Het licht

image_pdf

 24 mei 1963

Aan het begin van onze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wat mijn onderwerp betreft, ik zou graag met u spreken over: Het licht

Er bestaat een oud gezegde, dat voor sommigen zelfs een leuze schijnt te zijn geworden: “Ex oriente lux”. Uit het oosten komt het licht, of: “het daghet in het oosten”. Met het licht bedoelt men niet alleen de zon, maar wijdt men ook alle aandacht aan de filosofische systemen en het geloof, zoals deze in het oosten bestaan. Wat nu eigenlijk met dit lux, dit licht, in deze zin bedoeld wordt, is verder moeilijk te bepalen. Velen definiëren het als “Goddelijk licht”. Maar dit is uiteindelijk een onbestemde waarde, die alleen in relatie tot onszelf zich kan uiten.

Misschien heeft u wel eens die moderne uitvinding, het zogenaamd zwarte licht, gezien. Dat is een diep violette straling, die door reflex speciaal geprepareerde vlakken op doet lichten. Al het andere blijft donker, behalve dan iets, wat werkelijk wit is. Naar ik meen, kunnen wij de werking van het Goddelijke Licht voor ons doel zeer wel vergelijken met dit zwarte licht. Ook dit is niet onmiddellijk zichtbaar. Het is niet onmiddellijk kenbaar, maar komt tot uiting, wanneer zich binnen dit Goddelijk Licht iets beweegt, dat in staat is dit Licht, of een deel hiervan, binnen ons bewustzijn te reflecteren.

Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat het Goddelijke Licht alleen kenbaar wordt door weerkaatsing, zo mogen wij ook stellen, dat alles, wat wij van dit Goddelijk Licht ooit zullen bemerken, in wezen een persoonlijke reactie is op een grote kracht, waarvan voor ons steeds maar een deel kenbaar zal worden. Dit verklaart niet alleen, waarom het begrip Licht in geestelijke zin zo moeilijk omschrijfbaar is, maar tevens, waarom omtrent het “licht uit het oosten” zoveel verwarrende opvattingen bestaan. Iedereen beleeft het op zijn eigen wijze, een ieder ziet het anders, naarmate in hem, zijn wereld en opvattingen, bepaalde delen van dit Licht kenbaar worden, delen van de wijsheid beseft kunnen worden.
Toch zullen er aan het Goddelijk Licht een aantal waarden verbonden zijn, die alle mensen zouden kunnen bevatten, of, zo niet door een ieder beleefbaar, toch zo vaak in verschijning treden, dat wij ons daaruit een klein beeld van dit Licht kunnen maken.

Ik hoop, deze avond iets hiervan voor u duidelijk te mogen maken. De reden hiertoe is, dat de aanwezigheid van geestelijke krachten en Licht in deze dagen sterker naar voren treedt dan gebruikelijk en deze waarden sterker worden gepropageerd dan ooit, terwijl toch vele mensen er weinig of niets van schijnen te bemerken. Wij zullen ons baseren op wijsheid. Dit voert ons terug naar het oosten, omdat wij daar de – voor het huidige weten – oudste wijsheid aantreffen.
Daarbij wil ik allereerst China onder uw aandacht brengen. Hier huldigt men kennelijk het denkbeeld: zo onder, zo boven. De hemelwerelden, de hellewerelden, zijn in zekere zin een weerkaatsing van de menselijke wereld. Men heeft het er beter of slechter, maar structureel zijn deze werelden intrinsiek hetzelfde. Het bewustzijn van de mens beleeft zichzelf in elke wereld gelijkelijk. Elke wereld is een volmaaktheid, mits licht en duister elkander binnen deze wereld harmonisch en evenwichtig aanvullen. Naast het bepalende van de menselijke gedachte voor de wijze, waarop hij een boven- of onderwereld zal ondergaan, treffen wij hier het evenwicht van de tegendelen, zo schoon voorgesteld in de bekende afbeelding van het Yang en Ying principe.

Er is dus alleen het Licht te vinden volgens deze wijzen in een erkenning van licht én duister. Het is typisch, dat de filosofen van China reeds zo lange tijd deze stelling hebben kunnen verkondigen, zonder dat de rest van de wereld aan deze waarheid meer aandacht heeft gegeven. Alleen de diepe denkers, de werkelijke zoekers, hebben daarin iets terug gevonden van de diepe waarheid, die voor hen leefbaar is.

Maar wat verder naar het zuiden worden de tegenstellingen op een andere wijze uitgedrukt, een wijze, die meer belangstelling vermocht te wekken. De tegenstellingen heten hier: strijd en vrede. Deze komen altijd gezamenlijk voor. Zelfs een Boeddha kan zijn vrede niet vinden, voor hij strijd heeft geleverd met de horden van de duivel, de dochters van de duivelen, de duivel zelf. Wij ontdekken verder, dat alle oude helden van de Veda’s, tot zelfs goden als bv. Vishnu, ergens een strijd moeten leveren bij het zoeken naar een persoonlijk evenwicht. Wanneer de wereld geboren kan worden, zo danken wij dit ook aan Vishnu en de drinker van het wereldgif, die de giftige afscheidingen van de wereldslang uit de oeroceaan drinkt en zo het de wereld mogelijk maakt te leven.

Men kan hier ongetwijfeld vele andere voorbeelden en verhalen aan vastknopen. De waarheid, die daarin tot uiting komt, is echter al weer zeer eenvoudig, namelijk goed en kwaad zijn altijd beiden aanwezig: het goede kan alleen door de absorptie van het kwade tot uiting komen, terwijl beide onderling strijdige waarden steeds gezamenlijk op moeten treden, indien men een van de beiden wil beseffen.

Naar ik meen, mogen wij deze wijsheden ook in verband met het Goddelijke Licht beschouwen, waarvan wij dan kunnen zeggen: het Goddelijke Licht omvat alle door ons gekende waarden plus alle andere mogelijke waarden. Datgene, wat hiervan in ons weerkaatst wordt, bepaalt het deel van het Ik, waarin wij ons dit Licht realiseren en van waar wij ons bewustzijn verder kunnen uitbreiden. Ten tweede kunnen wij nog zeggen: ofschoon het goddelijk Licht wel kosmisch wordt genoemd, kan het niet omschreven worden in menselijke tijd. Het zal in geheel de kosmos bestaan, maar niemand weet, hoe de kosmos dit Licht reflecteert. De erkenning van het Licht, is en blijft een zuiver innerlijke zaak, die de mens alleen zelf tot stand kan brengen.

Uit de Indische geschriften en wijsheden blijkt verder, dat het Licht bestaat uit zwakte en sterkte: enerzijds is het Licht een onmiddellijke kracht. Vandaar dat degene, die – in de Veden – dit Licht erkent, tot held wordt en vele legers alleen kan verslaan. Aan de andere kant is dezelfde held zwak, want hij moet vaak het onderspit delven tegen een magiër, of kan ten hoogste, na een uiterste beproeving van zijn uithoudingsvermogen, zich uiteindelijk aan zijn lagen en listen onttrekken. Dit voert tot de conclusie, dat het Goddelijk Licht, zodra het de wereld betreft, een onmetelijke kracht is. Zodra het echter onszelf betreft, is het ook zwakte, want juist wanneer je een goddelijke werkelijkheid erkent, is het zeer moeilijk en voor sommigen zelfs onmogelijk, hun wereld te aanvaarden, zoals zij zich dan toont. Ook hier heeft men dus het Licht op een volgens mij aanvaardbare wijze enigszins omschreven.

Bij de Perzen vinden wij een geloofsvorm, waarin Licht en duister eeuwig met elkander strijden. Eens zal die strijd worden beëindigd. Men zegt dan soms te weten, dat uiteindelijk het Licht het duister zal overwinnen.
Degenen echter, die de geheime leer van dit geloof – de Zoroaster Leer – kennen, weten echter, dat de werkelijke stelling luidt, dat aan het einde van de dagen het Licht en het duister zullen versmelten. Voor ons kan dit als volgt worden omgezet: Het Goddelijk Licht openbaart zich aan ons niet alleen als Licht, maar ook als duister. Wanneer u nog even denkt aan het zwarte licht van zo even, begrijpt u misschien, waarom. Het zwarte licht is immers onzichtbaar, en lijkt ons toe duisternis te zijn, tenzij er een reflexvlak door de stralen van dit licht getroffen wordt. Wij menen dan een lichtend vlak te zien, omringd door duisternis. Het wezen van de waargenomen duisternis en het lichtende is echter dezelfde. De bron is gelijk.

Deze Perzische lering zegt ons weer iets over het Goddelijke Licht. Ofschoon alle dingen in wezen dezelfde kracht dragen, zullen wij Licht alleen datgene noemen, wat wij kunnen begrijpen, of ten minste kunnen aanvaarden. Duister is voor ons al het ander. Licht is alles, wat strookt met ons bewustzijn en standpunt. Alle andere delen van het Licht doen zich aan ons voor als duister of demonisch.
Zolang wij niet beseffen, dat het duister slechts het door ons niet gekende licht is, zullen wij het vrezen en door onze angst er zelfs aan ten onder kunnen gaan. Zolang wij alleen in het door ons erkende Licht zaligmaking en vreugde verwachten, zullen wij deze waarden alleen binnen het door ons erkende kunnen bereiken of verwachten, al het verdere is voor ons niet bereikbaar. Wij zijn het dus, die in wezen bepalen, wat het Licht voor ons zal inhouden.

