Het liegende cijfer

image_pdf

11 december 1964

Allereerst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van heden draagt de titel: Het liegende cijfer.

Misschien denken enkelen van jullie, dat het juister zou zijn om te spreken over “liegende getallen”. Maar dit is niet waar: Cijfer is afgeleid van het oude woord shifrat of shipfrat. Dit betekenis het ledige, het niet. Oorspronkelijk werd deze aanduiding dan ook alleen voor  de nul gebruikt. In de loop der tijden zijn op alle gebied de nullen steeds belangrijker geworden, zodat men het woord “cijfer” voor alle getallen is gaan gebruiken, behalve in Engeland, waar cipher nog steeds de nul aanduidt.

Nu zijn er aan het werken met cijfers wel enkele moeilijkheden verbonden: Men werkt ofwel met niet reële – of abstracte getalwaarden, maar kan dan ook geen beheerste reële resultaten verwachten; dan wel men handelt als de oude Grieken en zelfs de Pythagoreërs: Deze gaven aan het getal een concrete waarde op zich, maar voor hen gaf het getal altijd iets uit de concrete, waarneembare wereld aan. In de oudheid is hierop slechts een enkele uitzondering te vinden: een geheimtaal van de Babyloniërs en Egyptenaren, waaruit later de kabbala zal ontstaan.

Zoals u weet werkt de kabbala met letters, die elk een getalswaarde vertegenwoordigen. Doordat de klankwaarde van de letter mede kan worden uitgedrukt door een cijfer, kan men berekeningen maken, waarmede men de klankwaarde of wezenswaarde van het berekende kan omschrijven. Deze wijze van werken staat echter ver van de manier, waarop men in het heden de cijfers hanteert. Laat ons hiervan maar een voorbeeld nemen.

Het mee inkomen van de staat uit belastinggelden boven het geschatte, bedraagt in de laatste periode rond 1 miljard 860 miljoen. Nu kan geen mens zich voorstellen, wat een miljard ongeveer betekent. Daarom zullen wij een beeld moeten gebruiken; wanneer er een straat is, die ongeveer 1 miljoen breed is en wij willen de lengte van een miljard of één en een half miljard in verhouding tot de breedte weergeven, dan is het een normale straat, die reikt van Amsterdam tot voorbij Chicago! Lijkt u dit onvoorstelbaar? Dat maakt eens te meer duidelijk, hoezeer een toch regelmatig gehanteerd cijfer zich aan de voorstelling en het inzicht van een mens kunnen onttrekken. Hij kan de grote getallen eenvoudig niet meer beseffen en heeft geen overzicht meer. Nu kan men misschien op de wijze, waarop ik dit zo-even probeerde te doen, de waarde van dergelijke getallen weer in de meer kenbare, de meer begrijpelijke sfeer terug trachten te brengen.

Maar dan stuiten wij op een andere moeilijkheid: Het cijfer kan wel aantallen en gemiddelden weergeven, maar dit zijn lang nog niet alle ook werkelijke waarden. Vaak zijn de getallen dan eerst met recht misleidend. Wanneer wij het aantal studenten aan de Leidse universiteit nemen in 1964 en dit aantal vergelijken met het aantal ingeschreven studenten in het jaar 1654, zo blijkt ons, dat in dit laatste jaar meer studenten als zodanig in Leiden waren ingeschreven dan nu het geval is. Waaruit men dan de conclusie kan trekken, dat de belangrijkheid van Leiden als universiteitsstad is teruggelopen sinds de gouden eeuw. Met getallen kan ik dit, kloppend, bewijzen. Maar ik moet er dan toch wel iets bij vertellen. Vroeger kon men bij elke universiteit binnenlopen, zich in laten schrijven, het studentenleven meemaken zonder desnoods meer dan een of twee maal college te lopen, om lang voor het voleindigen van de studie, soms zelfs na enkele maanden, weer rustig weg te gaan.

Soms schreef men zich zelfs als student in, terwijl men maar enkele dagen in Leiden zelf vertoefde. In 1654 kwam dan ook de helft van het aantal studenten uit het buitenland en verbleef voor kortere tijd aldaar. Vaak liet men zich als student inschrijven, om zo de voorrechten te kunnen genieten, die studenten, nu eenmaal meer dan de gewone burgers werden toegekend. Maar in de getallen kan men dit niet uitdrukken, kan men dit er niet bij zeggen, zonder een voor de leek niet te overziene warwinkel van vergelijkende getallen op te stellen.

Dit tweede voorbeeld maakt wel duidelijk, dat het niet alleen het onoverzichtelijke van grote getallen, enz. is, dat de onmogelijkheid tot juist begrip schept, maar dat het getal ons bovendien door de wijze, waarop het ons gepresenteerd wordt, of zelfs door ons benaderd en berekend wordt, kan bedriegen waar wij zelf bij staan. Om de bestaande verwarring nog duidelijker weer te geven, wil ik hier ook eens even iets zeggen over geld. Een gulden is een gulden, zo zegt men wel eens. Maar wanneer wij de feitelijke waarde van die gulden eens nagaan, blijkt dat ook hier verschillen zijn: in 1924 was 30 gulden een hoog loon. Indien je nagaat, wat men daarvoor al zo kon kopen, komt men tot de conclusie, dat de huidige gulden in wezen maar ongeveer 20% waard is van die oude gulden. M.a.w. dat dit salaris overeenkomt met rond fl. 150.- per week in deze tijd. Degenen, die dit loon wel konden verdienen, waren o.m. de goede vakmensen. Toch zegt men tegen deze mensen wel eens: Vroeger kreeg iemand, zoals jij, maar 30 gulden en jij verdient er nu 120. Kijk eens, hoe je er op vooruit bent gegaan.

Maar is dat wel feitelijk waar? Hier klopt iets niet. Als je zo verder denkt, kom je tot de conclusie, dat in alle waarden, cijfers en vooral ook statistieken voor de enkeling een soort bedrog ligt.

U wilt weten waarom? Eenvoudig: De eenling is iemand, die leeft in persoonlijke omstandigheden, zodat geen enkele van de voor een hypothetische massa geldende normwaarden voor hem geheel doeltreffend zal zijn. Wij kunnen bv. zeggen, dat de gemiddelde leeftijd van de mens in Nederland tussen de 72 en 76 jaar zal liggen. Maar velen halen die leeftijd eenvoudig niet. Moet men nu stellen, dat zij dus tekort komen, terwijl degenen, die ouder worden, overschot zijn, mensen, waarop eenvoudig niet gerekend is en die in feite storen, doordat zij 90 of 100 jaren oud worden? Dit klinkt dwaas, maar als je werkt met getallen, is dit alles zo dwaas nog niet. De vergelijking is misschien wat dwaas, want niemand zal er over denken in de statistiek op deze wijze te redeneren. Maar ik zeg hiermede in feite: uw persoonlijk leven, de reële en concrete waarden van een persoonlijk leven, het bestaan van dingen als afzonderlijk, als stuk op zich dus, kan in de huidige getallen niet meer voldoende juist worden uitgedrukt, omdat deze getallen een zelfstandig leven zijn gaan leiden, dat los pleegt te staan van de feiten en de mensen van nu.

Het getal geeft vele mogelijkheden; het maakt bv. het de mens mogelijk om te werken met de waarden van een 4-dimensionale wereld, die voor hem in wezen niet bestaat. Men kan dit alles in formules en getallen tot uitdrukking brengen, maar kent men het daardoor nu ook werkelijk, maakt men dit alles door de formule, het getal, ook concreet, een gekende en reële waarde?

Volgens mij niet. De cijfers beginnen echter pas goed te liegen, wanneer zij vergelijkend gebruikt worden en bv. ‘procent’ daar achter komt te staan. Misschien heeft u gehoord, dat men u zeer coulant aan een krediet wil helpen tegen rond 5 procent rente. Indien u echter concreet rekent en ook de verdere kosten bezit, komt u eerder tot een last van rond 10 tot 13 procent van het kapitaal, ofschoon het gestelde percentage rekenkundig toch wel juist is. Er blijft alleen veel buiten beschouwing, omdat men met cijfers nu eenmaal nimmer het geheel met al zijn waarden, maar slechts een deel, een zeer beperkt deel meestal, weergeeft.

