Het leven in de sferen

18 september 1973

Hiërarchieën, sferen, dat zijn allemaal begrippen uit de oudheid. Het begrip van de verschillende geestelijke sferen is uiteindelijk te herleiden tot de Griekse voorstelling van de sferen rond de wereld; de kristallijnen sferen die mede weer verbonden zijn met o.a. het denkbeeld van muziek der sferen. Wanneer wij het hebben over de hiërarchieën, dan vinden wij in de eerste plaats een projectie van de menselijke wereld naar die van de geest. En in de tweede plaats, zien wij zeer sterk de kabbalistische opzet waarin een volledige indeling van alle krachten plaatsvindt, maar vergeet daarbij vaak dat dit van een zuiver menselijk standpunt uit gebeurt.

Wanneer u zegt: Indeling van sferen, dan moet u goed begrijpen dat er bij ons niet zo een materiële wereld is, zoals die bij u.

De wereld van de geest kun je misschien het beste vergelijken met een gedachtewereld, of een soort: droomwereld. Het contact dat je met anderen bereikt, is een contact dat sterk doet denken aan een soort telepathie. Nu zult u begrijpen dat je alleen kunt responderen op indrukken waarbij jezelf de nodige referentiewaarden in jezelf hebt zitten. Dat kan dus zijn: Ik weet wat een huis is, een ander weet wat een huis is, dan kan hij, door daar gegevens aan toe te voegen, mij een voorstelling geven van zijn vorm van huis. Maar weet ik niet wat “huis” is, dan wordt het heel moeilijk voor hem om het begrip “woning” aan mij duidelijk te maken. Eerst wanneer dat gebeurd is, kan hij verdergaan. U zult verder begrijpen wanneer die ander mij een beeld omschrijft, dat hetgeen in mij ontstaat, niet identiek is aan hetgeen de ander uitzendt. Het omvat eigen elementen van mijzelf. Wanneer wij nu met ons beiden zeggen: zo is een huis, dan is dit huis voor ons een werkelijkheid, zolang wij niet zeggen dat het niet voor ons bestaat. Dat is dus op zich betrekkelijk eenvoudig. Wanneer men rekening houdt met een wereld die helemaal anders is, een wereld die… zeg maar: volledig amorf is, waarin alle vormen en vormontwikkelingen mogelijk zijn, maar waarin geen enkele vorm vast en onveranderlijk is.

De vaste maatstaf is hier: gedachte plus een zekere mate van kracht, die wij gedachtekracht plegen te noemen. Er is eens gezegd: De geest moduleert op de levenskracht van de oneindigheid en door deze modulatie geeft hij er een verschijningsvorm aan die voor hemzelf aanvaardbaar en beleefbaar is.

Stel nu dat u steeds meer gaat leren, dan kunt u met steeds meer entiteiten spreken. Want u kunt ontvangen wat zij u toezenden. U kunt antwoorden in termen die voor hem volledig aanvaardbaar zijn, maar dan verandert de belangrijkheid. Het blijkt dat dingen, die eens je hele wereld uitmaakten, nu langzaam maar zeker verbleken, zij zijn kleine details in een groot geheel. Zodra dat gebeurt zeggen we: Je bent in een andere sfeer gekomen. In de praktijk is het aantal sferen dus eigenlijk oneindig. Het is maar welke vorm van indeling of gradatie je pleegt toe te kennen.

Ik weet dat men dat op aarde heel vaak doet in termen van zeven of van negen, waarschijnlijk omdat dat voor de mensen heilige getallen zijn. Zeven, denk ik, vanwege de planeten die zij vroeger kenden; negen omdat daar driemaal drie, en drie is het getal van de drievuldigheid, in voorkomt. Maar dat is dus helemaal geen vaste indeling. Elke willekeurige indeling is te hanteren.

Van ons standpunt uit, van mijn begrip, is het zo dat je van een zeer sterk in vormen denken, overgaat naar een abstracter denken waarbij ideeën, meer en meer een rol gaan spelen. Tot het ogenblik dat eigenlijk zelfs die modulatie van de idee niet meer waar is, maar er een basisbesef is waarin wel alles wordt uitgedrukt en onderling uitdrukbaar is, maar waarin geen vorm of redenering meer mogelijk is.

