Het IK als product van vorige levens

Het onderwerp veronderstelt van u een zekere kennis van reïncarnatie. Dat mag ik even in herinnering brengen.

  1. Reïncarnatie is niet gebonden aan vaste circuits, ofschoon die vaak voorkomen, maar is incidenteel en niet verplicht.
  2. Reïncarnatie is nimmer een noodzaak van buitenaf opgelegd, doch vloeit voort uit een behoefte in de geest.
  3. Het aantal reïncarnaties is ‑ theoretisch althans ‑ onbeperkt.

Daarmee weet u ongeveer waarover we het zullen hebben.

Als u op de wereld leeft, dan heeft u een aantal eigenschappen, die voor een deel van stoffelijke aard zijn; erfelijk. Andere eigenschappen zijn meer mentaal. Daarnaast blijkt, dat u bepaalde gaven of sommige eigenschappen in het bijzonder heeft ontwikkeld. Dit alles is niet slechts toevalsproduct, het komt voort uit de wijze, waarop eens ‑ voordat u nu in de wereld kwam – u heeft geleefd. Wat gebeurt er namelijk:

Het “ik” leeft. Het komt in de materie. In de stof heeft het een zekere visie op het leven. (De geest heeft nu eenmaal een zeker bewustzijn, voordat ze kan incarneren, zeker als mens.) Die visie probeert het uit te drukken. In het begin is het doel heel vaag; vandaar dat de uitdrukking ervan eveneens aan de vage kant kan zijn. Maar men doet ervaring op. Een voorbeeld:

Het stenen tijdperk. Iemand wordt geboren in een stam. Daar gelden bepaalde wetten. De stam leeft in een jachtgebied (een bepaald milieu), heeft zekere riten en gebruiken. Het “ik” wordt eraan onderworpen. Nu kan het “ik” kiezen. Het kan beginnen om allereerst jager te worden of krijger. Het kan proberen om deel te nemen aan priesterlijke plechtigheden. Als het een vrouw is, kan zij zich onderwerpen of ze kan zich voegen bij de vrouwen, die sterk zijn, die onderling meestal ook geheime riten hebben en die zo een deel van de gemeenschap bepalen.

Die ervaringen komen voor een groot gedeelte uit het toeval voort. Maar aan het einde van dat leven heeft zo iemand (b.v. de jager) dus zo het een en ander meegemaakt. De jager is tot de conclusie gekomen dat jagen op zichzelf niet zo leuk is. Hij voelt meer voor wat wij noemen huiselijke vrede, zekerheid.

Die jager gaat over en reïncarneert na verloop van tijd laten we zeggen in één van de vroege stad-culturen. In die vroege stad‑culturen zijn degenen, die de grootste huishoudelijke zekerheid hebben, slaven. Maar er is voor die geest geen waardering voor het milieu in de betekenis, die men zelf daaraan toekent. Dat milieu heeft een gevoelswaarde, en de zekerheid ligt in het slavenkwartier, niet bij de handelslieden, die grote zorgen hebben en een onderlinge strijd voeren of bij de elitesoldaten, die voortdurend druk bezig zijn. Zij hebben teveel onzekerheden. Men incarneert dus als slaaf.

De eigenschappen van de slaven zijn over het algemeen nogal verschillend. U weet, de meesten van hen werden in die periode buitgemaakt. Een slaaf, die twee generaties heeft doorgemaakt, is meestal wel iemand met verantwoordelijkheid; soms is hij zelfs alweer enigszins vrijgelaten. De slaaf heeft dus zelf taken, die hij voor zijn meester vervult. Het resultaat zal zijn dat zo’n geest incarneert bij mensen, die waarschijnlijk pas ‑ misschien 5 of 6 jaar ‑ zijn gevangen. Daarbij zoekt hij weer naar vrede. Hij moet dus niet iemand heb­ben, die voortdurend in verzet is tegen zijn milieu. Indien er tien mogelijk­heden zijn, zoekt hij die uit, waarin de grootste aanvaarding, de grootste berusting bestaat. Maar het zou wel eens kunnen betekenen, dat deze mensen er­felijk gezien een klein beetje aan de laffe kant zijn, of misschien ook aan de luie kant. Die eigenschappen worden deels lichamelijk overgenomen.

Je bent nu een slaaf met luiheid en weet ik wat nog meer. Wat je ziet is, hoe goed je meesters het hebben, niet wat je zelf hebt. Je begint dus te streven naar enig aanzien, maar je bent eigenlijk te lui en te laf om risico’s te nemen. Je gaat dan intrigeren. Een volgend leven zal je waarschijnlijk ergens brengen waar mensen bijzonder handig zijn, waar ze intrigeren, een soort Borgia-sfeer. Kom je daar, dan ontdek je dat daar ook weer allerlei onzekerheden zijn. Je hebt in die incarnatie wel wat meer moed gekregen, maar vooral ook gesle­penheid en gewetenloosheid; en helemaal tevreden ben je er niet mee. Je kiest dus op nieuw en wordt misschien een vrije boer.

