Het Koninkrijk Gods

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 54

24 februari 1957

Er is in het christendom zeker zeer veel mystiek te vinden. En deze mystiek zouden we kunnen verdelen in een uiterlijke, die later is geschapen en een innerlijke. Anders gezegd: een exoterische en een esoterische mystiek.

Nu zal de exoterische mystiek ons over het algemeen koud laten. Die is niet voortgekomen uit Jezus’ leven en zijn leerstellingen, maar eerder een begeleidingsverschijnsel, dat dank zij het streven en denken der mensen langzaam maar zeker gegroeid is rond de eigenlijke kern. Ja, het gaat zover, dat vele van die begrippen op het ogenblik verloren zijn gegaan. De inhoud van Jezus’ leer is nog wel bekend. Maar de verborgenheid van zijn leer, de innerlijke beleving daarvan, is voor de meesten teloor gegaan..

Vandaag zou ik dan ook graag met U willen spreken over een van de meest gebruikte frasen uit het christendom: het Koninkrijk Gods.

Want juist achter deze woorden staat een gehele wereld van mystieke belevingen en mogelijkheden open, die gelegen buiten het kenbare in zich een volledig schema van bewustwording vormt.

Het Koninkrijk Gods, dat is een betrekkelijk algemene aanduiding. En wanneer we Jezus horen spreken daarover, dan ontdekken we, dat we het zeker niet moeten zien als een vaste waarde. Want er is het Huis des Vaders met zijn vele woningen. Daar zijn de duizenden verhalen en gelijkenissen, waarvan Jezus er vele zelf origineerde, die ons steeds weer een ander aspect tonen van het Goddelijke.

Nu spreekt Jezus tot de menigte in gelijkenissen. Hij doet dit, omdat ze zijn leer niet begrijpen kunnen. Omdat zij zich zouden verwarren in de volheid van gedachten, die de achtergrond vormt van heel zijn leven en werken.

De volgende leerstellingen heb ik samengevat; d.w.z., ik heb hier Jezus leringen over vele verschillende perioden, gegeven aan verschillende gezelschappen en groepen, samengevat. Ik heb deze aangevuld met leringen, die wij in de sferen ontvangen hebben. En ik wil zo trachten U dan vandaag een beeld te geven van de innerlijke betekenis van dit Koninkrijk Gods, waarover Jezus zo vaak gesproken heeft.

Er zijn twee geheel verschillende werelden. Deze tweeheid kennen wij als stof en relden, geest. Maar de materie zelve is onder te verdelen in een reeks van we waarvan gij er slechts een kent. Alle z.g. duistere werelden zijn stoffelijke werelden. Wanneer Jezus spreekt over uitwerpen in de buitenste duisternis, dan bedoelt hij hiermee: het gebonden zijn in de materie op een zodanige wijze, dat men eerst na lang streven en zoeken zich weer bevrijden kan van de materie en bewust het geestelijke doormaken. Wanneer Jezus spreekt over deze wereld als deel van het Koninkrijk Gods, drukt hij daarmede uit, dat God ook leeft in al deze werelden. Dus geest en stof zijn beide goddelijk.

Nu zijn echter vooral de lichtere werelden, die tot dit Koninkrijk behoren, voor de mens vaak vol van tegenspraak. Er zijn werelden, waarin al, wat gebonden is dus aan aardse wetten gehoorzaamt ontbonden is. Ontbonden, omdat geen enkele stoffelijke wet daar van toepassing is. Ja, wat meer is, elke belemmering, elke remming van beleving wegvalt.

Om even letterlijk te citeren: “Het Rijk mijns Vaders is geen rijk van ledigheid. Het is een volheid van werken en daden. En geen rust is er; maar het niet rusten wordt tot rust, omdat het werken is in de Vader.” Er is een voortdurende beweging, een voortdurende werking tussen wereld en wereld. Er is een beleven, dat nooit ophoudt en steeds weer nieuwe aspecten kent.

