Het Licht der sferen

image_pdf

16 november 1959

Er wordt over het licht der sferen buitengewoon veel gesproken. Men geeft allerhande verklaringen over de onderverdelingen in kleuren en in kwaliteiten, maar helaas zijn de ze nooit gelijkluidend. Elke groep houdt er een eigen systeem op na en probeert op eigen wijze een interpretatie te geven. In zover dit indrukken betreft, is het aanvaardbaar, omdat een subjectieve ervaring als het licht der sferen ongetwijfeld met een zeer persoonlijke interpretatie gepaard gaat. Moeilijker wordt het echter, wanneer men zou trachten dit onderwerp zo vast te leggen, dat voor ieder dezelfde normen zouden gelden. Ik wil mij in mijn inleiding dan ook in de eerste plaats verzetten tegen algemeen geldende interpretaties en wel op grond van de volgende overweging.

Het licht der sferen is geen licht, zoals u dit kent. Wat er in de stoffelijke wereld het dichtst bij komt, is een mesonenstraling binnen een wervelend magnetisch veld, dus met voortdurende baanafwijkingen. De wijze waarop het zich voordoet is – zo zegt men – van sfeer tot sfeer verschillend. Dit betekent echter niet, dat de kracht op zichzelf anders of verschillend zou zijn.

Vergelijkenderwijze wil ik u wijzen op het licht der volle maan, die juist in deze dagen, als ik mij niet vergis, voor u weer bijzonder kenbaar is, al ware het alleen, omdat zij mee moet werken aan de voorbereidingen voor de St. Nicolaas-viering, die overal aan de gang zijn.

Wanneer nu onze maan door de bomen schijnt, doet zij dit met een blauw licht. Toch is dit niets anders dan zonlicht, dat weerkaatst wordt. De beschouwer, die het maanlicht zou willen ontleden, vindt daarin gepolariseerd zonlicht. Een deel is achtergebleven, maar is niet van geaardheid veranderd, wel van intensiteit door de reflectie. Nu zult u begrijpen dat er een bron moet zijn voor kosmische kracht of kosmisch licht. Wij noemen deze met een groot woord heel vaak: goddelijk Licht. En daarmee zeggen we zoveel als niets, omdat niemand weet wat goddelijk Licht is en ieder daarvan een eigen voorstelling heeft. Ik wil eerst definiëren wat m.i. onder goddelijk Licht te verstaan is. Op het ogenblik dat een uiting of openbaring in tegendelen plaatsvindt, zullen er tussen de uitersten verschillen optreden. In een heelal dat niet in rust en volledig evenwichtig is, zullen de beide tegengestelde factoren voortdurend naar een herstel van het evenwicht moeten zoeken, wat aanleiding geeft tot een voortdurende onderlinge beïnvloeding. Deze beïnvloeding moet in elk punt kenbaar zijn, dat tussen beide uiterste waarden gelegen is. God schept het totaal. Een stelling: daar kunnen we niet over redetwisten, want het is tevens een geloof. Dan zal tussen alle uitersten van de schepping – onverschillig of deze materieel of niet-materieel van aard zijn – een gelijksoortige spanning moeten ontstaan, zolang er enige werking in het Al bestaat. Dat deze bestaat, daarvan zijn wijzelf de getuigen en wij kunnen – gezien de wisselende ervaring, die wij voortdurend opdoen – wel zeggen dat het Al zelfs vol is van verandering en van beweging. De spanning tussen het totaal van het in tegendelen geopenbaarde is datgene, waarin alles kenbaar wordt. Vandaar dat het “licht” wordt genoemd. Het heet Goddelijk Licht, omdat alle eigenschappen van het Goddelijke mede hierin tot uiting zullen moeten komen. De mens, die het totaal der tegenstellingen in de schepping zou kunnen beseffen, zou tevens in staat moeten zijn het ware wezen Gods voor zichzelf vast te stellen. Ik neem aan, dat ik tot zover duidelijk ben.

Wanneer wij nu spreken over sferen, dan bedoelen wij daarmede verschillende vlakken van leven of bewustzijn. En op aarde definieert men sfeer dan meestal nader door eraan toe te voegen: “op onstoffelijke wijze.” Daar is natuurlijk veel voor te zeggen. Maar laten we ons nu eens afvragen of wij als delen van de schepping inderdaad slechts op één niveau of vlak of in één wereld gelijktijdig kunnen bestaan. Ik wil geen beroep doen op het oude geloof, waarin God de mens naar Zijn beeld en gelijkenis schept. Maar wél moet ik mij beroepen op een andere geloofsinhoud of -vorm, die deel is van de occulte wetenschap n.l. dat de mens niet slechts één voertuig, maar een grote reeks verschillende voertuigen bezit. Wanneer dit het geval is, dan zal elk voertuig tot een bepaalde wereld behoren, n.l. tot een bepaald bewustzijnsvlak. Zolang dit vlak – ongeacht het bewustzijn van de mens – bestaat, moet die mens in zekere zin deel zijn van een dergelijke wereld of sfeer, want hij bezit iets, dat daarmee volledig overeenstemt. Wij kunnen nu zeggen dat er sprake is van een zekere isolatie  zolang men in de stof leeft. Dit neemt echter niet weg, dat de verwantschap er is.

Hier heeft u dan de grondgedachte, waaruit wij het licht der sferen kunnen benaderen.

Allereerst een eenvoudig voorbeeld: Wanneer wij aannemen dat het normale lichtspectrum van infrarood loopt tot ultraviolet, dan zal een verschil in gevoeligheid bepalen hoe groot het deel van deze totale kleurscala is, dat wij kunnen waarnemen: Aannemende dat iemand leeft in het gebied der langere golven en zijn waarnemingsvermogen daarvoor geschikt is, dan kunnen wij rustig aannemen dat hij warmte-uitstralingen ervaart, ook wanneer er geen sprake is van een gloed van hoge intensiteit. Er wordt dan iets waargenomen, wat een normaal mens niet ziet: soms zelfs een soort aura-vormige uitstraling van het menselijk lichaam. Aan de andere kant kan iemand een gebied van kortere golven dan de normale het eigene noemen. In dat geval ziet die mens ultraviolette stralingen, die door het menselijk oog niet worden waargenomen en alles wat daarop reageert of wat ze voortbrengen. Binnen de scala van kenbare lichttrillingen is reeds een grote reeks waarnemingsvermogens te vinden. Daarbij blijft de mens mens.