Men kan met getallen aannemelijk maken, dat het onderwijs in Nederland op hoog peil staat. Vergelijken wij echter niet alleen de aantallen leerlingen, gegeven lessen enz., maar zien wij naar de intensiteit, waarmede de lesmaterie werd behandeld en opgenomen, dan blijkt het hoger onderwijs van rond 1900 van een veel hoger gehalte en ziet men, dat de werking van de opgenomen lessen en het daarmede feitelijk bereikte eerder is teruggelopen. Wanneer men nagaat, wat een universiteitsopleiding betekende tussen 1900 en 1920 en een vergelijking maakt met de parate kennis van de promovendi van deze dagen, zo blijkt, dat de laatste wel een uitvoeriger en vaak meer terreinen omvattende kennis heeft opgedaan, maar dat de paraatheid en vastheid van deze kennis aanmerkelijk is afgenomen en veel eenzijdiger gebruikt zal worden.

Met getallen kunnen wij bewijzen, dat de productie enorm is toegenomen in de laatste tijd – wat dan ook steeds weer wordt gedaan. Men suggereert hiermede dan tevens, dat men beter en juister produceert. Maar dit is in wezen niet waar. Een gloeilamp van een bekende fabriek in het zuiden des lands had rond 1930 – al was zij misschien wat minder geraffineerd gemaakt – een levensduur van rond 3000 uren. Nu worden deze lampen berekend op gemiddeld 1000 branduren en halen dezen vaak niet eens. Vroeger kocht men, wanneer men ging trouwen, meubilair, dat zo stevig was, dat de achterkleinkinderen het misschien eens lieten moderniseren, omdat het nog veel te goed was om weg te gooien. Nu koopt men meubelen, die er wel luxueuzer uitzien, maar in verhouding niet zoveel goedkoper zijn als vroeger, dat na gemiddeld 5 tot 10 jaren uit de lijm hangt, krom trekt en vele andere feilen vertoont, waardoor de zetels gevaarlijk worden en de tafels een hellend vlak gaan vormen, dat vol gevaren is. Wij kunnen met cijfers, naargelang onze bedoeling, zowel aantonen, dat de kwaliteit beter dan slechter is dan in het verleden, maar wat wij niet aan kunnen tonen is de verhouding tussen de mens en zijn meubels, zijn bezit, zoals deze in het verleden was en nu geworden is. Hier schieten getallen te kort; getallen, die voorgeven dit op rationele en juiste wijze kenbaar te maken, liegen. Evenals de vergelijkende getallen voor consumptie in verleden en heden, die immers de wezen- en levensgewoonten van de mens buiten beschouwing moeten laten.

In vele gevallen geeft men u getallen die liegen, terwijl men wel in staat is getallen te produceren, die de werkelijke verhoudingen tenminste bij benadering zouden weergeven, maar men doet dit niet, omdat men dan toe zou moeten geven, dat vele dingen toch niet zo schitterend zijn uitgekomen als voor het gezag van de berekenaars wel wenselijk is. De doorsnee mens, die geen inzicht heeft in de andere mogelijkheden om de getallen te groeperen, neemt aan, dat het cijfer de waarheid weergeeft, en wordt bedrogen. Men stelt, dat de laatste loonronde bij een gemiddelde verhoging van 10 tot 12% de werknemer een feitelijke verhoging van werkelijk inkomen van 4 tot 6% opleverde. Men spreekt er niet over, dat de verdwenen procenten weggaan aan Staat en Staatsverzekeringen. Nu kan ik dit alles ook berekenen, maar moet daarbij dan buiten beschouwing laten, welk onevenredig effect de prijsstijgingen op het inkomen hadden, juist waar het bepaalde consumptie-en verbruiksartikelen betreft, terwijl eveneens de waardevermindering van bezit in geld buiten beschouwing blijft.

Men kan spreken over een gezonde economie en met cijfers bewijzen, dat men deze nu na streeft. Ik kan echter aantonen, dat men steeds meer bepaalde artikelen alleen maakt of levert, wanneer daarmede een bepaalde winst kan worden gemaakt en acht dit niet gezond. Op het ogenblik zijn bv. koeien dronken van het appelen eten, omdat deze appelen, die goedkoop in omloop gebracht zouden kunnen worden, werden afgekeurd en vernietigd worden – evenals bv. bloembollen – omdat men anders daarop niet de gebruikelijke winst per eenheid kan maken. Dat men over meer eenheden toch deze winst als geheel zou kunnen maken, zegt men liever niet.

Want dan zou uitkomen, dat men de verbruiker dwingt bepaalde prijzen te betalen, om zo ongeacht oogst- of productiemoeilijkheden in latere jaren van een winst zeker te zijn en niemand aan lagere prijzen te gewennen. Wie dit alles met enig begrip voor werkelijkheid beziet, zal een dergelijke wijze van werken onnodig kostbaar en verkwistend noemen, al bewijst men met berekeningen 1000 maal het tegendeel en worden deze berekeningen door cybernetische machines gecontroleerd en voor juist bevonden. Vraag u af, of het juist is om tegen hoge prijs van elders fruit te importeren, terwijl het hier ligt te rotten. Vraag u af, of het juist is voedsel te vernietigen, terwijl op een groot deel van de wereld de honger nog heerst. Zie naar de o zo redelijke berekeningen, waarop dit alles is gebaseerd en zeg dan nog, dat het cijfer altijd de waarheid spreekt.

Misschien vraagt u zich af, waarop men dan wel kan vertrouwen, wanneer zelfs de koude nuchtere cijfers kunnen liegen. Ofschoon ik het in deze groep niet hardop verwacht, kan ik mij voorstellen, dat men zegt: De bijbel, want dit is Gods Woord. Maar ook hier gaat de mens aan het cijferen en bedriegt zichzelf met cijfers. Wij vinden in Openbaringen het bekende cijfer 666.

Daarop zijn al heel wat berekeningen gebaseerd en heel wat ‘onomstotelijke waarheden’ geconstateerd. Maar wil je weten, wat het werkelijk betekent, dan moet je uitgaan van de schrijver en de toen geldende techniek van cijferen en werken met cijfers. Zelfs dan kan men nog abstract rekenen en zeggen: 3×6 = 18 het eindgetal wordt dus 9, een getal van onvolledigheid. Daar het getal 6 in de stam 3 maal voorkomt, betekent dit, dat de onvolledigheid 3 maal herhaald is in deze kracht, persoon of mens. Maar in die dagen rekende men nog niet zozeer met abstracte waarden en daarom kun je het ook anders doen. Beschouw de 6 in dit getal als kabbalistisch klankcijfer. Dan kan men voor 666 lezen: Noron Augustus. Of, gebruik makende van een bv. in de koptische kerk en oude geschriften nog wel voorkomende variant, het getal 616, lezen: keizer Nero. Daaruit zou dan kunnen blijken, dat in Openbaringen niet werd gesproken over Napoleon, Hitler, de kerk, of Stalin, maar dat de schrijver sprak over de macht Rome, die hij kende en Nero zag als het grote gevaar voor het christendom. Vreemd genoeg kloppen dan ook verschillende bezoekingen, die in en na deze tijd voor de christenen zijn weggelegd: Te vuur en te zwaard worden zij vervolgd. Zij sterven onder hongersnood en kwellingen, terwijl nog later epidemische ziekten optreden, die ook vele christenen doen sterven. Waarmee ik maar wil zeggen, dat men zelfs t.a.v. de bijbel door berekeningen en interpretaties de bijbel kan doen liegen, of liever gezegd: De cijfers in en over de bijbel kan doen liegen.

Dus, vrienden, ook hieraan hebben wij geen houvast, zodra het getallen betreft. Wat moeten wij dan doen met en zoeken in het getal? Ik begin dan weer volgens de oude Griekse opvattingen te spreken: Opvattingen, die eerst, in Alexandrië rond 153 jaren na de verovering door Rome van Griekenland door Rome werd ontdekt; de abstracte behandeling van het cijfer laten wij dus even buiten beschouwing. Ook de ontdekking van de Brahmanen van het Niet als getal, laat ik buiten beschouwing en stel dus: Elk ding heeft zijn waarde en kent zijn getal; getal, is eigenschap, is beschrijvend en kan alleen met de andere eigenschappen samen gebruikt worden. Volgens deze denkwijze vraagt men dan niet meer: Hoeveel gulden vind ik in mijn loonzakje.? Maar: Hoeveel broden kan ik kopen met mijn verdienste. Dit is dan het werkelijke getal, dat de waarde van mijn loon uitdrukt in voedingsmogelijkheid.

Volgens mij moet de gewone mens loskomen van het getal als een waarde op zich, loskomen ook van de voor hem niet te overziene grote getallen en bedragen. Om dit te kunnen doen, moet hij alles terugbrengen naar een meer persoonlijke basis. Wanneer er dus een miljard belasting boven de raming ontvangen wordt, moet men zich bv. afvragen, welk bedrag per hoofd van de bevolking hiermede ten minste meer geheven werd, dan men veronderstelde. Ook volgens deze laatste methode blijven onze getallen wel benaderingen, maar het geheel blijft voorstelbaar, is weer een concrete waarde geworden.

