Het “ik” en zijn meesterschap in de wereld

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

De relatie tussen wereld en “ik” is een wat vreemde. Een vorige maal hebben wij getracht u aan te tonen, hoe de innerlijke wereld eigen­lijk belangrijker is dan de uiterlijke wereld, althans in vele opzichten. Wij kunnen dit ongetwijfeld onderstrepen met vele getuigenissen. Wanneer wij luisteren naar de specialisten en psychosomatici, dan vertellen zij ons dat vele ziekteverschijnselen, waaronder zeer bekende, worden veroor­zaakt door psychische factoren. De geest heeft haar uitwerking op de stof, omgekeerd heeft de stof natuurlijk haar uitwerking op het “ik”. Maar wanneer wij de zaak goed bezien, moeten wij allereerst uitgaan van het standpunt: de mens is in de eerste plaats geest (het bewustzijn) en als zodanig geestelijk de meerdere van de stof. In de tweede plaats, wanneer de mens geestelijk de meerdere van de stof is, moet hij zijn wil aan de stof kunnen opleggen.

Dit opleggen van de wil aan de stof is niet zo gemakkelijk als het misschien lijkt, wanneer je dit alles in theorie hoort. Want om werkelijk een meesterschap over de stof te verwerven, zal je in de eerste plaats het geestelijk “ik” (de wil, de emotie), moeten laten spreken boven alle andere dingen. Het is dan ook geen wonder dat geloof wonderen doet. Integendeel, het is héél natuurlijk en heel normaal. Want het zgn. wonder komt voort uit een absoluut terzijde zetten van het redelijke en de werkelijkheid. Tenminste de redelijke werkelijkheid, zoals de mensheid die ziet. Wat de mens redelijke werkelijkheid noemt is een zo klein en onbetekenend deel van het geheel, dat het inschakelen van de totaliteit van alle kosmische factoren ongetwijfeld, de overheersing van deze wil van het werkelijke wezen, tot een doodgewone en volkomen logische zaak maakt.

We mogen niet vergeten dat, wanneer u tracht te helpen, te genezen, te zien, wanneer u tracht iets te bereiken dat verdergaat dan het normale verloop van de stoffelijke dingen, u altijd wordt geremd door uw opvatting van de wereld. U zegt: “Hier sta ik tegenover de wereld. Die wereld is er, ik kan daaraan niets veranderen”. Maar is dat in feite wel zo? Een vorige maal hebben wij u duidelijk gemaakt hoe u de wereld ziet met uw eigen ogen, hoe het beeld dat u van de wereld heeft maar een klein deel is van de werkelijkheid. We hebben getracht u aan te tonen, hoe uw hele “ik” met zijn werkelijkheidsvoorstelling in feite maar een enkel fragment, een enkel facet ziet van een goddelijke waarheid die rond u is geopenbaard.

De conclusie is duidelijk. Wanneer wij dit redelijke van de stof terzijde zetten, komen we in die vage, vreemde situatie te verkeren, waarin geen enkele werkelijkheid ‑ maar ook geen enkele waan ‑ meer bestaat. De wereld die er dan is, is onze eigen wereld, onze werkelijke wereld. En de voorstellingswereld kan geregeerd worden door de gedachte.

En wij kunnen in deze gedachte ook alles tot stand brengen wat noodzakelijk is.

U zult zeggen: “Dit is dan misschien een meesterschap over mijn eigen lichaam. Ik kan misschien een ziekte wegdenken of ik kan desnoods een ander genezen. Ik kan misschien een ogenblik vooruitzien in de toekomst. Maar waar blijft dan mijn meesterschap over de wereld?” Antwoord: uw meesterschap over de wereld is gelijk aan uw meesterschap over uzelf. Want op het ogenblik dat u uzelf volledig meester bent, zult u al datgene wat u wenst in de wereld naar voren kunnen brengen en al hetgeen u niet wenst in de wereld terzijde kunnen stellen. U zult dus de wereld kunnen vormen ‑ zoals de Schepper dat eens heeft gedaan volgens de openbaringen – naar uw beeld en gelijkenis. En wanneer ik dit zo stel, begin ik mij af te vragen, of de onvolmaaktheid, waaronder men in deze wereld zoveel lijdt, eigenlijk niet voortkomt uit juist dit de wereld vormen naar eigen beeld en gelijkenis. Uit de onevenwichtigheid, waaronder men ongetwijfeld gebukt gaat.

Er zijn mensen, die zeggen: “We moeten alles kunnen doen met het verstand. Nuchtere, koude logica. Wij moeten het bewijs hebben, stoffe­lijk, zoals het is.” Maar … daarmee doen zo ook meteen iets wat dwaas is.

Op het ogenblik dat ik logisch en nuchter en redelijk ga denken, kom ik in een denkspoor dat absoluut onredelijk is in zijn uit­werking, want ik let niet meer op de mogelijke consequenties. Op het ogenblik dat ik de machtigste atoombom van de wereld maak, is het lo­gisch dat dit ding niet gebruikt zal worden tenzij in een uiterste noodzaak. Maar ik heb niet gerekend met de emotionele effecten, die de een of ander ertoe kunnen brengen dat moordwapen te doen exploderen zonder meer.

Wanneer ik alleen maar emotioneel denk, alleen op mijn gevoelens afga, loop ik aan de werkelijkheid voorbij, aan dingen die ik in mijzelf wel weet, maar die ik niet wil erkennen. Het is niet voor niets, dat verteld wordt dat de liefde blind is. U kunt daaruit de conclusie wel weer zelf trekken: wanneer alleen de emotie spreekt zonder meer, dan is er sprake van een eenzijdigheid en die eenzijdigheid kan nooit vol­doende zijn om de wereld te hervormen, laat staan om meester te zijn van de wereld.

