Het “ik” en de wereld

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

Het samengestelde wezen dat mens heet, beschouwt zijn wereld wel op een zeer bijzondere manier. Zichzelf als centrum stellend van een onmetelijk groot universum raast de kleine mens, oordeel na oordeel vellend, veroordelend waar hij maar kan, door een wereld, die hij niet eens beseft of kent. Daarbij treden soms zeer veel eigenaardigheden op.

Laat ons bv. het geval eens nemen van een oude wijsgeer. Deze bezag met een zekere minachting het mensenras. En toen men hem vroeg: “Hoe stelt ge u dan voor dat een liefdevolle God staat tegenover de wereld?” antwoordde hij: “Nu ja, misschien heeft een hond ook enige gehechtheid voor zijn vlooien.” Daarin weerspiegelt zich een wereldvisie die ‑ buiten al het pessimisme dat er verder in zit ‑ zeker niet aanvaardbaar geacht kan worden. Wanneer een mens zijn wereld ziet als iets verachtelijks, iets kleins, dan degradeert hij daarmee zichzelf tot nul en onbelangrijk, maar begint gelijktijdig als een God te oordelen. En waarop baseert hij dat oordeel?

In de eerste plaats ziet hij. Een zeer groot gedeelte van het menselijk weten en denken wordt geboren uit de visuele ervaring. Maar ziet hij zuiver wat er gebeurt? Neen. In de eerste plaats nemen zijn ogen wel een totaalbeeld op, maar zijn bewustzijn neemt van dit beeld slechts een klein gedeelte op, zodat de voorstelling die hij van de wereld heeft, op zijn minst genomen vol met hiaten zit, voor zover het om het visuele gaat. Verder zijn die ogen gelimiteerd, d.w.z. boven een bepaald aantal trillingen nemen ze niet meer op, onder een bepaald aantal trillingen ook niet. Hij is dus maar voor een zeer klein gedeelte voor de wereld der verschijnselen visueel wakker. Voor de rest slaapt hij. Hij meent echter dat hetgeen hij ziet, werkelijkheid is.

Die wijsgeer heeft waarschijnlijk ontzettend veel slechts van de mensen meegemaakt. Hij heeft langzaam maar zeker zichzelf ontworsteld aan begrippen als bezit en belangrijkheid, of misschien zelfs alleen gemeend dat deze voor anderen nog niet bestonden. En zo komt hij tot zijn oordeel. Hij beschouwt de mens als een soort kosmisch ongedierte. Dan is de wereld waardeloos, nutteloos, zinloos. Dan bestaat er geen God, of als er al een bestaat, is het een God waar wij niets mee te maken hebben, waar we niets mee van doen hebben.

Zou deze mens werkelijk de wereld gezien hebben? Zou hij gezien heb­ben de moederliefde, de glimlach, de eerste glimlach misschien van een jong kind? Zou hij iets gezien hebben van de rijkdom van kleuren die over de gehele wereld liggen? Zou hij iets gezien hebben van de belangrijkheid die het streven voor een mens heeft? Zoals voor een boer bv. het zaaien? De vroomheid haast waarmee vele dingen gebeuren? Ik vermoed van niet.

De mens is blind geweest. Indien het alleen zou blijven bij de ogen, dan zou de misleiding nog betrekkelijk beperkt zijn. Dat er hiaten zijn, kunnen we vaststellen. Maar hoe dan met het gehoor?

Wij horen. De oren staan open. U hoort allerhande dingen, maar wederom in een begrensd en beperkt gebied. Wat erbuiten bestaat kunt u met het oor niet horen om de doodeenvoudige reden, dat het klanksysteem van trommelvlies plus de verschillende beentjes daar eigenlijk niet op berekend is. Dus wij horen in de eerste plaats niet alle klanken. In de tweede plaats horen wij ook ‑ dankzij onze instelling als mens op aarde ‑ lang niet altijd alles wat er gebeurt.

Heeft u misschien weleens gehoord van die handelsreiziger, die in Londen sliep vlak bij een groot viaduct waar veel treinen overheen raasden? Deze man hoorde wel de stilte, toen er een spoorwegstaking was, maar een trein hoorde hij niet meer. Nu was dat een gunstig geval van gehoorblindheid, van kunstmatige doofheid. Maar er bestaat ook een ander soort doofheid. Het kan zijn dat je niet graag wilt horen dat je verkeerd wordt beoordeeld of slecht wordt beoordeeld. Wanneer de mensen dan tegenover je zitten en dat oordeel uitspreken, hoor je daar alleen dat gedeelte van wat nog vleiend is voor je persoonlijkheid, maar de rest gaat je voorbij. Bij kinderen spreekt men over Oost-Indisch doof. Wel, zuiver psychologisch gezien is de mens ongeveer doof voor 1/3 van de indrukken die zijn trommelvlies bereiken.

En dan hebben we nog de tastzin. Natuurlijk, wij kunnen verschillen voelen. Wij voelen de warmte van de zon, de koelte van de wind, maar ook het gladde misschien van hout en de vorm die eraan zit. Maar kunnen wij alles voelen? Neen. Er zijn bepaalde verschillen die we niet kunnen voelen. Noem bv. het verschil warmte en koude. U dacht dat u dat kon voelen? Neen, dat voelt u niet. U ziet en u voelt een aanraking die onaangenaam is, maar u kunt niet definiëren of die aanraking werkelijk warm of koud is, wanneer de warmte en de kou een bepaalde mate te boven gaan. Ook hier weer een zeer nauw omschreven gebied waarbij een redelijke bepaling mogelijk is.

Dan hebben wij nog te maken met het voorstellingsvermogen. Want dat speelt ook een rol. Er is een keer gezegd: “Bewustzijn is het ver­mogen om feiten vast te stellen, in het “ik” op te slaan en zodanig te correleren dat eruit een predictie voor komende omstandigheden kan voortvloeien.” Deze spreuk is natuurlijk waar. Maar die correlatie kan niet volkomen automatisch geschieden, anders zou een mens niet veel meer zijn dan een denkmachine. En dat is niet waar. Hij heeft bepaalde begaafdheden zoals dat heet, d.w.z. bepaalde centra zijn overontwikkeld, bijzonder gestimuleerd, andere zijn bijna blind. Geen mens kan de door hem ontvangen prikkels op volkomen gelijke wijze met een ander ge­lijkelijk ervaren. Ieder ervaart anders. Iedereen verwerkt anders, iedereen herinnert anders, iedereen reageert anders. Daar staat u dan midden in uw wereld, helemaal alleen. Ook al hebt u zoveel aanrakingspunten, ook al kunt u gezamenlijk spelletjes doen en wetten maken, ook al kunt u gezamenlijk genieten van de schoonheid van een bloem. Maar weet u of ‑ terwijl de warme kleur van de roos u boeit en u dus visueel getrokken wordt ‑ een ander daar niet praktisch blind voor is en alleen door de geur geprikkeld wordt? Dat kunt u niet weten. U weet alleen dat u haar allebei mooi vindt. En wanneer u erover spreekt, zal de ander heel vaak ook spreken over de mooie kleur, terwijl hij in feite de fijne geur bedoelt die voor hem de warmte in de kleur brengt. Want hij associeert de zintuiglijke ervaringen en krijgt daardoor het voorstellingsbeeld dat in het voorstellingsvermogen de waarde van het aanschouwde bepaalt, van het ervarene zelfs bepaalt.

