Het licht brengende werk van de hemelingen

image_pdf

15 april 1958

In deze bijeenkomst zullen wij ons dan weer bezig houden met de esoterie. En ofschoon er zeker ontelbaar vele onderwerpen te vinden zijn, zou ik vandaag toch graag eens iets buiten de gewone lijn kijken.

Er bestaan krachten, die op deze wereld werken en er bestaan bepaalde drijfveren, die ook de mensheid bewegen, die ver buiten deze wereld gelegen zijn. Ofschoon de esoterie in de eerste plaats natuurlijk de leer is van innerlijke bewustwording, meen ik toch, dat wij wel eens een keer de aandacht mogen schenken aan al datgene, wat er buiten ons ligt. Daarom zou ik graag vandaag willen spreken over:  Het licht brengende werk van de hemelingen.

Wanneer je zegt “hemelingen”, denk je onwillekeurig: kerkelijk. Laat ik u dan allereerst een beeld geven van hetgeen wij daaronder verstaan. Wanneer wij de normale vormkennende sfeer voorbij gaan, vinden wij in de werelden van licht krachten, die speciaal gericht zijn op lager bewustzijn. Het zijn geen ras- of groepsgeesten, maar eerder de uitvoerders van de goddelijke wet. Die goddelijke wet vindt in ons wezen een weerklank en zo durf ik wel te zeggen, dat we allen op enigerlei wijze met deze hemelingen verbonden zijn. Zij kennen de wetten en die wetten van de kosmos zijn vaak heel anders dan wij ons kunnen voorstellen, want die wetten houden zich niet met allerlei klein-geestelijkheden op, maar zoeken naar de kern van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn en het streven vanuit het bewustzijn goed is, dan zondigt men niet tegen de kosmische wet. Dan kan het zijn, dat een stoffelijke wet u misschien een ogenblik remt, het kan zijn dat de kosmos U corrigeert, maar ge zult nooit in strijd komen met grote krachten.

Het werk van deze hemelingen nu is wel in de eerste plaats het scheppen van een harmonie tussen alle bewuste leven in het Al. Het betreft, dus niet alleen de aarde, maar zij gaan naar alle sterren toe, alle planeten, waar leven woont, zij zoeken alle stoffelijke bewustzijn te bereiken. Beschrijven kan ik ze u moeilijk. Want hoe moet je een verblindend licht beschrijven.

Hoe moet je het leven van bv. een diamant beschrijven. Het levende licht laat zich eenmaal niet in woorden vangen. Dat is het, wat zij zijn: levend licht. En het is duidelijk, dat dit levende licht ook in uw eigen wereld werkzaam is en dat het in uw eigen wereld probeert dezelfde harmonie te scheppen, die men ook elders tot stand wil brengen.

Zo zien wij op het ogenblik – en dat is misschien wel één van de redenen, dat ik dit onderwerp juist nu met u aansnijd – de grote krachten ook op deze aarde zeer actief werkzaam. Die sfeer van werkzaamheid is niet in de eerste plaats gericht op het stoffelijke. Zij zoeken niet in te grijpen in de stof en die te veranderen.

Maar juist datgene, wat even buiten het stoffelijke ligt – het astrale terrein – is gevuld met allerhande schrikbeelden en gedachten, door de eeuwen heen uit mensen geboren, door de eeuwen heen misschien ook vanuit het duister daar geprojecteerd. En dit is wel het eerste, waarop hun kracht werkt. Zij trachten alle duisternis te bewegen in een zodanig verband tot de kosmos te treden, dat weer harmonie ontstaat en dat datgene, wat hatelijk, wat lelijk, wat verschrikkelijk was, terugkeert tot goddelijke schoonheid. In dit werk worden zij ongetwijfeld gesteund vanuit alle werelden, want op elk gebied wenen mensen, die zich van deze hemelingen bewust zijn. De grote vraag is nu: Welke betekenis kan dit werken hebben voor u, wanneer u hier zoekt naar een innerlijk ontwaken, naar een innerlijk licht?

In de eerste plaats: Uw eigen bewustzijn grijpt uit tot ver buiten het normale, ver buiten het stoffelijke. Of ge dit nu wilt toegeven of niet, rond u leven allerhande geestelijke sferen en werelden, die steeds weer invloed op uw denken, op uw handelen, op uw bewustzijn uitoefenen. Daar echter wordt dit licht kenbaar. Wanneer nu in ons een verlangen naar licht is, een zekere honger naar het licht, dan bezitten wij de grondwaarden, die noodzakelijk zijn om tot harmonie te komen. Je kunt niet zeggen, dat je dan nu plotseling verheven wordt boven je eigen wereld of sfeer. Maar je gaat meewerken in die wereld en sfeer. De kracht, die als licht nu ook in jou kan doordringen, toont je steeds weer, waar de goddelijke wet is gelegen. Zij toont je de grenzen, die – menselijk moeilijk te onderscheiden – toch steeds weer bestaan. Zij voegen steeds aan je eigen wezen dat ” je ne sais pas quoi”, dat onbekende toe, dat je maakt tot een mens, die zijn God in zich draagt. Bewust.

Laten wij eens zien hoe deze hemelingen voor u werkzaam zijn.

De wereld is vergiftigd door haat. Er zijn grote gevaren op stoffelijk terrein gerezen, maar nog fataler haast lijkt wel de geestelijke verslapping die een groot gedeelte van de wereld dreigt te overrompelen. De wereld zou graag willen wegsluimeren en daarmede gelijktijdig zijn goddelijk erfrecht van bewust in God leven prijsgeven voor de sobere schotel linzen van een klein beetje gemak en misschien een klein beetje langer welvaart. Die wereld kan uit zichzelf niet genezen. Het gaat nu om een korte tijd en daarna zal die wereld misschien gepurgeerd moeten worden, gewelddadig moeten worden gereinigd. Maar zolang er nog een mogelijkheid is één bewustzijn te redden, één meer uit de ellende van de stof en de duisternis van de geest op te heffen, zijn deze lichtende krachten, deze brengers van het hemelse licht, voor ons allen steeds weer actief.

Zij tonen ons in de eerste plaats wel hoe wij moeten leven. De weerklank, die de wetten vinden in ons eigen wezen, brengt ons ertoe om langzaam maar zeker ons gedrag als een methode van leven te wijzigen. Dat gaat niet plotseling. Een dronkaard wordt niet in twee dagen een waterdrinker. En iemand, die voortdurend lastert, zal zeker niet in enkele weken de onschuld zelf worden, Maar elke keer, wanneer er in ons een impuls is, die onzuiver is, staan wij ineens voor dat licht, dat onthullende licht, dat ons zegt: “Hier niet!” En elke keer, wanneer we zoeken naar de weg om te helpen, terwijl het eigenlijk niet mogelijk is, wanneer we zoeken naar een weg om in de wereld goed te zijn, terwijl eigenlijk alles rond ons ons schijnt te bedreigen en te zeggen: “Neen, wees zelfzuchtig, wees egoïstisch”, dan is er dat licht, dat ons juist die ene smalle weg toont, die we kunnen gaan.

Stellen we ons voor, dat zo’n hemeling deze wereld benadert. In het begin doet het ons denken aan het uitgrijpen van het licht van een ster. Misschien . hebt u wel eens in een herfstnacht of in een vorstmacht in de winter de sterren zien twinkelen, alsof zij straal na straal afschieten op de wereld. Zo is de eerste benadering van zo’n grote lichtkracht, wanneer ze een bepaalde wereld tracht te beroeren. Steeds weer wordt zoekend licht uitgezonden tot het ergens een echo, een weerklank vindt. En eindelijk zijn er een paar punten gevonden, waarin dit licht contact heeft. Het behoeft niet alleen in mensen of in de geest te zijn. Het kan zijn in dieren en in planten. Overal waar een bewustzijn leeft, dat meer dan normaal ten goede is geneigd, dat meer dan normaal de goddelijke waarde in zichzelf accepteert of daarnaar hongert, is een echo, is een punt van beroering. En zo wordt over zo’n hele wereld een web gevlochten van lichtende lijnen, van verbindingen.

We moeten zeker toegeven, dat onze hemelingen grote strategen zijn. Want in hun zoeken grijpen ze in de eerste plaats naar de kritieke punten. Die kritieke punten liggen niet daar, waar wij mensen en geesten die zouden zoeken. Zij grijpen niet in de eerste plaats naar de harten van de grote, regeerders of van de priesters misschien of van de grote magiërs. Ze zoeken de eenvoudige mens, die slechts het goede wil. Want die eenvoudige kleine mens heeft vanuit geestelijk standpunt gezien de grootste kracht.

Dan begint het spel. Lichtflitsen, die heen en weer gaan, steeds opvlammend, bewustzijn, ervaringen, die je een ogenblik aan de wereld ontrukken, totdat je je afvraagt: Droom ik nu of ben ik terechtgekomen in een vreemde wereld? Is er ergens een geheimzinnige grens door mij doorschreden, waardoor ik in de kopie sta van wat eens was? Schijnbaar hetzelfde, en toch het andere. Wanneer dat in je opkomt, blijft je wereld gelijk. Er is net zo goed leed en zorg, er is duister zo goed als licht. Alles is er, en toch is het anders geworden. Het is net alsof je contact krijgt met mensen, die je nooit hebt gekend. Of je plotseling geestelijke, sferen leert kennen, waarvan je tot nog toe alleen hebt durven dromen.