Misschien moeten we het dan doen met het geloof, met de aanvaar­ding alleen. Maar wanneer wij geloven, wanneer wij aanvaarden, zijn wij begonnen met een fantastische stelling, dus een onbewijsbare stelling, waarop wij logisch een heel gebouw hebben opgetrokken. Wij zeggen­ “God is zus en God is zo en zo gaat de levensboom naar boven.” Maar is dat waar? Neen. Dit hebben wij uit onszelf opgebouwd. Het is weder­om een vermenging van een noodzaak tot geborgenheid, een emotioneel beleven in verband daarmee, plus een zekere logica en zelfrechtvaar­diging. Dat kan nooit goed zijn. Alleen kunnen deze dingen niets. En toch kan geloof al wonderen doen. Waarom? Omdat geloof in staat is althans een deel van de werkelijkheid te zien. Niet als een vaste hinderpaal, maar als een variabele factor die door een God van bui­tenaf gecorrigeerd kan worden. En dan gebeurt er niet altijd een won­der als je gelooft, maar soms wel.

De logica zal aan het wonder over het algemeen afbreuk doen. Denk aan hetgeen wij gezegd hebben over het onvolkomen stoffelijk be­wustzijn in de vorige les. Wat de emotie betreft, waarop wij wat meer de nadruk hebben gelegd; zeker die emotie brengt ons in contact met een werkelijkheid. Maar een werkelijkheid die wij niet kennen en die wij als zodanig ook niet kunnen regeren. Wij moeten een middenweg vinden, een weg, waarin de eigenaardige werkingen van het geloof, de vreemde zelfverzonkenheid van een mystieke overgave, gepaard gaan met een realistisch erkennen van wereld en toestand volgens ons peil van bewustzijn. Eerst dan kunnen wij meesterschap verwerven. Dan kunnen wij a.h.w. onze eigen wil uiten in alle dingen.

Het eerste dat voor ons belangrijk is: Hoe kan ik mijzelf volledig meester zijn? Dat lijkt ontzettend moeilijk, denk ik. Wanneer u probeert uzelf helemaal meester te zijn volgens uw eigen opvattin­gen, lukt dat nl. niet. Het meesterschap over het “ik” kan alleen verworven worden volgens een reële erkenning van hetgeen dat “ik” in feite is, wat het behoeft en wat het moet doen.

Het “ik” heeft een taak. Deze taak is niet stoffelijk te omschrijven. Ze wordt aangevoeld. Je voelt dat je bepaalde dingen op aarde moet doen. Je voelt je getrokken tot sommige dingen en je er­kent ze als goed. Je hebt het gevoel dat je voor anderen iets moet scheppen. Dat kan voor een huisvrouw zijn het scheppen van een ge­zellig milieu, voor de een of andere kunstenaar het scheppen van kunst en ontspanning. Het kan voor iemand, die in een bedrijf zit, eenvoudig zijn het scheppen van een tevredenheid of van een reeks nuttige installaties. Het kan zelfs zijn iemand alleen maar zo goed en zo goedkoop mogelijk bedienen, of iemand raad en een geestelijke waarheid geven op het ogenblik dat hij radeloos is. Maar die dingen voel je als een taak.

Om het “ik” te beheersen is het noodzakelijk dat we ons die taak goed realiseren. Hoe meer je twijfelt, hoe meer je voortdurend in dubio staat, heen en weergaande als een dol geworden weegschaal, gespleten in jezelf als een soort tweeling in een lichaam samenge­voegd, hoe moeilijker het wordt om die beheersing over het “ik” te verwerven. Je moet komen tot een reëel werken. En een reëel werken, kun je alleen, wanneer je zegt: “Hier” dit is mijn doel. Zeg niet dat u zo’n doel niet heeft. Ieder mens droomt ervan, ieder mens denkt eraan en het komt in uw wensdromen naar voren. Het komt naar voren in uw geloof. Wanneer u bidt, spreekt u het onwillekeurig uit. Elke keer wanneer u denkt, “dit zal goed zijn,” brengt u iets van dit levensdoel mee naar voren. Erken dit doel. Dat is punt 1.

Maar als je het doel kent, moet je ook weten, in hoeverre je over de middelen beschikt om dit doel na te streven. Ontleed dan je­zelf niet. Zelfanalyse is heel aardig, maar uitermate verwarrend vaak. We kunnen haar soms gebruiken als een instrument om ons daar­door een zekere mogelijkheid tot overlegd handelen te scheppen.

Maar wanneer wij tot die beheersing willen komen, is dat niet zo belangrijk. We behoeven onszelf niet te analyseren, we moeten alleen voor onszelf trachten te begrijpen, wat we zijn. En wanneer u miljonair wilt worden en u hebt op dit ogenblik een dubbeltje, dan zult u begrijpen dat u elke cent moet oprapen. En dat u er misschien nog niet komt, maar dat u zich voortdurend daarop zult moeten concentreren. Maar ja, hebt u dat miljoen op twee gulden na, dan is het een eenvoudige kwestie.

Wat heb ik om dit doel na te streven? Ik ben een mens ‑ zult u zeggen ‑ en ik zou de mensheid vrede en geluk willen geven. Goed. Wat hebt u om dat te doen. Hebt U de nodige zelfbeheersing? Hebt u het begrip voor anderen, wat noodzakelijk is? En wat hebt u niet? Probeer erachter te komen wat uw eigenschappen zijn. En probeer dan ook na te gaan in hoeverre die eigenschappen in relatie staan met het doel dat u zich gesteld heeft. Op deze manier kunt u werkelijk komen tot een steeds verdergaande beheersing, omdat u, de middelen van uw wezen kennende en deze gebruikende, zo nuttig en rendabel mogelijk, uw doel nastreeft. Dat was punt 2.

