Het Koninkrijk Gods, een toestand

10 augustus 1958

Ik zou klein beetje willen filosoferen over: de christelijke achtergronden van het Koninkrijk Gods en de relatie, die we vinden tussen het Koninkrijk Gods en vele andere stellingen.

Het is u allemaal bekend, dat Jezus keer op keer hamert op het Koninkrijk Gods en dat hij zijn discipelen ook verklaart, dat het Koninkrijk Gods in hen is. Nu is dit natuurlijk maar een klein deel van hetgeen hij daarover heeft geleerd. Ik meen daarom verstandig te doen dit aan te vullen met enkele betogen uit de leringen, die hij in de kleine groep heeft gegeven.

Het Koninkrijk Gods is geen plaats maar een innerlijke gesteldheid, die tijdloos is. Wanneer men in zichzelf komt tot een absolute aanvaarding van de Vader, zal de Vader Zich openbaren in alle dingen. Dit nu is het grootste geluk, dat mogelijk is. Geen enkele toestand van bestaan kan geluk genoemd worden zonder dit. Om te komen tot het Koninkrijk Gods moeten wij begrijpen, dat de Vader ons zoekt. Maar eerst wanneer wij de Vader zoeken, kunnen wij Hem bereiken. Hij is een Kracht, die ons helpt, wanneer wij trachten tot Hem te gaan. Maar Hij voert ons niet tot Zich tegen onze wil.

En dan een stelling, die juist in dit verband erg interessant is; Het Koninkrijk Gods, waarvan ik u spreek, en het Huis mijns Vaders zijn een. Toch zeg ik u, dat in het Huis mijns Vaders vele woningen zijn. Want er zijn vele mensen, vele rassen. En elk van hen komt tot de Vader op zijne wijze. Ik ben u slechts de weg. Indien gij mijn voetsporen drukt (mijn voorbeeld volgt dus), zo kunt gij ingaan tot dit Rijk. Maar gij zult gaan van uit uw leven, van uit uw waarheid. Daarom zijn er vele werelden. Indien deze werelden u niets meer betekenen, zo zult gij in waarheid staan voor het aangezicht van Hem, Die ons heeft geschapen.

Met deze paar stellingen vertelt Jezus ons in de eerste plaats, dat het Koninkrijk Gods niet afhankelijk is van een bepaalde wereld. Het kan overal bestaan, maar het kan slechts bestaan in de mens. Dit is in directe overeenstemming met het Onze Vader, het gebed, dat hij geleerd heeft aan de mensheid. Staat daar ook niet: Uw Koninkrijk kome, in de hemelen zowel als op aarde. Dat is niet voor niets. Ook in de hemelen kan men klaarblijkelijk bestaan zonder het Koninkrijk Gods te kennen. Er zijn hemelen, er zijn vele werelden en vele woningen. Die werelden bestaan in verschillende dichtheid van materie, verschillende voorstellingswerelden. Maar hoe wij ook gaan, wij blijven aan die werelden gebonden, tenzij wij in dit koninkrijk Gods het belangrijke vinden.

Zolang je je interesseert voor alles, wat rond je is in een persoonlijke zin, kun je klaarblijkelijk niet komen tot een direct beschouwen van, erkennen van en aanvaarden van God. Een stelling, die tamelijk abstract is. Want voor de meesten onzer ligt er nog wel een en ander op de weg, dat we eerst zullen moeten opruimen, voordat we zover komen. Maar nu gaan we over naar de boeddhistische zienswijze en daarvoor heb ik dan speciaal de lamaïstische zienswijze genomen, omdat deze het meest uitgesproken is. Wat wordt ons hier verteld?

De ziel leeft op de wereld en wanneer zij sterft, kan zij gaan naar vele rijken, of terugkeren tot de wereld. Wanneer zij gaat, zo zal zij naar gelang van haar verdienste (waarvoor men natuurlijk lezen kan; haar eigen inhoud, haar eigen bewustzijn) gaan door de vele hellewerelden of door de hemelwerelden. Het is altijd een kringloop. Maar wie in zich een bewustzijn van goed heeft, kan de hel niet ervaren. Wie in zich echter een bewustzijn van kwaad draagt, kan de hemel niet aanvaarden. Zo zal in een voortdurende kringloop de mens gaan door hemel en hel, kerende tot de wereld zonder einde.

Er is slechts een bevrijding. En dan komt men neer op de grote weg op de acht waarheden, het gulden midden en zegt dan tenslotte: Wie in de werelden niet begeert en niet vreest, doch slechts de levensadem in alle dingen ziet (de levensadem staat hier voor God), kent de toestand van Nirwana, het niet-zijnde zijn, het “bestaan zonder daad, in absolute harmonie met al het geschapene.