Dan zeggen we dat is nu het witte licht, de hoogste sfeer. Waarom wij dat zeggen? Omdat wij niet weten of er nog meer is. Wij kunnen niet verder kijken. En dat is hetzelfde met de hiërarchieën. Kijk eens: Wij kunnen natuurlijk zeggen: Er is een Goddelijke hiërarchie. Dan gaan wij zeggen: De Vader, oorsprong; De Geest, bezieler; De Zoon, de manifestatie. Daaronder: Aartsengelen, de tronen, de heerschappijen, de hele geschiedenis. Dan geven wij dus een rangorde aan: Maar is deze rangorde kosmisch waar? Laten wij een voorbeeld nemen. U zegt: de strijder dat is St.-Michaël, maar de boodschapper is Gabriël. Wie zegt u niet dat deze twee verschillend zijn, maar wie kan duidelijk maken dat het niet verschijningsvormen kunnen zijn van één en dezelfde kracht? Hier is een differentiatie opgetreden die nodig is voor het menselijk begrip.

Functies die aan het Goddelijke eigenlijk worden toegeschreven, worden uitgedrukt in gestalten, in figuren. En als u ’t mij vraagt is dat datgene wat de mens altijd heeft gedaan. Toen de mens voor ’t eerst geconfronteerd werd met een wereld waarin hij geen raad wist, met vele onbekende verschijnselen, gebeurtenissen en invloeden, zei hij: Dat zijn personen die het doen. En zo jaagden de dondergoden door de hemel heen en waren in onderaardse smidsen de veroorzakers van aardbevingen en vulkanisme aanwezig. Dat dat niet reëel is weet men nu, maar voor die mensen was het de enige manier om een begrip te krijgen van de verschijnselen.

Ik geloof dat wij, wanneer u spreekt over de hiërarchieën dat u het met mij eens zult zijn dat wij hier eenvoudig proberen om verschijnselen te omschrijven en een naam te geven, die wij eigenlijk niet kunnen onderbrengen in een normaal menselijk redelijk denken en die wij daaraan toch willen aanpassen.

Wanneer u zegt: een hiërarchie. Dan heeft u het namelijk over een vaste rangorde. Maar ik kan mij iets voorstellen dat soms op een hiërarchie lijkt, zonder dat daar sprake is van een wezenlijk vaste orde. Laten wij het zo zeggen: Een timmerman, een metselaar, een metaalbewerker en nog een paar anderen zijn samen een huis aan ’t bouwen. Nu komt het timmerwerk aan de orde en wie is de baas? De timmerman. Er wordt gemetseld: de metselaar. Er worden leidingen gelegd, de metaalbewerker weet er het meest van dus hij heeft de leiding. Er is dus afwisselend een “hoofd”, naargelang de functie die vervuld moet worden. In de geest blijkt dit de beste vorm van hiërarchie te zijn die wij kunnen vinden; andere heb ik niet kunnen aantreffen. Dat is misschien wel vervelend voor u omdat u het allemaal zo mooi en deftig hebt ingedeeld en in het occultisme zijn die werelden allemaal precies omschreven. Maar ja! Vertel een neger maar eens wat het is om in een iglo te wonen, dat is ook erg moeilijk.

Vertel een mens eens, in een materiële wereld die bovendien nog materialistisch denkt en emotioneel materialistisch ingesteld vaak, wat het is om te bestaan in een wereld waarin geen materie is! Daar hebben wij dan systemen nodig. En of wij dan spreken over de kabbalistische hiërarchie, zoals zij is uitgedrukt in de “tuin der granaatappelen”, of dat wij het nu hebben over de hemelse keizer, zoals dat in de voorouderverering van China, vooral bij de Tsjou-dynastie sterk naar voren is gekomen. Ik geloof niet dat het veel verschil maakt. Wij omschrijven de dingen gewoon en wij zeggen soms: een ster is een engel of een God. Er bestaat zelfs een chinees verhaaltje waarbij een komeet een geest is die gezondigd heeft tegen de Orde van het Hemelse Hof en voor zoveel jaren met een brandende staart uitgerust is om door het duister te dolen als straf. Het is heel eenvoudig om zoiets te verklaren dat je verder niet kent. En daar zitten wij dus bij de werkelijkheid.