Wanneer wij in de sferen te maken hebben met het goddelijk Licht, zullen wij natuurlijk wit licht moeten zien. Dat wil zeggen: alle tegenstellingen en de daardoor ontstane spanningen zijn er in opgenomen. Gewoonlijk laat ons bewustzijn dit niet toe. En geestelijk gezien is bewustzijn zo ongeveer gelijk aan vermogen en waarnemingsvermogen. Het gevolg is dat naarmate men meer bewust is, men een groter deel van de in de kosmos bestaande tegenstellingen zal kunnen bevatten. Een groter deel van de schepping is dus waarneembaar.

Indien nu een zuiver wit licht niet waarneembaar wordt – wit, dat is wat wij wegens de intensiteit haast verblindend fel noemen – dan kunnen wij misschien toch wél b.v. een blauw – wit licht zien. Hierin blijkt één factor sterker tot ons te spreken dan alle andere, ofschoon een waarneming van alle factoren nog steeds aanwezig is. Wij zullen in dit geval in een behoorlijk hoge sfeer zijn. Ook bet waarnemen van gouden licht komt zo dicht bij wit – met een overheersing van meestal twee of drie andere tinten – dat ook hier moet worden gesproken van een zeer hoge sfeer. Indien wij echter alleen een grauwachtig of grijs licht waarnemen, waarbij dus de intensiteit van het waargenomene zeer gering is, terwijl er bovendien bijna geen kleurverschillen zijn, moeten wij ons in een zeer lage wereld bevinden.

Grijs licht impliceert b.v. dit:

  1. Onvoldoende gevoeligheid. De intensiteit van het goddelijk Licht blijft gelijk, maar binnen deze sfeer wordt het slechts zeer ten dele gerealiseerd.
  2. Er is klaarblijkelijk niet voldoende bewustzijn om andere verschillen dan die van intensiteit vast te stellen. Alleen de weerkaatsing heeft hier dus iets te maken met de erkenning, méér niet. Hoe meer het persoonlijk bewustzijn afneemt t.o.v. het totaal Goddelijke, hoe duisterder de sfeer is. De juiste omschrijving hiervan moet echter luiden: hoe minder van het totale licht dat aanwezig is door het in die sfeer aanwezige wezen kan worden opgemerkt en gebruikt. Een standaardindeling van al deze sferen en hun licht is dus wel zeer moeilijk, want het bewustzijn kan in zeer korte tijd veranderen. Het ene ogenblik tijdelijk boven zijn eigen gemiddelde uit komen, dus een over prestatie leveren: een ander ogenblik echter beneden het normale dalen.

Er zou dan van een voortdurende wisseling van sfeer sprake moeten zijn. Daarom kunnen wij de sfeer nooit bepalen of vast stellen aan de hand van een in de persoon bestaande en toch objectieve waardering. Elke indeling van sferen is dan ook subjectief. Die subjectiviteit komt het sterkst tot uiting in de omschrijving, die wij veelal van een sfeer te horen krijgen. Men zegt immers dat een sfeer een wereld is, waarin gelijk bewusten elkaar ontmoeten. Er is dus geen sprake van, dat er hier een aparte wereld behoeft te zijn. De bepalende factor is het onderlinge contact en begrip van verscheidene entiteiten. In deze zin mag dus gezegd worden dat een sfeer inhoudt: een wederzijds contact en begrip tussen verscheidene entiteiten, terwijl het licht van die sfeer is de wijze, waarop zij gemeenschappelijk op het totaal der kosmische spanningen, die aanwezig zijn reageren.

Mag ik aannemen, vrienden, dat ik tot zover duidelijk genoeg ben geweest? (Ik dank u – al is er alleen een votum van vertrouwen dat de rest duidelijker zal zijn.)

Nu komen wij met het licht der sferen – althans uit een stoffelijk standpunt – binnen het rijk van de romantiek. Wij zien een soort eeuwige Graalburcht, omringd door aura’s van verschillende kleuren, waarin engelen op en af gaan en waarbinnen het wonderdoend bokaal wacht op hem, die het uit de bloedban zal bevrijden en daardoor zal maken tot een verlossing van de wereld.

“De sferen en hun licht werken op aarde,” zo zegt men. En men spreekt over de bundeling van geel licht, blauw licht, groen licht, over het heldere rood en de fouten, die in het troebele rood schuilen. Kortom, men werkt met deze kleuren, alsof zij inderdaad producten waren van de wereld. En in zekere zin is dit toch wel aanvaardbaar. Het is n.l. in zover aanvaardbaar dat een kleur, op aarde waargenomen, het contact betekent tussen de wereld en een bepaald bewustzijnsniveau.

Op dat niveau is de overheersende belangstelling en waarneming gericht op een bepaald deel  van de in God levende spanning. En daardoor komt men tot de vaststelling van de kleur. Dat  die kleuren natuurlijk niet werkelijk zo bestaan, en dus niet te vergelijken zijn met aardse  kleuren, zal duidelijk zijn. Men kan eerder zeggen dat de prikkeling, de impuls, die de  hersenen uit een dergelijke wereld krijgen, een associatie met op aarde bestaande kleuren oproept.

Nu is het bewustzijn over het algemeen in de geest ononderbroken en binnen een bepaalde sfeer treden geen hiaten op. Al hetgeen in die sfeer aanwezig is, wordt gekend. Slechts de  intensiteit, waarmee het gekend wordt, kan verschillen. Dit impliceert dat binnen de kleur of straling, welke voor een sfeer bepalend is, alle kleine factoren en definities inderdaad kenbaar worden. Aardig is het b.v. op te merken, dat alleen al in de kleursoort blauw in één sfeer – bij benadering, dus niet als vaststaand getal – ca. 20.000 varianten van kleur te onderscheiden zijn voor degenen, die daar leven. U kunt zich voorstellen, dat een dergelijke sfeer een buitengewone kleurenrijkdom heeft. Wanneer u dus ooit iemand hoort spreken over “de wondermooie bloemen van Zomerland”, dan weet u nu waar het om gaat. Als u scherper kleuren zou kunnen onderscheiden, zou u misschien op aarde een gelijksoortige schoonheid kunnen vinden. De verscherping van het waarnemingsvermogen verhoogt dus de glorie van het schouwspel.