Ook bij de Perzen vinden wij iets dergelijks. Daar wordt het natuurlijk in andere beelden gesteld, maar het komt weer op hetzelfde neer. Luister maar, Ormuzd en Azmuth die bestrijden elkaar. Een voortdurende strijd van licht en duister, van goed en kwaad. Eens zal het duister overwinnen. Een typisch trekje, dat we uitgesproken pessimistisch terugvinden bij de Manicheeën (de volgelingen van Mani dus). Wanneer het duister overwint, zullen allen keren tot hun oorsprong. Tot deze tijd echter zal hij, die behoort tot het duister, het licht niet aanschouwen en hij, die slechts het licht kent, het duister niet kunnen onderscheiden. Daardoor kan de ware wereld niet gezien worden. Slechts zij, die deel zijn van licht noch duister, zullen het geheel der wereld kunnen zien.

Een typische opvatting. Een stelling dus, dat je buiten het zijn moet staan om het zijn te kunnen begrijpen. Uit die paar voorbeelden zou ik dan voor mijzelf wel een paar leringen kunnen trekken. En ik hoop, dat U mij daarbij een ogenblik zult trachten te volgen: Eerst wanneer ik buiten het leven sta, dus zelf niet meer ervaar, kan ik objectief oordelen. Eerst in een objectief oordeel kan de waarheid doorgrond worden. Zolang ik dus leef in een toestand, waarbij ik zelf deel heb aan het gebeuren, kan ik de waarheid niet kennen. In christelijke termen: Kan ik niet treden voor de troon Gods, ben ik geen deel van het Koninkrijk Gods, enz.

Nu kun je dat natuurlijk ook nog iets variëren: Het Koninkrijk Gods is klaarblijkelijk de overwinning van het begeren en de overwinning van de angst, waardoor men zelve niet meer bewogen en beroerd wordt door de innerlijke drijfveren en zo, onverschillig in welke wereld men leeft, de werkelijke inhoud daarvan kan beseffen. Gevolgtrekking: de werkelijke inhoud van elke wereld moet harmonisch en goed zijn.

We kunnen ons natuurlijk tot een zijnsfilosofie gaan wenden, die ad absurdum wordt doorgevoerd. Een aardig voorbeeld geeft bv. Voltaire in zijn “Candide”, de zaak enigszins bespottelijk makend. Hij spreekt over de wetten van evenwicht, zoals Mandel die heeft uitgedrukt en vervolgt dan spottenderwijze: “Wanneer alles in evenwicht is, is alle kwaad goed, want zonder het kwaad kan het goed niet bestaan. Indien wij dus het kwaad ondergaan, zo zullen wij weten, dat wij het goede baren. De wetenschap, dat wij het goede baren, moet ons voor al het kwaad, dat wij moeten ondergaan, een genoegdoening zijn.”

Dat is natuurlijk heel absurd. Maar er zit toch iets in. Dat is nl. dit: Op het ogenblik, dat ik het goede ervaar, zoals het uit het kwade voortkomt, of wel het kwade aanschouw en het goede zie voortkomen zonder door beide bewogen te worden, ken ik absolute vrede en waarheid.

Er zijn meer van die satirici, die onbewust een dergelijke waarheid hebben uitgesproken. Zo vinden wij in de kleinere verhalen van Anatole France een heel aardige geschiedenis over een meisje van de straat. Zij valt in handen van een paar oplichters, die haar tot een heilige kluizenaarster maken. Dit ter bevordering van hun beider inkomen. Maar nu het eigenaardige. Op het ogenblik, dat dit meisje het leven van de kluizenaar leeft, begint zij zichzelf te zien als kluizenaarster. En vóór de beide bedriegers het weten, heeft het meisje dus visioenen, spreekt zij met engelen en…doet zij wonderen. Want zij is waarlijk een heilige geworden, doordat zij zichzelf als zodanig beschouwt. Hij gaat dan verder met aan te tonen, dat de oplichters daardoor het slachtoffer worden van de heilige, die zij zelf hebben geschapen. Waarbij aan het einde een van hen opmerkt: “Ofschoon ik weet, vanwaar zij is gekomen en hoe, voel ik me haast geneigd om de knieën te buigen.”

Het typische is weer het affect, dat in deze zaak ligt. Altijd weer het affect, waarmee wij onbewust gedreven worden in de richting van dat, wat we willen zijn. En waarbij dus ook mede kan worden begrepen, dat een objectiviteit bereikt kan worden alleen door eigen levenswijze. Verder is het interessant, dat de heiligheid niet voortkomt uit genade maar uit een denkbeeld. Dan mag ik misschien ook dit weer samenvatten en zeggen: Het Koninkrijk Gods is een denkbeeld, een gedachte, waarin we zo intens gaan geloven, dat er niets anders meer voor ons bestaat.

Dit doet ons denken aan een uitspraak van Jung. Jung, die het geloof als een noodzaak heeft verdedigd en op een gegeven ogenblik in een inauguratierede zegt: “Het is noodzakelijk te geloven, bovenal te geloven in onszelf. Want slechts door wat wij geloven, zijn wij. Het is dus zaak zo te geloven, dat wij aanvaardbaar zijn.”

