Het inwijdingsstreven

18 februari 1980

Vanavond hebben we een gastspreker, die meester was van de zoveelste graad en bovendien leraar van de zoveelste lijn. Ik zal het niet precies uitleggen, maar het is wel een geestelijke worstelaar. Hij zal ons bezighouden met bepaalde aspecten van wat hij het inwijdingsstreven noemt.

Hierover kun je natuurlijk heel veel zeggen of vragen. Ik zelf heb hem eigenlijk maar één vraag gesteld. Als u dat onvoldoende vindt moet u het me maar vergeven, dan moet hij het maar goed maken. Ik heb hem namelijk gevraagd: “Wat is volgens u inwijding?”

Zijn antwoord was: “Inwijding is het ogenblik waarop je zelf kunt lopen zonder de steun van een ander.”

Ik geloof dat daar eigenlijk het hele onderwerp en ook de hele per­soon mee getekend is.

Kijk, inwijding is zelfstandigheid. Heel veel mensen denken, dat inwijding het bereiken is van allerlei dingen. Maar volgens hem is dat eigenlijk niet het voornaamste. Het voornaamste is dat je gewoon zelf bent. Dat je zèlf denkt. Dat je zèlf bewust bent van je krachten en dat je zèlf daarmee werkt.

Nou vind ik dat om eerlijk te zijn geen eigenaardige opvatting. Want als ik kijk naar de vele mensen die zich ingewijd achten, dan zie ik vaak hoe hun afhankelijkheid van leraren, meesters en systemen het hen eigenlijk onmogelijk maakt om zichzelf ten volle ontplooien.

Nu heb ik geen zin – u moet me dat maar vergeven – om alles na te gaan vertellen wat hij heeft gezegd en wat ik heb gezegd. Het wordt dan zo ontzettend vervelend, omdat je een dialoog gaat houden, die heel vaak niet eens blijkt te slaan op hetgeen de spreker zelf te zeg­gen heeft. Ik ga dus op mijn manier iets zeggen over de inwijding.

Wanneer je begint te denken, verandert je wereld. Dat zou je een inwijding kunnen noemen, want op het ogenblik, dat mijn eigen wereld­beeld verandert, mijn eigen visie op het gebeuren verandert, verander ik zelf ook. De wijze waarop ik mijn wereld zie bepaalt ook hoe ik in die wereld zal handelen.

Heel vaak kun je bepaalde capaciteiten ontwikkelen door training. Iemand die bv. in het voetballen een goede keeper wil zijn, een goede midvoor of wat anders, zal iemand zijn die, zich bekwaamheden eigen moet maken. Ongetwijfeld. Maar daarnaast moet hij zich een visie eigen maken. Een werkelijk goede midvoor is iemand die het veld overziet en dus precies weet, waarheen hij een bal speelt en vanwaar hij aangespeeld kan worden. Een goede keeper is iemand, die alle mogelijkheden voorziet en daardoor op die plaats is, waar de bal met de grootste waarschijnlijkheid zal komen. Dat kun je alleen door ervaring doen. Ik wil daarmee zeggen, dat een inwijding eigenlijk uit twee delen bestaat. In de eerste plaats het vinden van een bepaald concept. Je ziet de wereld. Je ziet de kosmos, het heelal. Je ziet jezelf. En je beseft de mogelijke relaties die daartussen bestaan. Dat wil niet zeggen dat die relaties echt hoeven te zijn. Een deel daarvan zal ongetwijfeld illusie zijn, maar je hebt dat beeld.

Door dat beeld word je ertoe gebracht te ageren. Je gaat dus steeds sterker en scherper proberen precies op die punten in te grijpen, waar een toeval aanwezig zou kunnen zijn. Het eindresultaat is dat je steeds meer de voorspelbaarheid van de dingen gaat zien. Je bent niet meer overgeleverd aan het toeval. Je kent je eigen krachten en mogelijk­heden. Je kunt ze dus perfect gebruiken en op de duur leer je zeer waarschijnlijk zelfs om gebruik te maken van krachten, die zich schijn­baar tegen je wenden.

De grootste sterke is niet degeen, die alleen zijn vijand afslaat. Degeen die werkelijk iets bereikt, is degene die zijn vijand weet te verslaan door hem zijn eigen kracht te laten gebruiken.

Ik heb die inwijdingstradities een beetje bekeken en er zijn de gekste dingen bij. Je hebt de magische inwijding met de wachter aan de poort. Je hebt de esoterische inwijding met het gaan door de zeven maal zeven poorten. Als die mensen eenmaal gearriveerd zijn, zijn het echte poorters. Je hebt de mensen die de steile trap beklimmen. Als ze boven komen weten ze niet meer waar ze vandaan gekomen zijn en waar ze naar toe gaan. Kortom, er zijn duizend en één soorten.

