Het innerlijk pad

image_pdf

 12 september 1961

Een pad van denken

Er bestaat voor de mens: een pad van denken.

Dit pad van denken wordt opgebouwd uit het redelijk betoog, de z.g. logische beschouwing.

Dit pad is beperkt tot stoffelijke voorstellingen en stoffelijke mogelijkheden.

Daarnaast bestaat het pad van geloof, dat eveneens een innerlijk pad kan zijn. Op dit pad kan ook het stoffelijk niet-redelijke aanvaard worden mits het nog in materiële vormen en normen kan worden uitgedrukt.

Het derde pad is het pad van de gevoelswereld. Wie in de gevoelswereld opgaat moet daarbij – zeker wanneer dit gaat om innerlijke en esoterische ervaringen – het logisch en redelijk denken terzijde stellen. Hij moet ook zijn geloof zo ver mogelijk terzijde laten. Een ondergaan van de kosmos en de daarin optredende invloeden is daar, waar het gevoel wordt gebruikt om op het innerlijk pad verder te komen, de meest belangrijke factor.

Elke poging om jezelf a.h.w. innerlijk te leren kennen gaat voor de mens echter gepaard met de behoefte om zijn buitenwereld te begrijpen en al wat daarin voorkomt a.h.w. in zich op te nemen. Vandaar dat een groot gedeelte van de esoterie dus inderdaad vergt een in je opnemen van, en een werken met invloeden, die van buitenaf komen. Het zijn vooral deze uiterlijke aspecten, die door bespreking naar voren kunnen worden gebracht en waarbij ongetwijfeld definities en pogingen tot filosofie een belangrijke rol zullen spelen. Maar iemand, die een innerlijk pad wil gaan, allereerst een einddoel nodig heeft, mogen wij stellen dat dit het belangrijkste punt is. Wie immers zijn bestemming weet, kan ook nagaan hoe hij moet streven. In vele gevallen pleegt men dit God te noemen. Men zegt: “Wij dragen in ons een goddelijke vonk; deze is het doel van ons streven.” Geheel juist kunnen wij dit echter niet noemen, omdat deze goddelijke vonk altijd aanwezig is, ongeacht het bewustzijn dat men daarvan in zich draagt. Men zou ook kunnen zeggen: “Wij willen eeuwig zijn.” Ook dit echter is de mens altijd. Want een deel van zijn bewustzijn, vaak als geest omschreven, heeft een praktisch onbeperkte levensduur en wordt op den duur geabsorbeerd in het werkelijk wezen, dat wij ziel plegen te noemen. Daarom zou ik allereerst dit doel op mijn wijze willen voorstellen in de hoop dat u allen het daarmede eens bent, althans mijn gedachtegang zult willen volgen.

Er is een voortdurende wisseling van licht en van duister. De bron waaruit deze beide voortkomen is voor ons niet kenbaar. Wij kunnen deze bron God of Oerkracht of Alkracht noemen, maar zij is niet te benaderen. Zij ligt buiten de wereld der verschijnselen en kan zelfs slechts in beperkte mate worden aangevoeld, omdat de gevoelswereld zich ook baseert op de verschijnselen. Zo is het verstandiger ons allereerst te baseren op deze kwestie van licht en duister. Zolang wij hetzij sterk naar het lichte hellen, hetzij sterk naar het duister gaan, zullen wij onevenwichtig zijn. Want naarmate je sterker in het duister staat, zal de invloed van het licht groter worden. Naarmate je je meer in het licht bevindt, benauwt het duister je meer.

Ons eerste doel moet zijn: evenwichtigheid. Deze evenwichtigheid vinden wij door licht en duister elkaar a.h.w. te laten opheffen. Er moet een innerlijke toestand te bereiken zijn voor elke mens en zeker voor de esotericus, waarin geen daad en belevens behoefte meer bestaat, terwijl anderzijds een bewustzijn aanwezig blijft.

Deze toestand is door oudere denkers zonder meer beschreven als het Nirwana, de toestand waarin men bestaat maar niet zelf daadwerkelijk deel heeft aan het leven. Het is een beschouwelijk ervaren van het totaal van de schepping. De mens die dit einddoel bereikt – want dit is een einddoel – zal hierin eerst de vernieuwing kunnen vinden, waaruit verdere bereikingen mogelijk zijn. Esoterisch gezien mag dan ook worden gesteld, dat het innerlijk pad kan worden ingedeeld in een aantal bestemmingen (of moeten wij zeggen tussenstations?), die elk voor zich wel een bereiking zijn, maar ons gezamenlijk voeren tot de toestand van absolute evenwichtigheid. In deze absolute evenwichtigheid onttrekt men zich aan het beperkt en persoonlijk bestaan, terwijl men zijn eigen wezen nu als factor van het geheel erkent. Wat daaruit verder voortvloeit behoeft ons thans niet te bekommeren, omdat dit voor alles wat menselijk is en elke geest, die de menselijke weg gaat, het kenbaar einde is. Wat daarachter ligt is de onbekende wereld, een “niet”, althans vanuit ons standpunt.

Deze tussenfasen kunnen – naar ik meen – het best als volgt worden omschreven: Allereerst streven wij naar een zekere vrede en een zekere harmonie. Wij moeten een zekere evenwichtigheid in onszelf vinden. Naar buiten toe zal zich deze openbaren door een zekere mate van naastenliefde, bewuste dienstbaarheid, een gemakkelijke aanpassing aan de omgeving, een prettig verkeer met mensen. Maar innerlijk openbaart ze zich anders. Zij maakt ons ervan bewust, dat elke handeling en daad deel is van een patroon en wij kunnen daarmede vrede hebben omdat wij aannemen dat dit patroon zinrijk is. Ik mag hier misschien een vergelijking maken: Het is niet prettig om naar een tandarts te gaan of – indien ge wilt – een operatie te ondergaan. Indien wij echter weten dat door het ingrijpen van de tandarts bv. ons pijnen bespaard blijven, onze spijsvertering verbetert of iets dergelijks, wanneer wij weten dat de operatie ons leven verlengt of het ons mogelijk maakt om met meer vrijheid en vuur te leven dan tot dan toe, dan willen wij deze pijn omwille van het doel aanvaarden. Wordt echter hetzelfde volvoerd zonder dat het zin heeft, dan kunnen wij er geen vrede mee hebben. Wanneer men ons zinloos bv. tanden zou gaan trekken, dan zouden wij dat als een zeer wrede kwelling ervaren. Zou men ons zinloos opereren, dan zouden wij dit eveneens als een verschrikking zien.

Vrede en tevredenheid zijn niet in de eerste plaats afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, maar zover het de innerlijke mens betreft vooral van de doelmatigheid van hetgeen men ondergaat. Zelfs het mooiste en het beste volgens menselijke voorstellingen kan absoluut zinloos en ledig worden, indien wij daarin geen bepaald doel zien, geen bepaalde bestemming. Vinden wij deze bestemming, dan kan hetgeen op aarde het meest monstrueuze, het meest ondragelijke lijden schijnt te vertegenwoordigen, voor ons aanvaardbaar worden.

Daarom is het allereerst noodzakelijk dat wij dus leren tevreden te zijn, daarbij naastenliefde en rechtvaardigheid t.o.v. de omgeving te beoefenen, maar gelijktijdig in ons de zin te beseffen van alle gebeurtenissen rond ons.

Hierbij gaat het nog alleen om het eigen ik. De eerste fase van de esoterie houdt zich niet bezig met de wereld of de kosmos. Zij beperkt zich tot het eigen leven en ervaren. Dit geldt in de stof zowel als in de geest. Heeft men eenmaal dit punt bereikt, heeft men in zich een zekere rust gevonden, ziet men de zinrijkheid van het leven in, dan volgt de tweede fase.

Dit is een fase van streven, die o.m. gekentekend wordt door de behoefte deel te hebben aan levens buiten uzelf. Dit is geestelijk en wordt bv. in de klassen der yoga over het algemeen gesymboliseerd door meditaties over lijden, over vreugde, kortom al deze menselijke begrippen, die de innerlijke mens mede beroeren. Men tracht a.h.w. het lijden der wereld in zich op te nemen en te dragen; men tracht echter gelijktijdig deel te hebben aan alle vreugden der wereld. Het ik wordt tot één soort clearinghouse. Men neemt de krachten op van de vreugden buiten het ik, van de sterke en goede emoties; maar men zendt deze gelijktijdig uit en heft daardoor lijden op; en daar waar zwakte is tracht men sterkte te geven. Deze balans zullen wij later nog nauwkeuriger moeten omschrijven en bespreken, wanneer wij op de esoterische alchemie terechtkomen. Voorlopig zij het genoeg deze fase genoemd te hebben.

Wat hieruit ontstaat is het Messiaans principe of het Boeddha-principe. In dit principe wordt het ik tot centrum van de wereld en kan (voor eigen bewustzijn althans) werken als vertegenwoordiger van die wereld in die wereld. Heeft men deze fase doorlopen, dan blijkt echter dat eigen begripsvermogen, aanvaardingsvermogen, eigenlijk tot nu toe wat eenzijdige beschouwingen tekort schieten. Men moet zich verrijken. Deze verrijking geschiedt door het verwerven van kennis. Deze kennis kan uiterlijk zijn, zij kan ook op het gebied van het innerlijk liggen.

De verwerving van kennis op zichzelf is niet belangrijk; wel echter dat zij ons in staat stelt een steeds juister begrip te krijgen van de behoeften van de wereld rond ons. De verwerking daarvan en dus een steeds meer weten en meer bewust zijn van al wat deze wereld in zich draagt, brengt ons tot een realisatie, n.l. de juiste plaatsing van het ik temidden van het Al.