Kijk, dat is nu wat de wereld ervan zegt. Maar laten we dat nu eens omzetten. Op het ogenblik dat ik ga werken met hevige waarden van goed en van kwaad, op het ogenblik dat ik mij a.h.w. druk ga maken over de kleine verschillen van “dit mag nog juist wel en dat mag juist niet”, ban ik mijzelf uit het Koninkrijk Gods. Op het ogenblik dat er voor mij een aanvaardbaar en een onaanvaardbaar bestaat, heb ik niet. de mogelijkheid om de werkelijkheid te zien. Ik verwerp delen van de werkelijkheid en andere leg ik met een bijzondere nadruk a.h.w. vergroot vast in mijn eigen denken. Op deze wijze kan ik alleen tot het Koninkrijk Gods komen, wanneer ik leer om alle dingen te aanvaarden.

Er is maar een uitzondering bij; dat is nl. mijn eigen wezen. Want in mijn eigen wezen heb ik ook begrippen van goed en kwaad en deze kan ik niet uitroeien. Je kunt wel doen, alsof er geen kwaad is, maar je zult toch innerlijk weten, dat je…..men noemt het “gezondigd” hebt tegen sociale wetten, tegen religieuze wetten, tegen morele opvattingen. Daarom moet je voor jezelf dus wel degelijk het goede vinden. Maar wanneer we geen goed en geen kwaad meer erkennen in de wereld buiten ons en slechts ons eigen handelen richten volgens onze eigen persoonlijkheid, dan kunnen wij teruggrijpen naar die uitspraak van Jezus, dat ieder zijn eigen weg gaat, zelfs al volgt hij de voetsporen van Jezus.

Dan kunnen wij begrijpen, waarom dat Koninkrijk Gods zoveel woningen heeft, het Huis des Vaders zo groot is. Want door onze persoonlijke aanvaarding van God komen wij allereerst tot een persoonlijk Godsconcept. Wij kunnen dit concept bereiken door de waarheid rond ons te zien, dus objectiviteit. Eerst wanneer wij dit bereikt hebben, openbaart God Zich aan ons in Zijn volheid. Ik zou dus de conclusie erbij willen voegen: Het Koninkrijk Gods is lang niet altijd alleen maar een openbaring van God zonder meer. In vele gevallen is juist die innerlijke gesteldheid eerst een vrede, een harmonisch zijn met God, waaruit eerst langzaam een erkennen van God en Zijn werkelijke betekenis kan voortkomen. U zult zich misschien afvragen, waarom ik dat nu juist in een klein gezelschap zo voor de vakantie zit te behandelen. Wel, iedereen zoekt naar vrede, iedereen zoekt naar geluk. Iedereen is ontevreden met zichzelf. Iedereen komt tot een verwerpen en aanvaarden van dingen. Onverschillig wat we nu doen, of we nu vrije tijd tegemoet gaan of dat de arbeid ons zal ketenen op bepaalde plaatsen, op bepaalde uren, we zullen toch moeten leren om in de eerste plaats gelukkig te zijn in ons leven. En dat kunnen we alleen maar, wanneer we over die wereld buiten ons geen oordeel meer hebben. Op het ogenblik dat wij ons erop gaan verheffen, dat wij beter zijn dan een ander, stellen wij in feite onze eigen slechtheid vast en dat weten wij heel goed. Wanneer wij roddelpraatjes vertellen over anderen, dan spreken we daarin meestal de begeerten uit, die we voor onszelf nog verbergen. En zo kun je verdergaan.

Het heeft dus geen zin om die buitenwereld zo belangrijk te maken. Belangrijk is, dat je goed leeft volgens je eigen concept van goed. Daar gaat het precies om, Al dat andere doet minder ter zake. En wanneer je dat concept van goed, zoals het in jezelf leeft, nu maar persoonlijk nastreeft, moet je toch vanzelf tot een grotere eenheid van leven komen. Die eenheid van leven zal zich in vele opzichten aan je openbaren op zelfs zuiver stoffelijk kenbare manier. Wanneer je niet meer oordeelt over je medemensen, hen aanvaardt zoals ze zijn, dan stel je onwillekeurig veel scherper de relatie tussen jezelf en je medemensen vast, dan zonder dat mogelijk zou zijn. Wanneer je een oordeel hebt, dan vertroebel je wat ze noemen je intuïtie. En intuïtie is voor een deel waarneming, voor een deel geestelijk aanvoelen. Zolang je een oordeel hebt, een vooropgezette mening, zul je trachten om je intuïtieve ervaring daaraan aan te passen. Je vervalst dus de werkelijkheid. Doordat je de werkelijkheid vervalst, handel je volgens een vals concept. Je handelt verkeerd, ofschoon je beter had kunnen weten. En daarmee heb je dan voor jezelf weer het conflict geschapen, de strijdigheid. Hoe groter het aantal strijdigheden, dat je voor jezelf schept, hoe minder kans, dat je werkelijk het Koninkrijk Gods vindt; hoe minder kans, dat je vrede, dat je geluk, dat je harmonie vindt, Jezus heeft dat geweten. En praktisch alle wijsgeren op de wereld hebben dat op enigerlei wijze eens een keer vastgelegd.