Wat is er nu aan de hand? We kunnen het met een paar regels samenvatten: De gevoelswaarde is bepalend voor de incarnatiekeuze. De gevoelswaarde, die in de geest bestaat, is het eindresultaat van een vorig bestaan. Naarmate die meer specifiek, dus meer gericht is, zal ook een meer gerichte incarnatie plaatsvinden. Dat impliceert, dat, ook meer gerichte persoonlijke eigenschappen erfelijk worden overgenomen.

Nu is dat natuurlijk allemaal heel eenvoudig, als men rekent van de ene incarnatie tot de andere. We kunnen het hier gemakkelijk genoeg overzien. Als u in de moderne tijd kijkt, dan ziet u heel wat mensen, die eigenlijk in de 16e tot 18e eeuw hebben geleefd. Als u nu iemand ziet, die bv. buitengewoon zinnelijk is aangelegd, dan zult u hem heel waarschijnlijk in de vorige incarnatie hebben aangetroffen in een kloostersfeer of als een priester, die eigenlijk net niet genoeg zijn zin kon krijgen. Daardoor is er een zekere gerichtheid, of zullen we zeggen de emoties van de sekse ontstaan. Het resultaat is dat men in het volgende leven een milieu kiest, waarin de belasting met hartstocht in die richting groot is. Dit is erfelijk. Je kunt er zelf niets aan doen, maar je hebt het zelf gekozen.

Ga je nu verder terug, dan krijg je een stapeleffect, want zo’n eerste incarnatie als mens geeft over het algemeen een zeer groot aantal mogelijkheden, maar een heel geringe gerichtheid. De eerste menselijke incarnatie wordt voor een groot deel bepaald door het milieu waarin je toevallig terecht komt. De eigenschappen, die je geestelijk hebt opgedaan (en misschien in vorige incarnaties in niet‑menselijke gestalte), worden daar wel degelijk gebruikt, maar je weet nog niet waar je naartoe wilt. Er ontstaat in dat eerste leven een kwestie van deficiëntie (tekort), een idee van efficiëntie (het bereiken van het maximum met bepaalde middelen) en daarbij een ideaal. Nu is het typerende, dat de tekorten doorgaans een betrekkelijk kleine invloed hebben tijdens het leven. Daar kun je ze wel overwinnen. Maar zodra je overgaat, gaan die tekor­ten een veel grotere rol spelen, want wil je evenwichtig zijn in de geest, dan moet dat worden gecompenseerd. Die compensatie impliceert weer dat je bij een volgende incarnatie zegt; Dat gebeurt me niet weer. Het resultaat is, dat de volgende incarnatie probeert een milieu te vinden, waarin een sfeer hangt (en dat is dan omstreeks de tijd van de geboorte, zeg een jaar daarvoor tot ongeveer de geboorte), waarin dat erkende tekort van een vorig bestaan niet aanwezig is. Dan heb je dus een voertuig gekozen met een grotere kennis, een groter begrip.

In het leven zelf vergeet je die tekorten van vroeger. Je hebt nieuwe tekorten, je hebt nieuwe mogelijkheden. Maar in de geest blijft het bestaan. Dat tekort moet ik dus vermijden. De eigenschappen van dat andere leven? Je hebt alle­maal teleurstellingen, je hebt meevallers, dat blijft eenmaal zo. Dan kom je op een gegeven moment weer tot een conclusie. Die conclusie kan zijn; ik wil meer kennis hebben. Ze kan ook net zo goed zijn, ik wil meer geld hebben, of, ik wil meer vrijheid hebben. In het volgend leven (u gaat weer over en komt na verloop van tijd tot een nieuwe incarnatie.) zal uw keuze dus inhouden; een vermijden van de tekorten uit de eerste incarnatie en de tweede incarnatie plus het zoeken naar het gewenste uit die tweede incarnatie. En daarmee zijn we al heel wat selectiever geworden.

Die selectiviteit betekent, dat het aantal incarnatiemogelijkheden afneemt en in de meeste gevallen betekent dat dus ook, dat de incarnatietendens iets vlugger is. U zoudt misschien zeggen trager. Neen. Vroeger zei je: Nou ja, het kan nog wel even. Er zijn zoveel mogelijkheden. Als ik zin heb, dan kan ik toch wel overstappen. Nu zeg je: Ja, hier heb ik een uitgerekende mogelijkheid. Die krijg ik misschien niet meer, dus ik moet nu incarneren. Het resultaat is, dat de tijd tussen de incarnaties iets korter wordt, dat er daarnaast ‑ en dat mogen we ook niet vergeten ‑ niet alleen een keuze optreedt in de sfeer van het milieu, maar dat daarmee tevens steeds sterker de erfelijkheidsfactor gaat meespreken. Je gaat je niet alleen naar oriënteren op een algemene toestand (genoeg eten of gezelligheid), je gaat je ook oriënteren op de ouders. Dat kan voorkomen vanaf de 3e incarnatie. Na de 7e of 8e incarnatie is het bijna onver­mijdelijk. Hier worden de karakters van de ouders ook erkend. En omdat de karak­terkeuze van de ouders stoffelijke factoren inhoudt, die je in de geest nog niet begrijpt, wordt de vorm van je voertuig ook ‑ al is het niet helemaal be­wust ‑ nauwkeuriger gekozen.