Maar nu stel ik er dit tegenover: Wanneer mijn wereld wijder wordt besef ik beter wat ik zelf ben en wat de wereld rond mij is. Dit is een vorm van inwijding. Wanneer ik daarbij ga beseffen van hoeveel werelden ik deel uitmaak en hoeveel die werelden voor mij en ik voor die werelden beteken, dan heb ik eigenlijk een optimale inwijding. Dan kunnen we wel spreken over het grote geheim, maar het grote ge­heim van het grote geheim is dat het geen geheim is. Er zijn geen arcana die alleen maar aan de ingewijden bekend zijn, hoe graag de zogenaamde ingewijden dat ook voorwenden. Er is alleen maar de regel van het leven. Op het gevaar af dat ik het gras wegmaai voor de voeten van degeen die komen gaat zou ik er iets over willen zeggen.

Leven is natuurlijk niet alleen maar wat u bent of wat een ander is. Leven is een oerkracht en alles wat wij als leven kennen is al­leen maar iets, wat uit die oerkracht putten kan. Een mens zonder die oerkracht is een radio-ontvanger terwijl er geen zender in de lucht is. Hij kan misschien een beetje sissen, maar er komt niets zinnigs uit.

Dit geldt niet alleen voor ons, maar voor al het geschapene. Van de grootste en de machtigste ster tot het laatste stofje dat nog in zich een eigen beweging, dus een eigen karakteristiek bergt.

Wanneer wij proberen om ons eigen wezen te beseffen, dan is het niet alleen maar dat we naar die oerkracht toestreven. Dat is natuur­lijk kolder, want je blijft altijd denken aan jezelf als het één en aan die oerkracht als het ander. Wat je gewoon moet leren is, dat alles leeft.

Wanneer alles leeft, dan is er in mij de kracht waardoor ik spre­ken kan met al het levende. Wanneer ik spreken kan met al het levende dan kan ik de geaardheid daarvan als een soort antwoord ontvangen. Dit betekent dat elke relatie, die voor mij denkbaar is, een overzien­bare wordt.

Elke samenhang is voor mij een samenhang, die mede de grondeigen­schap uitdrukt. Deze grondeigenschap kennende kan ik het uiterlijk van de relatie veranderen zonder dat de innerlijke intensiteit of waarde daaronder lijdt. Het is een onafhankelijkheid t.a.v. de vorm. Die onafhankelijkheid op zichzelf klinkt misschien erg mooi, maar de meeste mensen zullen zeggen: “Wel, met mijn gebondenheden kan ik het in mijn dagen nog best volhouden.” U hebt groot gelijk. Alleen stel ik wel daarbij weer een punt, dat de meeste mensen niet zo leuk zullen vinden, t.w.: “Dat wat u nu bent, zult u altijd zijn.”

Inwijding is niet ontkomen aan hetgeen je bent; maar al datgeen, wat mogelijk voor je is toevoegen aan al datgene wat je geweest bent, zodat alles wat in het verleden ligt wordt samengevoegd tot één ge­heel en harmonisch wordt gemaakt door alles, wat vanuit uw standpunt in de toekomst ligt.

Ben ik te ingewikkeld? Het is ineens zo ademloos. Dat ben ik bij mij niet gewend. Meestal zitten ze zo’n beetje van: laat hem maar even zeuren, dadelijk komt er wel een goede spreker. Niet dat ik hét u kwalijk neem hoor, ik ken mezelf ook. En dat ze me heel vaak een kletskous hebben genoemd, ach, als ik mezelf vergelijk met veel men­sen op aarde, dan kom ik er nog niet eens zo heel gek van af.

Maar, om terug te komen op die inwijdingskwestie, het is juist dit aspect van tijdloosheid en totaliteit in elke fase van je bestaan, dat mij ontzettend boeit. Je komt dan tot de meest krankzinnige conclusies. Want waar ligt het begin van ons wezen? In de chaos. In de absolute verwarring.

Ons wezen ligt tot in de diepste duisternis die wij hel noemen. Dat gaat door de meest vreemde krochten en kloven. Gaat door misschien tienduizend verschillende werelden tot het ten slotte terechtkomt in een wereld, die een beetje op de mensenwereld lijkt. Van daaruit gaat het verder tot in de mensenwereld. Maar van daaruit klimt het weer verder.

Een mens zal zeggen: “Nu ben ik ontkomen aan de chaos.” Neen, ik ben nog steeds de chaos. Ik ben niet anders geworden; ik ben al­leen meer geworden, althans bewust meer. En daar zit dacht ik de eigenlijke knoop voor heel veel mensen. Want wanneer je zelf bent ingesteld op één bepaald aspect van een mens, dan zal die mens dat bepaalde aspect ook vertonen. Dat dit een aspect is dat geestelijk gezien ver in zijn verleden ligt doet niet ter zake, want het is deel van zijn wezen.

Je kunt uit elke mens de demon en de God naar voren roepen. Het ligt er maar aan hoe je hem benadert.

Je kunt uit elke geest elke kracht naar voren roepen. De goede en de kwade, de helende en de vernietigende, want ze zijn allen deel van de persoonlijkheid. Bij een inwijding ga je dat langzamerhand besef­fen, denk ik.