Ik geef graag toe, dat geluk zoals u het thans ziet een relatieve waarde is. De een denkt, dat geluk gelegen is in geld, de ander misschien in gezelschap of in een bepaald vermogen. Ook dat is natuurlijk niet waar. Maar dit komt voort uit uw valse waardering van uzelf en van de wereld. Op het ogenblik dat u de nadruk anders gaat leggen, dat u de nadruk gaat leggen op het aanvaardbare van alles wat buiten u staat en op de noodzaak in uzelf steeds weer te gehoorzamen aan hetgeen u kent als goed, zonder angst en zonder begeren, schept u de vrede vanzelf.

Ik heb dit dus eigenlijk gezegd om de nadruk voor vandaag eens te leggen op de algemene zelfmisleiding. Het Koninkrijk Gods is in feite: vrij zijn van zelfmisleiding en daardoor de werkelijkheid aanvaarden. Van dit standpunt uitgaande zal het u begrijpelijk worden, waarom ik juist nu dit aansnijd. Er gaat enige tijd overheen, voordat deze groep weer samenkomt. En degenen, die dan vandaag nog aanwezig zijn, kunnen misschien hun tijd eens gebruiken om daarover na te denken. U begeert immers zoveel van de wereld. Elk voor zich weer wat anders. Begrijp dan goed, dat u dat begeren nooit kunt vervallen, tenzij het een persoonlijke zaak is en geen eis aan de buitenwereld. Begrijp, dat u nooit geluk zult kunnen vinden, zolang u buiten u zoekt. Buiten uzelf is het niet te vinden. Die wereld buiten u moet u aanvaarden. In die aanvaarding pas zult u begrijpen, wat uw leven in feite is.

Er is hier nog een andere kant aan verbonden en die zal dan ook belicht worden door een andere spreker.

o-o-o-o-o

Wanneer wij het aangesneden probleem omzetten in de vaak meer realistische filosofie van het oosten, dan kunnen wij de vraag stellen; Waar begint voor ons het niet-zijn en waar houdt het zijn op? De grens tussen deze beide is voor ons belangrijker dan we denken.

We stellen ons natuurlijk het zijn voor als een continuïteit, omdat we ons niet kunnen voorstellen, dat het heden in al zijn waarden gewijzigd zou worden. Maar er moet een ogenblik komen, dat dit plaatsvindt. De werkelijkheid van vandaag zal zeker voor u ophouden op het ogenblik, dat uw leven verandert of dat u overgaat naar een andere wereld. Met voor niets is men in het westen geneigd om te spreken over een leven, dat een sprookje wordt, alleen wanneer zich bepaalde grondcondities plotseling wijzigen. Daarmee wil men aangeven, dat er tussen die twee realiteiten geen kenbaar verband bestaat. Hierin ligt natuurlijk ook die wet van uiterlijkheden, die zo even werd geciteerd, mede besloten, Maar wij leven in een werkelijkheid. En met deze werkelijkheid moeten wij werken; deze werkelijkheid moeten wij hanteren.

Het “niet”, dat in ons ligt, is de mogelijkheid tot ontwikkeling, meer niet.  Wanneer wij dus dit “niet” beschouwen als een vermogen onszelf te vullen met het zijnde, dan begrijpen we, dat we zelf een lege huls zijn.

Zoals een bekende zegswijze zegt: Wat is het nut van een theepot, wanneer thee en warm water niet te vinden zijn? We zouden kunnen zeggen; Wat is het nut van het menselijk bestaan in het nu, wanneer niet een vervullen van dit nu tot een schijnbare irrealiteit mogelijk is? Alles wat wij in het heden doen, is een begrenzen van datgene, wat ons wezen kan bevatten. En wanneer je een theepot wilt maken en je laat de bodem weg, dan zal ze nooit iets kunnen bevatten. Laat je een schenktuit weg, dan zal het onmogelijk zijn om de thee op waardige wijze daaruit te genieten. Ze moet volledig zijn. Het leven op aarde moet volledig zijn om de geestelijke bewustwording, die daarin mogelijk is, eveneens volledig te maken. De nadruk te leggen op de thee, wanneer er geen theepot is, is dwaasheid.

Men kan misschien een theekop nemen, zeker. Men kan daarin wat heet wateren wat bladeren strooien en zeggen; “Ziet, dat is een kostelijke drank.” Volkomen waar. Maar ik vraag mij af, of het werkelijk de bedoeling is, dat gedronken wordt. Wanneer wij alleen een kop zijn, wanneer ons bewustzijn slechts geabsorbeerd wordt door anderen en groteren, dan heeft ons leven voor ons persoonlijk geen zin. Dan zijn we alleen utiliteiten. Alle ervaringen, die wij opdoen, wijzen op het tegengestelde. Wij bevatten iets ín ons; iets, dat door rijping kostbaar wordt: bewustzijn. Om het bewustzijn te kunnen bevatten, moeten wij het heden volledig maken. Hoe kunnen wij de volledigheid van het heden dan omschrijven?