De werkelijkheid is dat de mens werelden indeelt volgens zijn eigen begrip, omdat dat voor hem de enige mogelijkheid is om die werelden enigszins nader te komen. Maar zijn grote fout is dat hij dan deze hiërarchie ziet als een vaste ordening waarin geen verandering kan of zal optreden, waarin geen verandering van werking en samenhang mogelijk is. En zo in wezen, van de kosmos een bureaucratisch geheel maakt. Terwijl de werkelijkheid juist is: een scheppend geheel waarin de samenwerking van alle krachten een voortdurende harmonie in stand houdt en een voortdurend evenwicht bevordert. Ik dacht dat ik hiermee het basisbegrip omschreven had en ik wil graag weten of u hierop wilt reageren.

  • Broeder u zegt: Een voortdurend evenwicht bevorderen. Op de duur zou dan dat evenwicht bereikt moeten worden, maar dat schijnt niet waar te zijn. Er is dus ergens iets dat dat evenwicht terug omver stoot?

Leven is een factor waarin evenwicht niet realiseerbaar is. Op ’t ogenblik dat het absolute evenwicht bereikt wordt, is het ogenblik van de absolute entropie, het wegvallen van alle uitingen van energie. Dan blijft de idee over en is de werkelijkheid uitgeblust. Het is als het ware de nacht van Brahma zoals die in de Indische filosofie voorkomt. Wij hebben dan dus te maken met iets dat niet meer leeft. Uit dit leven dat dan een eenheid is geworden, een begripseenheid, waarin geen functie meer aanwezig is, is het mogelijk dat een nieuwe schepping ontstaat. Maar dan is dit heelal ten einde. Je zou het dus misschien zo moeten formuleren: Het totaal van krachten in een kosmos zoekt naar een voortdurende handhaving van evenwicht, waarbij, naarmate dit evenwicht bereikt wordt, de wisseling van krachten en ontwikkelingen afneemt tot een stabiele status bereikt wordt, waarbij alle verschijnselen wegvallen en alleen de idee in wezen overblijft.

Nu wil ik u wel het een en ander vertellen over sfeertjes die indeelbaar zijn en dan gaan we ook weer uit van begripswerelden. Je moet daarbij onthouden dat al hetgeen ik positief stel, negatief mogelijk is. Want er bestaat geen positieve mogelijkheid die geen negatief tegendeel heeft. Anders is namelijk geen evenwicht denkbaar en ook niet bereikbaar. We kennen dus, wanneer u overgaat, over ’t algemeen eerst de vormloze wereld, waarin je zelf doolt en zoekt naar contact. Uit die wereld kom je over het algemeen eerst tot een inkeer tot jezelf, een beleving dus van wat jezelf bent. Zeg maar: een afspelen van de band der herinneringen. Uit die band ontstaat dan een bevestiging of een ontkenning van het persoonlijkheidsbeeld.

Op grond van het ontstane beeld van het eigen “ik” zijn contacten met anderen mogelijk. Deze contacten worden meestal in beelden en beeldende voorstellingen mede uitgedrukt en we noemen daarom die sfeer weleens zomerland. Het is een wereld waarin huisje, boompje, beestje denkbaar zijn. Van daaruit kom je naar een wereld toe waarin ideeën een veel grotere rol gaan spelen en die misschien het best te vergelijken is, omdat vorm-denken en bepaalde vormen van emotie een rol spelen, met een berglandschap waarin bepaalde tempels, kerken en scholen staan.

Ook deze verbleken en dan blijft een wereld over waarin a.h.w. een emotionele regenboog optreedt. Het is dus de gevoelsreactie ten aanzien van bepaalde entiteiten en hun inhouden, waardoor een indeling ontstaat. Wij noemen het ook weleens een wereld van klank en kleur. Kleur vanzelfsprekend omdat je onderscheid maakt in verschillende groepen en van klank omdat de mededeling voor een groot gedeelte nog een kwestie is van trillingen, van het aflezen van anderen dus. Er ontstaat geen perfecte unificatie, er ontstaat slechts een projectie van persoon tot persoon, waarbij de overdracht vaak onvolledig is.