Ik geloof niet dat ik veel verder behoef te gaan met mijn voorbeelden. Het is wel duidelijk geworden: de mens staat in zijn wereld als een eenling. Hij kan nooit zeker zijn, dat hij hetzelfde ziet en ervaart als een ander. Dit komt vooral omdat de taal (als weergave) op algemene normen is gebaseerd en het zeer moeilijk is speciaal de kleine verschillen ‑ uiterst belangrijk vaak voor de psychische reacties nauwkeurig te omschrijven en te definiëren.

We hebben de vorige maal al gesproken over preconditionering. Over het vaststaan van geestelijke eigenschappen in het wordende kind. We hebben er de nadruk op gelegd dat elke mens een eigen ontwikkeling doormaakt. Die ontwikkeling beperkt, begrenst en richt uw voorstellingsvermogen. Ook hiermee is uw wereldbeeld volkomen fout ten aanzien van “de” werkelijkheid.

En nu blijven we nog op een zeer reëel vlak, begrijp mij wel. Want ik kan heel goed beginnen te beredeneren dat alles ‑ zelfs datgene wat door eenieder gelijk zou moeten worden ervaren ‑ waan is. Dat wil zeggen, een voorstellingswaarde en geen realiteitswaarde. Maar die argumenten zullen wij voorlopig terzijde houden. Er is tijd genoeg om daar later eens filosofisch over te praten.

Waar het op het ogenblik om gaat is dit: wanneer u leeft in een wereld, die u niet geheel kunt beseffen, die u niet juist ziet, dan komt er een ogenblik dat een zeer sterk verschil tot uiting komt tussen uw voorstelling van de wereld en de werkelijkheid die zich aan de hand van verschillende, door zintuigen ontvangen indrukken, tenslotte kenbaar maakt. Er zijn dus voor ieder van u twee werelden. Een wereld zie je, de andere wereld onderga je. Je ondergaat de zgn. realiteit, je ziet “jouw” wereld, een zeer subjectieve, een zeer irreële wereld vaak. Daaruit bouw je je ervaringen op, daaruit zoek je tot bewustzijn te komen. Het is duidelijk dat u ‑ zeker wanneer u beperkt blijft tot het gemiddelde van de stoffelijke waarnemingsvermogens alleen ‑ steeds in conflict zult moeten komen met de werkelijkheid, omdat uw persoonlijkheid niet daarop is afgestemd, omdat uw persoonlijkheid niet in staat is de werkelijke waarde van de wereld te hanteren, doch slechts de begrippen die binnen het “ik” besloten blijven. Wat moeten wij daartegen doen? Bestaat er een uitweg uit dit eigenaardig dilemma? Moet ik nu mijn eigen wereld volledig aanvaarden of moet ik zoeken naar de realiteit?

Wij, die wat verder van uw wereld afstaan, menen een oplossing gevonden te hebben. Die oplossing is betrekkelijk eenvoudig en gelijktijdig moeilijk. U moet leren om altijd de werkelijkheid boven het eigen oordeel, de eigen visie te stellen, zodra zij zich kenbaar, merkbaar maakt. U moet verder, wanneer uw eigen wereld bestaat, deze eigen wereld nooit gebruiken om daarin predicties, toekomstvoorspellingen te bouwen. Deze kunnen in een reële wereld nooit gelijkelijk verwerkelijkt worden. Zolang u leeft in het ogenblik van het heden, in het Nu dus, zal er een zekere overeenstemming noodzakelijk zijn tussen innerlijke en uiterlijke wereld en die wordt ook inderdaad tot stand gebracht, omdat elk binnenkomen van zintuiglijke waarneming een voortdurende correctie betekent van eigen wereldbeeld en zo althans een redelijke aanpassing bereikt kan worden. Op het ogenblik dat u met uw denken uit grijpt boven het ogenblik “heden”, leeft u in uw subjectieve eigen wereld en kunt u nooit berekenen wat de werkelijke wereld zal doen.

De grootste strijd van de mens, de grootste angst van de mens, ontstaat uit het onverwachte. Dit onverwachte is alleen onverwacht voor degene die het ondergaat. Denkt u maar aan de volgende eenvoudige proef (een test die men wel heeft om de reactievermogens en de zelfbeheersing te onderzoeken): men zet iemand rustig op een stoel, begint met hem te praten, drukt op een knop en ineens begint er onder die stoel een claxon te loeien. De één siddert en voelt zich plotseling bedreigd door allerhande autopiraten. Een ander realiseert zich na de eerste schrik, wat het geluid is, herwint zijn beheersing en gaat verder. Een derde realiseert zich wat het is, maar kan zijn onbeheerste schrikbeeld niet terzijde stelle en is absoluut niet meer in staat gedurende de eerste 50, 60, of soms zelfs 120 seconden normaal te reageren. De normale schrikpe­riode ligt op ongeveer 20 seconden. In die 20 seconden is nl. eerst de verwerking van de prikkel noodzakelijk, dan de automatische reactie met ‑ iets vertraagd daar achteraankomend ‑ de realisatie. Eerst daar­na treedt beheersing in.

Wanneer nu zo’n proef wordt genomen met die auto‑claxon, weten we dat, want die proef is daarop gebeurd, die claxon is daarvoor aangebracht. Voor de anderen is dit helemaal niet schrikwekkend. Ze kunnen er rekening mee houden, zelfs wanneer het ogenblik dat die claxon loeit, onverwachts komt. U, die het niet weet echter, bent aan een plotselinge schok onderhevig die juist daardoor de tuimeling wel eens belangrijk of interessant kan maken. Het behoort overigens ‑ hoop ik ‑ niet meer tot de nieuwste methoden van psychologisch onderzoek. Maar het is een methode die men in de oudheid gebruikte. De zeer nabije oudheid dan d.w.z. 20 tot 30 jaar geleden. Dat is in de psychologie al een zeer oude tijd.

Zoals het nu gaat met die claxon, zo gaat het in het leven. U hebt niet gerekend op een regenbui, maar zij komt. Bent u nu in staat die regenbui te accepteren, u daaraan in te passen, dan zult u gaan schuilen. Maar hebt u zich zo vastgeklampt aan het idee dat u vandaag dit en dat zult moeten doen, wat doet u dan? U gaat door die regen verder, zonder U te realiseren dat een plotselinge afkoeling voor u zelfs misschien een longontsteking kan betekenen, op zijn minst genomen een lichte verkoudheid. Ook dat hebt u niet berekend. Dus wordt u geheel uit de baan van het gewilde gedrongen, eenvoudig doordat u zo sterk hangt aan het toekomstbeeld dat in u leeft, dat u zich niet kunt baseren op de realiteit van heden.

