Het magisch of geestelijk zien

image_pdf

15 januari 1957

Wij kunnen dan weer een beetje ernstiger met onze esoterie beginnen. De vorige maal hebben wij ons bezig gehouden met het christendom, ook in verband met de tijd, maar op het ogenblik kunnen wij dan het nieuwe jaar beginnen met nieuwe gedachten. Nu is er niets nieuws onder de zon, dus hoe nieuwer een gedachte u schijnt, hoe ouder zij moet zijn.

Het onderwerp, dat ik u vandaag voorleg, is dan ook in de eerste plaats iets, wat in verband staat met het magisch schouwen, magisch zien. Dat is natuurlijk niet het normale zien met de menselijke zintuigen. Want wie met menselijke zintuigen alleen ziet, ziet in feite niet. Ik geloof, dat ik mij kan onthouden van de verdere omschrijving van het stoffelijk zien en onmiddellijk kan overgaan tot het magisch, of zo u het anders wilt noemen, geestelijk zien. En dan noem ik een heel oud Atlantisch citaat als eerste bron.

“Het leven van alle wezens is kenbaar in de vier elementen. Wie in elk der vier elementen aanschouwt, kan zich een beeld vormen, dat juister is dan dat der ogen en meer omvat waar het insluit het verleden en de toekomst.”

Het hoort bij de witte scholing en zou ons aanleiding kunnen worden dat wij ons moeten afvragen “Wat is dat schouwen in de elementen?” Wij weten allen, dat er krachten rond ons bestaan, die tot uitdrukking komen in wat wij zien als delen van onze omgeving. Wij spreken dan ook van de geesten der aarde, van de geesten der lucht van het vuur, van het water. Ja, misschien spreken wij ook nog over de ether en hetgeen daarin leeft.

Die verdeling in vier velden echter kunnen wij terugleiden tot bv. het menselijk lichaam. Want in het menselijk lichaam gezien vanuit ons, dus vanuit een geestelijk standpunt herkennen wij vier factoren, die werkzaam, zijn. De eerste factor, het lichaam zelf.

Het lichaam geeft hitte af, of om het anders uit te drukken heeft een infrarode straling, met lage intensiteit en plaatselijke variaties. Hierdoor zijn bepaalde lichamelijke toestanden al zonder meer afleesbaar.

Dan verder is er in het lichaam een spierbeweging. Er is altijd een reeks van delen in uw lichaam in actie Wanneer een spier beweegt, wordt die contractie veroorzaakt door een stimulans. Ook het verslappen. U denkt misschien, dat u dat gewoon doet door te willen, maar in feite is het een reactie, die wordt veroorzaakt door wat ik dan maar “elektriciteit” wil noemen, die inwerkt op bepaalde zouten in het lichaam. Ik zeg het maar heel populair.

Volledig juist is dit dus niet. Anders komen we in de biologie terecht, De reactie betekent een chemische omzetting. Een chemische omzetting betekent een vrij wording van kracht of een verandering van krachtsverhouding. Het resultaat is, dat ook dit als een trilling kenbaar is buiten het lichaam.

Tussen twee haakjes het is juist de wijze van bewegen, de bij de niet beheerstheid van de doorsneemens krachtverlies veroorzaakt en daardoor aanvulling van stoffen in de cellen zowel als een voortdurende opbouw van nieuwe cellen noodzakelijk maakt. Een afbraak van de oude cellen behoort dan grotendeels mede onder de vermoeidheidsstoffen.

Dan hebben wij verder een derde terrein, dat ook al zeer interessant is. Het zenuwstelsel met de hersenen en zijn verschillende verdere hoofdcentra kent zuiver elektrische stromen. En zoals u weet waar een elektrische stroom loopt, vindt inductie plaats. M.a.w. er ontstaat een veld, in trillingsgrootheden gelijk aan die van een pseudo-magnetisch veld.

Dan kennen wij daarboven een vierde gebied. Het vierde gebied is dat der gedachte werkingen en gevoelswerkingen. Dit kun je niet meer uitdrukken in stoffelijke waarden. Je kunt hier geen vergelijking maken, met dit of dat aan krachten in stof. Toch zou je het zo misschien duidelijk kunnen maken. Een totale verandering in een mens betekent ook een verandering in zijn levensritme, in het laat ik zeggen verbruik van levenskracht. En aangezien dat fluctuerend gebeurt, ontstaat er een vibratie.

De vibratie kan zeer hoog en betrekkelijk laag liggen. En ook deze vibratie wordt weer kenbaar. Maar door haar oorsprong (n.l. in het gehele lichaam praktisch gelijkelijk) toont zij ons in de eerste plaats een veel groter veld dan de eerstgenoemde drie factoren.

In de tweede plaats zien wij in dit veld een zogenaamde verschuiving optreden. D.w.z. dat niet de gelijke toestand in deze uitstraling bestaat op alle delen van het lichaam op het zelfde ogenblik. Het is een soort eb en vloed. Maar het zijn allemaal stoffelijke factoren, die buiten het stoffelijk oog om kenbaar worden. En dat is nu een heel belangrijk iets. Want buiten het stoffelijk oog om kenbaar, d.w.z. dat er een tweede waarnemingsvermogen moet bestaan. En dan put ik weer uit dezelfde oude bron, waarin wordt gezegd: “Het magisch zien is afhankelijk van eigenschappen, die ons tweede lichaam bezit.” En dat tweede lichaam, dat bedoeld wordt, is het etherisch dubbel. M.a.w. het etherisch dubbel heeft een eigen waarnemingsvermogen. En dit waarnemingsvermogen is in staat een beeld van een mens te krijgen, dat volgens het eerste citaat veel omvattender moet zijn, dan wat je ooit met je eigen ogen zou kunnen zien. Waarom?

Kan in een menselijk lichaam tijd zijn vastgelegd? Neen. De voorstellingswereld in een mens is een tijdloze, ook al zal hij aan de hand van uiterlijke omstandigheden zijn eigen beleven, zien als een tijdservaren. Het resultaat is dan ook, dat alles, wat in het lichaam aanwezig is geweest, en alles wat er als mogelijkheid in ligt voor de toekomst, reeds mee besloten ligt in de maximale variatie van de verschillende uitstralingen. Zo kunnen we dus komen tot een overzien van waarden, die ver liggen boven wat je je zo maar kunt voorstellen. Zou dit nu het enige zijn, dan zou het magisch gezien vergeleken kunnen worden met een soort helderziendheid zonder meer. Maar in elke materie, dus alle stof, vindt een gelijksoortige straling plaats, bestrijkende ofwel alle gebieden of slechts enkele der genoemde gebieden.

Omzetting van energie, hetzij vlug of zeer traag, vindt in alle materie plaats. Een reactie op de buitenwereld, al is het alleen maar een temperatuurwisseling, komt ook overal voor. Daardoor wordt een patroon geprojecteerd naar buiten toe, dat de eigenschappen ook van alle materie weergeeft. Zoals u zult toegeven een zeur interessant punt. Bij het magisch zien zou dus voor, een objectieve waarnemer (dat laatste is zeer belangrijk. objectief,) het mogelijk zijn om de kernwaarde, de werkelijke betekenis in de wereld, en zelfs in de kosmos van de stoffelijke punten, die hij kan beschouwen, voor zichzelf geheel te begrijpen. Dit magisch zien wordt in de oude ritualen gemaakt tot de basis van heel veel geestelijke belevingen en ervaringen.

