Het is maar een toeval

12 juni 1959

 Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar.  Mijn onderwerp voor vandaag heb ik betiteld: Het is maar een toeval.    Bestaan er toevalligheden? In hoeverre is de mens aansprakelijk voor wat op de wereld gebeurt? In hoeverre heb je een vrije wil?

Er gebeuren op deze wereld heel veel dingen, waar een mens zeker niet mee tevreden is en die ons persoonlijk aandoen, als iets, wat zelfs niet van God kan afstammen, omdat het zo slecht en zo demonisch is. Ik denk hier bv. aan een oorlog. Ik denk aan de concentratiekampen en aan al wat er verder bij hoort. Is dat een noodlot, of een toeval? Is het bv. een toeval dat een mens als Hitler aan de macht komt? Is het een toeval dat een Duits rijk daaraan ten onder dreigt te gaan? Is het een toeval dat de Joden altijd weer degenen zijn die het gelag betalen, wanneer er ergens iets niet goed gaat? Is het alleen maar een toeval dat natuurrampen op bepaalde plaatsen soms hele steden, of eilanden weg vagen? Waar is ergens de wet, die dit regeert?

Wanneer je nagaat, vanuit de geest, welk een sterke invloed menselijk denken heeft op het totaal van het wereldgebeuren, dan kom je al heel gauw tot de conclusie, dat God, noch het toeval voor die oorlogen, die rampen, die concentratiekampen enz. verantwoordelijk kan worden gesteld. Het is de mens zelf. Het is het menselijk denken.Ik weet, dat men van menselijk standpunt uit zal roepen: “Maar wordt dan bv. een Hitler niet aansprakelijk gesteld, voor wat hij heeft misdaan?” Voor die tijd zei men dat misschien over degenen die elders concentratiekampen hebben opgericht, hoe zij elders geweld hebben gebruikt. Men vraagt zich af: “Zullen nu de Russische leiders niet aansprakelijk worden gesteld voor alle ellende, die zij hebben veroorzaakt?” Men vraagt zich af: “Is Woodrow Wilson niet verantwoordelijk voor de wanorde in Europa, die tot een tweede wereldoorlog leidde?” Wij kunnen niet zeggen: “Daar ligt de oorzaak” en dan een bepaalde mens, of een bepaalde situatie aanwijzen. Wel blijkt ons, dat een bepaalde mentaliteit een zeer grote invloed heeft op de wereld.

De laatste tijd zijn er veel veranderingen geweest op de wereld en dat geven wij gaarne toe. Laten wij ons eens afvragen of het optreden tegen de negerbevolking in het zuiden van de Ver. Staten zo veel verschilde van het optreden van Hitler tegen de Joden? Laten wij ons eens afvragen of “der Reincultuur der Rasse” zo veel verschilt van hetgeen men in Zuid-Afrika heeft gedaan en nog doet. Laten wij ons eens afvragen of al die superioriteits gevoelentjes, die ook vandaag aan de dag nog overal bestaan, niet de eigenlijke oorzaak zijn van veel ellende?

Laat ons anders schouwen: Osaka, getroffen door een zeebeving en al wat daar bij hoort. Toeval? Is het misschien toevallig dat dit juist gebeurt in een stad, waar het Japanse volk zich begint te realiseren dat het nog steeds even groot is, als het geweest is. Zeeland, getroffen door een watersnoodramp. Niet vreemd, dat het juist daar gebeurt waar men in werkelijke volle zelfrechtvaardiging en zelfbevrediging meent, dat men de eeuwige waarheid vooral bezit. Is het een wonder dat juist Pompeï getroffen werd door een grote uitbarsting, op het ogenblik dat deze stad meende, haar eigen wetten en zeden meende te mogen neerschrijven als beslissend voor heel Rome? Als wij naar de Oudheid gaan, of naar het heden toe, er blijkt ons een onverbrekelijke band te bestaan tussen menselijke mentaliteit, menselijk denken en het gebeuren op de wereld, dat onbeheersbare gebeuren, waarover je geen meester bent.

Nu kunnen wij ook nog een stap verder gaan. Wij kunnen concluderen, dat sommige gemeenschappen altijd weer ongelukken hebben, onplezierige gebeurtenissen, ellende, dat het altijd weer precies mis gaat, terwijl toch niemand van hen dat wil. Als wij verder zoeken, dan blijkt, dat juist in die kleinere gemeenschappen en groeperingen een mentaliteit heerst, die niet juist is. Wij zien dat bepaalde politieke en religieuze richtingen plotseling aan alle kanten grote slagen krijgt. Wij vragen ons af: “Is het nu wel rechtvaardig, dat men daar zo moet lijden?” Dan denken wij bv. aan hetgeen een Kardinaal Mindszenty heeft moeten doorstaan. Was dat zijn schuld? Misschien niet. Maar het was de schuld van de mentaliteit, die zowel zijn groepering als een andere groepering gelijkelijk bezaten: de gedachte van alleenrecht op geestelijk gebied, van een dictatuur der gedachte. Is het een wonder dat er dan dergelijke dingen kunnen gebeuren?

Als wij zo die grote wereld bekijken, vrienden, dan meen ik heus mijn stelling voor vanavond te mogen poneren met een fel: de mensheid zelf is schuldig aan wat er gebeurt, ook wanneer de eenling het gebeuren niet wenst. Door zijn gedachten van leven en van denken, zijn begeerten en zijn angsten, veroorzaakt hijzelf ruim 99 ten 100 van de gebeurtenissen die hij demonisch en onafwendbaar schijnt te vinden.

Dan gaan wij een stap verder, naar het kleinere toe. In uw leven en in het leven van al die anderen is ook toeval. Het is toevallig dat je elkaar ontmoet. Het is toevallig dat je ruzie krijgt. Het is een toeval dat juist die mens een ongeluk heeft en een ander niet. Onnatuurlijk! Dan hebben wij de experts van het geestelijk leven, die de wijze hoofden schudden en zeggen: “Ja, natuurlijk, dat komt uit een vorig leven”. Als dat waar is, hoeven er geen auto-ongelukken gebeuren in deze tijd, want er zijn er maar heel weinig die in een vorige incarnatie kans hebben gezien een aanrijding te veroorzaken, al was het alleen maar door het gebrek aan voertuigen.

Of meent u, dat het de kwestie is van het lijden, dat zij moeten ondergaan? Dan weet ik niet, of dat de juiste weg is. Je moet het anders stellen. De mentaliteit van heden veroorzaakt dit. Die ongelukken komen voort uit uw eigen mentaliteit. “Ik heb haast. Laten zij maar uitkijken voor mij. Ik heb ook recht op de weg”. Misschien doet u het niet altijd, maar vaak genoeg en daardoor mede aansprakelijk voor de vele ongelukken in het verkeer. “Die mens had ik hier eigenlijk helemaal niet verwacht. Wat een toeval dat ik hem tegen het lijf loop?” Ja, behalve, wanneer je iets gemeenschappelijk hebt. Behalve, wanneer er misschien achtergronden bestaan die je zelf niet beseft, omdat zij in je diepste denken en onderbewustzijn verborgen zijn. Omdat er ergens een factor bestaat, die je gemeen hebt en die van jullie samen is, onverschillig of die mens nu je schuldeiser is, of je beste vriend. Dat is de oorzaak van het toeval en niets anders.

De kracht van de gedachte, zelfs de kracht van de gedachte, die niet zo meetelt voor de mens omdat zij te algemeen is, regeert een groot gedeelte van deze wereld van jullie. Wanneer u iets leest, bv. over een mens die een dier mishandeld heeft en je zegt: “Zij hadden die mens moeten mishandelen”, dan geef je daarmee blijk van onbegrip voor menselijke waarde. Je zegt: “Ik zou willen dat die mens beter wist”, dan is het een ander geval. “Wij zouden die mens met een zweep door de stad moeten jagen”. Jazeker, dat gebeurt niet met die mens, waar u over denkt. Dat gebeurt misschien ergens in de steppen van Rusland, of ergens waar een nieuwe reeks Ku-Klux-Klanners samenkomt om een neger op te jagen, die brutaal is geweest. Maar gebeuren doet het. Door uw gedachte. U leest over een ongeluk. Wanneer u het doorgelezen hebt, dan zegt u: “Het is maar net goed ook. Dat die één dood is, nu ja, dan had hij beter uit moeten kijken”. Zeker, u hebt gelijk, maar die gedachte is niet alleen de uwe, maar van vele anderen die net zo reageren. Een ander die niet uitkijkt, ondergaat de gevolgen ervan.

