Het ‘ik’ in het goddelijke ego

image_pdf

  16 mei 1960

Wanneer wij nadenken over de problemen van ons bestaan, dan is ongetwijfeld die verre en onbegrijpelijke Godheid daarvan één van de grootste. Wij zullen ons allereerst moeten afvragen: Bestaan wij naast God – dus buiten God als geuite schepping – of bestaan wij ín God? Nu kun je je daarvan natuurlijk met een klein foefje op een heel handige manier afmaken. Je redeneert als volgt: God is het enige, dat werkelijk bestaat. Buiten God kan niets zijn; dus ook geen ruimte of geen leegte. Zou er een leegte zijn, dan zou de ruimte op zichzelf groter zijn dan God. Dus leven we in God.

Maar als je dat gaat stellen, dan maak je je op een betrekkelijk gemakkelijke manier van het probleem af. De eerste vraag is dus voor ons toch werkelijk wel: Hoe kunnen wij uitmaken, of wij nu ín of buiten God bestaan? En dan moeten wij dat proberen te realiseren volgens – ik zou zeggen – de moderne techniek.

In de eerste plaats komen wij tot de conclusie, dat wij leven in de ruimte. Wat is de geaardheid van die ruimte? Kunnen wij dat definiëren?
In de tweede plaats: Wij bestaan uit materie of uit kracht naar gelang wij stof of geest zijn. Waar komen deze dingen vandaan? Wat is de essence van ons leven? Wat is onze levensgeest?

Mijn antwoord daarop is als volgt: Wij kunnen alle materie ontleden tot kracht. Wij zijn eveneens in staat alle stralingen tot kracht terug te brengen. De kleinste delen der stof zijn moeilijk te definiëren. Maar ook deze zullen ten slotte een bepaalde potentie aan kracht in zich dragen. Zonder zover te gaan als sommige mensen, die bv. voor een verlies van kracht of massa het neutrino postuleren  – het niet vast stelbare neutrale lichaampje met het gewicht van een elektron – zou ik willen stellen dat niet alle kracht duurzaam blijft. Ongeacht de wetten, die de mens daarover meent te mogen formuleren, dat kracht van vorm kan veranderen, maar in totale potentie gelijk blijft, meen ik te mogen stellen: er zijn delen energie, die verdwijnen nl. uit het continuüm dat u kent – en daar op een geheimzinnige wijze weer in terugkeren.

Dit stellende is alles kracht. Maar waarheen gaat dan die kracht, die wij in partikelvorm kennen of bv. in de vorm van een elektron, wanneer zij voor ons verdwijnt, als wij in de stof zijn. Onderzoek heeft uitgewezen, dat ook ruimte een vorm van kracht is. Wij kunnen die kracht voorstellen door velden, zeker maar daarmede zijn wij er niet. Want een veld zou beperkt moeten zijn. Wij komen echter tot de conclusie, dat zover ons begrip gaat ruimte oneindig is, terwijl zij misschien gelijktijdig eindig is.

Met deze wat technische uiteenzetting kom ik dan tot de conclusie, dat alles wat bestaat – zowel de ruimte als de verschijnselen in die ruimte – te herleiden zijn tot energie. Die energie heeft geen bepaalde vorm en is niet benoembaar. Zij blijkt echter te kunnen overgaan in elke voor ons wél benoembare vorm. Op grond daarvan stel ik: het totaal van het u en ook ons bekende Al is gelegen binnen één Kracht, die zich op de meest verschillende wijze uit. Waar deze Kracht alomvattend en alomtegenwoordig is, meen ik deze te kunnen identificeren met God.

Daarmee hebben we natuurlijk een antwoord gevonden. Maar nu komt de vraag: Wat is dan onze levenskracht? Wanneer wij het precies onderzoeken, blijkt dat levenskracht en zelfs de ziel een bepaalde vorm van energie of een bepaalde ruimtelijke toestand is. Daar zijn we niet veel verder mee gekomen, tenzij wij er onmiddellijk op laten volgen: en als zodanig is zij een direct deel van de grote Kracht, waarin en waaruit alles bestaat. Op deze wijze wordt de levenskracht – dat wat ons bezielt – een deel van al wat rond ons is en heeft als bijzonder kenteken slechts haar ogenblikkelijke verschijningsvorm. Dit lijkt mij een tamelijk redelijk bewijs voor de stelling, dat het ‘ik’ bestaat in God.

Maar wat voor een God? Te stellen: God is, definieert verder niets. Aan God allerhande eigenschappen toekennen zonder meer heeft ook al weinig zin. Want de eigenschappen die wij Hem toekennen, zullen uit de aard der zaak zo ver buiten ons eigen bevattingsvermogen liggen, dat zij lege woorden worden. Willen wij nu proberen toch God te ontleden, dan lijkt het mij wel erg belangrijk, dat wij proberen eigenschappen van die God vast te stellen. U moet me niet kwalijk nemen, dat ik hierbij allereerst naar de geestelijke ervaring grijp, die op aarde als esoterie, soms ook als magie bekend is.

In de kosmos blijken wetten te bestaan. Die wetten werken voor alles precies gelijk. Een mens, een elektron, een grote geest, een planeet, een ster, zij volgen elk op hun eigen wijze diezelfde wetten. Zij kunnen daaraan niet ontkomen. Stellende, dat deze wetten dus een grondeigenschap moeten zijn van de Kracht die wij zo even hebben vastgesteld, mag ik aannemen dat dus God bepaalde eigenschappen bezit, ook wanneer deze misschien niet alle voor ons kenbaar zijn.

Hiermee heb ik dus in zekere zin God al iets nader gebracht tot het begrip ‘ego’. Maar ego vraagt meer. Ego vraagt bewustzijn. Als ik nu constateer, dat gedachtekracht werkzaam kan zijn op deze wereld; dat een bepaald – wat men noemt – persoonlijk magnetisme invloed heeft niet alleen op mensen maar ook op dieren – sommige dierentemmers maken bv. van een semi-hypnotische techniek gebruik – dan mag ik misschien ook weer gaan stellen dat klaarblijkelijk de uitstraling, die wij kennen als gedachte-uitstraling, in meer of minder complexe vorm overal voorkomt en dus klaarblijkelijk ook een grondeigenschap is van die kosmos.

Dit denken beantwoordt wederom aan bepaalde regels. Zelfs zozeer, dat een abstract denken naast een feitelijk denken mogelijk is; dat feitelijk denken en abstract denken onder omstandigheden onderling verwisselbaar zijn. Een voorbeeld van dat laatste vindt u in de stellingen van Einstein en de resultaten, die de wetenschap daaruit heeft verkregen. Zo neem ik aan dat het denken inherent moet zijn aan de kracht; waarin wij leven en ons bewegen. Hieruit trek ik de conclusie dat – indien het denken een eigenschap is van deze kracht, uit deze kracht voortvloeit en klaarblijkelijk een wetmatigheid is binnen die kracht – het denken niet kan worden gesteld een onverschillig of slechts zo nu en dan optredend verschijnsel te zijn. Wij moeten het denken – zij het misschien in verschillende vakken en niveaus verdeeld – toekennen aan praktisch al het geschapene. Elke variant van denken welke optreedt, vloeit voort uit dezelfde kracht. Is het dan niet logisch, aan te nemen, dat in die kracht het denken bevat is? En is het een grote stap verder, als wij dan ook nog de conclusie trekken dat dit denken dus tevens een eigenschap is van die kracht?

Nu heb ik al een kracht, ik heb wetten – dus eigenschappen – en ik heb denken. Er blijft dan, om over een ego te spreken, nog slechts één ding over: een uiting. Ook bij deze uiting grijp ik in de eerste plaats weer naar het innerlijk ervaren van de mens.

Het zal velen van u bekend zijn dat de mens onder bepaalde omstandigheden in contact komt met groter weten dan zijn eigen; dat hij soms de indruk heeft veel sterkere lichten en krachten te ervaren, dan hem op de wereld ooit worden geopenbaard. Indien dit zo is, zo stel ik dat dit een uiting is van een groter vermogen. Zelfs indien dit groter vermogen niet direct God is, zo is het redelijk te stellen, dat – gezien de wetmatigheid die in de kosmos overal optreedt – ook deze kracht inherent is aan elk wezen en dus tot de bron kan worden herleid. God uit Zich weliswaar binnen Zichzelf maar toch tegenover Zijn schepping.

Hiermede hebben wij dus getracht voor God de eigenschappen te omschrijven, die voor een ego noodzakelijk zijn. Wat is dan de relatie van het ‘ik’ met dat goddelijk Ego? Uit onszelf weten we dat een contact soms mogelijk lijkt. Zelfs degenen, die niet direct in een God geloven, komen toch tot het aannemen van bv. een kosmisch geheugen of althans een gemeenschappelijk weten of een gemeenschappelijke denkwereld. Zelfs indien wij God voor een ogenblik uitschakelen, kunnen wij dus stellen dat elk ‘ik’ niet een onafhankelijk wezen, geheel in zichzelf besloten en bevat is, maar een wezen dat in voortdurende wisselwerking staat met al wat rond hem is. Dit wezen, dit ‘ik’ wordt beïnvloed, niet slechts door denken, door materie naar evenzeer door geest. Daarnaast door krachten, die niet nader te omschrijven zijn en die in hun uitingen het dichtst komen bij gevoel of sentiment.

Dat is een heel aardig stukje. Want indien ik nu mijn God weer in het geding breng, dan stel ik dus dat de Godheid van uit het totaal van Zijn uiting voortdurend tot het ‘ik’ spreekt. Het gedrag van het ‘ik” binnen het goddelijk Ego zal dan ook niet alleen kunnen worden omschreven door de eigenschappen van dit ‘ik’, maar alleen krachtens de relatie die voor dit ‘ik’ tussen God en hemzelf bestaat. Een interessant punt. Hoever gaat die beïnvloeding?