Naar ik meen, zijn dit reeds zeer interessante punten, ofschoon hierin voor u althans theoretisch weinig nieuws zal schuilen. Wij gaan echter verder.

Wanneer wij het licht van een normale zon bezien, zo blijkt dit in wezen te bestaan uit stralingen van verschillende hardheid, die allen ergens als licht tot uiting zullen komen, ofschoon dit niet altijd binnen de visuele grenzen van de mens hoeft te vallen. Verder blijkt dit licht niet een volledig rechte baan te beschrijven, maar een afwijking te vertonen in de richting van elke nabij liggende massa. Dit wil dus zeggen, dat op gelijke afstand van de zon per vierkante meter op een planeet meer stralen licht zullen treffen, dan in een gelijk stukje ruimte tussen twee planeten zullen passeren.
Misschien schijnt dit geen al te groot verschil in uw ogen, maar het is er. Verder blijkt dan nog, dat de looplijn van een lichtstraal niet geheel recht is, maar, wanneer er geen tussenliggende massa optreedt, een gebogen baan ontstaat, waardoor het Licht – indien het geen energie zou verliezen – uiteindelijk tot zijn eigen bron terug zou keren.

Misschien kunnen wij ook hieraan enkele gelijkenissen t.a.v. het Goddelijke Licht ontlenen:

Hoe meer ik mij bewust ben, hoe meer ik het Licht aantrek, hoe sterker voor mij de verschillen tussen Licht en duister zullen worden. Gods Licht blijft in wezen gelijkelijk in beiden aanwezig, maar voor mij wordt het onderscheid tussen het erkende Licht en het niet erkende Licht groter. Ofschoon ik spreek over het Goddelijk Licht, dien ik te beseffen, dat dit allerlei andere begrippen omvat, naargelang de vorm waarin ik het erken, kan het wijsheid zijn, optreden als kracht of iets anders. Zo kan het zich ook in een eenvoudig stoffelijk iets even sterk en kenbaar tonen als in de hoogste sferen, indien de beschouwer dit ervaren kan.

Al deze aspecten zijn in wezen dus deel van het begrip, dat wij “Het Licht” noemen. Op grond hiervan lijkt het mij aanvaardbaar te stellen, dat het Licht in zich één en ondeelbaar is, maar in zijn voor ons kenbare uitingen oneindig verdeeld zal zijn. In de praktijk betekent dit, dat het Licht, dat wij waar kunnen nemen, altijd verdeeldheid is, ofschoon de bron altijd een ondeelbare eenheid zal zijn. Ook dit brengt ons dichter bij een juiste houding t.o. het Licht. Wanneer wij beseffen, dat het Licht in ons een kwestie is van antwoord geven, terwijl het wezen van het Licht al het zijnde omvat, terwijl het als geheel gehoorzaamd aan wetten waarvan wij misschien iets mogen vermoeden, maar die wij niet kennen, terwijl het zich als schijnbaar strijdige of tegengestelde mogelijkheden kan manifesteren, zullen wij in alle dingen het Licht zoeken en niet de strijdigheid van de verschijnselen, maar de harmonie van de kracht als basis van ons leven gebruiken.

Hiermede hebben wij dan tevens een aardige verklaring gevonden voor het anders zo onbegrijpelijke optreden van het goddelijke Licht op aarde.

Men zegt weleens, dat Jezus het goddelijke Licht op aarde is. Wij zullen eens zien, welke aspecten van het Licht in Zijn levensverhaal alzo voorkomen. Allereerst is er de ster, het Licht, dat het kind aankondigt. Dan de geboorte van het Kind, gevolgd door het geweld, de kindermoord. Hierop volgen delen van Jezus’ leven, waarvan minder bekend is, doch waarin hij zeer zeker in Egypte als kind reeds veel wijsheid opdeed, terwijl Hij kort na zijn manbaar worden een aantal zwerftochten onderneemt, waarbij Hij o.m. in verbinding treedt met Brahmanen en andere voorlopers van de Boeddhisten. In deze tijd is hij in eigen stad zeer geacht. Vanuit het menselijk standpunt lijkt Jezus’ leven in deze tijd haast negatief: Hij is een mens, die overal kennis als een spons opzuigt, maar verder niets zegt of doet, waardoor hij van anderen zou verschillen, een grotere geestelijke waarde dan de doorsnee mens aan de dag zou leggen.

Opeens zien wij een enorme verandering: dezelfde Jezus, die een geacht lid van zijn gemeen- schap was, blijkt opeens daar niet meer aanvaardbaar te zijn. Hij blijkt het middelpunt van onvatbaar grote energieën te zijn, geeft leringen, geneest zieken en wekt zelfs doden tot leven. Hij schijnt geheel de wereld in zijn handen te dragen.

Even daarna zien wij die Jezus sterven aan het kruis, herrijzen uit de dood, maar niet geheel menselijk meer, om daarna ’ten hemel op te varen’ en uit het gezicht van de mensheid te zien verdwijnen. Hoe groot zijn hier niet de strijdigheden; indien Jezus het Licht van de wereld is, hoeveel tegenstrijdige aspecten toont dan ook dit Licht ons.

Dit lijkt vreemd, maar indien wij elders zoeken naar uitingen van het Goddelijke Licht, zo vinden wij hetzelfde: het Licht openbaart zich aan ons nimmer als een eenheid, als een redelijk geheel, maar als een grote verscheidenheid van schijnbaar onredelijke en onlogische waarden.

Dan kunnen wij ook nog stellen, dat wij zelf de verscheidenheid niet geheel kunnen begrijpen, zodat wij alles, waarin wij het Licht niet op onze wijze erkennen, gemakshalve zelden maar duister noemen. Hiermede omschrijven wij niet, zoals wij zelf menen, de waarden van Licht en duister maar alleen ons standpunt ten opzichte van de verschillende waarden van de Lichtende verscheidenheid.

Een ander punt is het volgende: wanneer wij het Licht beseffen, kunnen wij het niet altijd verdragen. Wij vluchten vaak in de schaduw, omdat het Licht ons te veel eisen stelt.

Een derde punt: Wij zijn eerder geneigd, het Licht voor ons te laten werken, dan mét het Licht te werken. Vooral dit laatste is in deze dagen helaas maar al te waar. Ik zal u een voorbeeld geven:

Wanneer ik iets beleef of zie, bv. het verkeer, erken ik, dat er ongelukken onnodig voorkomen. Dit is kwaad. Maar ikzelf kan daaraan geen schuld hebben, dus wijzig ik mijn standpunt t.a.v. de fout in overeenstemming met de plaats, die ik in het verkeer zelf inneem en eis, dat de anderen iets zullen doen, om verdere ongelukken onmogelijk te maken. Een voetganger zal stellen, dat de bromfietser onverantwoordelijk rijdt en de automobilist door zijn jachten gevaarlijk is. De automobilist spreekt over het gebrek aan kennis van de verkeersregels, de onberekenbaarheid en onverantwoordelijkheid van beide anderen, terwijl de bromfietser klaagt, dat niemand ooit rekening met hem houdt en zo de anderen menig ongeluk veroorzaken. Ieder ziet en beleeft de wereld vanuit zichzelf, maar schuift zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid, de plicht om iets te doen, zich te beheersen enz. af op de anderen.

Een aardig resultaat hiervan is een streven naar perfectie, dat in de aan anderen gestelde eisen tot uiting pleegt te komen. De automobilist zou voor zich overal parkeerruimte, overal vrije doortocht en een algehele afwezigheid van voetgangers op de rijbaan wensen. Hij meent hierop, gezien zijn belangrijkheid, een zeker recht te hebben, maar vergeet, dat hij zo dadelijk uitstappen moet en voetganger wordt, dan misschien niet in staat is zijn kantoor op tijd te bereiken, omdat hij de gelegenheid niet vindt de drukke straten over te steken.
De bromfietser eist, dat men met de wankelheid van zijn snorrende tweewieler rekening houdt. Voetgangers en auto’s moeten hem eigenlijk uit de weg gaan. Hij vergeet, dat, zo dit consequent werd doorgevoerd, hij op de duur van de straten geen gebruik zou kunnen maken door de vele verkeersopstoppingen, die zijn onberekenbaarheid veroorzaakt.
De voetganger meent echter, dat alle verkeer toch eigenlijk dient te wachten, tot hij naar believen langzaam de verkeerswegen is overgestoken, zelfs wanneer hij een praatje wenst te maken halverwege de straat, hij heeft misschien ook wel haast, nietwaar, en de anderen zullen met hun vervoermiddelen toch al zo veel sneller zijn. Hij vergeet, dat hij voor het afleggen van grotere afstanden een beroep doet op het openbaar verkeer. Een vervulling van zijn wensen zou betekenen, dat hij uren zou doen over de afstand tussen een buitenwijk en het centrum van de stad.
De eisen, die men stelt, lijken op het eerste gezicht nog wel aanvaardbaar. Eerst wanneer men de consequenties voor het geheel overweegt, wordt duidelijk, dat het eigen standpunt en eigen eisen niet tot een redelijke oplossing kunnen leiden.