Wij beseffen onze eigen tekortkomingen, onze eigen deugden, maar zijn tevens in staat de tekortkomingen en deugden van alle anderen bewust te zien en innerlijk te verwerken. In deze tijd wordt over het algemeen in het ik een wereldbeeld geschapen, waarin een godsfactor of een persoonlijke God een belangrijke rol speelt. Geloofsbeleving is in deze tijd zeer belangrijk.

De principes van bv. christelijke naastenliefde, die in het begin zo groots en zo interessant leken, verflauwen iets en daarvoor komt in de plaats een bewust werken.

Uit het bewuste werken openbaart zich de laatste fase voor het einddoel, n.l. het trachten vanuit zichzelf de eenheid met de wereld uit te drukken door de innerlijke wereld en de uiterlijke wereld, beide gelijkelijk erkend, in waarheid te scheppen in het ik. Er mag geen verschil meer zijn tussen de werking van de krachten buiten ons en de werking van de krachten in ons. Het is of men zich uitbreidt tot men de gehele bekende kosmos omvat. In deze periode ontstaat er een aanmerkelijke vermeerdering van kennis, die zonder studie plaatsvindt. Door de gevoelens van harmonie en eenheid n.l. voelt men steeds sterker het weten van anderen aan. De problemen en de kennis van die anderen, ongeacht hun geaardheid of gradatie in de reeks van de schepselen, is een verrijking van het ik. Eerst hierdoor kan het afgeronde geheel, waar in een begeerteloos en daadloos bestaan het volledig kennen mogelijk is, verworven worden.

Deze korte schets kan u m.i. doen zien, waarheen wij in deze bijeenkomsten willen streven. De innerlijke weg wordt gegaan naar eigen inzicht, volgens eigen persoonlijkheid en eigen capaciteiten. Zij is – ofschoon gericht op de geest – een voortdurende wisselwerking tussen geest en stof, tussen de geest en al wat daarbuiten ligt. Wij moeten – uitgaande van het standpunt, dat esoterische kennis niet altijd gelijk is aan esoterisch begrip – ook deze maal bij het begin beginnen. En daarom wil ik nu overgaan tot een ontleding van de fasen, waarin de doorsneemens zich op het ogenblik bevindt.

Leven is voor de doorsneemens een dualiteit, een voortdurende innerlijke strijdigheid tussen twee persoonlijkheden of twee krachten. Hij noemt deze krachten geest en stof en beschouwt ze als vijanden van elkaar. De spanningen, die hij zo opwekt, worden omgezet in gedachten.

Deze gedachten worden tot een lens, die een vervormd beeld van de wereld geeft. Een ieder, die begint met de esoterie, moet er van overtuigd zijn dat de voorstelling, die hij zich maakt zowel van de wereld en de situaties daarin als van het wezen der dingen, verkeerd is. Zij is sterk eenzijdig en wordt sterk beïnvloed door het eigen denken. Men mag hier echter geen genoegen mee nemen. Het is onmogelijk te stellen, dat men alleen vanuit eigen standpunt ziende esoterisch verder kan komen. Daarom zijn de eerste oefeningen, die men aan een esotericus voorlegt, eigenlijk problemen. Men moet problemen trachten op te lossen en deze problemen dan gelijktijdig filosofisch en realistisch beschouwen. Men tracht de realistische en filosofische beschouwing zover mogelijk in overeenstemming te brengen met elkaar. Men experimenteert dan o.m. met handelingen om de zo gevonden eenheid aan zichzelf te bewijzen. Hierbij wordt de getuigenis van de zintuigen vaak minder belangrijk. Het blijkt dat de geest op haar eigen wijze waarneemt en beleeft en deze waarnemingen en belevingen kan projecteren. De eenzijdigheid van een normaal mens gaat dus enigszins teniet.

Voorbeeld van de problemen, die men zich ter oplossing kan stellen: Vraag: Wat is vrede? Stoffelijk gezien: Vrede is een niet verstoren van de bestaande orde, zodat er geen feitelijke verandering plaatsvindt. Geestelijk gezien: Vrede is een gevoel van eenheid. Een gevoel van eenheid echter dat bereikt moet worden met een wereld, die voor mij voortdurend verandert.

M.a.w. is vrede in werelds of stoffelijk opzicht meestal rust, zo is innerlijke vrede een voortdurende activiteit, een voortdurende beweging.

Hoe kan ik deze beide met elkaar in overeenstemming brengen? Alleen wanneer ik mijn maatstaf voor vrede verander. Ik moet vrede niet meer zien als een toestand van rust, maar eerder als een strijd. Een strijd, waarin offers kunnen worden gevraagd. Een strijd dus, die door haar voortdurend bereiken mij een vrede geeft. Eerst wanneer ik mijn begrip van vrede kan losmaken van al wat nu bestaat op de wereld en het kan koppelen aan het begrip van een voortdurende ontwikkeling en vooruitgang, zal ik tot een zekere eenheid tussen geestelijk en stoffelijk begrip van vrede kunnen komen. Om in de materie echter zover te komen, moet ik mij losmaken van zeer veel wat, tot de conventie behoort, wat gangbaar is. Ik moet begrippen loslaten als bv. goed en kwaad volgens een vaste maatstaf. Ik moet begrippen loslaten als “dit is goed en door God gewild en dat is demonisch.”

Het verwerven, van een dergelijke onafhankelijkheid kost veel moeite. Indien u echter deze moed niet hebt en die moeite u niet neemt, komt u esoterisch niet verder. Eerst wanneer het stoffelijk punt is aangepast voor zover als dit voor u redelijk mogelijk is aan hetgeen u filosofisch hebt geconstateerd, kunt u trachten de filosofie aan te passen aan uw nu ontstane beleving. En dan blijkt dat niet elke progressie vrede brengt, dat dus niet elke vooruitgang als een vrede kan worden gezien. Er zijn andere factoren in het geding. En ik kom dan tot een nieuwe filosofische omschrijving van vrede, die zegt: Vrede is een zo perfect mogelijke samenwerking met een zo groot mogelijk begrip voor elke schijnbare remming of tegenwerking, zodat het gezamenlijk streven met een vol begrip voor alle strevenden beleefd kan worden. Nu heb ik dus een aanpassing gevonden, want elke tegenwerking kan ik nu zien als deel van de vrede enerzijds, maar als iets wat anderzijds toch bedwongen moet worden. Er ontstaat dus een eenheid van denken en handelingsmogelijkheid.

Dit punt bereikt hebbende – iets wat voor sommigen in enkele dagen te bereiken is, maar anderen een heel leven kost – komt de volgende vraag: Wat is leven?

Leven is denken, bestaan en doen, zal de mens zeggen. Maar is dit waar? Geestelijk gezien is bewustzijn, dat volkomen daadloos is, ook leven. Filosofisch gezien kunnen wij alles leven noemen, dat in een vaste samenhang staat met een ontwikkeling, zelfs indien het die der totale schepping of kosmos is. Ik moet eerst trachten om mijn concept van werkelijk leven filosofisch te ontwikkelen. Daarbij moet ik uitgaan van deze vreemde onbekende kracht, die de mens God noemt, het eindpunt, dat ik u zo-even omschreven heb. Dit eindpunt zal ik dus in den vervolge eenvoudigheid halve God of Alkracht noemen. Ik hoop dat u daarmede rekening wilt houden.

Alles, wat in de Alkracht vertegenwoordigd is en in mij weerkaatst wordt, is leven. Alles, wat uit de Alkracht bestaat en niet in mij weerkaatst wordt, is dood. Dood is niet een zelfstandige factor, maar een afwezigheid van leven, een afwezigheid van contact met het Oneindige. De Alkracht mag ik dus zien als bron van leven, maar tevens als het leven zelf. Om zo sterk mogelijk één te zijn met deze bron, zal ik mij moeten richten op het totaal der schepping. Dat is filosofisch geheel verantwoord. Maar meer stoffelijk gedacht kan dit niet. Want leven betekent ook een reeks van verplichtingen, een reeks van noodzaken. Wie leeft – zo zegt men – moet eten, hij moet slapen, hij moet aan zijn verplichtingen tegenover anderen tegemoet komen, en hij moet gelijktijdig ook afstand doen van veel dingen, die hij misschien voor zichzelf zou wensen, zelfs bepaalde geestelijke mogelijkheden. Het leven in stoffelijke zin is: een je bewust zijn van en werken in vaste verhoudingen, waardoor althans ten dele je streven en handelen beperkt en bepaald worden.

Beperking echter – zoals dat materieel gesteld wordt – is volgens de filosofische definitie ten dele dood. Om te kunnen leven moet ik dus de beperkingen zoveel mogelijk weten op te heffen en mij een zo groot mogelijke materiële vrijheid weten te verschaffen. Deze vrijheid behoef ik niet in een verzet tegen het bestaande uit te drukken, maar ik moet mij er onafhankelijk van weten. Eerst de mens die bewust en alleen door eigen wil een verplichting aanvaardt, een mens, die in staat is bij zijn planning uit te gaan van een standpunt, dat de bereiking over vele eeuwen in ogenschouw neemt zowel als van een ogenblikkelijk op dit moment handelen, zal op den duur dit geestelijk standpunt kunnen bereiken. Intensifiëring van het leven is daarom in de esoterie een tweede stap.

Bij deze tweede stap gelden enkele algemene regels, die ik hier weergeef.

In de eerste plaats: Vermijd al wat kwaad heet. Maar zo het kwaad u in de gedachten voortdurend belaagt, is het beter te handelen dan aan de gedachten gebonden te zijn.

In de tweede plaats: Elke handeling moet worden volbracht volgens de waarde van het ogenblik, niet volgens een waarde van het verleden of van de toekomst. Ik mag met mijn gedachten dan ook niet later teruggrijpen op een handeling met nieuwe maatstaven of deze vergelijken bij het verleden en mij zo beter of slechter dan dit verleden achten. Door te handelen op het ogenblik volgens het beste inzicht en het zelfgestelde doel – ongeacht de consequenties – bevorder ik wederom de grote en intense eenheid met het werkelijk begrip van leven, het besef van de kosmos, het voortdurend in u ontvangen van nieuwe waarden.