Eén van Jezus’ leerlingen merkte daaromtrent op: “Wanneer de Vader al volmaakt is, zo zullen wij in onze eindigheid Zijn oneindigheid nooit volledig beleven.” Waarop Jezus de opmerking maakt: “Zo is de volheid van Uw beleven het loon voor Uw leven in mijns Vaders Huis.” Wanneer je leeft in God, dan wisselt wereld na wereld zich af. En elk kent zijn apart beleven. Over deze werelden werd onder meer het volgende gezegd:

“Wanneer gij leeft in een der vele woningen, zo meent gij soms dat Uw wereld gevuld is. Want ziet, er is licht en er is vreugde, er is kracht en er is arbeid. Maar bedenk wel, dit is slechts één woning. En er zijn er vele. En de woningen tezamen liggen in een rijk. Dat rijk is de werkelijkheid. De woning is een afzondering van de werkelijkheid.

Gij kunt zeggen, dat voor een ieder een vervulling van alles mogelijk is, en geen ogenblik van onvrede zal blijven bestaan. Zo gij verlangt naar de volheid van het materieel genot, zo zult ge echter ontdekken, dat slechts in de beheersing het waar genieten ligt. Dat slechts in het verwerpen de grote rijkdom ligt. En ziet, deze rijkdom zult ge U verwerven daar, waar mijn Vader heeft gesteld de volheid der vormen voor U. Opdat gij, belevend alsof gij mens waart, kunt leven als meer dan mens.

Er zijn vele machten, die dienen in het Huis mijn Vaders. En Hij heeft hen gesteld tot wachters en opzichters. Hij heeft hen gemaakt tot rentmeesters van Zijn werelden en rijken. Maar bedenkt wel, zij allen zijn de uitvoerende macht van één rijk.”

De samenhang van alle dingen neemt niet weg, dat er in het Koninkrijk Gods veel verschillende mogelijkheden zijn. Deze mogelijkheden winnen dan langzaam maar zeker een beeld als volgt: Elk beleven bestaat in een aparte kracht, die in je maar ook buiten je bestaat. Zo is elke harmonie met een bepaald deel van het Goddelijke het toetreden tot een bepaald deel van het goddelijk Rijk, Het gehele Koninkrijk Gods kennen en realiseren is voor de mens onmogelijk. Het is ook voor de geest moeilijk te benaderen. En slechts de allerhoogsten weten, wat het Koninkrijk Gods in zijn volheid betekent. Maar waar gij ook gaat, indien gij intreedt in Gods Rijk, zal Gods kracht, gepersonifieerd door een van Zijn dienaren, te allen tijde U bijstaan en dienen, terwijl ze U gelijktijdig leidt. Een sfeer, een wereld, bestaat dus uit een leiding, die U voert in een bepaalde richting, maar U gelijktijdig steunt bij de vervulling van Uw taak, bij de vervulling ook van Uw verlangen en Uw eigen wezen.

Er is opgemerkt door Jezus, dat niets, wat de stof kent, het Rijk zijns Vaders vreemd is. Het is dan ook logisch, dat in al die; sferen ook aspecten, die U in de stof kent, tot uiting kunnen komen. Het is niet noodzakelijk, maar het is mogelijk. Die werelden worden dan onderverdeeld en, ik houd hier dan even de verdelingen aan, die ik in de sferen gehoord heb op de volgende wijze:

De stofvorm wereld. Hierbij is nog een uiterlijk beleven mogelijk. Het uiterlijk beleven juist is datgene, waarop Jezus gelijkenissen berusten. Wanneer hij spreekt over de heer, die zijn knechten uitzendt om gasten te nodigen, dan spreekt hij over deze werelden. In deze werelden moet je aanvaarden en doormaken, of verwerpen,

Een verwerpen daarvan kan tweeledig geschieden. Het kan geschieden door te dienen de heer, die uitnodigt. Als dienaar ben je ontheven van het feestmaal, dus van de tijdelijke waan van stoffelijke genietingen, die aan vele lagere sferen inherent is. Maar verwerp je zonder te dienen, dan val je terug in de stoffelijke werelden. Dit op grond van het feit, dat geen enkel wezen aan de voor hem gestelde reeks ervaringen kan ontkomen; dat geen enkele kracht kan ondergaan zonder geproefd te hebben van alle waarden, die God heeft gesteld.

Dan wordt er bij ons verder gezegd over die sferen: Er zijn werelden, waar men niet meer de vormen, maar de geest dient. Hierin wordt uitgedrukt, wat Jezus bedoelt, wanneer hij zegt, dat de geest des Vaders in U woont. Niet de gehele God leeft in U, maar de geest. De geest is bewustzijn, gedachte. Aan de hand van Jezus eigen leringen zowel als hetgeen ik in de sferen heb geleerd, moeten wij dan ook zeggen, dat in ons leeft het goddelijk bewustzijn en de goddelijke kracht, maar niet het goddelijk wezen als totaal.

