Het leven in de sferen

uit de cursus ‘Geestelijke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 2)   november 1956

Wanneer u zich herinnert hoe wij een vorige maal een groot aantal mogelijkheden maar ook aspecten van de menselijke geest belicht hebben, juist vanuit het stoffelijke bezien, zult u ongetwijfeld op het ogenblik begrip hebben voor de moeilijkheid, die het onderwerp ‘Leven in de Sferen’ ons biedt. Een volstaan met een reeks van beschrijvingen is hier nl. niet voldoende. Sta me allereerst toe voor u het woord ‘sfeer’ nog even te definiëren.
Sfeer of sferen noemt men de bewustzijnstoestand, waardoor het ik een bepaalde wereld waarneemt en voor zich als werkelijkheid aanvaardt. Dat is een sfeer.
U zult nu heel goed kunnen begrijpen dat de verschil­lende ontwikkeling van de mensen, hun verschillen in sensitiviteit, de onderlinge samenwerking ‑ of ook wel strijd – tussen de verschillende delen van de menselijke psyche, bepalend zijn voor wat geestelijk wordt beleefd. Dit proces zou door een bekwaam psycholoog waarschijnlijk gevolgd kunnen worden, zo hij in staat zou zijn om voldoende helderziende waarnemingen te doen.
In de eerste plaats: de overgang. De overgang is een wisseling tussen twee sferen en wordt dus van uw zijde gebruikt om aan te geven dat het bewustzijn van een mens zich verplaatst naar een terrein, dat minder grof materieel is dan uw eigen wereld. Hierbij dient in de eerste plaats gerekend te worden op aanpassing. Een je aanpassen aan de nieuw optredende omstandigheden, een begrip ook voor je nieuwe mogelijkheden en onmogelijkheden is noodzakelijk.
Naarmate de geest minder in staat is zich los te maken van haar gedachten aan aardse beperking en ook stoffelijke vrijheden, zal zij ook minder in staat zijn een geestelijk leven te aanvaarden. Er is enerzijds geen uitingsmogelijkheid volgens het geestelijke gezien het vasthouden aan de stofbeelden, anderzijds geen mogelijkheid tot stoffelijke uiting, althans onmiddellijk, door een gebrek aan een stoffelijk voertuig om bepaalde tendensen in de geest te uiten. Een sfeer van buitengewoon veel verwarring en ook van wanhoop.
Wij mogen dit niet verwarren met het astrale gebied. Het astrale gebied is de omschrijving van een fijnstoffelijke wereld.
Deze eerste sfeer kruist die astrale wereld. Dat wil zeggen, een groot aantal van de wezens, die bestaan in de fijnstoffelijke of astrale wereld, zijn in staat zich kenbaar te maken en te tonen als realiteit aan degenen, die na de overgang nog in hun eerste sfeer zijn blijven hangen, deze sfeer van chaos. Maar er is geen overeenkomst verder. Er is een mogelijkheid elkaar te benaderen en te bereiken, meer niet.
Dus denk nooit dat een mens kan overgaan naar het astrale gebied. Hij gaat over naar, wat wij kunnen noemen ‘de eerste sfeer’ of ‘overgangssfeer’, die haar chaotisch karakter vooral uitdrukt in het afwezig zijn van elk beeld. Vandaar dat u hoort spreken over een sfeer van nevel, van grauwheid. En dat u het einde van deze sfeer hoort aanduiden als ‘Land van Schemering.’
Deze aanduidingen betrekken zich niet op de eigenlijke toestand van een wereld, maar op de wijze, waarop een geest zijn omgeving beleeft. Wanneer u niet in staat bent uw wereld juist te interpreteren, zoals b.v. een klein kind, dan is die hele wereld grauwig en wazig. Naarmate het kind groeit, krijgt de wereld meer beeld en kunnen wij dus spreken van ‘schemer’. Er is nog geen associatie van beelden mogelijk, maar men kan reeds vermoeden dat er een samenhang bestaat. Dit vermoeden, dat er een samenhang bestaat, is de vreugde van de schemersfeer, waar men reeds een lichtend land vooruit ziet.
Dit lichtend land is een gedachte: de gedachte, die in de geest leeft omtrent wat zo dadelijk de werkelijkheid blijkt te zijn, wanneer hetgeen hij thans nog niet met elkaar kan verenigen, tot eenheid zal zijn geworden.