Denk niet, dat je het zelf beleeft, maar in dat web van lichtende lijnen reizen de boodschappen van mens tot mens, van mens tot sfeer. En de grote lichtbrenger manipuleert voorzichtig.

Steeds meer tracht hij mensen te wekken. Hier grijpt hij uit om iets meer bewust te maken van plicht, daar geeft hij de kracht om langs geestelijke weg verder in te grijpen dan stoffelijk mogelijk is. Op gene plaats doet hij een nieuw bewustzijn van recht ontwaken. En op deze doet hij een nieuwe vrede geboren worden. Het kan met alle verschijnselen in verband staan.

Hier is het een vergadering van eenvoudige mensen, die zoeken naar een nieuwe religieuze beleving. Daar grijpen ze misschien uit naar een groot congres, naar een tentoonstelling, naar een kermis. Wat hindert niet. Telkenmale wordt temidden van een vergadering van mensen, een groep van mensen met een gemeenschappelijk belang, een geestelijke gedachte ontketend. En daarvoor dienen die enkelen, die een echo hadden.

Zo trekt meer en meer een lichtend web over de wereld. En overal, waar de menselijke gedachten worden beroerd en veranderd, daar verandert ook hun invloed op het astrale gebied, dat gebied, dat helaas zoveel sombere gedachten en zoveel haat bergt. Dan worden ook daar gestalten omgevormd. De wrekende demon van zo-even schijnt onmerkbaar te veranderen. Zijn vorm blijft nog gelijk, maar hij staat niet meer voor wraak en verdoemenis, doch voor recht. En als zodanig wordt hij door de mens erkend en aanvaard. De vreemde wrekende nevel, die als een nachtmare over je heen komt liggen om je te versmoren onder de ellende van duisternis, licht op en draagt in zich iets van een azuren droom van nieuwe werelden. De krachten, die de groten uit het duister hebben getrokken als hun netwerk door het astrale gebied heen, hun dreiging en hun wraak, worden langzaam ontrafeld en verbroken.

Het is of centimeter na centimeter hun invloed op het astrale gebied wordt los gebogen. Een klauw wordt teruggeslagen, keer op keer, zodat steeds weer rond de wereld een reine gedachte gaat heersen, een nieuw streven, een nieuwe kracht, een nieuw licht.

En dan is het werk nog niet voltooid. Want nu eenmaal de omhulling van de wereld gereinigd wordt, nu moet de hemeling alweer uitzien naar een volgend deel van zijn taak. Hij zoekt bij hen, die wachten om te incarneren. Hij zoekt naar de geesten, die het licht al in zich dragen en hij probeert hen te bewegen een lot te verkiezen, dat niet noodzakelijk is, maar dat voor hen de mogelijkheid geeft om als lichtdragers en lichtbrengers te midden van de mensen te zijn. En als ze dat aanvaarden is er een verbinding meer geschapen. Nu tussen hogere sferen en de wereld.”

Geesten, die uit de wereld weer overkomen naar de geestelijke werelden toe, moeten evenzeer beroerd worden. In hen moet het bewustzijn van een begane fout worden verscherpt, het beeld van de wereld moet worden versterkt. En wanneer er maar één mogelijkheid is om een echo te verkrijgen voor eigen lichtende kracht, geeft de hemeling al zijn vermogen en al zijn werken aan dezen, opdat zij ontwaken zullen tot een bewuste geestelijke toestand, opdat zij vanuit hun sferen en bewustzijn zullen kunnen medewerken om de wereld bewust te maken van haar feilen, haar fouten, de wereld te bevrijden van gedachten, die haar naar de ondergang toe drijven.

Zo werken de hemelingen. En het is er niet één, maar het zijn er velen, die een bepaalde planeet, een bepaald zonnestelsel benaderen. Steeds meer zoeken zij alles in harmonie te brengen met hun eigen bestaan: dat vreemde niet, dat licht en dat duister gelijk is, dat onbekende, dat men wel eens God noemt. En wanneer ze ontdekken, dat ergens in het Al een nieuwe ontwikkeling heeft plaats gehad, dan zijn ze er onmiddellijk bij om met hun lichtende kracht ook onderling zich te verbinden, zodat misschien hier op de wereld een echo kan weerklinken van iets, dat ver in de ruimte is gebeurd.

U zou hen de alchemisten van de ruimte kunnen noemen, deze hemelingen. Want wanneer de stralen van het licht komen, dan weten ze die te leiden door de fijne filters van haast onkenbaar fijn verdeelde materie, opdat nieuwe trillingen ontstaan, opdat nieuwe impulsen de wereld bereiken. Haast onmerkbaar trachten zij de sterren te leiden in hun baan en soms, wanneer het niet anders kan, dan wekken ze ergens de verwoede uitbarsting, die wrekend zich dan richten zal op de planeten, zonder ze geheel te vernietigen.

Wat heeft dit nu voor ons, die toch esoterisch streven, te beduiden? In de eerste plaats wel, dat wij in onze bewustwording niet alleen staan. Natuurlijk. Dat wij in onze bewustwording niet alleen afhankelijk zijn van lagere krachten, maar dat a.h.w. de onmiddellijke dienaren Gods, de onmiddellijke dienaren van de Schepper ook in ons wezen mee een rol kunnen spelen.

In de tweede plaats: Zij werken met ons en in ons. Wanneer in ons een verlangen tot ontwaken is, zijn zij het vaak, die dit ontwaken tot stand kunnen brengen. Wanneer wij maar de uiterlijke omgeving a.h.w. weten te beheersen, wanneer wij weten door te dringen achter het masker van zelfbedrog, dat wij onszelf steeds voorhouden, dan vinden wij daar onmiddellijk een verbinding, die ons voeren kan tot God, zoals Hij in onszelf woont.

Wonderlijke wereld. Een wereld, waarin je je plotseling van jezelf bewust wordt. Een wereld, waarin je de weerkaatsing van het Al gevoelt als een deel van je eigen wezen. Daar voeren ze ons heen. En niet alleen dat ze ons voeren tot deze bewustwording in onszelf, maar wanneer wij eenmaal de eerste echo hebben gegeten op hun roep om het licht te dienen, dan zullen zij ons beschermen.

Zij drijven de demonen niet van ons. Laat ons dat niet denken. Want wij moeten de werelden van waan immers overwinnen. Wij moeten meester worden over de vrees. Maar ze belemmeren deze krachten ons te beschadigen. Ze geven ons de moed, zij geven ons de aanwijzingen, hoe wij deze krachten kunnen bestrijden door gebruik te maken van de grote wetten.

En ten derde scheppen ze een steeds intenser band tussen de stof en de geest. Ze scheppen een band, die van sfeer tot sfeer reikt. Ze geven de mens zo grotere mogelijkheden om via de geest, die hij kent en begrijpen kan, tot inzicht te komen, om in zijn wereld werkzaam te zijn tezamen met de geest en de harmonie: van de kosmos te bevestigen in de stof.

Het zijn belangrijke punten. En – zo ik reeds zeide – dit zijn dagen, dat deze krachten over de wereld rondgaan. Het zilveren web wordt gesponnen rond deze wereld. En het duister, dat zo verstikkend die wereld schijnt te omringen, zal langzaam verdreven worden, wanneer er maar mensen genoeg zijn, die in staat zijn, dit licht te ontvangen. Want waar het licht leeft in de geest van een enkele mens, waar het bewustzijn, het wezen van een enkele mens zijn God oprecht zoekt en dient, daar kunnen de hemelingen doordringen tot ver achter de kosmische maskerade, door de astrale figuren en de meesters van het duister opgevoerd. Dan kunnen ze a.h.w. van binnen uit de strijd aanbinden. En dat zullen ze dan ook wel doen. Wanneer zij met hun grote kracht voldoende antwoord vinden, dan is de wereld gered.

Dat doet mij haast denken aan het oude verhaal over Sodom en Gomorrah. Toen immers smeekte Abraham aan de Heer: “Indien er slechts 10 rechtvaardigen zijn in deze stad, Heer, spaar ze dan om hunnentwille.” Misschien dat een moderner Abraham ook zo bidt. En wanneer er slechts één rechtvaardige was geweest, één rechtvaardige, dan had God om zijnentwille die steden gespaard. Zo staat er geschreven. Mogen we dat misschien vertalen i.v.m. wat wij zo-even gehoord hebben over de hemelingen? Mogen wij zeggen: “Wanneer één mens de kracht van het licht nog had kunnen weerkaatsen, dan was geen ondergang noodzakelijk geweest?”

Dat is in overeenstemming met de wetten der schepping, de wetten van de kosmos.

Het is altijd moeilijk om dergelijke wetten onder woorden te brengen, omdat je of te veel of te weinig zegt.

Wanneer ik het dan ook probeer te doen hier, dan zou ik u willen vragen: “Luister in de eerste plaats naar uw eigen hart, naar uw eigen innerlijk. Luister hoe ze daarin klinken. Dat is juister dan mijn woorden ze kunnen geven.” Er is een wet, die zegt dat daar, waar het duister God niet meer kent, God het duister verslindt. De uitersten der wereld, het felste licht en het diepste duister, worden opgenomen in het wezen Gods. Maar dit opgenomen worden is, een vernietiging. Voor het duister van bewustzijn, een herboren worden in licht. Voor het felle licht een vrijwillige aanvaarding van de grootheid Gods, waarin het wezen bestaat en van waaruit het gaat door de wereld om de taak te vervullen, zoals de hemelingen, waarover wij spreken.