Ik weet, dat dit in tegenstelling is met wat vele malen wordt geleerd, maar zo ligt het in de christelijke zin van het woord. En dit houdt in, dat juist, omdat niet de totale God, maar wel het goddelijk bewustzijn is gerealiseerd, een ervaren van God op elke trap en in elke sfeer mogelijk is.

Een vraag, hoe God dan te vinden zou zijn in alle woningen van Zijn Huis, wordt stoffelijk opgelost door te stellen, dat er een tempel is. Een tempel, waar allen heengaan om God te eren. Volgens Jezus zelf is dit niet waar. “Want,” zegt hij, “denkt gij, dat Mijn Vader zo’n slechte gastheer is, dat Hij Zijn gasten zal verlaten? Ziet, in elk huis is Hij en in elk huis wordt Hij gekend. Maar in elk huis heeft Hij een andere gestalte.”

God uit Zich op elk vlak, kenbaar voor een ieder, die in dat vlak naar volmaaktheid streeft. Maar Zijn uiting brengt met zich mede, dat Hij, kenbaar op dit vlak, niet Zijn volledig wezen openbaart, maar dat gedeelte, dat voor dat vlak passend is.

U kunt natuurlijk op deze manier veel verder gaan. U kunt zich gaan afvragen: Wat gebeurt er met ons, wanneer wij nu die verschillende woningen in het Huis des Vaders betreden hebben en behoren tot twee of meer woningen? Jezus geeft in zijn geheime leer de oplossing:

“Niet zijn wij één in onszelf, doch verdeeld. Zo wij echter uit de verdeeldheid tot eenheid worden, zo zullen wij door de kracht van de Vader in ons verdeeld zijn in vele krachten en vele werelden. Een zijnde en toch levend in vele werelden zullen wij de Vader kennen in vele gestalten, in vele gedaanten. En juist uit de veelheid van onze ervaring van Zijn kracht en wezen wordt ons het ware Licht geboren, dat ons voert tot de kern van het zijn, waarin wij het doel van onze bestemming vervullen.”

Ik hoop, dat ik het U niet lastig maak. Dat U niet zegt: “Wat is dit eigenlijk voor een wijdingsdienst.” Het is een soort cursus ook hier. En juist daarom moet ik die punten zo naar voren brengen. Begrijp het goed, vrienden: Het Koninkrijk Gods is identiek met het totaal der werelden. Wanneer dat Koninkrijk Gods in U ligt volgens de exoterische uitspraak, betekent dit esoterisch, dat men elke wereld in zich moet dragen en beleven om God, zoals Hij Zich in die wereld uit, te erkennen.

Wanneer U wordt gezegd, dat het Uw streven in de wereld is, dat U tot God voert, zo is dit in feite onjuist. Want het is niet Uw streven in de wereld maar met de wereld; de realisatie van Uw wereld in Uzelf, zonder bedrog, zonder onredelijkheid, die U het Goddelijke in die wereld doet kennen en zo als heiligdom in U dragen.

Eén punt mogen we hier zeker niet voorbijgaan. Want één der leerlingen heeft Jezus eens gevraagd en het was ook een van zijn meer gevorderde leerlingen: “Wat is dan de mogelijkheid? Want ik ben toch maar één.” Dan geeft Jezus een zeer opmerkelijk antwoord:

“Gij denkt één te zijn, omdat gij de veelheid van Uw wezen niet verstaat. Doch ik zeg U: In elke wereld leeft gij. In elke hemel droomt gij. Het is aan U te ontwaken in de wereld, die de Vader voor U bestemd heeft. Zo gij Zijn wil verloochen, zo zult gij ontwaken in die delen van Uw wezen, die onzuiver zijn, en daardoor lijden. Zo zult gij de duisternis vinden, die niet uit de Vader maar uit U geboren wordt. Doch waar ge leeft in elke wereld, is het voldoende U tot de Vader te richten en te ontwaken in Zijn Licht om een nieuwe en volle beleving van Zijn wezen te hebben.”