De wijze waarop wij in al die sferen dus aan een bepaalde – of beter gezegd – overheersende factor uit het Goddelijke gebonden zijn, maakt het voor de wereld echter ook mogelijk voor bepaalde werkingen op die sfeer een beroep te doen. Het licht der sferen is niet alleen een uitdrukking van een bestaande bewustzijnstoestand maar ook van een mogelijkheid tot het gebruik van krachten. Om u dit duidelijk te maken zal ik weer een voorbeeld geven:

Zeg dat wij drie werelden naast elkaar hebben. In de ene wereld wordt betaald met papiergeld: in de tweede met zilvergeld: in de derde met goudgeld. Nu is de valuta van die werelden geheel verschillend. Maar ik kan soms wel in wereld

A. iets kopen, dat in wereld.

B. waardevol is. Er is geen mogelijkheid om de valuta tegen elkaar te wisselen maar wel om ze door middel van iets vaststaand, dat in beide werelden gelijk aanvaardbaar is, in elkaar om te zetten. Zoals het misschien in de tijd dat de valuta’s wat minder inwisselbaar waren, mogelijk was een horloge in Zwitserland voor Zwitsers geld te kopen en in Nederlands geld te verkopen, waardoor het dus – zij het dan door smokkelen – toch mogelijk was een valutatransfer te bewerkstelligen en soms zelfs op zeer winstgevende wijze.

Op deze manier nu zijn die krachten der sferen onderling inwisselbaar. Maar ik kan nooit zeggen: “Ik heb hier iets, dat betaald moet worden met zilvergeld en ik kom met wat papiergeld.” Er bestaat een te groot verschil. Evenmin als u met uw eigen krachten iets kunt doen wat elektriciteit vergt, b.v. een radiotoestel laten spelen. Er bestaat echter één enkele uitzondering. Maar zover brengt u het niet. Deze is n.l. wanneer gij uw wil zozeer kunt concentreren dat u de elektronenstroom, vooral die van de vrije elektronen tussen de kleinste delen zelf kunt richten. In dat geval zou u door uw wilskracht ook uw radio kunnen laten spelen. Ik neem niet aan dat iemand op deze wijze het G.E.B. concurrentie aan zou willen doen, want het is zeer vermoeiend en weinig economisch. In het algemeen gaat dat dus niet.

Ik kan op een gegeven ogenblik behoefte hebben aan stuwkracht. Heb ik die stuwkracht, dan heb ik niets aan een rem. Heb ik een rem nodig, dan heb ik alleen iets aan stuwkracht, wanneer ze omkeerbaar is en dan alleen tot op zekere hoogte. Houdt u dat dus goed in het oog. Dan kan ik u dus nu iets vertellen over de wijze, waarop het licht der sferen actief kan zijn op uw eigen wereld.

Wanneer u denkt en uw denken is selectief, d.w.z. dat het zich op een zeker deel van uw bewustzijn richt, dan is de mogelijkheid zeer groot dat er een wereld bestaat, waarin een gelijke – ik zou zeggen – overheersende gedachte-inhoud is, waardoor dus het leven wordt beheerst door hetzelfde wat in u bestaat. U heeft in uzelf voertuigen: die voertuigen ondergaan – zij het van een stoffelijk standpunt uit – op zijn minst de reactie van elk sterk denken en elke sterke emotie. Er wordt dus door uw eigen voertuig een contact tot stand gebracht met die sfeer. De krachten van die sfeer zijn gelijk gericht aan uw denken en kunnen dus niet alleen dit denken bevorderen, maar ook alle handelingen verrichten, die uit dit denken zouden voortkomen. Voor een helderziende zou dit kenbaar zijn als een kleurenspel, een lichtbundeling, die neerdaalt.

Ik kan echter ook op een andere wijze te werk gaan. In het genoemde geval hebben de hersens gediend als een soort filter, waardoor uit het totaal Goddelijke één bepaalde kracht werd afgezonderd in overeenstemming met een bewustzijnswereld, waardoor verhoging van intentie en impuls verkregen kon worden. Ik kan echter ook een voorwerp nemen, dat zelf een kracht uitoefent. Magneetsteen trekt ijzer aan. Maar er zijn ook bepaalde stoffen, die licht aantrekken. Andere stoffen, die magnetische trillingen in zich absorberen. Er bestaat zelfs een zekere spoel, die gebruikt kan worden om vocht aan te trekken. Zoals er ook chemische stoffen zijn, die dezelfde eigenschap bezitten. Wanneer ik een voorwerp heb, dat op enigerlei wijze in overeenstemming wordt gebracht met het bewustzijnselement van een bepaalde sfeer, zal tussen dat voorwerpen die sfeer een contact zijn gevestigd. Dit contact betekent dat het voorwerp mede onderworpen is aan de kracht, welke van die sfeer uitgaat. Het zal in zijn uitstraling naast de eigen uitstraling, die elk voorwerp heeft, dus ook de kleur van de sfeer vertonen. Het zal bij nadering van of aanraking door een ieder, die daarvoor vatbaar is, de impulsen van die sfeer overdragen.

U ziet, ons licht der sferen draagt vele en ongetwijfeld grote mogelijkheden in zich. Iets anders wordt het echter, wanneer wij – uit de stof of uit een lagere sfeer opstijgende – in contact komen met een z.g. hogere sfeer. Wij menen misschien, dat wij dan het ware licht van die sfeer ook inderdaad zien en ondergaan. Dit is echter afhankelijk van dat deel van ons wezen, dat bewust is. Slechts het voertuig, dat afgestemd is op die sfeer of anders gezegd: dat deel van ons bewustzijn dat in die sfeer thuishoort, kan daar een beïnvloeding ervaren, die zuiver is.

Wanneer een mens echter uittreedt, zal hij misschien zijn astraal lichaam achterlaten. Maar hij zal meestal zijn mentaal voertuig meenemen. Dat “mentaal” is een uitdrukking voor een gebied, waarin men dan dus werkzaam is, n.l. waar de grootste activiteit is. Dit betekent dat vele hogere werelden slechts geïnterpreteerd kunnen worden. De tinting van het licht, de inhoud welke waargenomen wordt is afhankelijk van eigen voertuig, van eigen bewustzijn. U zult dus over het algemeen de sferen en het voor hen belangrijke deel van het goddelijk Licht niet onvertekend zien maar als een kind, dat door gekleurd glas kijkt naar verschillende, op zichzelf reeds kleurig belichte taferelen.