In deze eerste fase komen echter nog enkele andere punten naar voren. Wij moeten filosoferen, wij moeten nadenken, wij moeten mediteren. Maar hoe kan ik mediteren, hoe kan ik nadenken, wanneer ik beperkt word door de wereld rond mij? Mijn gedachten zijn niet vrij.

Ik zou moeten denken zonder gevoel, zonder begeerte en zonder angst. Ik kan dit niet. Zeker niet wanneer ik mens ben. In vele geestelijke sferen is deze mogelijkheid zelfs nog beperkt.

Daaruit vloeit voort, dat ik mijn vrijheid, a.h.w. mijn behoefte tot intens leven, mijn behoefte tot zuiver denken en zuiver mediteren, moet baseren op datgene, wat met mijn eigen wezen harmonisch is.

De regel is dan: Het heeft geen zin te mediteren over datgene wat men niet aanvaarden kan, datgene wat men verwerpt of datgene wat men duister of demonisch acht. Elke meditatie moet uitgaan van datgene, wat voor het eigen wezen harmonie betekent. Het versterken van een harmonie met een begrip in meditatieve en contemplatieve vorm zowel als in het normaal en logisch overdenken van waarden, bevordert voor mij de eenheid met een deel van het Al.

In dit deel van het Al is de Alkracht eveneens vertegenwoordigd, zodat mijn band met deze Alkracht intenser wordt en ik a.h.w. intenser deze kracht ondergaande intenser leef en meer werkelijk leef.

Uitgaande van de noodzaak om achtereenvolgens een reeks van meditaties op te bouwen, waar men zich niet steeds tot hetzelfde kan beperken, geldt de regel: begin steeds met het eenvoudige. Wanneer ge een willekeurig onderwerp neemt en ge mediteert daarover in het begin, kan dit goed en dienstig zijn, indien u zich beperkt op het ogenblik, dat duistere of meer demonische gedachten, angsten of niet aanvaardbare begeerten ontstaan. Op dit ogenblik moet de meditatie onderbroken worden door een rustpauze, waarna men over een ander, zo mogelijk bijna tegengesteld onderwerp verder mediteert.

Bij elk denken over een bepaald onderwerp ga men eveneens uit van een willekeurig maar zo eenvoudig mogelijk gesteld punt. Men overdenkt dit onder dezelfde condities als gesteld voor de meditatie met dit verschil, dat men een logisch en redelijk geheel opbouwt, dat stoffelijk mogelijk zou kunnen zijn. Verder iets, waartegen eigen gevoelswereld zich niet verzet, ondanks het feit dat het reëel is. Heeft men die methode gevolgd, dan worden uit denken en mediteren steeds nieuwe onderwerpen geboren.

Vele mensen maken een grote fout. In het begin van een esoterische scholing gaan zij mediteren, zonder dat er een bepaald doel aan verbonden is, over bv. het lijden der mensheid, of de Christus, of iets dergelijks. Hoe kan een mens, die nog niet eens weet wat een stofje is, een strand overzien en ontleden en begrijpen? Eenvoud is noodzakelijk. Eerst langzaam kan men groeien naar de grote onderwerpen, waarbij gevoelswaarden en harmonie met de wereld zelf een belangrijke rol spelen. Wie voor zichzelf meditatieve onderwerpen zoekt of punten ter overweging of overdenking wil opstellen, dient verder te beseffen, dat dit alles moet inpassen in zijn normale leven. Men kan geen scheiding maken tussen het stoffelijk leven en het esoterisch leven waarin men mediteert. Beide moeten praktisch zonder overgang in elkander kunnen overvloeien.

In deze eerste periode blijkt verder, dat bepaalde vormen van meditatie zeer goed kunnen worden omgezet in daad en dat sommige daden praktisch gelijk komen aan een vorm van meditatie. Indien men dit voor zichzelf ontdekt, kan hiermede rekening worden gehouden.

Zoek het nooit te ver. Wanneer ge geen leiding krijgt t.a.v. onderwerpen, probeer dan om zo eenvoudig te blijven als mogelijk is. Eerst wanneer het eigen gevoel plus het begrip een nadenken en een mediteren (dus een redelijk en een innerlijk ondergaan van hetzelfde onderwerp) mogelijk maken, kan men verdergaan. De langzame ontwikkeling zal de mens steeds sterker confronteren met zijn eigen persoonlijkheid. Niet alleen bevordert dit de zelfkennis, maar het maakt tevens duidelijk in welke punten men dus in het bijzonder harmonie moet zoeken met de stof en in welke punten men in het bijzonder harmonie moet zoeken met de geest.

Alle eigen activiteit op geestelijk terrein is voor de esotericus gevaarlijk of taboe, tenzij hij wil overgaan naar magische praktijken. Want magische praktijken vragen een aanvaarding van vormen, die op zichzelf een beperking zijn. De ware esotericus zal dan ook in vele gevallen de magie ondergaan als een soort van dood, zij het slechts tijdelijk. Dit moet vermeden worden.

De mens, die er bijzonder voor geschikt is, kan ongetwijfeld met geestelijke krachten werken; maar degene, die daarvoor niet geschikt is, dient dit niet zelfstandig te doen en dient zich te beperken tot de innerlijke werking.

Een punt, dat ik eveneens gaarne u ter overweging stel, is dit: Heeft het zin over het onbegrepene te spreken, te denken en te mediteren? Indien ge een voldoende kennis of ontwikkeling hebt, is het mogelijk bv. te spreken over God of de verhouding God – mens, zoals gij die ziet. Maar indien ge niet in staat zijt deze dingen duidelijk voor uzelf te definiëren, heeft het geen zin u ermee bezig te houden. In het begin der esoterische ontwikkeling dient de mens te voorkomen dat hij zich te veel vragen stelt, waarop geen antwoord te geven of te vinden is. Beperking van eigen problemen maar een intens uitwerken van wat blijft is dan ook het meest nuttige.

Menigeen meent, omdat hij veel gelezen of gehoord heeft, op het esoterisch pad aanmerkelijk gevorderd te zijn. Laat me u nu duidelijk maken dat dit geen maatstaf is, ook wanneer men die stoffelijk vaak meent te moeten hanteren. Innerlijk begrip, besef voor jezelf en de wereld zijn belangrijker dan kennis, zeker in de eerste fase.

Eigen activiteiten. Natuurlijk kan men zijn esoterisch streven ondersteunen o.m. door oefeningen in lichaamsbeheersing, het wekken van bepaalde zenuwkrachten. Maar degene, die zich daarmede bezighoudt, zal zeer snel deze dingen als belangrijk zien. Hij verwisselt het hulpmiddel met het doel. Daarom mogen deze dingen alleen onder zeer bekwame leiding – mits aangevuld met meditatie en gezamenlijke beschouwingen – worden volbracht. Ze alleen en zonder meer te volbrengen is over het algemeen riskant.

De innerlijke weg of het innerlijk pad vergt natuurlijk zeer veel inspanning. Omdat er geen bepaald punt is waarop men kan zeggen: “nu hebt ge bereikt” is het voor velen ook een ontmoedigend gaan. Zoals de filosoof zegt: “Hoe meer ik weet, hoe meer ik besef niet te weten.” De vergelijking tussen weten en niet-weten kan dodelijk zijn. Zij kan n.l. het totaal van uw streven teniet doen. Neem aan dat ge nimmer iets weet. Ga uit van het standpunt: Ik kan alleen voor mijzelf bepaalde dingen nu aannemen, maar weten doe ik niet. Hierdoor beveiligt men zich allereerst tegen een bepaald dogmatisme en daardoor een gedeeltelijke geestelijke dood; in de tweede plaats echter ook tegen grote teleurstellingen.

Tracht nimmer uw eigen peil esoterisch te bepalen. Wanneer het zich rond u manifesteert, zult u – door anderen bewonderd – misschien zelve weten nog niet ver te zijn. En vaak zult ge –door anderen geminacht om uw lage peil – aanvoelen, dat ge zeer ver zijt gekomen. Begrijp wel, dat ofschoon de esoterie niet onmiddellijk een stoffelijk program of een stoffelijk werken is, zij met de materie samenhangt. Een mens b.v., die bepaalde remmen losgooit, zal in de periode dat dit geschiedt en dat bepaalde invloeden dus in hem optreden, geen esoterisch werk kunnen verrichten. Dit geldt bv. voor iemand die te veel gegeten heeft, iemand die te veel gedronken heeft, iemand die te veel gerookt heeft. Alle middelen, die uw normaal en eigen evenwicht verstoren, zijn een belemmering – vaak tot enige tijd na het gebeuren – voor een werkelijk esoterisch werkzaam zijn.

Het is noodzakelijk dat men een toestand van lichamelijk ontspannen zijn bereikt om in zichzelf door te dringen. Dit ontspannen zijn kan nimmer worden gebaseerd op de omgeving.

Isolatie van de omgeving is noodzakelijk. T.a.v. de omgeving zij ook nog het volgende opgemerkt: Vele invloeden, o.m. geluid en bepaalde gedachten, worden geabsorbeerd door alle dingen in uw omgeving. Wanneer ge in staat zou zijn bv. een oud kerkstuk vanuit een kerk in een zuivere en nieuwe kamer te brengen, dan zal van daaruit een sfeer stralen, alsof het oude gregoriaans daar nog klinkt, of er voortdurend nog gebeden worden opgezonden. Dit is voor de vroom denkende of gelovige mens een sterke stimulans. Wanneer echter een ruzie is geweest of men hoeft een voorwerp, dat bv. is blootgesteld aan klanken van verkeer, van jazzmuziek, dan wordt de meditatie daardoor aanmerkelijk belemmerd. Het is een verstorende en onevenwichtige invloed. Het reinigen van de omgeving zou natuurlijk het beste zijn. Maar wie beschikt in deze dagen over een zuiver, natuurlijk verblijf, waarin slechts de beste invloeden meespreken? Jezelf isoleren voor deze invloeden is dan ook in deze meditatieprocessen zeer belangrijk. Ik wil trachten u deze methode kort weer te geven.