De aantallen incarnaties lopen sterk uiteen. We hebben de zeer oude zielen, die aan hun duizendste incarnatie toe zijn; dat zijn de eeuwige zittenblijvers van de kosmos. We hebben de zeer jonge zielen, die een, twee­ misschien driemaal een menselijke vorm hebben gekend. Na driemaal ben je al iets beter mens. De eerste twee keren, die weten het eigenlijk nog niet, die zijn in het vage. Degenen, die ontzettend veel levens achter zich hebben, dat is nu het typische, hebben zoveel dingen die ze willen vermijden, dat er eigenlijk geen keus meer is. Deze mensen komen daardoor tot een willekeurige keus. Maar deze kan dus nooit meer beantwoorden aan de achtergrond, die in de geest is ingebouwd, van “dit niet en dat wel”. Resultaat; die mensen zijn over het algemeen erg ontevreden. Dat zijn mensen, die eeuwig gefrustreerd worden, omdat ze zoveel dingen tegelijk willen bereiken en willen vermijden – allemaal heel doelbewust – dat ze gewoon geen tijd hebben om iets te bereiken, omdat ze te druk bezig zijn met iets te vermijden. En als ze dan eindelijk zeggen: Laat mij het risico nemen, dan is de bereikingsmogelijkheid meestal voorbij. Dat zijn mensen, die het gevoel hebben, dat ze tweederangs zijn. Ze hebben een minderwaardigheidscomplex. Dat komt dus uit de geest.

Dan zijn er natuurlijk ogenblikken, dat je in de entiteit zelf een soort resonantie kunt krijgen. Ik zal maar voorbeelden geven, dat maakt de zaak duidelijker:

Iemand is krijgsman geweest laten we zeggen in de tijd van het Romeinse rijk en heeft er met de een of andere cohorte rond gemarcheerd. Diezelfde leeft nu in Nederland en wordt opgeroepen in militaire dienst. En nu het typerende: de militaire discipline is weliswaar in haar methode, maar niet in haar wezen veel veranderd. Ik wil niemand van de militairen beledigen, maar het militarisme is zo oud, dat ik maar één vorm van beroep ken die ouder is. Nu gaat dus de herinnering aan vroeger herleven en wat zien we? Zo iemand munt uit in exercities. Dezelfde ruwe, speelse manier uit de Romeinse tijd gaat hij weer terugkrijgen. Zijn idee van tijdverdrijf is net zo rumoerig als het eens was in de Romeinse tijd. Deze mens vindt iets terug van de roekeloosheid en de wreedheid, die voor een Romeins soldaat normaal was, maar die in deze tijd voor de meeste iets zeer vraagwaardigs, zo niet ondenkbaars is. Het eind is, dat zo iemand meestal eindigt als beroepsonderofficier. Die resonantie is dus typerend.

Nu nemen we een andere resonantiemogelijkheid, opdat, u niet denkt dat het alleen maar militair is; Een herdersjongen uit de pre‑Babylonische tijd, Perzië misschien. Een fluitspelertje. Hij heeft ontzettend veel plezier gehad in het fluitspelen. Hij heeft zich daarin uitgeleefd, als hij met zijn kudde alleen was. Dat jongmens groeit op, komt op een gegeven ogenblik op de een of andere school waar blokfluit wordt gespeeld. En vreemd, de jongeman, die misschien eerst alle andere toeters beter vond, kan niet van de blokfluit afblijven. Hij zou misschien vanwege zijn vriendjes liever saxofoon spelen of beat‑gitaar. Vreemd genoeg ontwikkelt hij daarin zeer snel een zekere techniek. Hij voelt het instrument aan. Een herinnering uit een vorig bestaan, misschien 10 of 12 incarnaties geleden, keert terug en, beïnvloedt de vaardigheid in dit bestaan.

Nu zijn er natuurlijk ook genetische kwesties in het geding. Het kan zijn dat zo iemand een milieu heeft gezocht, waarin de muzikaliteit eigenlijk nog niet zozeer erfelijk is. Dan is hij een bezeten spelertje, maar brengt het nooit ver. Hij is alleen maar gelukkig, als hij zo nu en dan kan toeteren, al wordt de hele familie gek. Maar stel, dat hij een milieu heeft gezocht, waarin de muzikaliteit wel aanwezig is. Dan zien we dat de blokfluit een lievelingsinstrument blijft, maar dat hij daarnaast gaat zoeken naar andere fluitachtige instrumenten. Zo iemand kan bv. een fantastisch goede hoboïst worden. Hij kan een zeer goede fluitist worden op verschillende fluitinstrumenten, klarinet en saxofoon eventueel ook nog. Maar de liefde zal altijd vooral uitgaan naar de heldere toon van de fluit. Dat is dus niet alleen te verklaren uit milieu en erfelijkheid. Uit duizenden mogelijkheden wordt er eentje gekozen, die eigenlijk haast ondenkbaar is.

Er zijn op het ogenblik verschillende juffrouwen, die zich bijzonder gelukkig voelen, indien ze achter een grote trom of een paar pauken mogen staan. Dat is eigenlijk onlogisch. Hoe komt iemand ertoe om dat te kiezen? Dan moet u weer denken aan resonantie; Iemand heeft waarschijnlijk vroeger met dergelijke instrumenten te maken gehad, heeft die geluiden gekend, heeft zich daarmee beziggehouden. En is nu ergens in het muzikale milieu dat instrument naar voren treedt, dan is het net of je je dat herinnert. Het is of de slag al in de polsen zit, voordat je het ooit hebt geprobeerd. Deze resonanties, waarvan ik enkele voorbeelden heb ge­geven, zullen op velerlei terreinen mogelijk zijn.