Uitgaande van de grote Meesters en Leraren op deze wereld zou men kunnen zeggen: Bij een absolute overgave is de uiting van het Scheppend Vermogen – de levende Kracht – praktisch onbeperkt. Uitgaande daarentegen van het leven dat u persoonlijk kent en de meesten van ons ook persoonlijk gekend hebben, moet ik stellen: we merken er eigenlijk heel weinig van.

Klaarblijkelijk wordt de verhouding tussen ‘ik’ en het goddelijk Ego uitgedrukt in het al of niet aanvaarden van het goddelijk Ego door het ‘ik’. Indien dit het geval is en ik meen dit als zeker te mogen stellen, trek ik hieruit de gevolgtrekking, dat elk ‘ik’ een op zichzelf begrensd deel van het Goddelijke is, dat eigen kwaliteiten en eigenschappen kan verwerven of bezitten.
Tevens echter staat het in voortdurende verbinding met het Goddelijke. Naarmate het zich bewuster wordt van deze verbinding, zal de grens tussen het Goddelijke en het ‘ik’ verder wegvallen.
Natuurlijk zullen we nooit zover komen, dat we kunnen zeggen; ‘Ik’ en God zijn één.” Want dan is er geen sprake meer van ‘ik’. Maar we kunnen wel zeggen: ‘Ik’ en het goddelijk Ego zijn van menselijk standpunt zo dicht tot elkaar te brengen, dat de krachten van het Grote zich openbaren in het kleine en het weten van het kleine wordt aangevuld uit het weten van het ‘Grote’.

Conclusie: de mens, die zich bewust is van de Godheid en Deze volledig durft aanvaarden, staat niet in zijn wereld gebonden en wordt niet door omstandigheden beheerst, maar alleen door de kosmische wetten welke de uitdrukking zijn van het Wezen van God Zelf en door zijn overgave aan het Goddelijke, waardoor de goddelijke Kracht tot uiting komt.

Dit blijft voor de meesten onzer helaas theorie. Toch zijn we een heel eind verder gekomen. Ik meen – althans voor de aanwezigen – aannemelijk te hebben gemaakt dat God een Entiteit is, een Persoonlijkheid. En ook dat wij binnen die God bestaan. Nu rest ons eigenlijk alleen nog het vaststellen van de mogelijke verhoudingen tussen ‘ik’ en het goddelijk Ego. Zouden wij ook hierin althans redelijk kunnen slagen, dan zouden we de vraag van het ‘ik’ in het goddelijk Ego voor een groot gedeelte hebben opgelost.

Nu moet ik volgens hetgeen ik reeds zei, hier uitgaan van het bewustzijn en de aanvaarding, die in het ‘ik’ liggen – het menselijk ‘ik’ dus. En dan stel ik: onbewustzijn van God. Zodra er een onbewustzijn bestaat, van de Godheid waarin men leeft, moet alles wat uit de goddelijke wetten voortkomt u toeschijnen óf een toeval te zijn, dan wel te behoren tot een kleine wet welke schijnbaar – maar niet werkelijk – veranderlijk is. Het zou zelfs kunnen voorkomen dat een wezen, dat geen werkelijk besef heeft van zijn God of daarmede contact heeft, een grote reeks van gedragsregels leert door ervaring en zo tot een vaststaand gedragspatroon komt, zonder dat er ooit van een Godserkenning sprake is.

Een trap hoger vinden we voor het bewustzijn de mogelijkheid kenbare hogere krachten te aanvaarden. Tevens zien we echter in deze fase een onvermogen iets meer te aanvaarden, dan voor het ‘ik’ duidelijk kenbaar is. Een dier, dat macht ziet in een mens, zal die mens op deze wijze tot een soort godheid maken. Uw hond ziet in u een soort godheid, omdat u op het juiste ogenblik met een bot komt aandragen, met een halsband en een wandelingetje maakt ergens waar het dier zijn gemoed kan luchten. Uw kat zal ook in u in zekere zin een groot en machtig wezen zien, ook al is haar vorm van aanbidding een andere dan die van de hond. Voor een dier in het woud, dat u niet kent maar dat de mens wel kent, kunt u misschien een machtige demon zijn. Het is wel redelijk te stellen, dat een dergelijk laag bewustzijn niet komt tot een samenvoegen van oorzaak en gevolg en daardoor wonderbaarlijke krachten erkent, omdat de gevolgen daarvan onmiddellijk zichtbaar zijn.

Gaan we nog een stap verder, dan wordt het onverklaarbare, het bovennatuurlijke wel erkend en daarin ook een zekere wetmatigheid. De mens erkent wel een toeval dat aan regels is onderworpen. Hij komt tot een beperkte Godsvoorstelling, maar realiseert zich niet dat God de totaliteit van alle leven is. Hij komt tot het aanbidden van een bepaald verschijnsel i.p.v. een ware Godheid. Het verschijnsel kan worden gepersonifieerd en dus de gedaante aannemen van een Godheid, van een talisman enz. Doch slechts dit ene facet wordt dan als goddelijk erkend; andere facetten worden verworpen. Het einde van deze fase is: het erkennen van een gehele reeks facetten uit verschijnselen, die gezamenlijk Gods Wezen vormen – of althans een groot deel van Gods Wezen en uiting op de wereld – zonder dat echter de verbinding tussen deze verschijnselen wordt gevonden. Er is geen associatie.

Eerst een daaropvolgende fase zal ons brengen: de associatie van de verschillende waarden. Hier komen wij dus voor het eerst tot een soort monotheïsme. Maar ook hier is de hang naar het herkenbare nog sterk. Zonaanbidding e.d. zijn hier de verschijnselen. Langzaam maar zeker zien wij dit overgaan naar het aanbidden van een onzichtbare God, van Wie men zich over het algemeen ook geen beelden maakt, maakt de mens slechts zeer beperkte voorstellingen, die echter beantwoorden aan een nauw omschreven denkbeeld. In plaats van het feit, is de gedachte de matrix geworden van het Godsbeeld. Er komt echter een ogenblik dat ook de beperktheid van een dergelijke Godsvoorstelling wordt erkend.

We treden dan in een nieuwe fase, waarbij God een abstractie is. God is zo abstract en staat zo ver weg van de mens, dat hij Deze pro forma erkent, maar in feite komt tot een persoonlijke en redelijke ontwikkeling, waar hij op die Godheid niet vertrouwt. De eindfase is het verwerpen van bijgeloof en gelijktijdig de waan, dat men een eeuwige waarheid bezit.
Een daarop volgende fase laat ons het ‘ik’ zien in een weer nieuwe relatie. In plaats van de redelijke verhouding, die het abstracte Godsbeeld bracht, komen wij hernieuwd tot gevoelsassociaties. Zij worden nu echter niet meer alleen gebaseerd op het feit zonder verklaring, maar worden gebaseerd op de ontleding van feiten, waardoor een gemeenschappelijke verklaring voor overeenkomstige feiten mogelijk wordt en gelijktijdig een praktische benadering uit dit ene punt ook technische mogelijkheden in zich bergt. Een dergelijke fase, toont ons het individu in een magische band met zijn God. Hij kent die God nog steeds onder vele namen. Hij roept vele facetten aan, waarvan sommige door hem goden of engelen, andere demonen of duivelen worden genoemd. Boven dit alles erkent hij echter één vaste Entiteit. Dit punt is overigens op het ogenblik in de menselijke geschiedenis zo ongeveer weer eens bereikt.

Het volgende en misschien meer interessante ontwikkelingspunt is de aanvaarding van een innerlijke Godheid, zonder dat daarbij de buitenwereld wordt betrokken. Men zoekt God in zichzelf, bereikt een contact met die God, maar is niet in staat met zijn stoffelijk of geestelijk bewustzijn tot een voldoende kennen van die God te geraken. Een van de resultaten: zelfkennis; één van de verschijnselen: een juist en redelijk gebruik van eigen vermogens plus een praktisch voortdurende overprestatie op velerlei gebied.

En dan komt het ogenblik dat de mens God als een feitelijke werkelijkheid erkent. In het begin ziet hij het Al bezield. Hij meent dus dat rond hem alles leeft en hij wil in alles die God afzonderlijk aanspreken. Hier erkent hij God in zich en buiten zich en er ontstaat voor het eerst een wisselwerking tussen innerlijke mogelijkheden en de uiterlijke werkelijkheid. Het gevolg hiervan is het ontwaken van het ‘ik’ dat nu steeds meer goddelijke regels erkent; uitschakelen van toeval; juister gebruik van vrije wil, waardoor een meer nauwkeurige bepaling van eigen doel.

De volgende fase toont ons het bereiken van het doel maar ook het beseffen van de onvolkomenheid daarvan. Het einde van het streven is een zich associëren met het Goddelijke. God wordt nog steeds niet volledig gekend, maar Hij wordt zo sterk ervaren, dat Hij alle weten en kennen overvleugelt. Hieruit groeit men naar het begrip toe dat voor het ‘ik’ niet definieerbaar is.

De daarop volgende fase toont dat de definitie van God uit eigen standpunt mogelijk is, maar dat deze definitie dient te worden aangevuld met elke definitie welke rond u bestaat in ander leven of in andere delen Gods. Groei naar een kosmisch beeld waarbij de kosmische wet de basis wordt van het eigen wezen en denken door de aanvaarding van het totaal Kosmische als Eenheid.
Daarna volgt als laatste fase: het bewust opgaan in het Goddelijke, waarbij het ‘ik’ niet meer voor zichzelf vraagt een persoonlijk deel of een persoonlijke vervulling, maar in zichzelf de taak erkent als deel van het goddelijke Ego te fungeren om de uiting van het geheel van het goddelijk Ego mogelijk te maken.

Wanneer ik u hier die fasen opnoem, fasen overigens, dat kan ik u wel zeggen, die in de geest getest en getoetst zijn, die alle inderdaad blijken te bestaan, dan zal u hieruit duidelijk worden dat het ‘ik’ een deel is van het goddelijk Ego. Dat het ‘ik’ in bewustzijn steeds meer naar dit goddelijk Ego toegroeit en dat het ten slotte met een eigen bewustzijn deel blijft uitmaken van dit goddelijk Ego, zonder ooit een eigen actie te overwegen.