Dit betekent een wegvallen van details, in andere gevallen een verscherping van tegenstellingen. Het betekent in ieder geval echter, dat de waarde die wordt gezien niet direct aldus aanwezig is. Voor de mens op de wereld is elk bereiken van een hogere sfeer een dankbare uitbreiding van zijn ervaring, maar het kan nooit een verlossing of een absolute bewustwording zijn. Hij blijft gebonden aan het eigen bewustzijn, zoals dit kenbaar is binnen het voertuig, waarmee hij een sfeer benadert. Iemand, die dit uit de stof doet, zal dus nooit in staat zijn zelfs van de laagste sferen een werkelijk beeld te verkrijgen.

En daarmee heb ik het eerste deel van mijn inleiding wel naar ik meen tot een goed einde gebracht. Spreken over het licht der sferen van een stoffelijk standpunt of een pseudo-technisch standpunt is natuurlijk heel aardig, maar we moeten het ook nog even doen van een occult-esoterisch standpunt. En dan zou ik het zo voor willen stellen:

De tegenstellingen, die in God bestaan, zijn te groeperen. Ze zijn te beschouwen als grote gebieden, die elkaar wederkerig beïnvloeden en waarbij verschillende waarden toch op elkaar een zekere aantrekking of afstoting uitoefenen, zoals we bij een aantal stoffen zien, die chemisch op elkaar reageren, terwijl andere stoffen neutraal zijn. Wij zullen nu deze grote groepen voor de aardigheid noemen: Groot Geesten of zo u wilt Aartsengelen. Deze Groot Geesten omvatten dus elk voor zich een reeks van kleuren en een zeer nauwkeurig omschreven deel van het goddelijk Licht. Er is een bewustzijn. Wie zich binnen dat bewustzijn beweegt, meent dat zijn hele wereld bestaat uit de kleuren, die daarin optreden. Gezien het feit, dat hier wel degelijk van een reeks elkaar aanvullende kleuren sprake is, zal de algehele vertekening niet zo snel worden opgemerkt. Het zou dus mogelijk zijn om ons voor te stellen, dat er verschillende reeksen van sferen bestaan beheerst door verschillende Groot Kosmische Persoonlijkheden. Die reeksen van sferen kennen alle hun verschil van licht en van kracht en toch zijn zij als geheel genomen niet een perfecte omschrijving van de goddelijke Openbaring.

Iemand, die bewust is geworden binnen één zo’n grote Persoonlijkheid of Aartsengel, heeft inderdaad veel bereikt wat voor een ander nog onbegrijpelijk is en onverstaanbaar. Maar hij is niet in staat God te bevatten. Hij moet dus met dit bewustzijn verder werkzaam zijn. En nu zult u ook kunnen begrijpen, dat wanneer wij van die grote tegengestelde waarden hebben, wij – van het nulpunt, waarin zij elkaar opheffen – verder kunnen gaan. Het werkelijke licht der sferen is het meest kenbaar daar, waar de tegenstellingen zijn opgeheven. Dit komt zeer dicht bij het Nirwana van de Boeddhisten.

De uitbreiding kan nooit geschieden in absolute tegenstellingen. Ons eigen bewustzijn maakt het ons niet mogelijk de tegenstellingen als gelijkwaardig aan te nemen, ofschoon we ze in het nulpunt gelijkelijk kunnen beleven als onbetekenend. Elk wezen – of het nu geest is of mens – heeft een zeker vooroordeel tegen bepaalde delen van de schepping. En dit vooroordeel komt tot uiting in de wijze, waarop hij zijn eigen wereld kent maar ook in de wijze, waarop hij van zijn wereld uit zoekt naar een verdere bewustwording.

Aangenomen dat mijn bewustzijn een bepaald deel van de kosmos verwerpt, maar dat ik door mijn eigen streven daarmee toch in contact kom, dan zal het op mij niet de uitwerking hebben van een gekleurd licht maar verblindend zijn: het heft n.l. al mijn eigen waarden op. Een voorbeeld daarvan is: Saulus op de weg naar Tarsis, die getroffen door de absolute tegenstelling van zijn oorspronkelijk streven, wordt verblind door een gloeiend wit licht. Dit kan ons in de sferen ook overkomen. Wij ondergaan dan op onze weg van Groot Geest tot Groot Geest een voortdurende verandering van persoonlijkheid. Deze omkering impliceert dat wij van A overgaan naar B, en A, verwerpen. Deze verwerping wekt in ons dezelfde spanningen, die in God bestaan. Want naarmate wij meer tegendelen hebben leren kennen en leren ervaren, zullen in ons meer sferen – of beter gezegd niveaus – van erkenning en bewustzijn ontstaan. Gelijktijdig zal de hoeveelheid tegengestelde waarden in ons een licht scheppen, dat – zij het veel zwakker – identiek is aan het goddelijk Licht.

Nu zullen wij nooit een beroep kunnen doen op een Groot Geest of Aartsengel, die niet behoort tot onze eigen wereld. Doen wij dit tocht dan gaat dit ten koste van een groot risico en het totaal verlaten van onze wereld. Wij zullen dus altijd een beroep moeten doen op die Groot Geest, die voor ons deel van de schepping en voor de ontwikkeling der sferen, waarbinnen wij ons bewegen, als heerser kan worden beschouwd. Voor de aarde is dit dus een bepaalde Persoonlijkheid, die in zich een negental sferen bevat. Het getal negen is betrekkelijk willekeurig, want ook hier kan men enerzijds tot in het oneindige verder blijven verdelen, anderzijds tot een nog grovere indeling komen van zelfs slechts drie sferen. Ik zou ze n.l. kunnen onderverdelen in: duister-geestelijke: stoffelijke en licht-geestelijke sferen. Dan zijn we ook klaar.

Ik neem nu echter deze negen aan, omdat ze de trapsgewijze ontwikkeling binnen de hoofdpersoonlijkheid van uw heelal (sferen plus wereld) aardig weergeven. Dan zal elk dier sferen een zuiver kenbare variant zijn van de hoofdkleur die voor de Persoonlijkheid geldt. Ik neem maar weer als voorbeeld blauw dan zullen de kleuren der sferen binnen die Persoonlijkheid in feite variëren t.o.v. het kosmisch licht van zilverwit tot diepviolet.