Dat wil niet zeggen dat ik ingewijd ben, hoor. Er zijn veel hogere ooms. Ik neem aan, dat ze voor mij hoger zijn omdat zij meer zijn dan ik kan overzien en daarom denk ik dat zij hoger staan dan ik ben. Maar hoe het ook zij, wanneer ik probeer om me bezig te houden met een per­soonlijkheid, dan moet ik altijd ontzettend uitkijken dat ik de juiste kant aanpak. Dat klinkt vreemd, maar laat ik het zo zeggen:

Wanneer ik naar iemand toe ga en ik verwacht dat in die ander het demonische aanwezig is, dan zal ik die demon ontmoeten. Wanneer ik denk dat hij geketend is, zal ik hem in ketenen aantreffen. Pas op het ogenblik dat ik helemaal niet meer reageer op die andere persoon vol­gens mijn denken, maar alleen reageer op die persoonlijkheid vanuit zijn beseffen kom ik ineens tot een beeld waarin een communicatiemogelijkheid bestaat. Ook met de persoonlijkheid zoals hij zich vandaag ziet.

Dat is bij kontakten in de sferen in het begin weleens verwar­rend. Je kunt tegen mensen aanlopen als b.v. Nero. Je denkt dan: het is een krankzinnig geworden harpspeler die ze verkeerdelijk voor een violist hebben uitgegeven. Maar dat is helemaal niet waar. De wreed­heid van de man, zijn zelfzucht, zijn verwaandheid is ongetwijfeld een aspect van de gehele persoonlijkheid. Maar dat hij daarvoor ook slaaf is geweest weten de meeste mensen niet. En dat hij daarna ook op aarde is teruggeweest en zich toen al heel wat beter heeft gedragen zal de meesten ontgaan.

Wanneer je die persoonlijkheid aan wil spreken en je spreekt al­leen Nero aan, ja, dan heb je nog steeds te maken met een halve idi­oot, die zich bedrinkt aan zijn eigen grootheid en bereid is de hele wereld daaraan op te offeren. Maar wanneer ik spreek tot de totale persoonlijkheid, dan komt er soms iets uit wat even lichtend is als een engel, zoals ik me die voorstel.

Dat is nu maar één voorbeeld. Je kunt er duizenden geven. Voor u, zal precies hetzelfde gelden. En ik denk dat het voor een deel zelfs geldt bij uzelf op aarde. U hebt natuurlijk die vaste vormbeweging. U bent meer gebonden aan tijdsequenties enz. Maar ik garandeer u, dat u uit een medemens die aspecten naar voren haalt, die bij u passen. Niet wat bij hem past, maar wat u door uw eigen denken aan die ander ontlokt.

Een inwijding zou dan ook nog kunnen betekenen – voor iemand op aarde bv. – dat hij leert om dat deel van zijn eigen wezen te han­teren, waardoor hij van anderen de voor hem gewenste reactie krijgt. Een heel grote ingewijde is iemand, die dat niet alleen ten aanzien van mensen kan doen, maar ten aanzien van alle dingen.

O, ik weet het, een ingewijde is iemand die uit stenen brood kan maken. Dat in tegenstelling tot de moderne fabrieksbakkers, die maken van broden stenen. Maar waarom zou ik de materie niet hergroe­peren? Materie in haar wezen omvat alle vormen waarin die materie op kan treden. Brood is er één van. Wanneer ik dus die vorm uit de materie oproep zal het uiterlijk brood worden. De inhoud blijft echter precies dezelfde als altijd.

Dat is allemaal theorie. Maar ja, ik moet wel een theoreticus zijn, want ik heb de capaciteiten nog niet om alles om te zetten in een volledige werkelijkheid.

Elke wet die er bestaat is een tijdelijke wet. Maar elke wet is een uitdrukking van een oereigenschap van de schepping.

Wanneer ik de oereigenschap van de schepping erken kan ik haar als zeer verschillende wetmatigheden in verschijning doen treden.

Dat wil zeggen dat ik mij aan de werking van de wet op de ene wijze kan onttrekken mits ik haar op de andere wijze aanvaard. Wat betekent dat?

Voorbeeld: Er is zwaartekracht. Als er zwaartekracht is, betekent het ook dat het een tijdskracht is. Zwaartekracht, bewegingskracht, tijdskracht, zijn allemaal met elkaar verbonden.

Nu kent de mens de wet van zwaartekracht omdat hij onder bepaal­de omstandigheden een werking van massa in ruimte en tijd betekent. Daaruit resulteert ze. Het is geen wet op zichzelf. Ze is een produkt. Nu verander ik mijn eigen instelling. Dit produkt kan mij dan niet, of maar ten dele, beheersen. Het is eigenlijk zo eenvoudig als 2×2=4. Dan kun je zeggen: dan kunnen we allemaal vliegen. Ja, maar dat gaan we jullie niet leren, anders krijgen wij nog de schuld dat de KLM-failliet gaat en dat kan ze zonder ons ook wel. Dit is maar een eenvoudig voorbeeld van wat denkbaar is.