Heeft u zich misschien wel eens afgevraagd, hoe het mogelijk is, dat toevallig al die gebeurtenissen samen vallen. Ineens een reeks spoorwegongelukken, een reeks grotere auto-ongelukken, een reeks vliegtuigongelukken, een reeks schepen in nood. En toch zeker niet op dezelfde plaats. Het is een schip, dat ergens vergaat in de Caraïbische Zee en morgen ergens in de Baltische Zee, overmorgen op de Noordzee. Vandaag rijdt er een trein in een ravijn ergens in de buurt van Valparaíso en morgen rijdt er ergens een expres van het spoor af. En later rijdt een trein in Italië zich te pletter. Er zit steeds maar een paar dagen tussen. Hoe komt dat, denkt u? U denkt aan die dingen. Maar u denkt er meestal verkeerd over en daardoor bevorder je die gebeurtenissen. Dat kleine beetje gedachtekracht kan net voldoende zijn om de man die moe was, iets onoplettender te maken en een ongeluk te laten gebeuren. Die kracht der gedachte kan net voldoende zijn om dat ene schroefje, of boutje, die dat vliegtuig niet missen kan, te laten breken, anders had het het nog een paar uur uitgehouden, dan was het gerepareerd, zoals dat meer gebeurt, en niemand had iets bemerkt. En nu een vliegtuig in zee en 48 mensen dood. Zo gaat het. Er is weinig toeval. Er is altijd een samenhang te vinden juist met het gedachteleven van de mensen, of het nu over de grote, of kleine dingen gaat. Er is nog minder toeval in je eigen leven. Ook al besef je niet precies, van waaruit al die tendensen komen, die je tegen je wil in drijven om zekere wegen te gaan.

Wij weten dat er heel veel mensen zijn die streven naar het hogere geestelijke leven, die streven naar een nieuwe inhoud van het bestaan, naar een bewustwording en een inwijding. Hoe komt het, dat wij daar dan niets van merken? Dit is ook een vraag die in dit verband zeker gesteld mag en moet worden. Weet u wat het antwoord is? Omdat de meeste mensen met hun denken te zeer persoonlijk en met hun persoon gebonden zijn, omdat zij niet een feitelijke verbetering van de wereld zoeken, ook al menen zij dat misschien, maar dat steeds weer betrekken op het eigen wezen en hun eigen gedachten. Omdat zij misschien wel beseffen dat je geestelijk verder moet komen, maar niet dat je dit alleen kan zijn als deel van de wereld, dat je dan de wereld beter maakt, dat je dan zelf waarlijk leeft en dat je dat niet kunt door jezelf boven de wereld te stellen en misschien sjemaren  of hogere wijsheden na te jagen.

Er zijn mensen, die denken aan vrede en zij sturen hun gedachten uit, opdat er vrede zij op de wereld. Het is goed dat dat gebeurt. Het zou erger zijn wanneer dit niet gebeurde.  Maar hoevelen van hen doen dit zonder te beseffen, waar het precies om gaat. Zeker, vrede, afwezigheid van lijden, zo stelt men zich dit voor. Een beetje genoeglijke samenleving, wat makkelijker over de grens heenkomen, een beetje meer welvaart. Je zegt het zo niet, je weet misschien niet eens, dat dat dé oorzaak is, dat je naar die vrede verlangt. Maar deze zelfzuchtige achtergrond is vaak voldoende om een gedachte minder werkzaam te maken. Wanneer je werkelijk vrede verlangt, verlangen, zoals de mensen in Indonesië, opstandelingen en regeringstroepen tegelijk, die steeds de dood voor ogen hebben. U moet verlangen naar de vrede, zoals de mensen op Celebes, die uit hun dorpen verdreven zijn. U moet verlangen naar de vrede, zoals de mensen, die door een voortdurende inspanning voor zwaardere productie en betere wapens langzaam maar zeker hun eigen persoonlijk leven zien versjteren.

U moet niet een vrede wensen, waarin het communisme ten ondergaat, maar het kapitalisme. Daar kom je nergens mee. Het is geen toeval dat de toestand op de wereld is, zoals zij is. Het is geen toeval dat er in deze tijd juist dreigingen bestaan van een nieuwe en vernietigender wereldoorlog dan ooit tevoren. Het is geen toeval dat Tibet eens de toevlucht van de zwarte en de witte magie, op het ogenblik georganiseerd wordt door de steeds in grotere massa toevloeiende Chinezen. Het is geen toeval dat de poorten van de wereld soms dichtvallen. Het is het product van het menselijk denken. Het is het product van het eigen streven en werken van de massa. Zeker: God laat dit toe. Ik moet het anders zeggen: God wil dit niet in deze vorm, maar Zijn wil is vastgelegd in de wet: elke mens zal streven naar ervaringen en bewustwording en hij zal steeds de gevolgen van zijn eigen fouten moeten ondergaan tot het ogenblik dat hij in staat is de Goddelijke werkelijkheid te accepteren. God heeft dit vastgesteld voor allen die eens ter bewustwording werden uitgezonden in de kosmos. Dat is misschien Gods deel aan deze dingen. Maar de rest lijkt mij de schuld van de mensen. Nu zou ik graag weten wat uw mening hierover is.

  •  Liggen tegelijk komende ongelukken ook niet aan de constellatie van de sterren?

De sterren dwingen niet, zij wijzen alleen. Wanneer u hier dadelijk komt te staan voor een wegwijzer, die een weg om het centrum van den Haag heen tonen naar Utrecht, maar ook aantoont waar het centrum is. Is die wegwijzer dan aansprakelijk voor uw besluit door het centrum te gaan, met alle gevolgen van dien, vertraging misschien, of ongelukken? Kan die wegwijzer er iets aan doen? De sterren geven, welke mogelijkheden er op de wereld bestaan en welke stromingen. Zij geven niet aan, hoe je ze moet gebruiken. Het denken wordt minder door de sterren beheerst, dan de daad. Dat is logisch. De sterren geven aan: stralingsverhouding, zwaartekrachtverhouding, veldverhouding in de kosmos en wel door berekening speciaal ten opzichte van de aarde. De stof die zich daarin bevindt, ondergaat de werkingen daarvan.

De geest niet. De geest ligt op een hoger niveau, op een ander niveau, waar deze stralingen en stralingsverhoudingen niets te zeggen hebben. Het menselijk denken wordt slechts zeer ten dele hierdoor getroffen en wel alleen in zoverre door bijzondere prikkeling van lichamelijke delen, bv. het zenuwstelsel, neiging van overmatige afscheiding van een der secretie veroorzakende klieren, waardoor die mens dan prikkelbaarder kan zijn, of onredelijker dan anders. Dat is waar. Maar is die mens dan daardoor ook in een toestand gebracht, waarbij hij niet eens meer goed kan denken? Juist het feit dat veel mensen nog slaven zijn van wat in de sterren geschreven staat, i.p.v. de Meesters, is wel het bewijs, dat de mens het juiste denken nog niet geleerd heeft. Wanneer er ergens een bordje op de weg staat “omleiding”, dan rijdt u om. Wanneer in de sterren staat: “gevaar, wanneer je zo verder gaat, doe het kalm aan”, wat zegt de mens dan? “Ik kan niet anders” en gaat rustig door, met alle gevolgen van dien. Ik hoop dat u met mij eens zult zijn, dat ook met die spoorwegongelukken en zo, het niet het onvermogen van de mens is tot juist denken dat aansprakelijk kan worden gesteld, dat als verontschuldiging kan dienen.