Wij kennen in de stof en in de geest echter een onderscheid dat gebaseerd is op de Bron van licht. Uw licht hier op aarde en de uitstraling van uw zon bepalen mede de wijze, waarop u kleuren ziet. Het betekent dus dat een andere zon een totale verandering van het aardse kleurenschema zou kunnen betekenen. Niet slechts een intensifiëring van kleuren maar een totale verandering.

U leeft echter in een wereld, die voor u normaal alle kleuren inhoudt. Zo gaat het ons ook in de sferen. Wij beoordelen dan de stijging van sfeer tot sfeer door het lichter of beter gezegd helderder worden van de kleuren. Hoe meer n.l. wit licht behouden is in de impuls, die de weerkaatsing wekt uit het beschouwde onderwerp, hoe helderder en zuiverder de kleur zal worden. U kunt deze proef misschien hier op aarde gemakkelijk doen, wanneer u de beschikking heeft over een stukje z.g. donkerblauw materiaal. Verhoogt u de belichting daarvan (u kunt het met lappen ook doen), dan zal naarmate het licht feller wordt, het blauw lichter en helderder worden. Wanneer wij er een voldoende sterk licht op zetten, krijgen wij uit het schijnbaar donkerblauw zelfs een helder blauw, meestal kobaltblauw (afhangende van de verwerkte stof) dat ons iets doet denken aan een zomerhemel: een dag dat je kijkt tot achter de atmosfeer.

Op deze manier onderkennen wij dus de sferen binnen de grote Persoonlijkheid in feite aan de intensiteit. Een poging om nu op rationele wijze kleuren te gaan toewijzen is wel zeer moeilijk.

Wij kunnen dit al merken wanneer wij zien hoe de kleuren een emotioneel quotiënt hebben, dat voor verschillende volkeren aanmerkelijk verschillend is. Zwart is voor u een rouwkleur, maar haar tegenstelling wit is elders een rouwkleur. Rood is voor de één een kleur van vreugde, voor de ander een kleur van ondergang en dood. Daarom is de wijze, waarop wij emotioneel tegenover een wereld staan mede bepalend voor de waarde, die we erin vinden.

Alle sferen gezamenlijk echter – en dit kan niet nadrukkelijk genoeg worden gezegd – geven wit, datgene wat voor ons wit is, zelfs ook wanneer het alleen de kleur is van één Persoonlijkheid in een groter bestel.

Om te kunnen komen tot een werkelijke waardering van de inhoud der sferen, zullen alle gelijkelijk moeten worden gekend en uit het totaal der daarin bestaande tegenstellingen een oordeel moeten worden gegeven over elk object, dat wordt beschouwd.

Ik begrijp heel goed dat velen onder u gaarne zouden willen vragen: “Maar wat betekent deze of gene kleur dan?” Uit het voorgaande heeft u kunnen vernemen, dat daar geen uitsluitsel over te geven is, behalve als een zeer persoonlijke en subjectieve zienswijze. Ik wil uw vragen, zo u ze daarover stelt, graag beantwoorden, maar zal dit dan doen uit het gemiddeld bewustzijn van de mensheid, niet dus op dat van mijn eigen sfeer en niet op dat van een absolute kleurwaardering, Deze is – zo ver ik weet – niet mogelijk.

Vragen

  • Wij zien kleuren met behulp van onze zintuigen. Dit schijnt niet afhankelijk van meer of minder bewustzijn. Een blinde ziet – ondanks een misschien groot bewustzijn – geen kleuren. Hoe ziet nu de geest kleuren? Heeft zij ook zintuigen?

Ja. U zegt natuurlijk: Wij zien kleuren onafhankelijk van bewustzijn, maar dat is niet helemaal waar. In de eerste plaats mag worden opgemerkt, dat de gevoeligheid van de optische zenuw en verder ook de reactie van het kleur- en gezichtsimpuls herinneringscentrum bepalend zijn voor de wijze, waarop u kleuren ziet. Anders gezegd: er kan een zintuiglijke kleurenblindheid zijn, die afhankelijk is van defecten aan het oog, zoals bij de genoemde blinde maar ook in gevallen van kleurenblindheid e.d. Daarnaast bestaat een psychische blindheid voor kleur, waarbij de kleur weliswaar wordt waargenomen maar niet gewaardeerd, tenzij zij een onmiddellijke associatie vormt met bestaande gevaren of bestaande begeerten. Deze blindheid komt meer voor dan u zou denken. In de eerste plaats is het dus zeer aannemelijk te maken, dat de kleuronderscheiding en de wijze waarop de kleur wordt onderscheiden wel degelijk enigszins met het bewustzijn samenhangen zelfs voor de mens. Belangrijk is hierbij dat het bewustzijn de kleuren scheidt en deze naar gelang van de belangrijkheid, die zij bezitten voor het gehele wezen (bewustzijn plus lichamelijke impuls), verscherpt, waarneemt of eenvoudig  terugdringt. Ik wil hier wel een voorbeeld van geven. Hoevelen onder u zijn er, die wel eens hebben gemerkt hoezeer kleuren overdag kunnen veranderen in verband met de belichting door de zon? Wanneer u de reflex van een ruit ziet in de morgenuren, in de middaguren of in de avonduren, dan is deze wat kleureninhoud betreft vaak geheel verschillend. Soms kan zelfs reeds een uur een aanmerkelijk verschil in kleur betekenen, alleen degenen, die hiermee op een of andere wijze te maken hebben b.v. schilders – en dan bij voorkeur nog de meer naturalistische – Zien dat de meesten zien het wel, maar bemerken het niet. Wat betreft de waarneming van kleur door de geest, zou ik allereerst willen opmerken, dat de vergelijking met zintuigen in zoverre opgaat, dat een bepaald deel van ons wezen gevoelig is voor trillingen maar niet alle delen evenveel. Zodat, inderdaad gezegd zou kunnen worden, dat de gevoeligste delen van de geest, afgezien daarvan of deze vorm kent of niet, identiek zijn met stoffelijke zintuigen. Opvallend is dat ook voor de geest de verschillende stralingen en trillingen uiteen vallen in een aantal gebieden, die afzonderlijk associaties wekken en via verschillende gevoeligheidsvlekken worden waargenomen. Dus dit wat betreft de zintuiglijkheid van het geestelijk waarnemen. Maar er is een groot verschil tussen de kleurwaarneming van de geest en een stoffelijke waarneming. Evenmin als een vergelijk kan worden getroffen tussen het zien van de geest en het zien van de stofmens. Lichamelijk zien is afhankelijk van weerkaatste impulsen van licht. Het geestelijk zien is afhankelijk van weerkaatste impulsen, die een bewustzijnsinhoud hebben. Dat wil zeggen dat het voor een geest moeilijk, zo niet onmogelijk is een dood voorwerp te zien, waarin geen enkele gedachte-associatie ooit is gelegd.