Was dat alles, dan was het betrekkelijk gemakkelijk. Maar er is nog meer. De mens is sensitief voor vele stralingsgebieden en trillings-gebieden die niet behoren tot het normaal zintuiglijke d.w.z. tot dat­gene wat iedereen zintuiglijk het sterkst ervaart. Er zijn mensen die buitengewoon gevoelig zijn voor bepaalde trillingen, niet alleen met het oor, ook met het zenuwstelsel. Het is mogelijk bv. in de trai­ning van doofstommen om de wijze waarop bepaalde geluidstrillingen voelbaar worden (die worden niet overal gelijkelijk voelbaar), te gebruiken om toonhoogten te onderscheiden en dus een zeker horen; ook bij de­genen die doof zijn. En dan blijkt dat de ene toon gevoeld wordt in de borstholte, de andere in de kaak, de derde in de buikholte, enz. Het is dus logisch dat u die doof bent voor een reeks van trillingen die liggen boven het gehoor en die ook niet zichtbaar zijn, toch daardoor beïnvloed kunt worden op dezelfde manier als de doofstomme. Logischer­ wijze zult u dus een aantal beïnvloedingen ondergaan die u niet defi­nieert, omdat niemand u geleerd heeft die te associëren met hun bron. En daar zitten wij dan onmiddellijk bij het gebied van de paranormale verschijnselen.

Paranormale verschijnselen zijn in feite volkomen normaal, maar ze liggen buiten hetgeen als zintuiglijk wordt aangenomen, zintuiglijk waarneembaar verwerkbaar. Nu is ook niet iedereen even gevoelig. Het is bekend dat de ene mens het gieren van een tram door de rails zonder ook maar een rilling voorbij kan laten gaan, terwijl een tweede plotseling het bekende kippenvel begint te vertonen en bij een herhaling zelfs een hevige hoofdpijn krijgt. Zo gaat het met de paranormale beïn­vloedingen ook.

In de eerste plaats hebben wij te maken met geestelijke invloeden. Het zijn overgeganen in zeer verschillende stadia van bewustzijn. Ook zij kunnen trillingen produceren en in sommige gevallen zelfs stralingen die voor u waarneembaar zijn en door u worden waargenomen. Maar ‑ ondanks de reactie die ze wekken, een gevoelsreactie bv. ‑ zijn ze niet vaststelbaar, omdat u ze niet kunt zien. U kunt ze niet horen en evenmin kunt u ze voelen of ruiken. U associeert niet met een vaststaand verschijnsel. Het is gemakkelijk genoeg, wanneer ik weet dat een toon van zoveel trillingen bij mij een gevoel bv. in de zwevende rib veroorzaakt ‑ om nu eens een heel eigenaardig punt te noemen – dan weet ik voortaan: heb ik die pijn in die rib of heb ik dat eigenaardige gevoel, dan klinkt die toon, ook al hoor ik hem niet. Maar als je niet weet wat voor tonen er worden gespeeld, dan is het al heel moeilijk uit te maken wat er eigenlijk gaande is.

De mens ziet zijn wereld vaak door de bril van deze onbewust ervaren beïnvloedingen. U hebt dus niet alleen te maken met uw eigen innerlijke wereld plus een buitenwereld, maar u hebt ook nog te maken met een stemming. Een stemming die kan worden afgedrukt. Een stemming die u ondergaat aan de hand van werkingen die niet zichtbaar, niet direct redelijk kenbaar zijn.

Voorbeeld: U komt in een huis. Dat huis is buitengewoon prettig ingericht, luxueus. Men ontvangt u met alle gastvrijheid. Desondanks zit u te draaien op uw stoel, u voelt zich onbehaaglijk en u vindt het huis eigenlijk helemaal niet gezellig. Het is zo kil. En u vindt de mensen ondanks hun hartelijkheid ook niet prettig. Zij zijn zo gekunsteld, zo gemaakt. Is dat oordeel juist? Neen. Die mensen kunnen volledig eerlijk hartelijk zijn, dat huis kan volledig mooi zijn, maar u voelt ergens een invloed aan, die u onbehaaglijk stemt. Deze onbehaaglijkheid brengt u over op hetgeen u hebt waargenomen.

Mag ik even recapituleren? U ziet anders dan de werkelijkheid. (Ik blijf maar bij zien en sluit daarbij alle andere zintuiglijke waarne­mingen natuurlijk in.) Maar al ziet u de wereld fragmentarisch t.o.v. het werkelijk waarneembare, zo zult u bovendien de fragmenten, die worden waargenomen en verwerkt, nog kleuren. U hebt de gekleurde bril van­ de emotie die u echter door andere omstandigheden kan worden opgelegd.

Denk niet dat dit een grapje is. Ik noem nu dit voor geesten. Maar wist u dat bv. door subsonische trillingen te gebruiken het mogelijk is mensen een absoluut gevoel van onbehagen en angst te bezorgen? Wist u dat doodgewoon trillingen, die in de lucht worden gebracht en die niet auditief waarneembaar zijn, voor de mens geluk, opluchting kunnen betekenen of droefgeestigheid? En dat daar de visuele indruk onmiddellijk mee verbonden is? Dat is wetenschappelijk vastgesteld. Echter buiten deze dan toch nog stoffelijk controleerbare en voortgebrachte trillingen zijn er andere die een veel grotere scala bestrijken dan deze. Een scala van trillingen, zo intens dat zeker van elke cel in uw lichaam kan beroeren. U ziet door een gekleurde bril aan de hand van trillingen die bv. door overgeganen aan u worden opgelegd.

En dan zijn wij nog niet klaar. Want bij die beschouwing – zelfs door de gekleurde bril ‑ zou nog een zekere gelijkmatigheid misschien mogelijk zijn. Maar bovendien bent u onderhevig aan een afwisselend spel van zgn. kosmische krachten. Wij nemen daarbij de zon en de planeten als dichtstbijzijnde, als belangrijke invloeden. Hier zijn kleine wijzigingen in zwaartekracht‑verhoudingen, maar ook kleine wijzigingen in de eigen straling van die hemellichamen, zoals ze u bereiken. Vóór de gekleurde bril valt wéér een filter, dat nog weer een deel van het beeld vertint, verkleurt of zelfs doet wegvallen, terwijl de nadruk sterk op iets an­ders wordt gelegd. Wat is het gevolg? De eenzijdigheid van uw wereld­ beeld bepaalt uw lot. De eenzijdigheid van uw wereldbeeld maakt u tot een vaak onwillig slachtoffer van vele geestelijke krachten. Uw onjuist, onvolledig en vervormd wereldbeeld doet u bovendien steeds weer in vergissingen vervallen. U leeft zo irreëel of u wilt of niet, dat de realiteit u ten hoogste een droom lijkt, iets wat onmogelijk is.

Als wij dit nu hebben vastgesteld, gaan wij even terug naar die paranormaliteit. Want wat merken wij nu op? Onder omstandigheden kun­nen dergelijk trillingen ‑ op een mens bv. afgezonden ‑ een zodanig duidelijke inhoud hebben, dat die mens meent te zien of meent te ho­ren, typisch. Hier is een stimulus van totaal andere frequentie vol­doende om de illusie te wekken van horen en zien. Die invloeden be­hoeven zelfs niet van zuiver geestelijke bron te zijn. Zij kunnen worden opgewekt door inwendige spanningen, een soort opslingerinsproces van eigen zenuwtrilling. Dan krijgen wij ook hallucinaties, die visueel of auditief zijn. Denkt u maar eens aan wat bepaalde alcoholisten soms moeten ondergaan.