Dit is natuurlijk de hoogste bereiking. In doorsnee echter zullen wij wel degelijk een eigen doel hebben, zullen wij wel degelijk onszelf trachten te richten op een bepaald aspect van het leven, zullen wij zoeken naar een bepaalde vorm van uiting. Wanneer wij dit doen, dan richten wij ons in het algemeen juist op datgene, wat niet direct inherent is aan onze eigen verschijningsvorm. Een typisch verschijnsel dus: de mens die stoffelijk leeft, richt zich niet a priori op de stof – ook al zegt hij dit te doen – maar volgt of wel dromen die aan de stof zijn ontleend, dan wel idealen welke voor de stof abstract zijn.

De geest volgt niet direct de wetten van haar eigen wereld, maar zoekt of wel de wijsheid en de leiding van een hogere wereld, dan wel, ze interesseert zich voor lagere werelden; soms doet ze beide. Het feit dus dat wij onze eigen weg zoeken en daarbij ons niet direct baseren op onze ogenblikkelijke toestand, doet de vraag rijzen: In hoeverre bestaat er een vrijheid voor het ‘ik’ binnen het goddelijke Ego? Het antwoord moet u duidelijk zijn.

Waar moet worden aangenomen dat dit goddelijk Ego aan vaste wetten gehoorzaamt en dat daarin vaste tendensen bestaan, een vast denken a.h.w., zo mag worden gesteld dat de vrijheid van het ‘ik’ klein is. Zij kan nooit liggen in die aspecten welke tot het goddelijk Wezen, zelf behoren. Dan blijft voor het ‘ik’ in feite alleen de vrijheid om zich bezig te houden met niet werkelijke situaties, dan wel met zo onbelangrijke situaties dat zij geen gewicht hebben voor het geheel maar alleen voor het eigen bewustzijn.

Het ‘ik’ heeft binnen het goddelijk Ego een vrijheid van willen, welke de eigen beleving voor een zeer groot gedeelte bepaalt. Het belang echter dat men aan eigen acties hecht en de wijze waarop men zijn eigen meningen en standpunt als belangrijk of niet belangrijk ziet, doen aan de eindresultaten niet toe of af.

Er wordt nu wel gesteld, dat God een volmaaktheid is, dus ook een oneindig aantal mogelijkheden in Zich draagt en dat men deze als mens of geest alle zou kunnen verwerken. Ik ken deze stelling zeer goed en meen – op grond van bepaalde proeven, welke wij hebben genomen – deze niet volledig te mogen onder schrijven. Wij kunnen binnen het Goddelijke alleen datgene voor onszelf tot werkelijkheid maken, dat al deel uitmaakt van onze persoonlijkheid. Dat deel dus wat wij zijn in de goddelijke openbaring. Het is ons echter onmogelijk iets anders tot uiting te brengen. Wel kunnen wij andere, voorstellingen koesteren, wij kunnen andere dromen hebben, een ander doel nastreven, maar daadwerkelijk zullen wij in onze eigen wereld nooit iets bereiken, dat ligt buiten de directe uiting van het goddelijk Ego in ons wezen.

De conclusie is dus, dat het ‘ik’ met zijn wilsvrijheid uitermate beperkt moet heten. Het lijkt mij dan ook belangrijker voor het ‘ik’, dat het zich realiseert hoe klein eigen mogelijkheid en zelfs eigen aansprakelijkheid is, dan dat het zich op een doel richt dat uiteindelijk niet of slechts ten dele kan worden verwerkelijkt.
Ik wil, voordat ik mijn betoog eindig, nog enkele punten aangeven, die in deze verhouding voor mij zeer belangrijk lijken.

Onbelangrijk is hetgeen je stoffelijk doet of laat. Het heeft alleen voor jezelf, je eigen beleving, je eigen verhouding tegenover God zin. Voor God echter heeft dit absoluut geen inhoud of betekenis, aangezien al hetgeen je ook slechts zou kunnen doen binnen het patroon ligt dat het goddelijk IK, het goddelijk Ego, voor jouw wezen heeft afgedrukt. Er is dus geen reden zich hiervoor tot God te wenden. Men kan slechts trachten voor zichzelf zo harmonisch mogelijk te leven in overeenstemming met het Goddelijke.

Hoezeer wij ons ook willen inspannen, er bestaan beperkingen voor onze vermogens, ook voor de innerlijke of geestelijke vermogens. Het heeft geen zin als doel te stellen wat te ver buiten de lijn van dit ‘ik’ en zijn vermogens ligt. Het is niet de bedoeling dat wij ons ‘ik’ veranderen. Het is de bedoeling dat wij ons ‘ik’ leren gebruiken. Ik bedoel daarmede, dat we datgene wat we zijn zo goed, zo juist en zo zuiver mogelijk zijn en op voor ons zo bevredigende maar ook zo aanvaardbaar mogelijke wijze.

Het heeft absoluut geen zin te trachten het leven van anderen te veranderen. Waar wij niet in staat zijn te overzien wat de begrenzing, van hun mogelijkheden is, zullen wij ook nooit hun definitief einddoel, hun mogelijke daden, hun mogelijkheden tot onthouding kunnen vaststellen. Wij kunnen wel uitgaan van een norm, die voor onze wereld geldt, maar moeten begrijpen dat zeer vele van die wezens op deze norm een uitzondering zullen maken, omdat hun verhouding tot het goddelijk Ego een volledige beantwoording aan die norm eenvoudig onmogelijk maakt.

Daar staat tegenover, dat we bepaalde dingen wél kunnen doen. Het eerste – en voor ons als geest en stof het meest belangrijke – lijkt mij wel te beseffen dat waar wij zelf niet verder kunnen, een overgave aan het Goddelijke – ook al voelen wij dit niet – alles rond ons zowel als ons eigen wezen in de richting van de Goddelijke verwerkelijking voert. Wij zullen – als wij zelf niet weten hoe te handelen – door ons tijdig over te geven aan de grotere krachten automatisch en wetmatig juist handelen, mits wij het beroep inderdaad doen op de voor ons lichtende krachten: de Godheid; en zo ons openstellen voor al, wat we daarvan kunnen bevatten.

Daarnaast is natuurlijk erg belangrijk, dat wij ons leven op een juiste wijze indelen. Want of we nu in de geest of in de stof zijn, voor onszelf – niet voor God – is een zekere wil tot handelen noodzakelijk. Wanneer wij doen, dus handelen, wanneer wij denken en streven, geeft dit ons bevrediging en inhoud en de mogelijkheid meer actief in het Goddelijke werkzaam te zijn en ons gelijktijdig ook op juistere wijze open te stellen voor het Goddelijke.

Activiteit is voor ons noodzakelijk. De geaardheid van die activiteit is weer geheel afhankelijk van ons eigen wezen en de relatie, die ons ‘ik’ heeft gevonden tot die God in en rond ons.

En dan is het ook nog zeer belangrijk, dat wij leren op die God te vertrouwen. Misschien mag ik hier een klein voorbeeld aanhalen om het iets duidelijker te maken: Als u op een bananenschil trapt en probeert rechtop te blijven staan, terwijl u het evenwicht reeds verloren heeft, dan breekt u uw botten. Als u met de val meegeeft, dan zal blijken dat u zich niet ernstig bezeert of ernstige kwetsuren oploopt. Het verschil tussen het verweer volgens eigen inzicht en het zich overgeven aan de impuls, maar dan ook het zich onmiddellijk daarvan weer losmaken en eigen toestand herwinnen, maakt hét verschil uit tussen gezondheid en ziekte, of moet ik zeggen: onheil.

Omdat wij leven binnen een God, een levende God met een eigen Wezen, eigen Persoonlijkheid en eigen Kracht, Die in alles is geopenbaard, kunnen wij ons wel verzetten, maar dit verzet kan alleen op onszelf gewroken worden, doordat onze voorstellingen als het ware worden beschadigd. Wij geraken in situaties, die niet overeenstemmen, met wat wij verlangen. Wij verwijderen ons verder van de Godheid en kunnen minder van diens Kracht absorberen. Indien wij daarentegen leren dat al het onvermijdelijke moet worden gezien als iets, waarin wij mee moeten werken om het juist door dit medewerken zo snel mogelijk te overwinnen, dan leren wij dus de krachten, welke van buiten op ons afkomen en uit ons innerlijk – de God in ons – worden bevestigd, zo actief mogelijk te gebruiken. Wij zullen dan het onvermijdelijke in ons leven inderdaad ervaren en tot stand brengen, ongeacht in welke sfeer of wereld wij zijn. Daarnaast echter zullen wij ons voor eigen bewustzijn zo snel mogelijk kunnen herstellen en dus niet onder de dwang der gebeurtenissen ons contact met God verbroken zien. Dat zijn dan alle punten, die ik u hier ter discussie heb voor te leggen. Ik mag er dus nog kort op wijzen, dat ik heb getracht u aan te tonen:

In de eerste plaats: wij leven ín God.

In de tweede plaats: God is een Persoonlijkheid.

In de derde plaats: deze Persoonlijkheid moet in ons bestaan.

In de vierde plaats: onze verhouding tot die Persoonlijkheid in en rond ons kan nooit feiten veranderen, wel echter ons eigen beleven daarvan.

Met deze korte opsomming hoop ik u van dienst te zijn geweest voor uw discussie, welke ongetwijfeld zo dadelijk zal volgen. En dan dank ik u voorlopig voor uw aandacht en zal u na de pauze – al of niet met obligatoire kopje koffie – gaarne verfrist en van de tongriem gesneden terugzien om mij de handschoen toe te werpen, als ik volgens uw inzien onjuist heb gesproken en mij te zeggen waar ik volgens uw inzien te onduidelijk ben geweest.

Vragen

  • U stelt: Ruimte is oneindig, doch tevens eindig. Dit is een halve waarheid, die  mij ontgaat. Ruimte zou oneindig doch begrensd zijn of eindig, doch onbegrensd. Dit  gaat mijn begrip te boven. Kunt u mij duidelijk maken, hoe dit te lezen valt?