Het kost vaak zeer veel moeite om mens en geest te doen realiseren dat er in al deze gevallen, ook in de hogere sferen, nooit sprake is van een wereld of van een begrensde wereld zelfs. Ondanks alle gegevens omtrent beelden, kleuren, toestanden moeten wij in de eerste plaats steeds weer teruggrijpen naar het feit, dat het het eigen bewustzijn is, plus het eigen denken, dat de wereld‑aanvaarding tot stand brengt en daarmee ook het wereldbeeld, dat ontvangen wordt.
Hebben wij deze sfeer van schemering bereikt, dan wordt natuurlijk voor de geest een totaal nieuwe toestand merkbaar. Want in de nevel dwaalde hij; d.w.z., hij kon geen werkelijk doel vinden, meende er soms een te zien maar zijn gedrag was zeer erratisch, hij wist eigenlijk niet, wat hij deed, wiste vaak zijn impuls van het ene ogenblik het daaropvolgend ogenblik weer uit, kortom hij doolde.
In het schemerland is geen dolen meer noodzakelijk. Want het bewustzijn omtrent het lichte land, omtrent de eenheid der dingen, die nog wel niet gerealiseerd wordt maar die toch kenbaar is geworden, betekent hier een streven naar het licht. We moeten dus in de lagere ‑ of beter gezegd dichtst bij de aarde gelegen ‑ sfeer wel in de eerste plaats bepalen dat zij bestaat uit twee afzonderlijke delen. Er is nog een tussentrap naar het duister, waarbij dus de menselijke wereld in fantasie weer wordt opgebouwd, maar deze bespreek ik zo dadelijk met u. Maar dus twee delen, die doorlopen moeten worden, wanneer wij naar het licht gaan. Het ogenblik van verwarring, het ogenblik van realisatie van de lichte wereld; en eerst daarna a.h.w. een hernieuwde overgang: de aanvaarding van de lichte wereld.
Een geest, die in deze sfeer leeft, deze sfeer van mist, van schemering, is niet in staat zijn eigen gedachtebeelden aan te vullen met nieuwe impulsen. Immers in de mist, in de nevel was hij praktisch alleen, ontmoette zij zo nu en dan misschien een gestalte, maar kon geen doel noch vorm vinden. Zijn gehele denken moest dus worden teruggebracht tot aards denken; op een andere wijze kon hij zichzelf niet realiseren.
In het schemerland was er geen begrip voor de reeds waargenomen mogelijkheden rond het ik en als zodanig ook nog geen aanvulling van de toestand van twijfel. Ook hier geen nieuwe ervaring. Dit brengt met zich mee dat wij in de laagste lichte sfeer dus een bewustzijn zullen zien, dat alle van buitenaf komende waarden interpreteert volgens stoffelijke waardering.
Deze stoffelijke waarderingen gaan gepaard met stoffelijke gedachtebeelden. Vandaar de landschappen, de tuinen, de bezigheden, ja, de reproductie van een stoffelijk leven in een ietwat zorgelozer, ietwat gelukkiger en verbeterde stijl. Eerst wanneer de geest binnen deze wereld dus met zijn aan de stof herinnerende vormen, met zijn steeds weer het aardse benaderende idealiseringen, werke­lijk gaat beleven, krijgt hij een nieuw ervaren. Vandaar dat een Zomerlandsfeer praktisch nooit kan worden overgeslagen. Evenmin als je van een kind een aansprakelijkheid kunt verwachten, die een volwassene eerst op rijpere leeftijd zou kunnen aanvaarden, zo is het ook met de geest.
Zomerland noemt men wel eens ‘het Land van Rust’. Ik zou het willen noemen: Het Land van ontwaken tot de Werkelijkheid. Dit is ook weer heel logisch: eerst door een voortdurend vergelijken van eigen gedachtebeelden en het bewustzijn, dat men met anderen deelt ‑ dus de wereld, waarin men leeft ‑ maakt het mogelijk bepaalde stoffelijke opvattingen, gedachtegangen, vertalingen van invloeden uit de kosmos en dergelijke, te veranderen.