Wat ik nu naar voren bracht, was een kwestie van een mentaliteit, gepaard gaande meestal met een opvoeren van stoffelijke bekwaamheid. Maar ik kan me nog een heel andere vorm van resonantie indenken; U heeft geleefd in het een of ander stadje, laten we zeggen Arles, Avignon of misschien Zughausen of iets dergelijks. Nu komt u in hetzelfde landschap terug na zoveel tijd. Nu is het noodzakelijk dat u ontspannen bent, want bent u druk bezig, dan komt zo’n echo meestal niet zo sterk door. Op een gegeven ogenblik krijgen we dan het vreemde ‑ ik weet niet wat het is. Het is, of het beeld uit het verleden samenvalt als een vergelijking van twee foto’s met het heden en je hebt het gevoel, dat er hier of daar iets niet in orde is. In feite, is daar in de loop der tijden iets veranderd. Het volgende ogenblik heb je ineens een herkenning; hé je wist al dat dat vreemde huis daar stond en dat die weg zo’n rare draai maakte. Hier blijkt dus, dat de herinnering uit vorige incarnaties in sommige ogenblikken naar voren kan komen als een vorm van kennis, zij het een intuïtieve en misschien onverklaarbare kennis.

Stel nu; iemand heeft in een ver verleden (Egypte) als geneesheer gewerkt. Hij heeft daarnaast (hij is later galeislaaf geweest) gewerkt in een soort apothekerij in een klooster rond het jaar 800 en hij wordt nu weer geboren in de wereld. Na heeft deze mens natuurlijk vele interessen. Die belangstelling zal – gezien de vorige incarnaties ‑ enigszins wetenschappelijk zijn. De grote kans bestaat, dat zo iemand nu een researchbioloog wordt; dus een bioloog, die zich speciaal met experimenten en onderzoek bezighoudt. Op dat terrein blijken ook allerhande herinneringsbeelden een rol te spelen en daardoor zal zo’n mens, daarnaast veelal belangstelling tonen voor b.v. oude receptuur, oude gebruiken, en zal trachten die om te zetten in het nieuwe. Hij weet zelf niet, dat hij bij zijn experimenten feitelijk meer door herinneringen van de geest wordt geleid dan alleen door de oude kennis, die hij heeft opgedaan. (U weet waarschijnlijk, dat er de laatste tijd een herleving van de oude geneeskunde aan de gang is. Dat is begonnen ongeveer in 1870 en op het ogenblik gaat dat zover, dat zeer oude kruidenrecepten maar ook zeer oude geneeswijzen weer worden onderzocht.) Een bewijs, dat er mensen in dat onderzoek zitten, die ergens deze reflectiewerking hebben.

Nu wordt het misschien wel wat duidelijker hoe een persoonlijkheid door een vorig leven kan worden bepaald. Het is allemaal heel aardig om te vertellen dat de vorige levens je noodlot hebben bepaald. Ik heb in m’n vorig leven Jan een klap op het hoofd gegeven, dus zal ik maar vast een valhelm opzetten, want in dit leven zal Jan mij een klap op het hoofd geven. Dat is de simpele vorm, waarin men dan via allerlei karma‑theorieën tracht de vorming van de persoonlijkheid en de problematiek ervan te vertalen. Maar zo eenvoudig is het nu eenmaal niet. Je hebt te maken met de vorming van je wezen en daarmee lok je automatisch allerhande dingen uit, dat is waar. Daardoor vind je vaak een zekere onvrede met het leven, waarmee je best tevreden zou kunnen zijn. Daardoor word je laf waar je moedig had kunnen zijn en omgekeerd. Dat is allemaal heel begrijpelijk en ik geloof niet, dat iemand zich druk erover zal maken. Maar stel nu eens even, dat door een reeks incarnaties angsten zijn ontstaan.

Ik heb daarnet gesproken over deficiëntie. Tekorten kunnen op een gegeven ogenblik een soort dwangneurose vormen. Je hebt mensen, die zoveel honger hebben geleden, dat ze niet gelukkig zijn, indien ze niet minstens 10 suikerklontjes in hun tas hebben. Raar maar waar. Op dezelfde manier kan de geest een soort neurose vormen; n.l. als het ego bepaalde tekorten zo vaak heeft ervaren, dat het bang is voor elke relatie van beleving, die daarmee in verband staat. Dan krijgen we dus een ziekelijk vermijden van bepaalde aspecten in het leven. Het komt niet alleen tot uiting bij de incarnatiekeuze, maar dat zal verder een rol spelen in het karakter, in de karakteristiek van die mensen. Afwijkingen kunnen daardoor worden verklaard. Als u nu dergelijke verlangens en angsten hebt, dan leeft u in een wereld zoals de uwe, die nogal complex is en daardoor uw gedrag nogal regelt. U denkt misschien dat u allemaal vrije burgers bent. U bent, als u denkt een vrije burger te zijn, waarschijnlijk alleen maar vrij burgerlijk. U bent gebonden aan uw gedrag, uw normen, uw ervaring, uw waardering.