 Overgebracht op ons onderwerp, wil dit zeggen, dat het doorzetten van een door ons als goddelijk binnen ons erkend Licht voor geheel de wereld altijd tot absurditeiten moet voeren. De wereld zelf is, vergeleken met de mens, alomvattend. Het is niet mogelijk het alomvattende terug te brengen tot het eenzijdige, zonder gelijktijdig alle mogelijkheden, levenscondities enz. geheel te wijzigen.

Toch kan de mens in deze dagen alleen dat gedeelte van het Goddelijke Licht voor zich erkennen en actief maken, waarop hijzelf innerlijk reageert, waarmede hijzelf harmonisch is. Want het enige Licht, dat betekenis voor je heeft, is een Licht, waarvan je kunt zeggen: dit zie ik, dit leef ik. De conclusie is alweer logisch: wij moeten werken met de goddelijke waarheid, zoals deze in ons bestaat, maar moeten ons gelijktijdig er voor hoeden, deze waarheid als zonder meer allesbepalend of alomvattend voor de wereld te beschouwen, wat heel moeilijk is. De moderne  mensen doen dit dan ook zelden, zoals ooit. Wanneer u zich bezig houdt met moderne staatslieden, met partijen enz. zult u dan ook al snel zien, hoeveel eigenaardige dingen er gebeuren, dankzij een eenzijdige benadering van problemen, een eenzijdig inzicht in de wenselijkheden van het leven.

De Gaulle bv. tracht zozeer zijn land zijn vorm van vrijheid, welvaart en vrede op te dringen, dat hij een tijdlang, alleen beschermd door een lijfwacht en vergezeld van ziekenauto en chirurg, de straat op kon gaan. Met alle eerbied voor zijn moed en doorzettingsvermogen vrees ik, dat welvaart, vrede enz. niet te bereiken zijn langs de weg, die volgens hem de enige is.

In Rusland geldt het systeem als onfeilbaar. Dus vertelt men de mensen, dat men op alle terrein verder is dan andere landen, dat men het beter heeft dan in andere landen, dat men vrijer is dan elders enz., ofschoon men weet, dat dit niet waar is. Men weigert de mensen zelfs een werkelijke vrijheid van denken en handelen, omdat men bang is, het onfeilbare systeem op de proef te stellen en andere methoden dan de uit het systeem voortvloeiende toe te laten.

In Nederland is men zeer democratisch. Dus vindt men dat de communistische partij eigenlijk geen recht van bestaan mag hebben en wenst men deze partij te schaden, waar men kan. Wat volgens mij geen democratisch standpunt is. Wanneer men maatregelen neemt tegen deze partij, die tegen andere partijen niet genomen worden, zo is dit een bewijs, dat men onvoldoende vertrouwen heeft in de betekenis en waarde van eigen democratische beginselen, terwijl men daarnaast waarschijnlijk bang is, dat eigen eenzijdige verklaringen, standpunten en maatregelen door een openlijke erkenning dat deze partij gelijkwaardig kan zijn, in het gedrang zouden kunnen komen.

In de U.S.A. is men democratisch. Dit geldt voor het gehele land, maar niet voor de gemeenschappen op zich. Het gevolg is, dat burgers om een verschil van huidskleur, elkaar aanvallen, met gasgranaten te lijf gaan, afranselen, arresteren enz. Dit kan alleen verklaard worden uit een te klein vertrouwen in eigen kundigheden en vaardigheden, eigen bekwaamheid, om het tegen de anderen op te nemen. In wezen is er sprake van een eenzijdigheid, die tot dwaasheden voert.

Dit blijft ook dan gelden, wanneer de reden van de eenzijdigheid schijnbaar juist is. Wanneer de wijze heren bv. verklaren, dat de communisten in dit land geen propaganda voor hun partij mogen uitzenden, tasten zij hun eigen rechten aan. Wanneer morgen een andere partij de regering in handen heeft, kan zij immers op gelijke gronden besluiten, dat de PvdA, de KVP, of anderen niet passen in een democratisch gestel, deze democratie aan willen tasten en daarom verstoken moeten blijven van de mogelijkheid zich via radio en tv te uiten?

Misschien meent u, dat deze partijen daarvoor nooit in aanmerking zouden komen. Maar gaan ook zij in wezen niet uit van het standpunt, dat de enige juiste ontwikkeling van land en volk het door hen gehuldigde systeem is, zodat men – zij het deftig legaal – alle anderen het verwerkelijken van hun ideeën onmogelijk moet maken?

Wanneer Kennedy troepen uitzendt om zo een overeenkomst tussen blank en zwart mogelijk te maken, zo gaat hij uit van het standpunt, dat de wet en het gezag voor een ieder, als voor hem, boven alle persoonlijke geschillen moeten gaan. Hij vergeet, dat er mensen zijn, die geheel anders denken en voelen, die de wet alleen zien als een middel om de samenleving mogelijk te maken, niet als de kracht, die à priori de vorm van de samenleving dient te bepalen. Van de negers kan worden gezegd, dat hun huidige manier van demonstreren onjuist is, omdat zij hierdoor de grote verschillen tussen de negers en het blanke ras  eerder onderstrepen, dan de gelijkwaardigheid van beide rassen aantonen.

U kunt zeggen, dat dit de enige weg is, die hen blijft. Dat is dan uw standpunt en het hunne, maar laat toch andere wegen en mogelijkheden buiten beschouwing. Wij mogen niet vergeten, dat men eenzijdig kan denken en toch volledig eerlijk kan zijn.
Zo is mijn inziens Chroesjtsjov werkelijk eerlijk, wanneer hij zegt te streven naar vrede voor geheel de wereld. Aan de andere kant durft hij op het ogenblik de economische concurrentie met het westen nog niet aan, omdat daarbij zeer waarschijnlijk twijfel zou rijzen aan de juistheid van de stelling, dat alleen onder het communisme welvaart en rechtvaardigheid voor de arbeiders mogelijk is. Om eigen stelling als enig juiste en enig mogelijke te handhaven, schept hij verder de problemen, waardoor de door hem niet gewenste oorlog voort zou kunnen komen. Dergelijke moeilijkheden vinden wij niet alleen in Rusland, maar ook in China  waar bv. maar 1 op 100.000 chinezen als communistisch gezien kan worden.

Ik zou door kunnen gaan, maar wil niet te veel voorbeelden geven. Mijn stelling is nu, naar ik meen, duidelijk bewezen: een ieder ziet de waarheid vanuit zichzelf en weigert de mogelijkheid van een andere gelijkwaardige waarheid ook maar te overwegen. Iedereen moet zijn waarheid in zichzelf en vanuit zichzelf verwerkelijken, zonder deze ooit aan de wereld op te leggen. Wanneer wij een leer verkondigen, zo kan deze vanuit ons standpunt, vanuit de geest en misschien zelfs voor u in de stof de enige en Lichtende waarheid zijn. Dan geldt dit echter niet voor alle mensen. Wij hebben eenvoudig beantwoord aan een bepaald deel van het Goddelijk Spectrum, maar niet aan het geheel. Datgene wat wij onaanvaardbaar vinden, afkeuren enz. zal van de goddelijke waarheid evenzeer deel zijn, als de leer, waaraan wij waarde hechten. Wanneer wij dus onze leer als enig waar aan geheel de wereld op willen dringen, zullen wij daarmede in de wereld meer weerstand wekken dan harmonie vinden en meer goddelijk Licht trachten te doven, dan wij ooit dankzij onze leer aan de mensheid kunnen geven. Wat voor de mensheid en de wereld noodzakelijk is, om meer van het Goddelijke Licht te kunnen ontvangen, is niet de overwinning van een enkele waarheid, maar een synthese van alle waarheden.

Nu wij dit alles gesteld hebben, weten wij nog even weinig omtrent de ware geaardheid van het Goddelijke Licht als aan het begin. Wij hebben alleen onze eigen relatie tot dit Licht enigszins kunnen omschrijven aan de hand van de steeds weer op aarde voorkomende gebeurtenissen en ontwikkelingen. Het resultaat is, dat wij moeten trachten zoveel mogelijk waarheden samen te voegen en een zo groot mogelijke harmonie te krijgen met alles in de schepping, om het Goddelijke Licht op de juiste wijze te kunnen ervaren. Verder zijn wij niet gekomen.

Nu zijn er mensen, die menen, dat men op aarde slechts een enkel kort leven zal voeren. Wij willen dan in dit korte leven zoveel mogelijk genieten, óf zichzelf zo snel mogelijk rijp maken voor de hemel. Vanuit hun eigen standpunt hebben beide partijen gelijk: zo beroert hen immers het leven. Wij kunnen daaraan verder niets doen. Hun gedrag is gebaseerd op deze instelling. Alleen wanneer deze mensen dus innerlijk veranderen, zullen wij ook iets aan hun gedrag kunnen veranderen.