Maar wanneer ik op deze manier begin te werken met mijzelf, dan beantwoorden dus steeds meer mijn daden aan mijn innerlijk beeld. Ik word tot een steeds grotere eenheid. Dit wil zeggen dat mijn emo­ties en mijn wil (tenslotte vaak een product van de emoties) volkomen gelijkgericht zijn met mijn innerlijk doel. Dat ik mijzelf niet hinder, ­ dat ik mijzelf niet belemmer. Ik werk verder met een volledige overgave. En een volledige overgave is een volledige harmonie. Ben ik zelf harmonisch, dan ben ik in harmonie met al het gelijk strevende in de kosmos. Punt 3.

En daaruit kunnen wij dan de conclusie trekken. Op het ogenblik dat ik mijzelf in zoverre meester ben dat ik niet strijdig ben met mijzelf, begint mijn mogelijkheid om meester te worden over de wereld.

Een opmerking die onmiddellijk wordt gemaakt is: dit klinkt allemaal aardig, maar de mens is zo’n gecompliceerd wezen. Hij heeft zoveel strijdigheden in zichzelf. Zelfs wanneer je een doel hebt, dan is er zoveel wat ermee in tegenstelling is. We kunnen haast niet verdergaan zonder eerst ook een dergelijke opmerking te beantwoorden. En dat wil ik dan op de volgende manier doen.

Wanneer u uitgaat van een zuiver stoffelijk standpunt, u baserend op de stoffelijke moraal, op de stoffelijke gewoonten van de tijd, op de wetten en de religieuze leringen, zoals ze u in een kerk worden voorgehouden, dan zult u altijd met uzelf in strijd blijven. Want elke wet, elke religieuze of menselijke wet is een generalisatie. U bent echter een individu. U bent niet een gemeenschapswezen, dan misschien met een zeer klein doel van uw entiteit dat nu eenmaal behoort in de samenleving, het menselijke bestaan. U hebt veel dingen, zegt u, die strijdig zijn met elkaar. Maar is deze strijdigheid wel feitelijk zo? Is het niet eerder zo dat een bepaald deel van uw mogelijkheden, die u zou kunnen gebruiken ten goede en ten gunste van uw doel, door u worden verworpen en veroordeeld, omdat u niet begrijpt, hoe u ze moet inpassen in uw eigen bestaan zonder gelijktijdig in strijd te komen met de wereld, met alle gevolgen van dien? Beziet u bepaalde dingen in uzelf misschien niet verkeerd?

Nu moet ik onwillekeurig denken aan iemand, die zei: “Ja, maar wanneer ik nu al het goede nastreef, dan gaat het mij, zoals – volgens de levens der heiligen ‑ het de heilige Antonius is gegaan. Hoe meer ik tracht te denken aan het schone en aan het reine, hoe meer het dierlijke en het wulpse zich aan mijn voorstellingsvermogen opdringt.” We hebben toen daar het volgende antwoord op gegeven: wanneer dit gebeurt, dan blijkt, dat u niet evenwichtig bent. Maar evenwichtigheid is een noodzaak om te kunnen leven. U hebt dus klaarblijkelijk iets uit uw leven gebannen, iets verworpen, wat noodzakelijk is voor uw harmonisch bestaan.

Het antwoord aan ons was weer: u zegt dit nu wel, maar dat is niet zo gemakkelijk in deze wereld.

Ongetwijfeld had de spreker gelijk. Het is niet zo gemakkelijk. Maar gaat het er nu om, of het gemakkelijk is of gaat het erom, of het mogelijk is? Het is mogelijk onszelf te zijn, volledig. Het is mogelijk al hetgeen in ons bestaat ‑ de schijnbare strijdigheid zelfs met wat wij goed noemen ‑ in verband te brengen met ons doel en ter bevordering daarvan te gebruiken. En doe je dat, dan gaat het goed. Doe je het verkeerd, dan vallen er slachtoffers. Een dokter schrijft op een gegeven ogenblik bv. laudanum voor of arsenicum of iets anders. Stoffen, die zeer schadelijk zijn en giftig. Hij schrijft medicijnen voor, waarbij feitelijk een doodskop op het flesje moet staan: denk erom, levensgevaarlijk! Maar juist met dit gevaarlijke kan hij de patiënt in orde brengen.

In het leven van elke mens zijn er bepaalde factoren die hij niet helemaal aankan, wanneer hij zich alleen maar vasthoudt aan wat goed is en aan wat niet goed is, wanneer hij zich vasthoudt aan de algemene opinie. Er zijn bepaalde dingen die slecht heten, maar die soms gebeuren moeten, omdat er anders geen goed gebeuren kan worden, omdat er anders geen doel kan worden nagestreefd. Er zijn bepaalde dingen die de wereld verheerlijkt als buitengewoon goed, als ideaal en die niet deugen, wanneer het erom gaat het doel werkelijk te vervullen. Kijkt u naar de maatschappij. Sociale zekerheid is een noodzaak, ik ben het er mee eens. Maar wanneer die te ver wordt doorgevoerd, wat gebeurt er dan? Dan maak je slaven van de mensen. Je neemt hun de zelfstandigheid af. Je geeft hun een doel mee, om voor te streven en te leven. En wat gebeurt er? Dezelfde massa, die je wilde verheffen, valt neer, omdat je te goed voor haar wilde zijn.

Zo, gaat het met u in het leven precies hetzelfde. Er zijn dingen, die u zo goed vindt dat ‑ al passen ze nu niet helemaal bij u ‑ u ze toch wilt volvoeren. Neen, het moet bij u passen. Het moet een deel zijn van uw eigen denken, van uw eigen leven, een eigenschap van uw wezen, lichamelijk en geestelijk. En deze eigenschap moet u richten op het doel dat u zich gekozen heeft, waarvan u zich bewust bent geworden.