In de uitersten is geen voortbestaan mogelijk.

Deze wet al maakt het ons duidelijk, waarom deze hemelingen werken. Want het is niet de bedoeling, dat steeds meer en meer wezens en werelden de grenzen van duister of licht doorbreken en zo het Goddelijke benaderen. Want dan moeten zij herschapen worden, opnieuw opleven. Het is de bedoeling, dat alles zich bewust wordt. Zo bewust van de Schepping en de Schepper, dat wanneer deze voor een ogenblik Zijn schepping staakt en het duister wordt, het erfdeel van de Goddelijke wil, daarin gelegen, voldoende is om een nieuwe dag te doen ontstaan, een nieuwe schepping en een nieuw weten, gelijk aan dat, wat de Schepper voortbracht en zijnde de weerkaatsing van de kracht, die de Schepper in al zijn schepselen heeft gelegd, wanneer ze bewust worden.

De wet van de kosmos, die grenzen stelt, trekt deze grens vooral, waar het gaat om bewustzijn. Zo zegt zij ook, dat wij ons nooit bewust kunnen worden van meer dan wij ons verworven hebben. Dat wij hooit bewust kunnen zijn van minder, dan wij ons verworven hebben. Zo kunnen wij ons vaak van de wezens zelf, die zoeken naar ons leven als middel om overal de harmonie Gods te scheppen, niets begrijpen. De kracht, die ons beroert, ja …..

Die enkele straal, die flits is voldoende. Die kan ons leiden. Het wezen zelf blijft buiten ons bereik. Ons bewustzijn reikt niet zover. En omdat wij ons bewustzijn van zoveel licht, zullen wij ook veel duister kunnen verdragen, voordat het de grenzen van het onvoorstelbare benadert en zo ons overweldigt en overrompelt. Hoe meer licht je in je draagt, hoe meer duister je kunt overwinnen, omdat je het verdragen kunt.

Het is een wonderlijke wereld, de kosmos. Wonderlijker misschien nog, omdat ze in onszelf herschapen wordt, beeld na beeld, tot alle tijd, alle ruimte, alle materie en alle geest in ons wezen leeft in een bewust weten en een voorstellen. afhankelijk van het zijn. Voor ons zijn alle werelden reëel. Wij beleven ze, we zien de krachten ervan, we kennen hun licht, we horen hun klank. Wij kunnen ze niet buitensluiten. En daarom zal een ieder, die esoterisch streeft, ook zeker trachten in zichzelf een echo te zijn voor elke lichtende kracht, die Ziet ge, het is deze wonderlijke wereld in ons, die de esoterici zoeken te benaderen. Maar wij kunnen die wereld niet benaderen, wanneer wij de wereld buiten ons zouden willen verwerpen. Wij kunnen onszelf niet zien als die de wereld benadert.

Hij zal trachten stem te geven aan de lichtende gedachte, die de mens bevrijden kan. Hij zal trachten de reinigende krachten, die uit het licht geboren worden, in de wereld uit te dragen, opdat er daar reinheid zij.

Dat is de feitelijke inhoud van het werk der hemelingen, wanneer het ons beroert.

En nu mogen we misschien dromen, dat er een dag zal komen, dat alle werelden en alle sterren tezamen nog slechts één klank kennen, de geheime naam Gods. Dromen, dat er een ogenblik zal komen, dat geen licht der sterren in de ruimte teloor gaat, maar alle licht tezamen steeds weer schrijft Gods oneindigheid en heerlijkheid in alle hemelen. Maar wanneer we daarover dromen, dromen we als mensen en als lagere geest. Of die wereld ooit zal bestaan, dat weten we niet. Wij weten immers niet hoe de Schepper voor ons zijn raadsbesluit heeft gevat, hoe Hij voor ons heeft besloten, dat de ontwikkeling zal zijn Zijn dienaren, Zijn dragers van licht, naar de werelden zendt en dat Hij hen in staat stelt ook in ons die echo van oneindigheid te wekken.

Dat is het punt, waarom het ons zal gaan, altijd weer. Niet slechts in onszelf het bewustzijn gewinnen, maar tevens een weerkaatsing zijn van de hoogste Kracht, zodat wij – uit deze hoogste Kracht geleid, ja, gevoed en beschut in de wereld het licht kunnen herscheppen.

o-o-o-o-o

Wat ben ik maar klein! En kan ik nu wel wat?

Wanneer je die geestelijke krachten zo bekijkt, krijg je wel eens het gevoel: “Wat ben ik maar klein! En kan ik nu wel wat?”

Want wij zijn vooral aan de buitenkant zo geneigd onszelf zo gauw te laten ontmoedigen, weet u. Het is eigenlijk wel begrijpelijk. Per slot van rekening wordt je in je leven zozeer door de gebeurtenissen gedreven, er wordt zoveel genomen en gegeven, dat je op een bepaald moment wel kunt gaan zeggen: “Ja maar ……. wat ben ik eigenlijk?

Ben ik dan zo’n pluisje, dat ergens op een kosmische wind hen en weer wappert?” En u zou niet eens zo erg ongelijk hebben. Want eerlijk is eerlijk, in de meeste gevallen lijken we er wel wat op, om de doodeenvoudige reden, dat wij niet bewust zijn.

Maar zouden wij nu werkelijk zo klein zijn als u denkt, wanneer u zo iets een keer hoort?

Moeten wij eigenlijk niet de nadruk leggen op het feit, dat de hele wereld in ons kan leven? Het grootste van het grootste kan in ons bestaan. U hebt zo-even gehoord, God kan in ons leven.

Dan kunnen wij niet zo klein zijn. En juist omdat wij niet zo klein kunnen zijn, is het misschien gemakkelijker om het esoterische streven te accepteren. Want zoals elke keer hier wordt gezegd, avond aan avond op deze cursus: het is het streven naar binnen toe. En wanneer je zo bij jezelf van binnen gaat kijken, dan vind je soms dingen, dat je denkt: “Hé, is het zo verschrikkelijk gesteld met mij?” Dan krijg je zo echt het idee, dat je slecht bent, dat je nergens voor deugt, ……. nu ja, dat er iets niet in orde is.

Weet u, wanneer wij door het venstertje van ons eigen gemoed proberen die wereld, te bereiken, wanneer wij de waan en het zelfbedrog achter ons laten, dan komen we natuurlijk eerst in de uithoeken terecht. Misschien hebt u wel eens gezien, waar de mesthoop ligt bij de meeste boerderijen. Ergens achteraf, voordat je aan de mooie kant, de tuin en de boomgaard komt. Zo gaat het ons ook. Wanneer wij die innerlijke wereld gaan betreden, dan moeten wij eerst door de modder heen, want dat ligt aan de buitenkant. Dus mogen wij ons niet voorstellen, dat ons wezen nu eenmaal zo slecht is of zo verdorven …. noem maar op als het lijkt bij f ‘t eerste, ernstige proberen om die waan opzij te gooien. Maar die dingen moeten wij eerst kennen.

U zult zeggen, dat ik er wel een landbouwpraatje van maak, wanneer ik weer op die mesthoop terugkom. Maar toch lijkt het me wel goed om dat te doen. Want weet u, wanneer je al die fouten van jezelf gaat leren kennen, dan doe je net als de boer, die zo’n hoop mest en compost bij elkaar gooit. En wanneer dat zo’n beetje gaat werken, daar van binnen, dan is dat een onaangenaam iets. Je zou haast kunnen zeggen: een soort hellevuur. Het is erg pijnlijk.

Wanneer je echter verder kijkt over het land, dan zie je ook, dat de boer zodra er lente komt met zijn wagen er op uit gaat en diezelfde hoop overal uitwerpt over het veld, want eerst daardoor kunnen de gewassen groeien.

Zo gaat het bij ons. Wanneer wij i.p.v. te zeggen dat wij zo klein en zo onmachtig zijn, dat wij ze verdorven zijn, nu eens eerlijk en oprecht zeggen: “Daar hebben we fouten gemaakt”, dan kunnen we die dingen in ons leven a.h.w. uitspreiden. Dan kunnen we zeggen: “Die fout heb ik nu gemaakt. Dat weten geef ik nu aan deze nieuwe toestand, deze nieuwe situatie.”

Dit is op zichzelf al een verdienstelijk werk, maar nog niet voldoende. Want door gebruik te maken van deze zelfkennis, deze kennis van het duister, dat in je leeft, leer je het licht kennen, dat in jezelf leeft. De doorsneemens heeft moeite dat licht te vinden en wanneer hij het dan een keer ontdekt, ach, dan verliest hij het weer zo gauw. Wanneer eens een keer een geestelijke ervaring hebt, dan is het “poppetje gezien, kastje dicht”. Je hebt een ogenblik dat licht, en dan is het weer weg en je zit weer eenzaam en verlaten.