Het onderscheiden van verschillende kleuren kan misschien het best worden vergeleken met de wisseling van beelden, die u in een droom ziet. Het is de associatie, die bepaalde stellingen en tegenstellingen doet waarnemen en de reactie daarop is te vergelijken met een kleurwaarneming, zodat de tegenstellingen, die rond ons bestaan, het beeld bepalen van onze wereld. De associaties in ons geven uitdrukking aan de kleur en aan datgene, wat ons de kleur toezendt, ofschoon deze uitdrukking subjectief is en afhankelijk van ons eigen wezen.

  • Is het mogelijk, dat een mens op aarde de kleur de uitstraling kan zien van iedere  willekeurige mens?

Als dat “van iedere willekeurige” er niet bij stond, zou ik gaarne “ja” geantwoord hebben. In dit geval moet ik weer een voorbehoud maken. Iedere helderziende mens kan de uitstraling en aura waarnemen van diegenen, die lager staan of op gelijk vlak met hem- of haarzelf. Zodra de persoon zelve zich geestelijk op hoger vlak beweegt, zal een dergelijke vaststelling niet of niet meer volledig mogelijk zijn. Het resultaat is dus dat het bewustzijn van de waarnemer hier bepaalt wat waargenomen kan worden. Dit sluit “iedere” zowel als “willekeurige” uit. Er is sprake van een zekere selectie. Hoe bewuster de waarnemer hoe groter het aantal aura’s dat hij volledig kan zien en beoordelen. Maar slechts de allerhoogsten, de grote gezondenen zoals b.v. Jezus en de Gautama Boeddha, zijn in staat om praktisch alles te zien, praktisch: theoretisch, misschien nog niet eens.

  • Mag ik nog een vraag over dat licht stellen: Is aards licht op zichzelf waarneembaar? Of is dat alleen maar voor ons waarneembaar door weerkaatsing of door de bron te zien?

Licht is voor ons slechts waarneembaar in stoffelijke zin (u spreekt voor “ons” in stoffelijke zin, naar ik aanneem) door weerkaatsing ofwel door een direct contact met de lichtbron. De trilling, die optreedt, is van een zo hoge frequentie, dat slechts in het geval dat zij zich aan een vertragende massa meedeelt, zij als reflex een beperkte harmonische trilling uitzendt, die voor het oog waarneembaar wordt. Een groot gedeelte van het licht is dus niet zichtbaar. Zou het licht echter genoeg geconcentreerd zijn, dan wordt het wel zichtbaar, ook in een ledig. De concentratie, welke dan optreedt is echter zo hoog, dat zij in de praktijk niet voorkomt. Wanneer u het totaal van de zonnestraling zou kunnen concentreren in een bundel met een doorsnee van ongeveer 1 cm., dan zou dit licht als een staaf zichtbaar zijn en zou in plakjes te snijden zijn. Maar het zou moeilijk zijn om zo’n plakje houdbaar te maken, omdat als het bevrijd wordt van de bundelende en stuwende kracht van de zon, onmiddellijk uiteen zou vallen, dus a.h.w. tot onzichtbaarheid vervluchtigen. Daarbij zou het echter vale reflexen in de omgeving wekken, zodat u een korte, maar hevige reeks van lichtverschijnselen zou waarnemen. Maar dit is alleen theorie en heeft praktisch weinig betekenis.

  • Zie je bij het aanschouwen van een ster de bron of iets anders?

De bron.

  • Dus je ziet de ster werkelijk. Haar licht is zo sterk dat je de bron ziet.

Ja, je ziet dus bij een ster de lichtbron en de werking van het licht vermindert met het vliedend element tussen uw eigen planeet en deze ster of versterkt met het naderend element. Dit betekent dus een verschuiving in de waarneembare lichtfrequenties en kan dus een violet te of een rode vertekening meebrengen. Op deze wijze is het dus mogelijk om een vlieden of elkaar benaderen van sterren vast te stellen, mits men zich op één ervan bevindt. Een sterke vermindering of toename van energie binnen een ster, zou echter dezelfde vertekening medebrengen, omdat daardoor de stuwing wordt verminderd of versterkt in het licht en dus de illusie van beweging alleen door vermindering of vermeerdering van de lichtsterkte eveneens ontstaat.

  • Maar er zijn toch op aarde ook andere lichtbronnen dan de zon?

Ja, natuurlijk.

  • Als de moleculen of de atomen uiteen vallen bijvoorbeeld.

Dan geeft ook dat licht. En via kunnen het zelfs nog veel sterker zeggen: Wanneer via de beweeglijkheid van de moleculen verhogen, zal het aantal vrije elektronen en kleinere delen daarin een zo grote beweeglijkheid krijgen, dat ze tot ontbinding overgaan en daardoor een straling veroorzaken, die een trillings-reflex heeft binnen de materie, bijgevolg licht. Daarom kunt u op het ogenblik zien, wat er hier gebeurt.

  • De Aartsengelen beheersen ieder een eigen gebied en men kan zich slechts in één gebied tegelijk bevinden en daarop een beroep doen, heb ik begrepen. Maar in de Katholieke kerk richt men zich regelmatig tot verschillende Aartsengelen. Heeft dit dan wel zin?