In de eerste plaats: Ontspan uzelf. Laat uw denken dwalen. Telkenmale wanneer u in uzelf storing ontdekt en uw gedachten kanten uitgaan, die u niet prettig vindt, moet u trachten ze te vervangen door zo positief mogelijke zijden van hetzelfde waaraan u denkt naar voren te brengen. Bouw rond uzelf een steeds groeiende positiviteit op door alles wat ge maar denken kunt in positieve zin rond u te verzamelen. U verzadigt zo uzelf en de sfeer die rond u is (de aura o.m. en de uitstraling daarbuiten) met een rust en zekerheid, waardoor invloeden uit de omgeving voor een groot gedeelte worden afgeremd of afgestoten. Wanneer ge in deze rust zijt gekomen (het is vaak bijna een sluimertoestand), kan de werkelijke meditatie beginnen.

Tracht nooit krampachtig te zijn. Een mens die bij zijn meditatie tracht te bewust zijn gedachten in een bepaald spoor te houden, zal in 9 van de 10 gevallen zijn eigen afweer vernietigen en staat bloot aan alle beïnvloedingen van buitenaf. Het is beter ook bij deze gedachten rustig het spoor der gedachten te volgen; daarbij echter, wanneer het noodzakelijk schijnt, in deze gedachten – ook wanneer geen samenhang aanwezig is – het onderwerp der meditatie (een kort woord bij voorkeur of een klein beeld) neer te leggen. Zo ontstaat een meditatie, waarbij de ongestoordheid, het niet meer vatbaar zijn voor schokken en invloeden van buitenaf, sterk bevorderlijk is voor een intens bereiken.

Wanneer u echter moet nadenken – dus niet mediteren – hebt u te maken met een gespannen actie. Denken moet een logisch en redelijk proces zijn. Daarom, ontspan uzelf daarvoor niet.

Neem daarentegen een houding aan, die a.h.w. een zekere activiteit weergeeft. Probeer u te concentreren, maar sluit niet door positief denken u van de wereld af. Laat die wereld tot u doordringen. Laat de invloeden van buiten opgaan in uw eigen denken en leid bewust en met vaste hand steeds weer de gedachtegang in het spoor, dat ge u gesteld hebt en toets voortdurend de redelijkheid van elk beeld, dat u ontwikkelt.

Het deze aanwijzingen hebt u voor de eerste fase – althans naar ik meen – een behoorlijke inhoud gekregen. De procedure zal u duidelijk zijn en ik mag dus – naar ik meen – mijn inleiding onder het hoofd “innerlijk pad, innerlijke weg” hier afsluiten. Ik neem aan dat men het hiermede eens is en ik kan overgaan tot een tweede punt.

In de mens schuilen begeerten. Deze begeerten zijn niet altijd direct als zodanig kenbaar. Ik kan bv. zeggen, dat ik het goede voor anderen begeer, terwijl ik in feite iets voor mijzelf nastreef, bv. macht of bezit. Ik vermom altijd weer, als ik mens ben, mijn eigen bestrevingen in een vorm, die voor mij aanvaardbaar is. Het gevolg is, dat ik voor mijzelf een wereld teken, waarin ik mooier ben dan ik ooit in feite zal kunnen zijn, zeker in geestelijk opzicht.

Deze begeerten worden vaak vergeleken met verscheurende dieren. In andere gelijkenissen zoals in de Openbaringen worden zij met bepaalde voorstellingen geassocieerd. Deze strijdigheid noemt men wel zonde of hoofdzonde of zware zonde.

Nu moet u goed begrijpen, dat het begrip zonde in deze zin niet bestaat. Er bestaat geen misdaad tegenover God. Wij kunnen die niet begaan. Er bestaat alleen een misdaad tegenover onszelf, waardoor wij ons van de Godheid verwijderen. (Godheid gebruikt in dezelfde zin als in het eerste deel.) Wij moeten trachten om dus deze fouten uit de weg te ruimen.

De theorie is dat men dus zoveel mogelijk alle zonden a.h.w. moet onderdrukken, alle onevenwichtigheden en aanvallen op eigen integriteit en harmonie moet verdrijven. Dit is niet mogelijk. Waar echter geen van deze fouten beslissend of verscheurend is als een wild dier dat doodt, kunnen wij ons wenden tot de fouten in ons wezen, die voor ons op het ogenblik het gemakkelijkst te overwinnen zijn. Er bestaat een deel van ons, dat harmonisch is en beheerst.

Er bestaat een deel dat wij slecht beheersen of geheel niet. Indien wij met het weinige, dat wij aan kracht en beheersing bezitten, beginnen onze grootste fouten aan te vallen, dan zullen wij altijd het slachtoffer daarvan worden. Deze strijd put uit en laat ons geen mogelijkheid tot verder werkzaam zijn. Vallen wij echter de kleinste fouten aan, dan blijkt dat deze onbelangrijke fout – ofschoon misschien tijdelijk door andere fouten gecompenseerd – overwonnen kan worden. Hebben wij deze overwinning echter behaald, dan is het gebied waarop wij moeten strijden kleiner geworden. De kracht waarover wij beschikken is in verhouding groter, o.m. door de oefening van beheersing en de poging tot het verkrijgen van zelfkennis. Zo gaan wij steeds de kleinste fouten, die wij kennen, zowel in ons gedachteleven als in ons stoffelijk bestaan indien wij mens zijn, dus te lijf. Eerst daarna grijpen wij verder.

Door achtereenvolgens bepaalde fouten in het ik te herstellen bij een redelijke evenwichtigheid, vergroten wij onze mogelijkheid om evenwichtig in de wereld te leven en uit die wereld weinig vertekende of zelfs geheel ware beelden te ontvangen. Hierdoor vinden wij een weg, die ons door de dualiteit, de gespletenheid van de mens, voert tot een begrip van het ware wezen.

Het ware wezen van de mens zal altijd moeten worden voorgesteld in gedachten. En gedachten zijn nu eenmaal gebonden aan beelden plus woorden. De voorstelling, die u zich maakt, kan nimmer een juiste zijn, maar zij kan een redelijke vervanging van het juiste beeld zijn. U werkt met de stof en met de gedachten. Dus weet u ook op te bouwen een stoffelijk aanvaardbaar beeld van uzelve, waarbij voortdurende correcties dit beeld steeds sterker in overeenstemming brengen met uw voorstelling van het Goddelijke.

Spreek daarbij echter nimmer van de wil Gods. Spreek hoogstens van eenheid met God, of zo ge wilt Alkracht, het Onbekende. Door op deze wijze te handelen zal niet alleen de zelfkennis stijgen en de beheersing van het ik, zowel op geestelijk als op materieel terrein. Neen, wij vinden de mogelijkheid om in onszelf een steeds juister beeld te construeren.

Het is goed om te zeggen, dat wij de eeuwigheid willen aanschouwen. En het is misschien wonderlijk als ge kunt zeggen, dat ge de Christusgeest in al zijn glorie hebt gezien. Maar deze dingen zijn imaginair. Hoe reëel ze ook zijn, voor u hebben ze geen werkelijkheidszin en geen werkelijke betekenis. Ze zijn voorbijgaand. Ze worden niet in uw wezen opgenomen en geabsorbeerd. Het kleine dat ge doet, het weinige dat ge bereikt van uw eigen wereld en dat ge in waarheid leert zien, is het beste hulpmiddel om uw beeld van de grote kosmos op te bouwen. Een derde punt en tevens het laatste voor hedenavond: Menige mens zegt dat hij sterk is in zijn wil. Indien wij echter nagaan in hoeverre dit op waarheid berust, komen wij tot de conclusie, dat de mens zijn wil over het algemeen alleen uit in het bevestigen van datgene, wat ook zonder hem en zijn wil geschied zou zijn of in een zwak en meestal niet effectief verzet tegen dingen, die toch gebeuren. Het is slechts zelden dat de menselijke wilskracht volledig gebruikt kan worden. De wilskracht bestaat, maar zij kan alleen gebruikt worden vrij van alle condities en omstandigheden, die buiten u zijn. U kunt dus realiseren dat veel van uw willen en uw streven het gevolg is van omstandigheden. Accepteer het als zodanig. Maar wen u aan om ongeacht condities of omstandigheden – al is het maar eenmaal in zeven dagen – gedurende één uur de tijd te besteden geheel volgens uw eigen wil. Maak u dan vrij van elke belemmering en aanvaard ook de consequenties daaraan verbonden.

Hierdoor staalt ge het werkelijk willen. Ge schakelt n.l. condities en beïnvloedingen van buiten in zeer grote mate uit. Doordat ge uw angst voor consequenties, uw overweging van andere mogelijkheden, eveneens terzijde stelt, komt ge tot een bewust stuwen van gedachten en daden in één vaste richting.

Wanneer ge esoterisch streeft zal het heel vaak noodzakelijk zijn uw gedachten zowel als uw daden in een bepaalde richting te stuwen, ongeacht de verhoudingen op de wereld, de wil van de wereld of de gedachten van de wereld. Gij zult in dit willen heel vaak volledig alleen staan en geen steun elders kunnen vinden. Iets wat bij het normale z.g. willen meestal wel het geval is. De wil is n.l. over het algemeen de uiting van een gemeenschappelijke angst of begeerte, dan wel van een gemeenschappelijk beredeneerd en goedgekeurd doel. Door de wil te sterken zult ge in staat zijn uzelf te dwingen met uitsluiting van wereldlijke condities en beïnvloedingen uzelf eerder waar te zien. Gij spiegelt u d.m.v. de wil gemakkelijker dan alleen aan de hand van de verschijnselen.