Beter kunnen wij het zo formuleren: op zeker ogenblik is er een tendens dat er ongelukken ontstaan, ongelukken gebeuren, enz., of waardoor misdadigheid makkelijker optreedt en inderdaad veel groter is dan op andere ogenblikken. Maar het is vaak de fout van het menselijk denken die de doorslag geeft. De schalen zijn ongeveer in balans, zelfs wanneer een zeer nadelige constellatie zijn invloed doet gelden. De mens met zijn denken: “Moet je eens kijken. Een treinongeluk. Wij moeten nu toch vast eens naar de Cineac, of naar de bioscoop, dan kunnen wij het zien. Heb je het gelezen? 600 slachtoffers. Interessant, hè?” Dan geef ik graag toe, dat niet altijd de cycli gunstig zijn voor de mens. Maar ik stel, dat hij geestelijk daarboven kan staan en dat hij de gevolgen tot een minimum kan beperken. Een minimum, dat zo klein is, dat praktisch alle grote rampen en alle grote ongelukken zouden kunnen worden verhinderd.  Als u meent, dat dat niet waar is, dan moet u zich eens afvragen hoe het komt, dat de Witte Broederschap, tegen de sterren in, bepaalde werkingen kan bevorderen of afremmen? Alleen door een hoger geestelijk bewustzijn en beheersen. Toch zijn dat in verhouding enkelen. Wanneer zij dat kunnen, dan zou de mensheid ongetwijfeld meer kunnen, indien de mensheid meer bewust werd. Ongeacht de werking van de sterren.

  • Enige tijd geleden merkte men op, dat al wat nu leeft, a.h.w in de tweede klas der bewustwording zit. Denkfouten zijn m.i. daaraan te wijten dat men nog niet in de derde klas zit. Wat is hierop uw antwoord?  

In elke klas heb je kinderen die in een bepaald vak wat beter zijn dan de anderen. En als goede vrienden geven zij dan de gelegenheid om te spieken. Wanneer degenen op aarde, die langzaamaan leren denken zonder gevoel van meerwaardigheid, anderen meer in deze gedachtekracht lieten delen, zou ongetwijfeld de hele klas beter voor de overgang naar een volgende klasse geschikt en rijp worden. M.a.w.: wanneer de mensheid weet dat dat denken een fout is, of een deel van de mensheid dat weet, dan kan dat deel van de mensheid beginnen op zijn eigen wijze, zijn gedachten te beheersen en daardoor ongetwijfeld de minder wetende te beïnvloeden en uiteindelijk hun te bewegen hun voorbeeld te volgen. Wanneer dit geschiedt, dan kunnen wij op den duur vanzelf in de derde klas van u toekomen. Wij zullen het wel met elkaar eens zijn, dat het denken van de mens over het algemeen geneigd is om uit de rails te lopen. Maar goed, dat het geen spoortrein is, anders zouden er heel wat ongelukken en vertragingen voorkomen.

Wat ik vandaag naar voren heb gebracht, is niet alleen een instructie in juist denken. Het is eenvoudig een voorleggen van een gedachte, waarover eventueel gedebatteerd zou kunnen worden. Het is een attent maken op een zeer punt in de menselijke bewustwording als geheel. Het is tevens een poging om u te verklaren, waarom er zo weinig werkelijk toeval bestaat.

“Maar hoe moeten wij dan wel denken?” want zoals ik u ken, geloof ik, dat ik beter zelf die vraag onmiddellijk kan toevoegen, voor u ze toch weer stelt. Onverschillig, waar je over denkt, probeer steeds uit twee standpunten tegelijk te denken, niet alleen het jouwe, maar ook dat van de ander. Probeer dus de eenzijdigheid te vermijden, althans waar dit mogelijk is. Wanneer u leest over een ongeluk, moet u zich proberen voor te stellen, hoe het lijden is van degene, de ergernis van degene, de last voor degene die dit ongeluk hebben gehad. Een gemengd bericht moet voor u spreken in menselijke taal en niet alleen in de zin van: “O, er is weer een bromfietser te pletter gereden”. De politiek moet tot u niet spreken als een aardig schaakspel van heren, die met tien concrete waarden trachten een concrete wereld te veranderen, maar dat moet voor u betekenen de vraag: Wat zou dit betekenen voor ons? Hoe zou ik erover denken, als ik de tegenstander was? Maar dat is eigenlijk de hele oplossing van het probleem dat wij vanavond hebben aangesneden.

Hoe meer je je bewust wordt van de situatie, toestanden en gevoelens van een ander, hoe juister, je denken zal worden en hoe kleiner de mogelijkheid, dat je juist daardoor een schijnbaar toevallig onheil veroorzaakt. Er worden veel mensen vermoord, hoewel zij het niet verdienen om een of andere reden. Hoe hebben die mensen gedacht en gedroomd? Wat was er verscholen achter hun leven? Wat voor mensen waren zij? Hoe hebben zij zelf gereageerd? Waren zij werkelijk zorgzaam t.o. anderen, of beschouwden zij het eerder als een moeizame plicht? Waren zij misschien uiterlijk beheerst en dienstvaardig maar innerlijk verteerd door wangunst t.o.v. anderen, of allerhande wilde begeerten, waaraan zij niet toe durfden te geven. Vraagt u zich ook dat af. Dan zult u begrijpen, hoe hier ook wel degelijk een kwestie op de voorgrond treedt, waarbij het eigen denken mee bepalend is. Vraag u dan verder af: wat is de geestelijke achtergrond van een mens die dit ondergaat, voor wie dit dreigt?

Er moet een reden voor zijn. Ook wanneer het schijnbaar redeloos is. Er is niets zonder reden en niets zonder inhoud. Wij beseffen dat meestal niet. In de eerste plaats kennen wij de mensen – zolang wij in de stof zijn – niet voor wat zij zijn, maar slechts voor datgene wat zij voorgeven te zijn. In de tweede plaats kunnen wij niet overzien, in hoeverre geestelijke banden en geestelijke noden mede een dergelijke toestand helpen verwezenlijken. Als het gaat over de moord op één persoon, dan kunnen wij heel veel erover na gaan denken, hoe of dat nu voor deze persoon juist noodzakelijk zou zijn. Maar wanneer wij denken over de moord in het algemeen, is het heel eenvoudig. Er worden meer mensen dood gewenst per dag, dan er in een half jaar hier in Nederland zouden kunnen sterven, dan zou er geen sterveling meer over zijn en zouden de eerste drie komende generaties ook al uitgemoord zijn. M.a.w.: er zijn heel veel mensen die niet tot de daad komen, maar die hun gedachten de wereld insturen, waardoor dan iemand die op het punt staat om “ja” of “neen” te zeggen om een moord te begaan, en zich misschien zou weten te beheersen, er toch toe gebracht wordt om te moorden. Dat kunnen wij wel zeggen.

  • Het lijkt mij toch een beetje sterk, dat er zoveel mensen zouden zijn die een ander dood wensen. U hebt zeker geen hoog idee van de mensheid?

U bedoelt dit: dat, wanneer het erop aankomt, er weinig mensen zijn die een ander dood wensen, dat ben ik met u eens. Maar daar staat tegenover, dat menigeen in een onbeheerst ogenblik denkt: “Ach, vent, sterf”. Dat zeggen zelfs de vrouwen tegen de echtgenoten en omgekeerd. Dat is, zegt u, niet gemeend. Maar als die gedachte ontstaat, is zij op dat ogenblik gemeend, zelfs wanneer onmiddellijk het besef komt: “Neen, ik zou het toch liever niet hebben”. Dat is de eerste flits geweest. Dat vergeet u. Iemand die zich volledig beheerst en kent, zal zelfs niet op de gedachte komen. Dat is nu juist hetgeen, waar het hier over gaat. U zegt dat ik geen hoog idee heb van de mensheid. Ik sla toch dit deel van de mensheid hoog genoeg aan om aan te nemen, dat men beseft, dat hier iets aan gedaan kan worden. Dat men beseft, dat hier oorzaken zijn. Ik neem dus aan, dat u ertoe kunt komen deze dingen te verbeteren. Dat betekent dat ik u heel wat hoger aansla, dan u schijnt te denken, want anders zou ik mij de moeite niet getroosten om dit te vertellen.