Want, zo zegt men, en ik citeer weer “Eerst degene, die zijn verwantschap met de stof voelt, kan vanuit de beperkte wereld in de vrije dus geestelijke wereld in de vrije wereld reden en vanuit deze vrije wereld ook zichzelf leren kennen.”

Het magisch schouwen is dus klaarblijkelijk niet alleen bedoeld als een zomaar waarnemen in de omgeving, maar als een middel om tot zelfkennis te komen. Daar komt dan weer die al oude spreuk, die men elke keer weer ziet, naar voren “Ken uzelf.” Dat dit “Ken uzelf” hier wordt uitgedrukt in een beschouwen. van buitenaf is ook begrijpelijk. Want eerst de beschouwer, die buiten de voorstelling zelf staat, kan het gehele beeld zuiver opnemen. Deze functie neemt dan de geest waar, de geest van de mens in de stof. Maar zeer zeker bestaan die, zelfde mogelijkheden en bekwaamheden ook voor de geest, die buiten de stof leeft. Dus die bv. onze wereld kent en daarin bestaat.

Het resultaat is, dat veel later het zijn spreuken uit het Sanskriet een leermeester doceert: “Zien met het oog van de geest wil zeggen, leren de werkelijkheid te interpreteren. Maar elke interpretatie is persoonlijk. Zo is de geestelijke interpretatie van stoffelijke waarden onze eigen reactie op de werkelijke en niet de aangenomen toestand, die in de wereld bestaat.”

Een zeer scherp en klaar betoog, zoals u merkt. Ik heb het dan ook ontdaan van alle bijkomstigheden, waar het in een hermetisch vers is uitgedrukt. De stelling is begrijpelijk. Wij kunnen ons niet, ontdoen wan onszelf. Dat gaat niet. Maar naar gelang de wereld, waarin wij bestaan, kunnen wij zeker terugzien op de laagste delen, onze uiting en ons feitelijk bewustzijn, dat er boven staat, kan dus volgens zijn eigen en weel groter weten een waardering krijgen voor de beperkte omstandigheid, waarin de uiting plaats vindt. Nu zijn er heel veel mogelijkheden om, dit te gaan gebruiken, te verwezenlijken enz. Het ligt niet op mijn weg om u daarover in te lichten. Maar ik heb dit begin gekozen, omdat de geest in en rond, met u werkt en omgekeerd ook er onder u altijd mensen schuilen, die in meerdere of mindere mate contact vinden met de geest en met de geest leren werken. Hoe wij dit het best kunnen omschrijven? Ach, in de eerste plaats moeten wij begrijpen, hoe je een wereld waarneemt. En wat dat betreft, kan de geest dus wel degelijk een indruk krijgen van stoffelijke waarden. Zij kan heel goed begrijpen, wat er gaande is. Haar voorstelling is misschien niet geheel gelijk aan de uwe, maar, zij zal meer waarden, dan u bevatten kunt, mee in berekening trekken en in haar oordeel zuiverder en vollediger zijn, dan u ooit kunt zijn.

Uw eigen geest kan over de geest oordelen op basis van gelijkheid, zodra het stoffelijk bewustzijn wordt weggelaten. Wanneer je afstand doet van de stoffelijke wereldbeperking, kun je oordelen over de waarden van je eigen bewustzijnstoestand. En u bent geest. Er bestaat dus een punt van aanraking tussen stof en geest, gelegen in het geestelijk bewustzijn, dat in stof gebonden zich ook in de stof uitdrukt. Van hieruit naar de beïnvloeding is al een heel kleine stap. Want geest draagt in zich kracht, soms buitengewoon veel kracht. En wanneer deze kracht wordt uitgezonden met een bepaalde trilling, dan zal zo goed als u bv. door uw zenuwstelsel naar buiten toe een inductiestroming wekt, dus een daaruit voortvloeiende stroming, elke buiten u bestaande sterke spanning in u innerlijke veranderingen teweeg brengen.

Zo brengt de geest het dan inderdaad tot een verregaande en buitengewoon interessante beïnvloeding van de stof.

De beïnvloeding van de geest in de stof en omgekeerd haar leren uit de stof, is zeer, mooi beschreven door Hai pen lo ……… neen, ik moet het goed zeggen Hai Wung Po (dat is zijn naam), een Chinees uit de Tsjoe dinastie. Dus uit de periode, die ons grote denkers heeft gebracht, alsook ZaoTse en Confucius. Deze dichter beschrijft zijn contact met wat hij noemt de wereld der hemelse sferen als volgt: “Wanneer ik ontrukt ben en mijn lichaam neerligt, zo spreek ik vrijelijk met de geest der winden. Ik ontmoet de waardigheidsbekleders der vier rijken. U ziet, hier is de Chinese voorstelling van een bovenwereld gehandhaafd en elk van hen toont mij waarheid. Hoe groter mijn eigen verlies van mijn stoffelijke wereld is, zodat ik neerlig, onbekwaam, als gestorven, hoe zuiverder ik versta, wat men tot mij spreekt, en hoe meer ik mij mijn eigen onwaardigheid bewust word.” Die onwaardigheid is hier geen hoffelijkheidsfrase. Hij drukt uit zijn begrip van onvermogen en kleinheid tegenover de geestelijke krachten, die hij ontmoet. Het zou dan ook onlogisch zijn om aan te nemen, dat hij daardoor uit zijn eigen kunst die toch zeur sterk met klassieke verwant is wordt verdreven. Maar dat is niet waar.

Want hij vervolgt zijn betoog: “Wanneer ik weerkeer, trilt de penseel in mijn hand. En valt het mij moeilijk de tekens zuiver te vormen. Toch teken ik met vermiljoen en goud bestrooid de tekens van de hoge vreugde.”

Op die hoge vreugde gaat hij dan verder in. Ik wil daar enkele brokstukken uit citeren om u een indruk te geven. Zo zegt hij: “Mijn geest dwaalt in de keizerlijke tuin. En ziet, de keizer is een bloem. En zij spreekt in een volheid van kracht, alsof zij een herboren zon ware.” Het is een dubbelzinnig gedicht, maar hij bedoelt dit: Wanneer hij dat hele keizerlijke paleis, die hele verboden stad die begon zich toen al te vormen benadert, wanneer hij daar dat alles beschouwt, dan zijn het de bloemen, dien hun zuiverheid en reinheid het belangrijkst zijn.

T.o.v. de omgeving zijn zij lichtend, dat zij voor hem een stralende zon worden beschrijft hij verder. En soms zie ik de ongebonden en dat zijn de laagste slavinnen, die geen gebonden voeten hebben, gaan als zilverkleurige wolken, die in hun bedrijvigheid de grommende donder omringen en beperken. De eenvoudige mens, rein van harte natuurlijk, is uiteindelijk meester (ook al is zijn toestand die van slaaf) overal die grote gewichtige mensen, die in zichzelf alleen maar onheil baren. En dan is er een stukje, dat ik zeker niet mag vergeten. Dat is het kostelijke stukje, waarin hij niet zonder zelfspot zichzelf beschrijft “En terugkerende zie ik mijzelf als een ledigheid temidden van bedrijvige en lichtende krachten. En ik vraag aan de Heer (dat is de Heer van de Westenwind die hem in dit gedicht vergezelt) “Hoe is het, dat ik dit aanschouw, en in leef en het niet ken?” Dan is het antwoord wel kentekenend “Hierin berusten de letteren, die uw gedachten vereeuwigen.”