Wanneer u zegt: het sterven is een wet, dan geldt dat voor de meeste mensen. Maar sterven is alleen een verandering van toestand, voortkomende uit een schijnbaar wetmatig proces. Je zoudt kunnen zeggen: een vervuilingproces, waardoor organen niet meer perfect kunnen werken. Het enige wat je dus nodig hebt is een methode om de afvalstoffen uit de organen en uit alle cellen te verwijderen en er is geen dood. Geen stoffelijke dood, tenzij je het zelf wilt.

Maar het is materie. Dan kan de ingewijde zeggen: deze vorm van materie, van verwerkte materie, aanvaard ik niet. Ik stoot ze af. Ik stoot ze uit. Dan blijft het levend organisme. De stoffelijke dood is geen noodzaak. Ze is alleen onvermijdelijk omdat je niet beschikt over voldoende inzicht en voldoende kracht in jezelf om haar eenvoudig af te wijzen. Maar je zoudt het kunnen.

Inwijding is iets krankzinnig. De meeste mensen denken altijd aan ingewijden als een soort wonderdoeners. Er zijn zelfs mensen ge­weest, die zeiden dat Uri Geller een inwijder was. Ik moet zeggen dat het dan wel de eerste ingewijde en inwijder is, die ik ooit aan de kost heb zien komen met het krombuigen van lepels. Kortom, een soort esoterische lepelaar.

Ik geloof niet in die uiterlijkheid. Op het ogenblik dat je werke­lijk een begrip krijgt dat verder reikt dan de beperkingen van eigen wereld, tijdgebondenheid, etc., dan is de uiting overbodig geworden omdat eenvoudig het besef en de wil voldoende zijn om elke gewenste situatie op te roepen.

Men zegt dan: Dat zijn dingen die niet mogelijk zijn. Tijdsreizen zijn niet mogelijk, dat zijn sprookjes. Ja, het zijn sprookjes zolang je denkt dat het technisch moet gebeuren. Maar laten we nou weer een heel eenvoudig voorbeeld nemen.

U droomt. Hebt u weleens gedroomd, dames, dat u Cleopatra was? De heren misschien Marcus Antonius? U zoudt het kunnen dromen. Dan zoudt u dus beleven als Cleopatra of als Marcus Antonius. Wie zegt u dat, wanneer die harmonie groot genoeg is, u niet in die droom de feiten precies reconstrueert? Dan bent u die persoon geweest. Nu denkt u weer: dat is allemaal onzin. Maar er zijn zoveel mensen geweest die bezig zijn geweest met Rome.

Wist u hoe Schliemann b.v. aan zijn ontdekking t.a.v. de klassieken is gekomen? Alleen door dromen? Hij droomde, dat zij letterlijk waar waren en op grond daarvan is hij zijn onderzoekingen begonnen. Dan zegt u: Misschien is dat een beperkte inwijding. Maar het is in feite ook, een reizen in tijd geweest.

Er zijn mensen die gewoon ergens bij een heuvel in Mexico zijn ge­komen en op een gegeven ogenblik zeiden: “Hier ligt een tempel.” En die tempel was er. Hoe wisten ze dat? “Ik had er iets van gedroomd. Ik voelde het. Ik had dat beeld in me zelf.” Maar dan ben je toch in de tijd gereisd? Want hier had je het niet kunnen weten.

De wetenschap zegt: Nee, dat kan niet. Dat zijn geesten die het je ingeven. Dat is een oproep uit de kosmos, een Goddelijke oproep. Waarom? Waarom eigenlijk? De tijd is maar een verschijnsel.

Ik ben van het begin tot het einde, door alle tijden. Wanneer ik behoor tot een bepaalde groep, tot een bepaalde cyclus, dan zal ik elk spoor van die groep in elk moment van tijd en in elke wereld terug kunnen vinden op het ogenblik dat ik in staat ben mij daarop in te stellen. Dan kan ik het verleden even goed beleven als de toekomst waartoe ik behoor. En als ik dan terugkeer tot de huidige vorm zeg ik: Ik heb zo’n gekke toekomstdroom gehad.

Ik geloof dat dit een aspect van inwijding is, waar de meeste men­sen aan voorbij lopen. Ze denken: inwijding, dat is heel hoog zijn. Nou, vergeet het maar. Werkelijke inwijding is hoog en laag tegelijk zijn. Werkelijke inwijding is de gehele scala van Zijn omvatten en niet alleen de edelste termen eruit.

Als je probeert om de werkelijkheid te vinden, dan is dat net zo­iets als een ui pellen. Hebt u het weleens gedaan? Je kunt er steeds weer een laag afhalen, er blijft toch weer een ui over. Tot het laatste stukje, dan houd je niets meer over. Dan heb je alleen nog een scheut in je handen. Als je veel scheuten in je handen hebt, dan heb je reumatiek. Maar wat wij in wezen doen wanneer we bezig zijn met ons geestelijk streven en onze geestelijke pogingen, ons zoeken naar in­wijding zoals dat dan heet, is dat wij eigenlijk laag na laag afpellen van die schijnwerkelijkheid waarin we leven.