Er is een groot verschil tussen wat ik hier Aartsengel heb genoemd in mijn betoog en de voorstelling van de Aartsengel, die men heeft in de R.K. kerk. Vandaar ook dat de negers zingen: Gabriël toots his horn. Met andere woorden Gabriël is weer aan het “swingen”. Ja, u lacht erom, maar die vertaling is inderdaad redelijk volgens de tekst. Dat wil zeggen dat binnen de kerkelijke Godsvoorstelling een uitvoerende functie is toegedacht aan een aantal delen van dat Goddelijke, die elk afzonderlijk verpersoonlijkt zijn. De Godsvoorstelling is echter beperkt. De Aartsengelen, die men vereert zijn dus in feite niet personen zonder meer maar werkingen. Michaël is het zwaard. Gabriël is, zoals reeds gezegd, de bazuin. Samuël b.v. is de dood en zo kunnen we verdergaan. Al deze engelen zijn in feite functies van het Goddelijke, die een aparte persoonlijkheid hebben verkregen. Er is dus sprake van een aanpassing aan een Pantheon, waarbij de lagere goden nu Aartsengelen heten. We vinden in het verleden ook. Of het weinig of veel zin hoeft zich daartoe te richten, lijkt mij dan ook sterk afhankelijk van de wijze, waarop men het doet. Iemand, die zich intens concentreert op een bepaald onderwerp, zal daarin resultaten kunnen behalen. Iemand, die intens bidt tot een Aartsengel met een vaste voorstelling van diens werking, beperkt zijn eigen wezen dus tot een ontvankelijkheid het gebied, waarin die werkingen kunnen voorkomen en is gelijktijdig met zijn wilskracht op ditzelfde gebied werkzaam, zodat hij in zekere mate de daar voorkomende kracht kan richten.

Op deze wijze is het bidden tot heiligen, Aartsengelen e.d. op zichzelf wel aannemelijk, mits de concentratie waarmee het gebeurt en de voorstellingen, die omtrent de heilige of Aartsengel bestaan, voldoende juist.

  • Wat is de betekenis van het zien van kleuren in een droom?

Ja, dat is wel erg moeilijk te zeggen. Wanneer u in de droom alléén kleuren ziet, dan kunnen dit vaak associaties zijn. U weet, u heeft die normaal ook. Rood b.v. associeert u meestal met warmte: blauw met koelte: groen met vochtig enz. Deze associaties blijven in u bestaan ook wanneer u droomt. Wanneer u dus zekere impulsen ervaart, die niet of slechts ten dele in voor u aanvaardbare stoffelijke beelden zijn om te zetten, dan zal heel vaak de kleur a.h.w. een omschrijving trachten te geven van de in u opgewekte emotie. Daarnaast is het natuurlijk mogelijk dat u b.v. uittreedt en daarvan niets anders onthoudt dan een – zij het geringe – indruk. Een indruk n.l. welke niet in stoffelijke beelden kan worden vastgelegd. Ze kan echter worden gekarakteriseerd of gesymboliseerd door een kleur en eventueel door in die kleur optredende gestalten, figuren en vooral ook lijnen. Het is dus wel heel moeilijk om hierop een definitief antwoord te geven. Ik wil er nog bijvoegen, dat kleuren door de doorsneemens eveneens geassocieerd worden met zijn emoties. Heeft u nooit rood gezien? Vanwege de woede, bedoel ik, niet vanwege de blos. En u zult ongetwijfeld wel eens in een “blue mood” geweest zijn, in een blauwe stemming. We vinden dat ook weer terug in de “blauwe maandag”, die vroeger nogal populair was, naar ik hoorde.

  • Antroposofie maakt veel gebruik van kleuren, o.a. bij behandeling van zieken.

Ja, logisch. Omdat de kleur een emotionele werking heeft op de mens. We associëren. Als u geel ziet, dan denkt u aan zonnig. En wanneer u wat meer oranje ziet, dan denkt u al heel gauw aan spiegeleieren, vooral als er wit bij zit. Wanneer ik u nu in een spiegeleierenzaal neerleg, dan bent u al gauw licht aangebrand. Dat is te onrustig. Wanneer ik u neerleg in een zaal, die zonnig is, dan zult u zich opgewekt voelen door de kleur. Geef ik u een zachtroze b.v., dan is dat rustig, haast kinderlijk, het brengt geborgenheid met zich. Gebruik ik teer-blauw, dan zal ik in vele gevallen de illusie wekken van een ster aan de hemel, een in zichzelf bezinken. Gebruik ik heldere, brekende kleurvlakken van b.v. rood of zwart, dan geef ik contrastwerkingen en stimuleer ik dus reacties en reflex. En op deze wijze is dus de kleur inderdaad hanteerbaar, ook in therapeutisch verband. Het is dus niet zo dwaas.

  • Is het juist, dat gevoelens speciaal in de astrale aura tot uiting komen?

Dat is niet helemaal juist, omdat de aura n.l. ook op redelijke gedachten, in het “ik” levende voorstellingen, reageert en dus niet alleen op de emotie. Ten aanzien van hogere geestelijke voertuigen kunnen we dat wél zeggen. Hoe hoger het voertuig hoe zuiverder de innerlijke emotie moet zijn om in dat voertuig een reactie te wekken.

  • Kunt u iets zeggen over de verschillende lichamen, die een mens bezit en het contact dat zij kunnen hebben met de diverse sferen?

Dat laatste is eraan geplakt om een antwoord op het eerste te krijgen. Maar ik zal het heel eenvoudig vertellen. Een mens heeft een praktisch oneindige reeks van voertuiglijke mogelijkheden. Daarvan zijn voor de meeste mensen gerealiseerd: een astraal, een z.g. psychisch, een mentaal, daarnaast echter ook het z.g. klank- en het z.g. lichtvoertuig. Het zijn vijf voertuigen, die in de gemiddelde mens actief kunnen zijn. De relatie tot de sferen is een  zeer normale. Indien u zich het wezen voorstelt als een liftkoker, het bewustzijn als een lift, dan kan daar waar de deur opengaat, een wereld worden betreden. In die werelden kan echter geen sprake zijn van bewuste activiteit, voordat het bewustzijn één is geworden met het voertuig, dat zich in die sfeer beweegt. Wanneer we echter beneden zijnde door de liftkoker naar boven schreeuwen, wordt het boven hoorbaar en zullen we dus een onwillekeurige reactie in die wereld krijgen. Op dezelfde manier zullen sterke impulsen op het laagste niveau tot aan het hoogste niveau reacties kunnen wekken. En u weet, wanneer je al te hard staat te roepen en je stoort iemand, dan kan er wel eens een emmer water naar beneden komen. Zo zou het dus mogelijk zijn, dat bij een te sterk rumoer in de stof uit een hoger geestelijk voertuig een dempende werking wordt uitgeoefend. Dit is dan niet een bewuste maar een onwillekeurige reactie.