Een zeer interessante visie, maar ook een zeer praktische. Het schijnt dat zelfs de Chinese dichter praktisch moet zijn. Want met dat laatste gedichtje stelt hij meteen ook zijn eigen standpunt vast. Hij zegt: “Alles wat ik zie en beleef is uiteindelijk zo onbelangrijk. Maar een ding is erg belangrijk. In dit lichaam van mij ligt de bekwaamheid om uit te drukken, wat ik beleef, om het voor mijzelf te vereeuwigen en vast te leggen.” De letters die hij tekent, de symbolen die hij tekent, zijn voor hem het belangrijkste van het stoffelijk bestaan.

Ongetwijfeld zal het menig mens zo gaan. Menig mens zal uiteindelijk, bevrijd wordende van te grote stoffelijke beperkingen, in zijn vrije geest zien, dat zijn lichaam iets is geworden, wat eigenlijk heel weinig waarde heeft. De werkelijke waarden liggen ergens anders. Toch kan hij dat lichaam niet met rust laten, want daarin liggen de lettertekens (of zo u zeggen wilt de daden) waarmede hij zijn geestelijk beleven neer kan schrijven in de stof en zo voor zichzelf vereeuwigen.

Nu merkt dezelfde dichter echter op (het is overigens, een ander gedicht, een ander stuk epos) “En soms tekent, mijn penseel en de letters zijn vol van vorm en zuiver. Maar terwijl mijn ogen haar volgen, begrijpt mijn gedachte haar spel niet. Een ander leidt mijn hand.”

Er komt een ogenblik, dat je op de wereld met je daden, met je werken, iets uitdrukt, dat niet alleen van jou is. Een ogenblik, dat een geestelijke kracht het kan een volgens u goeds of kwade kracht zijn mee gaat spelen. En daarom is het goed, dat deze dichter dan ook zegt “Slechts eens wierp ik het penseel neer. Want wanneer het teken niet zuiver getekend is, hoe kan dan de gedachte rein zijn, die erin schuilt?” Er komt een ogenblik, dat hij dus afstand doet van zijn inspiratie, omdat de inhoud van hetgeen hij ontvangt niet meer in overeenstemming is met zijn eigen zedelijkheidsbesef. Hij zegt hier eigenlijk dus “Nadat ik geestelijk alles heb beleefd en in staat ben geweest mijn eigen waardering te vinden voor mensen en voor dingen, nu kom ik tot de conclusie, dat ofschoon ik mijzelf uitdruk door het lichaam en dit erg belangrijk is, ik toch een grens moet trekken voor hetgeen ik van anderen ontvang.

Ik mag niet alles aannemen, wat mij geboden wordt. Ik moet wel degelijk weten. Hier wil ik middel zijn en daar niet meer.

Het is alleen het magisch zien, dus het vermogen om geestelijk te ervaren, wat de stoffelijke waarden zijn, die hem tot een dergelijk bewustzijn brengt. Een bewustzijn, dat overigens in zijn moraal, in zijn zeden, zeker sterk verschilt met het uwe. Maar dat de geestelijke grondwaarden, de zuiverheid van leven als hoofdbron van lichtende kracht wel degelijk beseft.

Het is echter niet deze dichter geweest, maar een betrekkelijk obscuur priester in een van de Tibetaanse kloosters, die dit naar mijn idee nog het zuiverst heeft omschreven. Want hij zeide: “Het zien maakt voor mij een werkelijkheid uit het leven. Maar wanneer ik de ogen sluit in meditatie, zie ik scherper. Al wat zuiver is geeft licht. Zuiver is al wat leeft volgens zijn eigen bestemming. Hoe meer het eigen doel wordt vervuld, waarmede men in de schepping vertoeft, hoe sterker het licht, dat doordringt in het wezen. En het is dit licht dat de geest zal dragen boven het bereik der demonen in de vrijheid, die geen terugkeer, geen verbanning meer kent.”

Wij moeten eerst de dingen leren zien. We moeten eerst de waarden ervan leren kennen. We moeten de werkelijke betekenis weten. Maar dat is niet voldoende. Want of wij nu weten, wat wij zijn of niet wij moeten in de eerste plaats onze natuurlijke bestemming volgen. We mogen ons niet van het leven afwenden. We mogen niet voor onszelf een kunstmatige wereld gaan scheppen met allerhande beperkingen. We moeten dat zijn, waarvoor we geschapen zijn.

Dat doel is bij een ieder natuurlijk enigszins anders. leder heeft zijn bijzondere bekwaamheden, bijzondere vermogens mee gekregen. Ieder heeft een aparte scala van eigenschappen, die nuttig en bezwaarlijk zijn. En door deze op de juiste wijze uit te drukken, krijg je licht in jezelf. Maar eerst door het aanschouwen hiervan van buitenaf, vind je de werkelijke stimulus om dat leven voort te zetten, vind je de afhankelijkheid tegenover de wereld rond je.

Wanneer wij weel verder komen in de geschiedenis vinden wij Ambrosius, een van de ketterse kerkvaders, die sprekende over de toen zeer sterk gevoelde problemen t.a.v. het priesterschap en wel speciaal i.v.m. het al of niet gehuwd zijn van priesters, het celibaat deze mening durfde uit te spreken (iets waarvoor hij dan ook rijkelijk achtervolgd is) “Kan een mens priester zijn en dus Gods kracht op de wereld uitdragen, wanneer hij niet in de eerste plaats mens is?” En wanneer ze hem dan tegenwerpen: “Ja, maar een priester heeft als bruid de kerk”, dan maakt hij de opmerking “De vorst der apostelen, Petrus, nam zich een vrouw. Want als geestelijke bruid kan de kerk ons voldoende zijn, maar onze menselijke bestemming ligt niet in de theorie, maar in het voor ons praktisch verwerkelijkbare,” Hier zegt nu iemand uit een heel andere tijd, uit een heel andere gezichtshoek ook, toch eigenlijk hetzelfde. Ook deze mens moet iets gezien hebben van de krachten, die spelen binnen de mensen, van de werkelijke betekenis van het leven in de wereld. Hij zegt hier met andere woorden eigenlijk: “Jullie, die de priesters dan onthouding willen opleggen, jullie stellen onmogelijke eisen. Die eis kun je niet stellen, omdat de mens op de wereld is gekomen om te leven als mens. Je kunt deze mens niet huwen met iets bovennatuurlijks. Dat baart alleen maar ongelukken.”

Dat is later ook veel gebleken.

Wanneer hij gezien zou hebben, zoals bv. Franciscus (Franciscus van Assisi bedoel ik hier, deze heerlijke mysticus, deze zwerver Gods) dan zou hij er waarschijnlijk een paar woorden aan hebben toegevoegd, die Franciscus kort voor zijn sterven sprak. Hij zeide toen, dat hij Jezus zag als een engel m.a.w. hij zag de lichtende wereld. Maar hij stond met de dragers van zijn baar toen stil boven op de berg, waar hij hen stil had laten houden. En toen zei hij dit “Hoe heerlijk is dit land. Hoe dringt zuster zon in alle planten. Hoe dringt het licht, dat uitgaat van mijn Verlosser, die ik aanschouw in vele mensen.