Ontplooiing van de wilskracht geschiedt dus het eenvoudigst door op bepaalde ogenblikken uzelf te dwingen. Ga daarbij nooit zover dat ge aan uw wil een zeer zware belasting oplegt.

Bv.: Ik zal deze dag niet eten, niet drinken, niet roken, niet lezen of iets anders. Een dergelijke poging tot onthouding is over het algemeen eerder schadelijk dan goed. En ofschoon de wilskracht gestimuleerd wordt, wordt zij vervangen door een rationalisatie van de ontbering, die vals is en u verder verwijdert van de kennis van het ik en eenheid met het hogere. Zeg voor uzelf echter wel: Ik zal een bepaalde korte tijd dit of dat doen. Leg uzelf bv. op om gedurende een bepaald uur, ongeacht de conversatie die al of niet zou optreden – stel dit van tevoren vast – geen enkel strijdig woord te uiten, geen enkel ogenblik ongeacht uw meningen en inzichten u te verweren tegen de inzichten van anderen. Leg uzelf op om één uur, ongeacht wie of wat ge ontmoet, waarheid te spreken zo goed als gij kunt. Door deze oefeningen wordt ge vrijer.

Hebt ge eenmaal een zekere bekwaamheid in het hanteren van de wil verkregen door deze op zichzelf dus onbelangrijke proefnemingen, dan wordt het tijd uzelf een taak op te leggen die buiten uw eigen leven en levensbereik ligt – ook buiten uw normale gedachtegangen, uw verlangens en bestrevingen – en deze taak gedurende enkele uren volledig te vervullen.

Wanneer ge u bv. bijzonder interesseert voor klassieke muziek, is hierbij een zeer goede test: leg uzelf op eenvoudige vermaaksmuziek aan te horen, te ontleden en niet negatief maar positief te bekritiseren. Dat is maar een voorbeeld. Er zijn vele soortgelijke te vinden. Indien ge meent, dat ge vrij moet zijn van elke predicatie, leg uzelve op om een predicatie aan te horen en alle positieve punten daarin uit te werken aan de hand van de bedoeling van de prediker en de werkelijke betekenis, zoals u die aanvoelt. Hierdoor zal de wil niet alleen gestaald worden en ook in het innerlijk leven gemakkelijker bruikbaar zijn, maar het maakt ons tevens mogelijk op den duur in het lichaam werkingen tot stand te brengen, die een aanmerkelijke bevordering zijn van het geestelijk kennen en de weergave van de geestelijke wereld door de geest in de stof te vergroten.

Begrijp wel, dat een esotericus iemand is, die – ongeacht de toestand waarin hij nu leeft – moet trachten alle grenzen tussen alle werelden, waaraan hij deel heeft of zal kunnen hebben, te doen vervagen en tenslotte te doen vervallen en het geheel van de schepping te beschouwen in plaats van het kleine deel, waarin hij zich nu en op dit ogenblik waakbewust ophoudt.

Ik hoop dat ik u met deze inleiding tot de esoterie enigszins van dienst ben geweest.

0-0-0-0-0-0-0-0

Het kosmisch licht

 Ik wil graag met u spreken over het kosmisch licht, zoals dat in ons optreedt en de werkingen, die dat in onszelf kan hebben.

Kosmisch licht is eigenlijk niet te omschrijven. Het is een emotie, die – ofschoon zelf niet kenbaar – ons plotseling vele dingen kan onthullen. Het is als een licht, dat je zelf niet ziet, maar dat al wat erdoor beroerd wordt tot een zelf-lichten brengt en heel vaak duistere en ondoorzichtige punten en dingen, ja zelfs facetten van het eigen leven, zo helder en doorzichtig maakt, dat we de kristallijnen structuur van de kosmos erin kunnen erkennen.

Dit kosmisch licht wordt meestal bereikt door de mens in een ogenblik van zelfvergetelheid.

Het ogenblik dat hij niet aan zichzelf denkt, het ogenblik dat hij ook eigenlijk helemaal niet bewust naar het hogere aan het streven is, schijnt hem plotseling te bevangen. Het is of ergens een snaar wordt aangeslagen, of ergens een emotie in je gaat trillen. En die emotie werkt door. En in het begin voel je het alleen maar als een geluk, als een ogenblik van ontrukt zijn aan de werkelijkheid. En dan lijkt het je alsof dat gevoel afsterft. Misschien dat ik het het beste zo kan zeggen: Het is alsof je in een duistere wereld bent, waar een ontzettend zware bewolking is. En nu trekken de wolken weg en de zon komt één ogenblik als een verblindend zoeklicht over het land. Je voelt je gelukkig in die zon, gekoesterd en warm. En dan zie je de hemel zich weer sluiten. En je denkt dat je dat licht verloren hebt. Maar het vreemde is, dat dit licht is opgenomen door de aarde, door alles wat ermee beroerd is en dat dit nu uit zichzelf dit licht – hoewel in veel mindere mate – gaat uitstralen. Daarom mogen wij wel zeggen dat het kosmisch licht ons in de eerste plaats dus een vreemde emotie is, die echter overgaat in een realisatie of een bewustzijn.

Die tweede fase is voor de doorsneemens niet zo prettig. Hij heeft vaak de neiging om te zeggen: “Nu ja, maar het is toch niets nieuws meer. En waarom kun je die toestand van geluk niet handhaven?” Hij begrijpt niet, dat het belangrijke van het kosmisch licht, dat rond ons is en dat in ons kan zijn, niet is de manifestatie zelf, het erkennen ervan, maar de wijze waarop het voor ons het leven en het zijnde kenbaar maakt.

Natuurlijk zullen de meesten van u wel weten hoe de kosmos is ingedeeld. Het is een hiërarchie, waarin wij allerhande heren van krachten, van wijsheid en van kennis, kortom op elk terrein, kunnen aantreffen. En elk van hen heeft ongetwijfeld weer zijn ondergeschikten.

Maar dit licht zelf is vreemd genoeg bijna onverdund. Zijn wij geheel in contact met het zuivere licht, dan is het wit. Verblindend licht als de vlam van brandende magnesium. Zijn wij echter in contact met de kosmos via een bepaalde kracht of heerser, dan zal het meestal een kleur vertonen. En dan is het een uitgesproken kleur, waardoor de dingen niet geheel tot ons spreken, maar a.h.w. bepaalde facetten en aspecten bijzonder duidelijk doen zien.

Het licht; dat voor ons, zolang wij mens zijn en in een vormkennende sfeer leven, het meest aangenaam is, is het z.g. gulden of gouden licht. Bedenk wel, dit gouden licht is niet volledig.

Er ontbreekt iets aan. Het is a.h.w. een balanskleur. Het is een evenwichtigheid, waarin alles enigszins kenbaar wordt, maar niet een volledige waarheid onthult. Waar het gouden licht datgene is, waarmee wij het snelst kennismaken en wat zich ook het gemakkelijkst manifesteert, zullen wij daar eerst eens over spreken.

In het gouden licht is het alsof de hele wereld plotseling één zinderend goud is geworden, doorzichtig en toch in zijn oneindigheid beperkt g een lichte nevel misschien, die in het bos hangt, waardoor je de bomen kunt zien en de dieren, die er bewegen en de bladeren en toch de horizon beperkt en begrensd wordt.

In dat gouden licht schijnt alles intens te leven. Het is vol van schoonheid, vol van kracht. Het schenkt je op het ogenblik, dat het je beroert, een ongebreidelde liefde voor alle leven en al wat is. Je voelt je er in ondergedompeld, je voelt je er één mee. Dit licht echter heeft vreemd genoeg bijna geen onthullende werking. Er zijn veel andere kwaliteiten in, die belangrijk zijn; maar wij mogen van het gouden licht niet verwachten, dat het ons de onthulling geeft van feitelijke werkelijkheden, zelfs omtrent onszelf. Het is en het blijft een soort spel a.h.w., waarin onze gedachten dromen vormen. We bouwen droomkastelen op, die langzaam verwazen en onmiddellijk door nieuwe vervangen worden. We voelen een eenheid aan en we proberen ze te omschrijven en wij weten eigenlijk niet wat het is. Het gouden licht is hoofdzakelijk kracht. Je zou m.i. mogen stellen, dat de werking van het gouden licht voor de doorsneemens mystiek is. Het is wat vreemd en wat geheimzinnig. Het geeft geen wijsheid en toch een stimulans, waardoor je wijsheid, kunt verwerven. Het is niet iets wat je omschrijven of begrijpen kunt en toch schijnt het je omhoog te heffen en te laden met een nieuwe vitaliteit.

Je voelt je tegenover het Al plotseling bevrijd.

Als u het gouden licht leert kennen – en dat zal voor menigeen in de komende tijd gemakkelijk gebeuren – dan moet u één ding onthouden. Het gouden licht, zoals het zich manifesteert in en rond ons, zoals wij het soms waarnemen als een uitstraling bij anderen, is in de eerste plaats een licht, waaruit wij kracht moeten puren. Het gaat hier niet om hetgeen we er bewust in waarnemen of beleven; het gaat om datgene, wat ons wezen doordrenkt, datgene wat ons wezen a.h.w. afstemt op hogere waarden. Meer is daaraan niet verbonden, meer hebben wij niet nodig.

Het witte, verblindende licht van de kosmos, dat maar zelden wordt gezien, dat in een zilverkleurig waas soms als een deken over alle dingen schijnt te liggen als u het waarneemt bij anderen, mag worden gezegd te zijn kracht en weten. Het is niet enkel kracht of enkel weten. Neen, het is beide. En daarom vraagt het een ontzettend uithoudingsvermogen.