Verder moet men leren een groot verschil te maken tussen de cijfers, die de mens hanteert en de zogenaamde goddelijke getallen, ook al worden zij met dezelfde tekens weergegeven. Men kent namelijk vanaf de oudheid de “getallen van de hemel”. Deze geven geen getalswaarde aan, maar zijn in wezen omschrijvingen van eigenschappen, waardoor te grote of samengestelde geestelijke waarden kunnen worden gezien en begrepen in hun juiste betekenis.

Men schreef bv. Jehova eens JVH, jod vau hê. Hierin zijn drie waarden uitgedrukt, die wel degelijk een concrete betekenis hebben. Wij vinden hierin namelijk de Vader, het moederprincipe en de geest op de eenwording. Later schrijft men JHVH en geeft weer: De Vader of wil werkt in op de moeder, de mogelijkheid van bestaan. Beiden komen samen en brengen de schepping voort. Deze nu nog gebruikelijke schrijfwijze ontstaat eerst kort voor Christus geboorte als algemene weergave van Jehova in algemene zin.

Het belang van getallen als weergave van denkbeelden, die met cijfers niets te doen hebben, treffen wij ook elders aan. Zo spreekt men haast overal over een Goddelijke Drie-eenheid, de drie gezichten van Brahma enz. Maar hiermee bedoelt men niet drie factoren, die een geheel vormen op basis van gelijkwaardigheid. Hierbij zien wij namelijk weer de oude getal betekenis naar voren komen, waarbij 1 het moeder- of oerprincipe betekent, 2 de vader, dat wat schept in de moeder, terwijl 3 zowel staat voor het samenkomen van de vader en de moeder als voor het kind, de vrucht van de samenkomst. De drie-eenheid is dus een gezin, een wereldje, dat uit t.m. drie delen bestaat, die wel zonder elkander kunnen bestaan, maar eerst gezamenlijk een gezin, een werkende en levende wereld vormen. Bij de goden van Egypte treffen wij de drie-eenheid evengoed terug als in elk ander pantheon, wanneer wij ons de moeite getroosten de verhouding van goden en godinnen na te gaan. Dit is overigens een van de redenen, dat men 3 wel als goddelijk of perfect getal aanspreekt, denkt bijvoorbeeld aan: Alle goede dingen bestaan uit drie, driemaal is scheepsrecht enz.

Een dergelijk getal houdt geen rekening meer met de mens en heeft in wezen ook geen betrekking meer op menselijke waarden, maar geeft bepaalde goddelijke of kosmische verhoudingen weer. Toch is het niet abstract en kan het niet gebruikt worden om zonder meer mee te goochelen, maar heeft een geheel eigen waarde.

Het goddelijk getal liegt dan ook niet, wanneer wij de oude en werkelijke betekenis daarvan beseffen en aanvaarden. Daarom is het goed in esoterie en godsdienst de bronnen van het getal te kennen en daarmede alleen te rekenen. Zo is 7 bv. het getal van de Babylonische goden, die in 7 hoofdwaarden of vormen gezamenlijk de wereld regeerden en daarbij werden gerepresenteerd door de 7 bekende bewegende lichten aan de hemel. De oude astrologie is dus geen lotsbepaling, maar het aflezen van de wil en werken der goden aan de hemel. Zeven planeten waren gekend. Men werkte dus met 7 voor de mens bepalende werkingen of invloeden aan de hemel, het menselijke lot werd door 7 werkingen bepaald.

Het getal 9 is in dit verband 3 x 3 en geeft het aantal fasen, sferen of treden van de schepping weer. In Egypte bv. zien wij, dat de troon van Ré 9 treden telt, eerst in 1 lijn, later met een platform, gesteund door 2 x 4 treden. Dit laatste vloeit weer voort uit de verdeling van de wereld in onderwereld en bovenwereld, waarbij de kringloop van Osiris – de god, maar ook de bewuste mens – volgens het dodenboek de voorstelling bepaalde, het getal echter bleef het zelfde. Goddelijke getallen geven dus onder meer de krachten van de hemel en de schepping weer. Zo spreekt men reeds over de 12 poorten van de eeuwigheid of bovenwereld in een tijd, dat de sterrenkunde nog rekende met 11 in plaats van 12 tekens in de dierenriem. Men zou denken, dat dit eenvoudig betekende, dat er aan de hemel zelf 12 verschillende krachten werden toegekend. Maar in de goddelijke getallen telt men nog iets anders: Er is een eigen logica. 12 = 3 = kind of schepping. 12 bestaat uit 1, het vrouwelijke en het mannelijke, de 2, samen weergevende het esoterisch principe van de schepping.

Zolang wij met ons denken de abstractere wereld van hiërarchische verhoudingen in de schepping en de ware achtergronden van het leven werken, helpt het z.g. goddelijke getal ons de achtergronden van het leven te vinden; de werkelijke waarden van het geestelijk bestaan dus. Maar ook hier moet men aan elk getal ook een concrete waarde toekennen en kunnen getallen niet zonder meer met elkander verbonden worden of uit elkander worden afgeleid. De benamingen kunnen wel eens veranderen. Zo wordt 1 wel ‘de melder’ genoemd, maar later spreekt men van de Vader, die uit zich alles baart of voortbrengt – wat in wezen een soort mannelijke moeder zou betekenen. 2 betekent het mannelijk principe of de wil, waardoor alles wordt voortgebracht. 3 is altijd een product, schepping, waarheid, wijsheid enz. Doordat de goddelijke getallen een concrete betekenis hadden, kon men hier met de nul, het getal, dat het niets weergeeft, weinig doen. De nul, die in deze dagen zo interessant is, vooral wanneer hij achter andere cijfers staat, had toen niets te zeggen. Men zei dan ook wel, dat hij demonisch of negatief was en stelde: Zelfs wanneer de nul een versterking betekent van een op zich positieve waarde, maakt zij deze in werking negatief.

Deze denkwijze, hoe vreemd ook voor de mens van deze tijd, is begrijpelijk: Wanneer men een beperkt deel van het zijnde brengt in ziphrath, het oneindige niet-zijnde, houdt het op als levende waarde te bestaan en wordt tot deel van het niet zijnde. Ik meen, dat dit voor de begrippenwereld van de mens ook nu nog ten dele geldt, zodat wij met deze opvatting toch wel goed rekening moeten houden. Hierin komt de wijze, waarop het cijfer liegt tegen onze verstandelijke – en begripsvermogen het sterkste naar voren.

Ik had dit betoog over liegende cijfers kunnen gebruiken om een aanval te doen op onverschillig wie of wat, bv. op de mensen die zeggen, dat er 144.000 uitverkorenen zullen zijn; 144, teruggebracht tot zijn kernwaarde is namelijk in de leer van de goddelijke getallen 9, twee maal negatief – wat weer positief is. Het antwoord is dan ook: Uitverkoren zal de onvoltooide mens worden, die de duistere en Lichtende kanten van het leven heeft erkend. Het getal der uitverkorenen is niet beperkt en omvat zelfs zowel de positieve als de negatieve werelden van de geest. Of, anders gezegd: Zelfs vanuit het duister van de hel zullen nog uitverkorenen tot het koninkrijk Gods komen. Wie zo iets zegt, noemen de rechtvaardigen natuurlijk een ketter, omdat hun eigen vrome zelfrechtvaardiging daardoor wordt aangetast.

En zo kunnen wij doorgaan. Voor mij is bij dit alles het belangrijkste punt: Wij moeten terug naar de eigen betekenis, de werkelijke inhoud van de getallen. Wij moeten niet te veel praten over bv. 100.000 gulden alsof dit niets was, want wij weten niet, wat dit werkelijk betekent. Dit is voor ons een negatief begrip geworden, een fictie. Denk daarom nooit in termen van 100.000den of miljoenen guldens, maar in voor u begrijpelijke termen van de waarde van 1 gulden of desnoods de koopkracht van een biljet van 100 gulden. Zie de mogelijkheden, die in het bedrag gelegen zijn. Dan eerst kom je weer in een concrete erkenning van en verhouding tot de wereld te staan. Het getal 100.000, zelfs wanneer het je bankrekening aangeeft, is niet iets concreets. Je overziet het niet en komt tot het hanteren van maatstaven, die niet overal gelden, alsof deze voor alle mensen en toestanden zouden bestaan.