En hoe duister zijn soms de kerken.” Iets, wat je van Franciscus eigenlijk niet zou verwachten. “Hoe duister zijn soms de kerken.,”

Hij is geen liefhebber van de kerk, zeker niet. Maar hier probeert hij dan toch even iets vast te stellen vanuit een geestelijk standpunt, Daar leeft iets niet, Waarom? Wat er gebeurt is het niet natuurlijke. Het past niet in het schema van kosmische waarden.

Wij zullen overigens veel later datzelfde nog door Thomas Moore horen bevestigen, die op een gegeven ogenblik toch ook durft uit te roepen: “Uw huichelarij is de muur, die schaduw werpt, zodat de Heilige Geest niet in u doordringt.”

Het is noodzakelijk en dat zul je het best kunnen beseffen, wanneer je het geestelijk zien, het magisch zien zelf een paar maal hebt beleefd, want dan kun je het aanschouwen, dan kun je het verifiëren, maar het leven vraagt het van je dat je je eigen bestemming vindt. Een bestemming, waarmee je tevreden bent. Een bestemming, die zowel stoffelijke als geestelijke waarden inhoudt.

Je lichaam, je stoffelijke omstandigheden zijn een instrument, zeker. Zoals de dichter zeide “want daarin liggen de letters, waarmede ik schrijven kan.” Dat is het voor ons ook. Wanneer wij als mens in de wereld staan, wanneer wij als geest ons een voertuig zoeken, bouwen in een lagere sfeer wat doen wij dan eigenlijk anders dan het handschrift van onze eigen gedachten, van ons eigen streven, ja, van ons eigen erkennen van hogere en lichtende kracht, neer te schrijven juist in de werelden, die het voor ons bewustzijn vereeuwigen.

Wat dat betreft is het zelfs in de moderne tijd gezegd door de korzelige filosoof Schweitzer. Als ik zeg: korzelige hij is een man, die kortaf is vaak. Hij zegt tegen een journalist, en ik geloof niet, dat iemand begrepen heeft, wat het betekent “Ik ben wie ik ben, omdat ik leef, wat ik ben. En ik leef, wat ik ben, omdat ik geloof.”

Men heeft ongetwijfeld gedacht, dat deze oude man hier alleen maar een raadselspreuk wilde geven. Maar dat is niet waar. Hij zei het wel degelijk zuiver. Hij leeft, zoals hij doet. Hij is dus, wat hij schijnt in de ogen van de wereld. Omdat hij innerlijk het bewustzijn heeft, dat hem duidelijk maakt, wat de uiting is, die hij vinden kan. “Ik ben, die ik ben, omdat ik ben, die ik ben.” Maar hij kan dit slechts zijn door zijn geloof.

Wat is zijn geloof? Geloof is voor de Christen en voor vele anderen het symbool van goddelijke kracht, van goddelijk licht. Nu kunt u misschien zeggen: “Maar voor ons lijkt het leven van bv. een Schweitzer onnatuurlijk. Neen. Hij vervult datgene, wat aan waarde in hem leeft. Hij schrijft, wat hij geestelijk ervaart, waarvan hij zich geestelijk bewust is, neer in de stof. Omdat hij de kracht, omdat hij het licht en ook het bewustzijn, het vermogen tot schouwen, gekregen heeft door zijn aanvaarding van boven hem liggende krachten. En waar U ook komt en waar u ook gaat, in welke sfeer, in welke wereld ook, deze dingen blijven van kracht.

Wie leeft in onze wereld, de wereld, die zo veel vrijer is dan de uwe, zal ook ditzelfde kennen.

Ook die zal soms uitstijgen boven zijn eigen wereld, en plotseling als een soort toneel alle wisseling van beelden en gedachten onder zich zien. Het hele bestel. En hij zal zien dat hier meer en daar minder licht is. Ja, zo schouwende zal hij zelfs zien, hoe de duisternis in de sferen, die misschien door sommigen onzer toch wel ontweken worden, omdat ze de moed niet hebben erin af te dalen, mee een rol speelt in ons hele bestaan. Dan zal hij begrijpen, hoe ook in onze werelden je de taak moet aanvaarden, waarvoor je geschikt bent de taak, die het je mogelijk maakt je wezen uit te drukken en te verwerkelijken. Dat is een van de grootste realiteiten, die er bestaan.

Alles leeft, wat natuurlijk leeft. Natuurlijk leeft niet datgene, wat onbeheerst zich uitleeft, want ook dit is niet natuurlijk. Natuurlijk leeft al datgene, wat de in het ik aanwezige eigenschappen zo goed mogelijk gebruikt om een eenheid te scheppen tussen bewustzijn en werken. Want is dit in de lagere vorm de opvatting, zo zullen wij gelijktijdig daardoor hooggeestelijk gezien. ons geestelijk bewustzijn er wezen kunnen uitdrukken in de wereld, waarin wij bestaan en zo haar uiteindelijk veroveren en overwinnen door een te worden met al dat licht, wat leeft in alle factoren van die wereld. Dat licht is het wat ons dan verder draagt naar nieuwe werelden en bewustzijnstoestanden. Tot dat we dan komen, waar vanuit ons standpunt niets meer dan licht is. Een licht, zo groot en zo verblindend, dat je er niet in kunt doordringen.

Maar aangezien het voor ons zo is, ja zelfs (en dat zeg ik niet zo maar, zo dat is mij bevestigd geworden) in de werelden boven ons is, zoals het ook op uw wereld bestaat, mag ik toch wel zeggen, dat het magisch zien, waarover ik op deze avond spreek, eigenlijk het vermogen is om jezelf te zijn. Jezelf te kunnen zijn door afstand te kunnen doen van de werktuiglijkheden van je bestaan.

U zult misschien willen vragen: Hoe bereik je dat? Dat bereik je niet bewust. Dat is een gave.

Een gave, die je jezelf verdient door zo eerlijk mogelijk te leven. Hoe eerlijker je leeft en hoe meer harmonie er bestaat tussen je geesten je stof, hoe eenvoudiger het wordt om een ogenblik die geest suprême te stellen in haar waarnemingen, om datgene te doen zien juist ook in de materiele wereld wit gezien moet voorden om een houvast te krijgen voor je eigen streven.

Voor degenen, die zeggen: “Dat bereik ik toch nooit”, heb ik de troost, die ook in de Mahabharta voorkomt “Wie eenmaal niet bereikt en streeft, keert terug en bereikt. Doch wie niet streeft en terugkeert, zal minder streven en minder bereiken dan voordien, tot hij ontwaakt tot streven.”

Degene, die in dit leven streeft, zal niet altijd de vrijheid, de gave bereiken, die hij begeert. Ofschoon het magische zien een gave is, die voor velen in dit leven reeds mogelijk is. In min of meer bewuste vorm zelfs. Maar wie het niet bereikt, bedenke wel: Deze gave moet eens werkelijkheid worden, omdat dit je baken wordt voor de laatste incarnatie, voor een laatste verenigd zijn met de materie, met de omgeving en de vormen van de wereld, waartoe je terugkeert. En eerst daarmede kun je ontsnappen aan de voortdurende herhaling van vormen.