Nu zal het misschien niet altijd het hoogste goed zijn volgens menselijk denken. Het zal ook weleens onder de norm zijn, volgens het menselijk denken. Maar zolang het gericht is op het edele doel, zolang het een noodzaak is van uw wezen en daarmee het nastreven van het aller­hoogste (de eenheid in uzelf) kan worden bevorderd, is het gerechtvaar­digd. Precies zo gerechtvaardigd als het vergif dat de dokter zijn pa­tiënt geeft om de kwaal te bestrijden. Net zo gerechtvaardigd als het inunderen van een bepaald gebied om later daar misschien een grotere vruchtbaarheid te krijgen.

Wanneer u dit begrijpt, zult u ook begrijpen dat het vervullen van die gestelde normen een beetje vrijer denken vraagt dan de menigte kent. Maar dat is nodig. Hoe kunt u immers uw “ik” tot meester maken in de wereld, hoe kunt u een scheppende factor in de wereld zijn, wanneer u gelijktijdig onderworpen bent aan al, wat die wereld u wil opleggen? Dat gaat niet.

En wat maakt nu o.m. die wereld uit? 0, het is aardig om te spreken over meesterschap. Maar wij moeten toch ook weten, waarvan wij mees­ter kunnen zijn, nietwaar? In de eerste plaats is uw wezen gebonden aan levenskracht. Denkt u weer aan hetgeen wij in de voorgaande lessen heb­ben gezegd. Rond u is deze levenskracht en in u. Deze levenskracht, zodra zij zich in u bevindt, is onderworpen aan de voorstellingen van uw psyché, dus van het geestelijke plus het stoffelijke denkvermogen. Wanneer ik dus meer kracht binnen mijzelf kan brengen, zal ik meer kracht door mijn wil kunnen regeren. Wanneer ik krachten uit mijzelf wegzend door mijn wil, wordt mijn vermogen om krachten op te nemen groter. Want ik kan alles opnemen wat ik uit mij doe wegvloeien. Maar als ik mij daarop concen­treer en wanneer heel mijn wezen gericht is op het absorberen van die kracht, kan ik veel meer presteren dan normaal is. Als het voorstellings­vermogen in staat is op de levenskracht een zeer belangrijke invloed uit te oefenen, terwijl die levenskracht rond ons volledig aanwezig blijft te allen tijde, dan volgt hieruit dat de eerste en meest eenvoudige vorm van meesterschap die de mens in de wereld kan bereiken, het meesterschap is over de levenskracht.

In welke factoren valt die levenskracht dan uiteen? In de eerste plaats: de vitaliteit, die u kent, het vermogen om te leven en in zijn beste vorm ook tevens de levensvreugde. Maar daarnaast? Levenskracht is energie. Energie is om te zetten in elke andere vorm van energie en wel praktisch zonder verlies. Dan zou je bv. alleen door concentratie van gedachten met die levenskracht een kachel kunnen aansteken. Niet dat ik voorstel dat u dit nu eens zult gaan oefenen. U kunt het gemakkelij­ker en eenvoudiger met de bekende middelen. Maar mogelijk is het.

We vinden in de verhalen over de paranormaal begaafden, de paranormale wezens, dan ook verschillende aanduidingen van mensen en kinde­ren, die in staat waren i.v.m. een zekere stemming misschien vuur te doen ontstaan zonder daarbij stoffelijke middelen te gebruiken. Nu zul­len wij dit vuur waarschijnlijk niet nodig hebben. Maar hitte kan onder om­standigheden heel gemakkelijk gebruikt worden. Want wij kunnen bv. daarmee iemands temperatuur een eind omhoog brengen of onze eigen temperatuur. Dat wil zeggen dat wij onafhankelijk worden van ons mi­lieu. Dat we dus niet meer gebonden zijn aan de normale menselijke beschermingen van kleding en onderdak. Dat betekent ook dat wij, alleen door deze, mag ik zeggen “warmte” rond ons als een scherm te laten ontstaan bv. sneeuw, regen en mist van ons kunnen weghou­den. Dingen die in verhalen over het paranormale verschillende malen voorkomen, zij het ‑ voor zover mij bekend ‑ geen enkele maal met volledig bewijs.

Ik kan natuurlijk ook die kracht op een grote afstand richten en dus fel gebundeld. Dan zou ik daarmee een wapen hebben dat el­ke vijand tot stilstand noopt. Ik kan mijzelf ermee verdedigen. De levenskracht als energie alleen geeft mij verder de mogelijkheid voorwerpen te verplaatsen, dus kinetische energieën te doen ont­staan of vrij te maken (telekinese). Het wordt mij mogelijk om met de­ze levenskrachten een ander, wiens levenskracht niet voldoende is, a.h.w. aan te vullen door mijn eigen krachten tijdelijk in die ander te doen overgaan en dat met een behoorlijke snelheid, een behoorlijke intensiteit. U zult begrijpen dat het beheersen van die levenskracht dus heel veel voordelen biedt.

Hoe deze levenskracht in jezelf te vergaren. Kijk eens, normalerwijze denkt u dat u met ademen op een gegeven ogenblik krachten kunt vergaren. En omdat de adembeweging en de toevoer van zuurstof en energie een gewoonte is, zal een diepe ademhaling u vaak in staat stellen om krachten te vergaren, om uw zenuwen te bedwingen, om uzelf meester te worden e.d. Maar is die ademhaling nodig? In het begin zeker wel, op de duur niet meer. Want indien mijn gedachten voldoende zijn om de levenskracht te regeren, zal de gedachte dat ik meer van deze kracht in mij kan bevatten, automatisch een ledig in mij scheppen, waarin de kracht van buiten wordt toegevoerd. Die toevoer geschiedt zowel via de poriën van het lichaam en via de verschillende zenuwkanalen, als via bepaalde sferen. Per slot van rekening is de mens toch niet alleen maar vlees en bloed en been. U hebt geestelijke eigenschappen, u hebt bepaalde geestelijke werelden en u hebt voertuigen. Het gevolg is ‑ dus heel simpel en eenvoudig gesteld ‑ dat u door sterk te denken een feitelijke verandering in uw eigen kracht tot stand kunt brengen, en dat u, zoals u die kracht tot u kunt nemen, deze ook buiten u kunt dirigeren. Hiermee heeft u een overwicht op uw omgeving verworven.