Het is een vergissing, dat wij het innerlijk van de mensen kunnen veranderen, door hen van buitenaf te beïnvloeden. Dit mag misschien voor de reacties van de lichamelijke mens gelden, maar zal nooit voor zijn werkelijk Ik, of zelfs maar voor zijn werkelijk gedachteleven gelden. Dan mag ook geteld worden, dat alleen de weg van het innerlijk beleven en een op het innerlijk gebaseerde samenwerking ooit werkelijke resultaten zal kunnen opleveren. Wanneer dit in deze tijd gebeurt, zal een ieder, door de versterking van de inwerking van het Licht, menen zijn waarheid feller en duidelijker te zien als te voren, deze strijdvaardig en fel tot uiting willen brengen en tot dit doel anderen fel te lijf gaan. Dat dit zeker niet de bedoeling is, zal u uit vele betogen reeds duidelijk zijn geworden.

Nu kom ik aan een punt, dat al te vaak verwaarloosd wordt; het feit, dat alles, wat voor de mens ooit gegolden heeft aan geloof, of zelfs maar aan belevingen, deel is van het Goddelijke Licht. Ook vandaag nog. Wanneer wij dus zeggen: ex oriente lux, zo duiden wij aan, dat onze voorkeur in het oosten ligt, dat het opkomen van de zon daar misschien onbewust deel uitmaakt van de verwachtingen, die wij in geestelijk opzicht koesteren t.a.v. de wijsheid van bv. Indië. Maar alles, wat er ooit op aarde is geweest, heeft alleen, dankzij God, kunnen bestaan, is waar in zijn Wezen en zo deel van het Goddelijke Licht.
Wanneer wij dus in de oudste oudheid ergens de voorvaderen van de sjamanen vinden, de eerste tovenaars, vinden wij ook daar Goddelijk Licht. Hun wijze van denken, geloven en werken was immers ook een antwoord op de Goddelijke Kracht. Gaan wij enige schreden verder in de historie, zo vinden wij de verering van een haast niet te tellen aantal goden. Maar elk van die goden is deel van God, de goddelijke waarheid. Ook deze goden zijn deel van het Goddelijke Licht. Komen wij tot de inwijdingen, dan blijkt, dat elke inwijding een weg is, die de mens tot het Goddelijke Licht wil voeren maar altijd naar een bepaald deel ervan en niet naar het geheel. Zien wij de grote godsdiensten van deze tijd, zo schijnt er sprake te zijn van één God, één enkele Godheid. Maar in wezen is deze eenheid nog sterker verdeeld dan vroeger, omdat de mensen geen verschil meer weten te maken tussen de facetten van God, die zij beseffen, door daaraan een andere naam te geven.

Wij mogen stellen, dat de mensheid een groei heeft doorgemaakt, waarbij allen meerdere malen op hun wijze met het Goddelijke Licht in contact kwamen. Daarbij dient men te beseffen, dat de bijgelovige sjamaan van eens, die jachtdansen danste om de goden te bewegen een rijke buit aan de stam te zenden, op zijn wijze een deel van het Goddelijke Licht leerde kennen en deze kennis niet meer zal vergeten.
Wanneer deze mens in deze dagen herboren is, zo zal hij nog steeds ditzelfde aspect van God kennen, ofschoon hij dit misschien anders zal omschrijven. Men wordt niet blinder, maar ziet steeds meer; men verliest geen bewustzijn, maar wordt steeds bewuster. Men kan niet terugkeren tot het duister, maar zal altijd moeten leven met het eenmaal verworven contact met het Licht in zich, of men dit nu wenst of niet. Stellende, dat de sjamaan werkelijk in deze dagen herboren is, zo kunnen wij tevens aannemen, dat zijn opvattingen, zijn benadering van God via het sjamanisme, opnieuw op zullen treden. Alle leven, wat tussen deze eerste vorm en het heden ligt, zal ergens een erkenning en weerkaatsing van het Goddelijke Licht langs de lijnen van de eerste realisaties bewerkstelligd hebben.

Zo heeft zich elke mens dus niet alleen een aanvaarden van het leven gevormd, maar ook een systeem waardoor men datgene, wat nu uit het Goddelijke wordt beseft, omzet in een bepaalde visie, een bepaalde praktijk in verband met de wereld. Er is in iedere mens een basiswaarde, waardoor de mogelijkheid, het Licht juister te beseffen, altijd weer in verband staat met zijn vroegere bestaanswaarden en de vorm, die de realisatie in de stof vergt, mede zal bepalen. Dit houdt in, dat de mens aan zijn verleden gebonden blijft, ook in deze dagen, en bij erkenning van de Lichtende waarden, die nu optreden, zelfs wanneer dit verleden niet wordt gekend.
Onze sjamaan erkende het Licht allereerst in de magie. Hij zal ook nu de magie zoeken. In wezen vormt alles, wat eens zijn leven was, ook zijn leven van nu.

Zo heeft de mens een relatie – ik zou haast zeggen een mystieke relatie – met de oneindigheid, die voortkomt uit een eenzijdig erkennen, dat zich soms intensifieert op een enkel punt, soms ook zich in de breedte – een vergroting van het deel van het Goddelijk Licht, dat erkend wordt – uit. Dit houdt in, dat het Goddelijk Licht door sommigen dus vaag, maar over een betrekkelijk groot deel van de werkelijkheid, kan worden waar genomen, terwijl anderen een zeer klein deel van het Goddelijke Licht zuiver, scherp en onthullend erkennen, maar daarbij dus tot een zeer beperkte ervaring van het geheel komen.

Vergelijkend gesteld: de een kan vaag een gehele bladzijde van het boek des levens  overzien, de ander ziet, scherp en duidelijk belicht, een enkel woord, maar kan ook niet meer dan dat onderscheiden. Hier begint voor ons in deze tijd niet slechts de moeilijkheid, maar ook de noodzaak tot aanpassing: degene, die een enkel woord duidelijk ziet, kan de ander die een geheel blad vaag ziet, helpen. Want hij kent een enkel woord met zekerheid, terwijl de ander alleen vermoedt, wat het kan zijn. Indien degene, die vaag het geheel overziet, bereid is alle vooroordeel terzijde te stellen, is het hem waarschijnlijk mogelijk op de duur bv. 100 van de 300 woorden, die op het blad staan, met zekerheid te leren kennen.
Ondanks de onzekerheden, zal hij zo in staat zijn de werkelijke inhoud van het gehele blad redelijk te beseffen, wetende, dat hij mogelijk enkele details verkeerd heeft, maar dat de hoofdzaak inderdaad zeker en juist is vastgesteld. Volgens mij is men er dan ook beter aan toe, wanneer men een misschien vaag, maar algemeen overzicht heeft van de werkingen van het Goddelijk Licht, dan wanneer men alleen een enkel deel ervan buiten alle verhoudingen belangrijk en fel belicht erkent.

Misschien vraagt u zich nu af, waarom een mens nu niet een heel blad van het boek des levens helder, duidelijk kan overzien. Nu is dit alles een vergelijking. Want in wezen spreken wij niet over een boek, maar over een openbaring van goddelijke krachten. Nu kan de mens maar een beperkte hoeveelheid van deze kracht werkelijk bewust in zich dragen. Deze hoeveelheid is naar boven en naar beneden betrekkelijk scherp begrensd, zodat men nooit veel meer of veel minder dan een ander kan bevatten. U kunt wel deze energie in uzelf opvangen en meteen weer verder geven, maar uw eigen inhoud blijft gelijk.
Het is als met de hersenen: men kan zich specialiseren, maar niet alle gebieden specialistisch precies kennen.

Betreffende het bewustzijn in geestelijk opzicht: wij zien iets dergelijks rekening houdend, dat de mogelijkheden voor allen ongeveer gelijk zijn. Nu kan de een beter zijn op gebied van de mystiek, de ander juistere mogelijkheden tot gevoelsrealisaties hebben, de derde misschien beter redelijke beelden ontwerpen van hogere waarden. Wanneer zij samenwerken, kunnen zij echter alle waarden gezamenlijk hanteren, mits zij bereid zijn de meerwaardigheid van de ander op zijn eigen terrein te erkennen.

Nu in deze dagen het Goddelijk Licht in de vorm van een enorme kracht steeds dichter bij de wereld komt, de mensenwereld steeds intenser doordringt, zal dit voor de mensen dan ook niet inhouden, dat zij opeens méér kunnen begrijpen dan vroeger, meer kennis zullen hebben e.d., maar alleen, dat de begaving die zij hadden, sprekender en duidelijker op de voorgrond zullen treden dan voorheen. Degenen, die in hun wereldbeeld en ontvangen van het geestelijk Licht dus niet tot een enkel punt beperkt waren, zullen daardoor de werkelijke samenhangen steeds duidelijker gaan overzien. Maar degene die reeds alle Licht, dat hij ontving op een enkel punt had geconcentreerd, wordt door de felheid, waarmede het nu optreedt, zozeer verblind, dat hij niet meer beseffen kan, wat dit Licht hem in wezen onthulde.