Want juist door dit aanschouwen van waarden in anderen en in jezelf, ken je de waarheid zo goed, dat je de volmaking kunt vinden in je bestaan.

Wij mogen niet verwachten, dat het ons gegeven wordt zoals de groten het gevonden hebben. Zoals een Boeddha, die na jaren van troosteloos zoeken neerzat, de wereld aanschouwde vanuit de geest en ontmaakte als herborene. Zoals Jezus, die de woestijn inging. Zoals Mohammed, die vluchtte en in ontberingen, een nieuwe wereld zag. Zoals Mozes op de berg misschien ook. Dat is alleen aan de allergrootsten gegeven.

Bij ons is het licht niet te verdragen, is de gave niet onmiddellijk te verdragen. Voor u in de stof zou u het kunnen interpreteren “Wanneer je te veel vermogen en kracht zou worden geheven voor je tijd, het lichaam zou er aan ten onder gaan en daarmede zou het doel van de gave teloor gaan. Op het ogenblik, dat je in staat bent om stoffelijk dit te verwerken en te drager, wordt het je gegeven.”

o-o-o-o-o

De verschillen tussen man en vrouw, juist in esoterisch opzicht.             

Wanneer wij in de esoterische lessen proberen verschillende waarden te definiëren, dan lijkt het mij ook niet onaardig voor u, niet oninteressant, om een ogenblik te spreken over: De verschillen tussen man en vrouw, juist in esoterisch opzicht.

Want ongetwijfeld zult u zich gerealiseerd hebben, dat moge er misschien geestelijk geen verschil der seksen bestaan toch de uitingsvorm van de mens wel degelijk bepaald wordt door de sekse, waarin hij geïncarneerd is. En vandaar dat ik zo vrij wil zijn tenzij u mij daarin zoudt willen verwijzen naar andere waarden om enkele gegevens naast elkaar te zetten over de man en de vrouw, elk met hun eigen mogelijkheden en geestelijke waarden.

In mijn land bestaan er verschillende oude volksgezegden en een daarvan zegt: “Het is de taak der vrouw te volgen, waar de man voorgaat.” Een ander gezegde stelt daartegenover: “De man gaat het pad, dat zijn vrouw hem bereidt.” Een schijnbare tegenspraak, maar toch iets, wat buitengewoon belangrijk kan zijn. Want de vrouw is de heerseres in de materie over de gevoels- en begeertewereld. Is zij enerzijds de vruchtbaarheid dragende en de vervulling yen menig begeren van de man, anderzijds is zij door haar beheersing over het gevoel ook degene, die het mannelijk element in een bepaalde richting dwingt.

Om een Westers voorbeeld te geven: Dat een man gekleed gaat is zijn zaak. Hoe hij gekleed gaat, bepaalt de vrouw.

Hier ziet u een klein effect, hoe de vrouw invloed kan hebben op het wezen van de man, het niet geheel veranderende (dat kan zij niet), maar ‘n een bepaalde richting dringende.

Het pad van de man wordt wel degelijk door de vrouw bereid. Maar op het ogenblik, dat zij hem voor wil gaan, d.w.z. niet alleen de stimulans geven, maar ook te nauwkeurig de richting wil gaan bepalen, komt zij in een zeer treurige positie. Ofwel de man aanvaardt haar leiding, maar dan is hij geen man meer (want zoals men bij ons zegt “wanneer de vrouw regeert, wordt de man kind of dwaas.”). Ofwel alle lasten van het bestaan moeten door haar worden gedragen. Van een werkelijk streven, van een vooruitgang van de man zelf, is dan geen sprake meer.

Voor de man is het nieuwe gebieden te ontdekken, voor de vrouw hem een richting te wijzen, waar die gebieden kunnen liggen. Zo is er een samenwerking tussen beide seksen. Maar de beleving moet noodzakelijk een andere zijn.

“Wanneer de leeuw brult of de draak vuur spuwt, sterft de vrouw een korte wijle, de man strijdt of vlucht,” u zult zeggen Wanneer het gevaar komt en gerealiseerd wordt, blijft de vrouw ter plaatse. Zij zal niet aanvallen en niet verdedigen. Zij zal in de eerste plaats een beroep doen op haar omgeving. De man daarentegen is geneigd tot aanvallen en zal juist door het niet slagen van zijn aanval vaak weigeren de verdediging te handhaven.

Deze elementen zijn geestelijk belangrijk.

De Engelsman zegt: Door die: Ik zou zeggen dit is de man. De man moet volbrengen of ondergaan. Dit ligt in zijn hele geestelijke wezen. Hij moet een stoffelijke uitdrukking vinden en kan geen beperking daarin velen. Eerst wanneer hij een stoffelijke bereiking, een stoffelijk doel heeft, al dan niet met geestelijke inhoud of achtergrond, kan hij voor zichzelf een stoffelijk leven verwerkelijken.

De vrouw daarentegen heeft niet zo zeer de behoefte aan deze daadstelling. Ik zou niet graag willen beweren, dat de vrouw lui is. Maar haar waardering der dingen is een anderen. Haar gaat het eerder om de toestand, het gevoel, dat zij heeft, dan om de feitelijke waarde.

U zoudt dus kunnen zeggen: “Een ieder, die in een vrouw incarneert, leeft in de stof en werkt in de stof via het onbewuste, uitdragend geestelijke waarden in het stoffelijke, dan wel vervallend tot het dierlijke.” Voor haar bestaat geen tussentrap.

De man daarentegen zal nooit in staat zijn om zuiver geestelijke waarden uit te dragen.

Wanneer hij zuiver geestelijke waarden moet uitdragen, zal zijn praktische zin hem ertoe brengen deze te organiseren, vast te leggen in een stoffelijk dwangbuis en hij kan niet meer verder. Hij begint misschien met te zeggen “Ik heb deze waarheid erkend”. Hij eindigt met een vereniging, die deze waarheid als leuze heeft, maar hem zo in beslag neemt met de bijkomstigheden, dat hij voor zichzelf de waarheid niet meer erkent.

De man heeft nodig iets, wat en stoffelijk en ook geestelijk verantwoord is en in de stof verwezenlijkbaar. Hieruit vloeit voort, dat de magiër in de eerste plaats een man is. Maar dat de ware ziener (of misschien beter zienster), de waarnemer van geestelijke waarden, de vrouw is.

De vrouw is het, die aanvoelt, ziet, verwerpt. De man is het, die krachten oproept, beheerst en dirigeert en daardoor veranderingen schept in zijn eigen wereld. De vrouw heeft een felheid, die een man niet bezitten kan. Want wordt in de vrouw de felheid gewekt, hetzij geestelijk dan wel stoffelijk, dan zal zij haar doel, zo haar dit een noodzaak lijkt, nastreven met stoffelijk gezien dierlijke, geestelijk gezien absoluut onredelijke strevingen. Zij kent daar geen middelmaat. Het is zus of zo. Een overwegen en vinden van tussentrappen is voor haar misschien verstandelijk mogelijk, maar toch niet feitelijk in haar wezen aanvaardbaar. De man daarentegen kan niet komen tot uitersten. Hij neemt de midden trap.