In de eerste plaats: Wij mogen niet blind zijn. Wij moeten leren zien. Hoe intenser wij alles wat bestaat bezien en aanvaarden, hoe intenser ons bewustzijn van het heden zal zijn. Dit betekent niet, dat wij indrukken of invloeden moeten gaan zoeken. Wel, dat wij de indrukken en invloeden, die er zijn, zullen moeten verwerken en zo volledig mogelijk.

In de tweede plaats: Wij worden heel vaak beheerst door tegenstellingen: goed en kwaad, licht en donker: onze angsten en onze begeerten in feite. Want al  hetgeen wij begeren zullen wij licht noemen, al hetgeen wij in feite vrezen, noemen wij duister. De verhouding in het leven wordt bepaald door onze eigen instelling, niet door iets anders. Te spreken over een absoluut God is aanvaardbaar. Maar wanneer we die God willen verdelen in een absoluut goed en een absoluut kwaad, dan delen wij Hem in tweeën. Een gedeelde Godheid is onbestaanbaar. Alle dingen zijn in God. Alle dingen zijn werkelijkheid. Wanneer wij vrezen, dan zullen wij zeggen: Kwaad. Wanneer wij begeren, zullen wij zeggen: Goed. Indien wij God werkelijk willen zien, is het dus zaak niet te vrezen en niet te begeren.

Een derde punt: Toch is de ervaring van het leven op vrees en begeren gebouwd. Het is dus onmogelijk vrees en begeren geheel te verwerpen zonder gelijktijdig het leven, zoals het thans bestaat, teniet te doen. Gezien het feit, dat dit leven de omgrenzing is van de mogelijkheid tot bewustwording, kunnen wij dus niet geheel alle begeren en alle angst verwerpen. Wij kunnen slechts trachten deze te verwerpen, voor zover zij de wereld buiten ons betreffen.

Spreken over een Koninkrijk Gods is schoon, wonderlijk schoon, mooi. Maar een Koninkrijk Gods is onbereikbaar in de werkelijke en absolute zin, zolang wij zo beperkt zijn, dat wij nog een stoffelijke uiting nodig hebben voor leven in een bepaalde geestelijke sfeer. De consequentie is, dat wij niet moeten zoeken naar het Koninkrijk Gods als een onmiddellijke waarheid. Laat dat in ons groeien. Het is geen doel althans niet volgens het oosten. Het enige doel dat wij hebben is, om door buiten ons niets te vrezen en niets te begeren datgene, wat in ons leeft aan begeerten en vrezen, zodanig te erkennen, dat wij in staat zijn het te beheersen. De leer van het leven mag nooit een leer van ontzegging zijn, nooit een leer van onthouding. Het moet een leer zijn van beheersing. Matigheid in alle dingen veroorzaakt een kennen van alle dingen zonder door een van die dingen beheerst te worden, zonder door een van die dingen geleid te worden tot een onevenwichtigheid.

De logische consequentie is, dat wanneer wij zoeken naar de grens tussen zijn en niet-zijn, wij in de eerste plaats ons zijn moeten definiëren als: een beheerst aanvaarden, een doorleven van al hetgeen wat de wereld ons biedt. Een aanvaarden zonder verwondering, een doorleven zonder protest. Dit is voor ons het zijn in de meest ideale vorm. Het niet-zijn volgens ons huidig voorstellingsvermogen, de werelden en de zijns vormen, die buiten het voorstellingsvermogen van heden staan, kunnen dan worden gedefinieerd als datgene, wat voortkomt uit de beheersing en daardoor een meer ware realisatie van het “ik” en de daarbuiten staande waarden mogelijk maakt.

Onze vriend citeert Jezus zeggende: “Het Koninkrijk Gods Is in u.” En gelijktijdig: “Het Koninkrijk Gods is geen plaats maar een gemoedstoestand.” Het lijkt mij onredelijk dit te zeggen. Want op het ogenblik, dat ik zeg, dat het een gemoedstoestand is, definieer ik het binnen mij. En dat is ook al is mijn eigen plaats niet definitief bepaald wel degelijk een beperking, die een plaatsbepaling gelijk komt. Integendeel, wij moeten zeggen: “Het Koninkrijk Gods is het zijnde op het ogenblik, dat het aanvaard wordt.” Dit zijnde houdt onszelf in. Slechts indien wij onszelf kunnen accepteren,, zullen wij komen tot een toestand van Nirwana, een toestand waarbij wij van uit akasha de absolute oplossing kunnen vinden.