  •  Toen wij in een kamp zaten, werden wij op hondse wijze behandeld door de Japanners. Dan zeiden de gedetineerden wel eens: “Wacht maar, als het afgelopen is, dan….” Maar daartegen kwam verzet. Vele mensen zeiden dat zij dat niet zouden doen. Alleen, hen te laten zien hoe een gentleman handelt.

Ik vind dit voorbeeld heel aardig, maar nu moet u eens luisteren. Denkt u nu niet dat ondanks dat verzet en dat ondanks, wat in die bevrijding is gebeurd, er ogenblikken zijn geweest in die kampen, dat gevangenen, juist omdat zij misschien straf moesten staan enz. of knielen, met een verfijnde verbittering erover na hebben gedacht: “Als wij die gevangenbewaarders eens konden krijgen in deze toestand” en daardoor onbewust voor zichzelf de tendens tot strenge bestraffing vergroot hebben. Dat is juist hetgeen, waarin men hier klaarblijkelijk zich vergist. Ik heb het hier niet over de daad. Er zijn heel weinig mensen die iemand bewust zullen doodmartelen. En zeker niet, wanneer daar geen aanleiding voor bestaat. Het is niet de slechtheid van de mensheid, het is gewoon het feit dat de mensheid zich niet realiseert, dat de kleinste fout in denken, wanneer door een groter gezelschap ongeveer tegelijk begaan, een dwingende invloed wordt, die hier het lot van de wereld beïnvloedt.

  •  Maar het beheersen van de gedachte is niet de gedachte wegnemen?

De gedachte wegnemen is niet mogelijk, maar het is wel mogelijk ze onmiddellijk te compenseren. Wanneer je iemand een optater wil geven, zo’n heerlijke smak, zodat hij eens voorgoed weet, hoe je over hem denkt. Je hand begint de beweging en je houdt hem terug, dan heb je iets gedaan, dan heb je de daad beheerst. Nu realiseer je je, dat je hier onredelijk bent, dus je zult tegenover die mens vriendelijker zijn, want nu stel ik mij voor waarom die mens zo is.

Dus je gaat het uit het standpunt van een ander bekijken. Denkt u niet dat er een meer dan voldoende compensatie komt? Het gaat niet om het feit dat wij de gedachte weg moeten werken, want dat kan niet. Zoals u die impulsen ook niet allemaal weg kunt werken. Maar u kunt wel u voortdurend realiseren, hoe het voor een ander zou zijn, wanneer dat nu eens werkelijk was. In deze realisatie geeft u dan onmiddellijk in de gedachte tegengewicht. U houdt de schaal weer in balans. Maar als u denkt “val dood” en u denkt er niet verder over na, dan gaat hier de schaal naar beneden. Als u denkt “nu ja, ik zeg dat nu wel, maar wie ben ik niet eigenlijk om iemand zo iets kwaads toe te wensen voor zo’n kleinigheid? Ik heb dat ook”. Daar gaat die schaal weer, dan komt hij weer in balans. De beheersing van de gedachte betekent helemaal niet dat u niet moet denken aan bepaalde dingen. Dat komt op den duur. Dat is een bewust- wording. Maar u kunt in ieder geval al die haatgedachten, al die verkeerde gedachten, voortdurend compenseren. Vandaar, dat u mij niet zo-even hebt horen zeggen: “Mensen, denk niet aan wat kwaads”. Ik heb gezegd: “Stel je zelf steeds in de plaats van de ander, waar je maar kunt en hoe je maar kunt”. Realiseer je dat steeds. Daardoor kun je namelijk evenwicht houden.

  • Als je bang bent, haal je de dingen toch ook naar je toe?

Als je erover denkt, dan schep je daarmede dus een tendens. Daar komt nog bij, dat iemand die sterk over bepaalde zaken nadenkt, ze vaak naar zichzelf toehaalt. Maar niet op de manier zoals hij/zij dat vreest, of verwacht. Het is niet jouw gedachte, die beheerst wat er gaat gebeuren; neen, jouw gedachte geeft de doorslag bij aanwezige tendensen, die dan bijzonder sterk voelbaar worden. Het is heel eenvoudig te zeggen, dat als u voortdurend bang bent, dat er een bloempot op uw hoofd zal vallen. Nu gaat u wandelen. U zegt: “Ik wil niet bij huizen wandelen, want er zou iets op mijn hoofd kunnen vallen en dat wil ik niet. Het doet pijn, daar ben ik bang voor.” U gaat midden op een weiland staan. Er vliegt zelfs geen vogel in de lucht.  Er komt een vliegtuig over en U krijgt een klodder ijs op UW hoofd. Pijnlijker dan de bloempot. U hebt door uw angst uzelf onbewust laten leiden door de mogelijkheden van vallen, u hebt niet zelf veroorzaakt dat hetgeen u dacht gebeurde, maar u hebt, geleid daardoor, elke tendens opgezocht die dat versterkte. U bent bang voor een vechtpartij. Dus u loopt een straatje om. Maar onbewust zult u door die angst over die vechtpartij nadenken. U zult in conflict komen met anderen op een heel andere manier. U gaat misschien niet vechten. U krijgt wel grote ruzie met een werkgever of zo. U realiseert zich niet, dat dat het gevolg is. Want dat was voor U de mogelijkheid.

  •  En de voorgevoelens die iemand kan hebben? Bestaan zij?

De voorgevoelens die iemand heeft over wat gebeuren kan, zijn een waarschuwing, dat hij uit moet kijken. Zij bestaan dus wel. Maar wanneer hij die voorgevoelens beschouwt als iets, wat met bijna onfeilbare zekerheid een gebeuren aankondigt, dan verwerkelijkt hij het zelf en wel in de slechtste vorm. Voorbeeld: als u naar de waarzegster gaat en u gelooft eraan en zij zegt: “O, o, wat gaat het u slecht. U wordt ziek” en u gelooft dat, dan wordt u ziek. Dan krijgt u misschien niet de onschuldige verkoudheid, waar de waarzegster aan dacht, maar u krijgt misschien de tering, waar u bang voor bent, of misschien krijgt u een ziekte, waar u geen van allen aan hebt gedacht, maar die, door de toestand, gemakkelijk in u kan komen en op kan treden in uw lichaam. Maar als U nu zegt: “Zij ziet een ziekte voor mij, dan moet ik maar eens een beetje uitkijken”. Zo heel eenvoudig, zo simpel weg. Dus niet direct op de tocht gaan staan. Ik geef toe: de mogelijkheid zal er zijn, maar u maakt zich verder niet bezorgd. “Ik kan er verder toch niets aan doen” dan wordt u niet ziek. Als iemand u zegt dat u door een auto overreden wordt en u gelooft dat, dan loopt u al overpeinzend de straat over en bom, daar ligt u en de volgende 15 weken in de Zuidwal. Maar nu hebt u precies datzelfde: “Ja, ik zal een beetje uitkijken”. U denkt niet na over het feit dat u vast en zeker overreden wordt, maar u kijkt uit, dat het niet gebeurt, u loopt rustig over en er gebeurt niets. Als u voorgevoelens hebt, dat dit of dat zal gebeuren: houdt er rekening mee. Het duidt een mogelijkheid aan, maar wees er niet bang voor en wees er niet blij over, handel rustig verder met het nemen van de voorzorgen dus, die door het erkennen van een mogelijk gevaar/gebeuren in je ontstaat, dan zul je altijd het best af zijn. Het voorkomt bovendien zeer veel schadelijke gedachten, die dan ongetwijfeld anderen dan ook weer mee kunnen zuigen in een zelfde soort van gebeuren.

  • Ik ken iemand, die goed doet, zonder zich daarop te verheffen. Kortom, iemand waarvan je zou verwachten dat het hem goed zal gaan. Die wordt nu altijd juist getroffen, als er maar een mogelijkheid is, dan treft het altijd juist die persoon.  Hoe kan dat nu?