Vandaar dat over de geesten, incarnerend in de geslachten, gezegd kan worden: De geest, die man wordt, is een geest, die een bewustzijn uitbreidt. De geest, die vrouw wordt, is de geest, die een bewustzijn bevestigt.

Mag ik aannemen, dat mijn woorden niet van licht ontdaan zijn in uw ogen? Dan mogen wij van hieruit ook verder zeggen: De man is in de materie of men dit nu aanvaarden wil of niet gelijktijdig de zwakste en de belangrijkste factor. Voor hem is de organisatie en vorming van een wereld noodzakelijk voor hem is het spel van mislukken of slagen het enige, wat duidt.

Een aardig beeld uit mijn eigen land weer. Men zegt: “Wanneer een man streeft op het pad der wijsheid, zo legt hij examen na examen af, slagend in vreugde, verworpen in neerslachtigheid. De vrouw ontvangt een liefde in haar leven en gaat niet verder.”

De man heeft de stoffelijke norm, de stoffelijke wetenschap, de stoffelijke aanvaarding met geestelijke mogelijkheden, zeer zeker, maar niet met een boven het stoffelijke liggende inhoud. De vrouw ziet het hele stoffelijke slechts als een verwezenlijking van een streven, dat een geestelijke oorsprong heeft en in de wereld niet redelijk kan worden uitgedrukt. Vandaar dan ook, dat de volksmond en naar ik meen in vele landen. zegt “De vrouw denkt redelijk te zijn, de man denkt redelijk.”

Ik hoop, dat dit voor het gedeelte der zwak genoemden en ongetwijfeld schone sekse geen belediging inhoudt. Want als zodanig is het niet bedoeld. De vrouw meent, dat haar uit andere sferen en toestanden getrokken, beleven, dat voor haar zo reëel is als het maar kan, in de stof door iedereen gezien en aanvaard kan worden. Vandaar dat zij meent redelijk te zijn. Maar in feite is het verstand voor haar het anders dan een omkleden met woorden, gebaren en redenen vaak zeer schetsmatig van de gevoelens, die zij van elders krijgt en projecteert in de wereld.

De man denkt redelijk. Zelfs wanneer de man onder de invloed komt van hoog geestelijke krachten, is hij niet in staat dezen zonder meer door hem te laten werken. Hij past voor zichzelf elke uiting aan de wereld aan. Voor zijn verstand, voor zijn begrip moet dit passend zijn.

De geest in de vrouw past de wereld aan bij haar denken. De geest in, de man past het denken aan bij de wereld. Toch kennen alle ware godsdiensten, die niet het dogmatische als eerste stellen, vrouwelijke en mannelijke priesters. Wanneer wij hun taakverdeling zien, is het ons wel zeer opvallend, dat wij in de lagere regionen der priesterschap de vrouwelijke priesters vinden, hoofdzakelijk als, dienares of kunstenares. Dat wil zeggen zij heeft anderen te bedienen, te helpen in een functie, dan wel schoonheid te creëren. De mannelijke priester daarentegen verklaart, redeneert, geeft orakels. Wanneer hij die orakels geeft, zal hij zich als middel voor de spreuk van de vrouw bedienen zij dient hem. Maar het is de priester, die de gang van zaken regelt. In de tempel is het de priesteres, die de sfeer schept het is de priester, die de rituele en magische handelingen voltrekt. Wanneer geofferd wordt, kan de priesteres het offer bereiden het is in negen van de tien gevallen de priester, die het offer opdraagt.

Wanneer het gaat over de geestelijke werkingsverdeling in een dergelijke orde met geestelijke bereikingen, dan zien wij wederom de priesteres haar geest uitzenden om waar te nemen. Zij neemt waar, zij constateert en zij waarschuwt. De mannelijke geest vanuit de priester uittredend handelt, grijpt in, maar neemt meestal veel onvolmaakter waar. Hieruit blijkt wel, dat de beide seksen op deze wereld werkelijk tegendelen zijn, niet alleen in fysieke zin, maar ook in wijze van geestelijke uiting. `Wat meer is, dat zij elkaar in stoffelijk bereik kunnen aanvullen. De vrouw stelt de begrenzing, maar het is de man, die de tussenliggende ruimte vult. De man bouwt de denkbeelden op het is de vrouw, die ze leidt, zodat zij geestelijke inhoud en waarde verkrijgt.

De samenwerking is noodzakelijk. Maar de geest, die als vrouw incarneert, moet uit de aard der zaak een bevestiging van in haar bestaande waarden zoeken. Voor haar kan het dus slechts een bevestiging zijn van een nog niet geheel bereikte toestand. In het begin is zij dus verder dan de man. Maar de man, incarnerend, krijgt een bewustzijnsuitbreiding en geen bewustzijnsbevestiging. Zo is het de man, die stijgt en na het leven, (na de incarnatie) staan dus aangenomen in het begin een verschil van bewustzijn van niet meer dan een graad beiden weer gelijk. U zoudt dus kunnen zeggen, – en nu hoop ik, dat ik het edel en krijgshaftig mannelijk geslacht hier niet meer met mijn woorden – dat het de vrouw is, die de man tot een bewustwording leidt. Maar zodra zij zich ervan bewust wordt, dat zij leidt, is haar leiding voor de man niet aanvaardbaar. Zo zuiverder omschreven: Het geestelijk element, dat zonder verstandelijk verantwoord of begrepen te worden door de vrouw werkt op de wereld, is de mogelijkheid tot bewustzijnsuitbreiding voor de man. Ik weet niet, of u dit probleem zo wel eens bezien hebt. Misschien wilt u opmerkingen maken of uitbreiding van mijn betoog vragen op een zeker punt. Dan ben ik gaarne van dienst,


  • Mag ik vragen hoe de wisselwerking later gaat in de sferen? Of bestaat er in de sferen later geen wisselwerking, zoals die hier op aarde bestaat?

Neen. Want man en vrouw zijn dus oorspronkelijke verschillende factoren geweest, maar gelijk gekomen. Daarmede is het verschil immers geëlimineerd?

En nu kan op gelijk vlak gekomen, dus met gelijke bewustzijnswaarden de uitwisseling van innerlijke krachten en ervaringen plaats vinden en zo een verdere bewustzijnsstijging mogelijk maken zonder noodzaak tot incarnatie en zonder uiteindelijk het aanwezig zijn van werkelijke verschillen in de verschillende geesten, die oorspronkelijk dus man en vrouw waren. Maar hoe zal dan uiteindelijk vanuit de sferen een bewuste geest, die de wens heeft te incarneren, zich het stoffelijk voertuig, hetzij man of vrouw kiezen? Er moet dus ergens in de sferen een bewustwording zijn, dat men in een van deze twee seksen gaat incarneren om een bewustwording te doen rijpen, slagen, in de stof, voor een latere bereiking.

Misschien zult u lachen om mijn antwoord. Maar de vrouw, als meer bewuste, neemt genetisch gezien met het minste genoegen. De man wil altijd alles hebben, wat hij krijgen kan en daarin ligt het verschil. Dus, een incarnatie in het vrouwelijke wordt bepaald door een mindere interesse in vorm en een grotere behoefte aan stoffelijkheid. Bij een man daarentegen is de vorm, die altijd gekozen wordt als werktuig, zeer belangrijk, terwijl de stoffelijke mogelijkheid daarmede te werken, later pas komt. Daar ligt het verschil.