Nu ja, dat is niet prettig, dat begrijp ik heel goed. Maar per slot van rekening, als je in de stikdonkere nacht staat en je ziet zo nu en dan ergens in de verte een lichtje opvlammen, dan weet je toch, dat er iets woont, dat er iets leeft, dat er ergens licht is. Wanneer je ondanks alle sombere ontdekkingen voor jezelf achter het zelfbedrog (al dat lelijke gevonden hebbende) een lichtje ontwaart, blijf dan niet in je duisternis. Dan moet je op dat licht af. En net zo goed als er in de wereld buiten ons schrikgestalten bestaan, vooral op astraal gebied, zo bestaan die ook van binnen. Ze krijgen natuurlijk andere namen. Dan heten ze complexen, psychosen en neurosen en wat al meer. Maar laten we nu eerlijk zeggen: of het nu al een mooie naam heeft, het zijn de dingen, waarvoor wij voortdurend bang zijn. Die wij eigenlijk niet aandurven.

Wanneer we nu onthouden, dat in ons dat licht het belangrijke is, en we niet kijken naar de verschrikkingen, die aan de zijkant van de weg schijnen te staan, dan kunnen wij dat licht bereiden. En hebben wij dat licht eenmaal te pakken, dan begint ’t pas te leven, dan begint het pas te werken in ons. Dan gaan we pas ontdekken, hoe groot we eigenlijk zijn, Ja, niet groot in de zin van grote mannen en grote vrouwen natuurlijk, hetzij lichamelijk of geestelijk. Maar groot als datgene, wat wij kunnen bevatten.

Wanneer u in uzelf zou kunnen zien en u zou alleen de stoffelijke beelden, die erin liggen, uzelf voor ogen kunnen brengen, ach, dan zou u daar wouden van varenbomen zien, omgeven door de stomende lucht van een oververhitte nevel. U zou vulkanen zien uitbreken op het ogenblik, dat het land uit de zee wordt geboren. U zou de diepte van het water zien met het eigenaardig blinkende, haast donkere blauw, waar ergens boven nog het licht zweeft. In u ligt Atlantis, met zijn grote tempels, met zijn wijzen op de bergen en de geesten, die zich openbaren. In u ligt de ondergang van dit rijk en het herboren worden van de mens. In u leven de grotten en de holen, waarin de eerste mensen hun beschutting hebben gezocht. De wereldsteden, die met hun trotse wolkenkrabbers “schijnen de hemel te willen bestormen. Alles. En dat niet alleen. Want als u nu verder gaat kijken, vindt u daarbinnen vele vreemde dieren. U vindt er mensen, honderden soms. U vindt uzelf terug, telkenmale weer in een ander gewaad, in een andere gestalte. U vindt uzelf misschien zelfs terug in geheel andere werelden. En dat alles tezamen vormt uw wezen. Al uw weten en al uw kennen van alle eeuwen. Alle erfdeel, dat u ergens van een vreemde wereld hebt meegenomen, ergens uit een sfeer verworpen of voor uzelf verkregen, het ligt er allemaal met zijn omschrijving opgeslagen.

De kern van de mens is een archief, zo groot, dat wat daarin beschreven staat niet geborgen kan worden, als u de hele wereld tot 10 meter dik met actekasten zou willen bezetten. U zou er geen ruimte voor hebben, zo rijk is dat. Zo groot is het weten, waarover u innerlijk uiteindelijk moogt beschikken.

Zovele zijn de banden met allerhande andere krachten in de oneindigheid. Wij zijn niet klein en niet machteloos.

Daarom is het juist zo belangrijk, wanneer het hogere licht in ons een echo vindt. Want van dit licht hebben we ook al ervaring gehad. Sommigen van ons hebben misschien vroeger in de tempels gestaan en voor de eerste maal ervaren, hoe achter de goden zich een lichtende kracht verbergt. Anderen hebben misschien geheerst over rijken of hebben misschien gezwoegd in de primitieve tijden, niet eens wetend wat een letter is en hun vreugde vindend in het ruisen van wat graan en in een rivier, die de lucht weerkaatst wanneer het avond wordt.

We weten niet wat we allemaal zijn geweest. En zo we het weten, ach dan houden we het als een geheim voor ons. Maar dat alles hoort erbij.

Wat in ons leeft, is sterker dan de tijd, is sterker, dan de wereld, alleen al in weten, alleen al in bewustzijn.

Wij dringen meestal niet in die wereld door. Ach, we vinden het zo lastig, zo vervelend. Want dan moet je je eigen wereldje heel anders gaan bezien: en dan word je minder belangrijk: en dan moet je anders gaan handelen: en dan is het leven niet meer zo gemakkelijk en wat er verder bij komt. Daarom die dikke wal, waar doorheen wij moeten breken. Daarom die modder, waar wij eerst doorheen moeten ploeteren, voordat wij dat licht in ons beseffen. Maar wat een rijkdom, wanneer je die innerlijke wereld nu eindelijk eens een keertje kunt zien ontplooien. Wanneer je in die wereld moogt uitgaan en ontdekken, hoe alle geheimen van de schepping ook in jouw zijn neergegrift. En hoe groots misschien het ogenblik, wanneer je eindelijk door al die vele herinneringen, die door duizenden banden met al het andere zijn geschapene heen, voor het eerst de kracht ontdekt, die er was als een licht, toen er nog geen ster aan de hemel stond. Dan zul je misschien in jezelf willen neerknielen voor de eerste klank, die eerste kracht. En dan zul je weten, dat je nog verder kunt gaan.

Daarom wil ik weer alles met mijn betoogje proberen bij u de illusie weg te nemen, dat u klein bent, dat u machteloos bent. Wat dat betreft geldt voor u precies hetzelfde als voor mij . …. we zijn groot, heel groot. Omdat God ons groet heeft gemaakt – natuurlijk – maar we zijn het dan toch maar. We zijn machtig en sterk, wanneer wij het licht niet verloochenen, dat in ons leeft: wanneer wij werkelijk die kern, waaromheen onze hele wereld, het hele heelal in ons is opgebouwd, willen accepteren.

Wij kunnen werelden veranderen. Dat gelooft u misschien niet, maar het is toch zo. Wanneer wij binnen in het ik kunnen doordringen, wanneer wij dat weten zouden kunnen gebruiken, wanneer wij die kracht zouden kunnen gebruiken en zich doen manifesteren, ach …… we zouden het Heelal kunnen herscheppen. We zouden het kunnen doen. Want wanneer je je bewust bent van de banden, die je met allerhande wezens binden, wanneer je ziet hoe jouw wezen uitreikt in verschillende sferen, hoe daar degenen, die je in jezelf kent, als in een afzonderlijke wereld voor zich misschien weer bestaan en voortdurend in contact en verbinding met je zijn, dan vraag ik mij af, of je dat wel zou willen veranderen. En als je ziet, hoe je gebonden bent met al die mensen op aarde, hoe je je liefde geeft en liefde ontvangt, hoe je helpt zonder de mensen misschien te kennen en daaruit een vreugde verwerft: wanneer je ziet, hoe jouw ene ontkennen van haat, van verwerping, als een lont overal nieuwe gevoelens en mogelijkheden van kosmische liefde, van genegenheid, van naastenliefde doet openbarsten, ja, ik geloof dan, dat je het misschien toch niet zou veranderen. Omdat die wereld -wanneer je ze goed kent – zo mooi is, zo wonderbaar is. Een wereld, die wij mogen herscheppen. Het is aan ons om daar die fakkel te geven, om dat eerste vuur te ontsteken, dat ook bij anderen de muur, die ze gebouwd hebben om de werkelijkheid, eindelijk doet wegvallen, wanneer we zelf die muur eerst hebben doorbroken.

Maar nu zal ik u niet langer meer lastig vallen. Ik wil alleen maar dit zeggen: Wat ik u hier verteld heb,, klinkt in woorden aardig en een beetje fantastisch, maar het is waar! Weet u, het ligt op u te wachten. Het zit van binnen: al die krachten, al dat vermogen en al die glorie, een hele wereld. Zou ’t niet de moeite waard zijn om door de modder van zelferkenning heen, het zien van je eigen gebreken en fouten, van je eigen misslagen, door het zien ook van het zelfbedrog, dat je zo vaak hebt gepleegd heen te gaan? om in die wereld binnen te treden?

Sommigen zijn misschien al zo ver, sommigen hebben al een poort gevonden waardoor ze naar die innerlijke wereld kunnen gaan. Anderen zullen die poort moeten zoeken. Maar …. wat het ons ook kosten moge om die wereld binnen te gaan, het is de moeite waard, dat kan ik je verzekeren. En dan zul je misschien net als ik en als vele anderen, die ik misschien nog voor mezelf had moeten noemen, proberen om te werken voor je medemensen, omdat in jouw wereld de banden liggen, die je met al die andere mensen, met al die andere werelden verbindt. Dan zul je je leven zo langzamerhand gaan instellen op dat helpen, opheffen a.h.w. uit het geestelijk dieptepunt naar dat nieuwe bewustzijn van eigen innerlijk bestaan. Dan zul je ontdekken hoe mooi dat licht is, dat de kern is van onze wereld. En ja, … ik weet het, wanneer we dat licht hebben gezien, dan gaan we natuurlijk weer terug. Want wij hebben een taak.

Onze wereld, waarin we leven, roept om ons. We mogen nog geen vaarwel zeggen, ze is nog niet volmaakt genoeg om haar a.h.w. aan dat licht op te dragen en te zeggen: “Ziet, hier is mijn bestaan, mijn leven. “Maar wij weten, dat dat licht er is en wij kunnen terugkeren.