Uit al deze beelden zal het u wel duidelijk zijn dat ook op het gebied van het paranormale al hetgeen ik gezegd heb volledig van kracht is. Want ook daar zal nooit een onvervormde invloed worden weergegeven, maar altijd de eigen verwerking daarvan. Kunnen wij de paranormale wereld, zolang wij in de stof leven, dan met onze werke­lijkheid vervlechten als een concrete waarde? Neen. Het is onmogelijk dit te doen, tenzij de uiting zozeer stoffelijk is, dat zij tijdelijk kan worden geacht te zijn een afdalen tot het peil der stoffelijke fenomenaal. En anders niet.

Toch moeten die geestelijke invloeden bruikbaar zijn. Want we hebben er niets aan, wanneer wij alleen maar weten hoe wij de wereld zien, hoe wij haar beleven. Wij moeten weten wat wij kunnen doen met deze intensiteiten die op ons uitwerken. En bij de astrologie bv. wordt het u geleerd: wacht op een gunstig aspect. Dat is bijgeloof, zegt een ander. Is het werkelijk bijgeloof? Wanneer het voor u een extra kracht en stimulans betekent, wanneer u er iets uit kunt putten, zeker niet. Het behoort misschien tot een wereld die anderen niet met u delen. Misschien zijn het beïnvloedingen waarvoor anderen niet zo sterk vatbaar zijn als u. Maar de invloed is er en is werkelijk. U zult daarmee rekening moeten houden, hoe meer u rekening houdt met dergelijke beïnvloedingen, hoe zuiverder u komt te staan tegenover uw wereld, omdat u strijdigheden in uw persoonlijk wereldbeeld daardoor kunt leren vermijden.

Wanneer u zich bewust bent van geestelijke invloeden en werkingen, dan kan evenzeer worden bestreden dat deze reëel zijn. Want zij zijn niet voor iedereen even werkelijk. Er zijn op de 100 mensen misschien één of twee, die de mogelijkheid hebben om werkelijk helderhorend te zijn. Er zijn op de 100 mensen ongeveer 16 à 17, die de mogelijkheid hebben helderziend te worden, wanneer zij tot een interpretatie van die invloe­den komen en ze niet onderbewust wegdrukken als zijnde abnormaal, niet behorend tot “mijn” wereld. Dat is een betrekkelijk klein percentage, een klein deel. Voor de anderen is de gevoeligheid te klein, de inten­siteit van de straling te klein en de waarneming onmogelijk. Weet je echter dat je deze invloeden ondergaat, voel je dat deze krachten in je werken ‑ onverschillig hoe ‑ houd er dan rekening mee. Want eerst door er rekening mee te houden, zal je een innerlijke harmonie kunnen bereiken, een gerichtheid die je toch dichter bij de werkelijkheid brengt.

Men heeft eens een keer in Griekenland één van de grote wijzen boven op de tempelberg gevraagd: definieer werkelijkheid. Toen zei die geleerde: “Werkelijkheid is de waan, waarin ik verkeer.” Toen begonnen ze te lachen. Ze zeiden: “Ja maar, toch eet u, u wandelt, toch zweeft u hier niet van de Acropolis naar beneden toe.” Toen zei hij: “Neen. Omdat mijn werkelijkheid en mijn waan zo intens zijn, dat ik daar­ in sommige feiten, die onomstotelijk vaststaan, zal kunnen erkennen. De norm, die voor de meeste onzer gelijk is, is voor mij de aanduiding van de richting, waarin ik mijn werkelijkheid moet zoeken.”

Dat is nu hetzelfde, dat ik u zou willen zeggen. Niet alleen in verband met het normale maar ook met het paranormale. Wanneer u uw wereld beschouwt en ziet, probeer te blijven in dat moment “‘heden”. Maar tracht daar dan alles te verwerkelijken en u te houden aan de wet­ten, die u bij anderen als voortdurend weerkerend en vaststaand ziet.

Dat is uw erkenning van de Goddelijke wet die uw wereld regeert. En daardoor uw benadering van een werkelijkheid die wel bestaat, die ob­jectief geheten mag worden, zeker in de beperking van ons bestaan.

Voordat wij nu wat meer nadrukkelijk gaan spreken over het nut dat getrokken kan worden uit bepaalde psychische en paranormale verschijnselen, zou ik u graag een kleine beschouwing voorleggen aangaande werkelijkheid van uit goddelijk, geestelijk, en menselijk standpunt. Ik meen dat u in de vergelijking van deze drie waarden u misschien enigszins een beeld zult kunnen vormen van de vreemde driehoek van waarden, waartussen de mens voortdurend staat en als geest voortdurend zijn weg moet zoeken.

Gods werkelijkheid is Zijn wezen. Deze werkelijkheid is onveranderlijk, kent tijd noch beweging. Zij is volledig en kent de inhoud van alle mogelijkheden, ook van die, die u nooit zult realiseren. Dus in God is alles, niet slechts “alles mogelijk” maar is alles. Voor God is er geen verschil. Voor God is er slechts harmonie.

Voor de geest is het vormen van een beeld dat God in Zijn geheel doet beschouwen, het belangrijkste punt. Want eerst daarin kan deze geest met haar capaciteiten volledige evenwichtigheid bereiken. Haar zoeken is dus gericht op alle hoeken en gaten die er maar zijn in de kosmos en zij probeert zich daarvan een soort panorama te vormen.

De mens (en daarmede bedoel ik dan de stofmens in dit geval) leeft in een zeer beperkte wereld die hij ‑ vreemd genoeg ‑ meestal niet tracht te kennen of te beschouwen, doch die hij tracht te beleven op een wijze die strookt met zijn eigen instelling en wezen.

Alle drie zouden kunnen spreken over werkelijkheid. Voor de geest is de werkelijkheid dat deel van God wat Zij erkend heeft. Voor de mens is de werkelijkheid dat deel van God, wat hij aanvaard heeft en zijn sub­jectieve werkelijkheid is datgene van God wat hij volgens zijn eigen oor­deel juist gegroepeerd heeft volgens zijn eigen overtuiging en gedachtegang.

Wanneer u dit even wilt vasthouden, zult u ontdekken dat u daar ontzettend veel aan hebt, aan deze kleine definities. Want juist wanneer wij de kant willen uitgaan van de praktijk, moeten wij steeds dit verschil van werkelijkheden in het oog houden. Het is nodig dat wij de praktijk nu even voorop gaan stellen. Het werken met paranormale verschijnselen, met zgn. familiare geesten, met geesten van overgeganen, met demonen, met engelen, met verlossers, met hemelse krachten, met God Zelf, is voor de mens steeds slechts een bevestiging van hetgeen in hem leeft. Zonder dit kan hij niet de overtuiging en aanschouwing opbrengen die deze dingen voor hem realiseren. Het is belangrijk dat eenieder beseft dat wat aan geesten optreedt voor hem of voor haar werkelijkheid is voor hem of voor haar.