Maar hoe meer lagen we eraf halen, hoe minder werkelijks we over­houden. En dat vergeten de mensen. We houden van onze werkelijkheid minder over. Gelijktijdig worden we echter gekonfronteerd met het feit, dat er een meer omvattende werkelijkheid bestaat, die niet meer in die laagjes alleen kan worden uitgedrukt. En dat is hier het curieuze.

Wanneer ik zo hoor: meester van de zoveelste …, leraar van de zoveelste …, dan zeg ik: Lieve mensen, dat zijn menselijke aandui­dingen. Ik kan het wel begrijpen. Onze gast heeft een Tibetaans ver­leden; hij zat daarvoor ergens in de hoge Andes en ver daarvoor – het zal waarschijnlijk nog voor Christus zijn geweest, – heeft hij ook nog in een deel van Afrika gezeten. Ik weet niet meer precies in welk deel; ik heb dat eigenlijk niet zo gevraagd.

De man heeft dus allerlei vormen van leven doorgemaakt. Hij is, denk ik, terechtgekomen in een systeem en aan dat systeem heeft hij rangen ontleend en aanduidingen. Die zijn goed, zover als die in dat systeem bestaan. Maar of ze iets omtrent zijn werkelijkheid omschrijven, be­twijfel ik.

Wanneer ik hem dan zo aanduid, omdat een gastspreker nu eenmaal enigszins omschreven moet worden en Wim Kan ons nog steeds dicteert; “Neen, neen, neen, we noemen geen namen”, moet ik deze uiterlijkheid wel gebruiken om het wezen te benoemen.

Als het een werkelijke ingewijde is – en ik geloof dat echt – dan is die naam eigenlijk maar één klein stukje. Het is één fase van iets wat zo omvattend is, dat hij het zelf misschien nog niet eens helemaal kan overzien. Laat staan dat wij het kunnen.

Mijn visie heb ik eigenlijk al een beetje gegeven. Die visie is:

Inwijding is een proces wat zich in je afspeelt, waardoor je meer leert beseffen. Hoe meer je leert beseffen, hoe groter de samenhangen zijn die je in jezelf en in de totaliteit erkent. En het is vanuit die samenhangen dat het vermogen en het bewustzijn voortkomen, dat men aan alle ingewijden toeschrijft.

Hieraan kan ik nog een hele preek vastknopen, want je kunt na­tuurlijk uren vol maken. Maar ik denk dat, wanneer ik begin te zeuren, u liever koffiedrinkt. Daarom maak ik het maar niet al te lang. Ik heb alleen nog een paar punten op mijn repertoire die ik nog graag wil aansnijden.

Wanneer je een punt van een taart hebt kun je daaruit opmaken hoe de hele taart is. Toch is het niet de hele taart. Wanneer wij een deel van ons innerlijk besef winnen, kunnen we daaruit nog niet weten wat onze totale mogelijkheid tot beseffen is. Maar door het deel dat we leren beseffen kunnen we misschien reeds enigszins vermoeden wat de werkelijkheid is.

Ik ben met de taart begonnen. Het is misschien wel een mooi voor­beeld, want wat zie je ook? Over het algemeen is de ornamentering van een goede taart die in punten wordt gesneden zo, dat iedereen onge­veer dezelfde ornamenten aantreft. Ongeveer. Niet helemaal, maar onge­veer. Ik dacht dat wanneer wij leren dat denkbeeld van het geheel in te vullen, we het nog niet kunnen hanteren. Er zullen altijd bepaalde kleine elementen aan ontbreken.

We kunnen bij onze benadering van de totaliteit vanuit het door ons beleefde en gekende wel een algemeen beeld verwerven, maar geen perfect en daardoor een niet volledig bruikbaar beeld. Het beeld dat we onszelf eigen maken is dan ook nog niet praktisch bruikbaar. Die praktische bruikbaarheid komt pas wanneer we ons eigen wezen voort­durend en harmonisch uitbreiden volgens zijn oorspronkelijke structuur.

Dat is weer moeilijk. Wat betekent het? Wel, als je een taartpunt hebt kun je hem kleiner snijden. U weet wel, bij van die hele zuinige tantes een heel klein taartje in 16 punten. Maar je kunt natuurlijk ook iemand hebben die erg royaal is. Die haalt er gewoon twee keer een mes door. Vier punten. Dan is die punt groter. Dat kunnen we wel bereiken. We kunnen ons eigen besefte deel van die werkelijkheid groter doen worden. Dan hebben we nog niet het geheel, maar onze benadering van het geheel wordt wel beter.