Die veranderingen zijn mogelijk door de structuur van Zomerland. Ook hier vinden wij drie afdelingen. Er zijn ook onderverdelingen in zeven, maar die zijn m.i. te fijn, te pietepeuterig. Maar drie grote afdelingen kunnen we aanvaarden. In de eerste plaats de zuiver op de stof gelijkende, gelukkige wereld. In de tweede plaats de werkende, zich nog stoffelijke beelden bouwende wereld. En in de derde plaats de werkende, maar het stoffelijk beeld verwerpende wereld. Vandaar dat wij daar drie landschappen kunnen zien, die beurtelings worden beschreven. Het laagste gedeelte toont ons huizen, mensen, sociëteiten, wegen, ja, winkels, auto’s zijn daar zeker even gewoon als op uw wereld. Alleen: alles is onvolledig. Want alles is slechts zover volledig, als het volgens het voorstellingsvermogen van degenen, die daar zijn, noodzakelijk is. Iemand, die dus geen verstand heeft van een motor in een auto, rijdt in een auto zonder motor. Want hij stelt zich dit niet voor en vult zo niet aan. Iemand, die in een huis slechts twee kamers gebruikt, woont in een huis waarin twee kamers, soms als lege schillen hangen te midden van een soort Niet.
Deze wereld van onvolledigheid gaat langzaam maar zeker over in een wereld, waarbij het menselijk beeld – dus het artefact, het door het menselijk wezen, door denkende wezens gemaakte ‑ op de achtergrond komt. Zij toont ons nog enkele tempels, meestal op bergtoppen gelegen, grote reeksen van samenkomst‑plaatsen, veelal nog voorzien van banken en tafels, grootse wouden, spiegelende vijvers, kortom, al wat de natuur aan schoonheid kent.
Dat is begrijpelijk. De geest tracht vanuit zijn stoffelijke wereld terug te komen tot de natuurlijke wereld. En om die natuur­lijke wereld te bereiken, moet zij allereerst het door de mens ge­maakte ‑ dus niet zelf‑levende, natuurlijk zijnde ‑ elimineren. Vandaar dat deze tweede afdeling met zijn verschillende mogelijkhe­den en afdelingen, die natuurlijk daarin weer te vinden zijn, le­vend is. Hier vinden we b.v. ook geen genotsmiddelen meer, of een lust daarnaar. Dat moet eerst overwonnen zijn. Het deel van de sfeer, dat daarop volgt, zou ik als volgt willen schetsen: Een mens, die in eenzaamheid woont op een hoge berg aan de rand van een afgrond. Die afgrond is het vormloze, de nieuwe wereld, waarin de ik‑vorm blijft bestaan, maar de persoonlijkheids‑vorm volgens menselijke voorstelling geheel verlaten wordt.
In dit deel van de sfeer is alles nevelig. Want hier is het bewustzijn gedeeltelijk gericht op de afgrond, dus eigenlijk op het vormloze. Het staat zozeer minachtend tegenover elk vormbewustzijn, elke behoefte aan vorm, dat het zelf daardoor zijn omgeving minder omschreven en minder duidelijk maakt. Degenen, die daar leven, zijn als kluizenaars, die boven de wolken leven. Hun wereld is een werkelijke wereld. Maar wat beneden hen ligt, zien zij niet meer, tenzij door een bewust afdalen. Zoals de kluizenaar zeker van zijn hoge berg door de nevel der wolken kan heengaan tot het land, waaruit hij eens die berg is opgegaan.
Ook de behoefte van een geest zal zich natuurlijk wijzigen. Zullen we in de laagste sferen van het Zomerland de gezelligheidsdrang vinden (dus het gezamenlijk zingen, het gezamenlijk dansen en spelen, het praten en ook het werken reeds, zij het in beperkte mate, het gezamenlijk genieten), in het tweede deel vinden we het contact op een heel andere basis. Hier wordt de gezelligheid vervangen door ‑ ik zou willen zeggen ‑ naastenliefde. Dus een hartelijke verhouding met onderlinge samenwerking tussen allen die daar leven, maar gelijktijdig al weer: lering tot het doel maken van dit samenleven. Dus in deze tweede afdeling kunt u dan zeggen, dat de samenleving niet meer gericht is op directe voldoening van het ik, maar in de eerste plaats op bewustwording van het ik.
In de derde sfeer wordt de bewustwording hoofdzaak en alle arbeid, die wordt verricht, is onderdanig aan deze behoefte tot bewustzijn.
Ja, dan komen we in sferen, die voor u misschien nog moeilijker te begrijpen zijn: sferen, die geen vorm meer kennen. Maar zoals muziek voor u een landschap kan tekenen, zo kan een gevoel voor een geest hetzelfde doen. Het gevoel kan even fijn gevarieerd zijn als muziek en misschien nog beter, nog juister scanderend, wat leeft in bepaalde zielen, wat leeft in de kosmos.