Hierdoor kunnen wij aan de ene zijde zeggen, dat het Goddelijke Licht, dat de wereld nadert, de geheimen des levens onthult, maar aan de andere kant kunnen wij zeggen, dat het de betekenis en inhoud aan de vele eenzijdige dingen zal ontnemen, die men zo volledig meende te kennen. Het is a.h.w. een oordeel, uitgesproken over de eenzijdigheid.

Dit is interessant, maar vooral belangrijk. Want er zijn op de wereld vele richtingen en groepen, die op een zeer beperkt inzicht, op een zeer eenzijdig denken of geloof zijn gebaseerd. Voor hen is dit alles natuurlijk een soort goddelijke waarheid en niet geheel ten onrechte, want het is de weerkaatsing van het goddelijke Licht in hen. Hun gezichtsveld is echter zó beperkt, dat het waargenomene onder de nu heersende omstandigheden zijn inhoud en betekenis bijna geheel verliest, voerende tot verkeerde conclusies, opvattingen en handelingen. Hieruit volgt weer, dat menigeen in deze dagen niet meer een erkende waarheid, maar slechts een menselijke traditie dient omwille van het Licht, dat hij in zich beseft. Op de betekenis van dit alles is door andere sprekers reeds rijkelijk ingegaan.

Ik wil u, als voorbeeld, alleen op het probleem van de geboortebeperking wijzen. De eenzijdige opvattingen daaromtrent zijn legio. Het eigenaardige is, dat de bestrijders zeggen zich te baseren op openbaringen, het O.T. bv., maar dit in wezen doen op een interpretatie daarvan. God zegt bv. tot de mens: “ga heen en vermeerder u”. Men ziet dit dan als een aanduiding, dat de mens een zo talrijk mogelijk nageslacht voort moet brengen. Maar vermeerder u of vermenigvuldig u, kan ook betekenen: vermeerder uw kennis, uw bewustzijn, de betekenis van uw wezen. Welke interpretatie is nu de juiste? De tegenstanders denken er niet eens over na: het is eenmaal als voortbrengen en vermenigvuldigen in zuiver stoffelijke zin geïnterpreteerd, dus is geen andere interpretatie meer aanvaardbaar voor hen.

Wij zullen dan ook in deze dagen in steeds toenemende mate eenzijdigheid en fanatisme op zien treden bij hen die eenzijdig georiënteerd zijn. Een bestrijden van het dogmatisme lijkt dan ook op het eerste gezicht de meest juiste weg. Maar als wij het dogma wegnemen, waarin door de mensen dan toch Gods Licht erkend werd, is het mogelijk, dat de mensen opeens geheel in het duister leven. Wij hebben dan ook niet het recht anderen in hun streng dogmatische geloofswaarden aan te tasten, omdat zij zonder deze misschien de goddelijke waarden geheel niet meer kunnen beleven en beseffen.

Misschien zoekt u een andere oplossing en meent u, dat wij, gelijkgestemden dan eerst maar eens samen moeten gaan werken. Maar ook dit is niet zonder gevaar: hoe groter de groepen van gelijkgezinden, die bij een geestelijk streven samen gaan, hoe groter het gevaar, dat deze groepen eenzijdig worden door het feit, dat zij op hun omgeving een grotere invloed uit kunnen gaan oefenen. De neiging hén uit te sluiten, die de macht en waarheid van de groep niet aanvaarden, zal stijgen met de omvang van de groep. Maar wanneer het Goddelijk Licht op aarde kenbaar wordt, kan het niet voor de aanhangers van een enkele groep bestemd zijn doch zal het voor allen gelijkelijk aanwezig zijn en werken. D.w.z. dat alle mensen op hun eigen wijze op dit Licht moeten kunnen antwoorden. Zodra wij, bv. omdat wij een grote groep zijn, pressie op anderen gaan uitoefenen om het Licht alleen op onze wijze te beantwoorden, brengen wij anderen tot onoprechtheden en hebben wij het duister in plaats van het Licht gediend en bevorderd.

Het Licht is voor ons dus niet alleen een probleem, omdat wij het niet kunnen omschrijven op een juiste wijze. Wij zullen ook geneigd zijn om alles, wat wij daarvan erkennen, aan geheel de wereld zonder onderscheid als enige waarheid op te leggen, terwijl wij aan de andere kant dit alles, wat voor ons een vervulling van ons wezen zou schijnen te zijn, moeten nalaten, omdat wij daarmede een deel van het Licht, dat reeds in anderen woont  zouden kunnen doden. Maar zelfs hier zijn de moeilijkheden nog niet ten einde.

Gewoon licht begint als een vibratie. Wanneer deze trilling intens genoeg is, zal door de optredende energie een reeks van kleinste deeltjes met vaak zeer hoge snelheid worden uitgestoten. Wanneer deze deeltjes een tussenstof treffen of beroeren, zullen zij daarin wederom een trilling veroorzaken. Wanneer er een ongelijkmatige reactie is, een ongelijkmatige uitstraling, zo zullen wij een vorm van samengesteld licht zien, waarbij men door middel van spectraal analyse zelfs de veroorzakende materie kan ontleden in haar bestanddelen. Op aarde wordt het licht in verschillende lagen van de atmosfeer gedempt. Slechts een klein deel wordt onmiddellijk als warmte kenbaar, wanneer de straling en de haar begeleidende trillingen het aardoppervlak beroeren. In de ruimte echter zal het licht verblindend hard zijn en zich zeer snel en bijna geheel omzetten in warmte.

Wanneer wij spreken over het Goddelijke Licht, dienen wij met soortgelijke verschijnselen rekening te houden: Gods Licht beroert ons, na getemperd te zijn, door de doorgang van vele werelden en sferen. Zoals het licht van de zon omgezet wordt in steeds complexer trillingen bij het doorschrijden van de verschillende lagen van de atmosfeer, zo zal het Goddelijke Licht voor ons, opgevangen door ons wezen, steeds complexer worden. Vanaf de ziel worden achtereenvolgens door dit Licht alle voertuigen doorlopen, waarbij de uitingen ervan een steeds ingewikkelder beeld geven. Zouden wij tot de kern van ons wezen doordringen, dan zouden wij ergens het Licht onvervormd aantreffen, geheel wit en zonder kleuren of polarisatieverschijnselen. Wij komen daar echter niet zo gemakkelijk toe.
De kleuren die wij nu waarnemen, worden door ons beschouwd als afzonderlijke fenomenen en wij zullen meestal niet kunnen begrijpen, dat de inwerking van de Goddelijke Kracht iets anders is dan de Goddelijke Kracht zelf. Zoals wij moeilijk kunnen beseffen dat al hetgeen wij van het Goddelijke Licht en de werkingen ervan direct kunnen beseffen, in wezen berust op een klein deel ervan, waarvoor een weerkaatsing plaats vindt en niet, zoals voor de meer omvangrijke delen ervan, een doorlaten zonder meer.

Hierbij wil ik u nog het volgende beeld geven:

Het Goddelijk Licht is de Goddelijke gedachte. De schepping is de uiting van deze grote gedachte in vele kleine gedachten die schijnbaar onafhankelijk zijn van elkaar. De spreiding van de kleine, schijnbaar onafhankelijke gedachten is zo groot dat daartussen hiaten of ruimte zijn. Hierin leeft de originerende gedachte voort en beroert zo nu en dan een van de kleinere gedachten. Zij kan het geheel, dat zij is, binnen de kleine gedachte tot uitdrukking brengen, mits degene, waarmede dit contact optreedt, het geheel van de grote gedachte zonder meer kan aanvaarden en onmiddellijk verwerkt. Zolang dit duurt, bestaat de kleine afzonderlijke gedachte niet, doch is zij direct deel van de grote gedachte. Wanneer wij het goddelijke ontvangen in zijn werkelijke betekenis, herontstaat vanuit ons standpunt in ons de goddelijke gedachte. Hoe complexer wij zelf zijn, hoe meer de goddelijke inwerking uiteen zal vallen in schijnbaar zelfstandige kleinere brokken van gedachten.

Een normaal menselijk wezen heeft in zijn realisaties en processen van bewustwording een zodanige complexiteit, dat de goddelijke gedachte voor hem uiteenvalt in schijnbaar niet samenhangende deelstukken, waarvan wij de samenhang niet kunnen overzien, die in onze ogen vaak strijdig zijn, zodat wij er maar heel weinig mee kunnen doen. Dus moeten wij beginnen ons eigen wezen tot een grotere eenvoud te herleiden. Ons denken moet eenvoudiger worden, desnoods minder redelijk en logisch, maar concreet, een geheel zonder strijdigheden. Hoe eenvoudiger ons denken is, hoe groter de mogelijkheid is, dat wij de volheid van het Goddelijke Licht kunnen beseffen en ervaren, zo in ons het Goddelijk Woord, de originerende gedachte herbelevend.