Van daaruit komen wij in een wereld waarbij het kleurengamma, dus het onderscheid dat gemaakt wordt ten aanzien van de groep waartoe iemand kan behoren, groter wordt maar gelijktijdig het contact intenser. Er is dus sprake van een gedeeltelijke unificatie van persoonlijkheden. Deze overname van elkaars “inhouden” bepaalt die wereld en wij noemen dit heel vaak, omdat je er toch een naam moet aan geven: de wereld van de zuivere kleur. Van die zuivere kleur ga je dan over naar iets wat men weleens lichtend goud noemt. Het is een situatie waarin een enorme verwantschap met leven en levenskracht wordt ervaren en van daaruit kom je dan in die wereld die wij “verblindend licht” noemen om de doodeenvoudige reden dat daar geen uitdrukkingen zijn, die voor ons gemakkelijk afleesbaar zijn. En wat wij eruit kunnen aflezen is kennelijk maar een beperkt gedeelte van hetgeen daar reëel aanwezig is.

Ja, dan hiërarchie. Moeilijk. Kijk ik stel dit: Er is een God. Wat die God is weten wij niet precies. Er is een kracht. Die kracht schijnt te denken, die kracht drukt zich uit, die heeft kennelijk bepaalde wetmatigheden geschapen. Ik zie hem zo een beetje als de begrenzing van onze mogelijkheden en in die God leven we en bestaan we en wij zijn er allemaal een beetje een stukje van. Zonder dat kunnen wij niet bestaan. Nu kunnen wij natuurlijk weinig van die God afweten of wij kunnen er veel van afweten. Naarmate we meer van die God afweten, zullen wij een groter gedeelte overzien van hetgeen er zich in de wereld afspeelt.

Ter verduidelijking geef ik dan het verhaal van de brave mohammedaan, islamiet, die op gegeven ogenblik tegen God zei: Waarom is de wereld zo doelloos. God vond hem een erg brave man, zond hem een engel die hem meenam op een minaret. Hij zei: kijk nu naar die stad daar beneden. Hé zei hij: nu zie ik er een beetje een patroon in. Goed zegt die engel, we gaan  weer naar boven, en hij nam hem mee tot op een wolk. Zegt die ander: Nu zie ik een groot stuk van het land en het is net of ik er een soort grondlijn in zie. Toen gingen ze nog wat hoger. Nu zie ik overal stipjes met een draadje achter zich, zei hij. Dat zijn de mensen zei de engel. Ze gingen nog iets hoger en toen keek de brave man naar beneden en zei toen: Wat een wonderbaarlijk tapijt ligt hier. Toen zei de engel: Dat is de werkelijkheid die God aan het weven is.

Ik dacht dat je daarmee het begrip van die Hiërarchie misschien wel uitdrukt. Het is, hoeveel wij begrijpen van de werkelijke macht, werkelijke kracht en de werkelijke wet die de kosmos beheerst. Naarmate wij meer overzien, staan wij hoger. Maar wat wij overzien, wordt voor een groot gedeelte ook nog bepaald door wat wij kunnen zien. Laten wij nu eens zeggen dat die man daarboven kleurenblind is bv. Dan ziet hij dus die kleuren niet. Laten wij zeggen dat hij een fout heeft, dat hij rood fel ziet en blauw zwak. Dan ziet hij een ander kleurpatroon dan er werkelijk is. Maar als hij met anderen samenkomt tot een beeld dan ontstaat toch wel een reële benadering van die werkelijkheid. Ik dacht dat hogere hiërarchieën vooral moeten worden gezien als bestaande uit dergelijke wezens.

Wij weten in ieder geval dat er delen van God zijn, want dat zijn zij uiteindelijk, die een beperktere persoonlijkheid schijnen aan te nemen voor ons en die noemen wij dan onder meer: de Heren der stralen, de Heren der wijsheid. Wij geven er een naam aan. Het blijkt dat deze een bepaalde functie uitoefenen en a.h.w. van zich krachten doen uitgaan waardoor delen of het geheel van de kosmos beroerd wordt en dus geïnspireerd raakt, iets veranderd misschien. Misschien zou je kunnen zeggen: Ja, dat zijn dan tronen of heerschappijen of wat anders.

Dan zien wij dat er entiteiten zijn die enorm veel weten, maar die proberen in het kleine, het grote idee kenbaar te maken. Dan moogt u voor mij over engelen spreken bv. Dan zijn er wezens die enorm veel van de mens begrepen hebben bv. of van een ander leven want er is meer leven in de kosmos die daarop een antwoord proberen te vinden. Maar nu uit een totaalbeeld dat zij verkregen hebben en die de eenling wel willen helpen, maar die dat altijd toch doen met een oog op de totaliteit. Laten wij die dan engelen noemen en meteen de heiligen er ook maar bijhalen, of misschien de wereld van de geest.