U weet precies hoe die mens denkt. U weet hoe hij onderbewust reageert. U weet wat de oorzaak is van zijn goedheid, u bent u verder volledig bewust van de bewustwordingsgang die hij doormaakt?

  • Dat natuurlijk niet.

Hoe kunt u dan zo praten?

  • Gezien natuurlijk de uiterlijke omstandigheden.

Dat hebben wij daarnet al drie keer vastgelegd. De mens kan nooit oordelen door uiterlijke omstandigheden, omdat hij niet weet wat een mens werkelijk denkt, hoe zo’n mens werkelijk reageert, wat zijn werkelijke angsten en werkelijke dromen zijn. Het is juist daarom dat je daar niet over oordelen kunt, of zelfs moogt. Je kunt hoogstens dit zeggen: wanneer zo’n mens voortdurend door ongeluk wordt getroffen, geef hem je sympathie, niet je medelijden. Help hem over die gevolgen heen te komen, zo goed als je kunt, maar beklaag hem niet. Betreur het gebeuren zelf niet, opdat het zich niet herhaalt. Op deze manier zul je daaraan goed kunnen doen en wanneer de hele omgeving dat doet, zal een dergelijke cyclus van voortdurend door het ongeluk getroffen worden, waarschijnlijk heel snel ophouden.

  • Die persoon in kwestie gaat er niet onder gebukt, maar komt er altijd bovenuit.

Dan is het waarschijnlijk een groot geluk voor hem, dat er zo nu en dan iets gebeurt, omdat hij daar geestelijk veel rijker door wordt, nietwaar?

  • Ik heb u horen zeggen: er is weinig toeval. Dus er bestaan toevallen?

Er bestaan namelijk omstandigheden, waarover het menselijk denken, ook het kleine bewustzijn van de lagere geest, niets in te zeggen heeft. Het is namelijk dit. U leeft in een wereld, in een zonnestelsel die op zich ook weer door een bewustzijn worden geleid, elk voor zich en entiteiten. Niet een mens, maar een entiteit, een wezen. Dat wezen heeft ook zijn eigen bewustwording. Wanneer er in dit wezen een crisis zou ontstaan, dan zou zich dat ongetwijfeld weerspiegelen in alle delen van de schepping, waarin dit wezen heerst en optreedt. In een dergelijk geval kunnen wij dus zeggen dat het – van ons standpunt uit – een toeval is. Een voor ons onverklaarbaar verschijnsel, waarop wijzelf geen invloed kunnen uitoefenen. Aangezien dit eens in de twee en een half duizend jaar gebeurt, geloof ik niet dat wij dergelijke grote ontwikkelingen al te veel moeten zien als aansprakelijk voor wat op de wereld gebeurt.

  • Wat er in Tibet gebeurt, is dat de schuld van de Tibetaan zelf?

Dat is in zekere zin de schuld van de Tibetanen zelf, namelijk, omdat zij, om hun religieuze hiërarchie te kunnen vrijwaren voor elk ingrijpen, ongeacht het feit dat een groot deel der bevolking eraan weinig waarde hechtte en meer aan de handel dacht dan aan de godsdienst, getracht hebben de nieuwe fase van beschaving buiten te sluiten. Zij vreesden dus die beschaving. Zij vreesden de invloed van China reeds, toen het nog door Chiang Kai-shek, werd geregeerd en daarna is die vrees steeds groter geworden. Het gevolg is geweest, dat men zich dus in een geestelijk verweer, dat onjuist was, heeft gestort. Anderen wisten reeds dat dit onvermijdelijk was en hebben zich reeds vóór die tijd terug getrokken. Het was namelijk reeds bekend rond 1850, dat de tijd, dat Tibet nog bruikbaar was voor de hogere ingewijden, ten einde liep. In 1898 is de weg naar Tibet en naar het pad praktisch gesloten, daarna heeft men nog een zekere mogelijkheid tot inwijding open gelaten tot 1934 – zij het een zeer beperkte –  daarna heeft men alle inwijdingswegen verder gesloten. Hieruit volgt wel, dat men dus wist dat dit ging gebeuren. Dit weten hield in, dat men reeds toen de mentaliteit kende, die, zich verzettend tegen een nieuwe vorm van denken en leven op den duur de hele wereld toch gaat beheersen, ten onder moest gaan. Wij kunnen betreuren dat het op deze wijze gebeurde.

  • Wilt u zeggen dat het onrechtvaardig is?

Misschien is het dat ook, maar het is een normaal gevolg van de verschillende gedachtestromen, het vrezen, de begeerten, ook van de Tibetanen zelf, zowel als van alle anderen in de wereld.

  • Maar al die kloosters die er gebleven zijn?

Kloosters die eens 1500, 1600 monniken telden, op het ogenblik nog 14.

  • Op het ogenblik.

Ja, dat was al zo in 1940. De goede kloosters zijn langzamerhand leeggelopen. Wat ervan over is gebleven zijn de ouden geweest, die sterven wilden daar, waar zij geleefd hadden en hun bewustwording gevonden hadden. Nieuwe kloosterlingen zijn er weinig geweest, behalve in die strijdvaardige en rijke kloosters, die het eerder om de macht was te doen, dan om een geestelijke bewustwording of om hun geestelijk welzijn. Degenen die de geschiedenis van Tibet kennen, zullen dat ongetwijfeld moeten bevestigen.

  • Jeanne d’Arc heeft toch veel moeten doormaken?

Ja, dat komt omdat ook zij zonder enig respect voor anderen is opgetreden. Geweld baart geweld. Jeanne d’Arc met al haar goede eigenschappen, was een vrouwelijke verpersoonlijking van het geweld, een furie, die – zij het met een zeer goed doel – erger, wraakzuchtiger, harder was dan de meeste mannen van haar eigen tijd. Een vrouw die zo sterk was, dat zij de dauphin tot de kroning wist te dwingen. Een vrouw die zo sterk kon intrigeren, dat zij Engeland praktisch overwon. Is het dan niet logisch dat een mens oogst wat hij zaait? Dat de gedachte die zij heeft doen ontwaken in Frankrijk, ook haar, niet alleen haar, maar vele van haar vrienden en medestrijders getroffen heeft. Dat zij misschien een lot heeft gekend, dat enigszins anders is dan de officiële geschiedenis dit voorschrijft kunnen wij hier buiten beschouwing laten. Zegt het volk al niet, dat: wie wind zaait, storm zal oogsten? Geloof mij, dat is geestelijk nog veel meer waar. Zo waar als het is, dat degenen die ter wille van partijpolitiek, onredelijke gedachten in het volk hebben gezaaid, daar zelf de wrange vruchten van moeten plukken op het ogenblik. Zo zeker als dat degenen, wie het om de winst begonnen was en om de macht, deze macht en deze winst zich zullen zien ontglippen, door eigen handelen en denken en door hetgeen zij, als gedachtegang in hun omgeving hebben gezaaid, met de bedoeling daaruit beter te worden en uiteindelijk slachtoffers worden van de kracht die zijzelf hebben opgeroepen.

  • Hoe staat het dan met Jezus Christus? Hoe wilt u dat dan verklaren?

Heel eenvoudig. Jezus, de man van het wonder en de macht, die alle wereldse en kerkelijke autoriteiten hun macht ontnam door zijn leringen en zijn werken. Hij had dus – zij het in een andere zin – namelijk, door de kracht van de geest en de gedachte, een strijd ontketend. Hij wist dit zelf heel goed. Zo goed, dat Hij zelfs tot zijn apostelen zegt: “Want weet, Ik ben niet gekomen om u de vrede te brengen, doch het zwaard.” Is het niet logisch, dat hij, die het zwaard der waarheid hanteerde, geofferd wordt op het altaar der waarheid? Zelfs, wanneer hij dit, zoals Jezus, dit vrijwillig doet, omdat dit de enige wijze is om de waarheid te doen zegevieren. Een logische gevolgtrekking en consequentie. Jezus had verzet gezaaid tegen de tempel. Jezus had al die onaangename dingen onthuld, van omkoperij, van speculatie met de sikkel, vooral tegen de tijd dat de tempelpenning werd geheven. Jezus had dus het volk bewust gemaakt, dat godsdienst en lering op een gegeven ogenblik fout kunnen gaan. Het was daarom dat Jezus zelf in de fout van zijn leringen veroordeeld moest worden. Hij was een ingewijde; dat Hij dus wist wat er gebeurde. Maar Hij wist ook, dat, indien Hij die invloed op de wereld wilde uitoefenen, Hij zich daaraan niet onttrekken kon. Daarom is hij gestorven aan het kruis.