  • Maar er moet toch bij een bewuste geest in de sferen een moment zijn, dat de keuze gedaan wordt. Ik kan mij voorstellen, dat deze geest de ene keer incarneert als vrouw en de andere keer als man.

Inderdaad. Dit wordt gericht door de behoefte van de geest. De keuze zelf is ook logisch verklaarbaar, wanneer u zich realiseert wat gebeurt in het eerste uur na de bevruchting. Dan zal u duidelijk zijn, dat juist in deze periode de vaststelling en daarmede de aanvaarding of verwerping mogelijk is.


  • Dus het wordt geestelijk beslist.

Laten we zeggen mede. De middelen zijn aanwezig, de geest aanvaardt, de mogelijkheden van die middelen of verwerpt ze.


  • Dank u Het is me nu duidelijk.

Ik ben blij, dat mijn nederige woorden voor u nog enig besef van uw eigen wijsheid hebben kunnen wekken.


  • Ik geloof dat mijn wijsheid heel wat minder dan die van u.

     

Ongetwijfeld is nederigheid een grote deugd. Maar indien ik mijn woorden al durf spreken en zij wekken een echo in u, hoe wekken zij dan niet waarden, die daarin reeds leven.


  • Worden er nimmer vergissingen gemaakt met de in- of reïncarnatie?

Ongetwijfeld, wanneer het eigen bewustzijn onvoldoende is, ontstaan vergissingen. En deze vergissingen kunnen dan soms, wanneer de geest later nog probeert correcties aan te brengen tot laten we zeggen onprettige karakter eigenschappen leiden, waarbij de vrouw te sterk mannelijk, de man te sterk vrouwelijk zich uit. Het denken biedt dan wel een grotere mogelijkheid, maar de lichamelijke bezwaren in de samenleving, daardoor ontstaan, zijn vaak tragisch en groot.


  • Komt het ook voor, dat zo’n vergissing bijtijds wordt bemerkt, zodat ze zich kunnen terugtrekken?

Inderdaad. Dat gebeurt dan meestal binnen een maand of 6 weken. Dat geeft dan natuurlijk wel enige lichamelijke gevolgen voor de mogelijke moeder. Soms zelfs kan nog een wisseling van beïnvloeding plaats vinden, zodat de entiteit nog wisselt in deze periode, maar dat komt niet zo heel vaak voor.


  • Maar moet er toch in elk geval een wisseling van entiteit plaats vinden.

Neen. In het geval dat dit niet gebeurt, zal de vrucht onrijp sterven. Waar dit in de eerste periode, gebeurt, zijn de lichamelijke gevolgen misschien een ogenblik pijnlijk zijn voor de moeder, de mogelijke moeder, verder niet van buitengewoon groot belang.


  • Als zij tenminste begrijpt, wat er gebeurt. Want, anders is er verdriet en dergelijke.

Het kan een verdriet of een vreugde zijn. Dat ligt aan de persoonlijke beleving. Maar een begrijpen van geestelijke krachten, die werken in je leven, moet m.i. op deze termijn een aanvaarding van een mogelijke verandering nog mogelijk maken, zonder dat daar een te groot verdriet aan verbonden zit. In een latere periode wordt dit natuurlijk anders.


  • Daaruit mag toch niet de conclusie getrokken worden, dat elk niet voldragen worden van een vrucht gelegen is in het feit, dat de entiteit zichzelf niet gevonden heeft?

Het zou mij zeer stoutmoedig toelijken alle mislukkingen, zoals u ze noemt, daaraan te wijten. Eerder zou ik willen zeggen: Wanneer geen andere oorzaak daarvoor bestaat, kunt u met enige zekerheid aannemen, dat de door mij genoemde reden dan wel de oorzaak zal zijn. Maar waar dit voor u zo moeilijk te bepalen is, lijkt het mij verstandiger, dit alleen als verklaring te accepteren op het ogenblik, dat ook werkelijk geen andere reden te vinden is.

Om het anders uit te drukken: Laat de geletterde zich niet in de krijg begeven, want wie vecht met een schrijfstift wordt door de vijand gedood. Mens, blijf in je menselijke waarden en zoek je menselijke verklaringen, voor je naar de geest vraagt en zoekt. Want wie te veel wil verklaren uit de geest, tekent zich een onjuist beeld van zijn eigen wereld en is daardoor aansprakelijk voor eigen onjuiste handelingen in deze wereld.

o-o-o-o-o

De beschrijving van een orakelplechtigheid in de Karakorum 3600 jaar geleden.

Tenzij u daartegen een bezwaar heeft, zou ik u gaarne een beschrijving voorleggen van bepaalde rituele plechtigheden met de hoogstnodige verklaring daarbij:  De beschrijving van een orakelplechtigheid in de Karakorum 3600 jaar geleden.

De plechtigheid zelf, waar ik het over heb, bevat hier eigenlijk de waarde van een orakel, maar een zeer eigenaardig orakel. De tijd waarin het plaats vindt, is circa 3600 jaar voor Christus geboorte, volgens Uw tijdrekening. Plaats: achter Indië gebied het voorgebergte van de Karakorum, plaats van handeling: een grot, een tempelgrot.

Deze tempelgrot is uitgehouwen in donkere steen: wij vinden naast lei nogal basalt. Wanneer wij door de versierde portalen zijn heengegaan, komen we in een aantal gangen met guirlandes en zijgrotten. Hier is een duisternis, die alleen gebroken wordt door kleine lichten van olielampen, of beter gezegd vetlampen. Wanneer wij nu deze gang doorlopen, komen we in een kleine open ruimte, een kleinere grot die altijd nog groter is dan deze beide kamers hier en vandaaruit buigen we nu scherp rechtsaf, door een grote gang en komen nu in een zuilen galerij uit bij een grot, die bijna een kathedraal lijkt. Ik geef u even dit beeld, zodat u precies. weet waar u bent.

Wij zien dan voor ons aan groot beeld. Wij zien, dat daarnaast een gong of een schaal hangt, betrekkelijk hoog. We ontdekken dan een reeks beelden sommigen in nissen, andere gewoon in rijen opgesteld, en wanneer u goed kijkt, ziet u, dat deze zuilen ook voortzetten aan de pilasters, zoals deze waar wij op het ogenblik bij deze gaan staan. U ziet daar dus allemaal die half uitgehouwen pilaren en wanneer u goed kijkt, ziet u dat dit ook beelden zijn.

U ontdekt verder daar u hebt zo-even rechts naar voren gekeken en dat beeld gezien en nu kijkt u een klein tikje meer naar rechts dan ziet u een paar deuren. Deze deuren zijn met een bronsachtig metaal beslagen. Waarschijnlijk een soort koper.

Wanneer u de andere kans uit kijkt, ziet u daarachter een paar beelden, en een donkerte. Daar is het donkerder dan hier in de galerij zelf en zeker donkerder dan deze tempel, die verlicht wordt door een soort pekfakkels en ook weer veel van deze vetlampen. Dat is dus blijkbaar een ingang naar een andere afdeling.