En daaronder hebben wij dan diegenen die nog niet zover zijn en die misschien meer persoonlijk helpen, die hier komen praten of zo, en zo kun je doorgaan. Dan heb je dus een indeling gemaakt. Maar is die indeling altijd volledig werkelijk? Ik dacht van niet. Het is ons bekend dat de hoogste krachten soms ingrijpen, zelfs bij één persoon. Er is ook bekend dat veel kleinere krachten juist iets proberen te doen voor een grotere gemeenschap. Er is geen vaststaande taak.

Ik dacht dat ieder die leeft in de kosmos en die probeert te leven in wat wij noemen: Het Licht (ik geloof dat het Licht als je het goed ontleed eigenlijk iets is van God, misschien God zelf wel) dat die altijd zal proberen om, wat die harmonie noemt dus eenheid, begrip van evenwicht, van samenwerking uit te drukken. En dat het feit dat wij dit doen bepalend is, niet voor een hiërarchie, maar voor de betekenis van de kosmos als zodanig. Een chinees filosoof heeft een keer gezegd:”Ik zit neer en ik schouw in het meer en ik zie de wolken.” Dat zou je kunnen vertalen: Wij zien naar de schepping, maar in de schepping zien wij de kracht die ergens in die schepping een rol speelt. En zo zou je ons werken naar beneden toe, een poging kunnen noemen om iets te zien, iets te realiseren dat wij nog niet direct kunnen aanschouwen. Dat is geen hiërarchie, dat is een taak van zelfvervulling die niet mogelijk is zonder dat je de totaliteit vervult.  En dan heb ik daarnet iets gezegd over negatieve werelden, volledigheidshalve. Het is mogelijk om iets te verwerpen. Je kunt zeggen: Ik weet dat ik dat ben, maar dat mag niemand weten. Dan moet je je terugtrekken van hen die het wel weten. Je gaat dus naar een wereldje zoeken waarin die eigenschappen niet erkend worden, een beperktere wereld.

Dat noemt men dan duistere sferen, schaduwland enz… Je kunt zover gaan dat je alles ontkent, buiten je eigen bestaan. Dat kun je niet ontkennen omdat je besef nodig is voor de ontkenning. Dus dan komt er een ogenblik dat je je van niets meer bewust bent en dan wordt ge toch weer meegesleurd; schijnt mij, in de positieve ontwikkeling. Want, als je niet meer ontkent maar alleen nog maar erkent: ik besta, – wat de eindfase is – dan zal je dat bestaan toch weer willen uitbreiden. Kun je dat in een hiërarchieke samenhang plaatsen? Volgens mij in de realiteit niet, in het menselijk denken natuurlijk wel.

  • Broeder, in verband daarmee: Als wij komen te sterven worden wij dan rondgeleid door een entiteit, daar wij in principe worden afgehaald?

Ja, meestal wel, maar u moet dat dus niet zien als: U staat op het perron waar de trein van de dood aankomt en er staat een receptiegezelschap om u te ontvangen. Wij hebben soms veel last met mensen die denken dat zij, zodra zij doodgaan er palmwuivende engelen halleluja staan te roepen of zo. Inderdaad, dat denkbeeld bestaat en dat is een eis die je stelt en daardoor wijs je al het andere af.

Wanneer u doodgaat, dan zijn er mensen die met u harmonisch zijn geweest in het leven. U hebt door uw eigen leven en denken eveneens bepaalde inhouden die in de geest kunnen bestaan. Daardoor ontstaat “contact” en dat contact is, wat u noemt: het afhalen. Wanneer wij dus zo iemand benaderen, dan gaat dat natuurlijk in beelden en vormen, want dat is het besef wat men neemt. In deze zin heeft diegene die overgaat het gevoel van een persoonlijke ontmoeting, ook wanneer in wezen sprake kan zijn van een gedachteprojectie, die van veraf plaatsvindt.

Er wordt u dus hulp gegeven bij die overgang. Wanneer met bepaalde mensen bv. een zeer intense band heeft bestaan, ik zou zeggen een emotioneel, moreel, redelijke, dan is het wel zeker dat u die personen en hun inhoud zelfs in het uur van sterven nog ontmoet. Daarbij zullen zij vaak de vorm aannemen die u toekent aan hetgeen in dat ogenblik van sterven noodzakelijk is. Want vorm is maar een gedachte.