  • Maar Maria die dat mee moest maken? Hoe verklaart u dat?

Heeft zij niet vrijwillig aanvaard het baren van een zoon voor een buitengewoon doel? Heeft zij dus zelf niet door haar gedachten en haar hoop een vorst te baren, zichzelf al wat gebonden met wat het leven van deze Vorst der Vrede, Jezus, veroorzaakt. Is het niet logisch? Is het niet oorzaak en gevolg?

  • Heeft zij dit bewust aanvaard?

Dat is een andere vraag. Maar het is zo: als je in het begin bewust aanvaardt, dat je aan het einde niet ontkomen kunt. Je kunt niet iets beginnen en het halverwege laten liggen. Dat gaat niet met een bewustwording en ook niet met een mensen lot.

Wanneer ik hier een controverse heb doen ontstaan, zal mij dat plezier doen. Dit is een onderwerp waarover nagedacht moet worden. Denkt u erover, dan zult u ongetwijfeld komen tot een realisatie die en voor u en voor uw omgeving betekent een juister denken, zelfs wanneer u meent dat ik onzin heb gepraat. Want u kunt niet voorkomen dat uw eigen gedachten op uw omgeving invloed uitoefenen, terwijl u het overdenkt. U zult dus alle compenserende factoren in uw omgeving wekken.


 

Filosofie en esoterie

Ik geloof dat wij een klein beetje gewoon gaan praten over filosofie en esoterie. Een filosoof is eigenlijk een mens die een verklaring probeert te vinden voor onbekende feiten en gebeurtenissen uit het bekende. Daarbij begint hij voor zichzelf vast te stellen: wat ben ik eigenlijk? Het beroerde is, dat ook een goed filosoof daar meestal niet erg ver mee komt. Natuurlijk: ik denk, dus besta ik. Een heel bekende slagzin. Maar als ik denk, hoe besta ik dan?

De esoterie probeert eigenlijk niets anders te doen dan het bestaan te ontleden en te omschrijven. Wij gebruiken daarbij – ik zou haast zeggen: helaas – vaak hele grote woorden. Wij spreken over kosmische bewustwording. Als je het zo hoort, lijkt het wel of je zo bij God kind aan huis bent. Wij weten a.h.w. precies hoe Hij zijn scheiding draagt, als Hij naar de kapper moet. Het is begrijpelijk, want de raadsels die ons omgeven, zijn zo groot, dat wij ergens moeten zoeken naar een houvast, zelfs wanneer het een hypothese is, zelfs wanneer die onredelijk zou zijn.

Je kunt wel zeggen dat esoterie een bepaalde vorm van filosofie is. Het is namelijk een filosofisch beschouwen van jezelf met een poging om tot erkennen van je eigen werken te komen. Daarvoor begin je dan maar met een willekeurige basis die voor jou de meest aannemelijke lijkt en je bouwt een luchtkasteel. Niet iedereen houdt van luchtkastelen. Vandaar, dat er een hoop mensen zijn die zeggen: Ik moet met al die esoterie en wat er bij hoort nu toch werkelijk niets te maken krijgen, want dan ben ik meteen ziek.

U hebt gelijk, vanuit uw standpunt. Wanneer u zo zou redeneren, dan kan ik daar onmiddellijk inkomen. Ik kan het begrijpen. Maar ik vraag mij aan de andere kant af: heeft het leven zin en het bestaan zin, wanneer wij alleen maar die relatie met de buitenwereld moeten kennen, die nu eenmaal normaal heet, die het leven wordt genoemd? Wanneer er helemaal geen compensatie is voor al hetgeen wij te kort komen; als er helemaal geen compensatie is voor datgene wat ons van die buitenwereld bereikt, dan is het leven zo mistroostig en zo somber. Daarnaast gelooft toch wel iedere mens, die redelijk denkt, dat hij tot de conclusie komt, dat er ergens wetten zijn. Er is een vaste lijn in de dingen. Die lijn kun je langs de wegen van de wetenschap soms heel ver volgen. Je kunt bv. gaan praten over het verschijnsel van tijd en vast gaan stellen, dat die tijd en ook de tijdsillusie en tijdsgedachte klaarblijkelijk weer samenhangt met het milieu, waarin je verkeert, o.a. de zwaartekracht, dus de massa, waarop je je bevindt, plus de snelheid, waarmee deze zich wentelt en zich in de ruimte beweegt. Er bestaat in ieder geval een relatie tussen de tijd en de rest, dat is wel zeker. Als die relatie bestaat, moet er iets zijn wat dat geheel regeert, wat die relatie vaststelt.

Zeg wat mij betreft: toeval. Dan kunnen wij ook nog gaan rekenen en denken en tot de conclusie komen, dat onze wereld dus bepaalde hoofdwaarden en bepaalde hoofdnormen heeft. Bv. de 24-uurs dag is een van de kenmerken van het leven op aarde. Die indeling vloeit voort uit de wijze waarop de aarde beweegt. Wij kunnen zeggen de jaargetijden. Zij komen toch ook altijd weer. Zij staan ook in een vaste verhouding tot de plaats waar wij ons bevinden. Ook dat heeft dus een regel. Ik sta daarin, dus is mijn werkelijkheid: een dag van 24 uren en een steeds opvolgen van elkaar van de jaargetijden en wat er verder bij hoort. Maar wat heb ik daaraan, wanneer ik nog niet een stap verder kan gaan. Wanneer ik niet kan zeggen: ja, maar het feit dat ik deze dingen doormaak, dat ik mij hier bevind, heeft zin.

Dat heeft de mens al van het begin van het menselijk leven af gedaan. De oudste vormen die de mensheid op het ogenblik kent van haar eigen bestaan, zelfs vóór de homo sapiens, hadden al een zekere godsdienst. Zeer primitief en beperkt, maar zij hadden het idee van onzichtbare krachten. Hoe je ook verder gaat, altijd zul je weer tegen die onzichtbare krachten komen te staan. Er is iets, wat je niet bepalen kunt, iets onbekends. Het onbekende moet verklaard worden.

Laten wij dan ook in de esoterie in de eerste plaats stellen: God is het onbekende. God is niet de figuur waarbij wij thuis zijn. Dat is een sjimare. Dat is een beeld, een waanvoorstelling die wij zelf niet creëren. God is het onbekende. Wij geloven wel dat het onbekende een persoonlijkheid heeft, maar bewijzen kunnen wij het niet. Wat wij wel kunnen bewijzen is dat wijzelf een persoonlijkheid hebben. “Ik denk, dus besta ik”. Ik weet niet, of de wereld werkelijk is, of alles, wat ik in die wereld ervaar, reëel is, maar ik weet dat ik zelf ben. Ik kan lijden en vreugde doormaken. Ik word geboren en ik sterf. Wanneer u zover bent gekomen als ik ben gekomen, dan zegt u daarbij: ….en wordt in dat sterven herboren in een andere wereld…. Maar dat moet u voor uzelf uitmaken. Het is niet mijn werkelijkheid, maar de uwe.

Dan vloeit hieruit voort – voor mij tenminste – de behoefte om eens uit te maken wat in mijn leven werkelijkheid is. Ik weet dat ik mij zoveel voorstel en mij zoveel illusies maak. De basis waarvan ik uit kan gaan, is mijn eigen wezen en verder niets. Nu ga ik mij afvragen, wat is dat wezen? Waarom droom ik? Waarvan droom ik? Wat is het dat mij tot zekere daden aanzet? Waarom vind ik bepaalde dingen goed en andere slecht? Hoe beweeg ik mij in mijn wereld?  Ik moet redelijk en logisch zijn. Ik moet nu eenmaal uitgaan van mijzelf, ik heb niets anders, waar ik op vertrouwen kan.