Wanneer wij in het leven met een kracht of persoon in contact komen, die dit tot stand heeft gebracht, zo zal elk contact daarmee ons – zij het op een vaak wat lager niveau – de waarde van het totaal Goddelijke weergeven. Maar hun wijze van leren is ons vaak te eenvoudig: wanneer een Meester de mensen iets wil leren, doet hij dit vaak door steeds maar hetzelfde te herhalen. Met andere woorden, verlucht met andere voorbeelden misschien, maar in wezen steeds weer hetzelfde.
De mens meent al snel, dat de Meester te eenvoudig is, dat hij zich herhaalt bij gebrek aan beter. Maar wat hij zegt, is in wezen het geheel. Ook dit is belangrijk: tegenwoordig is men gewend overal iets achter te zoeken. Men wil interpreteren, er steeds meer in zoeken. Men begrijpt niet, dat een niet verder ingaan op een vraag of voorbeeld in vele gevallen betekent, dat voor de Meester een verdere ontleding van het geheel niet aanvaardbaar is: hij weet, dat een te vergaande ontleding maar al te vaak verwarrend werkt.

Wij moeten echter goed beseffen, dat wij, zodra wij trachten het Goddelijke Licht te interpreteren, het waardeloos maken: wij vervalsen het. De inhoud gaat teloor. Tussen de bron van het Licht en de mens staat de rede opeens als een matglazen schijf: men ziet nog wel, dat er Licht is, maar de vormen, de waarheid, die onthult werden zijn vervaagd tot schimmen, die men dan maar op goed geluk af interpreteert, of door fantasie en sofisterijen aanvult.

In deze dagen zal men gebruik moeten maken van het Goddelijke Licht. Niet slechts als een innerlijke realisatie, maar wel degelijk als een kracht, als iets, waardoor men zelf in het bijzonder juister kan leven en werken. Dit kan nooit bereikt worden, wanneer men interpreteren wil. Hieruit volgt o.m.: Hoe meer de mens zichzelf en zijn wereld aan zichzelf op bevredigende wijze tracht te verklaren, hoe minder hij in staat zal zijn de werkelijkheid te begrijpen. Wie de werkelijkheid niet begrijpt, kan de werkelijke krachten, die hij in zich draagt, niet vanuit zich bewust gebruiken. Dit verklaart o.m., waarom vele mensen in deze dagen zo lusteloos zijn: men weet eigenlijk niet goed, wat men wil. Men stelt zich geen doel en komt zo tot niets. Er is onmetelijk veel kracht in deze dagen. Maar hoeveel mensen zijn in staat, deze kracht ook werkelijk bewust te gebruiken?

Hoe dit komt? Omdat men niet geneigd is alles stil te zetten, wat bij het heden niet past, de werkelijkheid te aanvaarden en te werken met wat men heeft. Als u gelooft, dat u kracht hebt, dan moet u proberen deze kracht te openbaren. Wanneer u innerlijk wijsheid ontvangt, hoeft u niet eerst te gaan vragen, wat een ander daarvan denkt, erken dat dit voor u wijsheid betekent. Wanneer je een uitspraak als deze doet, komen vele psychologen in het geweer met de uitroep: maar zo levert de mens zich over aan zijn onderbewustzijn. Goed. Ik ben bereid zelfs dit te aanvaarden. Maar waartoe heeft al dit onderdrukken van het onderbewustzijn dan toe geleid? Tot verwarring en lusteloosheid, niet tot een beamen van het leven, tot een werkelijk gebruik maken van de krachten, die men bezit.

Ik besluit mijn beschouwinkje met de opmerking, dat de Goddelijke krachten dus nooit geanalyseerd of gerationaliseerd mogen worden, maar wel altijd gebruikt moeten worden in een bewust zijn van hun waarde. Ons eigen wezen, gebaseerd op de gehele ontwikkeling van het Ik, zal de Goddelijke Kracht instinctief aanvaarden en zal a.h.w. instinctief daaraan de uiting doen geven, die past bij eigen wezen en uit de ontwikkeling plus de bewustwordingsgang die van de mens voortvloeit. Naarmate dit Ik zich meer bewust is van een deel van het Licht, zonder daarmee te menen God of het Al te kennen, zo veel sterker zal het ik in harmonie kunnen samenwerken met allen, die eveneens een deel van het Licht in zich bevatten. Uit het samengaan van allen, die allen in het Ik een deel van het goddelijk Licht kunnen aanvaarden en waarderen, ontstaat de openbaring Gods op aarde.

Waarom ik dit alles naar voren breng? In deze dagen gebeurt er zeer veel op en rond de aarde, wat u niet geheel kunt verwerken. U zult ontdekken, dat u minder bent dan u dacht te zijn en gelijktijdig, dat u meer moet doen dan u eigenlijk meende te moeten volbrengen. Wanneer u in deze dagen, uitgaande van uw innerlijk besef van het goddelijke Licht, doet wat u kunt, zonder naar een uitleg daarvoor of een menselijke reden te zoeken, zult u uw taak vervullen, harmonie met anderen vinden en uit de vele facetten van Licht de openbaring van de waarheid en de kracht Gods op aarde leren beseffen.

Gezamenlijk zullen wij, mits wij gezamenlijk het goddelijk Licht als geheel beseffen, de goddelijke kracht tot uiting kunnen brengen. Wees dus harmonisch, waar u maar kunt, met alle waarden van het leven, met alle krachten in de geest, openbaar wat uzelf als juist ervaart, zowel als de kracht, die daarin voor u leeft. Wees dankbaar, wanneer anderen dit alles aanvullen, zelfs wanneer deze aanvulling voor u persoonlijk misschien onaanvaardbaar is.

Esoterie

Door de loop van het lot moet ik vanavond nog even wat esoterie met u behandelen, ofschoon ik toe moet geven, dat ik lang niet altijd esoterisch ingesteld ben! Ik heb een grote hekel aan mensen, die zo esoterisch worden, dat zij de grond onder de voeten verliezen en tijdelijk boven alle wolken stijgen.
De ervaring heeft mij namelijk geleerd, dat zij dan met een smak op aarde terug plegen te keren. Misschien komt dat wel, omdat vele mensen ook op dit gebied groter trachten te lijken, dan zij werkelijk zijn. Zij doen dit door hun eigen werkelijkheid te verlaten en te doen, of zij in een andere werkelijkheid leven, zonder daarbij zich geheel aan hun eigen wereld te kunnen onttrekken. Het gevolg is, dat zij niet geestelijk groeien, maar dwergen blijven, zelfs wanneer zij tijdelijk contact vinden met een hogere wereld, om dan dwergachtiger dan te voren teleurgesteld toch weer in eigen wereld terug te keren. Een tijdlang plegen zij dan een grote afkeer te tonen van alles, wat maar naar geestelijke wijsheid of esoterie zweemt, om daarna onder luid zelfbeklag hetzelfde proces opnieuw te beginnen.

De ware esoterici doen het dan ook anders: zij beginnen met een poging zoveel mogelijk geestelijk krachtvoer naar binnen te krijgen. Zij blijven echter toch met twee voeten op de grond staan en trachten zo te groeien, dat zij stevig en bewust in eigen wereld bestaan, maar met hun bewustzijn in een andere werkelijkheid of wereld uit kunnen kijken zonder ooit hun eigen wereld en werkelijkheid daaronder uit het oog te verliezen.

Nu lijkt het mij moeilijk de werkelijkheid niet uit het oog te verliezen, tenzij je werkelijk ook weet, wat de werkelijkheid is. Te ontdekken, wat de werkelijkheid is, zal dan ook een belangrijk deel van de innerlijke bewustwording betekenen. Maar zolang je ondanks alle innerlijke bewustwording de werkelijke werkelijkheid nog niet gevonden hebt, zul je het met de persoonlijke werkelijkheid die je bezit moeten doen. Iets wat aanleiding kan zijn tot heel wat strijd.

Zo zijn er:

  1. Mensen die eigen en werkelijke werkelijkheid trachten aan te passen aan hun eigen denkbeelden. Ik gun hen de pret graag, maar dit is niet vol te houden. Wanneer je meent je eigen denkbeelden over geheel de schepping uit te kunnen breiden, kom je al snel tot de ontdekking, dat je met alles rekening gehouden hebt, behalve met jezelf en je God.
  1. Er de mens, die alles alleen uiterlijk beleeft. Deze heeft de voorkeur boven het voorgaande type. Na de dood kan zo iemand wel eens het contact met de goddelijke werkelijkheid een tijd ontberen, maar hij komt er altijd wel weer bovenop.
  1. De mens die aan deze beide soorten van beleven wil ontkomen, zal als eerste moeten stellen, dat alles, wat rond de mens zichtbaar is – en niet zijn duiding daarvan – deel is van de goddelijke werkelijkheid .

Begin je de feiten zo te bezien, dan zul je al snel ontdekken, dat je binnen deze feiten nu niet direct gemakkelijk past. Je kunt dan wel trachten de feiten te veranderen, maar dat gaat erg moeilijk.

Stel dus: lk zal mijzelf aan moeten passen aan de feiten. Begin uzelf, uw denken en uw streven aan te passen aan de feiten, die u kent. Alleen van dit punt uit kunt u vertrekken zonder gevaar te lopen in een verwarde fantasiewereld te stranden.