De levensenergie kent verschillende uitingen. De uiting, die waarschijnlijk het meest bekend is, is de aura. De aura is ook een uiting van levensenergie. En het eigenaardige is, dat wij deze kracht daarin zien in verschillende vormen. Die gaan vanaf infrarood (dus warmtestraling) via zeer veel verschillende stralingen tot een zeer hoogfrequente. Elk van die stralingen heeft haar eigen werking, haar eigen mogelijkheden tot reactie. Wanneer nu een mens met zijn levensenergie warmte kan regeren, dan moet hij al hetgeen binnen dit­ zelfde bereik ligt evenzeer kunnen regeren.

Stel nu dat ik levenskracht in mijzelf opneem, en deze niet uitstraal als levenskracht of als energie, maar dat ik haar maak tot een gemoduleerd gerichte uitstraling van de gedachte. Ik ga dus een trilling uitstralen die een gedachtebeeld is. Wat gebeurt er? O, zegt men, dat is hypnose. Goed, het kan hypnose zijn. Maar vaak is het meer. Het is een overweldigende kracht t.o.v. de omgeving. Zolang u niet met de geaardheid en de eigenschappen van die omgeving in absolute strijd bent, zult u dus die omgeving kunnen leiden naar uw eigen inzichten. Meesterschap.

Stel dat u deze kracht in uzelf opneemt en dat u besluit, daarmee materie te veranderen Dat is een schijnbare onmogelijkheid. Iedereen die er technisch iets van afweet, zegt: “Die vent is knots.” Maar dat ben ik voor hen alleen, wanneer men de premissen, die ik stel, niet wil accepteren. En die premissen zijn niet bewezen, maar ze zijn ook nog nooit onderzocht en onmogelijk gebleken. Dat is dus de moeilijkheid. U zult hieromtrent hetgeen ik hier ga zeggen dus zelfstandig moeten nadenken, u zult u een eigen mening moeten opbouwen en een eigen over­tuiging hierover moeten verwerven. Want niemand kan u zeggen: “Dit kan” of “dit kan niet.” Men kan hoogstens zeggen: “Ik denk dat het mogelijk is” of “ik denk dat het niet kan.” Verder gaat het niet. Luister goed. Wanneer ik een betrekkelijk kleine hoeveelheid energie op een kritiek punt aanwend, dan zal ik daardoor een grote verandering van massa tot stand kunnen brengen. Denk aan een zwerfsteen. U hebt van die zwerfstenen die in de wind vervormd zijn tot ze tenslotte op een enkel punt staan te balanceren. Het is dan vaak mogelijk om tonnen gewicht, met een druk van enkele kilogrammen te doen vallen. Een dergelijke situatie vinden wij in de materie rond ons ook. Wij kunnen niet alle materie nog gelijkelijk beheersen, daarvoor zijn wij niet sterk genoeg. Maar er komt een ogenblik dat wij een stof hebben die in een kritiek stadium is. Wij voelen dat aan. Ik heb bv. laten wij zeggen lood. En ik heb kwik. Twee stoffen die t.o.v. elkaar toch een eigen­aardige onevenwichtigheid vormen. Wat ga ik doen? Ik ga proberen dat evenwicht te herstellen. Ik voeg er kracht bij. Het gevolg is, dat ik een emulsie krijg. Wanneer ik deze emulsie met de juiste stoffen ver­meng, krijg ik goud. Een alchimisten geheim. Het bekende rode poeder. Maar dat is nu voor mij helemaal niet noodzakelijk. Per slot van rekening wat heb je er tegenwoordig aan om goud te maken. Je krijgt last met de regering en met de bank en je moet het toch allemaal inleveren. Daaraan hebben wij dus niets.

Maar er zijn andere dingen in de materie die we belangrijk zijn. Er komt een ogenblik voor ons dat wij zeggen: Als wij nu maar eens het geneesmiddel hadden voor die mens. En je kunt het niet vinden. Dan is het mogelijk om de geaardheid van de materie te wijzigen, een heel klein beetje of een heleboel. Je kunt a.h.w. hier vitaliteit aan toevoegen zoals bij het magnetiseren van water, maar je kunt ook de geaardheid van de stoffen onderling veranderen. En dan doe je precies hetzelfde, wat de toverdokters in de oosterse gebieden doen met hun bezweringen. Dan doe je hetzelfde, wat de negers in het zuiden doen met hun tover­spreuken, hun eigenaardige concentratie, hun vreemde brij, die weten­schappelijk geen enkele waarde heeft maar toch wel enkele vreemde be­standdelen. Bestanddelen die toch wel genezend blijken te zijn. Maar het vreemde is dat die bestanddelen, als ze eruit zijn gehaald, niet zoveel doen als het middel op zichzelf.