Kort gezegd: Het menselijk wezen leeft gelijktijdig in elke wereld, die bestaat, in elke sfeer, in elke toestand. Maar dromend op vele vlakken is men slechts wakker (d.w.z. men beleeft en denkt) van uit een vlak. Maar indien het bewustzijn in de mens voldoende is, zo kan hij dank zij de goddelijke kracht in hem ontwaken in dat deel van zijn eigen wezen en leven, dat in overeenstemming is met zijn zuivere voorstelling van God. Door de ervaringen daar zal hij wederom leren een nieuw deel van zijn wezen te wekken.

Wanneer Jezus wordt gevraagd: “Maar indien wij zo al slapen in vele werelden, wie wekt ons?” dan zegt Jezus: “Gij wekt Uzelf. En dat, wat gewekt is, zal niet meer sluimeren.” Het bewustzijn, dat verworven is in deze werelden, zal te allen tijde bij U blijven. Wie de aarde heeft beleefd in de ware zin, kennende God in de mysterie, zal nooit en te nimmer die wereld vergeten. Hij zal haar nooit verlaten. Zij zal een deel van zijn wezen zijn, misschien onbelangrijk naast de vele andere werelden, die mee deel uitmaken van het bewustzijn, maar nooit geblust, altijd belevende.

Rest mij nog in mijn inleiding van heden morgen één uitspraak aan te halen.

Wanneer ik U zeg: “Bid tot de Vader,” dan zeg ik U: “Ontwaak in Uzelf.” Zo ken de Vader en smeek om bewustzijn van Zijn kracht in Uw eigen wereld, maar ook in alle werelden. Want ziet, smekende tot God ontdekt gij God in Uzelf en in de wereld. De Vader is altijd met ons. Maar het is noodzakelijk, dat wij Hem erkennen in elke wereld opnieuw en te allen tijde, willen wij onze werelden beleven en één zijnde met Hem komen tot de volmaaktheid, die is de eeuwige vreugde en het eeuwige leven.”

Mijne vrienden, hier wordt het gebed gesteld niet als een smeken tot God, maar als een erkennen van God. Het is een realisatie van wat God voor U doet en wat God U geeft. Zo, – meent Jezus – erkent ge God in Uw wereld en leert ge Hem kennen. En hoe meer werelden ge in Uw gebed mede weet te betrekken, hoe groter de volheid van werelden, waarin ge zult ontwaken en God ontmoeten, hoe groter het aantal werelden, waarin ge bewust zijt.

De innerlijke weg van het christendom is de weg van de grote bewustwording. En het is juist hierover, dat onze gast  zal spreken. Wanneer hij spreekt over een beleving en U dit beschrijft i.p.v. zoals ik te argumenteren (of althans te trachten dit te doen), dan zal dit ongetwijfeld verwant zijn met zijn dichterlijke aard. Maar het beeld, dat hij U ontwerpt, zal zeker in overeenstemming zijn met het vage bewustzijn, dat ge verworven hebt. Wat meer is, het zal misschien in zijn beelden een verheldering betekenen, ook van hetgeen ik thans gesproken heb. Vandaar dat het me een ware vreugde is het woord thans over te geven aan onze gast.

o-o-o-o-o

Te spreken over de waarheid van het Koninkrijk Gods is een taak, waar woorden te kort schieten. Want het beleven van de krachten van het Licht, van de innerlijke glans, die het Al doordesemt, is een weten, dat ontvlucht aan alle beperking. En het woord is beperkt.

Ik zal trachten U iets weer te geven van wat ikzelf gevonden heb en in de stoffelijke wereld en in de vele werelden, die rij na rij optornende tot de Allerhoogste het bewustzijn leiden tot een steeds voller appreciatie, een steeds nauwkeuriger en zuiverder omvamen van het wezen, dat zich in ons openbaart.

Wanneer je leeft op aarde, dan is de wereld schijnbaar doods en somber. Een ogenblik geeft de zon wat licht, dan komt de koude nacht en is het tinkelen der sterren, als kristallen klank in de nachthemel, een kille, wonderlijke droom, waarbij de werkelijkheid teloor gaat en de wereld geen wereld meer schijnt. Maar wanneer je leert te leven met de krachten, die bestaan in sterren en in materie, dan lijkt het, of alles doortinteld wordt door een gloed, die sterker en sterker de vormen tot uiting brengt. Dan is geen zon meer licht, maar het zij zelve is lichtend te allen tijde. Weg valt de vage, tinkelende klank der hemelen. En daarvoor in de plaats komt de volheid van een Licht, dat nog versluierd toch reeds zijn leven op je afdrukt, op alle wereld.