Wat dan te denken van een wereld, die fl. 100.000, een ton, alleen maar ziet als een redelijk bezit voor een gezeten middenstander en smijt met miljoenen, zonder te beseffen, wat dit betekent? Een gewone film heet tegenwoordig pas goed, wanneer hij meerdere miljoenen heeft gekost. Maar wat betekent dit in voedsel? In de mogelijkheid, om zieken, armen, verhongerende mensen te helpen? Staten spreken rustig over miljarden, alsof dit iets normaal, iets overzichtelijk zou zijn, en de berekeningen kloppen wel. Wat niet meer klopt, is de verhouding van de mens tot de vermogens en goederen, die hij zo verspilt, de verhouding mens tot getal.

Het cijfer liegt niet over de beschikbare middelen, maar wel over de belangrijkheid van deze beschikbare middelen, de werkelijke mogelijkheden, die daarin verborgen zijn, het liegt niet over datgene, wat de Staat wel of niet kan en mag doen, maar verhindert vaak een juist begrip voor de wijze, waarop dit dient te geschieden en de mogelijkheden, die in deze middelen gelegen zijn, omdat elke persoonlijke relatie met het getal is weggevallen en het getal zelf vaak een prestigekwestie is geworden, waarbij alle reële waarde wordt vergeten.

Een getal kan bv. nooit de werkelijke belangrijkheid van een groepering of beweging uitdrukken. Men kan bijvoorbeeld wel uitroepen: Wij van de VARA hebben 390000 werkelijke leden en de Tros heeft er nog geen 200000; maar daarmede zegt men in wezen niets. Want wat is een lid?

Het kan iemand zijn, die ergens alleen maar bij hoort uit gewoonte, uit onverschilligheid, of het kan iemand zijn, die alles, maar dan ook alles overheeft voor de groep, waarvan hij lid is. En deze instelling is nu eenmaal belangrijker dan het aantal op zich. Daarom hebben deze aantallen pas zin, wanneer men een overzicht kan krijgen van de instelling van elk lid afzonderlijk, of ten minste de mentaliteit van de gemiddelde leden. In de praktijk blijkt steeds weer, dat een betrekkelijk kleine groep van bv. 500 actieve leden meer kan bereiken dan een onverschillige groep van 1.000.000 leden, omdat de 500 geheel in hun doelstellingen opgaan en daarvoor alles over hebben, terwijl het miljoen alle moeite eigenlijk al te veel vinden. In dit geval liegt het getal wel degelijk, omdat het suggereert een maatstaf van belangrijkheid te zijn, zonder de werkelijke belangrijkheid van een groep weer te kunnen geven.

Officiële getallen liegen daarom meestal. Wanneer u uw inkomen beziet op basis van de officiële getallen, ligt de zaak heel anders, dan wanneer men het beziet vanuit eigen portemonnee. Indien u de betekenis hiervan wilt nagaan, kunt u het beste de prijsindex nagaan. Reken eens uit, hoeveel bepaalde prijsverhogingen voor u betekenen en in hoeverre deze werkelijk worden gecompenseerd door de andere prijsverlagingen, die het indexcijfer zo heerlijk gelijk houden.

De bekende leugens krijgen in wat overdreven vorm, vaak de volgende inhoud – dit is maar een voorbeeld – : De prijsindex is gedaald met 2 punten. Weliswaar zijn boter, suiker, kaas, koffie en brood duurder geworden, maar daarvoor werden bloemen, fruit en onderkleding, evenals pluimvee aanmerkelijk goedkoper. M.a.w., wanneer u elke dag bloemen met kip eet, leeft u voordeliger. Welke conclusie niet zozeer kolder is, als u nu wel meent, het is een treurige waarheid, die velen over het hoofd plegen te zien.

Het is waar, wanneer ik u zeg, dat op het ogenblik zeer veel mogelijkheden en vermogens, materiële zowel als geestelijke, vergooid worden door een verkeerd begrip van waarde, door misleiding aan de hand van de zogenaamde objectieve cijfers en getallen. Ik geef nog een aardig voorbeeld van de wijze waarop getallen kunnen liegen. Ik kies hiervoor een onderzoek, dat niet zo lang geleden plaats vond in Noord-Italië. Men heeft daar ernstig nagegaan, hoeveel gezondheidsbidders, genezende mediums, wonderdokters, magnetiseurs e.d. resultaten hadden bij het behandelen van hun patiënten. Men kwam tot de volgende conclusie: terwijl een gewone arts van zijn patiënten gemiddeld 80% geneest of blijvende verlichting verschaft, zullen de wonderdokters 3 à 2 per 100 van hun patiënten blijvende genezing of verlichting kunnen geven; daardoor zijn wonderdokters enz. gevaarlijk en onaanvaardbaar. Erg leuk, maar deze cijfers liegen wel. Er zijn namelijk genezers, die eigenlijk het afval, de hopeloze gevallen van de doctoren plegen te krijgen. Deze laatsten, waaronder enkele geestelijken die van klooster tot klooster worden weggedrukt, schijnen inderdaad nogal eens hopeloze gevallen te kunnen genezen, en genezen zij dus in wezen 2% meer dan de geneesheren, die deze patiënten reeds als ongeneselijk hadden afgeschreven. Men zou dus ook kunnen zeggen, dat zij beter zijn dan de doctoren. Maar dit is eveneens onjuist, omdat zij immers niet alle kwalen en gevallen behandelen, waarmede deze geneesheren wel resultaat hebben, zodat in wezen geen vergelijking mogelijk is.

Hier kunt u weer zien, hoe misleidend getallen kunnen zijn, wanneer men ze, zoals meestal toch gebeurt, met een bepaald doel hanteert. Aan de andere kant van dit probleem zijn er wel wonderdokters, die rond 50% van hun patiënten schijnen te genezen. Bij nader onderzoek blijkt echter, dat het hier gaat om ingebeelde zieken, mensen met zenuwkwalen enz. Hier blijkt vaak, dat – ik citeer nog steeds de getallen van Italië – wonderdokters enz. kwalen genezen, die ook door de normale medische wetenschap met zekerheid genezen hadden kunnen worden. Daarbij wordt niet vermeld, dat in meerdere gevallen de patiënten sneller en goedkoper worden genezen, dan via psychiatrie e.d. mogelijk zou zijn geweest. Omgekeerd blijkt soms de behandeling van de wonderdokter veel meer te kosten, dan het bereiken van een dergelijk resultaat via de medische wetenschap gekost zou hebben.

Ik geef u nog een voorbeeld van de mogelijkheid tot misleiding, die in eenvoudige getallen gelegen kan zijn. Stel, het zijn de fietsers en bromfietsers, die in Nederland de meest ongelukken veroorzaken. Wil je weten, in hoeverre dit waar is, dan kun je de statistieken van het verkeer raadplegen. Daaruit blijkt inderdaad dat, ofschoon de auto nog een geringe voorsprong heeft, bromfietser en fietser de meest gevaarlijke deelnemers aan het verkeer zijn. Wij kunnen verder zien, dat een bepaald percentage van de ongelukken met auto’s veroorzaakt werd door genoemden, dan wel dat dezen daarbij betrokken waren. Conclusie: Dan zijn dezen ook werkelijk de gevaarlijkste.

Nu lees ik anders: Vraag nu, in hoeveel gevallen fietsers en bromfietsers gevallen met dodelijke afloop veroorzaakten en in hoeveel gevallen auto’s hierdoor aansprakelijk waren. Dan blijkt, dat het autoverkeer voor elke auto door bromfietsen en fietsers veroorzaakt, 109 doden heeft veroorzaakt. Dus is de auto veel gevaarlijker? Wij moeten de oorzaken nagaan, om dit met reden te kunnen zeggen. Deze blijken te zijns: Te druk verkeer op de wegen, oververmoeidheid van de chauffeur, de slechte staat waarin wegen en voertuigen verkeren, nalatigheden van mensen in garages en herstelwerkplaatsen. Verder kunnen onverwacht optredende verkeersproblemen de chauffeur verrassen.