Dan is het een zegen en een vreugde op de werelden te mogen werken, in de sferen te mogen werken. Een vreugde, omdat je weet, dat jouw leven, jouw zijn, ’n bevestiging is van God in de wereld van al die anderen. Dat jouw helpen, jouw opoffering, jouw lijden misschien voor hen de eerste poort is, waardoor ze die wereld van werkelijkheid kunnen binnengaan. En ik kan u heel veel goeds toewensen, maar ik geloof niets beters dan dit: Dat ge de vreugde zult mogen ketenen om door uw eigen streven en werken een ander binnen te voeren in het heelal, dat in zijn ziel ligt, waarin God woont en waarin de vreugde en volmaaktheid geopenbaard is.

o-o-o-o-o

De grote filosofen van het oosten.

De grote filosofen van het oosten hebben de gedachtegang ontwikkeld van de perfecte verhouding t.o.v. de wereld. Deze wordt uitgedrukt in verschillende begrippen, n.l. de begrippen van de weg, van het middel en van de kracht.

De weg is de wijze, waarop men zich stelt t.o.v. de wereld. Hij is in feite, wanneer wij bij de grote Chinese meesters komen als Con fu tze en verschillende anderen, – ook Lao Tze – de weg van Tao, dus van de perfecte wereldaanvaarding. Hierbij is de eigen plaats op de wereld zeer belangrijk, waar zij definieert wat een mens moet doormaken, definieert hoe hij zich t.o.v. zijn omgeving moet dragen en verder definieert langs welke weg hij verder zal gaan.

Het middel is echter in vele gevallen bij de z.g. geheimfilosofen, de geheimfilosofie, belangrijker. Het middel kan vervlochten worden in de weg. Men behoeft niet van zijn eigen wegen en gedachten af te wijken om te komen tot een gebruik van alle krachten en middelen, die noodzakelijk zijn om het eigen ik te verheffen tot boven het wereldse en deelachtig te worden aan de grote verlichting. Deze middelen worden als volgt gedefinieerd.

In de eerste plaats: het bewegen. Het lichaam heeft zijn eigen ritmes. Door de bewegingen en de functies van dit lichaam volgens dit eigen ritme, voortdurend te volvoeren, krijgt het lichaam een zo perfect mogelijke harmonie. En met deze grote harmonie zal het in staat zijn de geest grote kracht te geven. Het is bovendien mogelijk om de weg van Tao juister te volgen, wanneer men lichamelijk is afgesteld op elke taak, die binnen de weg voor u kan zijn weggelegd. Heeft men dit eerste middel gebruikt, dan volgt het tweede middel.

Het tweede middel is kennis. Dit betekende in de oude tijd veelal kennis van de oude filosofen, daarnaast kennis van schrijven en rekenen of mathematica en muziek. En wel omdat het lezen van gedachten van anderen de eigen gedachten kan ontwikkelen en kan doen opbloeien.

Omdat het neerschrijven van eigen gedachten dwingt deze gedachten duidelijk en kort te formuleren, zodat een overzicht over eigen denken verworven kan worden. Rekenen en vooral rekenkundige structuren zijn een grote hulp, omdat met betrekkelijk weinig symbolen grote reeksen van gedachten kunnen worden aangegeven en uitgedrukt. Dit aangeven en uitdrukken maakt het mogelijk om in filosofische structuur haar waarschijnlijkheid te bezien en te berekenen en behoedt de mens voor zeer veel fouten. Wanneer hij daarnaast ook kennis heeft van de muziek, zal hij door het gebruik van de juiste tonen en trillingen leren harmonieën te scheppen. Deze harmonieën die hij schept, zullen in overeenstemming zijn met zijn eigen wezen. Hierdoor is hij in staat voor zichzelf in klank en voor anderen waarneembaar weer te geven, wat in hem berust.

Ik mag hier misschien bij opmerken, dat zeer veel van de grote filosofen te enigerlei tijd openbare vertellers of andere sprekers zijn geweest of althans tijdelijk een dergelijke functie hebben willen bekleden. Hierbij treedt op de voorgrond het ritmisch spieken op toon. Een vorm van muziek, die het Westen betrekkelijk vreemd lijkt, maar die toch zijn eigen zin heeft. De woorden worden heel vaak begeleid door het slaan op een houten vat, vaak in de vorm van een z.g. eend. Men noemt dan ook deze grote klankbekkens heel vaak eenden. De wijze, waarop men deze slaat en dus met het ritme: de woorden scandeert, maakt hieruit een zekere melodie. De melodie heeft een grote invloed op allen, die luisteren en bindt zo de begrippen van het verhaal samen. De structuur van het denken wordt door de melodie en het ritme ondersteund, gedragen en verbonden, zodat een eenheid ontstaat, die voor een ieder waarneembaar en kenbaar is.

Nu dachten de geheimfilosofen over het algemeen als volgt: Daar, waar men zichzelf kan brengen tot een perfecte en harmonische uitdrukking van al hetgeen binnen het ik schuilt, verder daarbij rekening houdende met de klassieke, dus gebruikelijke wijze van uitdrukking, zal men ook in staat zijn voor zichzelf binnen de weg, die het leven getekend heeft, een uitdrukking te geven aan eigen bestaan. Het kennen van eigen bestaan is zelfkennis verwerven. Zelfkennis is een van de grootste middelen tot verdere bewustwording.

Nog één middel werd heel vaak gebruikt en men noemt dit het middel der bezwering. Alle werelden zijn bevolkt met schimmen en demonen, met lichtende krachten en goden. Deze stelling – voor een Westerling vreemd – is te rechtvaardigen, wanneer ik u er op wijs, hoe astrale werelden en mentale gebieden u omringen en hoe daarin vele verschijningen voorkomen, die zowel goed als kwaad gezind kunnen zijn t.o.v. uw eigen streven. Hieruit vloeit voort, dat een kennen van deze verschijnselen en het bezweren daarvan – dus het voor zichzelf zichtbaar maken, dan wel zichzelf vrijwillig te midden van deze krachten begeven – een overwinning betekent voor het ik. Een overwinning op gebieden, die de normale mens niet benadert. Wanneer echter de mens deze gebieden wel benadert en overwint, wordt hij daarmede tevens meester van hun wereld. Hierdoor dringt men dus in andere werelden door.

Heeft men deze middelen gebruikt, dan heeft men ook nog een kracht nodig om zijn eigen doel te kunnen verwerkelijken. De kracht wordt wederom in 3 delen onderverdeeld.

De 1e kracht is levensadem. Levensadem wordt verworven door harmonisch stoffelijk leven, waarbij een juiste verdeling van rust en vermoeienis moet worden aangebracht. In sommige gevallen vinden wij hier aanvullingen als ademhalingsleer, bepaalde bewegingsleren en vinden we zelfs de ritmische dans of de uitbeelding van gestalten als deel van het verwerven van de levensadem. De magische praktijken brengen verder mee, dat men leert levensadem te vergaren ook uit andere gebieden» Dit zijn dus oefeningen van de geest, waarbij de geest voor zichzelf kracht verwerft in de omliggende wereld. Heeft men de levensadem verworven, dan zal men altijd zich bewust moeten blijven, dat de levensadem niet voor het ik alleen gebruikt kan worden. Hij is slechts bestemd voor de uiting van het ik, niet ter verrijking van het ik.

De 2e kracht is de z.g. drakenadem. of ook wel genoemd geestelijke adem. De geest heeft haar eigen krachten en bewustzijn. Deze kunnen het best worden gezien in meer technische termen als een soort elektrisch vermogen en een magnetische kracht: als iets dus, dat stoffelijk uitbaar is, maar niet meer tot het materiële gebied behoeft te behoren. Deze kracht is tevens voor de geest volledig hanteerbaar. De geest in meditatie te verdiepen, in overpeinzing, de geest vooral te bewegen tot eenheid met de omliggende werelden, tot beschouwing van landschappen, van bloemen, tot beschouwing soms van de luchten, betekent, dat de geest deze kracht voor zichzelf kan opnemen. Zij staalt de wil en zij vergroot het geestelijk begripsvermogen, wat in de stoffelijke vorm dus een vergroting van aanvoelen betekent.

De 3e kracht wordt wel de zonnekracht genoemd ook wel het vuur van de hemelse keizer.

Deze kracht heeft als bijzondere eigenaardigheid de volgende kwaliteiten: zij verlengt het leven door middel van de wil. Zij beheerst de stof, indien het bewustzijn en de wil voldoende zijn. Zij is in staat om het ik te verheffen tot de hoogste werelden en te doen ingaan in de geestelijke rijken. De kracht wordt verworven door wat u ongetwijfeld zult noemen een gebed, waarbij men wacht op het antwoord van de Schepper. In onze termen betekent dit de beschouwing, contemplatie van het zijnde en de kracht in het zijnde, waarbij men zichzelf in het zijnde verliest. Dit “zichzelf verliezen” betekent harmonie en eenheid met de grote wereld en het onttrekken daaraan van alle krachten, die noodzakelijk zijn om eigen leven te maken tot een perfect deel daarvan.