Wanneer u in contact komt met het witte, met het verblindende licht, probeer dan niet om op dat ogenblik mens te zijn. Probeer dan niet op dat ogenblik jezelf te realiseren wat er is en wat er gebeurt. Onderga! Onderga in stilte en vraag je niet af of het hoog is of laag. Geef het geen naam en noem het geen meester of Jezus of God. Onderga het alleen. Laat het op je inwerken en sluit a.h.w. wat bescheiden en beschaamd je ogen als voor een zon, waar je nog niet direct recht durft inkijken. Wanneer je het zo ondergaat, brengt het ook kracht met zich, maar het brengt daarnaast een warreling van gedachten. Alles wat je ziet, lijkt opeens anders geworden.

Een mens, die werkelijk intens die ervaring heeft gehad, heeft soms uren lang nodig zich opnieuw te oriënteren. Want het lijkt hem of alles een nieuwe gestalte heeft en pas langzaam kan hij terugkeren tot het oude beeld van het leven, dat hem zo dierbaar is.

Wanneer u dat witte licht ooit ontvangt en er contact mee hebt, probeer dan eens niet terug te keren tot de oude voorstelling. Zeg dan niet: Maar dit vaasje is alleen maar een vaasje en deze bloem alleen een bloem en deze mens alleen een mens. Probeer datgene wat u aan weten gegeven wordt, nadat de ervaring zelf al verklonken schijnt, te behouden. De nieuwe visie, het nieuwe weten. Want alleen wanneer ge dit weten in u draagt, zult ge in staat zijn om de kracht, die eruit voortkomt, werkelijk te gebruiken. Anders zegt het u niets. Dan is het een voorbijgaand iets, wat je half verdoofd achterlaat en tenslotte nog niet eens een beter contact met God mogelijk maakt, althans geen bewust beter contact.

Zo onthullend als het witte licht is, zo teder en gelijktijdig wetenschappelijk kan het licht zijn, wanneer het die lichte violette glans, krijgt, deze eigenaardige blauwe tint, die voornamelijk aan weten en bewustzijn is vastgekoppeld. Wanneer ge een uitstraling waarneemt, soms als een boog, soms als een splitsende vonk, soms ook als een soort maanlicht, bereid u dan voor op een ontwaken. Zet uw gedachten stil. Want ook dit licht is voortdurend rond u. Ook deze krachten manifesteren zich voortdurend.

Indien gij in staat zijt stil te zijn, zolang de manifestatie duurt – zelfs niet te willen volgen wanneer er gesproken wordt, zelfs niet te willen denken wanneer ge aan het mediteren zijt, maar alleen stil te ondergaan -dan zullen uit dit blauwe licht a.h.w. stemmen ontstaan. Het is alsof ge met uzelf aan het debatteren bent, of ge uzelf wijsgerige antwoorden geeft op vragen, die ge ternauwernood besefte te kunnen stellen. Zo vloeit uit het blauwe licht kennis voort, zelfkennis, maar daarnaast een begrip van de wereld, een ontdekking van nieuwe principes en samenhangen, die aan anderen ontgaan zijn. Ook hier kan uw wereld een ander beeld krijgen, maar het is een redelijk en logisch beeld, dat – al gaat het soms verder dan het redelijk aanvaarde op aarde – nimmer voor de mens onbegrijpelijk wordt. De dingen, die erin gebaad zijn, spreken tot u, maar ze spreken alleen in een redelijke en een logische zin. Ze openbaren zich niet aan de mens als een voortdurende, verbluffing of een voortdurend beleren; maar het is alsof ze zich langzaam in de mens invoegen, zodat hij het bepaalde besef “dit betekent dit voor de wereld en voor mij” in zich draagt. En als vele voorwerpen en vele mensen samen spreken uit dit licht tot u, dan krijgt ge een homogeen beeld van uw wereld, Wie een homogeen beeld van zijn wereld heeft, zal over het algemeen zijn eigen mogelijkheden daarin beseffen. En in deze zin is het blauwe licht van buitengewoon groot belang. Het is een actief licht.

Wij kennen ook de gloed van licht, die – bijna gouden – een groene glans, een groene weerschijn heeft. Het is de aanduiding van het ongewetene. Denk niet, dat dit licht u iets onthult over anderen. Maar het wekt een reactie in uzelf. U gelooft datgene, wat ge innerlijk meent te weten en te aanvaarden. En het maakt de band completer tussen uw geest en haar vroeger weten en uw huidige wezen en huidige persoonlijkheid. Ge leert langzaam maar zeker die dingen samenvatten. En ge groeit ook daarin op. Uw geloof wordt duidelijker. En is het geloof duidelijker geworden, dan zal het u gemakkelijker vallen naar dit geloof te handelen en vanuit dit geloof verder te gaan.

Bedenk wel, dat deze groen glanzen soms een uitbreiding betekenen van uw geloof. Dan meent ge, nadat de manifestatie is afgelopen, dat uw wereld aan het ineenstorten is. Dingen, die ge had gedacht, schijnen plotseling vol tegenspraken. Het geloof van eens lijkt kinderlijk en het is u niet begrijpelijk hoe u zich ooit daaraan hebt kunnen vastklampen. Ge vraagt u af waar die verandering voor nodig is. En als ge dat doet, gaat de werking teloor en keert het oude terug. Maar de vernieuwing, het conflict plus de vergroting van innerlijk weten, die dit licht met zich brengt, is u dan voorbijgegaan. Strijd niet met uzelve. Wat ge op dit ogenblik als geloof in u voelt groeien, wat ge in uzelf hebt kunnen opnemen en kunnen verwerken, dient ge volledig te aanvaarden. Pas later, dagen later, moogt ge misschien eens nagaan waarom ge gelooft en hoe dit staat t.o.v. wat ge vroeger geloofd hebt. Op dat ogenblik moet je het ondergaan en aanvaarden.

En dan is er het rode licht. O, een licht dat helder is, helder en doorschijnend. De gloed van een robijn, die tegen de zon wordt gehouden. Het is stralend. Want alleen de stralende kleuren licht zijn aanvaardbaar en goed. En dit brengt u dan wat men noemt liefde. Bedenk wel, dit is niet het stoffelijk begrip van liefde alleen. Neen, het is het gevoel van saamhorigheid. De mens, die dit ondergaat, vraagt zich wel eens af, of het nu eigenlijk wel zin heeft. Want je zo één te voelen met iedereen, dat is toch eigenlijk dwaas. En je zo aangespoord te voelen om jezelf maar voortdurend op te offeren voor anderen en voortdurend alleen voor anderen te werken en te leven, dat is toch eigenlijk niet redelijk.

Ook hier zou ik willen waarschuwen. Wees niet te redelijk, wanneer dat licht straalt, wanneer u dat benadert. Wanneer deze rode gloed, dit levende, tintelende licht als wijn, een lichte rode wijn, rond u is, laat het in u doordringen. Want het is een afstemming van uw wezen, een vergroting van harmonie. Hier wordt het u mogelijk gemaakt om zuivere en harmonische verhoudingen op elk terrein en elk gebied te scheppen. Dank zij dit licht is het mogelijk om vergissingen op dat terrein te voorkomen en dus niet u te binden aan groepen, die uiterlijk misschien de liefde prediken, maar die ze in zich niet bezitten.

Vergeet niet, dat het licht en de krachten daaruit voortkomend belangrijk zijn. Maar dat ge die krachten moet ondergaan. Er is een hiërarchie in het Al. En uit de hiërarchie kunt gij niet uitmaken, wat u past. Zo min als een eenvoudige bediende een koningin kan bevelen hoe zij zich zal gedragen, zo min kunt gij aan het licht uw eisen stellen. Gij moet het aanvaarden en ondergaan en eerst wanneer de werking is afgelopen moogt ge het invoegen in het normaal redelijk plan van uw dagen.

Het kosmisch licht is overal en altijd, zo zeggen wij. Dat is theoretisch waar. Maar wanneer ge geen ogen hebt om te zien, dan kunt ge misschien de zon aanvoelen, wanneer ze schijnt, maar ge kunt niet zien wat ze u onthult. Soms kunt ge het licht rond u aanvoelen, maar het is moeilijk om te weten wat het is en om die werking precies en definitief te ondergaan. Want gij zijt het zelf, die u afstemt daarop. O, ge weet misschien niet hoe en dat is ook niet belangrijk.

Mens, wanneer ge geestelijk volgroeid zijt, zult ge weten hoe ge elk van deze krachten afzonderlijk kunt wekken. En dan niet als een magisch oproepen ervan, een a.h.w. door gedachtebeelden afdwingen van een bepaalde kracht tot u. Neen, maar als een logisch kiezen uit al wat rond u is, zoals ge ademhaalt of zoals ge kijkt, gaande van het ene gezichtspunt naar het andere. Een natuurlijk en volkomen normaal proces. Gij zijt het, die bepaalt welk licht zich kan manifesteren. Hoe intenser u dus gericht bent op een bepaalde gedachte of een bepaald aspect van uw eigen leven of dat van anderen, hoe groter de mogelijkheid is, dat de daarmee overeenstemmende lichtende kracht zich manifesteert.

Het kosmisch licht zelf in zijn heldere kleuren is onvoorstelbaar schoon en werkzaam. Het is een bijzondere kracht. Maar vergeet niet, dat de scala van licht en duister in de kosmos volledig is. Er is niet alleen een verzameling van heldere, stralende, lichtende tinten, er is niet alleen een helderblauw als een hemel, er is niet alleen een gouden licht als een droom. Er zijn ook kleuren, die doffer zijn en soms wazig en somber, haast gemarmerd, als vuur doortrokken met rook. En ook deze kleuren kunt ge tot u aantrekken. En ze zijn niet ongunstig, mits ge weet hoe ze te hanteren.

Maar deze vragen eigen inwerking, eigen optreden, eigen werkzaam zijn voortdurend weer.