Een werkelijk oordeel is dus alleen mogelijk, wanneer wij de gevallen elk afzonderlijk beoordelen, het is met de getallen niet mogelijk in werkelijkheid dus aan te tonen, dat de automobilist een betere of slechtere weggebruiker is, dan de andere deelnemers aan het verkeer. De werkelijke oorzaak van ongevallen in het verkeer is niet in getallen uit te drukken, maar blijkt vooral ongeduld, onbeheerstheid te zijn. Ook dit is een vage term, evenals de getallen in wezen vaag zijn. Want eerst, wanneer wij ook de oorzaken van de onbeheerstheid en het ongeduld op weten te sporen kunnen wij misschien de oorzaken wegnemen. Het is eenvoudig onmogelijk met één enkele wet of maatregel alle onbeheerstheid, enz. uit de wereld te helpen, of de gevolgen daarvan werkelijk te voorkomen. Wat het getal ons suggereert, namelijk dat wij met enkele massale maatregelen tegen bepaalde verkeersdeelnemers het verkeer veel veiliger kunnen maken, is in wezen kolder. Op deze wijze zou u verder kunnen gaan en bv. aan de hand van getallen kunnen bewijzen, dat de Sint minder dure en minder duurzame gebruiksartikelen heeft gekocht dan het vorige jaar, maar toch meer heeft besteed.

Dan kan men nog aantonen met getallen, dat de oorzaak hiervan is, dat na de loonsverhoging de welvaart minder is dan voorheen, wat weer strijdig is met hetgeen ik elders, of door hergroepering van dezelfde getallen aan kan tonen. enz.

Maar om dit alles gaat het niet. Laat ons daarom een ernstig het liegen van het cijfer doorlichten? Alle getallen, die betrokken zijn op een anonieme massa, of op een zeer grote veelheid, zijn, zover het een persoon, persoonlijke waarden, of persoonlijke reacties zal betreffen, eenvoudig van het standpunt van de enkeling waardeloos. Wanneer men dergelijke getallen toch als voor eigen leven bepalend en beslissend beschouwt en als zodanig wil gebruiken, zijn zij niet slechts misleidend, maar zelfs gevaarlijk en veroorzaken zij verkeerde regelingen, tendensen, ja, soms zelfs een verkeerd geloof en denken in de mens, dat hem in alle bereiking en besef belemmert.

In de tweede plaats: Statistieken en beeldstatistieken zijn wel zeer redelijke en bijzonder goede voorstellingen van bepaalde ontwikkelingen of verhoudingen. Zodra men deze echter op de werkelijkheid wil toepassen, zo blijkt, dat zij alleen waarde bezitten, wanneer wij bijkomstige en vaak zeer belangrijke corrigerende factoren kennen en ter interpretatie kunnen gebruiken. Zelfs dan zijn de getallen op zich nog vaak misleidend. Ik verwijs naar het voorbeeld dat ik gaf over het aantal studerenden aan de Leidse universiteit.

In de derde plaats geldt: Wanneer wij een getal gebruiken in abstracte berekening of zin, kan langs deze weg toch weer ergens een benadering van de werkelijkheid gevonden worden. Maar deze benadering heeft geen eigen waarde en kan niet als beslissend beschouwd worden, voor zij aan de feiten getoetst is. Dit komt er op neer, dat geen enkele berekening en haar uitkomst zonder meer als reëel en waardevol kan worden beschouwd, vooraleer een toepassing heeft plaatsgevonden en dat dan alleen de berekeningen, die direct op de toepassing betrekking hebben voor vergelijkende rekenwijzen, als reëel beschouwd kunnen worden. Zolang men theorieën, die nog niet te verwezenlijken zijn gebruikt als richtlijn op grond van berekeningen en getallen met een uitschakelen van de werkelijke betekenis van de getallen in het heden en de nu concreet aantoonbare betekenis daarvan, zullen misvattingen, zelfmisleiding en zelfs rampen hierdoor kunnen ontstaan.

Ten vierde: Juist omdat er goddelijke getallen bestaan en in deze zin het getal dus bruikbaar is om voorstellingen en waarden van kosmos en hogere werelden weer te geven, zijn wij vaak geneigd dit getal en zijn betekenis op gelijke wijze in de stoffelijke wereld te gebruiken. Dit is echter alleen ten overstaan van geestelijke waarden. Zodra concrete, tastbare, voelbare waarden, krachten en verhoudingen aan de uitkomst van de getallen te pas zullen komen, gelden zij voor de stof niet geheel en kunnen zij zonder verdere interpretatie niet bruikbaar zijn.  Dit, omdat de flexibiliteit van geestelijke krachten en waarden, evenals hun duurzaamheid nu eenmaal in de materie niet aanwezig zullen zijn.

Ten laatste: Degene, die betrouwt op het getal, zal de werkelijkheid steeds minder achten en aan de werkelijke mogelijkheden en verschijnselen steeds meer voorbijzien. Het geloof aan cijfers als objectieve maatstaf en juist middel voor waardebepalingen e.d., doet het persoonlijke element en de persoonlijke beleving terugtreden achter een schijnbaar blijvende waarde. Waar persoonlijke ontwikkeling en belangstelling van de mens in deze tijd wel het meest belangrijke, de voornaamste factor ook in vele ontwikkelingen is, zullen wij terug moeten keren tot een zo concreet mogelijke waardering van het getal op zich en een erkenning van de werkelijke waarden, die achter de getallen schuilen. Wij zullen daarbij het cijfer nul wel niet als duivels – hoeven te beschouwen, maar moeten wel beseffen, dat het niets te zeggen heeft, zodra het gaat over een beoordelen van concrete waarden. In zijn wezen geeft het eerder onmeetbaarheid aan. Het zou daarom aanbeveling verdienen, bv. tien niet te zien als een getal maar als tien eenheden van het getelde.

Terzijde wil ik opmerken, dat de getallen dan ook niet altijd werden geschreven, zoals nu. In China schrijft men met strepen 1 = -, 2 = — twee strepen, 3 drie strepen enz. Zes is één dwarsstreep plus een lange streep, die het vijftal weergeeft, enz. Hoe men in Europa getallen schreef, ziet u nog in de groepering van de figuren op speelkaarten, op dominostenen enz. De cijfers, die men tegenwoordig kent, zijn van Indische oorsprong en zijn waarschijnlijk ingevoerd door Paus Gregorius II, die in zijn jeugd deze getallen leerde van een Arabier of Moor. Hij leerde dit systeem aan de geestelijkheid, die op haar beurt deze kennis in de scholen van Europa onderwees.

Deze cijfers hebben echter voor de westerling iets van hun realiteit verloren: Wanneer je 9 punten zet, dan tel je negen voorwerpen. Schrijft men echter het getal 9, dan ziet men dit al snel als een waarde op zich. Juist het feit, dat de waardering voor getallen in het oosten nu eenmaal wat anders is dan in het westen, heeft m.i. er toe gevoerd, dat de westerse mens vaak door het getal gedomineerd wordt, zonder het wezen en de betekenis daarvan te beseffen.

Oosterse getalwaarden zijn nu eenmaal – bij onderling gebruik – anders dan bij u. Men noemt bv. een hoge prijs, niet om daardoor een hoge prijs voor een artikel te krijgen, maar om de begeerlijkheid van het artikel uit te drukken.

Ik wil mijn inleiding dan ook besluiten met de volgende opmerking. Wanneer u in het leven getallen tegen komt en men u met getallen iets wil bewijzen, probeer dan eerst u de zaak concreet voor te stellen. Stel u de eenheid en zijn betekenis voor, voor u getallen als 100 enz. aanvaardt. Tracht u ook van hogere getallen steeds een voorstelling te maken, desnoods door de betekenis voor een enkele mens – daarbij diens aandeel in het getal beziende – te overwegen.

Door te begrijpen, wat de aantallen in wezen uitbeelden, zal men zich niet alleen van hun betekenis, maar ook van de betekenis van elke eenheid, die zij voorstellen, bewust worden. U bent een eenheid, losgeslagen in een tijd, waarin getallen macht heten te betekenen en aantallen vermogen en invloed heten te bepalen, maar waar de eenling steeds meer terug schijnt te moeten treden achter de massa. Het is juist belangrijk, dat de mens terugkeert tot een besef van persoonlijke waarden en hier persoonlijk oordeel, eigen voorstelling en waardering leert kennen, ook voor alles, wat alleen in grote getallen of vergelijkende berekeningen hem wordt voorgelegd.

Dit kan men alleen bereiken, wanneer men van de nietszeggende grote getallen én hun bluf afstand weet te nemen en terugkeert tot een begrip voor de betekenis van de eenheden. Wie veel geld heeft, weet niet meer, wat een cent werkelijk betekent en laat zo veel voordeel aan zich voorbijgaan, laat ook vele mogelijkheden eenvoudig rusten, omdat zij niet in grote getallen worden uitgedrukt. Wie weinig geldt heeft en elke cent werkelijk om moet draaien, weet eerst, wat ook nu nog een cent betekent. Rekent men niet meer met centen, bv. omdat men een chequeboek heeft, op rekening koopt, of eenvoudig te lui is, dan zal men al snel onnodige tekorten zien ontstaan.