Hoe groter nu het deel dat wij in onszelf kunnen erkennen, aan­vaarden en beheersen van het geheel, hoe juister ons beeld van de to­taliteit die we zijn; hoe groter ons vermogen om een beroep te doen op alle krachten die in het geheel – en niet slechts in het deel dat we bewust zijn – aanwezig zijn.

Dan nog een punt en dat is misschien de simpelste. Hoewel er veel mensen zullen zijn die juist hier weer enigszins bedenkelijk zullen kijken.

“Degeen die inwijding zoekt, moet niet streven naar inwijding, hij moet streven naar de erkenning van zichzelf en van zijn mogelijkheden.”

Wanneer je dit doet zullen er in je voortdurend die intuïties, die er­kenningen, die kontakten ontstaan, waardoor je je meer bewust wordt van je eigen mogelijkheden. Meer bewust wordt van je eigen wezen en daardoor naar buiten toe meer waar kunt maken wat je innerlijk bent. Hoe meer je echter zoekt naar de inwijding als iets wat je verwij­dert van anderen, hoe kleiner je werkelijke mogelijkheden worden. Hoe beperkter je mogelijkheid tot inspiratie. Hoe beperkter het gebruik van krachten die voor jou nog mogelijk zijn.

Over wat ik u hier gezegd heb en vooral het laatste punt zou ik toch u graag een keer zien nadenken. Er bestaan bij ons allerlei din­gen, die we u steeds weer voorhouden. Eén daarvan is: maak het zo eenvoudig mogelijk. En dat wou ik ook zeggen wanneer het over inwijding gaat. Hoe complexer je de beelden, de denkbeelden en de voorstellingen maakt, hoe moeilijker het wordt om er werkelijk iets mee te doen of iets mee te zijn. Maar wanneer het als vanzelfsprekend in je ont­staat is het een heel andere zaak, Dat wat als vanzelfsprekend in je ontstaat, is gewoon de kwaliteit waarmee je de kosmos benadert. En uit die kwaliteit kun je dan inderdaad veel putten, ook wanneer je dat niet omzet in mooie woorden.

Zo dadelijk krijgt u de gastspreker. Ik weet niet of hij veel tijd nodig heeft. In zijn laatste incarnatie heeft hij, geloof ik, eens één keer een z.g. twistgesprek met een paar studenten gevoerd, dat ongeveer 18 uur heeft geduurd. Ik hoop dat hij u dat zal besparen. In ieder geval heb ik wat mij betreft het belangrijkste gezegd. U weet over welk onderwerp het gaat en wat onze gast gaat zeggen moet u zelf maar beoordelen.

Onthoudt u echter één ding: Niets heeft betekenis voor u, tenzij u het innerlijk als zodanig beseft. Alles wat aan u voorbij gaat omdat het voor u geen betekenis heeft laat u maar rustig liggen. Als u pin­da’ s eet, eet u ook de schillen niet op. En zo is het met elke geeste­lijke wijsheid. Datgene wat voor jou verteerbaar is, is voor jou het enig belangrijke. De rest is verpakking of afval.

Ik dank u voor uw aandacht en ik wens u een gezegende en bijzonder interessante avond toe.

De Gastspreker

Men heeft mij voorgesteld als inwijder, belangrijk persoon. Be­langrijke personen bestaan niet.

Inwijders bestaan alleen in de ogen van hen, die ingewijd worden. En dus moet u van mij, als een eenvoudig man, maar niet al te veel verwachten.

De kern van het Zijn is vrede. Wie strijd voert verwijdert zich van de kern. Wie vrede zoekt nadert de kern. En dat is eigenlijk het hele geheim.

Wie probeert oude klanken samen te voegen – een woord dat het Wes­ten steeds weer verminkt, het bekende aum – probeert eenheid te vin­den. Maar wat is eenheid? Eenheid is de samenhang waardoor het schijn­baar verdeelde toch samenvloeit. Wij zijn als regendruppels, die uit de hemel vallen. Elk met een eigen doel, een eigen bestemming en we komen allemaal in de oceaan terecht.

Wij zijn in ons eigen denken een krachtloze. Want onze eigen weg kunnen we maar ten dele zelf bepalen. Maar als we beseffen dat we zelf en aan het begin en aan het einde staan, dat alles één kringloop is, zijn we niet machteloos. We weten alleen gewoon niet waar we aan beginnen. En wanneer het afgelopen is weten we misschien niet eens waarom we het gedaan hebben.

In de tijd dat ik op aarde leefde heb ik nogal wat gesproken. Ik heb van woorden zwaarden gesmeed om in naam van de vrede een ander met woorden te verpletteren. Bestaat er iets dwazer? Nu probeer ik, zo goed als het gaat, uit woorden misschien een beetje eenheid, een beet­je kracht samen te vatten. Want wat kan ik aan u veranderen? Wat kan ik doen waardoor u anders wordt?

Een mens kan alleen meer zichzelf worden. Hij kan nooit werkelijk een ander worden, onthoud dat goed. Vele malen honderdduizend zijn de wegen, die de mens probeert te volgen naar de waarheid. En elk van die wegen is alleen maar een cirkelgang.