Ja, ik kan wel proberen u dat duidelijk te maken. Kijk eens, ruimte is oneindig, omdat er – uit ons standpunt – geen enkele beperking voor ruimte is te vinden. En ons standpunt houdt hier niet alleen in, het stoffelijk maar ook het geestelijk standpunt. Anderzijds is deze ruimte eindig. Dat wil zeggen: er kan in totaal nooit meer energie zijn dan ‘het Goddelijke’. Het Goddelijke vermindert wel te verstaan het alle gebonden energie, ongeacht in welke vormen.

Het laat ons dus een oneindigheid min een bepaald iets over. En dit betekent dat die oneindigheid een ander karakter krijgt, een vergelijkbaar karakter. In een vergelijkbare oneindigheid kunnen wij komen tot een begrenzing door een waarde te stellen. Voorbeeld: Ik kan stellen: ruimte is oneindig. Maar er is een einde aan de ruimte, waarin sterren voorkomen. Volledig juist. Ik kan stellen: in de ruimte komt een algemene buigingshoek voor, waardoor licht en meer dan licht, snelle emissies en frequenties worden afgebogen, zodat in verband met de eigen frequentie een gesloten baan ontstaat. Hierdoor is de ruimte niet begrensd maar toch weer wel begrensd door deze buiging. Er bestaat bv. voor de mens wel degelijk een grens, want de ruimte is voor hem niet oneindig. Hij is nl. niet in staat de frequentie van de trilling van eigen wezen op een zodanige manier te verhogen, dat hij aan een deel van deze ruimte ontsnapt.

Verder blijkt – en nu komen we even op een ander terrein – dat ruimte ook nog kan worden uitgedrukt in haar verschijnselen als het product van twee elkaar kruisende velden. Gaan wij van deze stelling uit, dan komen wij tot een reeks van in zichzelf besloten heelallen. Dat wil dus zeggen: Zoals uw heelal is – met zijn sterren, nevels en al wat erbij hoort – zo zijn er verscheidene. Er zijn onder ons onderzoekers, die tot een getal van 63 heelallen komen. Ook hier bestaat dus weer een reeks van begrenzingen.

Om het dus eenvoudig te zeggen – en dan hoop ik dat ik een ingewikkeld onderwerp toch enigszins begrijpelijk heb gemaakt – er is een dimensionale begrenzing, waardoor ruimte, mits zij volgens een bepaalde waarde aan zichzelf gelijk blijft, eindig is. Maar aangezien zij kan overgaan tot een andere structuur en – zover wij kunnen nagaan – deze wisselingen in andere dimensionale verhoudingen niet zijn begrensd, is zij tevens oneindig, mits wij haar in andere eigenschappen omzetten. Ik hoop dat dit voldoende is, naar het lijkt mij nogal een zware kluif.

  • Wij kunnen ons de oneindigheid natuurlijk nooit voorstellen.

Neen. Dat in de eerste plaats niet en in de tweede plaats: oneindigheid is zo iets vervelends. Het is nl. zo: wanneer ik een oneindigheid heb en ik deel haar in vieren, zó dat de grenslijnen elkaar snijden, dan houd ik vier oneindigheden over. Dat is dus het typische. Dus een oneindigheid kan ik blijven delen en ik houd steeds een oneindigheid over. Maar aan de andere kant, wanneer ik kan stellen dat op een gegeven ogenblik geen werking of verschijnsel meer kan optreden, dan heb ik wel een begrenzing. En dan kan ik van een vlak, waarin alles zich normaal afspeelt, toch nog als van een oneindigheid spreken, omdat alle verschijnselen in zichzelf besloten blijven, dus gebogen zijn. Laten wij bv. een draaimolen nemen: De afstand die de schuitjes van de draaimolen kunnen afleggen is oneindig. Toch zijn ze besloten binnen een bepaalde cirkel. Zolang ik die gang, die beweging in die cirkel als bestaand aanneem, heb ik een oneindigheid in één richting – door de buigingshoek van de cirkel – en gelijktijdig een eindigheid, wanneer ik er bovenop kijk. Op deze wijze kom ik dus tot een ander soort oneindigheid. En zo kan ik doorgaan. Het is dus eigenlijk heel eenvoudig gezegd als volgt: oneindigheid is iets, wat wij ons niet kunnen voorstellen, omdat de begrenzing van ons eigen wezen ons doet aannemen dat er overal een begrenzing aanwezig is. Vergeet niet, dat de mens niet alleen zijn God maar ook zijn ruimtelijke voorstelling steeds boetseert naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Vandaar dat men vroeger bang was van de wereld af te vallen, want de wereld moest grenzen hebben. En nu komt men dus van een tweedimensionale begrenzing tot een driedimensionale. Wij hebben nu overal de lucht boven ons. Zo dadelijk gaat de mens de ruimte in. Maar dan moet er weer een nieuwe begrenzing worden gevonden. En zo gaat het door. Het voorstellingsvermogen vraagt steeds een grens. Ik geef dus toe, dat spreken over eindigheid en oneindigheid heel vaak moeilijkheden meebrengt.

  • Aan uw voorbeeld is dus eigenlijk ook een grens.

Er is een grens, maar wij kunnen die grens niet vaststellen. Maar laten we zeggen dat er…. Laten we nu eens nemen dat er 144.000 – een getal dat we in Tibet nog al eens een keer tegenkomen – verschillende dimensionale verhoudingen zijn en dat de 144.000ste overgaat naar de eerste, dan hebben wij een oneindigheid. Maar een besloten en begrensde oneindigheid. Begrijpt u wat ik bedoel?

  •  Neen

Neen? Nu, dat is toch heel eenvoudig. Als u een zaad heeft. En uit dat zaadje groeit een boom. De boom gaat bloeien, zet vrucht, de vrucht valt op de aarde, er komt weer een boompje uit. Wat heb ik dan? Dan heb ik ook zo’n cyclus; alleen veel korter. Je zou dus kunnen zeggen: in zekere zin is de boom oneindig. Maar aan de andere kant kan hij ook doodgaan en dan is hij eindig. En nu bedoel ik alleen maar dit te zeggen: het aantal vormen, waarin ruimte kan bestaan is niet te definiëren; is dus oneindig. Elke ruimte op zichzelf blijkt echter door een buigingshoek, een brekingshoek ten opzichte van een onzichtbaar centrum, althans voor ons eindig te zijn. Zo kwam ik dus tot de opmerking: ruimte is oneindig en eindig tegelijk.

  • Men zal zich niet verzetten tegen het onvermijdelijke. Maar hoe weet men of iets onvermijdelijk is? Is er geen gevaar dat men lijdelijk ondergaat? Hoe moet men het  onvermijdelijke als zodanig herkennen?

Nu, dat is heel eenvoudig. Op het ogenblik dat er zich in ons leven een situatie ontwikkelt, die zich inderdaad volgens ons hele gevoel en onze hele rede aan onze beheersing onttrekt, zullen wij in plaats van daar tegenin te gaan er eenvoudig met meewerken om daardoor zo snel mogelijk weer op eigen voeten te staan en te ontkomen aan de situatie en een eigen besluitmogelijkheid te verkrijgen.

  • Zoals dat meeglijden met die bananenschil?

Inderdaad. Of als u het een beetje sportiever wilt hebben, dan nemen we de hoofdwetten van judo en jiujitsu, waarbij ook geldt, dat diegene die geen kracht lijkt te hebben door mee te geven, de kracht van de ander voor zichzelf kan laten werken. En dat is nu hier het geval.

Wanneer u in uw leven voor een situatie komt te staan die onontkoombaar is, dan kunt u die voor uzelf laten werken. Laten wij nu bv. stellen, dat u een zakelijke bespreking moet voeren. U mist uw trein. U hebt geen ander vervoergelegenheid en u moet een half uur wachten. Dan kunt u natuurlijk in dat half uur er over lopen nadenken, hoe erg het is dat u die bespreking mist. U kunt ook rustig telefoneren dat u de trein hebt gemist, ondertussen de zaak nog eens goed voor de geest halen en overdenken en u desnoods ontspannen door een of ander tijdschrift te gaan lezen, een kop koffie te gaan drinken, een biertje, een borrel desnoods. – dat geldt alleen niet voor de chauffeur. U weet wel: geen alcohol bij snelverkeer -. Dan kunt ge u dus op die manier, deze periode ten nutte maken. Het eigenaardige is, dat de mensen die dit kunnen, dikwijls in dergelijke momenten – omdat ze aanvankelijk wat meer gespannen zijn – een hele reeks dingen inzien en overzien, die hun anders zouden zijn ontgaan. Wanneer ge dus na die tijd toch nog op die bespreking komt, komt ge beter beslagen op het ijs. En zo kunt ge dus de omstandigheden voor u laten werken, terwijl ze schijnbaar tegen u zijn.

  • Dat herinnert mij het verhaal van de man, die een deur wilde opentrappen, toen de ander haar opende, waardoor de eerste viel (Wu Wei).

Ja, dat is natuurlijk ook wel zo iets. Nu ja, de meeste mensen, die deuren opentrappen, vergeten dat zij moeten trekken i.p.v. duwen.

  • U sprak over het ‘ik’ en zijn verhouding tot het Goddelijke. Maar welke rol  speelt onze ‘geest’ hierin? Of zijn ‘ik’ en ‘geest’ identiek? Bij punt 8: het aanvaarden  van de feitelijke werkelijkheid, een bezield heelal met wisselwerking tussen de  innerlijke en uiterlijke wereld, sprak u van ‘het ontwaken van het ik’. Wat bedoelt u  daarmee?