Het branden van deze hars en pek geeft op zichzelf al een reeks van geuren af. Maar wanneer u de goedheid wilt hebben om even naar voren te kijken, dan ontdekt u daar een viertal komforen, primitief gemaakt uit aardewerk en u merkt hoe daarin houtskool gloeit. Daar worden zo dadelijk kruiden opgeworpen en dezen hebben enigszins een verdovende werking.

Ik hoop, dat u zich dit zo dadelijk zult herinneren. Hier werken dus bepaalde factoren mee om een bewustzijnsverhoging enz. te verkrijgen.

De plechtigheid, die wij op het ogenblik willen bijwonen is het consulteren, van het orakel, dat een beeld zal geven voor een nieuwe hogepriester, die zal worden aangesteld.

Wanneer u oplet zult merken, dat er langzaam aan mensen binnenkomen. We zien, dat de mannen en, vrouwen gescheiden blijven. We zien verder, dat de meesten buigen voor enkele kleine beelden en eindelijk zich ter aarde buigen voor het grote beeld. Daarna nemen zij plaats in geïmproviseerde rijen op de kale vloer.

Kaalgeschoren mensen, betrekkelijk gering gekleed een lendendoek en een soort van borstsieraad komen op het ogenblik aan en werpen kruiden op de komforen. Er klinken gongslagen., u hoort een ritme, ritme dat haast klinkt als het stampen van rijst. Het is ononderbroken, een soort roffel. U hoort er zo langzamerhand andere klanken tussen komen en hier ineens een schel geluid. Dat is haast oorverscheurend.

Dat is het begin van de plechtigheid. Dan komen offerpriesters aan. Zij komen hier uit de deuren dus niet uit de galerij zoals tot nog toe alle toeschouwers, die binnengekomen zijn, hoewel enkelen inderdaad ook uit die deuren komen, maar werkelijk uit deze deuren, die nu opengaan. Ze komen in een plechtige optocht. Ze worden begeleid door dragers van lichten.

Zij hebben een lam bij zich. Hier zal dus een vleesoffer worden gebracht. Daar achteraan komt op het ogenblik een geit. Ook deze zal offer zijn. U behoeft niet bang te zijn, dat deze plechtigheid ruw of primitief is. In dit genootschap is men over het bloedige offer heen.

Nu komen van de andere kant, uit het duistere gat, waar ik daarnet op heb gewezen, een aantal vrouwen. Zij dragen op het hoofd gevlochten korfjes, nogal kunstzinnig en hierin ontdekken wij vruchten en bloemen.

Nu begint een eigenaardig ritueel. De vrouwen komen aan en passeren de mannen. De rijen dwarrelen een ogenblik door elkaar en keren terug, zodat er een zig-zag is voor de gezetenen en voor deze bekkens, die langzaam slangvormig, zich steeds door elkaar wevende, zich begeeft tot de open ruimte, die vlak voor het beeld ligt.

Achtereenvolgens zetten de vrouwen in de volgorde, waarin zij gaan zij gaan in een rij een na een, zoals u ziet, hier hun korfjes en schalen neer. Daardoor staat nu een soort rand van bloemen aan het beeld.

Nu begint het ritme zich te wijzigen. We ontdekken hier bepaalde gongslagen in een soort van tam tam geluid. Deze vrouwen beginnen nu een soort langzame statige dans. Het is opvallend, dat het onderlichaam praktisch niet beweegt en dat zij zich toch verplaatsen. Het is een soort glijden, waarbij zij voortdurend andere posities ten opzichte van elkaar innemen.

Daarbij worden hoofd gebaren en armgebaren gemaakt. De gebaren wijzen hier op een smeking, die voortdurend gericht wordt naar het beeld. Daarna worden gebaren van afkeer gemaakt tegen de priesters, die echter deze gebaren met een soort smeking en naar de vrouwen en haar het beeld, beantwoorden.

Nu wordt het ritme sneller en uit de verschillende priesteressen zien gij er nu drie naar voren komen, die een dans beginnen, waarbij alle ledematen in een zeer schokkende beweging worden rondgedraaid, waarna zij zich neerwerpen voor het beeld.

Dit alles is een voorbereiding. Maar wanneer u iets kunt aanvoelen, van de betovering, die dit vreemde beeld in dit flakkerende licht heeft gebracht, dan kunt u begrijpen, hoe dit tezamen met de bedwelmende geuren, die nog steeds uit deze aarden komforen opstijgen, wel degelijk een grote invloed heeft op een ieder, die aanwezig is. Het is alsof de sfeer beladen wordt.

Misschien voelt u zichzelf ook wat irreëel. Net of u er eigenlijk helemaal niet bij bent.

Nu komen eerst de priesters en worden eerst het lam en het geitje aangeboden aan deze grote godheid. Zij rusten een ogenblik op de stenen plaat binnen de korve. De priesters trekken zich terug, de dieren blijven heel rustig staan.

Het is geen wonder, zij hebben deze plechtigheid al meer meegemaakt. Er valt nu een licht.

Hoe? Ach, wanneer u kijkt, dan zult u zien, dat men hier gebruik heeft gemaakt van een tweede spiegel, een tweede bekken, dat zeer onopvallend in een nis zich boven het gewelf bevindt. Hierdoor begint de spiegel te lichten. Deze grote gong, deze harp. Niemand let op de dieren behalve de priesters. U ziet, dat dezen de dieren eenvoudig met een klapje wegjagen en die lopen daar op het ogenblik de donkere gang in. Dan is het voorbij. De symbolische aanbieding van het bloed is geschied. De vrouwen hebben hun leven gegeven aan de godheid, de priesters hebben met hun offer de meerderheid wan de godheid erkend.

Thans gaat het om het orakel. Er komt een ritmisch gezang. Let u op, hoe allen, die aanwezig zijn, gepakt worden door dit trage ritme en mee gaan deinen, mee gaan deinen. Alles schommelt. Langzaam, gezeten op de grond, beweegt alles zich in een ritme. Voortdurend klinken dezelfde woorden, de onbegrijpelijke lettergrepen, waarvan zijzelf de inhoud misschien niet meer kennen. Het is alsof een massa hypnose zich heeft, meester gemaakt van alles, wat aanwezig is.

Maar u bent niet gepakt en toch kijkt u naar die spiegel. Dat licht was een truc, dat weten we.

Maar is het niet of dat licht verandert? Is het niet of er schaduwen komen? Ziet u, hoe zich, als in een spiegel, die in een buitenwereld weerkaatst, een beeld vormt van een gelei. Wanneer u goed kijkt ziet u een paar bewegende stippen. Het is een beeld, dat absoluut reëel is en dat hier binnen in de berg zomaar in de spiegel bestaat.

Dit kan geen projectie zijn. Wat meer is nu weerkaatst de spiegel de tempel. Hoe snel is dat, het lijkt wel een bioscoop. Het gezang gaat verder, het wordt intenser. U kunt voelen dat zij smeken om iets. Zij willen weten waar de nieuwe stem der goden vandaan komt.

Nu is het eigenaardig. Een sidderend geluid. Hoort u het? Het is heel licht. Het gaat doorklinken. Ziet u, dat het beeld wazig wordt? Het is die gong boven, onberoerd, die zo hangt, dat niemand erbij kan. En die, gong klinkt!

Dan komen er tekens. Let op: een bol, granaatkleurig. Nu groen een groene tak. En dan dit: Het lijkt een waterblauwe staaf. Neen, het wordt een suikerbrood. