrijft men die rechten zelfs zo streng dat er contracten zijn gesloten (o.a. in het vroegchristelijke Byzantium), waarin het aantal malen per jaar dat de vrouw bijslaap moest toestaan, precies wordt omschreven.

Hier is dus absoluut geen sprake van een innige verhouding. Er is dus ook geen sprake van een tot elkaar aangetrokken worden, voor zover het dit contract betreft. Het is het vaststellen van een relatie tussen twee mensen op zuiver zakelijke basis met mogelijkheden tot verbreking van het contract (scheidingsprocedures bestonden in de oudheid ook) en verder een vastlegging van verplichtingen, ook t.a.v. de gevolgen van de vereniging.

Het gezin nu was oorspronkelijk niet de basis van het sociale leven. De man was daarin wel het hoofd, de werkelijk sociale factor. Al hetgeen hij aan vrouw en minderjarige kinderen had, was bijkomstig en telde niet mee. Vandaar dat wij zowel Germanen als zelfs de beschaafde Romeinen rustig vrouw en kind zien verdobbelen. Het christendom brengt daarin een grote verandering, zoals ook later de hervormer Mohammed in de islamitische landen hierin een grote verandering zal brengen Het gezin wordt nu een gesloten gemeenschap die ‑ eenmaal gevormd ‑ niet meer verbroken mag of kan worden. Hierdoor bezit men een eenheid, die zichzelf voortdurend vernieuwt en als zodanig voor de opbouw van de staat zeer belangrijk is. Vooral daar waar het gezinnen geldt van krijgslieden die aan de grenzen wonen en die naast de landbouw ook tevens weerplicht hebben. Zij zijn dus de eersten die moeten verdedigen, indien vijanden zouden invallen.

Voorbeelden van dit soort gemeenschappen vinden wij nog betrekkelijk laat, zelfs in 1800, begin 1900 in de zgn. Janitsaren‑ en Kozakkendorpen in Rusland, die nog geheel op deze basis hun huwelijksgebruiken kennen en ook hun onderlinge arbeid en taken verdelen.

Naarmate de vrouw eigenlijk als arbeidsdier minder wordt gebruikt, wordt haar functie in het gezin belangrijker. Langzaam maar zeker ver­groot zij haar invloed op de man, ook uiterlijk. Wij mogen zeer zeker niet ontkennen dat vanaf het stenen tijdperk de vrouw door middel van de man haar wil wel degelijk aan de gemeenschap heeft kenbaar gemaakt en vaak heeft opgelegd. Maar uiterlijk gebeurde dit zeer zelden.

De middeleeuwen kennen de vrouw in een vrijere positie, zij het ook dat zij nog lang niet gelijkwaardig is in sociaal opzicht aan de man. En als deel van het gezin heeft zij rechten die zij ontleent aan haar echtgenoot. Voorbeelden daarvan kan men in de moderne titulatuur nog vinden bv. in Duitsland, waar men spreekt van “Frau Generaldirektor, Frau Lehrer, Frau Professor” enz., waar zelfs de titel van de man wordt overgebracht op de vrouw en deze haar sociale standing bepaalt.

0pvallend is dat in geen van deze manieren van contractsluiten (hetzij kerkelijk of zuiver voor de ambtenaren van de staat) de liefde als een onontbeerlijke factor voor de huwelijkssluiting naar voren komt. In het Oosten zien wij huwelijksgebruiken waarbij kinderen reeds vóór de geboorte soms provisorisch worden verloofd. En blijkt de sekse juist, dan gaat de verloving reeds in op de negende dag van hun leven. Het huwelijk wordt dan vaak reeds voltrokken op 8‑ of 9‑jarige leeftijd. Kinderhuwelijken komen daar tegenwoordig minder voor, maar zijn ook nu nog gebruikelijk.

Hier komt eigenlijk een andere richting van gebruik naar voren. Het huwelijk tussen twee kinderen is niet bestemd om hun een gelukkig gezinsleven te geven. Het is bestemd om twee belangen, twee families bv. aan elkaar te verbinden. Wij kennen het huwelijk in de middeleeuwen in Europa (ook in Nederland) als een middel om bv. aangren­zende bezittingen met elkaar te verenigen. U zult begrijpen dat de sociale factor in het huwelijk heel vaak een zakelijke is. Dit moet er op den duur toe leiden dat het huwelijk werd gezien als een onontbeerlijke bouwsteen, daar het een stabilisatie betekent van elke maat­schappij, waarin het wordt aanvaard als een onscheidbare of niet ge­makkelijk te scheiden contractvorm.

Om u een beeld te geven van wat mogelijk zou zijn. Gesteld dat in Nederland het huwelijk slechts een huwelijk uit genegenheid zou zijn, waarbij door het verdwijnen van de genegenheid gelijktijdig de bevrijding van de huwelijksband, de verbreking van het huwelijkscontract mogelijk zou zijn, dan zou hierdoor een vlottende bevolking ontstaan met een voort­durend wisselend element. Een element dat zeer instabiel is en boven­dien ook de emotionele instabiliteit bij de bevolking bevordert. Resultaat, men zou ten aanzien van werkkracht en productievermogen dit niet meer op een vaste rekening kunnen baseren. Men zou verder t.a.v. de kinderen niet zeker zijn, of deze allen kunnen worden opgevoed. En kinderen, nieuwe mensen, die de staat voor een groot deel kan vor­men in haar richting (ook in een vrije democratie) zijn voor de staat zeer belangrijk. Want zij betekent een continuering door overtuigde mensen (zij weten immers niet anders) van haar eigen zienswijze en zo ook van haar staatsbestel en het gezag van haar gezaghebbende groeperingen.

Dit korte overzicht zal u duidelijk maken, wat ik thans wil poneren omtrent de sociale functie van het moderne huwelijk.

Het moderne huwelijk is in een niet gemakkelijk te verbreken vorm als contract zeer gewichtig voor de staat, omdat het een stabilisatie van de economie van de staat betekent. Een wegvallen van deze contractvorm door het gemakkelijk verbreekbaar worden daarvan, betekent voor de staat chaos en daardoor op den duur ondergang,

Maar nu zit de moderne mens wel met dit contract opgescheept. Want wat men heeft vergeten, is dat de omstandigheden geheel anders zijn geworden. De vrouw wordt in vele beroepen als gelijkwaardig of bijna gelijkwaardig aan de man erkend. Ongeveer 60 tot 70 % van de jonge vrouwen leert een beroep en oefent dat ‑ al is het maar gedurende korte tijd ook uit. De vrouw is voor haar onderhoud niet meer aangewezen op het contract met de man, voor wie zij dan ‑ volgens dit contract ‑ gelijktijdig huishoudster en bijslaap is. Zij is dus veel vrijer.

Indien zij een huwelijkscontract sluit, is zij dus niet meer ter wille van zelfbehoud genoodzaakt zich aan alle voorwaarden van dit contract voortdurend en nauwkeurig te houden. Door deze grotere vrijheid wordt het haar eenvoudiger gemaakt af te wijken van wat de vroegere jaren als het rechte pad in het gezin hebben gezien.

Met een stabiele persoon als echtgenoot, bij een redelijke omgeving en verzorging, zal zeer zeker het huwelijk sociaal zeer geslaagd zijn, zelfs als er sprake is van genegenheid in plaats van werkelijke liefde. Als echter een van de beide huwelijkspartners anders geaard is, dan komen de mogelijkheden van deze moderne opzet sterker naar voren.

Er zijn bv. zeer veel mannen in aanleg polygaam. Zij worden voortdurend getrokken tot de andere sekse en ‑ ofschoon zij hun eigen echtgenote waarderen ‑ zijn zij toch geneigd hun hulde ook te betuigen aan an­dere opvallende voortbrengselen van het menselijk ras. Hiertegen was vroeger zeer weinig in te brengen. Er is een tijd geweest dat het zelfs niet van goede smaak getuigde als echtgenoten elkaar liefhadden. Er werd verwacht dat man zowel als vrouw in buitenechtelijke verhoudingen de liefde zouden zoeken, terwijl het huwelijk zelf eerder een zakelijke of een prestigekwestie betekende. Op het ogenblik is dat niet zo. De vrouw stelt in deze tijd steeds hogere eisen aan de man. De man daar­entegen verwacht van zijn vrouw niet slechts dat zij de zakelijke partner is, degene die zijn huishouding verzorgt, die hem kinderen baart, maar hij verwacht van zijn vrouw al datgene wat hem vroeger in een veelheid van minnaressen werd geboden aan prikkels en dergelijke. Dit wordt zelden zo geformuleerd. Toch is dit de kern van de zaak, voor zover wij het sociale probleem van het moderne huwelijk willen bezien.