Want elke tint van kosmisch licht, die ge ontvangt, die niet helder is, heeft een grondkleur. Of die grondkleur nu blauw is of goud, of rood, of het blauw een violet heeft of een purperen gloed, het maakt niets uit. Wanneer de kleur niet helder is, geeft zij aan dat ge weliswaar afgestemd bent op een bepaalde grootkosmische kracht, maar dat ge in uzelf ondanks dit contact een zo vertroebelende en ik zou haast zeggen egoïstisch-egocentrische belangstelling hebt, dat het onmogelijk is u de waarheid van het Al daardoor te laten zien.

Op het ogenblik dat de kleuren rond u troebel zijn, moogt ge niet schrikken, moogt ge niet angstig worden en niet afwijzen, alsof het demonen zijn. Maar ge moet trachten in uzelf binnen het erkende gebied het duistere, het sombere, het niet-stralende, het doffe te verdrijven. Dat is heel wel mogelijk, wanneer ge maar probeert op dat ogenblik elke zelfzucht, elk denken aan uzelf en uw eigenbelang terzijde te stellen.

Degene, die contact heeft met het kosmisch licht, kan het zo goed naar anderen zenden als hij het zelf kan ondergaan. Maar ge kunt alleen aan anderen datgene zenden, wat ge zelf reeds beleefd hebt en wat ge natuurlijk ook voor uzelf hernieuwd kunt beleven. Slechts dat, wat wij aan lichtende krachten in onszelf kunnen wekken, kunnen wij zonder meer en zonder tussenkomst of hulp van anderen ook aan anderen toezenden. Mits die anderen harmonisch zijn, is het mogelijk om daarbij een zeer grote en verbluffende directe werking te verkrijgen.

Die kan liggen op het terrein van het verstand, van het gevoel, van gezondheid, zij kan liggen op het terrein van wetenschap of zelfs – in sommige gevallen – van bewustzijn omtrent vroegere bestaansvormen. Want alles is erin gelegen.

Als je esoterisch wilt leven en denken, dan is in de eerste plaats belangrijk wat je in jezelf beleeft. Want je moet zelf deze dingen doormaken. Je moet zelf a.h.w. de vloed van licht over je heen voelen trekken. Je moet zelf bijna verblind onderdaan en ontwaken tot een nieuw besef. Alles wat met de wereld te doen heeft kan uit het licht voortvloeien. Maar het is niet onze tank om een dergelijk licht bewust in onszelf te wekken om het te gaan uitzenden. Dat is een taak, die misschien de meer exoterisch gerichte magiër toekomt, maar niet ons, niet de esoterisch denkenden. Wij moeten in onszelf de weg vinden. En alles wat wij buiten ons manifesteren kan alleen een uitvloeisel daarvan zijn, maar nimmer een a-priori bewust hanteren van bovennatuurlijke krachten.

Nu zijn er natuurlijk heel wat mogelijkheden om dit licht te ondergaan. In de oudheid heeft men dat gedaan door de grote oden aan de zonnegod bv. Denk eens aan de wonderbaarlijk schone hymnen voor Aton bv., die ten dele zijn overgeleverd. Denk aan het zonnehoogtelied van Rê en de vreemd onthullende en wonderlijk klinkende liederen, die men zong voor Baäl.

Want voor het licht heeft de mens altijd zijn liederen gezongen, omdat hij besefte, bewust of half onbewust, dat er achter dit symbool, dit uiterlijk symbool van lichtende kracht, ergens een kosmisch licht was, dat voor hem moest bestaan. Wanneer ik moet vertalen – want de

oorspronkelijke taal hier te herhalen heeft weinig zin – dan klinkt zo’n lied bv. zo:

O, gij Zoon van Licht en kracht van Licht.

Gij die Uw weg zoekt langs de hemel,

en meester zijt van de oneindigheid en ruimte,

wees voor ons de bron van licht.

Laat Uw krachten tot ons komen en gedachten zich ontplooien,

en daden en genaden zich hier tonen aan al,

die eren U, Gij, kind van Licht en uit het Licht geboren.

Keer tot ons, Licht, met Uw verblindend fel geweld, gedragen door de storm,

en in de zoetheid van de kus van ’t licht in de eerste morgenuren.

Wees met ons in de dag. Wees ons het vuur des levens, dat voortbrandt.

En aanvaard ons offer en ons leven, opdat wij, Kind van Licht, Uw paden mogen gaan.

De vertaling is wat vrij, maar ze geeft u misschien een inzicht in de wijze waarop men reeds in de oudheid tot het licht sprak en tot het licht zong. Later hebben de magiërs er hun incantaties van gemaakt. En met de dwingende kracht van het woord hebben zij eveneens het licht zich doen manifesteren. Ze hebben het gemaakt tot een bron van helderheid, van wijsheid. Zij hebben geleerd de natuur erdoor te beheersen. En tenslotte hebben zij ook zichzelf weer leren kennen door hun macht en door het licht.

Maar wie in zich licht zoekt, die past eigenlijk de innerlijke bede. En wie zal de woorden zeggen, die leven in het hart van een ander op aarde? Soms is het alleen: Gij, onbekende God, maak mij mijn paden licht en laat mij zien waarheen Gij gaat.”

Of: “God, geef mij Uw kracht.”

Of: “God laat mij begrijpen. God, laat Uw macht zich kenbaar tonen aan mij. Maak mij vrij van alles wat mij belemmert en bindt.”

Want zo bidt een mens. En dan bidt hij om licht. De esotericus, in zich misschien meer bewust van de werkelijkheid, spreekt tot de kern van zijn eigen wezen. En hij zegt: “God, Gij die in mij woont, God van Wien ik deel wil zijn, onthul mijn aangezicht, opdat ik mijzelf kennende deel mag zijn van Uw werkelijkheid.”

En al deze dingen kunnen werkzaam zijn. Want de mens, die uit zichzelf a.h.w. openbloeit voor een ogenblik, afgestemd op het hogere en op het lichtende, die brengt uit zich voort de manifestatie van licht. Hij voelt die kracht in zich en hij kent ze in zich. En dan mag je nog zo verward zijn van binnen, dan mag je nog zo moeilijk soms het leven kunnen aanvaarden zoals het is, dan mag je nog zo worstelen tegen de banden uit het verleden of je afvragen wat de toekomst je mag brengen, wanneer je dat licht in jezelf vindt, dan vind je voel waarheid.

Maar laat mij u raden. Vraag niet te zeer om het witte licht, tenzij gij zeker zijt, dat ge dit witte licht kunt weerstaan, want het witte licht, het verblindende licht, het kan soms zo fel zijn, dat het ons als doden achterlaat, niet in staat om te denken, te ademen, te leven, omdat de kracht zo groot was, dat we ze niet konden dragen en de onthulling zo ontzagwekkend, dat we ze niet konden bevatten. Vraag nooit om het hoogste licht, voor je voelt dat je het dragen kunt. Ook dit hoogste licht is steeds rond ons. Het is de trillende essence van het hele Al, het is de kracht, die geesten vormt en engelen doet zingen. Het is de grondslag van de aarde en de materie, van uw lichaam en uw leven. Maar vraag niet om het geheel. Wees bescheiden.

Vraag in uzelf een begrip en een vrede. Vraag in uzelf licht, dat u past. Wie bescheiden is en alleen het licht voor zich vraagt, dat hij kan dragen, dat hem of haar dragelijke en begrijpelijke waarheid kan onthullen, die komt verder.

En laat mij u erbij zeggen, dat in het kosmisch licht niet alleen de tijd onthuld wordt, maar al wat buiten de tijd ligt. Wanneer het licht zich in u openbaart als weten, dan komen soms oude levens terug en gij ziet nieuwe vormen en gestalten, die ge nog niet beleefd hebt. Want het toont u iets van uw gehele zijn. En het witte licht geeft u niet alleen de relatie met een enkel voorwerp of de ware gestalte ervan. Het kan de geschiedenis zijn van het vloeiend magma, dat eens werd tot steen, steen, verbrijzeld door weer en wind en vulkanische werkingen, geworden tot stof en tot klei en zo weer verwerkt tot een klein stukje gebakken steen.

Het Al openbaart zich in het licht. En het Al, zoals het zich in dit licht openbaart, is altijd rond u. Leer voor uzelf uit het licht te putten. Durf het aan om het licht te ondergaan. Zoek het niet als een verschijnsel, maar laat het u een ogenblik overrompelen, om dan de gedachten die eruit voortkomen, de gevoelens, de invloed, de inhoud, te bewaren zolang ge kunt. Dan is het licht ook het innerlijk licht, dat de mens voortdurend ook betere kennis van zichzelf brengt en voortdurend scherper en duidelijker onthult wie en wat hij is.

Ik geloof niet, dat ik hieraan veel behoef toe te voegen. Mediteer wanneer ge tijd hebt eens over het licht. Denk na over het licht in al zijn vormen. De zon die straalt of de maan. Het licht van een dag, wanneer de wolken dreigen. Neem een voorstelling, zoals ge die kent, maar denk dan aan het geestelijk licht, aan het licht in u. En tracht dan uw leven te zien als een deel van het licht. Uit deze gedachten zult ge veel waarheid kunnen puren. En zo het u gegeven zij uzelf op de juiste wijze te stemmen t.o.v. het licht, zal het zich aan u kunnen manifesteren. Bereikt ge dit, dan zult ge weten dat mijn raad goed is en dat mijn woorden waar zijn. Dat kosmisch licht is u gegeven in al zijn vormen en verschijningsvormen en kleuren, opdat gij uzelve zult kennen en de scheiding, bestaande tussen u en het Eeuwige, tenietdoet.