Vaak vormt de mens zelf, uit de kracht die hem beroert, de gestalte die hij het liefste zou zien, maar hij ontvangt hulp en er is dus bij de dood altijd iemand aanwezig, zij het in de door mij omschreven zin, die u helpt te begrijpen waar u aan toe bent. Aanvaardt u die hulp, dan is dat voor u een groot voordeel. Aanvaardt u die hulp niet dan ontstaat er een zeker isolement. Maar aangezien een bestaande harmonie niet gemakkelijk verstoord wordt, blijft het pogen dan duren om u te benaderen en u van uw eigen toestand, uw eigen mogelijkheden a.h.w. meer bewust te maken.

  • Als u over de hiërarchieën spreekt is er toch een meer en meer opgaan in de Godheid. Is het dan zo dat we uiteindelijk in de Godheid volledig opgaan en dat wij onze individualiteit verliezen?

Ja, daar vraagt u mij iets. Ik kan natuurlijk het eenvoudige dooddoenertje gebruiken dat wij altijd gebruiken en zeggen: Kijk eens, als wij dat zeker zouden weten dan zouden wij hier niet meer zitten. Maar ik geloof dat, wat wij nu als bewustzijn beschouwen gelijktijdig een deel is van een totaliteit, die wij in zijn geheel God noemen. Daarom neem ik niet aan dat wij verbleken of verdwijnen. Maar ik denk wel dat het onderscheid dat dat puntje bewustzijn, dat blijft bestaan, maakt tussen zich en de rest van het bestaan, de rest van de wereld, dat dat onderscheid ergens wegvalt of een totaal nieuwe vorm krijgt. Maar zeker weten doe ik het niet, vandaar dat ik u geen definitief antwoord durf te geven.

  • Vraag (onduidelijk) betreffend leven op andere planeten.

Laten wij het heel eenvoudig stellen: Gemiddeld één op de vijfduizend sterren heeft planeten. Gemiddeld één op de tienduizend planeten is bewoonbaar. Dat betekent dat een groot aantal bewoonbare planeten in dit heelal, in dit    melkwegstelsel zelfs, bestaan. Dan spreken wij nog niet eens over andere sterrennevels. Het zal u duidelijk zijn dat waar levensmogelijkheden bestaan, leven bijna onvermijdelijk is. Het is in de natuur altijd zo, dat waar een hiaat ontstaat, er iets ontstaat dat dat hiaat vult. Waar een levensmogelijkheid zonder leven is, is een kleine verstoring van het bestaansevenwicht voldoende om daar een vorm van leven te doen ontstaan.

Alle leven dat in de tijd plaats vindt, heeft de neiging tot een soort evolutie. Misschien zou ik eerder moeten zeggen tot een reeks mutaties, waarbij van buiten veroorzaakte sprongmutaties mede de bevoertuiging, de denkvermogens en de rest van de mogelijkheden beïnvloeden. En dat houdt in dat er op al die planeten dus leven is. Dat leven kan soms betrekkelijk laag zijn. Het kan dus liggen in de richting van mos bv., een steppeplantje, het kan ook wat verdergaan: amfibieën; het kan nog verdergaan: vertebraten.

En nu maak ik een fout. Ik zeg vertebraten omdat ik de ruggengraat sedert de menselijke ontwikkeling als erg belangrijk beschouw. Maar het is net zo goed mogelijk dat je zonder een ruggengraat een dergelijk iets bereikt. Iemand die bv. een chitinepantser heeft aan de buitenkant, die kan zich net zo goed ontwikkelen en daarbij ook een hoger bewustzijn krijgen, een hoger reactiemogelijkheid, de mogelijkheid werktuigen te hanteren of de mogelijkheid tot abstract denken en misschien het gebruiken van bepaalde krachten die aan dit denken inherent zijn. Het zal u duidelijk zijn dat er hier in de kosmos heel wat wezens wonen.

Nu moet u niet denken dat ze bij elkaar voortdurend op visite gaan. Er zijn rassen die ruimtevaart hebben, maar ruimtevaart heeft nogal wat moeilijkheden. U zult begrijpen, de reis die je tegen lichtsnelheid aangaat; maar je reist met een enorme massa, je eigen tijd lijkt maanden te duren, maar duurt gelijktijdig honderden jaren op de planeet waar je vandaan komt. Je kunt dus nooit meer terugkeren tot je eigen tijd. Dat is een emotioneel heel grote belemmering, zelfs wanneer je gebruik maakt van invriezing, precies hetzelfde.