Het is begrijpelijk dat man noch vrouw te allen tijde en volledig tegemoet kunnen komen aan deze eisen. Het ideaal dat men zich nu stelt, is gebaseerd op een volledige liefde en één worden. Maar men huwt zeer vaak, voordat men enigerlei besef heeft van wat het huwelijk juist in deze zin inhoudt. Het resultaat is dat in het huwelijk allerhande onaangenaamheden voorkomen. Het is op het ogenblik niets bijzonders meer dat iemand 4 à 5 keer scheidt en wederom huwt; althans waar er men de middelen daarvoor heeft. Men zegt dan: Dit is de verwording van de wereld. Het is geen verwording, want deze huwelijken zouden ongetwijfeld vroegere verhoudingen zijn geweest. De feitelijke toestand blijft gelijk. Maar het voortdurend wisselen met al zijn economische verplichtingen brengt iets anders met zich mee.

Sommige meer moderne mannen en vrouwen kennen een harem van ander‑seksigen. Een vrouw, die meer mannen ‑ zij het achtereenvolgens – de hare noemt en de producten van de liefde dan ook ter verzorging krijgt. De kinderen kan nooit datgene worden gegeven wat vroeger in een gestabiliseerd huwelijk aan de uit dat huwelijk geboren kinderen kon worden gegeven: nl. een vaste omgeving met vaste regels en daardoor ook een vaste basis voor de opvoeding: een bewuste basis voor de karaktervorming van de jeugd. Het wegvallen hiervan betekent niet ‑ zoals men weleens zegt ‑ een verslapping van de morele vormen. Het betekent echter wel dat de jeugd ‑ zich niet realiserende wat de oorzaak is van het huwelijksgebruik en het huwelijkscontract ‑meent het beter zonder dit te kunnen steller en slechts door de drang van ouderen ertoe overgaat een huwelijk ook officieel te bevestigen.

De grote seksuele vrijheid betekent wederom voor de maatschappij een minder stabiele bevolking, waarbij neiging, hartstocht een sterk beïnvloedende factor zijn t.a.v. productiviteit enz. De vaste contractuele verplichtingen van het huwelijk leggen aan de man die werkt een aantal verplichtingen op, die hem zullen dwingen zijn taak zo goed mogelijk te volvoeren, wil hij zichzelf niet minachten. Bestaat deze verplichting niet, dan zal hij veel meer zijn eigen zin, zijn luimen volgen. Hij zal gemakkelijker van beroep veranderen. Hij zal minder van zijn bazen accepteren enz. Hij zal er ook gemakkelijker toe komen een wet te overschrijden. De stabiliteit van de maatschappij raakt in gevaar.

Ofschoon men dit op het ogenblik nog niet begrijpt, is de achtergrond van de grote onrust van deze tijd ‑ althans ten dele ‑ gelegen in deze verandering van visie ten aanzien van het huwelijk. Zolang het huwelijk geheiligd is, zolang het huis gelijktijdig de trots, de verantwoordelijkheid en zo mogelijk ook het werkelijk leven van de man en ook van de vrouw betekent, hebben wij te maken met een stevige, vaste basis, waarop wij kunnen rekenen en waarop de maatschappij kan bouwen, waardoor wij kunnen calculeren en onze productie bepalen. Dan hebben wij een vaste norm, aan de hand waarvan wij wetten kunnen stellen, die door iedereen worden aanvaard en ook gerespecteerd. Zolang het huwelijk een vaste, aanvaarde band blijft, zal ook het gevoel van verantwoordelijkheid groot zijn.

Nemen wij nu echter voorbeelden die meer en meer voorkomen. Een man en een vrouw besluiten een huwelijkscontract te sluiten. De vrouw zowel als de man blijft werken, omdat ‑ zo zeggen zij ‑ het geld nodig is. Zij zijn dus niet bereid een offer te brengen voor hun vereniging (een vermindering van de levensstandaard), maar willen al­leen deze vereniging aanvaarden, indien zij op gelijke wijze of beter kunnen leven. Dit brengt met zich mee, dat de functie van de vrouw als voortzetster van het ras ernstig in het gedrang komt. Kinderen worden een belasting, zodat juist vaak degenen in de meer intellectuele klassen eerst op latere leeftijd ertoe overgaan om zich “kinderen aan te schaffen”, zoals dat dan heet. Resultaat: de betere klasse van de maatschappij brengt op het ogenblik gemiddeld minder levenskrachtige, vitale kinderen voort dan de arbeidende klassen. De arbeidende klassen daarentegen door haar gebrek aan middelen en haar opvattingen omtrent huwelijk zowel als huwelijkstrouw (die vaak meer in de oude tijd liggen), ziet het kind als een middel om rechten van de maatschappij te verwerven. In beide gevallen komt het kind iets te kort. Mensen van inferieure kwaliteit nemen toe.