Onze filosofen gaan verder uit van de stelling, dat het noodzakelijk is om dwaas te zijn. Een stelling, voor een Westerling ongetwijfeld enigszins onrustbarend. Zij rechtvaardigen deze stelling door als volgt te redeneren: Wanneer wij het gedrag van de gewone mensen zien en de normen, langs welke zij hun gedrag bepalen, dan zijn wij ervan overtuigd, dat deze geen uiting zijn van een waar bewustzijn, maar slechts een uiting van een levensaanvaarding met zeer veel beperkingen. Om bewust te worden van hogere gebieden en krachten zullen wij echter meer moeten zijn dan mensen. Daardoor zullen wij moeten handelen op een wijze, die de mensen dwaas noemen. Het uiting geven aan onze gedachten, het verwerkelijken van de in ons levende kracht en van het in ons levend bewustzijn, zijn een noodzaak. Laat ons dan rustig dwazen zijn in de ogen der mensen, want eerst door deze dwaasheid kunnen wij de ware wijsheid deelachtig worden.

Ik ben er mij van bewust, dat al deze verhalen, deze betogen voor u wat irreëel blijven. Het klinkt alles zeer schoon in uw oren, maar uw ongetwijfeld grote wijsheid besluit onmiddellijk, dat deze dingen een theorie zijn, die in het eigen leven niet of slechts zeer moeilijk, te verwerkelijken is.

Sta mij daarom toe enkele voorbeelden te geven, waarbij blijkt hoe deze krachten kunnen werken in een mensenleven.

Wanneer armoede groter is, worden de roversbenden sterker, tot de rovers de rijkdom van het land bezitten en zij, die rijk waren, verarmen.

In een dergelijke periode leefde een mens, die besloten had de weg der grote meesters te volgen. Daartoe volgde hij zeer nauwgezet alle taken en plichten van zijn bestaan, zijnde het maken van en verhandelen van godsbeeldjes, zoals die door de omgeving ijverig werden begeerd. Toen nu de rovers kwamen, lachten zij om de vroomheid van zijn bezigheden, ontnamen hem zijn geld en verbrijzelden zijn voorraad. Hij wist echter, dat nu voor het eerst de gang van Tao onderbroken was. Want nu bestond er geen regel en geen verplichting meer, waardoor hij een vastgestelde taak moest vervullen. Zo juichte en jubelde hij over al, wat men hem ontnomen had. En de rovers werden zozeer beroerd door zijn vreemde vrolijkheid, dat zij hun eerbiedwaardige ernst verloren en in schaterend gelach uitbarstten. Uit vreugde over deze hen geschonken lach lieten ze hem gaan zonder hem te beroeren, zodat hij de stadspoorten mocht uitlopen en in het vrije veld kwam„ Hij besloot nu – waar hij bevrijd was van alle dingen – na te zoeken naar de oplossing van het levensraadsel. Daartoe beschouwde hij de luchten en verzonk in zichzelf, tot zijn lichaam als ontzield ter aarde lag. Juist toen zijn lichaam neerlag in zijn ontzielde toestand, waren regeringsgetrouwe troepen onder aanvoering van enkele mandarijnen gekomen en bestormden de stad om de rovers uit te drijven. En een ieder die op hun pad kwam, verschrikten zij door hun ontstellende kreten en hen, die zij konden vatten, doodden zij. Toe zij nu deze man zagen liggen, zeiden zij: “Ziet, een slachtoffer van de rovers.” Zij legden hem terzijde, opdat zijn familie hem zo dadelijk een waardige rustplaats zou kunnen bezorgen en hem inschrijven op de tafelen der voorouders.

Ontwakende uit zijn droom, waarin hij het beeld van het Al had gezien, keerde hij terug naar de stad. En degenen, die hem herkenden, zeiden: “Hier is een wonder geschied. Want wij hebben zelf gezien hoe deze dood en ontzield, was. De goden hebben hem verheven.” Zo gaf men hem een plaats van belang in de rangen van de gouverneur. Hier kon hij velen behoeden voor een hard of onrechtvaardig oordeel en menigeen zegende zijn aandenken om al wat hij had betekend in rechtvaardigheid en welwillendheid. Zijn bewustzijn groeide en velen zijner medemensen hadden hem lief. En door deze liefde kon hij zich bevrijden van stoffelijke banden en ingaan tot het rijk, waar de hemelse keizer aan allen licht en vreugde schenkt. In dit verhaal zijn verschillende zeer toevallige samenlopen van omstandigheden. Maar deze toevallige samenlopen zijn in volledige overeenstemming met wat de filosoof leert over de weg. Want staat er niet geschreven, dat de weg bepaald is en zo wijzelf hem kiezen, hij ons geleidt en beschermt op de wijze, die in overeenstemming is met zijn inhoud. Door deze weg te kiezen had deze mens zich niet slechts bevrijd van de ellende van in een verarmde, belegerde stad te vertoeven, had hij niet slechts een nieuw bewustzijn gewonnen, maar hij kwam tot eer en aanzien. En door ook dit goed te gebruiken bereikte hij – wat we noemen – de grote verlichting. Het resultaat is duidelijk. Dit al was voorbestemd voor hem, omdat hij deze weg had gekozen, omdat hij zijn wil had gericht op het hogere. En de krachten, die hem gegeven waren – evenals het aards gezag dat hem daardoor gewerd – heeft hij steeds gebruikt in overeenstemming met de wil van de hoogste Kracht. Het gevolg was zijn bevrijding en, verlossing in één leven, waar velen duizendmalen de cyclus van leven en dood moeten passeren, voor zij een dergelijk bewustzijn kunnen verwerven.

In dit voorbeeld zal u dus reeds het een en ander duidelijk zijn geworden. Geen enkel voorbeeld is echter volledig, wanneer het niet twee kanten laat zien van mogelijkheden.

En daarom vraag ik nederig uw aandacht voor nog een klein verhaal.

Er was eens een jonge maagd, die schoon was. Zelf zijnde van de familie Woe werd zij al snel uitgehuwd aan de jongste zoon van een zeer rijke en machtige familie Shiu. Zij echter begeerde niet dit pad te gaan. Ofschoon zij geboren was in een tijd, waar het gehoorzamen aan de ouders de hoogste plicht was, verder geboren was in een situatie, waarin elke schrede op het maatschappelijk pad voorwaarts voor haar en haar ouders van het grootste belang was, besloot zij haar eigen weg te gaan. Toen zij nu niet in staat was haar ouders te overtuigen, dat dit huwelijk tegen haar wil was, vluchtte zij kort voordat de rode baldakijn voor haar deur stilhield en zocht zich een schuilplaats bij boerenmensen op het land. Hier diende zij en haar schoonheid verdween in voortdurende arbeid op de velden. Toch was zij niet gelukkig, want zij droomde van rijkdom, die zij had kunnen bezitten.

Zo ging zij verder en probeerde eisen te stellen aan het volk. Dit gelukte haar enkele malen, waar zij zich voordeed als een zeer vrome non en met haar geschoren hoofd en haar zoete taal ongetwijfeld vele onzen zilver wist te krijgen. Tot men haar ontmaskerde. Toen werd zij veroordeeld en te schande gesteld midden in de stad. En een ieder beledigde haar en men jubelde om haar lijden.

Zij werd bitter en besloot zich op de wereld te wreken. Daarom kleedde zij zich als man, trok de bergen in, vormde een bende en trachtte alle voorname reizigers in de omgeving te beroven. Zo werd zij gevangen en daar zij niet wilde bekennen wie zij was, werd zij vele malen gemarteld, tot zij uiteindelijk in pijnen stierf. En stervende verwenste zij hen, die haar gemarteld hadden.

Ontwakende uit de dood bevond zij zich in een donkere grot en de marteling ging verder, zonder verpozen. Zij vervloekte met al haar wil en kracht degenen, die haar martelden. Zo werd het duister en haar nieuwe cel was somberder en de pijnen waren feilen. Zo leed zij langen tijd. En eindelijk, toen zij wederom bevrijd werd uit de poorten der duisternis, keerde zij terug op aarde als een misvormd wezen, onbewust en onwetend, omdat zij eens verworpen had wat voor haar de weg was, had geweigerd te aanvaarden, wat de weg des levens haar bood.

In dit zeer korte verhaal, dat indien ten volle verteld, ongeveer acht boeken beslaat, die allen het wedervaren van de familie Woe beschrijven, heb ik misschien duidelijk kunnen maken, dat een verzet tegen datgene, wat juist is in het leven, even fataal kan zijn, als het aanvaarden daarvan op de juiste wij ze de mens kan helpen. Ik heb u ongetwijfeld er verder op gewezen, dat dit meisje door de hogere krachten te verwerpen, niet slechts haar eigen gelijk verloor, maar ongeluk betekende voor anderen en zichzelf overleverde aan grote kwellingen. Ten laatste heb ik hopelijk hierin blijk gegeven van het feit, dat wie op deze wijze in haat tot het duister komt, terugkeert op de wereld: niet als datgene wat hij was, maar als datgene, wat hij wenste dat anderen zouden zijn.

Zo weerspiegelt zich in het heelal al het leven van een ieder. En een ieder, die leeft en de juiste weg volgt, wordt door de weg geleid tot een voleinding en een verlichting van buitengewone schoonheid. Maar wie weigert zijn weg te gaan, is vrij te kiezen. Toch zal hij moeten keren tot de wereld, telkenmale weer, tot hij de weg der bevrijding vindt, die het hem mogelijk maakt in te gaan op de juiste wijze, met de juiste wil en gebruikende de juiste kracht tot de hoogste werelden.