Dan hebt ge natuurlijk de bewegingsmogelijkheid middels andere dimensies, maar dat betekent een dimensionaal omzetten van materie en dat betekent een enorme spanning in elk krachtpatroon, waaruit materie is opgebouwd. Er zijn maar weinig wezens die dit volledig kunnen doorstaan en dan hebben we weer de oriëntatiemogelijkheid niet die nodig is om een zeer nauwkeurige landing te maken. Het gevaar is betrekkelijk groot dus. Dat impliceert wel dat algemeen, een heel melkwegstelsel, of zelfs meerdere melkwegstelsels omvattende ruimtevaart praktisch niet voorkomt. Gedachten kunnen wat gemakkelijker weggaan. Er zijn procedés die zeer interessant zijn. Er is bv. een ras dat een bepaalde straling uitzendt en die gebruikt als draaggolf voor gedachten. Nu blijkt dat, dankzij die draaggolf, de gedachten onmiddellijk afstanden kunnen overbruggen van zegge: 50 tot 150 lichtjaren. De vertraging tussen uitzending en antwoord is dus iets minder dan wanneer je met radio van hier tot de maan gaat.

Er zijn dus inderdaad contacten mogelijk, maar die zijn zeker niet veelvuldig. En, ik geloof ook niet dat de mens zich moet richten op het leven van buitenaf dat hier weleens de zaak op komt ridderen of zo. Of de wijze meesters van een of andere verre ster, die even komen vertellen hoe de mens moet leven. Dat is op zichzelf bijna onmogelijk, omdat elke ontwikkeling zijn eigen inhouden heeft. En zou je de waarde van één ontwikkeling over willen brengen op een totaal ander ras met een andere ontwikkeling, dan zou je hoogstens iets krijgen als de dressuur van een hond. Je weet het: Een hond is een wolf die zich onderworpen heeft aan een reeks menselijk waarden, maar die daarmee gelijktijdig dus een deel van zijn wolf-eigenschappen terzijde heeft gesteld, zonder ze helemaal te kunnen onderdrukken. Zo zou de mens dan moeten staan tegenover een dergelijk ras. Ik geloof niet dat dat reëel is. Maar er is leven in de kosmos.

Dan ga ik dit onderwerp, kort, vanuit mijzelf, afsluiten:

Wij zijn nu bezig geweest met sferen, met geest en al die dingen. Maar wij hebben één ding over het hoofd gezien: Dat al hetgeen over geest en sferen en mogelijkheid van hoog bewustzijn of, u zult zeggen hiërarchie en dat al dat daarover gezegd is, ook toepasselijk is op de mens zelf. De mens heeft een geest; een geest die zeker in de ban is van materiële emoties. Zeg maar: het spel van zijn klierafscheidingen, zijn redelijkheid, zijn behoefte om zichzelf een bepaalde wijze op te leggen aan de wereld. Maar die geest is er. Dat wil zeggen dat al hetgeen ik zeg over contacten en capaciteiten, voor de geest als mogelijkheid voor de mens zou moeten gelden. En dan is de vraag waarom dat dan niet het geval is. Daar zou ik dan ook wat willen over zeggen: Een ding: je moet niet denken dat ik hatelijk wil zijn, als ik dingen zeg waarvan u denkt: nou dat is toch niet prettig.

De mens wil redelijk zijn, hij wil logisch redeneren. Maar zijn logica is niet volledig, zij is selectief en de selectiviteit wordt voor een groot gedeelte emotioneel bepaald. De logische samenhangen die hij vindt, zijn dus niet totale samenhangen. Hij bindt zich daarbij voortdurend aan een deel van het geheel. Een deel van het geheel van zijn erkenningsmogelijkheden, maar ook vaak aan een deel van zijn persoonlijke uitingsmogelijkheden ten aanzien van het geheel, wat voor hem of haar noodzakelijk is. Dat is in een maatschappij moeilijk te vermijden dacht ik.