Indien je dit Licht kent, dat straalt uit alle dingen, dan heb je het Koninkrijk Gods gevonden op deze aarde. Maar het is meer dan dit.

Wanneer het stoffelijk kleed, vervaagt en uit de nevel van de wereld langzaam maar zeker in het sterke Licht nieuwe en volmaakte vorm geboren wordt, wanneer je juichend gaat door eeuwige wouden en sidderend van ontroering knielt in bloemen, die volmaakt van vorm een bed zijn waarop de biddende mens zich vlijt, dan kom je tot een nieuw bewustzijn en ontwaken.

Niet meer is de wereld alleen doorlicht, niet alleen alles rond je, wat licht uitstraalt, maar er ligt een band tussen jou en al, wat je aanschouwt. Richt je je blik tot de hemel, ziet, het is een band van vuur, die uitgaat tot de Hoogste, en vandaar terugkeert, wonderlijk en sidderend als gouden kracht, je wezen doortrillend en weerkaatsend in al, wat je beroert.

Wonderlijke wereld. Wereld van zilver, beroerd door het gouden licht. De maan van het geestelijke zijn, levend door het licht van hoger sferen; en toch vol van eeuwige vreugde.

Wie zijn stem verheft, spreekt daar niet alleen. Daar klinkt een koorzang op bij elke ademtocht. Daar spreekt de eeuwigheid, wanneer zacht de mond tracht een woord te fluisteren. En niet genoeg is het. Want wanneer je leeft in die wereld en het gouden Licht, dat je ontvangt van de Hoogste, doorklinkt in je wereld en het goud langzaam verandert in een wonder amalgaam, dan word je verheven boven jezelf en je wereld dooft.

Je leeft in de planten en de bloemen, je leeft in de vlinders en je vliegt op de wind. Je wordt gedragen in alle dingen. En alles heeft stem en spreekt in je. En in alles is een gouden draad. Een gouden draad van goddelijke kracht en van goddelijk leven, die samenvloeiend in jou wordt tot een kolk, die een kolkende stroom van gouden levenskracht voortbrengt.

Wel zegde ons de Meester: “Wie opgaat in het Licht en het Licht in zich draagt, verzinkt in zichzelf.” Want naarmate je intenser leeft in de wereld, deze nieuwe wereld, die in licht en kleur samenvloeit en in je alle leven doet erkennen, hoe meer je verwijderd raakt van die wereld. Niet meer de vorm en het leven spreken. Maar de kolkende kracht van het goud, dat je doorstroomt, trekt je wezen weg. En de wereld verandert. Verzonken zijn de vormen. Geen stem meer, die fluistert. Het goud wordt tot een ijle nevel, waarin een enkele ster geboren wordt en sterft, voor je je bewust bent, dat er tijd is.

Vergane tijden, vergane eeuwen, vergane oneindigheden klinken mee. En soms lijkt het je, of uit de nevel, die rond je hangt, zich vorm na vorm openbaart en ondergaat.

Alle tijden spiegelen zich in een spiegel van eeuwig licht. Herboren uit de goddelijke herinnering is al, wat ontstaan is eens, en wat ontstaan zal eens.

En dan scheidt zich iets af uit het goud. In je versaagt het goud en de stroom houdt op. Eenzaam ben je en stil in een land van gouden mist. En dan komt er iets:

Als zilver haast van kleur, maar warmer, rijker, levender, met een eigen kracht en bestaan puurt het zich uit de vormen. Het komt uit de nevel, alsof een lichte mist neerslaat en dauwdruppels van waar vermogen achterlaat.

Als platina is het nieuw bewustzijn. Kostbaarder, simpeler, volmaakter. Want weg vallen de kleuren. En in de witheid van het brandend vuur, dat thans door je aderen gaat en je nieuwe kracht geeft, dat stijgt in je denken en daalt in je daden, zie je heel de wereld. Nu niet meer wordend en vergaand, maar één.