De opdracht, die wij u voor deze maand dan ook willen geven is, zo ge wilt en kunt: Mediteer over het kosmisch licht. Mediteer over het licht in zijn vormen en vooral in zijn kleuren. Zie het als de kosmos, die klaar staat om u te openbaren wat ge u in het leven zelf van de mens niet kunt gewinnen aan inzicht en aan weten. Ervaar zo ge kunt het licht; en zo ge het niet ervaren kunt, overdenk het en tracht u er toch op in te stellen. Tezamen met het verdere, dat op deze avond is gebracht, zal het u bijstaan bij uw streven tot esoterische bewustwording en u mogelijk enige schreden verder doen gaan op het pad, dat ge thans betreden hebt of dat ge reeds langere tijd gaat.

0-0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

Verbijstering

 Ik ben verbijsterd. De dofheid, die mij slaat, maakt het mij haast onmogelijk te begrijpen en te verstaan. Ik heb het gevoel, dat ik er niet bij behoor. Het gevoel dat er ergens iets is, dat aan mij voorbij is gegaan, iets belangrijks. Ik kan mijn juiste houding niet bepalen en ik kan mijn juiste weg niet vinden. Dat is toch verbijstering, nietwaar?

Maar als deze verbijstering ontstaat, dan is ze het gevolg van een gebeuren. Die verbijstering overweldigt mij niet zonder meer. Zij moet voortkomen uit iets rond mij of iets in mij.

Wanneer de verbijstering mij pakt, dan weet ik: Er is iets aan de hand, er gebeurt iets. En ik weet ook, dat wanneer de verbijstering geweken is, ik daarop zal moeten en kunnen reageren. Daarom is het mijn taak zo snel mogelijk deze toestand van daadloosheid, van verbluftheid, te overwinnen. Ik mag niet stil blijven staan en wachten wat er gebeuren gaat.

Het is beter, dat ik vanuit mijn verbijstering althans één ding logisch en goed doe en onmiddellijk. Het is veel beter dan dat ik 1000 dingen overweeg en niets doe. Het is beter dan dat ik blijf afwachten of er nog meer komt. Want aan uzelf en alleen aan uzelf is ook in de verbijstering de mogelijkheid gegeven tot bewustwording.

Als je zo kijkt, kun je je misschien voorstellen dat de verbijstering voortkomt uit het niet kunnen of niet willen begrijpen van het gebeuren. Het is te plotseling, te onverwacht, te verbluffend. Zo-even is er gesproken over het licht, het kosmisch licht; en wanneer dat u plotseling beroert, zonder meer, dan bent u verbijsterd. Zoals Saulus op de weg naar Damascus verbijsterd was. Hij was verblind, hij wist helemaal niet maar wat er gaande was. Het licht had hem beroerd, Hij wist geen in of uit meer. Verbijstering. Maar wat doe je dan? Dan zoek je zo goed mogelijk al je capaciteiten bij elkaar. Want je moet verdergaan. Saulus, de blinde, ging naar Damascus. Anders dan hij van plan was te gaan ongetwijfeld, op een andere manier en met een andere inhoud; maar hij ging. Wij moeten ook, wanneer de verbijstering ons treft in de schepping, in het gebeuren van het Al, wij moeten eveneens verdergaan. God geeft ons onnoemelijk veel, dat is erg waar en erg mooi. En de kosmos biedt ons enorm veel om over te denken; er is een wetenschap en er is en erkennen van de geest, er is een innerlijk ervaren, er is een manifestatie en een inspiratie. En elke keer weer wanneer het ons werkelijk treft en wanneer het werkelijk belangrijk is, dan staan we een ogenblik verbijsterd, nietwaar? Dan vragen wij ons af, wat er nu eigenlijk moet gebeuren en waar het naartoe moet. Of we versuffen en we verdoffen en we geloven het allemaal wel, want we weten niet meer wat we moeten. Dat is verbijstering. Maar wij moeten verdergaan, of wij willen of niet. Je kunt teruggaan en je kunt vooruitgaan, maar je kunt niet blijven staan. En als je zou willen blijven staan, zou willen helemaal passief zijn, dan komt er iets van buiten dat je dwingt. Zoals Saulus werd gevonden, Saulus van Tarsus en werd meegenomen door kooplieden.

Begrijpt u wat ik bedoel? Er is een ogenblik dat je moet, of je wilt of niet. Je moet een keuze doen, juist op het ogenblik, dat je niet weet wat er precies gaande is. Er is geen tijd voor lange bespiegelingen en besprekingen, er is geen tijd om te overwegen of dit of dat nu beter is. Op dat ogenblik moet er een keus gedaan worden; een keus, die voortkomt uit je hele hart, je hele wezen. En alleen dan kun je verdergaan. Dan kun je op de juiste manier tenminste verdergaan.

Dan moet je later niet zeggen: Ja, in mijn verbijstering heb ik dwaasheden begaan, ik heb grotere ongelukken tot stand gebracht, ik heb grotere dwaasheden begaan dan te verwachten was, uit onverwachte gebeurtenissen, uit onverwachte oorzaken, uit het onverwachte. En als je dat zo stelt, dan is het onderwerp van onze meditatie eigenlijk iets anders geworden. Dan heet het: Ik moet besluiten.

De tijd staat nooit stil. De momenten stapelen zich op elkaar, een soort toren van Babel, die eens aan het einde misschien de hemel van de oneindigheid bereikt. Wij mogen ze niet ongebruikt voorbij laten gaan.

Wij mogen niet voortdurend trachten te schipperen tussen a en b. Wij mogen niet voortdurend proberen om God zelf dan naar een besluit te laten nemen, want ons valt het te zwaar.

Ondanks alles moeten wij volgens ons eigen inzicht – verbijsterd of niet – onze weg gaan, onze keuze doen, ons besluit nemen.

En altijd weer, wanneer wij een besluit moeten nemen, hebben we de keuze tussen een besluit dat anderen schaadt en dat anderen niet schaadt. Tussen iets waartegen ons wezen “ja zegt en iets, wat ons wezen eigenlijk afwijst. Dan moeten wij kiezen. En wij moeten steeds kiezen wat anderen niet kan schaden en wat ons wezen bevestigt. Want alleen op die manier kunnen wij verder komen.

Wij kunnen niet stilstaan en zeggen: Ik ben verbijsterd, ik weet geen in of uit meer. Wij moeten terugvallen op het weinige, dat ons overblijft op dat ogenblik, dat ene punt van houvast, dat we hebben. Dan moeten we zeggen: Wij nemen een besluit zo, dat het niemand  schaadt, maar een besluit. Wij moeten verdergaan.

En wanner de omstandigheden ons zeggen: “Dit is de weg, die je moet gaan”, denk dan na.

Want de weg; die je gaat, heeft consequenties. Maar zeg je “ja” tegen de omstandigheden en laat je je voeren, dan ben je ook aansprakelijk voor al die dingen. Je bent het zelf en het is nooit een ander, die daarvoor aansprakelijk kan zijn.

Ik kan me voorstellen, dat je in het leven soms verbijsterd bent. Verbijsterd over de vreemde daden van de mensen, verbijsterd ook soms over de onthullingen van de geest of de vreemde invloeden, die plotseling op je inwerken. O, ik weet het allemaal. Maar wij moeten verder. Wij moeten zeggen: “Dit is de weg, die ik zie.” Dan moeten we niet zeggen: “Misschien komen er wel omstandigheden, waardoor wij die weg kunnen gaan.” Dan moeten we zeggen: “Wij zoeken die weg zelf, daadkrachtig!” Want juist de esotericus kan alleen verdergaan, wanneer hij ondanks verbijstering en verbluffing, ondanks het soms prijsgeven van veel, wat hij kostbaar heeft geacht en belangrijk en dierbaar, verdergaat. Je kunt niet stil blijven staan. Dat ligt in het woord verbijstering. En dan kun je alleen nog maar zeggen: “Er is voor mij een weg in het leven. Een weg, die ik zelf kies in zeer grote mate. Een weg, waarvan ik alle mogelijkheden voortdurend zelf beslissen moet in ieder geval. Een weg, die behoort tot de eeuwigheid, die deel is van God, deel van de kosmos en van het leven. Een weg, die niet ophoudt, waar de menselijke dood bestaat en die niet begon, waar de menselijke geboorte schijnbaar het leven doet beginnen. Een verre weg. Deze weg is mijn weg. De weg, die in mij ligt en niet alleen buiten mij. Alles wat in mij ligt zal ik moeten doormaken en beleven, zal ik moeten uiten. Is het niet nu, dan is het later. En al wat ik verkeerd heb gekozen, daarvan zal ik de gevolgen ondergaan. Is het niet nu, dan is het later. Ik ben gebonden aan niets in het Al buiten mijn God en de weg in mijzelf. En als ik dan een ogenblik verbijsterd ben door alles wat mij overkomt, wat mij beroert, dan moet ik beseffen: Dit is een logisch deel van mijn weg. Ik moet dit zo logisch mogelijk a.h.w. aanvaarden. Ik moet het niet zien als een wonder of iets van buiten af. Ik moet het beschouwen als iets, wat in mij leeft. En dan zal juist en vooral die verbijstering vaak voorbij kunnen gaan, omdat men plotseling beseft: “Ik ben mijn weg nog niet juist genoeg of niet volledig genoeg gegaan. Neen, die weg moet ik kiezen en geen ander.”

Laat ons daarom altijd, wat ons ook beroert vanuit de kosmos of vanuit het leven, een keus doen. Laat ons die keuze volgen ten goede. Laat ons nimmer zeggen: ”Dit kan wachten” en nimmer de dingen ten halve doen. Of ongedaan laten. Laat ons stellen: Dit kies ik en voor mijzelf aanvaard ik dit volledig, ongeacht het feit of het uiterlijk werkelijk wordt of niet, want in mij is dit mijn weg.

Zo kom je tot bewustzijn van jezelf en de waarheid. En zo kan de verbijsterende gebeurtenis, het ogenblik van volledig verbluft en overrompeld zijn, voor ons soms kostbaar zijn door het vele nieuwe, dat het ons in onszelf doet vinden, het juiste licht, dat het werpt op de weg, die wij moeten gaan.

image_pdf