Hiervoor is wetenschappelijk geen verklaring. Of u moet de verklaring accepteren die ik u hier geef. Het is mogelijk door concentratie van gedachten, door een voortdurend bezig zijn met de materie ‑ terwijl ze gelijktijdig aan stoffelijke verandering wordt onderwerpen ‑ haar een reeks van eigenschappen op te dwingen, die zij uit zichzelf niet of niet zo sterk zal bezitten. Het is dan ook mogelijk om daarmee haar structuur haast onmerkbaar maar voldoende te wijzigen, om die materie plotseling werkzamer te maken dan ooit tevoren. Dat kan. Maar als u aan materie eigenschappen kunt toevoegen die ze niet heeft, dan wel aan materie eigenschappen kunt ontnemen, welke u niet bevallen, of eigenschappen kunt versterken, dan hebt u een meesterschap over de wereld gewonnen.

Dan bent u meester.

Dan kunnen we nog een stap verdergaan. Want stel nu eens even dit: mijn droomwereld berust op een goddelijke werkelijkheid. Ik kan mij niets voorstellen en niets denken, wat al niet bestaat, er is geen schepping mogelijk die niet in feite een combinatie is van hetgeen reeds geschapen is. Als dit waarheid bevat ‑ het is onomstotelijk waar, zodra wij God als een volmaaktheid aannemen ‑ dan volgt hieruit, dat elke ge­dachte die in ons mogelijk is, wáár is, ook al zal onze wereld deze niet erkennen. Wanneer die gedachte intens genoeg is, zal ze op de wereld waar gemaakt kunnen worden. Als ik op mijn wereld alles wat ik denk, waar kan maken, ben ik meester… Ook in een andere vorm zijn wij meester over de wereld. Want niet alleen is de gebondenheid aan stof en stoffelijke omgeving een keten die ons bindt, maar daarnaast ook de tijd. Hoe vaak zegt u niet: “Daar heb ik geen tijd voor.” Of: als ik maar eens de tijd had om dit of dat te doen.

Slaaf van de tijd. Slaaf van de ruimte ook. “Het is zo ver, ik kan het in die tijd niet doen.”

U bent slaaf van tijd en ruimte, zolang u zich vasthoudt aan de stoffelijke concepten alleen.

Maar indien U zich realiseert dat u een geest hebt, wanneer u zich realiseert dat u krachten in de geest kunt vergaren op de wijze als vooromschreven, dan zult u zich misschien ook realiseren dat er voor u in feite geen beperkingen van tijd of ruimte bestaan. Dat u op dit ogenblik hier kunt zitten en in één seconde 10.000 mijlen verder kunt zijn met uw bewustzijn, met uw wezen, maar ook met uw kracht.

Die kracht zegt heel wat. Want wat is materie? Materie is een reeks van kleinste deeltjes, in onderlinge krachtsverhoudingen tot een schijnbaar onverbreekbaar verband verenigd. Wanneer ik dus kracht genoeg heb, kan ik alle kleine deeltjes samenbinden en ik kan scheppen wat ik wil. Ik kan mijzelf desnoods een tweede lichaam scheppen, waarin mijn geest tijdelijk rondgaat en wandelen kan 10.000 mijlen van hier, terwijl mijn lichaam hier een ogenblik in slaap ligt. Ik ben dus in die zin meester over de tijd en meester over de ruimte.

Maar ik kan nog verdergaan. Want ik kan mijn meesterschap zover doorvoeren, vrienden, dat ik de tijd zelf loslaat en dat ik de fragmenten van leven en toekomst in het heden besef en dus in het heden kan handelen. Wanneer ik nu weet dat het zeer waarschijnlijk is, dat er zo dadelijk iemand komt die mij een klap op het hoofd geeft, dan is het betrekkelijk eenvoudig om te zeggen: “Ik trek bokshandschoenen aan, zodat ik die vent aankan.” Ofwel ik kan ergens anders gaan zitten, dan zal het ook niet gebeuren. Ik kan dan de feitelijke toestanden veranderen. Ik kan naar mijn wens de dingen gaan veranderen, zodra ik inzicht heb in de toekomst, in de ontwikkelingen die de toekomst zo langzaam maar zeker gaat realiseren. Vooral wanneer wij rekening houden met het feit dat wij niet aan één vast toekomstbeeld zijn gebonden, maar dat er een voortdurende keuzemogelijkheid bestaat, waardoor elke denkbare toekomstige toestand voor ons realiseerbaar is.

Wij kiezen van uit het heden met ons bewustzijn en onze mogelijkheden één van de vele toekomstmogelijkheden die vastliggen. Hetgeen wij erkennen is meestal het rechtlijnige spoor, dus hetgeen, bij een behoud van huidige condities, eigenschappen en omstandigheden zich in de ontwikkeling zal openbaren. Maar wanneer ik even afwijk, wordt het anders. Wanneer ik nu weet welke afwijkingsmogelijkheden er zijn en ik weet wat mijn toekomstbeeld is in het heden, dus gezien van uit deze situatie, dan kan ik ook zeggen. Ik zal die toekomst wijzigen naar mijn believen, ik ben meester geworden over de tijd en de schijnbaar nooit eindigende drang, waarmee zij mij verder jaagt.

Ik kan nog verder gaan dan dat. Ik kan ook zeggen.: “Ik wens de tijd voor mijzelf niet meer als een beïnvloedende factor te erkennen.” Dan schakel ik dus elke dwang uit, zelfs op mijn stoffelijk organisme. Er is niets meer wat mij jaagt. Dat betekent dat ik voortdurend tijd heb om vitaliteit in mij op te nemen, dat ik voortdurend tijd heb om el­ke afvalstof, die uit mijn lichaam verdreven moet worden, inderdaad te verwijderen. Dat ik tijd heb om al wat hernieuwd moet worden opgebouwd in mijn lichaam, inderdaad hernieuwd op te bouwen. Ik kan eeuwig jong blijven.

Nu is het eigenaardige dat dit laatste ook onder niet‑beheerste omstandigheden tot stand kan komen en wel op het ogenblik dat het “ik” een zodanig hevige geestelijke emotie ondergaat, dat een zekere scheiding tussen stoffelijk en geestelijk bewustzijn blijvend plaatsvindt. In dergelijke gevallen zien we dat de energieën van het lichaam veel langer behouden blijven. Is de scheiding praktisch, volledig, dan kan een lichaam ook praktisch volledig behouden worden. Overigens vindt u daarover ook niets in de wetenschap, maar u vindt wel dergelijke verhalen over de weerwolven, de langslapers, en dergelijke. Mensen, die onder een zekere invloed inslapen en volgens het sprookje honder­den jaren later ontwaken. Zoals het in de verhalen staat, is het natuurlijk niet. Maar het is meermalen voor­gekomen dat een mens een tijdlang in rust verkeerde en dan plotseling hernieuwd begon te leven, daarbij niet in feite verouderd zijnde. Dat zijn heel eigenaardige dingen.

Wanneer nu al deze dingen mogelijk zijn, vrienden, wanneer dit alles binnen ons bereik ligt, is dan de wereld inderdaad uw meester? Bent u gebonden aan de mogelijkheden van uw leerschool, van de klas waarin gij thans zijt?

Of hebt ge de mogelijkheid om op elk gewenst ogen­blik, de klas te verlaten en de wereld te maken tot uw speelbal i.p.v. een speelbal van de wereld te zijn? Het “ik” kan alle dingen volbrengen, indien het maar in staat is de zgn. werkelijkheid van heden te vergeten. En dat is de moeilijkheid. Men kan u misschien zeggen: Ge kunt morgen jong en schoon zijn, maar ge gelooft het niet. Als ge het niet gelooft, zult ge het niet bereiken. Waarom? U zegt: “Het is onmogelijk.” U streeft ernaar en u werkt uzelf tegen. Dat is de strij­digheid, de verdeeldheid. Die verdeeldheid maakt u de bereiking on­mogelijk. Maar als u nu eenmaal weet: “Dit ben ik, daaraan kan ik niet meer tornen. Maar dáár ligt mijn doel. En uit het heden dat ik ken, kan ik dat doel zo bereiken, dan kunt u elke kracht, die in u leeft, elke kracht die in u bestaat, hierop richten. En u zult uw doel bereiken en verwerkelijken ‑ ongeacht wat de wereld zegt, ongeacht wat de mensen zeggen, ongeacht wat er in de ervaring van eeuwen staat neergeschreven ‑ omdat u geestelijk suprême bent boven de stof. U bent meester, geen slaaf. Het “ik” dat leeft in de mens, is geschapen als een vormende kracht, niet slechts als een vormbehoudende kracht. Het is geschapen als een bewustzijn, niet slechts als een bewustzijnsuiting. Het is geschapen als een deel van de goddelijke kracht, niet alleen als een waanvorm. Wanneer u zich dat realiseert, zult u begrijpen dat in feite het “ik” meester is van de wereld. En u zult ook begrijpen dat het streven naar bewustwording dit meesterschap mee helpt bevorderen. Want hoe meer u tracht u bewust te zijn van uw werkelijke “ik”, van uw werkelijk wezen en hoe men tracht te realiseren wat de werkelijke belangrijkheid voor u is, is van de wereld die u rond u ziet, hoe meer de innerlijke harmonie komt, hoe groter de kracht wordt, hoe groter het doelbewust streven wordt en hoe minder u vernederd zult worden door de voortdurende mislukking, door de tegenslag van het leven. Velen proberen die weg te redeneren door te zeggen: Nu ja, het is de last die God ons oplegt, maar in feite is het de schuld van elke mens, die in zijn onvolkomenheid, in zijn onjuistheid van denken en reageren, voor zichzelf die situaties realiseert. Het “ik” is geen slaaf, het is meester. Meester van de materie. De gelijke in de sferen, waarin het gelijk bewustzijn heeft. Meester en geleider voor de geestelijke sferen, die lager staan in bewustzijn en verantwoordelijk voor al datgene wat niet dezelfde bereiking kent. Wanneer men van dit standpunt uit zijn eigen bewustwording gaat leiden, gaat zoeken naar een verdere persoonlijke ontwikkeling, dan zijn er ongekende mogelijkheden.

Hetgeen ik thans heb beschreven is niet in een enkel jaar te bereiken, dat weet ik. Het vraagt voor elk mens, ja, voor elke geest zelfs een voortdurend streven naar eenwording, naar bewustzijn omtrent het “ik”, naar bewustzijn omtrent de krachten uit het Al. Maar bereikbaar is het. Daarom hoop ik dat deze les voor u een stimulans zal zijn om te zeggen: “Ik wil niet langer slaaf zijn van omstandigheden en materie. Ik wil mijn “ik”, mijn ware “ik” zijn erfdeel iets langer onthouden. Ik wil het maken tot meester over de schepping, zoals het eens geschapen werd in den beginne. Opdat het moge zijn de vol­einde en eeuwige vorm en niet slechts een gebeurtenis zonder beheersing.

Gods vingerwijzing

Wij zeggen “Gods vingerwijzing” en wij menen daarmee dat God ons onze weg toont. Het is natuurlijk een zeer aangename gedachte dat God ons toont waar te gaan. Maar is er wel voor God een verschil in de weg die wij gaan? Kan het voor God iets uitmaken, of wij links of rechts gaan of rechtuit? Datgene, wat wij Gods vingerwijzing noemen, is in feite niet een werking van God. Het is een werking van een be­wuste wereld met een beperkt bewustzijn, waarmee wij in harmonie zijn.