De grote verlossing, die door alle tijden heen op alle werelden steeds weer het bewustzijn brengt, wordt één, krijgt een gestalte, die zonder gezicht toch bekend is en geliefd als een moeder, die je lang niet hebt gezien. En het is een stem, die spreekt in je, die je de leer en het geheim vertelt van duizenden werelden, van ongetelde openbaringen.

God fluistert in het witte licht en in deze fluistering versterft je ervaring. De Stem vertelt verder, terwijl dieper en dieper de oneindigheid bloeit.

En dan treedt je daar jezelf tegemoet. Je ziet, wat je was, wat je bent. Je ziet, wat je kracht is en je wezen. En je ziet, wat je God is. Dan versmelten zich alle metalen der schepping en bloeit daaruit op het ene, de Kracht, die verblindend in zijn licht, wonder in zijn sterkte, je plotseling het bewustzijn doet omvamen, dat schepping heet …. en meer dan schepping.

Hoe kan een woord dit beleven beschrijven? “Spreek over het Koninkrijk Gods” is mij gevraagd. Dit is Gods Koninkrijk. Alles. Er is geen ogenblik, dat Gods Koninkrijk niet met al deze gezichten rond ons is. Geen ogenblik, dat we ondergaan, Geen ogenblik.

Maar onze ogen zien niet en onze oren zijn doof voor de stem der eeuwigheid. In ons vervloeit de kracht en we beseffen het niet. Tot wij wereld aan wereld weten reien en tijd aan tijd, tot een snoer van beleving voor ons de verbinding vormt tussen onze wereld en de volgende, tussen ons bewustzijn en een hoger en we zo zelf kunnen overgaan van wereld naar wereld, van sfeer naar sfeer, van bewustzijn naar bewustzijn. Tot het laatste: de eenheid met alle dingen.

Jezus heeft dit geweten. De kracht, die door hem sprak, heeft ons deze weg getekend. En wij gaan met hem dit pad.

Maar juist uit het Al daalt telkenmale weer de Liefde neer. De Stem van de Oneindige, Die fluistert in de volbewuste, spreekt soms door de mond van een mens. En daarom is het nog geen tijd op te gaan in den Eeuwige voor allen, voor ongekende tijd. Nog is het tijd om terug te keren en te dalen. Om zelve te zijn levende kracht, die uitgaat. Die daalt en stijgt, die speelt en werkt, die bewustzijn wekt en vervaagt. Want in mij zoals in velen werkt de kracht der Oneindigheid. En wanneer ik de stem verhef, die voor een ogenblik de mijne is, doe ik dit slechts om deze waarheid te verkondigen.

Gods Koninkrijk is in en rond ons. Gods Koninkrijk is onze werkelijkheid. Al het andere gaat voorbij, maar dit is waar. Door te durven leven, zoekend naar God in alles, God ervarend in alles, zullen wij één zijn met God. Dat God ons Al zij en wij één zijn met Al in God.

Dit zijn de woorden, die ik spreken kan. Meer te zeggen zou dwaasheid zijn. Het Licht zij met U. De bevrijding zij Uw doel.

o-o-o-o-o

Op dergelijke woorden, vrienden, is eigenlijk alleen de stilte het gepaste antwoord. Ik zou moeten verklaren. En ik kan niet verklaren, omdat het verder reikt dan mijn weten en in mij iets beroert, dat ik ken en waarvan ik nog niet bewust ben.

Hoe zou je na deze werelden een kort ogenblik in woorden geboren eigenlijk moeten spreken voor de nuchtere werkelijkheid? Want het leven is geen droom, maar het lijkt er soms op. En deze woorden zijn geen waan, ook al klinken ze soms als een fantastische vlucht uit de werkelijkheid. Want onze werkelijkheid is juist hetgeen wij ontvluchten, vrienden.

Het Koninkrijk Gods met al zijn krachten, met al zijn schoonheid, met zijn licht en zijn ervaren, is rond ons en in ons. Maar wij zijn bang om die volledigheid te aanvaarden. Bang, omdat het ons verplichtingen oplegt, die wij niet kunnen nakomen. Bang, omdat de volmaaktheid van het Goddelijke zelfs in onze wereld voor ons een verwijt is, omdat we zo vaak falen.