Op geestelijk gebied wil ik u het zelfde aanraden. Ook geestelijk bent u niet in de eerste plaats deel van een massa, maar kunt u alleen bereiken en beseffen als eenheid. Leer daarom ook hier alles eerst beseffen als eenheid, herleid alle getallen en waarden tot voor het ik aanvaardbare en voorstelbare eenheden. Zorg er voor, dat al wat u geestelijk nastreeft, voor u ook in concrete, desnoods stoffelijke beelden uitgedrukt kan worden. Dan pas kan men de betekenis beseffen, dan pas kan men daarmede ook iets doen. Zolang alles ver, vaag en onduidelijk blijft, zal men aan eigen mogelijkheden voorbij gaan, eigen geestelijke gaven en capaciteiten verspillen, omdat men eenvoudig niet meer beseft, wat geschiedt en wat men doet. Keer terug tot de betekenis van het ene, de eenling, het ding op zich; vermijd het cijfer, waar dit mogelijk is, omdat het te vaak liegt of onjuiste inzichten bevordert. Kom weer tot een leven, waarbij alles in stof en geest een eigen betekenis heeft, die gebaseerd is op feiten en niet afhankelijk wordt gesteld van eventuele getal manipulaties.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Voor het nemen van belangrijke beslissingen wordt vaak gebruik gemaakt van grote computers. Wordt hierdoor het gevaar van verkeerde beslissingen niet vergroot?

Natuurlijk, een computer denkt niet menselijk logisch. Wanneer men een computer de vraag voorlegt, welke klok beter is, een defecte die stilstaat, of een klok, die een minuut achterloopt, zo zal de computer geneigd zijn te zeggen, dat de klok, die stilstaat, de beste is, omdat deze tenminste twee keren in de 24 uren precies gelijk gaat. Een computer kan dus wel vreemde beslissingen nemen.

Zolang de computer gebruikt wordt, om bepaalde berekeningen te controleren, ben ik het met het gebruik daarvan wel eens. Maar op het ogenblik, dat de beslissing van de computer op grond van inkomende gegevens zonder meer aanvaard zou worden als bindend, staat volgens mij de mensheid dicht bij zijn ondergang. Want de computer kan niet menselijk denken. Hij kan alleen positief of negatief antwoorden op een groot aantal gegevens en op combinaties van dergelijke beslissingen uiteindelijk een positief of negatief antwoord geven, dat echter wordt omgezet in de termen, die de mensen zelf in de computer hebben vastgelegd.

De computer kent alleen zwart en wit en weet met tonen van grijs of kleuren eenvoudigweg geen raad. Het menselijke leven echter kent weinig of geen absolute waarden als zwart en wit, maar speelt zich – vergelijkend gesproken – af in een oneindig aantal grijzen. Het is bij de mens geen kwestie van zwart en wit, maar van wat meer of wat minder wit.

Hierin schuilt nu het gevaar: Men kan nooit verwachten dat de computer menselijke vermogens, improvisatievermogen, gevoelsreacties en vooral ook de aan de mens eigen onlogische gevoelens en reacties berekenen kan, of mede in zijn berekeningen op de juiste wijze verwerken kan. Om de computer te gehoorzamen, zou de mens dus steeds meer eigenschappen moeten verloochenen, die hem in wezen eerst tot mens maken. Daarom lijkt het mij best alle beslissingen aan mensen over te laten. Zij zullen misschien meer fouten maken, maar zullen daarnaast heel vaak in staat blijken de fouten al improviserende onlogisch snel te herstellen. Dit zou een computer nooit kunnen doen.

Even een definitie van een computer: Dit is een imitatie van het menselijke brein, waarin ziel, gevoel en zelfs persoonlijk bewustzijn zozeer ontbreken, dat elke daaruit voortkomende beslissing wel onmenselijk moet zijn.

  • Men zou toch via ponskaarten of zoiets een computer wel gevoelens kunnen geven?

Dan wordt het helemaal oppassen, want een computer, met gevoelens, zal door zijn verdere logische structuur wel zeer snel de pest krijgen aan de mensen, die hem gebruiken, waardoor er dan nog veel gekkere dingen zouden kunnen gebeuren. Maar op het ogenblik bestaat iets dergelijks in ieder geval nog niet.

  • Zijn de getallen die het aantal jaren uitdrukken in bv. de geheime leer van een Hamvantara of een Kaliyuga, symbolisch, of drukken zij ten naaste bij in aardse jaren het tijdsverloop aan, dat zij suggereren?

Neen, in dergelijke werken drukken de getallen de concrete waarde uit van tijdperken en geven dus wel de eigenschappen van de periode weer, maar niet noodzakelijkerwijze het verloop van jaren. Er wordt slechts een volgorde van eigenschappen hierdoor aangegeven.

  • Kan men, als men het bijbehorende systeem kent, daarmede inderdaad lengten van geologische, kosmische of solaire tijdperken berekenen?

Ik geloof niet, dat een concrete berekening, geheel berustend op de nu erkende menselijke waarheden, mogelijk zal zijn, zelfs indien men het gebruikte systeem geheel beheerst. Waar men allereerst een uitdrukken van eigenschappen beoogt, is een uitdrukken van de duur volgens de nu geldende menselijke inzichten slechts een zeer beperkte mogelijkheid.

Wanneer men in de getallen aangeeft: in deze tijd was een groot deel van de aarde met ijs bedekt, – ofwel, was de aarde geheel tropisch – terwijl daarnaast wordt aangegeven, welke graad het leven op aarde had bij het begin en hoe het zich ontwikkelde, kan men daaruit wel een geestelijke ontwikkeling – de geestelijke tijd – afleiden, maar weet men nog niet, hoelang deze periode in menselijke tijd duurde. Er worden dus hier eerder kwaliteiten dan kwantiteiten uitgedrukt, zodat deze getallen vergelijkbaar zijn met hetgeen ik over goddelijke getallen reeds zei: Zij zijn niet te gebruiken om een waarde in menselijke eenheden weer te geven, maar geven wel een waarde in bewustwording, straling of inwijding. Ik heb dan ook reeds in mijn inleiding getracht aan te tonen, dat juist doordat de mensen geneigd zijn goddelijke of kwaliteitsgetallen en wereldse of kwantiteitsgetallen dooreen te halen, vaak de krankzinnigste stellingen en ontwikkelingen ontstaan.

  • Bestaat er, naar u weet, een meetkundige reeks of rekenkundige reeks van getallen, waarmede men de trilling mogelijkheden of de stralingen uit kan drukken die representatief zijn voor de hogere en lagere gebieden?

Hiervoor bestaat wel een reeks, maar deze weer te geven op begrijpelijke wijze, is moeilijk. De zaak ligt namelijk zo, dat de juiste verhoudingen gebaseerd zijn op de juiste kwadratuur van pi, het kwadraat van pi enz. Wie dus de oplossing van de kwadratuur van de cirkel kent, kent dus gelijktijdig de juiste trilling verhoudingen voor alle sferen, werelden en invloeden, die op aarde op kunnen optreden. Dit is een van de redenen geweest, dat zovele wijsgeren zich intens met de kwadratuur van de cirkel hebben bezig gehouden. Men begint deze waarde te stellen op 22/7, met een onjuistheid van 1 tot 2 honderdste, terwijl men uiteindelijk komt tot 3,14 enz- met in het geheel 10 decimalen, waarbij de onjuistheid 1/100,zal bedragen.

Deze onjuistheid is nog net groot genoeg om te voorkomen, dat een passend systeem wordt opgebouwd, waarin alle trillingen en inwerkingen daarvan zonder meer passen. Daarom neemt men voorlopig liever aan, dat deze verhoudingen alleen bestaan in geopenbaarde getallen, waarbij echter helaas gesproken wordt van goddelijke of geestelijke getalswaarden en de mens dus niet zonder meer met concrete trillingen per seconde bv. kan gaan rekenen, doch steeds weer moet rekening houden met trillingen, die emotie weergeven, en deze laatste is voor de mens nog steeds geen concreet meetbare eenheid. Ik zou haast zeggen: Van alle dingen, die de mens niet beheerst is zijn emotie nog wel de voornaamste.

  • U noemde het cijfer 0 demonisch. Hoe dit te rijmen met het vermaan, zowel bij Grieken als Romeinen, om niet overdreven te doen? Verder denk ik aan het Ichtussymbool, waarbij het snijpunt der kruisende lijnen met het nulpunt overeenkomt.