Wanneer je naar inwijding zoekt, vind je ze niet.

Wanneer je inwijding verkrijgt, besef je ze niet.

Wanneer je de waarheid leeft, begrijp je niet eens dat een ander ze niet ziet.

De hele wereld, de hele kosmos bestaat in haar vormen alleen door vergissingen. Niet van degene die de oerkracht is, maar door al de­genen die denken, dat ze die oerkracht weleens eventjes kunnen be­palen op hun manier.

Er is altijd weer het licht, zelfs wanneer we het buitensluiten. Er is altijd weer de kracht, ook wanneer we ze ontkennen. Wij zijn het zelf, die uitmaken of er licht zal zijn en kracht of niet. Het is zo eenvoudig een illusie te creëren.

U gaat uw eigen weg. De één voert nog het zwaard van het licht en de ander waant zich struikelend een weg over stenige paden. Het zwaard is niets. Het pad is niets. Gevangen in onze illusies worstelen we om een hoogtepunt te bereiken dat niet bestaat, behalve in ons eigen denken.

Hoe vaak heb ik mensen niet horen roepen: Dit is de kracht van God. Is er een kracht van God? Voor de dwaze is er een kracht van God. Voor de wijze is er de kracht in hem, die God is. Dat is het verschil.

Wanneer ik u zeg: “Lichtende krachten zijn hier aanwezig” dan lieg ik niet. Want er zijn lichtende krachten. Maar ze komen uit u al­len. U kent ze zelf misschien niet eens.

Wanneer ik zeg; “Hier is de kracht van de Almachtige God” dan lieg ik niet. Want de kracht van het leven, de kracht van het tijdloze leven is in elk van u. Dan lieg ik niet.

Als ik zeg: “Hier staat de kracht van God, die met mij is en niet met u” dan lieg ik. ‘Wanneer ik zeg: “Ik wijd u in”, dan lieg ik. Wanneer ik zeg: “U zult ontwaken, wakker worden; begrijpen wie en wat u bent” dan lieg ik niet. Want dat gebeurt.

Ik ben een meester geweest van één van de stralen en van één van de paden. Men noemde mij de veelmaals geborene. In bepaalde sferen noemde men mij de leraar. Het was waan. Mijn waan en hun waan. En toch is er een deel van de kracht dat leeft in mij.

Ben ik nog altijd deel van wat u een ‘straal’ noemt? Leraar, wan­neer ik een ander wakker schud tot zijn eigen bestaan? Ik ben nog al­tijd magiër, want anderen begrijpen niet wat ik ben en wat ik doe. En dus ben ik magiër. Maar in mijzelf ben ik het niet. Ik ben wat ik ben; niet meer en niet minder.

Ik ben begin en einde. Jazeker, voor mijzelve. Ik ben de gesloten cirkel, maar ik omvat slechts mijn deel van het Al geheel.

Eindeloos gaan de paden. Eindeloos volgt op het dal de nieuwe, haast onbegaanbare berg. Soms liggen er kloosters, waar je toeven kunt, maar ze zijn geen eindbestemming. Totdat je leert je te verheffen boven de bergen en dan vloeit de weg samen tot een onbelangrijk klein stuk­je. Je ziet de eindbestemming en het begin. Is dat een geheim?

Er is geen geheim. Er is niets mysterieus. Wil je kracht hebben? Open jezelf. Niet voor een vreemde kracht, maar voor je wezen. Voor wat je bent. Voor die klank die de werkelijkheid is wanneer al het andere zwijgt.

Je vraagt je af: Wat moet ik met mijn problemen? Ik heb heiligen gekend, die goed leefden doordat anderen zoveel problemen hadden, dat ze meer offers vroegen en raad dan zelfs de beste heilige kon ver­teren. Maar u? Hebt u problemen? Kunt u dat niet aan? Waarom eigen­lijk niet?

In u is er een stroom van kracht. In u is een stroom van licht. Denk niet aan uw probleem. Denk aan wat u bent. Zoek niet het geheim dat u niet kent, maar besef het wezen dat u altijd gekend hebt. Dat u zelf bent.

Raadselen in de oneindigheid zijn de raadselen, die wij maken door de afstand die we brengen tussen onszelf en het andere. De oneindig­heid is eindig wanneer we haar kunnen bevatten. Maar wanneer we haar buiten ons stellen blijft ze onbenaderbaar.

Je hebt je inwijding gehad, goed. Maar die inwijding is alleen maar het spel. Wat heb je wezenlijk geleerd omtrent jezelf? Niet wat heb je gedaan, wat heb je wezenlijk gemaakt van jezelf? Wat zoek je zelf? Wat ben jezelf? Waar ligt je antwoord op je problemen, maar ook op je verdere weg? Wat je nu zult zijn en doen, daar ligt het antwoord op je zorg en op je schijnbare onmacht.