Om daaraan uiting te geven, krijgen wij dan een uitwisseling, die wij noemen: klank, of muziek. Zij is dit in feite niet. Alle werelden van de geest zijn stil: d.w.z. stoffelijk brengen zij geen geluid voort. Voor de stof zijn zij niet hoorbaar. Slechts de gedachtebeelden zijn wel hoorbaar. Slechts door middel van de gedachten kan men dan ook de wereld weer bereiken.
Wanneer deze wereld met zijn klanken dus wederom verder is gegaan en in plaats van het nog steeds zoeken naar bewustzijn in het bewust leven gaat treden, dan krijgen we de werelden met lichtere sferen, met licht. Wij zeggen ‘licht’, omdat ‑ ofschoon de schakeringen zeker even veelvuldig en even schoon zijn als in het voorgaande gebied ‑ de geest hier geen behoefte meer heeft aan de gevormde gedachte. Hij geeft de gevoelsinhoud weer. En de gevoelsinhoud zelf is a.h.w. een stemming, die je wekt in anderen. Een groot verschil dus met de vorige, waar wel degelijk nog gedachten werden uitgedrukt. Hier wordt a.h.w. een gevoel, een toestand uitgedrukt.
Door deze uitdrukking is hier een grotere eenheid mogelijk. Ook hier vinden wij verschillende trappen, waarbij we in het begin ons specialiseren op bepaalde emoties, die dus ons bijzonder aantrekken, maar naarmate wij verdergaan meer all‑round de emoties van anderen gaan begrijpen.
Komen wij hierboven, dan is de schakering ook weggevallen. Want het doel van het streven is dan niet meer met enkelen of een groep één te zijn, maar één te zijn met de kosmos. Wij spreken daarom daar van éénkleurig licht. Het is het aanvoelen, neen, het méévoelen in de kosmos.
Vanuit al deze sferen echter kan nog gewerkt worden in lager gelegen gebieden. En dit wordt gedaan, omdat men voortdurend eigen gevoelsinhoud ‑ vooral in de hogere sferen‑ wil toetsen aan een werkelijkheid, die men eens heeft gekend. Door het vergelijken‑ van eigen toestanden kan men nl. komen tot een juiste waardering van het eigen wezen. En dit is een noodzaak, wil men vanuit de wereld, waarin slechts één licht bestaat, zijn eigen richting verder kie­zen, zijn laatste binding met anderen opofferen en daarvoor in de plaats ervaren de éénmalige en ‑ is ze tot stand gebracht ‑ de eeuwige binding met het Hogere, dat het persoonlijk contact begint uit te sluiten.
Vanuit deze laatste sfeer zien wij geen werkers meer, die tot andere sferen, of tot de aarde afdalen. Wel stellen zij soms uitverkorenen, die in harmonie zijn met hen, in staat hun ervaren of hun gevoel ‑ hoe moet ik dat zeggen ‑ met hen te delen.
De gebieden daarboven onttrekken zich aan elke redelijke beschrijving, maar ik geloof u hier in het begin althans duidelijk te hebben gemaakt dat het leven in de sferen direct afhankelijk is van eigen bewustzijnstoestand. Dat het eigen bewustzijn voortdurend bepalend blijft voor al, maar werkelijk ook al, wat beleefd wordt, voor alle vormgeving van elke wereld, die men binnen de geest zal menen te ontdekken.
Naast de sferen, die een vergroting van bewustzijn betekenen, bestaan er echter ook sferen, die een vernauwing van bewustzijn betekenen. Wanneer men in de nevelsfeer komt – zoals ik u reeds zei ‑ is dit het punt, waarop voor eenieder de geestelijke ontwikkeling begint. Dan kan ik deze grauwheid zozeer verwerpen, dat ik verkies te dromen i.p.v. te leven. Ik sluit mij van de buitenwereld af en ik ben slechts bereid om contact op te nemen met iemand, die met mij mee droomt.
Maar mijn droom is egoïstisch en die van anderen zal noodzakelijkerwijze ook egoïstisch zijn. Wanneer twee egoïsten moeten samenwerken, zal het resultaat nooit goed zijn. Want hun belangenstrijd tegen elkaar zal de volmaaktheid van hun gezamenlijk bereiken altijd verhinderen.