Ik heb niet gezegd, dat het getal nul demonisch is, maar zei in het begin van mijn betoog, dat men dit wel demonisch heeft genoemd, terwijl ik aan het einde van mijn betoog opmerkte, dat men voor mij dit getal niet als demonisch hoeft te beschouwen. Toen men het getal nul in wilde voeren, werd van kerkelijke zijde een grote actie gevoerd, waarbij men zei: de nul is de weergave van het Niet. Het Niet is de chaos, die het rijk van de tegenstrever, de duivel is, daarom is dit cijfer demonisch of duivels en mag het niet gebruikt worden. Een mening, die ik dus in feite citeerde, ofschoon ik het citaat zelf en de bron niet heb vermeld.

Toch is de nul gevaarlijk. Wij kunnen de nul namelijk onbeperkt gebruiken; zij is dus een zeer gemakkelijk middel, om veel te zeggen, zonder te beseffen, wat wij in feite weergeven. Het komt dus vaak voor, dat het grote aantal juist door het aantal toegevoegde nullen, niet werkelijk begrepen wordt, zodat de nullen dan een weergegeven waarde voor het begrip te niet kunnen doen. Zij scheppen een begrip van beheersing en inzicht, dat niet in wezen bestaat. Wanneer ik u zeg: Ik geef u een miljoen centen vandaag, weet u dan, wat u daarmede moet doen? (“En of”).

Dan zou ik toch eerst maar eens na gaan denken, hoe u ze wilt opslaan en vervoeren. Stel dan 1 cent 1 gram weegt, u heeft dan al 1000 kilo te slepen. En reken dan de massa eens uit! U dacht na over een geldswaarde, maar over de centen zelf dacht u even niet na, nietwaar? Daarom is het gevaarlijk zo te rekenen, dat de werkelijke voorwerpen enz. vergeten worden. Voor abstracte berekeningen is de nul gemakkelijk, zijn grote getallen geen bezwaar, dat geef ik graag toe. Het gevaar is, dat men de concrete betekenissen en waarden niet meer ziet.

Ik kan dan ook begrip hebben voor de stelling, dat die nul niet altijd prettig is, omdat wij menen met een ‘niet’ geconfronteerd te worden en ons eerst de betekenis realiseren, wanneer wij eerst nagaan, wat die nu in werkelijkheid verbergt. Een voorbeeld? Men vraagt 5 miljoen gulden, om kerken te bouwen. Denk eens even, wat dat bedrag betekenen kan, bv. rond een miljoen kilogrammen boter, ongeveer 10 miljoen broden. Medische verzorging en verdere hulp voor minstens 20.000 personen op deze wereld die ziek zijn. Maar daaraan is kennelijk geen behoefte meer, zodat men maar kerken bouwt…. Denk eens na over getallen, of geldbedragen. De meeste mensen doen dit niet, zij hebben het afgeleerd, omdat grote getallen met veel nullen zo gemakkelijk worden neergeschreven; dit is mijn bezwaar tegen het hanteren van miljoenen en miljarden, alsof het niets zou zijn. Vraag je eens af, wat je zou kunnen doen voor de bevolking van Nederland met 1 miljard, door na te gaan, welk extraatje je per gezin zou kunnen geven. Zo redeneren betekent inzicht krijgen in de werkelijke betekenis van dergelijke getallen, en dit houdt ook weer in dat men zich niet zo gemakkelijk zal laten bedriegen door percentages, en verkeerd gehanteerde statistieken.

Mijn betoog komt hierop neer: Wie te veel op cijfers vertrouwt, bedriegt vaak zichzelf; wie zichzelf misleidt, zal zich verwijderen van de waarheid, waarnaar wij toch allen moeten streven.

Wat de nul betreft, nogmaals, voor mij hoeft die niet demonisch te heten. Ik vind zelfs de nul het meest onbenullige cijfer, wat er bestaat, maar door de wijze, waarop het gehanteerd wordt, is het gevaarlijk, zoals het gevaarlijk kan zijn alleen maar in getallen te denken en te kijken. Laat u vooral ook niet misleiden door bv. prijsverhogingen, die schijnbaar onbelangrijk zijn: Brood maar 1 cent duurder. Voor een gezin, dat per dag 2 broden gebruikt 15 cent in de week. Per jaar fl. 7.20. Maar al lijkt dit niet veel, wanneer enkele malen achtereen een verhoging plaats vindt, wordt het al veel meer. Zie eens, hoe ook andere prijsverhogingen, bv. boter fl.0.20 per pakje, koffie enz. gezamenlijk per jaar een groot bedrag vormen en vraag je eens af, wat je met dit bedrag wel anders had kunnen doen. Zo moet men leren rekenen. Tegenover medemensen zien wij het zelfde: Men spreekt in getallen en wordt daardoor tegen de eenling steeds onverschilliger. En dat kan wel erg onaangenaam worden.

  • Een vierde dimensie kan men zich niet voorstellen. Maar via een algebraïsche formule, gebruik makende van een apart symbool, kan men haar bestaan bewijzen. Kan dit cijfermatige bewijs nu ook als bewijs van werkelijk bestaan worden aanvaard – wat volgens mij overigens de dimensie niet verklaart, maar alleen aantoont, dat zij bestaat en de rest in het duister laat. Is dit, wat u bedoelt ons duidelijk te maken?

Het maakt wel deel uit van een van mijn punten. Men bewijst inderdaad het reële bestaan van een 4de dimensie. Maar dan redeneert men verder als mijn lieveling Berthold Schwartz, die zei: Wat deze bestanddelen nu werkelijk zullen doen, weet ik ook niet, maar ik weet, dat zij bestaan en dat zij mengbaar zijn. Misschien komt er wel goud uit. Met het bekende gevolg.

Al heeft men uit de 4de dimensie en de daarbij voorkomende rekenkundige bewijzen al heel wat geput, wat misschien een grote bereiking van de mens mag heten, maar die gelijktijdig door het gebrek aan besef van de mens voor de werkelijke waarde en betekenis van de veroorzaakte verschijnselen zelfs levensgevaarlijk is en nu reeds grote gevaren op de wereld heeft gebracht.

Laat ons niet vergeten, dat het deze soort berekeningen is, die de mens tot het vervaardigen van de atoombom heeft gebracht, waarvan hij echter de werkelijke invloed, werking, en mogelijkheden juist in dit rekenkundig aangetoonde deel van het continuüm, en de uitwerking daarvan op de wereld, niet bemeten of begrijpen kan.

Laat ons hierbij vooral niet vergeten, dat er ook in dit jaar nog zoveel radioactieve uitval is geweest – om dan maar van de controleerbare feiten alleen te spreken – dat weer een groot aantal nakomelingen van de mensen gedoemd zullen zijn tot beenderkanker, bloedkanker, aantasting van weefsels, aandoeningen van de longen en zelfs enkele erfelijk overdraagbare ziektebeelden. Ook wordt de ontwikkeling van weefsels in sommige gevallen door de uitval geremd, terwijl eveneens aantastingen van de hersenen voor kunnen komen. Men zal dit beeld wel af willen wijzen en zeggen, dat dit alles voortkomt uit onjuiste levenswijze, te veel roken, verontreinigen van lucht en water, maar ik zeg u, dat dit in vele gevallen, vooral bij jonge kinderen, het gevolg is van deze mooie berekeningen, die wel wijzen op het bestaan van mogelijkheden maar, omdat zij het onbekende daarbij benaderen en hanteren als bekende waarde, de mens confronteren met consequenties, waarvan hij geen denkbeeld had. Het grote gevaar hier is wel dat de mens, omdat hij het bestaan ervan berekend heeft en zelfs werkingen in eigen wereld op basis van die berekeningen waar heeft kunnen maken, ook dit onbekende meester is. In wezen is echter het onbekende zijn meester geworden door het hanteren daarvan. De mens meent, dat hij bepaalde dingen zelf in de hand heeft, maar weet niet, dat daaraan nog meer vast zit. Dit argument zou ook gebruikt moeten worden tegen hen, die zo graag rekenen met getallen, met de massa. Want wie rekent met de massa, kan zeggen: Onze militaire superioriteit is toch zeker wel het offer van 10.000 mensenlevens waard en alle ellende, die hierdoor ontstaat, weegt niet op tegen de vrede, die wij zo af kunnen dwingen. Mooi en abstract. Weet u, wat de mensen die zo redeneren verdienen? Dat zij neer worden gezet op een plaats, waar zij die 10.000 moeten zien sterven en lijden voor hun ogen. Wanneer zij dit beleefd hebben, wil ik wel eens horen, of zij er nog zo over denken. En als dit werkelijk het geval zou zijn is mijn raad: Stuur ze dan maar meteen naar de hel, want dan horen zij daar thuis.