  •  En waar moet ik het etherisch dubbel plaatsen in deze reeks?

Het z.g. etherisch dubbel is het z.g. psychisch voertuig en ligt dus over het algemeen iets boven het astraal voertuig, waarin het zich echter ook wel kan belichamen. Het staat iets boven het astrale.

  • In het boek van Lancelin ” L’âme humaine” waarin hij proeven beschrijft genomen met een sujet, wiens uittredingen hij dan controleerde, volgt op het stoffelijk lichaam eerst het etherisch dubbel, dan het astraal en vervolgens het mentaal lichaam: en dan pas later in een andere richting krijgt men de volgende voertuigen.

Verschil van classificatie. Maar het etherisch dubbel is de reproductie van de eigen persoonlijkheid volgens het voorstellingsvermogen, die zowel plaats kan vinden in de lagere geestelijke sferen als in het astraal. Zomerland is ook een sfeer houdend en vorm houdend deel van het bestaan. waarin zich een etherisch dubbel kan bewegen. Gezien dat deze sfeer boven het astraal gebied ligt, moet ik het astraal lichaam onder het etherisch dubbel stellen.

  • Is het waar dat de kleuren in de tekening van een kind overwegend emotioneel zijn?

De kleurstelling in de tekening van een kind is een weerkaatsing van zijn eigen voorkeuren en zijn eigen emotionele inhoud. Waar het kind over het algemeen veel feller reageert, veel feller denkt dan de volwassen mens, zal het kind dan ook over het algemeen meer z.g. hoofdkleuren en zeker minder pasteltinten kiezen. De felheid is dus in zekere zin de weerkaatsing van de psychische gesteldheid van het kind.

Het schone woord:  Het licht der sferen.

Uit het zwart tintelt het grijs te voorschijn en in het grijs dringen glanzen tot een regenboogschijn, als parelmoer plotseling je omgevend.

Licht der sferen. Je kent niet de betekenis en de inhoud ervan, maar feller en stralender worden de kleuren: een spel, caleidoscopisch snel voortgaand, kleur na kleur wisselend, totdat ze plotseling rijm en rede en gestalte krijgen. En dan zijn uit de vele kleuren langzaam maar zeker werelden geworden.

Soms zie je in een wereld het koele blauw als van een wetenschappelijk onderzoek: een staalgrijs, dat met een hemelsblauw tezamen gevloeid de inhoud en het werken van de kosmos schijnt te verklaren. Soms is er een rozige gloed als een zee, waaruit zo dadelijk schuimende een Venus zal ontstijgen: een wachten in ademloos overgaan tot feller en holler gloed. waaruit voor een ogenblik misschien de waarheid naar voren kan komen.

Er blijven kleuren en kleurenspel, en soms is het, alsof zich geluiden daarin mengen. Trillingen hoog en laag komen samen en ze bouwen wereld na wereld. En je gaat verder.

Langzaam versterft het parelmoeren geflonker, vormen verliezen hun gestalten en gedaanten en het lijkt of de kleuren zich huwen. Minder zijn de kleuren en feller in het licht. Stralend – nu eens geel, aan weer zilver – speelt het heen en weer, een schicht van witte bliksem in een gouden hemel.

En je vraagt je af: Is dit dan werkelijkheid?

Het doorademt je, het doordesemt je wezen. Het is alsof het goud als een vloeiend vuur in je doorklinkt. Het dringt door totdat het in je tintelt. En wanneer de felle, witte flits springt, is het of een vonk van bewustzijn in je.

Uit de schijnbare eentonigheid van kleur worden klanken geboren: en krachten, die geen klanken en geen krachten zijn, maar een besef. En in het besef zie je werelden zich vormen en ondergaan. Je ziet de tijd, geregeerd door een mens of een wezen – een God misschien – die haar verdeelt en speelt ermede, als een kind met een bal. En je vraagt je af: Is dit de schepping?

Het licht wordt ijler en ijler. Het goud is geworden tot een lichte vleug, een web, die een onbegrepen licht tezamen bindt. Het wit is geworden tot een kracht en een woord, een nachtwoord, een sleutel. Dat is wat klinkt in je en zingt in je, tot het lijkt, of je moet barsten: het licht der sferen.

En dan…..op een ogenblik heb je het begrepen in je, dan wéét je. En met dit weten zou je in willen gaan in dat gouden web. Je zou het zilveren licht willen vangen. Je spreekt de sleutel uit …. en het licht is gestorven. Geen sferen en geen licht, geen einder en geen bestaan ……..en toch een weten….. Dan begint het in je te gloeien als een zon, die ontstaat ergens in de kern van een nevel. Licht, dat goud en zilver is: een caleidoscoop, die naar buiten dringt. Je ziet rond je werelden en sferen ontstaan, je ziet het heelal geopenbaard. En je meent: het is werkelijkheid.

Maar dan, terwijl je denkt aan jezelf en aan het licht, dat in je woont, keert het tot je terug en je erkent het voor wat het is: een trilling van je eigen wezen, voor een ogenblik weerkaatst in je eigen denken. En dan pas, dan wordt de leegte vol. Maar het heeft geen vorm en geen kleur. Het is zelfs niet meer licht in de zin van licht. Het is alleen een sidderend weten, dat feller en feller wordt, tot je wezen zijn laatste grenzen verliest en opgaat in het grote kloppende hart van het Al.

Dan zie je: van hieruit breekt de reine kracht. En overal, waar een wetende die kracht ontvangt, wordt het ontleed en breekt het tot goud en zilver, tot kleuren, tot klagen, tot werelden van materie. En dan weet je: het licht der sferen is de taal God’s, die spreekt tot het leven.

Web, geweven uit web, geweven uit kracht, zijn voortgebracht uit onbegrepen zijn. Caleidoscoop van vormen, van normen – eenheid, onbegrepen en toch werkelijkheid. Krachten, die gaan en vervlieden en springen trillingen, die verklinken en zingen weer uit de oneindigheid: strijd en tegenstellingen, die tot eenheid dat is ‘t verhaal van kosmos’ scheppingswet.

En als de krachten ons beroeren zien wij een wereld, zien wij een sfeer. Wij kennen vormen en gedachten en uit het weten en de krachten tesaam schrijven wij in ‘t diepst van ‘t weten weer de naam, waaruit het Al ontsproten is en worden zelf tot kracht.

image_pdf