Elke vingerwijzing, die wij van God krijgen, is in feite de open­baring van iets wat in onszelf sluimert. Alles wat ons gegeven is, hebben wij zelf verworven en toch wordt het ons gelijktijdig geschonken. We kunnen niet ervaren en niet leven, zonder de kracht van de Schep­per, die ons in stand houdt. Aan de andere kant, wanneer wij leven en ervaren en daaruit een bewustzijn verwerven, is dit ons werk en slechts indirect vanuit ons standpunt althans, het werk Gods. Daarom zal de vingerwijzing Gods dus geboren worden uit onszelf en deze toont ons welke weg te gaan, omdat de harmonie, die wij in ons hebben ge­schapen met andere waarden, ons de impulsen geeft, die ons een juiste weg doen kiezen.

Misschien vindt u het jammer dat ik op deze wijze de vingerwijzing Gods heb teruggebracht tot een natuurlijk en normaal verschijnsel, een menselijk, althans een beperkt verschijnsel. Maar laat ons nu trachten om dan die vingerwijzing toch te ondergaan, in ons zelf te voe­len als een werkelijkheid.

Bewustzijn is als een spinnenweb. Wij weven draad na draad. Eerst de hoofdlijnen, het bewustzijn van persoonlijk bestaan, het bewustzijn van een wereld buiten ons en ongekende krachten, die boven ons staan.

En nu gaan wij, deel na deel, verbindingen aanbrengen tussen deze hoofdbegrippen die in ons leven. Het is Gods kracht die het ons mogelijk maakt. De band die wij leggen tussen de eerste fasen van bewustzijn, waardoor wij parallellen verkrijgen, die het ons mogelijk maken te den­ken, is ons van God uit gegeven.

Maar de structuur die wij vormen, is gericht. Gericht is ons he­le wezen, omdat de wijze waarop wijzelf hebben gekozen en gedacht, ons langzaam maar zeker heeft meegevoerd, ons langzaam maar zeker heeft gedwongen ons te oriënteren en te zeggen. “Ziet daar ligt licht en goed en daar slechts het kwade.”

Voor God is het misschien een waan. Kent de wind een boven en een beneden? Kent de zon een verschil van licht en schaduw? We weten het niet. Wel weten we dat deze dingen voor ons bestaan. Dat wij ze ondergaan en dat ze ons voortdurend dwingen om een richting te kiezen.

Maar er komt weleens een ogenblik dat je verward bent en het lijkt of het glinsterend net van bewustzijn dat je in het Al hebt ge­spannen, niet voldoende is. Je hebt je vastgehaakt aan de verre ster­ren, je hebt je goden geschapen en je daarop gebaseerd. Je hebt de logica en de filosofie te baat genomen en je hebt je een heel stel­sel opgebouwd. En er is geen uitweg… althans, wij zien die niet. Maar wat doen we dan? Dan gaan we onwillekeurig terug naar de kern van het web van bewustzijn dat we ons gespannen hebben. Wij zoeken het middelpunt, omdat we alleen van daaruit het contact nog voelen met al datgene waaraan wij ons gehecht hebben: de lichtende kracht achter de sterren, de vreemde goden, de geesten misschien, die ons leiden. En in dit punt krijgen wij een nieuw overzicht.

Wat buiten ons gaat en beweegt, beweegt volgens de goddelijke wet en gaat volgens de goddelijke wet. Maar nu zijn wij erop gespannen, wij richten ons erop en een trilling bereikt ons, die zegt: Die kant moet je uitgaan. Wij weten niet hoe het ontstaat. Het ligt ver buiten en verre buiten ons bewustzijn. Maar we concipiëren het plotseling, dat is de mogelijkheid. En we gaan.

Weten wij of het goed is? Neen. Maar we vertrouwen dat het goed is. Wij vertrouwen op de hulp die ons gegeven zal worden en helpen zo onszelf. Want God is in ons, elk ogenblik. Al wat wij hebben aan leven en bewustzijn is God en uit God gebouwd. Wanneer wij daarop vertrouwen, dan schuilt in ons de oneindige kracht. Dan hebben wij het vermogen om een nederlaag tot een overwinning om te vormen. Dan kan uit dwaasheid wijsheid geboren worden en het diepste duister uitbarsten in het felle licht van een nieuwe ster.

Wij vertrouwen. Wij geven ons over aan de ongeziene krachten en wij bewegen ons in het web van bewustzijnswaarden van normen die wij ons gevlochten hebben. En voor we het weten hebben wij de nieuwe weg gevonden. Soms een gevaarlijke weg. De weg, die sommige spinnen gaan, wanneer ze hun draad in de herfst spinnen en zich als glinsterende draden met zwarte stippen door de wind laten voortvoeren, niet wetend waarheen, maar vertrouwend op het ogenblik dat wederom een web gebouwd kan worden. Soms verlaten wij het oude en vinden wij het nieuwe, maar altijd weer bouwen wij ons eigen stelsel op. Het is ons eigen begrip, dat ons voert. Het is ons eigen streven dat ons in harmonie brengt met delen van de wereld rond ons.

De stemmen, die als een echo uit de oneindigheid klinken, de krachten die ons pad schijnen te effenen, de engelen die ons verhef­fen en wegdragen over achtergronden, zij allen zijn deel van ons en wij deel van hen, deel van God. Wij echter, deze eenheid niet beseffend, het bereiken van de eenheid nog niet geheel doorvoelend, wij zeggen: “Ziet daar, is Gods vingerwijzing.”

Laten wij dit woord dan maar gebruiken, want ook in ons leeft God. Indien wij op Hem vertrouwen, zal Hij ons in staat stellen juist uit de verwarde vormen, zelfs van leven en denken dat ene te vinden, wat voor ons mogelijk en goed is. Dat ene wat ons dichter brengt tot de berei­king van eenheid. Eenheid met de Schepper, eenheid met de schepping, oplossing van het raadsel dat mens heet. Verdrijven van de scheiding en de grens, die ego heet en aanvaarding van die ene werkelijkheid, die is de oneindige Schepper.