Maar getallen maken het alles zo heerlijk abstract, laat alles zo ver van eigen leven en werkelijkheid bestaan, zelfs wanneer men met een deel van die werkelijkheid soms in contact moet komen; deze vormt dan volgens eigen begrip geen deel van eigen op basis van getallen genomen beslissingen. Zo zal een generaal nuchter besluiten, bv. twee bataljons op te offeren.

Maar generaal, bent u dan ook bereid over het slagveld te lopen en daar de kermende mensen te zien liggen met opengescheurde longen, hoofden, waar de hersens in te zien zijn, lichamen waar de darmen uithangen, mensen die liggen te kermen over pijn in ledematen, die eenvoudig van hun lichaam zijn afgescheurd? Bent u daartoe werkelijk bereid, of wacht u liever tot allen netjes verbonden zijn, om dan een bemoedigend woord te gaan spreken en te verklaren, dat het noodzakelijk is voor het heil van het vaderland? Concrete feiten, geen getallen. Wat zijn op papier desnoods 30.000 man? Veel misschien, maar iets, wat je toch voor een ideaal, voor vrede enz. wel meent te kunnen opofferen. Maar wie heeft de moed, zelf die 30.000 mensen te zien sterven en de nabestaanden te gaan vertellen, dat zij opgeofferd zijn op zijn bevel? Niemand. Daarvoor zijn zij te laf. Maar op papier? Vooruit dan maar….

Begrijpt u nu misschien, waarom ik getallen zo gevaarlijk vind? Waarom ik u allen op deze avond steeds weer zeg: Zoek naar de concrete waarden, de werkelijke feiten en gebeurtenissen achter het getal. Hanteer het niet alleen maar als een abstract iets, dat in de plaats van de werkelijkheid kan treden. Kijk door de getallen heen, blijf er niet tegenaan kijken. Neem verkeersongelukken. U leest, dat er dit jaar weer 1300 à 1400 mensen op de weg zijn verongelukt en doodgereden. Een getal. Jammer natuurlijk, maar er hadden nog veel meer ongelukken kunnen gebeuren, nietwaar. Het is heus geen reden, om zelf wat langzamer of voorzichtiger te rijden… Maar als je die mensen gebroken en verminkt had zien liggen, hen levend had zien verbranden in een wrak door de onvoorzichtigheid van anderen, zou u er misschien toch even anders over denken. Want getallen maken geen indruk meer. Getallen zijn constateringen, waarvan men de wezenlijkheid niet meer beseft. Daarom is het getal in vele gevallen gevaarlijk, kan het cijfer zelfs demonisch liegen en de mensen misleiden, juist doordat het a.h.w. sussend opmerkt: Kom kom, zo erg is het niet. Wat zijn duizend of 30.000 op de wereldbevolking, nietwaar? Het is maar een kleinigheid….

Dit zegt het getal tot de meeste mensen. Zeker spreekt het niet over het werkelijke lijden, de werkelijke gevoelens en behoeften van de mensen, over de verantwoordelijkheid, die men toch heeft tegenover de naaste en niet alleen tegenover de wereldbevolking als massa.

Het getal spreekt niet van de werkelijke feiten van het leven, spreekt niet van de nood van mensen, die verhongeren, mensen die opgeofferd worden aan allerhande belangen. Het spreekt niet over de mensen, die onnodig bij rampen en overstromingen omkomen, het spreekt niet over de boerenbevolking van Laos, die in een belangenstrijd tussen China en de USA kunnen verrekken, omdat hun levensmiddelen door de rode soldaten steeds weer worden afgenomen, terwijl zij, zo zij naar de andere zijde vluchten, niets, maar dan ook werkelijk niets hebben buiten enkele aalmoezen, die uiteindelijk slechts hun lijden verlengen. Getallen, prestige, berekeningen…. Maar waar blijven de mensen, waar blijven de feiten, waar blijft de wereld van levende mensen en belangrijke dingen? Dit is mijn bezwaar. Daarom zeg ik, dat het cijfer liegt.

En ik meen, dat u nu duidelijk zal zijn, dat ik dit niet zonder redenen zeg.

  • Nog een misschien dwaze vraag, maar u kunt die wel beantwoorden. Wat is eigenlijk het verschil tussen de nul, met haar toch ietwat demonische achtergrond en de cirkel, die toch de oneindigheid symboliseert?

Dit is een fantastisch leuke vraag, die ik kan beantwoorden met twee definities.

De nul is de aanduiding van het ledige, dat nadruk geeft aan het zijnde, maar in zich geen inhoud bezit. De cirkel is de aanduiding van een eeuwige kringloop, waarbij niet zozeer het besloten, het binnen de cirkel besloten niet van belang is, als wel het eeuwige, het ongebroken wezen van de lijn zelf, die oneindigheid uitdrukt en daarbij alle wisselwerking, kringloop, reïncarnatie e.d. weerspiegelt in een vorm, die zo evenredig is, dat zij gelijktijdig volkomen evenwichtigheid of volmaaktheid weergeeft. Je kunt het natuurlijk ook anders zeggen. Een nul is iemand die zich meestal wel groot voordoet, maar in wezen niets betekent. Een cirkel is een samenstel van waarden, waarbij de delen elkanders betekenis versterken. Zo, nu kunt u meteen uitmakend wat voor een kring of cirkel u wel hebt.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Nu wil ik eindigen met enkele definities van getallen.

  1. Een is het oneindige, het eeuwig vruchtbare, waaruit alles voortkomt. Als zodanig het verborgen begin van alle dingen.

 

  1. Twee is het vaderlijke, de wil, het vermogen, dat in het verborgene nieuwe krachten en nieuw bestaan kan wekken.

 

  1. Drie is de vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke, ofwel het kind, zo aangevende het resultaat van een treffen tussen potentie en wil, zo de schepping tot stand brengende.

 

  1. Vier is het getal van het kind, het geschapene, dat zelf begint een scheppende functie te beseffen namelijk 3 + 1, wat weergeeft het herscheppen van de mogelijkheden, van het moederlijke in de geuite schepping.

 

  1. Vijf is het getal van bewustzijn of wil, welke in de schepping vormend kan gaan werken, als zodanig het getal van de wil maar ook – de vijf zintuigen – het getal, dat ons de vijf pieken van het Pentagrammaton uitbeeldt.

 

  1. Zes is het getal van de scheppende wil, die binnen de schepping – of de weerspiegeling van het eeuwige – opnieuw het dierlijke tot stand brengt, dat nog het bewustzijn van bestaan en  eigen vermogen en wezen moet verwerven.

 

  1. Zeven is het getal van de mens, omdat de wil, inwerkende in de potentie van het geschapene en zo de scheppingskracht van de vader binnen de eeuwige moeder, het bewustzijn van vermogen brengt waarin stof en geest elkander ontmoeten en de mogelijkheid tot een ontstaan van het scheppende proces binnen het individu kan beginnen. Het is ook het getal van de planeten, die als eersten belangrijk zijn voor de mens op tafel.

 

  1. Acht is het getal van de mens die een vervulling vindt, zijn bewustzijn benadert het oneindige en de oneindigheid van het scheppende principe zich doet weerkaatsen binnen de innerlijke oneindigheid van de mens, waardoor de wil in hem gericht wordt.

 

  1. Negen is het getal van de mens, die, in erkenning van de macht van de goddelijke wil, – 2 – in zich aanvaardt de vervulling van het hogere, zo in zichzelf het bewustzijn barende, dat niet slechts het wezen van eigen bewustzijn, maar de waarden van het gehele kosmisch bestaan binnen zich kan ontvangen.

 

  1. Tien is het getal van de bewuste, die nog geen uiting heeft gevonden. Dit is de herhaling van de 1 binnen de mens. Deze erkent de kracht en het wezen van het goddelijke in zich, maar geeft nog geen uiting aan de werkelijke krachten Gods en is geen geuit en bewust deel van het goddelijk vermogen. Deze mens is één met zijn God, maar daadloos, opgenomen in Nirwana.

 

  1. Elf dit is het getal van de goddelijke wil, wanneer zij binnen de bewuste mens met zijn kennis en besef inwerkt en hem maakt tot het verlossende principe, waarbij hij de openbaring is van de voltooiing.

 

  1. De twaalf is de voleinding, want hier staat de volmaakt geuite oneindigheid binnen de schepping tegenover het scheppend wezen en herhaalt zich het scheppend principe. Hier wordt de schepping beëindigd en herbegonnen, hier is de mens versmolten met het eeuwige.
image_pdf