Nu kan het wel eens zijn, dat die waarderingen in strijd komen met die angsten of begeerten, die in dat “ik” bijna ziekelijk zijn vastgelegd. Zou dat “ik” ze kunnen uitleven, dan zou het ermee afgelopen zijn. Het zou na 1 of 2 incarnaties uit de wereld zijn. Dan blust het zich uit. Maar nu kan het net niet. Het blijft dus bestaan. De wereld wil echter dat je doet, of je er niet bang voor bent, dat je er niet naar verlangt en dan begin je schizofreen te worden. We krijgen dan een gespletenheid, die niet lichamelijk wordt veroorzaakt (u weet, schizofrenie heeft vele lichamelijke oorzaken, waaronder vergiftigingsverschijnselen), maar die eigenlijk van de geest uit wordt opgelegd, omdat het werkelijk geestelijke facet van het “ik” alle mentale beelden aangrijpt om al het gevreesde van zich af te zetten en om al het begeerde naar zich toe te halen, want dat is ziekelijk. Gelijktijdig is daar dat lichaam (gedisciplineerd, een Pavlov‑reactie, zeg maar), waarin alles precies tegengesteld moet gaan aan wat het “ik” wil.

Laten we zeggen: dat “ik” is bang voor honger en komt in een wereld terecht, waarin het onbeleefd is veel te eten. In uw maatschappij is daar wel een oplossing voor: dat zijn de nachtelijke koelkastlopers. Dat zijn mensen, die – al hebben ze twintig keer geluncht en nog een keertje gedineerd ‑ niet naar bed kunnen voordat ze hier of daar nog iets verschalkt hebben.

Maar stel nu, dat het iets is dat tegen een absoluut taboe aanloopt. Laten we zeggen; u bent agressief. U bent geneigd om iedereen, die u aanraakt maar meteen een pak slaag te geven en als u dat doet, dan wordt u geconditioneerd eventueel via de politierechter en de zachte handen van de politie of misschien via het een of ander instituut. U blijft toch die angst hebben. Nu komt er een ogenblik, dat die agressie wordt onderdrukt door de reactie, net zolang totdat de geconditioneerde reactie, die de maatschappij je oplegt, wordt verbroken. Maar dan zien we ook een absolute normverandering, want dan kun je de hele wereld niet eens meer zien zoals ze is. Je reageert dan volgens de angst‑ of de begeertebeelden, die in je leven, totdat die agressie is gespuit en de spanning is teruggelopen. Dan sla je ineens weer terug en weet je plotseling weer hoe het hoort in de maatschappij.

Dat ziektebeeld is dus iets, wat eigenlijk ook in het “ik” bestaat. Nu wil ik helemaal niet beweren dat we allemaal ziekelijk zijn, als we geïncarneerd zijn. De meesten van ons weten nog wel een enigszins gezond evenwicht te vinden. Maar we hebben onze voorkeuren, onze afkeuring, onze angst, onze verlangens en we drukken die uit in materiële middelen. Het lijkt misschien heel vreemd, als ik u ga zeggen dat iemand, ideeën, gebrek aan communicatie heeft ervaren (dus te weinig contact met zijn medemensen heeft in dit leven) misschien nymfomaan wordt of het mannelijke tegendeel: een soort sater. En dan zeggen de mensen; Ach, wat zijn die lui bandeloos. Dat is geen bandeloosheid, maar doodgewoon het onvermogen om een geestelijke communicatie op te bouwen. Men heeft nu eenmaal dat tekort en gelijktijdig bestaat die enorme communicatiebehoefte; en die wordt dan stoffelijk uitgedrukt, maar blijft ergens teleurstellen, ze blijft ergens ha­peren. Laten we zeggen: er is gebrek aan een begrijpelijke respons. Het resul­taat is een onverschilligheid voor datgene, waartoe men gelijktijdig wordt ge­dreven. Dan kun je zeggen: Ik keur de losbandigheid van iemand af. Je kunt gemakkelijk afkeuren, maar voor die ander is dat een behoefte; het is misschien een doorbreken van een isolement. Je kunt de gierigheid van een bepaalde per­soon afkeuren, maar is die mens nu werkelijk gierig of probeert hij zijn angst voor tekorten op die manier weg te dringen? Ik geloof, dat die invloed langzaam maar zeker duidelijk uit de verf is gekomen. En dat betekent, dat we het weer moeten samenvatten in een paar stel­regels. Dan zeggen we;

  1. Het geestelijk “ik” of het werkelijk ego behoudt alle grote ervaringen van bereiking, van tekortkoming, van angst en van voldoening. Deze worden behouden in associaties, nimmer in een compleet en waarheids­getrouw beeld.
  2. De gedragsnormen, de besefsnormen en de placering in de totaliteit van het “ik” worden daardoor mede bepaald.
  3. De geestelijke eigenschappen kunnen in het stoffelijk “ik” nooit volledig worden uitgedrukt. Zij zullen echter bij de keuzen een rol spelen, zodat een zekere overeenkomst tussen erfelijke mogelijkheid en geestelijke erkenning, noodzaak of angst aanwezig blijft. Hierdoor zal de bevoertui­ging de mogelijkheid hebben de geestelijke noodzaak uit te drukken.
  4. Het stoffelijk “ik” is dus het product van het totaal der vorige bestaanservaringen plus de mogelijkheden, die via erfelijkheid lichamelijk aanwezig zijn plus de conditionering van de maatschappij, waarin het stof­felijk “ik” zich beweegt. Zodra daarin een harmonie wordt bereikt, zullen spanningen worden opgelost en zal gelijktijdig een bewustere gerichtheid en keuze in een positieve geestelijke richting mogelijk worden.