Het is dan ook begrijpelijk dat de sferen, die gevormd worden onmiddellijk onder de nevelsfeer, plaatsen zijn die de aarde reproduceren, het stoffelijk leven reproduceren, maar met minder schoonheid. Want waar eenieder tracht in de eerste plaats zichzelf te bevredigen, zichzelf datgene te geven, wat hij belangrijk vindt ‑ ook ten koste van anderen ‑ zal een voortdurende strijd elke werkelijke schoonheid en perfectie uit deze werelden wegnemen.
Het is verder wel zeker dat deze werelden soms aan plotselinge veranderingen onderhevig zijn. Zij doen ons denken aan inrichtingen, waar krankzinnigen worden verpleegd of zenuwzieken. Er zijn, zeker in deze eerste lage sfeer, ook ogenblikken van vrede. Ogenblikken, dat je zou zeggen: Nu wordt het normaal menselijk leven gereproduceerd met zijn zon, met zijn regen, kortom met alles, wat er bij hoort.
Maar die rust is bedrieglijk. Want dan steekt de storm op en dan wordt plotseling de rust tot een strijdtoneel. Dan tracht eenieder, die rust te beleven, zoals hij dat belieft. De een wil regen, de ander zon. De een wil schaduw, de ander een kale vlakte. De een wil zee, de ander bos. En al die aspecten van gedachten lopen door elkaar.
Ik weet niet of u wel eens hebt geprobeerd om gelijktijdig te luisteren naar een radio, naar iemand, die bij u in de buurt spreekt, naar een telefoon, om ondertussen nog uw gedachten op papier te zetten met pen of schrijfmachine. Wanneer u die proef neemt, dan zult U merken hoe gevaarlijk dit is. Want u kunt die waarden niet meer gescheiden houden. U tikt niet meer wat uw gedachte is, maar wat tot u gezegd wordt. En in de telefoon geeft u antwoord op hetgeen de radio zo-even beweerde. Een dergelijke verwarring is in deze sferen het.
Om deze sferen te helpen ‑ dat hoort ook bij het leven in de sferen ‑ dalen geesten, vooral uit het tweede en derde gebied van Zomerland, maar ook soms hogeren, af tot in deze werelden. Zij accepteren die, dat is noodzakelijk. Je kunt geen enkele sfeer binnendringen, tenzij je eerst bereid bent die sfeer te accepteren volgens haar eigen waardering, volgens de waardering van allen, die haar gezamenlijk hebben opgebouwd. Maar de innerlijke zekerheid, die men in deze lagere sferen niet bezit, is de kern van het wezen van eenieder, die in het licht leeft. Hierdoor bestaat een zekere veiligheid, een zekerheid tegenover mogelijke kwaadwillendheid, een onaantastbaar zijn voor wat ik het vuil en het slijk zou willen noemen van deze toestand. Aan de andere kant voldoende eenheid door de aanvaarding, om vanuit eigen zekerheid anderen te bereiken, te overtuigen misschien.
Bij lagere sferen wordt het steeds moeilijker. Want in deze eerste sfeer ‑ en vooral in het bovenste deel daarvan – vonden wij nog gemeenschap. Die gemeenschap wordt weliswaar beperkter, treuriger en somberder, naarmate wij ons verder verwijderen van het vrije bewustzijn omtrent de waarheid, maar ze blijft nog bestaan. De daaronder liggende sfeer kent dit niet meer. Hier is het weten zozeer in zichzelf besloten, dat ‑ ofschoon degenen, die op gelijk bewustzijnspeil leven, voor ons als groepen kenbaar zijn – elk van hen zichzelf eenzaam waant.
Hier krijgen we de repeterende gedachtebeelden: het voortdurend ondergaan van een bepaald lijden, het voortdurend bijna volbrengen van een bepaalde taak, enz. Geen van deze wezens realiseert zich, dat deze taak slechts door het ik wordt opgelegd aan het ik. Geen van hen begrijpt dat de waarden, die zij rond zich menen te kunnen vergaren, slechts waarde kunnen hebben voor dat ik. Dat ze slechts geschapen worden door de gedachte.