Je zoekt. Je zoekt maar je kunt het niet vinden. Maar wat zoek je dan? Je zoekt te zijn wat je niet bent. Je zoekt waar te maken wat je niet kunt.

Je zoekt een kracht te vinden, die in die vorm niet kan bestaan. Maar je bent wel kracht. Je hebt de oplossing van het geheim. Alleen, het is een antwoord. Niet een sleutel die een ander je moet geven.

Westerlingen denken soms vreemd over de oude gebruiken van het land, waar ik heb geleefd. De raderen met gebeden, die draaien. De vlaggen met gebeden, die wapperen in de wind. “Want” zeggen ze, “Er kan toch geen gebedsmachine zijn?”

Waarom niet? Omdat uw gebed iets is, wat naar buiten gaat? Maar wanneer ik weet dat het gebed voortdurend wervelt met het rad op het water, wappert in de wind, dan weet ik dat de klank in mij voortdurend wordt herhaald. Ik hoef ze niet te denken. Door mijn daad heb ik haar deel gemaakt van wat ik ben.

Ik behoef de oude leuze niet te fluisteren: Ohm mani padme hum. Want het klinkt in mij. Ik weet het. Het rad draait het voor mij. De molen draait het voor mij. De danser danst het voor mij. De wolken spreken het voor mij. Waarom zou ik bidden? De wereld bidt voor mij en in mij.

Als ik weet te bidden, bid ik. Maar als dat zo is met bidden, dan is het ook met andere dingen zo.

Wanneer ik zeg: “Ik mediteer” en mijn wezen mediteert, laat dan mijn lichaam slapen.

Wanneer ik zeg, dat ik meester ben en ik weet, dat ik meester zijn kan over mijn lichaam en over alle zaken, laat dan mijn lichaam maar spelen. Het is van geen belang.

De kleine vormen zijn waziger dan woorden en sterven sneller. Maar het leven dat ze voortbrengt is eindeloos. En al herhaalt het zich tienduizendmaal in tienduizend levens met tienduizendmaal dezelfde daden, het wordt niet meer. Het wordt niet minder. Want het leven is. En de daden zijn vluchtig en vergaan, terwijl het wezen blijft.

Alleen de dromen die in het wezen rusten, zij kunnen lang be­staan. Want zij leven uit de kracht van het wezen zelf. Ze worden in stand gehouden door het wezen zelf en kunnen slechts vergaan door het wezen zelf.

Als alle dingen vergaan, als alle vormen ten einde komen, is nog het Wezen Zelf.

Zit dan aan de vijver van de tijd en zie uw spiegelbeeld. Als het water rimpelt, zeg dan niet dat gij verandert. Het licht dat men een straal noemt, dat men noemt een inwijding of een kracht, is er als deel van mij. Als deel van u. Maar het is een rimpeling in het water, het geheim dat ik u leer, wind die een ogenblik golven opwerpt. Maar de denker die het ziet, de denker die het beseft, ziet niet de golving maar zichzelf.

Wie zichzelf ziet, hij ziet de stralen en de krachten. Hij ziet de hele kosmos en al wat de meester ooit heeft geleerd of leren kan. Hij ziet het punt van de werkelijkheid.

Wapen u dan maar en kom met uw schijnwaarden, gij magiërs en theo­logen, voor uw schijnoorlogen, gij schimmige spionnen. Speel met uw krachten, gij kinderen die uzelf niet kent. Het is niet meer dan een korte rimpeling in de vijver van de werkelijkheid.

Speel uw spel. Wees uzelf. Maar besef één ding: Niet de rimpeling, de verandering ben jij, maar dat wat de verandering waarneemt. En alle verandering samen geeft alleen nog steeds het beeld van wat ge zijt.

Zo wordt de mens de lotus. Zo wordt het besef het kleinood in de lotusbloem. Zo versmelten beiden tot de tijdloosheid waarin alle din­gen bestaan. De tijdloosheid, waaruit je soms een gedachte zendt als een bode naar een wereld van verandering en herinnering en toch jezelf blijft. Onveranderd. Waar. Harmonisch. Gelukkig. Dat is waarheid, die in mij woont. Wat is uw waarheid?

Weest uzelf. Breek de muren van begoocheling en besef, dat de ver­andering een waarneming is. Niet het wezen.

In de wereld van de vormen en van de illusie zegen ik u opdat ge de zegen beseffen moogt, die in uw wezen leeft. Ik roep de kracht, die is mijn besef van zijn, opdat u beseffen moogt dat deze kracht uw zijn is. En ik zeg u nogmaals: Ban de angst. Kijk niet naar de verandering maar naar uzelf, opdat deze kracht, in en uit uzelf komend, u helpt, alles te doorbreken, waarvan u nu meent de gevangene te zijn.

Eens had ik te veel woorden. Nu misschien te weinig. Maar omdat waarheid alleen ligt in de hoorder en de beschouwer en niet in het woord, moet het voldoende zijn.

In uw besef: vaarwel.

In mijn besef is er geen einde.