Deze werkelijkheid van het paranormale moet geëxploiteerd worden. Ze is er niet alleen maar als een fenomeen, als een verschijnsel, ze is er als een actief deel van je leven. Het geloof in de hulp van de geest alleen al kan u in staat stellen om wonderen te doen. Een geleider of een God, die u bijstaat, verheft u ver boven uw eigen prestatievermogen in stoffelijke en geestelijke zin. Datgene wat wij geloven, moeten wij zo intens weten te geloven, dat wij het daarvan gebruiken als een deel van onze gewone dagelijkse vermogens. Datgene, wat wij niet kunnen geloven, mogen wij onderzoeken op redelijke basis, maar wij moeten nooit trachten onszelf te bewegen dit aan te nemen tegen wil en dank.

Wanneer wij te maken hebben met de innerlijke drang om een verschijnsel te zien, mogen wij ons nooit richten op het verschijnsel als zodanig. Wij moeten ons richten op de krachten die o.i. en volgens onze overtuiging een dergelijk verschijnsel mogelijk zouden maken. Het aanvaarden van deze verschijnselen is niet zo belangrijk als het bereiken van harmonie ‑ dus eenheid van begripsvermogen ‑ met die krachten.

Op de duur zal blijken dat sommige krachten zich geheel zelfstandig gedragen. Zij gaan niet slechts tegen de menselijke rede in, maar zij gaan in tegen het menselijk streven evenzeer. Op het ogenblik dat dit gebeurt, moeten wij ons van die geesten of invloeden vrij kunnen maken. Wie de slaaf is van een geest of van een geestelijke leider maakt het zichzelf absoluut onmogelijk om de waarheid in het le­ven te erkennen, zelfs maar een subjectieve of een gedeeltelijke waar­heid.

Wij komen dan tot een bestaan dat hoofdzakelijk uit aanvaarding en emotie bestaat en als zodanig voor de geest weinig waarde bezit en voor de wereld de moeilijkheid biedt van een absoluut vertekend wereldbeeld.

De redelijke en verstandelijke controle, zo ver mogelijk op al het zgn. bovennatuurlijke, is een eerste vereiste. Hebben wij deze controle uitgeoefend en voelen wij ons desalniettemin gesterkt bv. ook door proefnemingen en ervaringen, in het vertrouwen op een geesten­familie, enz. enz., dan kunnen wij daarmee al datgene doen, wat vol­gens onze overtuiging ligt in die geest.

Het is onmogelijk iets te doen, wat niet werkelijk is. Iets wat werkelijk onmogelijk is, kan niet gebeuren. Als er een natuurwet zou zijn, een Goddelijke wet die zegt: “Geen mens kan zweven,” dan zou levitatie onmogelijk zijn. Levitatie is mogelijk. Hieruit volgt dat er een wet is die groter is dan de door mensen erkende en reëler. Het erkennen van deze realiteit geeft ons de macht om al haar verschijnselen zo te richten en te gebruiken als volgens ons huidig bewustzijn noodzakelijk is.

Wanneer wij verlangen naar genezing, naar raad, naar hulp misschien, dan moeten wij ook weer goed begrijpen dat in de eerste plaats de rede een rol moet spelen. Wij hebben niets aan de zoetsappigheid van volledige overgave, wanneer deze overgave niet uit een redelijk besef van eigen onmacht geboren is. Eerst wanneer men zich absoluut onmachtig voelt, zal men tot die overgave aan hogere krachten kunnen komen, maar dan heeft men ook geen controle meer over hetgeen gaat gebeuren. Dan wordt men geleefd en geleid. En dat, wat gebeurt, kristalliseert zich uit het onwerkelijke tot werkelijkheid. Het heeft dus geen deel uitgemaakt van onze persoonlijke werkelijkheid. Dat het in die werkelijkheid kon intreden bewijst weer dat het buiten die werkelijkheid ergens heeft bestaan.

Conclusie: in geval van absolute geloofsovergave is het mogelijk om een deel van een objectieve werkelijkheid binnen onze subjectieve werkelijkheid zodanig te realiseren, dat het langzaam maar zeker ermee vervloeit en verknoopt wordt. Het wereldbeeld wordt beter en duidelij­ker, de bereiking groter. Altijd weer, wanneer wij het magische voor onszelf trachten te benaderen, moeten wij begrijpen, dat het magische nooit logisch kan zijn, maar dat het niet irreëel mag zijn, wil het niet worden tot een spel van verbeelding. Het spel van verbeelding wordt gelogenstraft door alle feiten die wij van buitenaf ervaren. Wanneer ons magisch werken echter wordt gesteund door de ervaringen die wij opdoen, dan kunnen wij hieruit concluderen dat de schijnbare onredelijkheid toch een zekere redelijke basis moet hebben. Wanneer deze redelijke basis ligt buiten het normaal menselijk aanvaarde, hebben wij het volste recht deze nieuwe basis als een bijzonder waardevolle bron zelf aan te boren en deze grotere werkelijkheid boven het menselijk aanvaarde voor onszelf te beleven. Hoe meer wij de wereld zien als een realiteit, hoe beter het voor ons is. Maar dan moet die wereld niet alleen onze realiteit zijn, maar een realiteit waarin zoveel mogelijk kosmische krachten verwerkt zijn.

U zult zich afvragen hoe wij deze paranormale realiteiten in de wereld dan moeten zien. Wat te denken van een zgn. wonderdadige genezing door handoplegging, magnetiseren, etc. Er zijn trillingen die zich aan de menselijke concepten en waarnemingen onttrekken. Deze onttrekking echter betekent niet dat ze niet bestaan. Wanneer wij dit niet gekende voor onszelf weten te activeren, zullen wij deze trillin­gen of stralingen niet erkennen voor wat zij zijn. Zij zullen ons echter een illusie scheppen. Dit kan zijn een gevoel van zelfverlorenheid of van buitengewone macht bv. bij gebedsgenezing. Dit kan zijn de prikke­ling, het gevoel van iets afgeven of iets ontvangen bij bv. magneti­seren. Deze dingen zijn reëel, maar zij liggen buiten het normale van de mens. Slechts indien wij dit irreële voor onszelf tot volledig normaal kunnen maken, zullen wij ermee kunnen handelen en werken.

Een genezer, die niet overtuigd is van zijn eigen vermogen tot genezing, zal fouten maken, zal mislukkingen kennen, zal op de duur misschien meer mislukkingen kennen dan genezingen. Degene echter die volledig vertrouwt op zijn eigen vermogen en zich daarbij laat leiden door een geloof dat de bovennatuurlijke, de psychische krachten zowel als het fysieke, inschakelt in zijn poging tot genezen, zal een voortdurend en absoluut succes vinden.

Het paranormaal verwerven van kennis. Dat er een algemeen weten bestaat, een soort wereldziel, waarin alle weten is vastgelegd, een kosmisch geheugen, waarin alle gebeurtenissen van alle tijden en alle sterren zijn neergeschreven, wordt over het algemeen nog weleens aanvaard. Helemaal juist is dit niet. Men gaat over tot een voorstelling zoals bv. de Hal der Levensrollen der Egyptenaren, een plaats waar ergens iets aanwezig is. Deze foutieve voorstelling vloeit waarschijnlijk voort uit het menselijk concept van tijd en ruimte.

Ik heb zo-even reeds gezegd: In God zijn alle dingen gelijktijdig en volledig, met alle mogelijkheden. Wanneer wij onszelf afstemmen op de kosmos ‑ door diepe concentratie bv. ‑ dan kunnen wij al datgene uit die kosmos putten, wat in overeenstemming is met ons eigen wezen. De realisatie van zgn. geestelijke kennis is een omzetting van een zielservaren, maar is altijd weer een redelijk en wetmatig ervaren, onmiddellijk verwant aan een directe werkelijkheid. Indien wij dit weten en leren onszelf in te stellen op datgene waaromtrent wij kennis nodig hebben, datgene waaromtrent wij gegevens verlangen of waar wij bijstand verlangen, dan zullen wij door deze instelling zeer grote resultaten kunnen bereiken. Hoe vollediger onze instelling is, hoe sterker de toegang tot alle met ons harmonische factoren en waarden en hoe uitgebreider dus het beeld dat in ons ontstaat. Ook wanneer de redelijke, de mentale vormgeving niet het volledige gebied omvat, zal de rest daarin blijven als zgn. niet redelijke factoren of conditionele factoren. Zo kan de ervaren werkelijkheid bewust worden gestimuleerd, kan de kosmische wijsheid bewust in deze ervaring worden gelegd en het leven worden gedirigeerd met een wijsheid die men in normale vorm of een subjectieve werkelijkheid zelf niet bezit.

Een volgend fenomeen noemen wij wel eens de zgn. telepathische verschijnselen. Elk wezen heeft een eigen uitstraling. Elk wezen heeft de mogelijkheid dergelijke uitstralingen te ontvangen. Dit geldt voor alle wezens die stof of stofverwant zijn, plus die wezens die in staat zijn hun eigen trillingen zodanig te transformeren dat ze op het voor stof vatbare gebied nog kunnen worden geïnterpreteerd. Hierbij is sprake van een onmiddellijke straling die niet alleen uitgaat van het lichaam (werking van de hersenen) maar ook van de geest (werveling van kleine stromen kracht binnen een gesloten krachtveld.) Dit inductieve verschijnsel echter heeft eigen ritmiek, dus eigen ritme, heeft eigen frequentie. Wij kunnen slechts datgene ontvangen waarop wij afgesteld zijn. Harmonie is een noodzakelijk voorwaarde voor alle telepathische verschijnselen, zowel tussen werelden als tussen wezens van een wereld.

Willen wij een goed gebruik hiervan maken, dan zullen wij ons moeten realiseren: Slechts datgene wat voor ons werkelijk is en in een ander evenzeer als werkelijk bestaat ‑ ook wanneer het gaat over subjectieve werkelijkheid ‑ kan worden uitgewisseld. Het is onmogelijk te komen tot een uitwisseling van gegevens die bijna volledig vreemd of onbekend zijn of die in één van beiden absoluut niet bestaan. Wij kun­nen het telepathisch verschijnsel gebruiken om op deze wijze a.h.w. uit onze omgeving al datgene te verwerven wat wij nodig hebben voor een gemeenschappelijk doel. Omgekeerd kunnen wij onze eigen telepathische uitstraling tot anderen gebruiken om daarmee een bepaalde stemming tot stand te brengen of een bepaalde daadkracht te doen ontstaan. De gevolgen ‑ van de massa dus ‑ zullen voor onszelf volledig merk­baar zijn, alsof wijzelf met deze kracht gehandeld zouden hebben. Dat geldt zowel voor ontvangen als uitzenden van gedachtebeelden.

Wilt u er een praktisch gebruik van maken, sluit u zoveel mogelijk af van normale telepathische impulsen. Richt u bij contacten, die regelmatig plaatsvinden, ten hoogste tot personen, die u zeer vertrouwd zijn. Wanneer het gaat om het uitzenden van telepathische impulsen, onthoud altijd dat u slechts deze impulsen moogt en kunt uitzenden die in anderen een weerklank vinden. Doe daarbij echter geen beroep op de slechtere factoren in de mens, vooral het dierlijk element, omdat de dan ontketende reactie in anderen op uzelf terugslaat, zodat u beïnvloed wordt door uw eigen beeld.

Een bekend voorbeeld. De man die vertelde dat er goud gevon­den was en lachte toen het hele dorp leegstroomde en ten slotte zelf een schop nam om te gaan kijken of het misschien toch nog niet waar was. Op deze manier zou u bij het gebruiken van een te sterke suggestie op dierlijke elementen gericht, zelf het slachtoffer kun­nen worden van deze invloed en zo uw subjectieve wereld te ver verschuiven t.o.v. de objectieve wereld.

Omgekeerd: wanneer ik mij afstem op het geestelijk element, zal slechts het geestelijk element bevestigd worden en zal altijd iets wat concreet is t.o.v. de subjectiviteit van het menselijk denken, worden geprojecteerd en gerealiseerd, zodat hier een werkelijkheid ontstaat die misschien strijdig is met het stoffelijk voorstellingsvermogen, maar die in alle sferen gelijkelijk te handhaven is.

Wanneer u al dit voorgaand hebt nagelezen, ben ik er zeker van dat er in u vele vragen zullen rijzen. De vraag, hoe werkelijk is mijn wereld en wat betekent die werkelijkheid van mijn wereld, kan ik er iets bijzonders mee doen? Zal ongetwijfeld velen kwellen. Het is onmogelijk deze vraag in algemene zin te beantwoorden. In persoonlijke zin is dit slechts in zoverre mogelijk als een voldoende affiniteit bestaat tussen de raadgever, in dit geval dus de spreker én de vrager, misschien één van u. Want bestaan er te grote verschillen, dan is weer geen juist inzicht mogelijk door verschil van werkelijkheid.

Wat echter met zekerheid kan worden vastgesteld op kosmische basis, en dus onafhankelijk van elke subjectieve realiteit. Zolang wij geloven dat iets werkelijk is, is het voor ons werkelijk. Elke onjuiste voorstelling wordt gecorrigeerd door de goddelijke werkelijkheid die buiten ons bestaat. Indien wij elke correctie durven en willen aanvaarden, zal dus ons eigen beeld ‑ zij het beperkt ‑ op de duur in zijn kleinheid volledig overeenstemmen met een deel van de goddelijke werkelijkheid.

Het heeft geen zin de wereld als waan te betitelen, zolang men in die wereld leeft en ‑ om er te kunnen leven ‑ haar als realiteit zal moeten behandelen. Slechts is het noodzakelijk deze realiteit zoveel mogelijk aan te passen aan hetgeen wij als een goddelijk concept in onszelf ervaren. “Goddelijk concept in onszelf” moet u vertalen als: het innerlijk weten. Zoals u wéét omtrent goed en kwaad, zoals u soms wéét omtrent bovennatuurlijke krachten, zoals u wéét omtrent bepaalde mogelijkheden die in uw wereld toch niet geheel reëel worden gezien, zo zult u ook weten omtrent uw eigen handelen in die wereld. Houd u zich vooral daar aan vast. Dit is het enig redelijk houvast dat wij hebben om te komen tot werkelijkheidsbeleving in meer kosmische zin.