Wij zien het ‘ik’ als een in zichzelf besloten iets, vergelijkenderwijze als bv. een bloemknop. De geest is voor ons niet een afzonderlijk iets. Mag ik even herinneren aan onze definitie van deze waarden? De ziel, kern van het wezen, onmiddellijk van goddelijke oorsprong. De geest, het weten, het bewustzijn dat zich daarin of omheen verzamelt en dan natuurlijk de stof. De geest is a.h.w. de toestand, waarin de knop zich bevindt. Het ontwaken van het ‘ik’ is dus het eerste zich ontplooien uit de bolstering, waarin alleen het ‘ik’ beseft werd en een zich langzaam maar zeker openstellen voor hetgeen rond het ‘ik’ bestaat. Als het ware de eerste fase, waardoor een harmonie kan ontstaan. En zo bezien zal het u duidelijk zijn dat de geest dus deel uitmaakt van het ‘ik’ en a.h.w. aangeeft de bekwaamheden en eigenschappen, die het ‘ik’ reeds in zichzelf heeft erkend en dus voor zichzelf bewust kan  uiten.

Ik hoop dat daarmee beide vragen beantwoord zijn. Heeft u commentaar? Het gebeurt toch dikwijls in ons leven dat wij met ons ‘ik-bewustzijn’ bepaalde kanten uit willen, terwijl er blijkbaar iets anders in ons is dat ons drijft en dat onze poging doet mislukken. Ten slotte blijkt dat we een weg gaan, die inderdaad bij ons past. Is dat dan de geest? Vergist u zich nu niet het redelijk bewustzijn gelijk te stellen aan het geestelijk bewustzijn. Vergeet niet: de geest omvat alles.

Ze omvat niet alleen het direct of redelijk bewustzijn maar ook het onderbewustzijn, het bovenbewustzijn. Bovendien de kennis van de geest, welke eventuele vorige levens of vorige bestaanstoestanden kan bevatten, waarin bewustzijn bestond; en een kennis van sferen, welke die geest misschien bezit. En dit alles tezamen is de geest. Wanneer u dus in het leven in een richting wordt gedreven, welke u verstandelijk en volgens uw eigen denken misschien liever niet wilt gaan, ja, dan blijkt hier alleen maar uit, dat u strijdig bent met uzelf.

  • Ja, maar juist wat u nu opsomt als de kennis van de geest, dat behoort toch  over het algemeen niet tot de kennis van het ‘ik’. Daar zit bij mij juist de moeilijkheid.

Het is de kern van het ‘ik’, welke ik omschrijf. Maar die kern van het ‘ik’ wordt in de stof als z.g. verstandelijk of redelijk bewustzijn slechts zeer ten dele geuit, dat ben ik met u eens.

Omdat, wat gij uw verstand noemt of uw redelijk bewustzijn zelf slechts een zeer klein percentage is van uw totaal verstandelijk vermogen. En als u daar op af gaat, dus alleen op het dagelijks gebruik a.h.w., ja …. laten we het zo stellen, niet dat ik u ervoor aanzie, maar er zijn, die hebben een kast. Daar hangen 150 verschillende toiletjes in. Voor elke gelegenheid één, compleet met schoentjes en  accessoires. Maar als ze gaan werken, dan trekken ze altijd die ene oude jurk aan met dat mooie schort eroverheen en die afgetrapte schoenen erbij. Heel vaak hebben ze hun haar ook nog in papillotten staan, of is dat uit de mode? Nu gaat u dus zeggen: “Ja maar, omdat ik op het ogenblik aan het werk ben en dat toilet draag, bestaan er geen andere toiletten.” U vergeet wat u in de kast hebt hangen. Om de dood eenvoudige reden, dat u op het ogenblik maar één toilet tegelijk kunt dragen, vergeet u dat de andere er zijn. Die dame met die 150 toiletten weet ook niet precies welk toilet ze al zo heeft. Als u haar dat allemaal precies vraagt, zal ze misschien wat mompelen over Balmain en zo. Maar als je haar vraagt- “Wat heb je daar precies?” Dan zegt ze: “Ik weet het niet.” Maar wanneer ze uit moet gaan en ze staat voor die kast, dan weet ze wel degelijk dat ene toiletjes uit te zoeken, dat haar prima staat en wat erbij past. En zo moet u het eigenlijk ook zien met uw geestelijk bewustzijn. Dat is de garderobekast, waaruit u de kleren kunt halen, die passen bij de gelegenheid. Maar u kunt ze niet alle mogelijk dragen zolang u mens is.

  • Dus het punt 8, waarbij u spreekt van het ontwaken van het ‘ik’, dat zou dus  slaan op alles wat er in die kast hangt?

Laten we zeggen dat het begin van het ‘ik’, het ontwaken van het ‘ik’ is. Het bewustzijn van het feit dat die kast aanwezig is, met of zonder toiletten. En eventueel dus de mogelijkheid gebruiken om er bepaalde toiletten in te hangen, andere eruit te halen wanneer het noodzakelijk is, ongeacht het aantal toiletten.

  •  Maar het ‘ik’ dat vanavond in het betoog dus een grote rol speelde is dus het  beperkte ‘ik’, dat zich slechts op het moment bewust…

Neen, neen. Het ‘ik’ dat een rol speelt, is het persoonlijke ‘ik’. En dat persoonlijke ‘ik’ bestaat dus – om het heel kort op te noemen – uit een ziel, de geest en – als je in de stof verkeert – daarbij het stoffelijk lichaam met zijn kwaliteiten en eigenschappen plus alle bewustzijnswaarden, die daarin kunnen voorkomen zover ze zijn ontwikkeld. Het ‘ik’ is dus niets anders dan een stuk van de oneindigheid, dat zozeer in zichzelf begrensd is, dat het zijn deelgenootschap met de oneindigheid rond zich niet beseft.

  • De schrijvers over het ‘Tao’, leggen altijd de nadruk op het feit, dat aan de  Godheid geen persoonlijke eigenschappen mogen worden toegekend. Ik heb dit altijd  als juist aangevoeld. Nu hoor ik: God is een persoonlijkheid.

En u begrijpt klaarblijkelijk niet dat beide punten met elkaar in overeenstemming zijn. God is een persoonlijkheid. Maar wie van ons is in staat die persoonlijkheid te overzien. De mens, die nog niet eens weet wat de kern van de wereld is, waarin hij leeft, hoe moet hij weten wat de eigenschappen van God zijn? De grote fout die wij maken is niet God te zien als een persoonlijkheid en te aanvaarden als een persoonlijkheid, maar om die God een persoonlijkheid te geven volgens ons voorstellingsvermogen. Ik heb iets verder in mijn betoog de opmerking gemaakt, dat de mens bepaalde dingen en ook zijn God schept naar eigen beeld en gelijkenis. Een persoonlijke God aanbidden wil voor de meeste mensen zeggen: zichzelf idealiseren. Al datgene waaraan zij een tekort voelen, zich in volle rijkdom voorstellen; dat alles tezamen is hun God. Ik hoop niet dat u het mij kwalijk neemt, maar dit is inderdaad juist.
Het gevolg is dus, dat met dit onvolledig voorstellingsvermogen de mens niet bewust de beschikking heeft over zijn geestelijke faculteiten, zoverre die niet tot de rede behoren. Met zelfs een onvolledig gebruik van eigen vermogens zich een beeld te vormen van iets, wat zoveel groter is dan uzelf bent, moet leiden tot een constructie van menselijke geaardheid. Ik heb echter juist getracht deze avond aan te tonen dat God een persoonlijkheid is. Met andere woorden, dat God een denkend en levend wezen is. En ik geloof dat we dat wel aan moeten nemen. Geen persoonlijke God – tenzij voor onze eigen doeleinden, want dan kunnen we er vaak niet aan ontkomen een beperkte voorstelling te gebruiken – maar het erkennen van God als een persoonlijkheid, met een denken, met een vermogen tot ingrijpen, ook al kunnen wij dat niet beseffen. Met persoonlijke eigenschappen, die zich voor ons als wetten openbaren.  Dat lijkt me toch wel belangrijk. Het is een groot verschil met God te zien als een mannetje met een baard enz. En dat is hetgeen waarop de schrijvers, die het over Tao hebben, vooral doelen. Zij proberen de mens duidelijk te maken, dat niet de persoonlijkheid of de voorstelling maar de wét het juiste is. Tao is de leer van de juiste benadering, van het juiste gedrag, van de juiste plaatsing van de persoonlijkheid te midden van de wereld. Anders gezegd: een wet van harmonie. Tao is de uitdrukking van de harmonische eenheid met het zijnde. En zo gezien is natuurlijk elke beperking of beknotting van de Godheid door een persoonlijke voorstelling gelijktijdig een belemmering om die harmonie te beleven. Als je de Taoïst voor deze problemen zou zetten, dan zou hij waarschijnlijk opmerken: Maak u niet druk over God; want als er al één is, dan zijt ge er toch nog niet rijp voor. Laten wij ons houden aan het juiste gedrag. Dat is voor ons belangrijk. De juiste deugd, als u het zo wilt zeggen. Tao is een leer, die zich met God slechts terloops bezighoudt. Zij richt zich niet tot het kennen van het hogere buiten de mens maar tot het bereiken van het hoogst mogelijke in de mens. En daarom behoeven deze stellingen niet met elkaar in strijd te zijn. Goed gezien dus: God is een persoonlijkheid. Maar een persoonlijke voorstelling maken van God voor jezelf – een uitzondering geldt voor bepaalde doeleinden – betekent tevens het voor jezelf onmogelijk maken met die grote God harmonisch te zijn.

  • Gebruikt u het woord ego als synoniem voor persoonlijkheid of anders om?

Ja, ik heb hier ego gebruikt, omdat ‘ik’ in het Goddelijk ‘ik’ een beetje dwaas klinkt. En daarom hebben we het woord ego genoemd, dat precies hetzelfde betekent als ik. Denkt u maar aan; ego sum, ik ben. Dus gebruikt, om de herhaling van ‘ik’ te voorkomen en gelijktijdig aan te geven dat God wordt gezien als een ‘ik-heid’, dus een in zichzelf op een of andere manier harmonisch besloten geheel, Een persoonlijkheid met denken, handelen, enz. enz.

  • U noemde bij dat ego als kenmerk van een ego; wetten als eigenschappen,  denken als behorend tot het wezen en als 3e factor: uiting. Maar behoort die ook niet  bij zelfbewustzijn?

Deze ligt m.i. in het denken in zekere mate besloten. Misschien had ik beter gedaan dit weer afzonderlijk te vermelden. Dat geef ik graag toe. God moet m.i. Zichzelf kennen. Wat niet inhoudt, dat wij Hem kennen. Maar wij hebben dus geprobeerd om aan te tonen dat God een persoonlijkheid is. En bij die persoonlijkheid ben ik dus uitgegaan van een minimum waarde, die men daarvoor moet stellen en deze is:
In de eerste plaats: het moet een wezen zijn met eigenschappen; eigenschappen die voor het menselijk denken weer begrenzingen zijn, maar dat niet behoeven te zijn.
In de tweede plaats: denken; dus bewustzijn. Zonder bewustzijn kunnen ons geen ‘ik-heid’ voorstellen.
In de derde plaats: de mogelijkheid tot uiting. Want zolang het in zichzelf besloten blijft is voor ons een ‘ik-heid’ niet kenbaar. De definitie van God als ‘ik-heid’ heb ik hier dus getracht te stellen van een menselijk punt van benadering, dat overigens in de geest voor een groot gedeelte ook nog bestaat.

  • Wanneer wij in harmonie zijn met het Goddelijke in ons en buiten ons, zo zal  m.i. ons alles, wat in harmonie met het Goddelijke is, mogelijk zijn. In verband  hiermede mijn vraag hoe in de lezing over geestelijke genezing gesteld kon worden: dat verschillende ziekten door magische of magnetische middelen waarbij dus de  goddelijke Kracht gedeeltelijk werkt, de genezing niet geheel tot stand gebracht zou  kunnen worden. Naar mijn mening kunnen we geen grens stellen aan de kracht van  God en is genezing altijd mogelijk.

Akkoord, indien wij dit stellen uit een goddelijk standpunt. Maar bij de kwestie van de geestelijke genezing wordt het probleem benaderd uit de mogelijkheden van de genezer. En de mogelijkheden van de genezer zijn nu eenmaal wat kleiner dan die van God, Om het heel simpel uit te drukken: de kracht met genezende mogelijkheden, die kan uitgaan van de genezer, zal gelijk zijn aan het totaal van de kracht, die hij krachtens zijn persoonlijke instelling kan ontvangen en deze is weer afhankelijk van de harmonie, welke hij met het Goddelijke bereikt. Vandaar de beperking. Het is ons dus niet mogelijk om alle ziekte geestelijk te genezen. Niet omdat God daartoe de kracht niet heeft, maar om de doodeenvoudige reden dat de doorsnee genezer niet in staat is een zodanige kracht op te brengen, een zodanige harmonie te bereiken. Er zijn ziektebeelden waarbij die harmonie moeilijker is te verwerven, omdat zij in dit geval niet slechts een harmonie met het Goddelijke inhoudt en het verdrijven van een fout maar tevens bv. harmonie met organismen, die in strijd zijn met het organisme, dat men genezen wil. Begrijpt u wat ik bedoel? En deze tweeledige harmonie is voor een mens praktisch niet te bereiken.

  •  Bedoelt u hiermee, harmonie bv. met bacteriën die in het lichaam huishouden?

Ja. Met andere woorden: je zou bv. zo één moeten worden met de roodvonk, dat je er niet eens meer van bloost of ziek wordt, maar die levende roodvonkcultures tot je kunt nemen op alle mogelijke wijzen. zonder dat het je iets doet. Niet omdat zij door u worden teniet gedaan, maar omdat er voor u en hen een zo gelijkwaardig bestaan is, dat een absoluut evenwicht het u mogelijk maakt u aan te passen aan een onbeperkte hoeveelheid daarvan. In de doorsnee mens leeft nl. een zekere hoeveelheid roodvonkbacillen. Neem nu maar die andere, die heerlijke cocci van verschillende soorten, die in praktisch elk menselijk lichaam leven. Wanneer ze echter een bepaalde hoeveelheid overschrijden, een bepaalde ontwikkeling doormaken, dan wordt u ziek. Maar gesteld, dat u in staat zou zijn hun ook dan nog gastvrijheid te bieden door uw eigen organisme daarop in te stellen zonder hen te doden, dan zou u harmonisch zijn met hen, tevens onaantastbaar voor de ziekte en volgens menselijk standpunt tevens worden een drager van die ziekte. Het zou nl. inhouden dat besmettelijke ziekten dus door u worden overgebracht en dat u er zelf een zeer hoge onvatbaarheid voor heeft, welke die van anderen zo overtreft, dat u hen kunt besmetten. Dan zou het weer zaak zijn die harmonie zover uit te breiden, dat u anderen in die stemming van uw eigen wezen mee betrekt, waardoor ook zij immuun worden. Ziet u wat dat alles inhoudt? Uit menselijk standpunt is het dus vrijwel onmogelijk, ofschoon bacillendragers van tuberculose maar ook bv. van cholera, tyfus enz. voorkomen.

  •  Ik zou zeggen, dat kan alleen de Meester.

Ik zou zo zeggen: dat kan alleen degene, die zelfs de rang van Meester heeft afgelegd. Omdat hij, één zijnde met het Hoogste, voor zich geen onderscheid ziet tussen zichzelf en het hoogste of het laagste, maar beiden gelijkelijk in zijn wezen uitdrukt, zover zijn vermogen reikt. Dus de Meester hier gezien in de termen, waarin hij in deze kringen wordt gebruikt. Het is iets anders, wanneer u spreekt over de “Opper Bouwheer”, als de Meester. Dan zeggen wij: Ook daar is alles mogelijk. Maar door Zijn wezen is het ook voor ons mogelijk, indien wij met Hem in harmonie zijn.

  •  U zei, dat energie anders is dan wij denken. Volgens ons gaat zij nooit verloren,  doch u stelt dat zij kan verdwijnen, doch later terugkeert. Mijns inziens is zij er dan al  die tijd gebleven, want u bedoelt dezelfde energie, die er tevoren was.

Ik bedoelde dit te zeggen. U ziet, ik moet me hier en daar nogal eens verduidelijken. Ik heb schijnbaar niet duidelijk genoeg gesproken, dat energie die zich op een gegeven ogenblik aan al het kenbare van een bepaalde wereld en aan elke uitingsmogelijkheid van die wereld onttrekt, maar daarin later terugkeert, heeft opgehouden voor die wereld te bestaan. Bent u dat met mij eens? Zij zal dan in een andere vorm actief kunnen zijn; bv. die van ruimte. Zodat zij niet noodzakelijkerwijze als een potentie bewaard blijft, maar in een andere, niet als energie erkende vorm actief kan zijn.

  • Dus omzetting van kosmos tot chaos en weer terug.

Dat kunt u wel zeggen, maar het is niet helemaal juist. U zou het eigenlijk zo moeten zeggen: door zich om te zetten in expansie of in een permanent veld i.p.v. in een wisselend veld, waardoor ze voor ons weer kenbaar wordt als energie.

  • Hier impliceert u dus weer ruimte als energie.

Ja. Ik impliceer hier dus, dat alle verschijnselen – inclusief ruimte – te herleiden zijn tot één kracht.

  • Als er geen energie was, zou er ook van ruimte geen sprake zijn.

Omgekeerd, als er geen ruimte zou zijn, dan zou er geen sprake zijn, van energie omdat – neemt u het mij niet kwalijk dat ik het omdraai – het noodzakelijk is dat er een ruimtelijke spanning of verhouding bestaat, voordat een wijziging daarin een instabiliteit kan veroorzaken, die het verschijnsel energie doet optreden.

  • Dus energie kent.

We mogen dus niet stellen dat ruimte een functie is van energie, maar wél dat energie een functie is van ruimte. Begrijpt u? Daarin ligt het verschil.

  • Dus de stelling: ‘energie gaat nooit verloren’ is toch houdbaar?

Neen. Van uit een bepaald continuüm niet. Wel van uit het onbegrensde van het heelal. In het heelal zal inderdaad energie nooit verloren gaan. Maar uitgaande van de dimensionale verhoudingen, waaruit uw heelal bestaat, verdwijnt energie naar een andere verhouding of structuur. Er zijn heel typische verschijnselen bij. Wij zien dit bv. in sommige gevallen, wanneer een ster een nova wordt. Dan is er nl. in het pre nova stadium een afname van energie kenbaar, een afname van activiteit, vermindering van gammastraling, bv. als men dat allemaal nagaat, is het niet op de een of andere manier redelijk te verklaren. Er verdwijnt steeds meer energie en toch blijft die ster even actief. Laten we zeggen dat het een hydrogeen-cyclus is. Het blijft energie. Er verdwijnt massa, maar er is geen straling.
Wat gebeurt er? Het totaal van deze energie wordt teruggetrokken in een andere verhouding – zegt u voor mijn part, superruimte of een andere dimensie – maar blijft gecentreerd bij die ster. Er is echter in deze energie nog niet een aanpassing aan een ander continuüm, aan een andere ruimtelijke verhouding, waardoor zij een spanning betekent van wat ik zou willen noemen de minusmaterie, de minusstructuur. Het gevolg is, dat zij op een gegeven ogenblik als een elastiekje springt en dan bij en rond die zon een plotselinge hoeveelheid zeer sterke, meestal op die zon gerichte straling veroorzaakt. Deze veroorzaakt de instorting van de buitenste korst van die ster  – zon – waardoor zij dus bijzonder actief wordt, terwijl gelijktijdig de kern, die nu wordt gevoed door de koudere stof, welke onder druk een hogere activiteit kan ontwikkelen. Daaruit krijgen wij dan het coronaverschijnsel dat zich uitbreidt tot een enorme grootte en daarna terugvalt. Het typische is dan daarbij verder dat van de totale energie, die dit novaverschijnsel kost, over het algemeen 3/10 pro mille verloren gaat. Deze 3/10 pro mille is in de ruimte niet meer terug te vinden. Maar zij blijkt aanwezig te zijn en daardoor in vele gevallen een ster in stand te houden. Wij zien dus de ster als nova opbloeien maar daarna in betrekkelijk korte tijd weer terugvallen tot haar eigen structuur en vorm en ook weer met ongeveer de oorspronkelijke massa.

  • Dit is dus niet de supernova, want dat proces verloopt anders.

Kijk eens, het is een kwestie waarbij verschillende verschijnselen samenspelen bij dat tot nova worden van een ster. Je zou het zo kunnen zeggen: Wanneer je een planeet hebt, van de grote van Neptunus en je vergroot de massa van die planeet met ongeveer de massa van Luna, dan valt ze ineen. Dat wil zeggen: zij krijgt een andere materiële structuur onder grotere druk. En wat overblijft is een planeet, die iets kleiner is dan de aarde. Een heel typisch verschijnsel. Dus een terugvallen op zichzelf.
Maar daarbij wordt dus energie gebonden en energie verbruikt. En zo is dat nu met een ster ook, hoewel deze veel actiever is, waardoor het verschijnsel ook veel flamboyanter wordt. Een planeet, die op een dergelijke wijze terugvalt, begint weer met gloed. Het zou van de aarde uit gezien een sterke rode gloed zijn, met voor Neptunus bv. een lichtsterkte die ongeveer de halve is van die van de volle maan. En dan bekoelt ze weer en krijgen we dus een kleine planeet. Maar deze kleine planeet kan onder omstandigheden te ver ineenkrimpen; dan wordt de kerndruk te groot en de massavolume verhouding is niet juist meer. Daardoor wordt een te sterk veld opgewekt; uit dit te sterke veld ontstaat een vervluchtiging en voor men het weet heeft men weer een gasachtige massa. Mits er voldoende verloren is gegaan, valt ze niet meer terug tot haar oorspronkelijke vorm, maar blijft een massale planeet met een in verhouding zeer geringe dichtheid.
Dat zijn zo een paar verschijnselen, die je in de kosmos kunt zien. Daarbij verdwijnt soms energie. En soms komt ze ook tevoorschijn, zonder dat je precies weet waar ze vandaan komt. Spreekt u mijnentwege hier over een superruimte, een sub-ruimte, een 50 dimensie of zo iets, het maakt weinig uit. Als u maar begrijpt dat ze zich onttrekt aan de kenbaarheid of activiteit in dit continuüm, maar daarin later weer kenbaar kan worden.

  • Men kan aan de feiten niets veranderen, hebt u gezegd. Verklaarbaar, als men  bedenkt, dat zij een doel hebben en of in hen zelf of in het effect dat zij veroorzaken  hun reden van bestaan vinden. Ik meen dat Spinoza ook als eigenschappen van het  Goddelijke stelde: denken en uitgebreidheid. Ten slotte, het ‘ik’-deel van en in God  volgt o.a. uit de eerste 5 verzen van het Johannes Evangelie, alle dingen zijn uit het  Woord gemaakt enz. M.i. volgt hieruit de broederschap der mensen in het Vaderschap  van God.

Deze opmerking is m.i. volledig juist. Maar we moeten wel dit onthouden, dat de onveranderlijkheid van de grote feiten een kwestie is, die van een menselijk standpunt zich over aenonen van jaren uitstrekt. Het kleine en het onbelangrijke is wel degelijk variabel. Het leven van de doorsnee mens is niet gemaakt uit het grote en onontkoombare – ofschoon hij dit wel vaak ondergaat – maar juist uit de kleine varianten, die hij voor zichzelf erin kan vinden. Dientengevolge is het menselijk leven dus inderdaad beperkt vrij. Dus, dat stel ik er even naast. Logisch is echter, dat als wij zeggen “het Woord”, wij het Woord zouden kunnen vervangen door het Geheim of het Onuitspreekbare; vandaar dat het Woord hier als aanduiding wordt gebruikt. “En er was het Woord en het Woord was God”, staat er ook al. Dan volgt hieruit: dat al wat daaruit is voortgekomen in het Woord met elkaar verwant is, niet alleen de broederschap der mensen maar ook de broederschap der schepselen, vloeit inderdaad hieruit voort. Ik hoop dat dit voldoende commentaar is. De vaststelling vraagt m.i. geen verdere toelichting.

  • Ik heb uit uw betoog begrepen dat onze wilsvrijheid beperkt is en wij slechts  met succes kunnen streven naar de verwerkelijking van de juiste plaats, die we in het  heelal volgens goddelijk plan innemen. Hoe moeten we in dit verband de mens zien, die  zich gedwongen voelt moorden te begaan?

Ik zou haast zeggen, dat is nu iemand die werkelijk geleerd heeft er een mooie draai aan te geven. Maar goed. Een mens die zich gedwongen voelt om moorden te begaan, kan volledig ziek zijn. Dat wil zeggen: dat de moord geen kwestie van een lust is, waaraan wordt toegegeven maar van een onbesef, waardoor buiten het ‘ik’ om gehandeld wordt. In een dergelijk geval mag zo iemand worden gezien als een instrument van hogere krachten. Ook wanneer wij uit ons beperkt standpunt als mens of geest geneigd zullen zijn die reeks van moorden zoveel mogelijk te beperken. Wij kunnen echter nooit meer beperken dan is toegestaan en dus belangrijk is voor de bouw van het geheel. Indien echter – en dat is een ander punt – een mens moordt, niet omdat dit voor hem niet te bestrijden is, maar omdat hij daaraan toegeeft, dan zal hem slechts zijn toegestaan in kosmische zin daar te moorden waar geen werkelijk belangrijk deel van het heden wordt aangetast. U moet het goed begrijpen.

Voor de mens blijft, zodra er een vrije wil bij is, ongeacht of dit een lotsbestemming is of een volledig vrije keuze die wegens de onbelangrijkheid van het object wordt toegelaten, schuldig. Mijnheer Booth, die Lincoln neerschiet, is eigenlijk een moordenaar. Toch kan hij dit alleen doen – gezien de veranderingen, welke daaruit historisch voortvloeien – omdat dit in een hoger bestel wordt toegelaten, dit vast staat volgens een hoger plan. Maar hij handelt niet als uiting van dat hogere plan. Hij handelt voor zichzelf. En als zo danig is voor het ‘ik’ de reden van de daad onjuist. Er moet eerst besef komen van de juiste verhouding en de juiste handeling, de juiste daad, voordat deze mens dus zijn ware harmonie met het Goddelijke hervindt.

  •  Maar als dit vaststaat in het goddelijk plan, hoe kan het dan buiten de harmonie zijn?

Het is voor het goddelijk plan en de harmonie altijd harmonisch. In God is alles harmonisch, maar voor de mens niet. Laat ik u een heel eenvoudig voorbeeld geven, misschien dat het dan duidelijk wordt. Er loopt iemand hard op straat; u slaat die mens neer. Niet omdat u denkt dat het een dief is, maar omdat die mens tegen u is aangelopen. Ja, ik geloof niet, dat u in de praktijk tot zo iets zou komen, hoor. Maar dat is weer wat anders. Dan kunnen we dus stellen, dat u iets goeds hebt gedaan in het oog van de wet; u heeft nl. geholpen een dief te pakken. Maar als mens hebt u schuld op u geladen. Want u hebt niet gehandeld om een dief te vangen maar om u te wreken op die mens. Pas wanneer u dit hebt beseft en a.h.w. voor uzelf die daad hebt hersteld, kunt u het werkelijke verband der dingen aanvaarden. En zult u dus niet meer belemmerd door de haat, impuls of de wraakimpuls welke u tot de handeling bracht, de juiste verhouding tot het Al kunnen aanvaarden en daardoor harmonischer worden met God. Aldus is niet belangrijk wát je doet, maar hoe je het doet en vooral waaróm je het doet.

  • Als het nu het karma van Lincoln was dat hij vermoord zou worden, dan moest  er toch ook een moordenaar zijn?

Inderdaad. En die zal er altijd zijn. En als er geen moordenaar is, dan zal er ook op een andere manier iets gebeuren dat op een moord lijkt, in ieder geval, die mens zal sterven. Dat ben ik volledig met u eens. Maar het gaat hier niet om het feit, dat Lincoln vermoord wordt, maar het gaat om de beweegredenen van de moordenaar. Deze mijnheer Lloyd Booth, die deed dat dus uit haat, politieke haat. Het gevolg is dus, dat hij zich daardoor eigenlijk schuldig maakte. Het is niet de moord op zichzelf, die de schuld betekent – al lijkt dat uit menselijk standpunt zo – maar het is de manier, waarop die mens tot de moord is gekomen. De verstoring van de harmonie met het Goddelijke ligt nl. voor hem persoonlijk in het handelen volgens zijn eigen inzichten, tegengesteld aan het goddelijk harmonische. Hij verzet zichzelf tegen een goddelijke wet, wat hemzelf betreft. Daardoor sluit hij zich dus af voor God. Dat is het belangrijke voor de ziel. We hebben het hier dus niet verder over de menselijke kwestie.

  • Maar als nu alles in het Goddelijke ligt besloten, dan is er dus voor de  moordenaar, de misdadiger, in het Goddelijke ook een plaats.

Zeer logisch. Maar die plaats is er voor de daad, niet voor de mentaliteit. Daar gaat het nu om.

  •  Maar de daad komt zonder de mentaliteit niet voor.

Dat is een andere kwestie. De daad kan voortkomen, zonder dat de mentaliteit overheersend is. Laten we een voorbeeld nemen. Judas verraadt zijn Meester. Waarom verraadt hij hem?

  •  Omdat Jezus niet de Messias is, in zijn ogen.

Dacht u? Waarschijnlijk omdat hij zijn Meester juist voor iedereen het bewijs wilde doen leveren, dat hij wel de Messias is. Dus hij stelt deze handeling. Zijn verraad is en blijft een verraad. Maar is voor zijn eigen benadering reëel. Daardoor is het voor hem nog harmonisch.