Inferieure kwaliteit punt 1: door geboren te worden in omstandigheden, waarbij het moeder­ lichaam niet meer de beste krachten aan het wordend kind kan geven. punt 2: door het scheppen van een omgeving in een maatschappij, waarin dit kind niet meer kan komen tot het verwerven van een besef van verantwoordelijkheid met betrekking tot zelf verrichte arbeid, taak enz., zoals vroeger gebruikelijk was.

Het is niet aan mij om hier met Cassandra een klacht aan te heffen en ondergangsgedachten uit te spreken. Ik wil er echter op wijzen dat de huidige opvattingen omtrent het huwelijk ofwel veel te modern, dan wel veel te ouderwets zijn. Of men moet de maatschappij baseren op het werken van man en vrouw als regel en daardoor het gezinsleven tot een minimum terugbrengen (dit betekent een veel sterkere reglementering van het economisch leven dan anders mogelijk zou zijn), of men moet teruggaan tot de vaste gezinsband, waarbij de eisen, die de echtlieden elkaar stellen minder en niet groter zijn.

Dit probleem is in sommige landen groter, in andere landen minder groot. Het confronteert ons ook met de moeilijkheden van de moderne mens zelf. Is het gezin nog heilig? Vraagt men vaak niet teveel van elkaar? Is het onbevredigd zijn, dat in zovele huwelijken voorkomt, eigenlijk niet te wijten aan het stellen van zware, veel te zware eisen aan de partner, omdat men meent (het is lang niet altijd waar) dat men in staat is ook zonder deze zichzelf te redden?

Een era van economische onafhankelijkheid voor de vrouw, zoals op het ogenblik meer en meer aanbreekt, brengt met zich mee, dat ‑ daar de man niet geneigd is zich tot huishoudman te laten degraderen ‑ het huwelijk ofwel geheel anders moet worden gewaardeerd, dan wel beperkt blijft tot een zuiver zinnelijke uiting. Een gezin behoort nl. gezamenlijk te leven; het behoort een hechte eenheid te zijn. Dat kan het nooit zijn, indien de man met zijn constructie‑problemen rondloopt, terwijl de vrouw juist met de inventaris van haar bijouterie‑winkel bezig is. Het kan het zeker niet zijn, als de man zijn professionele bereiking teruggesteld ziet door successen op een ander gebied van de vrouw.

Voorbeelden hiervan kunt u te over vinden daar waar de verheerlijkte afgoden dezer dagen, (de filmsterren, de grote toneel‑ en zangsterren) in het huwelijk mislukken. Zij stellen zelf te grote eisen aan de partner, daar zij niet geneigd zijn diens belangrijkheid te erkennen en te respecteren.

Vroeger had de vrouw twee mogelijkheden: of ze was de beschermde pop en liet zich vertroetelen, of zij was de volledige deelgenote, met werkelijke levensbelangen, aan al hetgeen haar echtgenoot tot stand bracht. Op het ogenblik draait de zaak om. Nu vraagt de vrouw vaak dat de man haar als het belangrijkste beschouwt ‑ wat hij niet kan, omdat zijn werk voor hem altijd belangrijker blijft; dat is zijn uiting in de wereld. Omgekeerd vraagt de man heel vaak van zijn vrouw, dat zij gelijktijdig veel voor hem is.

Het resultaat, mijne vrienden, maakt het moderne huwelijk ‑ of dat nu kerkelijk wordt ingezegend of alleen reglementair bevestigd voor de staat door een ambtenaar van de Burgerlijke Stand ‑ over het algemeen tot een gevaarlijk experiment. Het gevaarlijke experiment kan alleen worden opgelost, indien men zou overgaan tot het werkelijke huwelijk uit liefde. Want dan is de innige genegenheid en het gevoel van eenheid met de partner voldoende om alle voornoemde bezwaren weg te vagen. Dan kent men een zekere tolerantie ten aanzien van elkaar. Dan is men bereid elkaar iets te laten of voor de ander een offer te brengen. De hartstocht heeft dit tot nu toe nooit tot stand kunnen brengen.

Daarbij komt nog het volgende aspect, dat ook even moet worden genoemd, willen wij volledig zijn of althans enigszins naar volledigheid streven.