In het begin doet een dergelijke sfeer ‑ dus het dichtst bij het licht gelegen ‑ ons nog denken aan een mens, die bezig is in een vertrek met een zekere bezigheid en deze tot vervelens toe moet herhalen. Naarmate wij dieper komen, valt de vorm meer en meer weg. Er is geen sprake meer van iets menselijks in de vormgedachte, het wordt een soort afzichtelijk, amorf monster, dat nu eens deze dan gene vorm aanneemt en dat voortdurend streeft naar het volbrengen van een menselijke taak, die niet meer te volbrengen is.
Daaronder kennen wij het gebied, dat ‑ geloof ik ‑ de hel wel het dichtst nabij komt. Hierbij wordt de omgeving uiteindelijk verloochend en tracht men het ik te loochenen. Maar elke poging om het ik te loochenen, betekent natuurlijk een versterking van je denken omtrent jezelf. De wereld verloochenen kun je. Daar kan je je voor afsluiten. Maar nooit voor jezelf. Vandaar dat hier eerder moet worden gesproken van giftige dampen; denkt u maar eens aan zwavelwolken, dus iets, wat onsmakelijk van kleur en geur is, dat voortdurend door elkaar draait en ademt, zonder ooit een werkelijke vorm te bereiken of zich volledig op te lossen in de omgeving. Hiermee heb ik dan ook de duistere sferen gekarakteriseerd.
Het leven van de geest is echter ‑ onverschillig in welke sfeer, dus in welke bewustzijnstoestand hij zich bevindt ‑ steeds terug te brengen tot zijn eenheid (enkele of meerdere malen) met de stof. Daar ligt zijn vlak van referentie. Vanuit deze basis bouwt hij zijn bewustzijn op. Het is dus logisch dat alle aspecten, die wij in de menselijke psyche vinden als mogelijkheid of als werkelijkheid tijdens een leven op aarde, zich op dezelfde of zelfs sterkere wijze in de geest kunnen uiten.
De geest kan evenzeer ziek, vrolijk, blij, droevig, waanzinnig zijn, als een mens op aarde dat kan zijn. Een geest kan evenzeer trachten zelfmoord te plegen als een mens. Een geest kan ook even gelukkig zijn als een mens. En deze parallel met de menselijke wereld maakt het leven in de sferen toch ook voor de mens buitengewoon belangrijk. Want indien er een parallel is, maar bovendien het stoffelijk leven voor de geest als bron geldt van eigen toestand, dan zal de innerlijke houding tegenover eigen toestand zich voortdurend weerspiegelen bij elk contact, dat men bereiken kan met een stoffelijke wereld. Anders gezegd: eenieder, die leeft in een wereld van onrust of haat, zal ‑ indien hij contact kan krijgen met de aarde ‑ daar ook onrust en onvrede zaaien.
Degene, die in haat en beperking leeft, zal trachten deze beperking algemeen te maken voor de aarde. Degene, die tracht zichzelf te vernietigen, zal ook trachten de aarde te vernietigen. Dat wat de slechte sferen betreft. Bij de hogere sferen zal natuurlijk ieder steeds trachten de aarde – de bakermat van het eigen bewustzijn ‑ op te trekken tot het peil van het eigen bewustzijn.
We zijn er zeker van dat men daarin nooit zal slagen. De verschillen tussen stof en geest zijn te groot en te daadwerkelijk, om hier te kunnen gaan spreken van een mogelijkheid zelfs. Maar …. wij kunnen te allen tijde toch in de stof werken, wij vanuit de geest. En u kunt vanuit de stof te allen tijde in de geest werken. Wanneer u streeft op een geestelijk terrein, of uittreedt in een geestelijke sfeer, dan doet u uiteindelijk niet veel anders dan vooruit beleven, wat u later toch moet beleven. Wanneer wij teruggrijpen naar de stof en daarin handelen, dan is het alsof wij handelen om datgene te volbrengen, wat wij vroeger in ons aards bestaan niet konden volbrengen.
Deze factoren mag u niet vergeten. U vooruit, indien u geestelijk gaat werken; maar wij achteruit ‑ dus ingrijpend in ons eigen verleden ‑ wanneer wij werken op de wereld. Dit is zo belangrijk, omdat het u hierdoor mogelijk wordt het werk van de geest, de wijze, waarop het wordt gebracht, te waarderen volgens de juiste maatstaven. De geest volbrengt op aarde datgene, wat hij vroeger niet heeft kunnen volbrengen.