Elke correctie door ons aanvaard, brengt ons dichter bij de kosmos. Het bereiken ‑ zelfs in een klein deel van het voorstellingsvermogen – van een kosmisch besef of een kosmisch bewustzijn maakt het ons mogelijk krachtens hetgeen hierin is geleerd, de harmonie met de kosmos op elk ander punt te bereiken, zodat elke realisatie, ook in stoffelijk leven, onmiddellijk tot een kosmische bewustwording kan worden gemaakt en als zodanig tot een vergroting van ons werkelijkheidsbegrip t.o.v. God.

Zou u zich afvragen wat voor zin het heeft de mens te vertellen dat zijn wereld niet werkelijk is, dan wil ik u ook, voordat wij deze lezing beëindigen, hier een antwoord op geven. Wanneer de mens uitgaat van het onveranderlijke van zijn eigen wereld, zal hij de optredende veranderingen niet aanvaarden. Hij loopt dan, zoals dat heet, achter de feiten aan. Men zegt nu weleens dat de grootste genieën op de wereld de mensen zijn die de feiten met een slag weten voor te blijven. Dat geldt voor bankiers, maar vaak ook voor uitvinders die schijnen te voorvoelen wat de wereld in een volgende periode nodig heeft. Dit is niet een vooruitlopen. Het is slechts een realiseren van het heden mogelijke en het heden wenselijke. Een groot gedeelte van de instellingen die op de aarde bestaan, lopen achter de feiten aan om de doodeenvoudige reden dat men het heden niet wil accepteren, maar het oude wil behouden. Een poging om u vast te houden aan oude concepten is altijd schadelijk.

Het nieuwe concept, het voortdurend hernieuwde concept van heden, is het enig juiste, het enig hanteerbare, het enige wat het ons mogelijk maakt voortdurend met onze wereld te beheersen en meer de realiteit erin te kennen. Kunt u dit voor uzelf doen, al is het in nog zo beperkte mate, dan zult u geen vragen meer stellen. Dan zult u zeggen: Het begrip van de onwerkelijkheid van het leven dat ik tot nog toe heb gevoerd, doet mij mij schamen over al hetgeen ik verzuimde. Maar het geeft mij tevens de hoop dat ik ‑ ondanks dit ‑ de werkelijkheid gevonden hebbende in een klein deel van de schepping eens de gehele schepping volledig zal kunnen begrijpen.

Geestelijk streven

Geestelijk streven, zolang je op wereld leeft, moet noodzakelijkerwijze ook een stoffelijk streven zijn. Men kan niet stoffelijk streven, zonder dat de geest daarbij betrokken is. Omgekeerd is het onmogelijk geestelijk te streven, zonder dit stoffelijk te uiten. Slechts een mens, die vergevorderd is op het pad van bewustwording, is in staat om een geestelijk en een stoffelijk bewustzijn te splitsen en deze waarden, eerlijk en oprecht, als gescheiden van elkaar te ervaren. Kan men dit, dan zullen de daden die onvermijdelijk zijn en toch niet stroken met de eigen geestelijke bewustwording, stoffelijk volbracht worden, zonder dat men daar geestelijk deel aan heeft of daar enige emotie van overhoudt of dit mee doormaakt. De doorsnee mens kan dit niet. En daarom is een misschien zeer verstandig woord dat eens door een denker werd gesproken: “Alle werk van de geest begint in de stof.”

Nu zou ik er parafraserend aan willen toevoegen: er is meer geestelijk bewustzijn uit zweetdruppels geboren, dan uit bibliotheken vol boeken. Dat is logisch. Wanneer de geest naar bewustzijn streeft of wanneer wij naar geestelijk bewustzijn streven en wij zijn in de stof, dan is onze enige mogelijkheid om ons wezen tot uitdrukking te brengen, werken en handelen in die stof. Hoe u dat doet, is niet belangrijk. De waarden van de tijden verschillen zoveel t.o.v. elkaar dat het erg moeilijk is om van een concreet goed of van een concreet kwaad te gaan spreken. Ons eigen bewustzijn is daarin onze beste waardemeter. Maar… één ding is zeker: Je kunt niets geestelijk volbrengen zonder het stof­felijk te uiten. Op het ogenblik dat je geestelijk bewustzijn en je stof­felijke uiting met elkaar in strijd zijn, ben je een levende leugen. Een leugen als zodanig is een ontkenning van een bewustwording of… een negatieve bewustwording. Soms kan uit het negatieve ook wel dege­lijk het positieve, het goede groeien, dus een vergroting van bewust­zijn. Maar dan zal toch eerst het negatieve door een positieve reeks van bewustwordingen moeten zijn gecompenseerd. Evenwicht moet een mens kennen, ongeacht hoe zijn streven is gericht en waar hij zijn bewustzijn zoekt.

Wij moeten ons ook niet voorstellen dat we alleen maar de toren en de hoogte van bewustzijn en goed kunnen bereiken, waarbij wij lichamelijk dus ons volledig onthechten aan al hetgeen niet met de geest strookt. Als we zo denken, beroven wij het leven van tenminste de helft van zijn waarde. De geest, die ‑ alleen ten goede strevende ‑ niet kan komen tot een erkenning van de stoffelijke feiten, die voor haar bewustwording toch ook in het leven zijn gelegd, zal te hoog grijpen.

Ik weet niet of u weleens een toren of een stapel hebt gezien die op te smalle basis staat. Ze is zeer wankel en valt om. Hetzelfde gebeurt, wanneer je deze onevenwichtigheid in jezelf veroorzaakt, wanneer je geestelijke bewustwording een eenzijdig streven wordt. Eenzijdigheid is de grote fout die altijd weer wordt gemaakt. Daarom lijkt het ‑ van mijn standpunt uit althans ‑ zeer verstandig om de praktijk steeds weer te zien als: handelen naar ons bewustzijn, zonder daarbij stoffelijke of zelfs dierlijke normen uit te schakelen, zonder daarbij te trachten ons te onttrekken aan de maatschappij, aan haar vermakelijkheden zowel als aan haar zorgen, aan haar onaangenaamheden zowel als aan haar lusten, maar gelijktijdig beseffend met welk doel wij dit alles doormaken.

Menig mens handelt op een onverstandige manier. Hij zegt: “Volgens mijn geestelijk bewustzijn is het voor mij noodzakelijk bepaalde punten te leren, te ervaren, daarnaar ga ik streven.” Dat is volkomen juist, mits wij dit zien als een aanvulling van hetgeen het leven ons normaal te le­ren geeft. De mens die weigert dit te leren of probeert zich eraan te onttrekken, zal daarom ‑ u neemt mij de uitdrukking hopelijk niet kwalijk- met zijn neus op de slijpsteen worden gehouden, tot hij erkent dat deze andere mogelijkheden er zijn.  Het is noodzakelijk want anders word je je niet werkelijk bewust.

Men kan geen beeld tekenen met één kleur. Doet men het met variëteiten van één kleur, dan zal het over het algemeen aan helderheid en kleurigheid nog veel ontberen, dan zal het aan diepte en uitdrukking te kort schieten. Eerst wanneer wij meer pigmenten op ons palet kunnen mengen, zijn wij in staat een beeld te scheppen dat indrukken geeft van een werkelijkheid.