Wanneer hij ontdekt, dat hij zich heeft vergist, kan hij dit niet zien – zoals zijn Meester het hem heeft geleerd – als het onvermijdelijk raadsbesluit en zich tot God wenden – maar hij gaat heen en hangt zich op. Hij wordt begraven op de Pottenbakkersakker. Judas maakte dus een vergissing. Dat beseffen de meeste mensen niet. Judas’ zonde ligt niet in zijn verraad, want het verraad is noodzakelijk. Maar het ligt in de wijze, waarop hij zichzelf ten opzichte van zijn God stelt. Hij kan niet aanvaarden, in de eerste plaats niet: de wijze waarop Jezus werkt en leeft. In de tweede plaats niet: de gevolgen van zijn daad. Dat is dus wat hem vervreemdt van het Goddelijke, ofschoon hij overigens zijn harmonie wel terugvindt.

  • En dat hij die harmonie met zijn God niet kon terugvinden, nadat hij zijn daad  had gesteld, is uit menselijk oogpunt iets logisch, want hij was schuldbewust. Dát is  dus de disharmonie…

Met andere woorden: hij stelt het gevolg in de plaats van de intentie. Dat doet de doorsnee mens.

  • Jezus zei altijd: “Het ware beter dat die mens niet geboren ware” Bedoelde hij  die Judas?

Ja, inderdaad. Voor die mens zou dat ook beter zijn geweest. Omdat die mens dus dermate verkeerd was ingesteld, dat voor hem een onmiddellijke harmonie niet mogelijk zou zijn. Jezus stelt niet alleen de uiterlijke omstandigheden vast. Jezus dringt door tot de kern van de zaak. Wat hij ook kan doen. Hij is toch de Grootmeester, nietwaar? Maar de mens interpreteert het altijd naar zijn eigen inzicht. Dat is nu juist de fout. Ik geef toe, dat hetgeen wij hier bespreken een zeker gevaarelement in zich bergt. Je kunt het dan ook niet overal zo bespreken. En u hebt het misschien bemerkt, ik heb uw gemiddeld gezelschap voor vanavond tamelijk hoog aangeslagen. Dat is niet om te complimenteren, het is alleen een vaststelling. Maar het feit is toch eigenlijk, dat onze intentie belangrijker is dan onze daad.

  •  De intentie van Judas was toch goed, zegt u.

Ik stel, dat hij goed kan zijn. Maar hij verwart zelf intentie en daad. Met andere woorden: voor ons is belangrijker het goede te willen en het goede willende aan te nemen dat God ons zal voeren, dan voor ons zelf het resultaat te stellen als de beëindiging van onze wilsuiting en bij ons falen ons van dat resultaat te verwijderen en ons af te sluiten van God. Daar ligt het juist in. Ik wil een zieke helpen en genezen. Ik doe mijn best, zo goed als ik kan. Maar als de zieke tóch overlijdt, wat voor die zieke veel beter is en past in het gehele bestel, dan ga ik mijzelf verwijten maken. Want ik had dít nog moeten doen en ik had dat nog moeten doen; ik had zus moeten handelen en zo. Daar kom ik niet verder mee. Integendeel.
Door dit schuldbewustzijn op mij te laden, in plaats van slechts uit de ervaring te leren, ga ik mijzelf verwijderen van de wereld, van mijn God, van alles wat voor mij harmonie kan betekenen. Ja, ik moet zeggen: Ik heb het zo goed gedaan als ik kon. Dat ik gefaald heb, blijkt nu. Ik zal in het vervolg niet meer falen en verdergaan, Gods wil geschiede. En dat is het grote woord, dat een mens steeds weer vergeet en dat toch zo’n belangrijke plaats inneemt in het Evangelie. “Vader niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”. Het is hier de sleutel. Dat is de sleutel van de ware harmonie. Want eerst indien wij streven volgens ons beste kunnen, maar de resultaten overlaten aan Gods wil en goedheid, kunnen wij tot een wérkelijk resultaat komen. Ik hoop dat ik duidelijk ben geweest. U hoeft het niet als evangelie aan te nemen, maar u moet er toch eens over nadenken.

  • Ik heb nog wel een vraag, welke op moord betrekking heeft. In Amsterdam is er  een man geweest, die een meisje naar bed zag gaan en hij heeft haar toen maar  kalmweg vermoord. Hoe moeten we nu zo iets bekijken uit een geestelijk standpunt?

Nu, in de eerste plaats mogen wij stellen, dat deze mens dus niet normaal is.
Punt 1 : ongeacht wat men psychiatrisch daarvan zegt.
Punt 2 : mogen we stellen, dat deze mens, wanneer wij hem onderzoeken, waarschijnlijk een hormoonafwijking zal hebben.
Punt 3 : mogen wij stellen, dat het gebeurde – onaangenaam als het was – toch een bepaalde les heeft ingehouden én voor degenen die daar dicht bij betrokken zijn geweest én zelfs ook voor het grote publiek. Het is dus niet 100% zinloos geweest. Voor degene die is overgegaan lijkt het treurig. Maar aangezien het leven wordt voortgezet, is er een compensatie. Voor die mens zelf echter is door zijn verkeerd handelen op het ogenblik een wijziging in zijn leven ontstaan. Als deze wijziging juist uitwerkt, kan hij daardoor komen tot een gedeeltelijke verwerping van zichzelf en daardoor tot aanvaarding van het Goddelijke. De einduitwerking kan dus goed zijn. Maar indien de mens weigert, indien hij zich vastklampt aan lust, aan begeerte enz., zonder dit te zien als een bijkomstigheid a.h.w. in het kosmisch bestel, waarin Gods wil primair is, dan zal hij daarvoor natuurlijk zeer veel moeten ondergaan. Hij is in ieder geval tijdens de daad niet in harmonie geweest met de kosmos en alles. Gezien zijn karakter, zijn lichaam, zijn wijze van optreden en denken, mogen wij verder stellen dat deze mens ook niet harmonisch is met de maatschappij.
Dan blijft dus als conclusie, dat misschien én voor deze mens én voor sommige anderen dit gebeuren zin krijgt, ook al ziet men dit als mens niet onmiddellijk, terwijl daardoor hetzij voor deze mens, hetzij voor anderen een mogelijkheid tot groter bewustzijn wordt geschapen. Maar – en daar volgt dus ook onmiddellijk op – indien hij of zij dit verwerpt, dan volgt daaruit inderdaad wat wij noemen: buitenste duisternis. In de gelijkenissen staat het zo aardig: Een heer had zijn buren uitgenodigd tot een feestmaaltijd. Ze hadden geen tijd, ze weigerden. Toen liet hij de bedelaars door zijn bedienden ophalen van de kruispunten der wegen en alle voorbijgangers. En er waren er, die zich niet gedroegen als gasten. En ook hen liet hij uitwerpen.

Kijk, zo staat het nu met ons. Misschien klinkt het een beetje preekachtig, maar het is toch waar. Of we nu stofmens zijn, of we geest zijn, voor ons is er het leven. En in dat leven doen we ervaring op. Elke ervaring die we opdoen is eigenlijk een uitnodiging tot een feestmaal, nl. tot het maal van geestelijk voedsel dat bewustwording heet. God geeft ons dit, indien we het aanvaarden, indien wij Zijn wezen aanvaarden en ons werkelijk in het leven met al onze daden en onze gedachten, alles wat we hebben aan sferisch ervaren, aan menselijk ervaren, ongeacht hoe of wat, kunnen zeggen: “Heer, wij danken U. Wij nemen dit aan, want Gij geeft het ons.” Zo ja, dan is er voor ons licht, dan is er vreugde, is er kracht, is er bewustwording. We kunnen ook zeggen. “Ja, maar op mijn manier wil ik het hebben en anders niet.” Dan worden we eruit gegooid. We kunnen ook zeggen: “Ja, maar ik heb geen lust dit verder te ervaren.” Dan blijven we in het duister staan. Dat is eigenlijk de hele zin van een groot deel van mijn betoog.

  • Reactie: Onverstaanbare opmerking

Een God, Die niet een voor ons kenbare persoonlijkheid is. Een God, Die persoonlijk is, omdat Hij in denken, in weten, in handelen een bewust wezen is. Voor ons kenbaar door zijn wetten. Een God, Die in en rond ons is. Uit Wie we zijn ontstaan, door Wie we in stand worden gehouden. Die te allen tijde is, in alles in en rond ons. Een God, met Wie we – indien wij de juiste bewustwordingsgang volgen zozeer harmonisch kunnen worden, dat wij één zijn met het Woord, dat de Vader in ons spreekt en leert. Maar van Wie we ons altijd door ons bewustzijn kunnen verwijderen, zonder ooit in werkelijkheid van Hem gescheiden te worden. Zo ontvluchtend voor Zijn wezen en kennend de duisternis van één, die zich in zichzelf voor zichzelf verbergt.

Ja, vrienden, dat is dan zo’n beetje alles geweest voor vandaag. Nu, ik moet zeggen, er zijn heel wat vragen losgekomen, die mij plezier hebben gedaan. Hier en daar is er toch wel een vruchtbaar stukje vraag en discussie geweest. Ik kan achteraf wel begrijpen, dat het moeilijk is over dit onderwerp te discussiëren en ik weet ook dat het voor sommigen van u een beetje moeilijk, een beetje zwaar is geweest. Vergeet echter niet, deze stof wordt vastgelegd. En ik zou het erg op prijs stellen, als u later die stof nog eens zou willen doornemen en er eens over wilt nadenken. Want ik heb mijn uiterste best gedaan om u iets te tonen van wat voor u het meest belangrijke in het leven is, nl. de wijze waarop God is en waarop uzelf bent.

Ik heb getracht u duidelijk te maken, hoe uw eigen leven alleen werkelijk vreugdig, waar en reëel kan zijn, als u de harmonie met het Goddelijke zo bewust mogelijk beleeft. Ik hoop dat u daarin zult slagen.

image_pdf