Deze denkwijze kan voor het Westen ongetwijfeld aanvaardbaar worden gemaakt. Want ook in het Westen heeft men vele malen de keuze omtrent het pad, dat men zal volgen. In het Westen vindt men evenzeer de middelen bereid en heeft de wereld de weg beschreven.

Wanneer gij gebonden zijt door verplichtingen aan uw omgeving, is het uw taak deze te volbrengen, tenzij de banden, die geknoopt zijn, buiten uw wil en niet door uw eigen toedoen worden verbroken. Wanneer gij echter de geestelijke vrijheid hebt bereikt, dan is het niet uw taak om terug te keren tot de vroegere banden. Integendeel, gij zijt vrij om te gaan als een dwaas en te zoeken naar nieuwe waarheid. Wie telkenmale weer kiezend datgene zoekt, wat voor hem schijnt te zijn de bereiking en de voleinding, vindt daarin algehele bewustwording.

De algehele bewustwording, die de bevrijding is van de ziel, de vreugde van de geest en het licht van alle wereld.

o-o-o-o-o

De Krachten van de God van onze kinderjaren.

Bij alle esoterie wordt het ons soms wel wat moeilijk om nog steeds weer te denken aan: De Krachten van de God van onze kinderjaren.

Wanneer je kind bent, kun je met grote innigheid bidden tot een God, Die vlak bij je is. Een God, Die een persoonlijkheid is en Die niet verward wordt met vele problemen omtrent het bestaan. Toch is het voor ons – ook wanneer wij esoterisch streven – van groot belang, dat wij deze God uit onze kinderjaren voor onszelf steeds weer zien herleven. Wat maken uiteindelijk de bepalingen en definities uit in ons bestaan? Wij leven als deel van een eeuwigheid en in deze eeuwigheid zoeken wij naar ons eigen wezen.

Wanneer wij als kind bidden tot God, dan is het beeld van God datgene, wat wij hopen te worden. Wij zijn misschien innerlijk die God. Wie zal het zeggen? Zeker is het, dat ons kinderlijk Godsbeeld de juiste onthulling is van ons eigen wezen. En daarom is het goed – ondanks alle zoeken haar innerlijke waarheid of misschien zelfs dank zij ons zoeken naar innerlijke waarheid – die God te erkennen en steeds weer te ontmoeten. Wij moeten geloven in een hogere Kracht, wij moeten een hogere Kracht kunnen aanvaarden, die naast ons en boven ons staat. Zelfs indien dit in feite niet zo ware, dan nog is ons wezen voortdurend genoopt zich te beroepen op krachten, die buiten het ik zijn of schijnen te zijn. Wat kunnen wij daarvoor beter bezitten dan een beeld van God? En of die God nu zo bestaat als wij Hem zien of niet, werkelijk is Hij in ieder geval en te allen tijde. Er is geen reden om te zeggen, dat God: niet zou bestaan. Er is ook geen reden om te zeggen, dat een God het ons kwalijk zou nemen, wanneer wij Hem steeds weer benaderen via het geloof, wanneer andere wegen voor ons falen. Daarom lijkt het mij dan ook wel goed om juist deze God ons steeds voor ogen te stellen.

In de eerste plaats geeft Hij ons een zekerheid van denken en van doen, die wij anders niet bezitten. Wij voelen ons sterk in de nabijheid van die God, Wij hebben onze krachten zozeer nodig, dat – zelfs indien dit een gedachte is en meer niet – van ons toch kan worden gezegd, dat deze God veel, zeer veel voor ons betekenen kan.

In de tweede plaats: Doordat wij onbewust zijn van onze eigen innerlijke wereld en dus ook niet in staat zijn een juist oordeel te vellen over onze wereld, voor zover wij die kennen, moeten wij ons kunnen begrepen op een andere kracht: een kracht, die dat oordeelsvermogen reeds nu bezit. Wij kunnen als mens en als lagere geest niet zonder dat oordeel. Wij voelen ons steeds weer -genoopt om te zeggen: “Zo moet het zijn. Zo is het.” Wanneer wij dit nu vanuit onszelf doen, dan verheffen wij soms onszelf tot boven anderen, wat altijd uit den boze is, of – wat haast nog gevaarlijker is – we spreken een oordeel, zonder onszelf t.o. daarvan te kunnen rechtvaardigen. Wanneer wij een God hebben of geloven in een God, een God kennen, Die alles weet en Die oordelen kan, is het eenvoudiger ons van oordelen te onthouden.

Wanneer ons onrecht geschiedt, zullen wij veelal de ware betekenis daarvan in ons leven niet kunnen overzien, wij zijn daarom vaak genoopt ons te wreken, iets terug te doen en we brengen daarmee in onszelf een zekere disharmonie tot stand. Ja, we maken het ons heel vaak zelfs onmogelijk uit het ondergane leed de juiste waarde te putten. Maar als er nu een God is, Die ons wreken zal, dan is ’t voor ons gemakkelijker de wraak prijs te geven. Die gedachte kunnen wij n.l. zonder meer niet kwijt. Maar indien wij het nu aan die God: kunnen overlaten, dan wordt het uitgesteld, totdat wijzelf een beter inzicht hebben. En zo wordt ons leven wederom juister, eenvoudiger en beter.

U zult zich afvragen waarom ik wijs op de God van onze kinderjaren, want dat is dan meestal wel een zeer plastische God. Je zou Hem vaak zo kunnen uittekenen. Ik doe dit opzettelijk, omdat alleen zij, die in bewustzijn ver zijn gevorderd, leren de abstractie van het licht te aanvaarden, als ware dit een dergelijk beeld: het te ondergaan als nog belangrijker en intenser dan deze persoonlijkheid hebbende God.

We weten van onszelf lang niet altijd, of we nu werkelijk in staat zijn aan dat licht zoveel over te laten en voor dit licht zoveel te doen als voor de eenvoudige Godsbeelden, die wij in de kinderjaren voor onszelf scheppen. Daarom zeg ik: “Laten wij niet vrezen een gevormde God naast onszelf te stellen.”

Ik geef gaarne toe dat het grootste gedeelte van dergelijke Godsvoorstellingen uit het ik zijn gebouwd. Dat zij een weerspiegeling zijn van het ik in geïdealiseerde vorm. Maar wat hindert ons dat tenslotte, wanneer die voorstellingen bestaan en ons helpen om ons in ons dagelijks leven, in ons eenvoudig bestaan in wereld of sfeer, steeds verder te komen in bewustzijn, steeds meer in overeenstemming te handelen met wat wij erkennen als kosmische kracht in ons of -zo ge wilt – de wil Gods, dan is het toch niet nodig erover te vechten, of dit middel nu wel de kwaliteit heeft, die we er werkelijk aan toeschrijven.

Wanneer je niet reizen kunt en je houdt toch van de wereld met al zijn vreemde vergezichten, dan neem je een plaat en je laat je gedachten erover gaan. Je droomt, dat je rondwandelt bij het Lago Magiore of je staat voor de ontstellende majesteit van een Tai Mahal. De beelden zullen wel niet juist zijn, maar hoezeer kunnen ze soms de ziel verfrissen. Hoe vaak kunnen juist dergelijke dromen u meer geven, dan een werkelijkheid ooit kan? Er is geen reden voor, meen ik, om deze dromen te verwerpen, zolang zij ons niet belemmeren in de werkelijkheid te leven. Want leven moeten wij. En waar wij ook zoeken naar een God en naar een werkelijkheid. één ding staat wel vast: wij moeten te allen tijde volbrengen, wat het leven van ons vraagt. En elk hulpmiddel, dat ons daarvoor geboden wordt, door voorstellingsvermogen, door eigen geest, door geloof, door de wereld rond ons, dat moeten wij aanvaarden.

Wij staan niet boven hulp. Wanneer dat zo ware, dan hadden wij geen behoefte meer aan leven en aan bestaan, zoals dat nu gebeurt. Wij hebben hulp nodig. Wij moeten die hulp zelfs accepteren. En wanneer het niet anders gaat, laat ons dan liever een klein beetje onszelf bedriegen en dan toch die hulp accepteren i.p.v. ze te verwerpen.

Ik denk, dat de doorsnee-esotericus wel eens geneigd is om juist deze simpele waarheid te verwerpen, Hij meent, dat hij eerst moet weten en moet begrijpen. Hij is daardoor geneigd te weinig te geloven. Maar hoe wil je God in jezelf ontdekken, wanneer je geen geloof hebt? Hoe wil je de waarheid omtrent jezelf ontdekken, wanneer je je vastklampt aan de normale gedachteprocessen? Er komt altijd een ogenblik, dat je het stoffelijk denken moet prijsgeven of stil blijven staan. Juist daarom lijkt het mij voor de esotericus een goede raad te zijn een ogenblik werkelijk zo’n God te aanvaarden. Ja, wanneer ik verder zou mogen gaan dan dit, dan zou ik u willen raden: Creëer uzelf een God. Bouw u een beeld op van een God, Die uw wezen aanvult. Schep u een beeld van een wezen, dat al uw tekorten, al uw tekortkomingen en fouten kan verbeteren, kan aanvullen, daar, waar het nodig is. Ook al weet ge het duizend keer, dat ge dat wezen zelf geschapen hebt, wanneer het u in staat stelt om volkomen te zijn, waar ge zonder dit niet volkomen zou zijn, dan is het toch dunkt mij meer dan de moeite waard. Dan is het kostbaar en waardevol.