En dan komt eigenlijk de zin van de esoterie naar voren. De esoterie is in feite het streven naar een zelfkennis. Zij verschilt van de mystiek. Dat is laatst ook naar voren gebracht en er is gesproken over de overeenkomst tussen esoterie en mystiek. Daar ligt toch nog een verschil. De mysticus neemt het onbekende aan, de esotericus komt door onderzoek van zichzelf tot een grotere kennis van zichzelf en erkent dat daarbuiten waarden bestaan. Hij komt dus vanuit zichzelf tot het onbekende, of tot God. De mysticus doet het omgekeerd. Hij stelt God, stelt de magische kracht, stelt het grote geheim als de enige werkelijkheid. Hij komt van daaruit ongetwijfeld op den duur tot een zekere kennis omtrent zichzelf.

Er is echter een punt waarin esoterie en mystiek samengaan. Het vreemde is, dat dit juist het punt is waar de werkelijke filosofie een beetje ophoudt. Dat zijn van die punten, waar al die oude leerstellingen, of zij nu van Socrates stammen, of van Plato, of van misschien Aristoteles, van Descartes, desnoods Nietzsche, eigenlijk wegvallen. Dan zeg je: daar heb ik eigenlijk niets meer aan. Want ik kan niet meer gaan bouwen op redelijkheid, stellingen, op gedachten. Ik ben mij te zeer bewust geworden van het feit, dat ik zelf zozeer eenzijdig ben, omdat ik slechts vanuit mijn eigen standpunt de wereld kan benaderen. Dat het voor mij noodzakelijk is om twee punten alleen te erkennen. Dat is: mijzelf en het Onbekende, het Grote Geheim.

Daar sta je dan in je eentje tegenover God. Je vraagt je af: Wat is God? Onwillekeurig ken je God alle dingen toe, die je zelf je voor kunt stellen. Maar God is meer. God is een uitbreking van datgene wat wij ons voor kúnnen stellen. Hij is meer dan dat. Zo komen wij in de esoterie tot een beperkte zelfkennis en een beperkte kennis van God. Wij gaan daarmee werken. Wij gaan dus ons beleven waarderen aan de hand van wat wij weten van die God en ook wat wij weten van onszelf. Wij realiseren ons zo steeds juister en beter dat wij zijn, maar wij komen ook steeds verder in onze omschrijving van God. Dat is eigenlijk een negatieve omschrijving.

De mens die geestelijk ver komt, weet, wat God niet is, maar wat hij wel is, dat kan hij niet ontsluieren. Heeft het zin om te filosoferen over het onnaderbare? Over datgene wat absoluut niet erkend kan worden? Wij weten dat er filosofen zijn in het verleden, die het over atomen hadden, maar wat hadden zij er praktisch aan? Het was een mooie stelling, maar eerst moest men zover komen dat men de middelen had om het atoom te benaderen, voordat het zin kreeg. Wij kunnen natuurlijk schitterende stellingen op gaan bouwen omtrent het zijn, de kosmos en al wat erbij hoort. Maar dit heeft alleen zin, wanneer wij over de middelen beschikken om verder te gaan en het ook te onderzoeken en tot werkelijkheid te maken. Zolang de esoterie alleen een abstractie blijft, zolang het mysticisme alleen een vlucht is in het grote geheim, heeft zij geen zin. Pas wanneer zij voor ons middelen worden ter nadere bewustwording, ter juistere erkenning a.h.w, de leidende factoren bij ons experiment: het leven, dan hebben zij inhoud.

De waaier van de keizer

Het is al heel lang geleden dat een machtig geslacht zetelde in China op de Gouden Troon in het Porseleinen Paleis bij de berg. Men zei: “de berg”, want de keizer had hem laten opwerpen. Een kunstmatige heuvel, waarop men later de tempel van de winden zou bouwen. Als hij daar zat, was hij God Zelf, op aarde neergedaald. Haast onzichtbaar voor alle normale mensen en slechts tersluiks en kruipend benaderd door al diegenen die tot zijn naaste hofhouding behoorden.  De waaier die de keizer eens aangeboden kreeg van een gezant was zo’n speeltuig, waarop hij zich op de troon mee bezig hield. Soms sloeg de waaier als de vleugel van een vlinder, die zich langzaam zette tot het drinken van nectar. Dan was hij in een goed humeur. Dan vroeg men om gunsten. Soms echter bewoog zij fel en scherp, onregelmatig haast, als de vlerk van een vleermuis die dreigend in het duister uitzwermt. Dan, dan vreesde ieder zijn toorn en vermeed de nabijheid van de Zoon des Hemels. Want men vreesde zeer zijn ongenade.

Eens was de keizer zozeer vertoornd, omdat de mensen van zijn rijk, die niet voldoende belastingen opbrachten en brutaal waren, dat hij eenvoudig de waaier wegsmeet met een toornig gebaar. De waaier viel in een vijver die gevoed werd door een klein stroompje.  De waaier spoelde mee. Het kleine stroompje komt uit in een grote rivier die traag en geel naar de zee toestroomt. Zo spoelde de waaier mee met de grote stroom en kwam uiteindelijk ergens bij een moerasgebied aan de kust. Daar woonden een paar vissers. Een van hen vond het sieraad. Hij bezag het en werd geroerd door de grote kunst ervan, zodat hij het behoedzaam reinigde en meedroeg. Maar toen hij informeerde wie wel de kostbare waaier had verloren, hoorde hij: “Het is de waaier van de Zoon des Hemels, in toorn weggeworpen”. Vanaf dat ogenblik lag de waaier als een heiligdom in het huisaltaar. De waaier verleende gunsten. Althans, dat geloofde men.

Nu echter waren er meerdere waaiers in de stroom geweest. Sommigen misschien van deftige dames die in een onbeheerst ogenblik hun waaier hadden doen vallen. Anderen misschien weggeworpen door een rijk koopman, die een nieuwe waaier had gekocht. En allen, allen die een waaier vonden zeiden uiteindelijk: “Dit is de waaier van de Zoon des Hemels”. Zij legden, evenals de visser, de waaier op hun huisaltaar, baden ertegen, smeekten om gunsten en verkregen ze. Toen echter de dood de keizer al meerdere malen tot zijn eigen rijk had verheven en een jonge zoon de legende hoorde die geweven was in het dal van de grote rivier, besloot hij na te gaan, welke waaier de echte was. Zie, niemand kon hem zeggen: “Dit is de waaier”.  Het water en de ouderdom hadden alle waaiers aan elkaar gelijk gemaakt. Een raadsman zei: “Heer, men aanbidt waaiers. Is dit niet dwaas? Laat ons deze waaiers nemen, opdat zij zich weer richten tot hun voorouders, zoals behoort, en niet meer hen die eerwaardig zijn voorgegaan, armoede lijdend in het land van de Hemelse Keizer”. Maar de keizer die jong was en begrip had voor de mensen, sprak: “Gij hoort het: wanneer zij bidden tot de waaiers, wordt de gunst verkregen. Zou ik hen de waan ontnemen, die hen welvaart geeft? Zo zij gelukkig zijn in deze waan: ik zal hen het voorwerp ervan niet doen ontnemen”. Zo staat er nu nog ergens in China een vervallen tempel, midden in een moerasgebied. In een tempel ligt op een altaar een oude verkleurde waaier. Nog komen er soms mannen en vrouwen en bidden verdoken om gunsten. Men zegt, dat zij die verkrijgen.