Neen, ik geloof niet, dat ik aan deze redevoering, aan dit gedicht van waarheid iets kan toevoegen. Ik heb alleen maar het idee, dat we er een consequentie aan vast moeten knopen. En dat is dan ook werkelijk alles, wat ik vandaag wil doen. De consequentie is deze:

Wanneer we willen streven naar die werkelijkheid, wanneer we willen opgaan in God en Gods Rijk, dan zullen we steeds weer onszelf de teugels moeten aanleggen. We zullen onszelf moeten beperken. En we zullen ons doel moeten nastreven op onze eigen wijze. Maar met alle krachten, en zoals dat op aarde heet ten koste van alles.

Bedenk wel, wie naar God streeft, betaalt geen werkelijke prijs. Het kan lijken, of je iemand of iets opoffert om dit te bereiken. Maar het is niet waar. Want de rijkdom, die je krijgt, zal doorklinken ook naar degene, die je het ontnomen hebt. Het zal ook weerkeren in de wereld, waarin je een ogenblik van iets afstand hebt gedaan. Wie streeft naar het Koninkrijk Gods, kan niets verliezen.

Laten we daarom niet vluchten voor Gods Koninkrijk, vluchten voor het Licht in en rond ons. Maar laten we het aanvaarden en niet denken, dat we als mens of als geest te beperkt zijn om te bereiken, dat we de prijs nog niet kunnen opbrengen en de kracht nog niet bezitten. Want de kracht Gods is ons en de rijkdom van Gods schepping is de onze, wanneer wij God Zelve willen aanvaarden, zoals Hij Zich aan ons openbaart in Zijn eigen wereld, in onze wereld, in het zijnde.

Nu is het misschien heel erg kort, dat ik heb gesproken. Maar ik geloof er goed aan te doen het woord over te geven aan de laatste spreker. Want moge de spreektijd niet zo buitengewoon lang zijn, hetgeen gezegd is, is voldoende voor uren.

o-o-o-o-o

GROEI

Het leeft verborgen in zwarte aarde, verborgen nog onder slijk en sneeuw. En het ligt daar te dromen en te wachten, zo lang, misschien reeds meer dan een eeuw. Toch zal het leven. Want het zaad draagt een kracht in zich, die het ontkiemen laat.

En spreekt dan eens de zon haar zegen en wekt de geest, de kracht, het zijn, dan groeit uit kiem ‘t eenvoudig leven, zo teer, zo zacht, zo arm en klein.

Maar raakt de zon ‘t ontwakend leven, het vindt steeds grotere, nieuwere kracht. ‘t Ontplooit zich dankbaar tot het leven, ontwaakt met bloem en bloesempracht.

En heeft het dan in kleur geschreven de dank voor ‘t eeuwige bestaan, het brengt het zaad voort en gaat slapen en vindt in droom de betekenis van waan, van groeiend leven.

Want in het menselijk stoffelijk streven en in de aardse werkelijkheid, daar ligt het zaad reeds weer verborgen van nieuw ontstane eeuwigheid.

Beperking, bloei en dank betonen is onbegrip van dat, wat leven heet. Want eeuwig is het en onderbroken door niets.

Wie dit geheim slechts weet, diens groei staat stil, diens zoeken, derven, gaat ten onder in het licht der zon. Omdat het zaad juist door de vormen te verwerpen de eenheid met het zonlicht won.

Groei, dat is voor jonge zielen, voor jonge mensen, die nog gaan door vele vormen en vele malen keren terug in ‘t stoffelijk bestaan.

Maar willen zij hun les dan leren, ontsluieren zij ‘t geheim der tijd, dan weten zij: de Kracht des Heren is in mij in alle eeuwigheid. Dan weten zij: des Vaders wezen, dat spreekt in mij op Zijne wijs, is eeuwigheid en zonder grenzen.

Zo ben ik, geest of deel der mensen, één met de Alkracht in al ‘t bestaan. Groei en dood, opgang en neergang, ‘t is onbewust zijn al, en waan.

Want, mijne vrienden, alle leven schijnt een spel te zijn van groei en ondergang. Maar het is het bewustzijn, dat deze krachten schept. Zo is het bewustzijn volmaakt zal er niets bestaan behalve het zijnde. En het zijnde is God.

Moge dan onze eenheid met God een einde betekenen van onze groei en een begin betekenen van onze werkelijkheid.