Nu zult u zeggen: Daar zijn misschien formules voor. Er zijn inderdaad vele formules, maar aan elk ervan mankeert er iets. Want je kunt een reïncarnatie natuurlijk omschrijven als de geboorte in de materie, maar wat daaraan vooraf­ gaat is in zichzelf ook een cyclus.

Die cyclus is vaak ook weer moeilijk uit te drukken. Het eenvoudigst is te zeggen: Je gaat omhoog via verschillende sferen, tot het moment dat je niet meer kunt beseffen (een korte tijdelijke uitblussing a.h.w. een soort bewusteloosheid), waarna men terugkeert, maar nu in dalende richting, op hetzelfde niveau, zich weer bewust wordt en dan in omgekeerde volgorde al die trappen afwerkt. Men wordt geboren, men maakt een cyclus van leven door en keert nu onder het leven terug, dus in de chaos. Vanuit die chaos (waarin men dus ook een black‑out kan hebben, maar noodzakelijk is dat niet) komt men tot een reconstructie van het stoffelijk leven en de gebondenheid aan diezelfde sfeer en gaat weer naar boven, enz. enz. De kringloop.

Dat is een formule. Maar u begrijpt, dat die formule, alleen juist is, indien we aannemen dat er maar één keer in de stof wordt geleefd. Indien er meer­malen in de stof wordt geleefd, dan gaan de herinneringen een rol spelen, maar dan zal ook het geestelijk geheugen een grotere rol gaan spelen op een hoger niveau, naarmate men geestelijk bewuster is. Daarover zou ik nog wat willen zeggen.

Zomerland is eigenlijk een wereld opgebouwd uit herinneringsbeelden van de eigen stoffelijke wereld. De herinnering aan vorige bestaansvormen is daar bijna niet bereikbaar. Komt men in een vormvervaging terecht (wat we bij ons de wereld van klank en van kleur noemen), dan zullen vormbepalingen geen rol meer spelen en worden dus de ideeën, die emoties en mede een zeker besef of begrip bevatten, belangrijker dan constateringen. Op het ogenblik, dat dat is bereikt, gaan dus alle dingen, die door vorm niet konden worden uitgedrukt en die in de Zomerlandsfeer niet worden beseft, meespreken. Kom ik in een sfeer, waarin ook de differentiatie ‑ vanuit stoffelijk standpunt dan ‑ in klank en kleur wegvalt, dan ben ik één met dit verleden, omdat dit dan voor mij net zo reëel is als mijn eigen wereld, het staat op gelijk, niveau. Ik ben mij dan van mijn “ik” bewust in de totale reeks incarnatie, en de geestelijk tussenliggende trappen die ik heb doorgemaakt.

Keer ik nu uit die sfeer terug op aarde, dan doe ik dit met een totaalbewustzijn. In dat totaalbewustzijn zijn de meesten, de begeerten, de frustraties, die zo’n grote rol spelen bij de minder bewuste incarnaties, eigenlijk voor een groot gedeelte weggevaagd. In het totaalbeeld kan ik n.l. de verhou­dingen zien. Dat kan ik niet doen van incarnatie tot incarnatie. Door dit totaalbeeld ontstaat er wat men noemt een harmonische instelling, waarmee een bepaald doel ‑ en nu met veel meer macht, kracht, ijver en consequentie ‑ wordt nage­streefd dan voordien, maar waarbij gelijktijdig de innerlijke strijdigheden voor een zeer groot deel wegvallen. In zo’n geval hebben we dan eigenlijk te maken met de Leermeesters der mensheid. Een Leermeester der mensheid incarneert dus zeer snel.

Nu kan ik me voorstellen ‑ en u waarschijnlijk ook ‑ dat iemand dat niveau heeft bereikt, zich een taak heeft gesteld en door omstandigheden in een menselijk leven deze niet geheel kan voltooien. Toch is het noodzakelijk om dat leven te onderbreken, daar andere factoren van vervulling en misschien ook een ontstaan gebrek daartoe nopen. Dan zal zo iemand versneld incarneren. Nu krijgen we een eigenaardig verschijnsel; Ofschoon er een ander lichaam voor hetzelfde ego wordt gebruikt, zal dit andere lichaam na zeer korte tijd (meestal reeds op 4‑ of 5‑jarige leeftijd) alle karakteristieken gaan vertonen van het vorige lichaam. Het zal het geheugen van het vorige lichaam voor een groot gedeelte behouden en het zal de doelgerichtheid van de volwassene (de oude mens) nu in jeugdige vorm bezitten en kunnen voortzetten. In een dergelijk geval is er dus geen sprake van een “ik” dat door vorige incarnaties wordt beïnvloed. Hier is het stoffelijk “ik” zuiver het resultaat van het geestelijk “ik”. De incarnatie is incidenteel. Ze is alleen maar een uitingsnoodzaak en komt daaruit voort. Het is dus niet meer het experiment, het zoeken naar een oplossing voor jezelf, zoals in de vorige door mij geciteerde gevallen.