Op de troon van ons leven zit God. Maar van God Zelf kunnen wij zo weinig zien en zo weinig vinden. Daarom wachten wij net zolang, tot er eindelijk iets komt wat ons treft. Misschien door zijn schoonheid, of zuiverheid. En plotseling menen wij te vernemen: dit is Goddelijk, dit komt van God. Misschien zegt men: dit is een openbaring. Dit is de boodschap der inwijding. Hier heeft God – of Jezus – Zelf met mij gesproken. Wanneer wij ons daarop baseren, dan blijkt plotseling, dat wij beter met de wereld in harmonie leven. Dat ons leven inhoudt gewint, dat wij meer vreugde kennen en sterker zijn, wanneer het leed ons treft. Hebben wij het recht om dan te zeggen: dit is een leugen? Leven wij zelf eigenlijk niet vaak juist door een dergelijke leugen? Door een halve waarheid, of door een onwaarheid, maar die voor ons resultaten boekt en die ons helpt?

Laat ons dit onthouden dan: zij die baden tot de waaier, beriepen zich in feite op de Hemelse Keizer. Wij die bidden, smeken en spreken misschien, over onvolmaakte kleine beelden, waarvan wij menen dat zij de oneindigheid zelf zijn, richten ons door deze dingen tot de oneindigheid. Wanneer wij daarin onze kracht en onze sterkte vinden, wie zal zo wreed zijn het ons te nemen? Wie zal ons een werkelijkheid geven die grootser, sterker en beter is? Slechts indien wij ze begrijpen kunnen, dan zullen wij verkrijgen, maar niet vóór die tijd.

Laat ons dan met onze esoterie misschien dwaasheden geloven. Dat komt wel voor. Laat ons dromen misschien over dingen die niet eens kunnen bestaan, of spreken met Goden die alleen maar het product van ons eigen denken zijn. Wanneer wij daarin de kracht vinden, wanneer ons gebed verhoord wordt, wanneer wij een glimp van de levende waarheid daarin vinden, doordat wij zelf goed leven, gelukkiger en sterker worden, laat ons dan niet strijden over het al of niet juist zijn ervan. Maar laat ons aanvaarden dat het onbekende zich mede in het bekende openbaart. Dat zelfs de gedeeltelijke openbaring die wij soms vinden, schijnbaar weggeworpen kleinood, ergens aan het strand van de levenszee, onze band kan zijn met het Grote, met het Oneindige.

Filosofie is goed. Esoterie is schitterend. Ongetwijfeld. De mystiek kan ons voeren tot hoogten van beleven, die op een andere wijze haast ondenkbaar zijn. Maar wie zal ons zeggen, hoe dit te beleven, hoe te gaan? Wie weet een waarheid die verder gaat dan het Ik-bestaan? Een werkelijke, aantoonbare waarheid? Niemand, nietwaar? Laat ons dan tevreden zijn met de kleine brokstukken van waarheid, zelfs van schijn, die ons gegeven wordt. Laat ons proberen daarin voor onszelf de kracht te vinden om te leven, om wijzer te worden. Laat ons in het kleine en het tijdelijke de band zoeken met het Groot-Goddelijke. Wanneer wij dat doen, dan hebben wij, naar ik meen, het beste gedaan wat ons te doen staat. Wij mogen niet in aanbidding blijven liggen voor onze waaier van de keizer. De visser die dat gedaan zou hebben, zou verhongerd zijn. Hij moest elke dag zijn netten uit werpen, uitvaren en terugkeren. Zo is het alle anderen ook gegaan. Maar zoals voor hen die waaier een toevlucht was, zo is voor ons datgene wat wij geloven, dat wij menen te weten, dat wat ons geopenbaard lijkt, de toevlucht die ons verder helpt.

U kent allen wel het verhaal van het kleine woestijn vosje, dat zelfs eens een leeuw wist te berijden met zadel en toom. Deze kleine woestijnvos werd het voorbeeld van een grote strijder die bij de Rifkabylen zeer gezien was. Elke keer wanneer hij uittrok, zwak soms, met enkele mannen, kwam hij terug beladen met rijke buit. Niemand kon begrijpen hoe hij het deed. Totdat eindelijk hij in een raadsvergadering, haast gedwongen werd door steeds dringender beden, zijn geheim van succes prijs te geven. “Gij veracht onze vijanden. Gij meent dat gij erboven kunt staan. Maar ik heb geleefd in hun steden. Ik heb geleerd op hun scholen. Nu ik hen begrijp, ben ik hun meerdere, omdat ik niet slechts hun kennis bezit, maar ook mijn eigen mentaliteit en mijn eigen kennis. Doordat ik weet wat zij zullen doen, en weet wat ik kan doen, zal ik altijd zegevieren.” Dit is een lange tijd waar geweest. Totdat de vader van de Lange Loop stierf en Abdelkrim een van zijn belangrijke medewerkers verloor.

Wij kunnen esoterische onnoemelijk veel doen, dat ben ik met u eens. Maar kunnen wij werkelijk vergeestelijkt en esoterisch denken en toch met resultaat en met zin in het leven bewustwording verkrijgen, geluk vinden, de kracht vinden die ons behoort, een taak vinden die ons bevredigt? Dat kunnen wij alleen, wanneer wij ook – ach, Jezus zegt het zo aardig – ons vrienden maken uit de Mammon. Degene die geestelijk streeft, mag de aarde niet verwerpen. Hij moet de aarde kennen en toch zichzelf niet verloochenen. Dat is de grote kunst.  De esotericus die tracht het geheim van zijn innerlijk te ontsluieren, die het grote Onbekende, zijn God, wil leren verwerkelijken in zichzelf, kan dat alleen doen, wanneer hij telkenmale weer een nieuwe buit aan bewustzijn, aan gedachten, aan impulsen mee kan brengen in de beslotenheid van zijn eigen hart en innerlijk. Dat moet hij doen door eerst de wereld te kennen. En de wereld kennende, dat ene te behouden, wat voor hem zo belangrijk is, zijn honger tot zelferkenning, zijn honger naar eenheid met de grote, voor hem nog niet geopenbaarde wereld.

Met al die betogen komen wij eigenlijk niet veel verder. U moet het zelf doen. U moet zelf beginnen aan uw esoterie, of aan uw mystiek. U moet zelf beginnen uzelf te kennen. Ik geloof dat, wanneer wij komen tot die zelfbespiegeling, dat soms lijkt op een perfecte zelfuitdrukking. Niet alleen, zoals een kunstenaar zichzelf soms uitdrukt, maar ook, zoals je in het leven zelf het leven boetseert, totdat het volledig beantwoordt aan datgene wat je zelf bent, onbewust.

De zin van de esoterie is niet de kennis van het sterven, maar de kennis van het leven. Wie leeft, zal door het leven ook meester kunnen zijn over de dood. Wie nooit geleerd heeft te leven, ach, die kan niet sterven, die is reeds gestorven, voordat hij geboren werd. Wie geestelijk meent zich te verheffen boven de wereld, zal altijd achter blijven bij hetgeen de wereld bereikt. Maar wie bewust het innerlijke doel, het antwoord op dit: “wie, wat ben ik?” nastreeft, terwijl hij nooit de wereld en wat daarbij hoort, terzijde stelt, maar erkent voor zijn volle waarde, vindt geloof ik wel, vrienden, het belangrijkste. Dan komt er misschien ook een tijd dat je evenals de vader van de Lange Loop heengaat, dat je niet meer gezien wordt, maar je leeft toch voort. Hij is een legende geworden, die men nu nog bij de Rifkabylen vertelt. Wij worden misschien een klank die mee blijft klinken in de kosmos door alle tijden heen. Zo ver ik het weet, blijf je zelf voortbestaan. Het belangrijkste is toch wel, dat wij in onszelf een antwoord vinden op die ene vraag, die m.i. toch door iedereen beantwoord moet worden: Wat ben ik? Waarom leef ik? Ik geloof dat wij die antwoorden kunnen vinden, ook in uw stoffelijk bestaan. Dat is voor mij dan de meest praktische en meest ware vorm van esoterie.

Degene die hard van het leven wegloopt om tot God te komen, loopt van God weg en komt pas tot leven wanneer hij dat beseft. Leer te leven, dan leer je te bestaan. Leer te erkennen, dan leer je denken. Leer aanvaarden en je zult de waarde van het leven vinden. Leer jezelf te accepteren, dan vind je misschien de kracht om God te aanvaarden, zoals Hij Zich openbaart.