De filosoof, die faalde op de wereld en in de geest een bewustwording krijgt, zal trachten zijn vroeger falen in de filosofie op aarde goed te maken. De arts, die niet kon genezen, zal op aarde gaan genezen, enz. Het is een soort eeuwige wisselwerking. Deze wisselwerking kan nu de mens, die in de stof leeft, te stade komen, wanneer hijzelf vooruit wil streven en dus bewuster wil worden van geestelijke gaven en krachten. Dat is ook heel begrijpelijk, want de geest tracht datgene, wat hij thans weet, in zijn eigen verleden vast te leggen in de stoffelijke wereld. Wanneer u streeft naar datzelfde, dus naar het opheffen van de wereld of van uw eigen wezen tot de wereld van de geest, dan ontstaat er tussen u en die geest een eenheid. Deze eenheid is dan gebaseerd op geestelijke kwaliteiten, d.w.z. dat het zuiver bewustzijn hier meestal weinig mee te maken heeft, het onderbewustzijn iets, maar vooral de geestelijke kwaliteiten zeer veel.
Omgekeerd kunnen we zeggen dat alles, wat in een kwade sfeer leeft en zich op aarde werpt om daar in te halen, wat men thans niet meer kan doen, zich zal richten tot de zuiver stoffelijke factoren. Dus is de geest voor u in de eerste plaats een stoffelijke leidsman; vraag u dan af: waarom? Zeg tegen uzelf: Ziet, deze wil mij brengen tot het verbeteren van handelingen, die hijzelf vroeger fout heeft gesteld. Maar is de uiteindelijke strekking daarvan materieel, dan moet ik ook aannemen, dat deze geest nog slechts een materiële belangstelling kent. En dit is voor mij het bewijs, dat hij niet behoort tot de werkelijk lichte sferen. Begrijpt u?
Gebruik maken van deze maatstaf zal ongetwijfeld u allen een werken met de geest, een streven dus in contact met andere werelden, vergemakkelijken. Want deze factoren komen altijd te voorschijn. De behoefte naar een stoffelijke verwerkelijking is voor de geest uit het halfduister of het duister de gespleten voet, die altijd wordt getoond, bewust of onbewust. De mooiste woorden blijken uiteindelijk te slaan op zuiver stoffelijke dingen. Is het omgekeerde het geval, dan kunt u aannemen dat hier een hoger geestelijk doel wordt nagestreefd.
Wij kunnen hier slechts één uitzondering maken: Wanneer de directe geesten van de chaos tot u spreken, dan is ook hun spreken geestelijk; want zij wensen een vernietiging van de stof evenzeer als een vernietiging van de geest. En indien de stof vernietigd wordt, zal de geest niet meer bewust kunnen worden.
Denk aan hetgeen toegeschreven wordt aan de opstandige Lucifer in Genesis. Hij kan het niet aanvaarden dat deze aarde een tuin is waarin mensen wonen, die aan hem gelijk zijn. Zijn haat is niet in de eerste plaats tegen de mensen. De mensen zijn de oorzaak van zijn haat tegen de wereld. Dat hij de mens daarbij haat, is secundair. Want de mens is als werktuig voor hem bruikbaar en zal dus niet onmiddellijk vernietigd worden. Maar zijn wereld, de materie, moet ten onder gaan.
Daarom maakt ook de geest der duisternis zelf gebruik van bepaalde geestelijke factoren. Maar ook hier is weer een zeker middel om te onderkennen dat deze invloed werkzaam is. De geest uit het duister wenst een vernietiging. Deze vernietiging maakt het hem makkelijk alles te geven, waarvan hij weet dat, door de vervulling van de daaraan verbonden consequenties en voorwaarden, dit tenslotte toch te niet zal gaan.
Een demonische geest uit het duister is guller dan de Schepper Zelf ‑ in schijn. Hij geeft rijkelijk aan goederen en aan vermogens. Hij geeft alles, wat u begeert, zonder daarvoor de eis te stellen dat een geestelijke bewustwording wordt bereikt. Hij geeft u vele mooie woorden om uw eigen stoffelijke fouten te verontschuldigen. Hij geeft u niet de waarheid maar de schijnwaarheid, die het grote gevaar is voor alle mensen.
Hiermee zou ik u allen willen verzoeken rekening te houden. U zult dan ‑ wanneer u streeft naar het geestelijke ‑ minder snel misleid worden door de invloed, die zegt: “Indien u dit doet, zal ik u daarvoor de stoffelijke baten geven.”