Menig huwelijk wordt in de huidige maatschappij gesloten uit hartstocht. Soms zelfs zuiver als resultaat van seksuele behoefte. In de vroegere maatschappij wist men dat aan zo’n huwelijk geen ontkomen meer was. Men mag dan spreken over wreedheid, die dit in geestelijk opzicht‑ betekende, als beide echtgenoten elkaar leren haten; vanuit sociaal‑ economisch standpunt betekent het in ieder geval dat beiden alles zouden moeten doen om zo goed mogelijk samen op te schieten. Want zij kunnen immers niet meer van elkaar af. Door elkaar te verlaten zouden zij zich geheel buiten de maatschappij stellen. En dat was een zeer grote consequentie. Als resultaat bleef zelfs het ongelukkige huwelijk stabiel.

Op het ogenblik huwt men en als het tegenvalt, scheidt men. Vroeger was die mogelijkheid tot scheiden er niet en moest men het nog eens met elkaar proberen. Toen waren dergelijke absurditeiten, zoals iemand, die reeds driemaal gehuwd en gescheiden is, de vierde maal huwt met haar tweede echtgenoot, onbestaanbaar. Dat zijn onzinnige dingen! Die onzinnigheden worden door een moderne wetgeving mogelijk gemaakt. Een wetgeving, die echter niet geneigd is de consequenties van de maatschappelijke verschuivingen, die hierdoor zijn veroorzaakt, ook te accepteren.

Vanuit geestelijk standpunt zou ik willen pleiten voor een veel grotere vrijheid, maar wil er dan ook meteen op wijzen dat dit stoffelijk zeer grote consequenties zal hebben. Schouwende vanuit staatkundig standpunt moet ik toegeven dat hoe moeilijker de scheidingsprocedure wordt gemaakt en hoe meer lasten zij betekent voor de mens, des te beter dit is voor de staat.

Dan nog een punt dat ‑ gezien de omstandigheden van de moderne wereld ‑ het beschouwen waard is.

De wereld begint op het ogenblik overbevolkt te raken. Deze overbevolking lijdt zeer zeker onder de tendens van menige staat om het aantal van haar burgers zoveel mogelijk te vermeerderen. Ik meen dat eenieder in het huwelijk juist vanuit dit sociaal en economisch standpunt op de hoogte zou moeten worden gebracht van de mogelijkheden om uitbreiding van het gezin tijdelijk te verhinderen, dan wel op het geschikte ogenblik tot stand te brengen. Ik meen dat dit zou moeten behoren tot de opleiding van elk jong gehuwd paar; zo mogelijk een opleiding zelfs vóór het huwelijk.

Godsdienstig zal men vaak hiertegen bezwaren opperen. Ik meen echter dat deze bezwaren door de feiten zullen worden achterhaald. Niet omdat de aarde niet in staat is al deze nieuwe monden te voeden (zij heeft zowel de wetenschap als voldoende middelen daartoe), maar omdat de mensheid tegenwoordig niet meer in staat is deze veelheid van mensen op een juiste wijze over de wereld te verdelen en te regeren. De overbevolking geeft aanleiding tot vernietigingsdaden.

Het feit, dat men in het moderne huwelijk het kind tot een soort bron van inkomsten heeft gemaakt, is af te keuren. Mij dunkt dat ook hier de verantwoordelijkheid die de ouders ten opzichte van hun kind hebben, is weggenomen. Het kind wordt opgevoed door de staat en deze zal zeggen hoe; ook als u dan zelf moet kiezen naar welke school het gaat. Maar de staat decreteert wat er wordt onderwezen. De staat zorgt dat het kind tenminste zoveel jaren op school blijft.

Dat is allemaal heel mooi, maar het betekent tevens, dat het gevoel van verantwoordelijkheid bij de ouders voor hun kinderen minder wordt; dat zij minder de consequenties begrijpen van het opvoeden van een nieuw leven. Dit op zijn beurt leidt tot het ontstaan van onzekerheid bij de kinderen, wat eveneens een grotere instabiliteit in de maatschappij betekent.

Mijn conclusie is deze: Wil men in deze moderne maatschappij het probleem van het huwelijk sociaal oplossen en elk asociaal aspect erin vermijden, dan zal men zich moeten houden aan de oude huwelijksgebruiken en niet aan de moderne versie daarvan.