Nu denkt u misschien, dat we er zijn. Neen, nog net niet. In dit beeld heb ik tot nu toe duidelijk gemaakt, hoe het “ik” in zekere mate wordt gevormd door de verschillende levens en hoe de uiting van dat ego in elk leven weer wordt bepaald door alles, wat er geestelijk reeds bestond. We hebben daarbij nog één ding verwaarloosd; en dat is wel wat men de geestelijke capaciteiten noemt. Daarmee bedoel ik zowel de occulte begaafdheden als de buitengewone gevoelig­heden. Om u een voorbeeld te geven:

Er zijn mensen, die technisch gevoel hebben. Ze weten het zelf niet. Als die mensen een schakelbord zien, dan zien ze niet alleen de buitenkant, maar ook de schakelingen erachter. Ze zien hoe de stroom loopt. Daardoor kunnen zij een fout in een ogenblik opheffen, terwijl een ander misschien urenlang bezig is met meten. Die mensen zijn in staat om met een enkele blik in een grote machine te zeggen; Daar moet ergens een scheurtje in het metaal zitten. Gaat men het dan na met instrumenten, dan blijken ze gelijk te hebben. Deze mensen hebben dus een affiniteit ontwikkeld met bv. een materiaal. Het vreemde is, als dat een affiniteit met een materiaal is, dat het dan vaak in een bepaalde klasse ligt. Sommigen hebben affiniteit tot metalen, anderen tonen een mentale affiniteit tot bv. krachtstromen en krachtbronnen. Weer anderen vooral voor vloeistoffen enz. enz..

Deze gevoeligheden kunnen ook op het menselijk lichaam worden toegepast. We kennen allemaal het voorbeeld van de arts, die met één blik de juiste diagnose stelt. De chirurg, die uit tien mogelijke oorzaken waar niemand een definitief antwoord op kan geven, niet alleen de juiste kiest, maar zelfs zijn eerste incisie zo aanbrengt, dat hij met de minst mogelijke schade en moeite bij de bron van het kwaad kan komen. Dat zijn feiten, die in medische kringen bekend zijn en die ‑ naar ik meen ‑ naar buiten toe ook wel bekend zijn geworden.

We hebben mensen, die filosoferen en die eigenlijk in plaats van de rechte lijn te volgen soms ineens een zijweg inslaan; ze schijnen af te wijken. Maar nu blijkt, dat ze in een associatief begrip verdeeld zijn geraakt, waardoor de gehele weg die ze filosofisch wilden volgen ineens duidelijker wordt. Er komt een nieuw licht. Deze mensen hebben een affiniteit voor een bepaalde wijze van redeneren.

Die affiniteiten zou je ook kunnen hebben bij iemand, die magnetiseert. Iedereen kan leren magnetiseren, maar er zijn maar heel weinig mensen, die het intuïtief zelf goed doen. Die mensen weten niet eens wat ze doen. Ze stellen een diagnose, zonder dat ze weten dat ze dat doen.

Over deze affiniteiten wil ik iets vertellen. Ze zijn natuurlijke eigenschappen, die ook in het stoffelijk “ik” moeten zijn ingebouwd. Er moet hereditair wel een kleine mogelijkheid aanwezig zijn. Maar een geest, die op de een of andere wijze, een verwantschap heeft gekregen met zekere vormen van occultisme, of van denken, of van waarneming, die zal dat over het algemeen nog wel kunnen overdragen. Deze affiniteiten nu ontstaan niet in vorige stoffelijke levens, maar zijn wel het resultaat ervan. Een beeldhouwer bv. zal vroeger in steen hebben gewerkt. Hij heeft zich op zijn manier verdiept in steen. Het resultaat is, dat hij niet alleen fouten in steen ziet, maar dat hij een scherp onderscheid kan maken.

Iemand is misschien in het verleden een primitieve smid geweest. Metaal was een deel van zijn religie. Daardoor was hij geestelijk ‑ en dat blijkt belangrijk voor kennisname ‑ geïnteresseerd in metalen. Hij ging iets beseffen van hun moleculair structuur, hun samenhangende rotatietraagheid van het molecuul en al die dingen meer. Hij kon dat niet uitdrukken, want geestelijk bestaan die termen niet, maar hij wist het. Toen hij weer incarneerde, bracht hij dit besef mee, maar hij kon het niet mentaal uitdrukken (mentale overdracht is toch al moeilijk voor het geestelijk ego en in dergelijke gevallen bijna onmogelijk); hij kon wel de gevoeligheid ontwikkelen. Nu gaat die gevoeligheid weer een rol spelen in de totale persoonlijkheid op meestal onbewust niveau. Het zal u nu misschien niet meer zo verwonderen te zien, dat mensen met gelijke achtergrond, gelijke geestelijke capaciteiten toch op een gegeven ogenblik geheel verschillende manieren van gevoeligheid tonen, waardoor ze bij dit gebruik worden geleid. Dit is een gevolg van de geestelijke studie, die je maakt na de overgang.