Dit was mijn eerste punt.

Als tweede noem ik de vraag: hoe moet ik mij zelf verinnerlijken?

Er zijn mensen, die menen, dat het genoeg is om met gekruiste benen naar hun navel te staren tot zij bijziende worden, om volledig bewust te worden. Zij vergeten daarbij, dat de concentratie, die in deze houding gevonden kan worden, niet aan houding gebonden is.

De bewustwording hangt niet af van uiterlijke processen, maar van werken met je innerlijke vermogens. Wij mogen voor het hanteren van het innerlijk leven van de feiten rond ons uitgaan. Wij zullen daarnaast moeten leren ons te concentreren op de onbegrepen waarden in onszelf en vandaar uit – misschien met een vergroting van zelfkennis wanneer het even kan – trachten een begrip te krijgen van de betekenis, die ons leven voor ons heeft, de waarde, die wij innerlijk hechten aan het Al en aan God.

Punt drie: sommige mensen verwarren esoterie met allerhande andere dingen.

Men kan echter esotericus zijn, zonder daarom vegetariër te worden en vegetariër zijn, zonder daarom esotericus te zijn. Het is niet noodzakelijk, dat de esotericus zich bindt aan bepaalde oefeningen, een bepaald dieet, bepaalde riten enz. De bereiking komt voort uit de werkelijkheid, waarin je leeft en vormt vanzelf de leefwijze en behoeften. Ga dus steeds van jezelf uit. Hoe bewuster ik ben, hoe meer ik presteer. Hoe meer ik presteer, hoe groter mijn begrip zal zijn voor de werkelijkheid, waarin ik leef. De eerste tekenen van groei in esoterische zin zullen nooit een begrip van een hogere wereld met zich brengen, maar wel een beter begrip voor je eigen wereld en de mensen, die daarin leven, zodat je leert verstaan, wat het leven en de wereld jou te zeggen hebben.

Er is geen lift om geestelijke hoogten gemakkelijk te bereiken, terwijl er evenmin een Meester bestaat, die je wel zonder te veel moeite naar boven zal sleuren. Alle werkelijke bereiking is een kwestie van zelf moeizaam klimmen. Een bergbeklimmer legt een basiskamp aan, bij hoge bergen leggen zij daarnaast nog een tweede of derde basiskamp aan. Eerst wanneer deze kampen in orde zijn, poogt men de top te bereiken. In elk van de kampen is alles aanwezig van hun eigen wereld, van beneden, wat men eventueel nodig heeft om aan ijlere lucht te wennen, te onderzoeken enz.
Dit is een lesje: wanneer men eigen leven eerst eens op een wat hoger niveau kan brengen en dit niveau redelijke tijd weet te handhaven, heeft het zin om weer hoger te stijgen. De menselijke praktijk zal een steeds hoger niveau moeten tonen, indien hij met enig succes de hoogste toppen van de geest wil en kan bestijgen. Dus, pas uzelf aan, aan de werkelijkheid, tracht in die werkelijkheid de hoogst mogelijke niveaus te bereiken en, je baserend op eigen wereld, kun je met redelijke kansen een poging doen om de hogere geestelijke waarden meester te worden.

Vrienden, er komt een andere spreker. Nog kort enkele punten:

Laat uw gedachten niet te veel dwalen… Zolang u er verder niet op let, is het zo erg niet. Maar vaak worden de dwalende gedachten tot een probleem. Dergelijke problemen hebben de eigenaardigheid zich snel te vermenigvuldigen. Dus: a.u.b. geen problemen stellen, wanneer u mediteert of concentreert met een esoterisch doel.

Nieuwe werkwijze van de Witte Broederschap

Ik mag op deze avond u enkele punten uiteenzetten, die verband houden met de nieuwe werkwijze, die de Witte Broederschap bij haar optreden op aarde zal gaan gebruiken.

Het zal u bekend zijn, dat de grote uitstorting van kracht en het meer dan ooit deelnemen van grote Meesters aan het werk, dat de bewustwording van de gehele mensheid beoogt, in de laatste grote bijeenkomst van onze groep een zeer belangrijke factor is geweest.

Er zijn natuurlijk vele besluiten gevallen, die direct samenhangen met stoffelijke problemen, die u reeds kent. Zo werden meerdere overwegingen i.v.m. een eventuele voortzetting van een Vaticaans Concilie gegeven, terwijl eveneens beschouwing van de te verwachten natuurverschijnselen plaats vond, waarbij de nadruk viel op de vraag, of men bepaalde ontwikkelingen zou trachten te beperken, dan wel in volle omvang toe zou laten. Dit alles echter was van minder belang: het behoort tot het regelen van aardse belangen en evenwichtsverschuivingen op een wijze, die de Broederschap reeds lang gebruikt en altijd als deel van haar taak heeft beschouwd.

Belangrijker is het feit, dat de beslotenheid van deze grote loge van de Witte Broederschap ten einde zal gaan lopen. Tot op heden zijn alleen zeer streng geselecteerde personen in de stof bij de bijeenkomsten van deze groep aanwezig geweest. Velen die in de geest bij de grote bijeenkomsten aanwezig konden zijn, werden in het bijzonder daartoe opgeroepen en door oudere broeders vergezeld. Het resultaat was, dat de Witte Broederschap de geheimzinnige en vaak fabelachtige aandoende achtergrond was van wereldgebeuren en ontwikkelingen van menselijk geloof en denken.
Gezien de huidige ontwikkelingen bleek een dergelijke beslotenheid niet meer wenselijk. Er werd besloten geleidelijk over te gaan tot het werven van steeds meer in de stof levende leden, die, zover dit mogelijk is, op de plaatselijke bijeenkomsten en de grote jaarlijkse bijeenkomsten aanwezig zullen zijn. Deze werkzaamheden beginnen reeds in het lopende jaar, ofschoon de volledige ontwikkeling waarschijnlijk meerdere jaren zal vergen.

Dan werd besloten alle leringen en uitingen van kracht – die door verschillende hoge Meesters worden gebracht – door middel van het netwerk van de Broederschap over geheel de aarde te verspreiden en daarbij tevens de optredende kosmische krachten zo duidelijk mogelijk te manifesteren, en wel op een wijze, die zo sterk mogelijk in strijd is met de huidige, volgens de broederschap te materialistische, zienswijzen en denkwijzen van de mensheid.

Deze besluiten lijken u misschien onbelangrijk, doch zij betekenen zeer veel.

Dit houdt onder meer in dat vanaf dit ogenblik op elk uur van de dag, op elke plaats, een inwijding kan geschieden, zonder dat hieraan verdere bijzondere rituelen verbonden hoeven te zijn. Verder betekent dit, dat de verhouding van leraar tot leerling, die op het ogenblik in de Witte Broederschap nog een zeer grote rol speelt, steeds meer plaats zal maken voor een intens deelgenootschap, waarbij geen onderscheid meer wordt gemaakt naar graad van bereikt bewustzijn. Het houdt daarom tevens in, dat zeer velen, die op het ogenblik zich maar zeer ten dele of zelfs nog niet bewust zijn van hun taak, functie en mogelijkheden, zo mogelijk dit jaar reeds, anders in de daarop volgende twee jaren, boodschappen zullen ontvangen – of op andere wijze zullen worden ingelicht – zodat zij voortaan geheel wetend en bewust hun taak kunnen aanvaarden, dan wel de verantwoordelijkheid afwijzen en een uitvoeren van hun taak verwerpen.

Zoals u ziet, gaat men dus over tot het scheppen van een keuzemogelijkheid, waarbij de richtlijnen van de Broederschap en het geven van opdrachten en taken niet meer alleen door de hoogste leiding van de vergadering zal geschieden, maar aan eenieder een zekere vrijheid wordt gegeven en een groter inzicht, ook bij de laagste broeders de zekerheid schept, dat een ieder, die in de broederschap werkzaam is, bewust en wetend geheel deel zal willen hebben aan alles, wat door de raad wordt besloten.

Ofschoon de geestelijke inwerkingen van deze tijd wel de meeste aandacht vergen zal toch de normale reeks van bemoeiingen met de menselijke ontwikkeling in de stof niet onderbroken kunnen worden. Men stelt zich echter voor, zo snel mogelijk deze bemoeiingen tot een minimum te beperken. Dit wil zeggen, dat de mensheid in de komende jaren meer en meer voor eigen lot en de ontwikkelingen binnen de mensheid geheel aansprakelijk zal zijn waar in steeds geringere mate sprake zal zijn van een afremmen van verkeerde ontwikkelingen, of een door ‘het lot’ herstellen van fouten plaats zal vinden.

Een grote aandacht heeft men ook gewijd aan de mogelijkheid bijzondere kracht te geven aan en opvoeden van degenen, die, ofschoon de juiste weg gekozen hebbende, nog niet ingewijd zijn. Zij kunnen een belangrijke plaats innemen in de komende periode en zullen daarom beschermd moeten worden tegen ongunstige invloeden in de wereld rond hen. De wijze, waarop deze bescherming kan worden uitgevoerd, werd uitvoering besproken en een reeks leidinggevende voorschriften hiertoe uitgevaardigd.