De bespiegelingen, die hierover voor zeer velen worden gehouden, gaan uit van een wereld verwerping. Dit is een speciaal verschijnsel van het christendom en daarmede van het westen. In zijn koortsachtige levenshonger verwerpt het in feite het leven en tracht zich te verzadigen met droombeelden, die het niet verwerkelijken kan. Hierin, kan nooit een waar leven, dus nooit een ware bewustwording geborgen liggen. In het oosten aanvaard je het, wanneer je arm bent. En wanneer je plotseling rijk wordt, dan verheug je je daarover zonder je erover te verwonderen. De simpelen zeggen: “De wil der goden staat boven het bewustzijn der mensen.” Wij moeten echter zeggen: “Alle mogelijkheden van het leven zijn de onze. Wanneer er een wijziging in onze omstandigheden voorkomt, betekent het alleen, dat onze oude wereld is afgesloten, dat wij de grens overgaan van wat eens zijn en niet-zijn was; dat wij overgaan over de grens tussen werkelijkheid en droom.”

Het feit, dat wij tussen werkelijkheid en droom vooral in het westen zo weinig onderscheid zien, maakt het noodzakelijk nadruk te leggen op de juiste weg, de juiste wijze van leven. Die wijze van leven kunnen wij natuurlijk over het algemeen formaliseren. Wij weten bv. dat de grote Kung Fu Tze dit heeft gedaan in een grote reeks van voorschriften, waarin hij a.h.w. alle gebruiken heeft vastgelegd en alle verhoudingen heeft getracht te karakteriseren. Dat is voor een tijd en een wereld misschien mogelijk als een systeem. Het is nooit mogelijk als een absolute weg voor alle tijden. Wij kunnen toch wel zeggen, dat elke tijd een bepaald patroon van leven, een bepaald patroon van verantwoording met zich brengt. Ik zou niet voldoen aan hetgeen mij is gevraagd, n.l. mijn eigen visie te geven over het Koninkrijk Gods en de bereiking daarvan, wanneer ik de weg van heden en dan wel speciaal voor het westen buiten beschouwing zou laten. En dan moet ik daarbij misschien bittere woorden zeggen over het westen, maar u zult mij dit ten goede houden. Het is alleen om de juistheid van de weg te bewijzen en dus de regels gelijktijdig te verklaren, wanneer ik ze stel.

De eerste regel van het leven is: Waarheid. Het westen is geborgen in een hypocrisie, waarin het geloofswaarden stelt in de plaats van werkelijke daden. Eerst wanneer het westen leert, dat gedachten en daad een kunnen zijn, dat slechts de beheerste gedachte de beheersing van de daad kan baseren, verklaren en veroorzaken, dan is de eerste verhouding geschapen, die juist is. De mens, die zijn gedachten meester is, is zijn daden meester en dus de banden, die tussen hem en de wereld bestaan. Welke banden zullen er bestaan tussen degene, die de ware weg gaat en zijn wereld? Men is deel van die wereld. Door de wijze, waarop men in die wereld geboren is, zijn de verhoudingen bepaald, waarin men op die wereld zal leven. Het westen verwerpt dit. Men gooit met spreuken als: Elke krantenjongen kan miljonair worden en elke soldaat heeft een maarschalksstaf in zijn ransel. Dit moge principieel mogelijk zijn, maar kan alleen verwerkelijkt worden krachtens geboorte en milieu. Het Westen in zijn droom van de plotselinge en grote bereiking verwaarloost de werkelijkheid, die is. Geboren in een bepaalde status zul je moeten beginnen alle plichten van die status zo goed mogelijk en zo getrouw mogelijk te vervullen met een zo groot mogelijke getrouwheid aan de je ingeschapen principes. Daarbij zul je je meerderen eren en gehoorzamen in die punten, waarin zij werkelijk je meerderen zijn. Daarnaast zul je zelfstandig oordelen, handelen en denken op alle punten, waarop de meerderen niet je meerderen zijn.

Om de meerdere te herkennen is het noodzakelijk te volgende punten in ogenschouw te nemen: Gezag kan worden ontleend aan geld. Wie gezag ontleent aan geld, ontleent gezag aan waan. De gehoorzaamheid kan evenzeer op waan gebaseerd zijn. Wie zijn gezag ontleent aan rang, ontleent het aan de gebruiken van de maatschappij. Zolang men tot de maatschappij behoort, zal men die rang moeten erkennen en wel in volledigheid. Zonder deze erkenning verzet men zich onbewust tegen de wetten der maatschappij en komt in innerlijke disharmonie. Disharmonie betekent verstoring van de weg. Meerderheid en meerwaardigheid kunnen wij vooral toekennen aan diegenen, die wijzer zijn dan wij. Er zijn velen, die meer weten dan wij; er zijn weinigen, die wijzer kunnen zijn. Wijsheid betekent het toepassen van het geleerde in de juiste vorm, de juiste inhoud, de juiste consequentie. Wanneer wij echter iemand als een wijze erkennen, zo zijn wij verplicht hem omwille van zijn wijsheid te dienen met al wat in ons vermogen staat. Eerst door te dienen van uit onze mogelijkheden, zullen wij deel kunnen hebben aan de verdienste van zijn wijsheid.