Men mag niet vergeten, dat het voorstellingsvermogen ons gegeven is, mens en geest gelijkelijk, om daardoor verder te komen. Wanneer je het goed bekijkt, ben je het grootste gedeelte van je bestaan eigenlijk blind, soms ten dele, soms helemaal. Dan zie je niet. Maar als je niet ziet en je kunt ’t je voorstellen, dan kunnen alle dingen, die je beroeren van buiten af, je een steeds sterker beeld geven. Dan leef je in een wereld, vaak mooier en veel juister dan degenen, die wel kunnen zien.

De uiteindelijke waarheid is onovertroffen in haar schoonheid en glorie. Maar al hetgeen, dat wij – mens en geest – daarvan maken voor onszelf, ziet er vaak miserabel uit. En dan zeg ik: “Het is beter je voor te stellen, dat een bloesemende boom leeft en naar de hemel wuift met zijn nieuwe glorie van uitgekomen bloemen, dan te kijken en vast te stellen hoeveel bloemetjes er nu wel zitten op een tak. Dan lijkt het mij beter te dromen van een God in een hemels rijk en van een hiernamaals, dan in kille bitterheid je onvermogen te erkennen een werkelijke eeuwigheidsgedachte voor jezelf te realiseren.

Er zijn zoveel dingen, die ons beroeren uit de eeuwigheid, uit dat ongekende gebied, die wij alleen maar door het voorstellingsvermogen kunnen vertalen die wij alleen maar kunnen omzetten in droombeelden, omdat de werkelijkheid te ver van ons bewustzijn afligt. Moeten wij dan zeggen, dat wij dat alles moeten verwerpen, omdat het niet de werkelijkheid is? Ik geloof het niet. Ik meen, dat wij mogen zeggen, dat wij die droom kunnen accepteren als een hulpmiddel om de werkelijkheid te leren kennen. Niet zeggende: “Ziet, dit alleen is waar,” maar zeggende: “Ziet, dit is mij geopenbaard op mijn weg naar de waarheid toe.”

Dan krijgt die God uit onze kinderjaren zin. Dan is Hij onze leidsman. Dan is Hij onze Helper.

Dan is Hij in feite waarschijnlijk voor de mens datgene, wat de geest weet maar niet in de stof kan openbaren. Dan is de Kracht, die schuilt in het wezen, dat door duizenden jaren heen zijn ervaringen, bewustzijn en kracht heeft opgedaan, geopenbaard als een weldoend God en zo het wezen brengend tot groter eenheid.

Ik wil u zeker niet raden nu alleen maar te denken aan Goden, nu alleen maar uzelf beschermers, te scheppen. Het zou u misschien soms verblinden voor de ware helpers, die u terzijde staan. Maar ik wil u toch wel een raad geven om de droom, om dit beleven, om dit geloof, niet zonder meer weg te leggen. Niet zonder meer te zeggen: “Neen, daarvoor ben ik te ver.” Gij zijt .daarvoor nog niet te ver. zou ge dat zijn, dan zou ge volmaakt kunnen zijn, dan zou ge het licht kennen, zoals het werkelijk is. Aanvaard deze simpele middelen, die u mede zijn gegeven als deel van uw bewustwording, van uw levenstaak. Aanvaard ze, werk ermee, verrijk uzelf ermee en kom ze tot een grotere volmaaktheid.

Dan zult ge uw innerlijke wereld ook beter leren kennen. Dan zult ge zien, wat waar is, waar, zonder enige leugen en zonder enige weglating. De God van onze kinderjaren is vaak de openbaring van de banden, die ons leven binden met wereld en sfeer. De bewustwording, die wij in beiden vinden, is het voorteken vaak van een nieuwe ontwikkeling, van een nieuwe stap, die wij nemen naar het einddoel. Een nieuwe mogelijkheid, die ons gegeven wordt om intensere deel uit te maken van dit geheel, waarbinnen wij zijn geschapen door onze Schepper.

0-0-0-0-0-0-0

Meditatie.

Het Aangezicht Gods.

Het aangezicht Gods. Wanneer wij opzien naar de hemel, dan vragen wij ons heel vaak af:

Woont daar ergens achter die blauwe koepel, ergens achter die flonkerende sterren, een God?

En we weten het niet. Want het blijft ons altijd weer een raadsel, waar God eigenlijk is, wat God in feite is. En hoe wij ook zoeken in geheel de wereld, in alle sferen, het aangezicht Gods blijft ons verhuld. Wij zijn niet in staat die God ook maar te accepteren, wanneer Hij zich ons toont. Het is niet God, Die Zich Voor ons verhult, het zijn onze blikken, die God niet accepteren, die God voorbijzien.

Het is natuurlijk moeilijk om dit zo voor een kort ogenblik even vast te stellen. Maar wanneer wij alles tezamen vatten, dan kunnen we misschien een ogenblik dromen over het aangezicht Gods. En als laatste woord zou ik gaarne een droombeeld a.h.w. onder woorden brengen, een droombeeld, waarin het aangezicht Gods zich toont aan mens en geest.

De wereld sluimert en ze glimlacht als een kind, dat slaapt. In de verte, in de luchten, tekent zich een loden glans, als stijgen voor een korte wijl nu morgenstond en nacht ten dans …..

Ik aanschouw het en voel mij zelf vrij. Want dit aangezicht der aarde, toont met aangezicht van God. Op die aarde staat geschreven ’t begin en ’t eind, het hele lot, dat alle wezens is gegeven, ‘k Zie God in het woelig water der zee. Ik zie Hem trekken in de wolken: en zie hoe Hij de zonnestralen als vergulde dolken werpt in ’t duister, dat nog wacht.

God is voor mij de troon der wereld, het aangezicht van dag en nacht, die voor een wijle elkaar ontmoeten en in hun kleurenpracht zich groeten, sprekend niet “vaarwel”, doch slechts “tot ziens” in korte tijd”.

In het spel van licht en duister, van dag en nacht, onthult zich mij de luister van alle eeuwigheid. En zie ik zo in ’t stoffelijk gebeuren dat al, wat leeft aan wondere pracht mijn geest wordt aan mijn wezen haast ontdreven en stamelend nog in bittere klacht over schoonheid – nu verlaten – ziet zij voor zich ander zijn. Een licht eerst fel, zodat het pijn is en kramp in ’t eigen wezen en vrees: en dan een zacht omhullend licht, dat schijnt te vatten alle kleuren: dat schijnt te vatten dag en nacht en saam te reien al ’t gebeuren tot een eenheid van onvoorstelbare kracht.

Dan vraag ik mij: Is dit mijn Schepper? Is dit het Wezen, dat heel het zijn, het leven maakt?

Heeft een wondere Kracht voor korte wijl mij de boeien van ’t stofbestaan geslaakt?

Maar neen. Ik ga verder en mijn hart bonst wat in vreemde vrees. Dan valt de sluier voor het licht. Dan komt de eenzaamheid en verdergaan kost mij weer pijn en wordt mij tot een strijd, waarin ‘k mijzelf overwin.

En dan? Wanneer het Al verbleekt en in de stilte van dit duister geen stam of klank meer tot mij spreekt, zie ‘k plots mijn God in al Zijn luister: een Schepping, die zichzelf regeert, door vele scheppingen omgeven: een Wezen, dat er in berust, dat leeft in alle leven en steeds beroert – zoals de zee de kust – de einder van het eigen zijn.

Verbleekt is angst, vergaan is pijn en vóór mij ligt de werkelijkheid: Dit is het aangezicht van God. Al wat in tijd eens was geschreven, al wat aan leven ooit bestaat, al wat er ooit genomen werd of ooit er werd gegeven tezaam en meer. In licht, dat duisternis verslindt, waarin de duisternis zichzelf als licht toch wedervaart is God.

Dan keer je tot de aarde weer. Je hoort de vogels zingen en vraagt je af: Aanschouwde ik kort het eind der dingen? Is het ’s werelds eind, het blussen van de zon, de eeuwige nacht, waarin geen ster meer gloeit? Dan voel ik, hoe het beeld, zo-even nog beleefd, weer in mijn wezen gloeit. Het groeit en groeit en toont mij nu ditzelfde weer behouden. Daar in een bloem, die schittert met de paarlen van dauw. En in een zwarte vlerk, die jubelend stijgt naar zon in ’t felle blauw der hemelen. Ik zie mijzelf aan, een beeld in ’t watervlak gespiegeld. Ik zie de lelie, die daar door de vloed gedragen wiegelt in een gestadig zijn. En ‘k weet: Zij dit alles in het Al, onmetelijk klein, ’t behoudt toch het beeld van God. Ik heb Zijn aangezicht gezien en zie Hem telkens weer in al wat leeft. Ik weet nu Wie ik dien, waarom het leven waarde heeft.

Zo kan het zijn. Zo kan het leven voor ons soms God openbaren. En hebben wij Hem eenmaal gevonden, dan zien wij Gods aangezicht weerkaatst tot in het kleinst van wat Hij heeft geschapen, daar Zijn Kracht in alle dingen is, en Zijn aangezicht voor ons is geworden: Het leven.

image_pdf