Dit alles klinkt u misschien wat dor administratief in de oren: dergelijke mededelingen kent u van uw normale instanties. Toch zijn dit de grondslagen van een steeds sneller plaatsvindende ontwikkeling. Om het voorgaande duidelijker te maken en u enig inzicht te geven in de belangrijkheid van de beschouwingen van de Grote Raad wil ik nu – binnen de grenzen van het mij toegestane blijvende – enkele uitspraken citeren die werden gedaan tijdens de vergadering, die op de laatste volle bijeenkomst is gevolgd. Onder hen, die spraken, waren de stemmen van velen van uw meest vereerde Meesters en Wijzen.

Enkelen van hen constateerden: “De mensheid moet ontwaken tot een nieuwe menselijkheid, opdat zij zichzelf niet verliezen in onmenselijke monotonie. Nu is de tijd aangebroken, waarin beslissingen vallen, zodat elk ontwakend bewustzijn gevoed en beschermd dient te worden, opdat het zich ten volle ontplooien kan. Daarnaast dient echter met klem te worden betoogd, dat het geen zin meer heeft nog verder op onvruchtbare bodem te arbeiden.”

Een andere meester sprak als volgt: “De mens moet terugkeren tot een erkenning van de werkelijke liefde, de werkelijke naastenliefde. Hij moet uit zijn waan van belangrijkheid bevrijd worden. Zover hij dit wil aanvaarden, zullen wij alle krachten in moeten zetten, om een herleven van dit besef op zo kort mogelijke termijn tot stand te brengen. De kracht ons gegeven garandeert, dat wij hier een succes kunnen boeken. Wij zullen dan ook in zeer korte tijd rond een vierde van de wereldbevolking tot een nieuw bewustzijn kunnen verhelpen.”

In dit verband sprak daarop een van de meesters nog:
“Velen dromen nu reeds van ons. Geestelijk, maar stoffelijk nog onbewust, erkennen reeds velen de kracht, die optreedt.
Deze neemt voor hen reeds vormen aan, die zij echter nog niet geheel voor zich weten te definiëren, waardoor zij aarzelen van deze kracht ook ten volle gebruik te maken. Het is onze taak er voor te zorgen, dat een definitie mogelijk wordt, terwijl deze kostbare beginperiode door niets gestoord of bedreigd, mag worden. Wij kunnen en zullen er voor zorgen, dat binnen deze mensen steeds sterker en feller het bewustzijn van de kracht oplaait. De overgevoeligheid, die bij velen van hen bestaat, zal echter moeten worden beteugeld en beperkt. Want de mens, die te sensitief zichzelf en zijn wereld benadert, zal te zeer verward worden door de vele stromingen die nu bestaan. Wij moeten de mens leren alles te aanvaarden en waar te nemen, zonder zich daarmede te identificeren, zo in staat blijvende voor zich een keuze te stellen.”

Ik ben mij er van bewust, dat deze uittreksels uit redevoeringen voor velen van u minder zullen betekenen dan voor mij. Het geheel echter voerde tot een aanmerkelijke herziening van tot nu toe gevolgde procedures. Vooral de benadering van de mens en de wijze, waarop de aanwezige krachten gebruikt zullen worden, kwamen in geheel nieuwe vormen naar voren. Ook omtrent deze punten vond natuurlijk een uitvoerige uitwisseling van gedachten plaats. Bij deze gedachtewisseling vond ik onder meer de volgende zinsneden van zeer grote betekenis:

“Het erkennen van krachten, die niet behoren tot de menselijke wereld, is voor een mens magie en daarom slechts beperkt aanvaardbaar. Laat ons dan de magie omvormen tot een soort wetenschap, die, werkende met nog niet geheel gekende krachten, op aarde controleerbare en regelbare effecten voort kan brengen.”

De periode, die men stelde om deze wens te verwerkelijken, werd overigens geschat op 21 jaren.

Een andere spreker merkte op: “De tijd van het spiritisme is bijna voorbij. Niet meer het eenvoudig contact tussen mens en geest, het eenvoudig verwekken van fenomenen is van belang. In toenemende mate zal een lerend contact tussen mens en geest op verschillende wijzen tot stand moeten komen. De tijd, dat alleen dit nog voorkomt, zal wellicht reeds over enkele 10-tallen jaren aanbreken. Wij dienen er echter voor te zorgen, dat zij, die aan de eenvoudige verschijnselen zo zeer hechten, niet door een te onmiddellijke overgang naar lering geschaad worden. Daarentegen zullen wij met al onze krachten moeten trachten hen, van wie geloof in de geest, stemmen uit de geest e.d., berust, een betere basis van erkennen te geven en tot een hoger bewustzijn op te trekken.”

Naar ik meen, is dit punt ook voor uw gezelschap ongetwijfeld van belang.

Ten laatste haal ik een enkel punt aan van de eindconclusies: “Wij zullen allen gezamenlijk zoeken naar de sleutel, waarmede de heersende kracht aan zoveel mogelijk mensen gelijktijdig geopenbaard kan worden, om zodra mogelijk deze sleutel ook toe te vertrouwen aan alle mensen en geesten, die een voor het gebruik ervan een voldoende bewustzijn bezitten. Hierbij zullen ook degenen worden betrokken, die niet direct bij het werk van de Broederschap betrokken zijn, maar door instelling en geaardheid bekwaam en bevoegd geacht moeten worden om de levende kracht over de mensheid uit te storten.”

De gehele raadsvergadering behelsde veel meer hoofden, terwijl zeer vele door mij niet ge- noemde of aangeduide besluiten vielen. Het is mij niet mogelijk u een meer volledig overzicht van de Raad voor te leggen. Wel wil ik u tenslotte nog iets meer zeggen over deze sleutel van kracht, hierbij echter mij beperkende tot datgene, wat toegestaan is.

Een sleutel van kracht wordt geboren uit de aanvaarding door de mens van het goddelijke. Een absolute onderwerping van eigen Ik aan de levende kracht is daarvoor een eerste vereiste. Wanneer de sleutel niet geheel zelfstandig wordt gevonden doch geheel of ten dele ‘ontvangen’ wordt, zullen in dit opzicht proeven moeten worden afgelegd.

Wanneer deze onderwerping bestaat, kan de sleutel ontstaan uit de mens en de in hem levende begrippen, zo een sleutelwoord vormende, dat niet slechts de mens, die het uit zichzelf vond, één maakt met de hogere krachten, maar hem ook het gebruik van deze krachten op bewuste wijze mogelijk maakt en deze hogere krachten voor anderen merkbaar en onmiddellijk rond deze mens tot uiting doet komen.

Over het sleutelwoord werd verder gezegd: Waar bij het huidige bewustzijn van de doorsnee mensheid het hanteren en bekendmaken van een sleutel, die macht geeft, niet gewenst is, zal de gemeenschappelijke sleutel, die gegeven zou worden, gebaseerd moeten zijn op een volledige verwerkelijking van het begrip harmonie. Allen, die door hun geest deel hebben aan ons werk, zullen eveneens en zonder beperkingen toegang hebben tot de door ons te stellen algemene sleutel en gehouden worden deze sleutel ten behoeve van de mensen op aarde te gebruiken, waar dit maar mogelijk is, zodat in de mensen een steeds beter begrip voor de – vanuit menselijk standpunt- bovennatuurlijke krachten en inwerkingen, die de aarde beroeren, zal ontstaan.

Alle geest, die deel heeft aan ons werk, zal eveneens gehouden worden van persoonlijke machtswoorden en sleutels een dergelijk gebruik te maken. Op grond van dit laatste zal ik nu gebruik maken van mijn persoonlijk “machtswoord”, dat ik echter, zoals u zult beseffen, niet voor u hoorbaar uit mag spreken.

(rond 1 minuut absolute stilte, dan:)

In de naam van deze kracht, in naam van de Broederschap, in de naam van de levende Kracht, die de wereld beroert: Dat u kenbaar worde, wat in uw zielen leeft. Dat u duidelijk worde, hoeveel mogelijkheden en krachten u bezit. Dat u beseffen zult, hoezeer ook gij behoort tot deze tijd en de daaraan verbonden taak.

(wederom rond 1 minuut stilte.)

Uit deze Naam vorm ik de kracht, die gij kunt aanvaarden, het Licht waaruit gij kunt putten, de zegenende kracht, waarin gij uzelf zult leren kennen.

Wat ik hier binnen een kleine plechtigheid heb neergelegd, kunt u verwerpen of aanvaarden naar uw eigen wens.

Dat hij, die dit aanvaardt, het ontvangene echter behoedt en het beschouwt als het kostbaar begin van een ontwikkeling, waarvan zelfs wij de uiteindelijke mogelijkheden niet volledig kunnen overzien.

Ik heb u deze mededelingen namens de Broederschap gedaan. Ik hoop dat u zult beseffen, dat zij ook voor u werkt en streeft. Ik hoop, dat u de voor u juiste wijze van werken en de voor u belangrijke bewustwording zult vinden.

image_pdf