Dan verder: In het westen zijn de verschillen tussen man en vrouw vervlakt. De weg van de vrouw kan echter nooit de weg van de man zijn of omgekeerd. Men dient dit te begrijpen. Op het ogenblik dat de man de vrouw als gelijkwaardige wil beschouwen, begaat hij een grote font. Zij kan in sommige punten zijn meerdere zijn, in andere punten zal zij altijd zijn mindere blijven. Hetzelfde is het geval met de vrouw. Zij kan trachten om de man te overvleugelen, te overtreffen. Op het ogenblik echter, dat zij dit volledig tracht te doen, verstoort zij de weg, ook voor haarzelf. Zij kan geen zekerheid meer vinden en zal bij gebrek aan zekerheid de harmonie verstoren, de weg niet meer kunnen gaan.

Eerst door in waarheid elkaar te ervaren kunnen ook de seksen de juiste weg volgen. Daarbij geldt voor de huidige verhoudingen: Het is de taak van de man zorg te dragen voor de vrouw. Het is de taak van de vrouw zorg te dragen voor de man. De contacten van de man zullen niet alleen de contacten betekenen, die de buitenwereld betreffen. Hij zal de redelijkheid van zijn denken moeten gebruiken om voor zijn vrouw een kader te vormen, waarbinnen zij haar gevoelens kan laten werken. De vrouw zal door haar aanvoelen en sensitiviteit voor de man de steun betekenen en vaak de basis, waarop hij zijn redelijke gedachten kan opbouwen. Eerst in deze samenwerking zullen zij tot een perfect resultaat kunnen komen, een onderlinge achting kunnen handhaven en zo de weg gaan, waarbij beiden niet zijn wezens, die strijden om meerwaardigheid of meerderheid, strijden om gezag, maar wezens, die elkaar aanvullend een vergrote prestatie mogelijk maken.

De staat is een instelling, die in de moderne tijden voortvloeit uit de wil van het volk. De wil van het volk is het onbewustzijn van het volk omtrent de waarheid. Elke staat als zodanig is een leugen. Elke staatsvorm als zodanig is bedrog. Ze zijn gebaseerd op de onvolledige voorstelling van hen, die deze vorm in stand houden. Dit geldt vooral voor het westen maar helaas tegenwoordig ook voor het oosten. Indien wij stellen, dat de redelijkheid de basis moet zijn van het staatsgezag, dan zullen wij nooit aan de staat kunnen gehoorzamen. Of wij zullen dit doen onder innerlijk verzet, Dit betekent, dat voor ons de weg niet begaanbaar is. De staat ontleent haar rechten niet aan haar redelijkheid of haar verkiezing, maar aan haar gezagspositie, waardoor zij een stempel drukt op onze samenleving. In deze zin aanvaard kan zij ons helpen de weg juist te vinden door het respecteren van de staat en het toch gaan van onze eigen weg op die gebieden, waarop de staat geen enkel gezag kan uitoefenen, nl. het leven der gedachten, het leven van de daad en het streven, voor zover dit niet onmiddellijk de gemeenschap betreft.

In deze regelen, mijne vrienden, ligt een beginsel voor de weg verborgen. Wie hier begint, vindt de eerste weg van het zich juist in deze realiteit bewegen. Men krijgt daardoor dus de juiste omraming van het innerlijk leven, dat zich juist daardoor kan ontplooien zonder te verflensen en te vervloeien als in een theepot zonder bodem, zonder nutteloos in zich besloten te blijven en geen uitingsmogelijkheid te kennen, zoals in een pot, waaraan de tuit ontbreekt om mee te schenken. Bewustzijn moet zich in ons vergaren, ín ons tot rijpheid komen, dank zij de juistheid van onze stoffelijke levenshouding. Wij zullen dan uit onszelf dit bewustzijn kunnen schenken op het ogenblik, dat wij een vat vinden, dat dit behouden kan. Wanneer wij het iemand geven dus ons bewustzijn of onze wijsheid aan een ander geven mogen wij niet verwachten, dat deze zelve ze verwerken zal. Het is als de thee, die in een kop wordt geschonken in Uw streken, opdat zij gedronken zal worden door derden. Niet door de kop zelve. Indien wij dit beseffen, dan zullen wij begrijpen, waarom de waarheid en de wijsheid zo erg belangrijk zijn in het heden. Wij omschrijven datgene, wat thans nog niet (dus niet-bestaande) is en maken daardoor deze wereld tot een intens en werkelijk bestaande op het ogenblik, dat ons heden tot niet wordt (dus vergaat voor ons eigen bewustzijn, voor onze eigen wereld).

o-o-o-o-o

Eén met God

Wanneer we spreken over “een met God”, dan spreekt men er meestal over als iets, wat nog komen moet. Maar kunnen wij zonder God bestaan? Ik wil dus allereerst beginnen met vast te stellen, zo vreemd als het moge klinken, dat we allemaal een zijn met God. Alleen we weten het niet.