Maar als wij nu eens, ook voor die andere, voor die minder redelijke impulsen open zouden staan als mens, gewoon in de stof dus, dan zou er een deel van wat men geestelijke kwaliteiten of occulte capaciteiten of gaven noemt, actief moeten zijn. Die activiteit bepaalt niemand anders dan uzelf. Er is dus niemand die u kan zeggen: Kom maar even hier, ik zal u eventjes instralen en het is klaar. Was het maar zo, het zou veel eenvoudiger zijn. U moet gewoon in uzelf gaan letten op de kleine, schijnbaar niet redelijke details die toch betekenis blijken te hebben in uw leven, in het alledaagse, in uw relatie met de wereld. Op deze manier ontwikkel je een binding, waarbij geestelijke kwaliteiten mee een rol gaan spelen in de redelijke processen. Er is dan geen sprake meer alleen van de selectieve logica die je nodig hebt om met anderen een redelijk contact te kunnen hebben, er komt een aanvoeling bij een niet logisch erkennen, dat voor een deel kan worden gebruikt om de selectiviteit in de logische redenering te doen afbuigen. Wij kunnen dus een groter gebied logisch overzien op het ogenblik dat wij niet uitgaan van de logische verklaring, maar van de impuls van het in ons bestaande verschijnsel. Hier zitten wij dan meteen aan de kern van alles wat men occultisme noemt. Let wel! Alles wat occultisme heet is niet op zich duister. Het is veelal zelfs, in zichzelf volledig logisch, maar past zich niet aan bij de algemeen erkende en bewijsbare feiten of de logische samenhangen, zoals de mensheid die hanteert. Elk systeem daarin heeft zijn verdienste, heeft zijn nadelen. Het occultisme kan u nooit een volledige oplossing geven, die kunt u alleen zelf vinden. Maar al datgene dat occultisme heet, speelt aan op die niet zo logische en ten dele redelijke, ten dele emotionele intuïtieve wereld, die in elke mens aanwezig is en het probeert factoren daarvan te versterken, te richten, te projecteren.

Nu wanneer je dat allemaal bij elkaar neemt dan kom je dus tot de volgende conclusie: Veel van de zogenaamde onwetenschappelijke feiten van occultisme, van geloof, van bepaalde geheimscholen zijn niets anders dan een aanwijzing waardoor wij de weg kunnen volgen tot in ons bestaande kwaliteiten of capaciteiten. Wij behoeven niet te veranderen in de eerste plaats, wij moeten bewust worden van onszelf en van onze mogelijkheden. En dat kunnen wij zeker niet alleen maar doen door er in het wilde weg op los te experimenteren, voortdurend te theoretiseren.

De realisatie van een werkelijkheid in jezelf, komt voort uit een belangstelling voor de kleine, niet geheel verklaarbare, details waarbij je niet zoekt deze te verklaren, maar probeert om deze in te passen in een zich herhalend schema. Wanneer ik “dit” voel zal waarschijnlijk “dat” gebeuren. Die waarschijnlijkheidsrelatie die moet u vinden, totdat u zegt: dat gevoel betekent voor mij: dat gaat gebeuren. Dan heeft u een nieuwe waarneming erbij gewonnen en met die nieuwe waarneming vindt u dan vaak een systeem, een verklaring. Die verklaring is nooit algeheel juist, maar zij maakt het u wel mogelijk om weer nieuwe kleine details in te voegen in uw dagelijks bestaan en zo tot een uitbreiding te komen van uw bewustzijn.

De meeste mensen denken dat geestelijk streven betekent: voortdurend bezig zijn met het hiernamaals, met de goede God en alle Heiligen en laat die de wereld dan maar opredderen. De praktijk is anders. Wij moeten in onszelf datgene terugvinden wat wij in door ons vereerde of begeerde krachten zelf zien en projecteren. En dat kunnen wij doen door de kleine waarden van ons eigen leven en bestaan zo om te buigen dat zij voortdurend meer inhoud gaan geven aan dat schijnbaar paranormale, aan dat intuïtieve of hoe u het noemen wilt; het vergroot gebruik van een eigen waarnemingsmogelijkheid die vaak de zintuiglijke waarneming te boven gaat. Je treedt binnen in een wereld die wat anders is, je oriënteert je daarin en je komt zo tot een ontwikkeling die, op de duur, ook tijdens het stoffelijk leven een groot aantal van die kwaliteiten in je actief doet worden, die na de dood de hoofdwaarden zijn waardoor je je bestaan tot uitdrukking brengt en dat lijkt mij erg belangrijk.