Ik heb in het schema, dat ik besprak, het gehad over dat je een ogenblik van black‑out kunt hebben, als je door de sferen gaat. Je komt aan een sfeer waar je niet meer bewust kunt beseffen. Je komt in een soort stupor, een slaap, waardoor je vagelijk droomt. Als je ontwaakt, keer je terug naar je eigen wereld, maar de gerichtheid t.a.v. die wereld is een andere geworden. Dat is in ieder geval een vaststaand verschijnsel, dat kennen we allemaal. Zoals ook de overgang naar een hogere sfeer gepaard gaat met iets, wat we een schok of reflex zou kunnen noemen, waarbij het lijkt, of alles op een kaleidoscopische wijze uit elkaar, en weer in elkaar schiet in een nieuwe verhouding, zonder dat bestanddelen zijn veranderd. Deze geestelijke gang van zaken ‑ ik zeg nogmaals onvolledig voorgesteld ‑ is gebaseerd op de recapitulatie van uw leven.

Indien u in uw leven veel ervaringen hebt opgedaan, onverschillig welke dan zijn daaruit angsten en begeerten voortgekomen, maar er komt ook heel vaak een neiging naar voren om jezelf op een bepaalde manier te richten en te uiten. Dat heeft niets te maken met de opvattingen die je erover hebt. Soms ben je ziek van jezelf, als die dingen doet; en soms voel je je boven alle mensen verheven. Dat speelt geen rol. Het is de ervaring, die een rol speelt.

Na de overgang ontstaat er dus iets, wat we capitulatie noemen. Het is wel niet helemaal je leven terugbeleven, dat is een fabeltje, maar het is het selecteren van allerlei momenten eruit; en daaruit ontstaat nu, geestelijk gezien, een begrip. Dat begrip bepaalt, hoe je a.h.w. verder studeert, waar je belangstelling ligt en waar je dus het meest absorbeert. Door deze belangstelling en absorptie kunnen een aantal stoffelijk niet helemaal omschrijfbare capaciteiten in een volgende incarnatie worden ontwikkeld. Ze zijn erfelijk dan nooit volledig aanwezig, maar wel moeten de erfelijke factoren een mogelijkheid ervoor openlaten. Ze ontwikkelen zich over het algemeen betrekkelijk traag. Herinneringen aan vorige incarnaties zijn vooral in de jeugdjaren bijzonder sterk.

Deze begaafdheden ontwikkelen zich echter vreemd genoeg pas na de puberteit. Als we de geestelijke puberteit buiten beschouwing laten, die in deze tijd nogal wat laat is, dan kunnen we de tijd stellen tussen de 20 en 27 jaar. In deze periode ontwikkelt het zich. Het vreemde is, dat het gebruik van deze eigenschappen meestal nog wordt uitgesteld. De meeste mensen, die er gebruik van gaan maken zijn tussen de 35 en 50 jaar. Het gebruik, dat je van die eigenschappen maakt, geeft weer een nieuwe verwantschap met het heelal en het materiaal; en dit houdt een uitbreiding in. In een volgende incarnatie zal dan een veelheid van gaven ter beschikking staan. Gezien het normale menselijke leefpatroon zal één ervan bij uitstek goed ontwik­keld worden, terwijl de rest er maar een beetje bij bengelt. Maar daar moet je je maar niets van aantrekken, want je hebt dan verscheidene geestelijke of intuïtieve mogelijkheden om op terug te vallen. Zo kan het ego zich langzaam maar zeker uitbouwen tot een wezen, dat niet alleen in zijn wereld zijn totale verleden a.h.w. vervult, aanvult en evenwichtiger maakt, maar dat gelijktijdig een steeds groter deel van zijn geestelijke er­varingen (hetgeen in de sferen werd geleerd) kan vastleggen in de materie en tot een soort beleving maken voor zich en voor anderen.

In uiterste volmaaktheid krijg je dan de grote ingewijde met een absolute beheersing over de materie en over zichzelf en daarbij met de gave om ook voor anderen die dingen te doen. Dat is dus niet alleen de man, die even een stukje lood neemt en er goud van maakt. Dat is net zo goed de mens, die een stuk steen noemt en er een stuk brood van maakt, als er honger wordt geleden. Het is de mens, die iemand terugroept van de grens van de dood. Iemand, die met een enkel handgebaar een gebroken bot dwingt zich te reconstrueren in een buiten-tijdsver­houding, waardoor het lijkt, of het ogenblikkelijk genezen is en dergelijke dingen meer. Dat is dus het eindproduct.

U bent geen van allen zover, naar ik aanneem. Maar ook uw “ik” is het resultaat van vorige levens. Alles wat u in dit leven bent (niet volgens de normen van uw wereld, maar werkelijk in uzelf), is het product van noodzaak, van angsten, van behoeften. Het zijn ervaringen, die u nodig heeft om in een volgend leven weer beter en harmonischer te zijn. Daarom zou ik u alvast één raad willen geven aan het einde van deze inleiding:

Tracht u nooit te beklagen over hetgeen u bent. Heb nooit een afschuw van hetgeen u bent en doet, maar tracht wel te begrijpen, dat alles wat u bent en doet alleen zin heeft, indien het uiting geeft aan uw persoonlijkheid en zo bijdraagt tot de verdere vorming van uw “ik” in een eventuele volgende incarnatie.