In de tweede plaats: We verlangen ernaar om een te zijn met God. Dat is natuurlijk heel erg mooi. Maar gezien het feit, dat we al een zijn en alleen ons begrip daarin ontwikkeld moet worden, wordt het de vraag, of het wel verstandig is om onmiddellijk zo ver te grijpen. Kun je een andere taal goed leren, wanneer je je eigen taal niet beheerst? Kun je leren 4-dimensionale wis- en meetkunde geheel te construeren, te verstaan, ermee te werken, wanneer je niet eens een beetje algebra kent of de eerste principes van planimetrie bijvoorbeeld? Dat is onmogelijk.

Eén zijn met God, dat is natuurlijk een doel ergens in de verre afstand voor ons bewustzijn. Maar daarbuiten ligt toch wel de werkelijkheid. En de werkelijkheid is, dat we om te leren lezen moeten beginnen met het A.B.C. te leren, letter voor letter. Het is natuurlijk niet bedoeld als een pijnlijk lesje, hoor. Helemaal niet. Het is alleen maar een verklaring, waarom dat één zijn met God eigenlijk zo zelden werkelijkheid voor u zal brengen, waarom dat allemaal zo veraf klinkt.

En toch kunnen we soms iets ervaren, wat die eenheid al zeer nabij komt. Het is een heel verschil of je het eerste boekje leest op de school. U weet wel van Betty is een meisje of dat je het proza leest van een Vestdijk of een Zola of een Dante Alighieri. Dat is een heel verschil. En toch in die eerste gelezen regeltjes in Engeland is het altijd: Mary has a little lamb, Marietje heeft een lammetje is die voldoening vaak even groot of soms groter, dan wanneer je later een heel ingewikkelde roman of studiewerk hebt gelezen. Mag ik dan dus wel dit lesje besluiten met te stellen, dat wat we één zijn met God noemen over het algemeen niet meer is dan de tevredenheid, die we over onszelf hebben, wanneer we een klein deel van het goddelijk Wezen hebben begrepen? Zo is het toch werkelijk.

Eén zijn met God. Er is een kracht, die het Al doortrilt, die in elk wezen leeft en in zijn wet geschreven heeft dat, waarheen ieder nu nog streeft en wat een ieder niet begrijpt.

Eén zijn met God. De waarheid niet geopenbaard, maar toch tot waarheid reeds geworden alleen door het bestaan. Gescheiden zijn van God is waan, waarin het onbegrip zichzelf nog verschuilt en tracht een grens te vinden tussen ik en God.

God leeft in al wat is, in u zoals in alle dingen. Wanneer u zoekt naar woord, begaat een daad, gedachten schept en vormen geeft.,.. dan is dit alias deel van God, de kracht, waaruit ge leeft, waarin ge voortbestaat.

Ge kunt het niet begrijpen, ‘t begrip voor al wat u beweegt en werkelijk leven is, dat moet nog komen. ‘t Gemis aan grootsheid van begrip doet ons in ‘t kleine vaak nog zoeken en grijpen soms wel wat te hoog. We zouden willen stijgen tot waar de regenboog zijn einde vindt, daar waar God en mens vereend zijn zonder grens. Maar kun je dat bereiken, terwijl je bent een mens, niet meer? Een geest misschien? Zolang je ‘t “ik” gescheiden nog van al het zijnde kunt zien en begrijpen, kan er geen één zijn met God in jouw bewustzijn bestaan.

Maar stel je een daad en doe je het goed, heb je het beste wat je doen kon gedaan, dan kan er in je hart een vrede, een stille rust ontstaan….een vreugd misschien. ‘t Is eenheid met God, nog niet begrepen.

Wanneer je een landschap ziet en een schoonheid, die je overweldigt, zodat je zwelgt in al wat je aanschouwt, dan meen je misschien, dat de vrede, die in je wordt gebouwd, het landschap is, van buiten komt, dat het een reeks van gedachten is samengedromd in het ene beeld. In werkelijkheid is het één zijn met God, een aanvoelen even van dat, wat in je leeft.

Eén zijn met God is de werkelijkheid van heden. Eén zijn met God is het vreemde gevoel, de reactie op de daad, op ‘t gebeuren, op ‘t aanschouwen, waarin je een ogenblik jezelf vergeet. Zodra je jezelf hebt vergeten, kun je één zijn met God. Wanneer je weten is verbleekt en is geworden tot aanvaarden, dan kun je één zijn met God. Eén zijn met God is: niet meer zelf bestaan, doch deel zijn van het zijnde in een vol bewustzijn.

Dan heb ik daarmee geprobeerd, om dit onderwerp te belichten, zoals dat volgens mij juist is, we zijn meer een met God, dan we ons realiseren. Laten we daarom niet te veel naar die hoge dingen grijpen, maar proberen in het heden zoveel mogelijk die innerlijke rust te vinden. Dan wordt de eenheid met God in ons steeds duidelijker. En dan wordt uit het kleine voor ons het allergrootste geboren, de volledige en werkelijke bewustwording.