Wat doet de geest met haar bewustwording? Doet ze eigenlijk iets anders dan een deel van het Goddelijke op het doek van haar eigen wezen impregneren, vastleggen en erin stempelen, totdat het onuitwisbaar erin staat? Moet je dan zeggen: “Nu ga ik alleen met die kleur werken?”

Degene die dat doet, krijgt te maken met reïncarnatie. Want de bewust­wording vraagt een veelzijdigheid. Weigert men deze veelzijdigheid in één leven door te maken, dan zal men vóór het beeld correct is ‑ voor elke afzonderlijke kleur desnoods – terug moeten keren tot toch een geheel is gegroeid dat volledig in overeenstemming is met Gods werke­lijkheid. Al wat er is ‑ in stof en in geest ‑ is deel van Gods werke­lijkheid, maar kan nooit het geheel van Gods werkelijkheid zijn. Het is juist daarom dat wij wereld na wereld beleven, dat wij sfeer na sfeer betreden en dat wij steeds weer staan voor andere omstandigheden, voor andere bewustwordingen.

Zolang je in de stof bent, moet je over geestelijk streven spreken als iets wat verder ligt dan je eigen wereld. Dat is logisch. Want je geest gaat verder dan die wereld, maar je stof blijft daar ach­ter, tenminste in de vorm waarin je haar kent. Het resultaat is dat men meestal wil zoeken buiten het leven. Maar ligt uw geest buiten het leven? Neen, het is de kern van uw wezen. Als kern van uw wezen zult ge die geest volledig ook in het stoffelijke moeten laten delen.

Men zal zich afvragen: wat kan ik dan doen voor mijn bewustwording, wanneer ik die wereld toch maar moet ondergaan? Ons oefenen in gelijk­moedigheid. Gelijkmoedigheid betekent evenwichtigheid. Niet een onder­schatten van zorgen of een overschatten van vreugde. De rede speelt in de menselijke bewustwording een zeer grote rol. Men kan daaraan niet ont­komen. Alleen, er zijn bepaalde dingen, ook in het stoffelijk leven, die boven‑redelijk zijn, omdat zij verdergaan dan de rede zich een beeld en een voorstelling ervan kan vormen. Het is voor de bewustwording niet noodzakelijk dat je die dingen op aarde begrijpt, wel dat je ze leert aanvaarden.

Een kind begrijpt misschien niet waarom het de handen van de kachel moet afhouden. Er zijn mensen die niet begrijpen waarom ze eerst naar links en dan naar rechts moeten uitkijken of omgekeerd, wanneer ze oversteken. (Dat ligt er maar aan in welk land je bent.) Maar doe je het niet, dan maak je met de schadelijke gevolgen kennis. Verwerp nooit iets omdat je het niet begrijpt. Maar probeer je bewustwording zo in te richten dat je langzaam maar zeker de rede ‑ ook van deze schijnbaar onredelijke dingen ‑ leert bevatten, leert beseffen.

En dan is er nog een ding belangrijk voor een geestelijke bewustwording. Dat is geloof. Ik had het over het boven‑redelijke. Er zijn bepaalde achtergronden, die noodzakelijk zijn voor je leven en die je in de wereld niet kunt vinden. Zoek die rustig in een geloof. Maak dat geloof zo redelijk mogelijk. Laat het je niet vervreemden van het leven, maar je beleving, je werken in de wereld intensifiëren, opdat je de volheid van ervaring daarin zult vinden en zo de uiteindelijke bewustwording die noodzakelijk is. Doet men dit, dan kan men daarmee ongetwijfeld in één leven meer bereiken dan slechts een ontvlieden aan de stof. Men kan zelfs een snel verlaten van elk vormbewustzijn en daarmee de grotere vrijheid van meeromvattende werelden voor zich verwerven.

Wil men geestelijke bewustwording in dit kader zien en gebruiken als een praktische, ook stoffelijk te verwerkelijken waarde, dan zal men later met vreugde constateren dat de eenheid stof‑geest van een menselijk leven niet slechts de basis was voor een geestelijke bewustwording, maar het eigen wezen uitbreidde, zodat het een groter deel van het Goddelijke in zich kan bevatten. U vindt het vreemd dat ik hier en daar zo erg de nadruk heb gelegd op de praktijk, op het stoffelijke, op het redelijke? Dat was noodzakelijk, vrienden. Juist wanneer wij ons bezig houden met abstracties, met stellingen die niet met het dagelijks leven in verband staan, bestaat weleens het gevaar dat je de werkelijkheid te veel uit het oog verliest.

Wij moeten geestelijk werken en streven, natuurlijk. Hetgeen wij kunnen leren over hetgeen buiten het direct kenbare ligt kan ons helpen om het kenbare, het stoffelijke, te begrijpen. Het kan ons een weg tonen, waardoor wij in het leven verder kunnen komen.

Maar op het ogenblik dat wij menen dat die leringen het enig belangrijke zijn en daardoor de praktijk verwaarlozen, maken wij zelfs de leringen waardeloos en ons eigen leven erbij. De consequenties kun je natuurlijk niet aanvaarden. Dat is onmogelijk. Dus moest ik deze conclusies wel trekken. Denkt u nu niet dat deze reeks van beschouwingen vanuit kosmisch standpunt waardeloos is. Integendeel. Ze is zeer waardevol, wanneer u de feiten wilt gebruiken om u een begrip van de wereld te maken, een begrip dat u zal leiden bij alle handelingen die u in de stof volbrengt.

Vereenzelviging

Reeksen van zwevende gestalten

doorkruisen ether, blauw van licht.

Mijn wezen, zoekend naar zich zelve,

naar de ether reeds gericht, vraagt

zich af: “Ben ik zo’n wezen?”

Een wereld van licht, zo fel geboren

uit het blauw en zwart der nacht, doet

mij aanrazend nu ontwaken. Is mijn taak

dan reeds volbracht? Het leven al ten

einde?

In licht met licht tracht ik ‘t ervaren:

Ben ik nu dit? Of ben ik meer? Ben ik

minder soms? En zijn de jaren neergeslagen

als een regen op de wereld? Ik kan het niet

beseffen.

Maar dan vergeet ik “ik” te zijn.

De vloed van de oneindigheid, die

me overspoelt, doet mij vergeten, wat

het “ik” zich meende te zijn. Dat wat

het “ik” gevoelt als zachte, zoete

pijn doordringt, doet mij met het

Lichte leven.

Dan ben ik één met lichte kracht.

‘k Ben één met alle tijden.

‘k Ben één met zonnelicht en nacht, zo zonder

sterren. ’t Is niet te vermijden, dat Ik één

ben met de mens en met het dier en met de

plant. Eén met de lege ruimte. Eén met de

sterren, die in onzichtbare hand dirigeert.

En wanneer ‘k dan denk aan de grootsheid van ‘t

Zijn, is ‘t, of mijn wezen zich zelve eert en erkent.

Want ziet, één met de oneindigheid geworden,

verbroken hebbende elke grens,

ben ik één met God geworden.

Ik leef. Toch stierf in mij … de mens.