Wil men tot grotere geestelijke vrijheid komen, dan dient men te beseffen dat men zich hiermee als individu naast de gemeenschap stelt en geen recht heeft van die gemeenschap iets te verlangen; dat de gemeenschap een misdaad begaat tegenover zichzelf, indien zij aan dergelijke individuen steun verleent, zelfs indien zij in hun keuze volledig gerechtvaardigd zijn en deze vanuit geestelijk standpunt volledig kan worden goedgekeurd.

Mijn pleidooi betekent. Het huwelijk als contract moet onverbrekelijk zijn, dan wel een termijncontract met een van tevoren vastgesteld termijn. Slechts op deze wijze is voor de

maatschappij een overzichtelijke toestand te bewerkstelligen, van waaruit men op den duur een nieuwe, geregelde basis kan opbouwen, van waaruit men kan regeren zowel als produceren.

Ik ben ten zeerste tegen alle maatregelen die de scheiding vereenvoudigen, die steun betekenen aan jong gehuwden door officiële instanties, die door hen als recht en niet als gunst worden gevoeld.

Ik ben tegen elke steun van regeringswege ten aanzien van gezinsuitbreiding, kortom, tegen al datgene wat het gevoel van verantwoordelijkheid, van samen tegenover het leven staan en gezamenlijk bereiken, teniet zou doen.

Ik ben ervan overtuigd, dat de huidige maatschappij met haar nadruk op seks enerzijds, haar fantastische pogingen tot bevordering van de openbare zedelijkheid anderzijds (als gescheiden zwemmen, voor­schriften omtrent de kleding van de sekse enz. enz.) volkomen op het verkeerde paard wedt. Deze maatschappij moet leren het seksuele leven als iets normaals te zien en het huwelijk daarnaast leren beschouwen als een vanuit regeringsstandpunt volledig maatschappelijke factor gelijk te stellen met elk ander contract. Geen rechten gevende ten aanzien van de gemeenschap, maar slecht betekenende rechten en plich­ten tussen de partners die het contract aangaan.

Op deze wijze meen ik, zal men beter beseffen wat het huwelijk is en zal men ook beter in staat zijn het huwelijk te maken tot een succes, ook in sociaal opzicht. Dit alles met een verwijzen naar hetgeen over het onderwerp “Huwelijk en Liefde” reeds de vorige keer werd besproken.

Persoonlijkheid

Ik heb het Al tezaam gebracht

in ene, enge cirkelgang.

Ik heb gedroomd van dit bestaan

al eeuwen, eeuwen lang.

Toen vond ik in mijzelf de tijd en deelde zo

de eeuwigheid en heel het Al in delen.

ik begon daarmee ‑ besloten in ’t enge zijn ‑

voorzichtigkens te spelen.

En ziet, toen ‘k leefde in de tijd,

toen werd mij ’t Al persoonlijkheid.

Ik droom en Ik zie ’t beperkte deel

van ’t Al, waarmee ik toevallig nu speel

en ‘k zeg; “Ziet, dit ben ik zelve.”

En ik delf in het leven en ik delf in het zijn.

Ik onderga vreugde en ik lijd pijn.

En heb ik genoeg in het Al gedolven,

dan zeg ik; “Dit is mijn persoonlijkheid”

en ik meen: dit gaat voort tot in eeuwigheid.

Maar ik heb slechts een deel van mijzelve gezien,

een deel van mijzelve beleefd.

Ik zie niet de Kracht, die uit heel het Al

één kosmisch beeld slechts weeft. .

Zo, spreek ik van persoonlijkheid, dan is het tijdlijk zijn.

Iets, waarvan je scheiden moet

in lijden en in pijn.

’t Is waarde, die je moet vergeten,

wil je ’t Eeuwige weer ondergaan.

Omdat persoonlijkheid slechts is

een déél van een werkelijk bestaan

en niet de Waarheid, niet het Al.

Toch. … kan Ik zonder persoonlijkheid bestaan?

Kan ik zonder persoonlijk denken en leven mijn wegen gaan?

Kan ik streven en werken en sterven en leven,

wanneer ik mijzelve niet ben?

Wat is er, behalve mijzelve dan,

dat ooit mijn Schepper kent?

Voorwaar, wat ik noem persoonlijkheid,

Is spiegelbeeld van God.

Een heel klein brokstuk, uitgebeeld

in ’t leven, in het lot,

mij opgelegd.

God is de Werkelijkheid, de Eeuwigheid.

Persoonlijkheid is het ervaren slechts Daarvan.

Maar ook het goddelijk recht, mij toegestaan,

omdat ik uit het onbewuste,

bewust weer tot Hem in wil gaan.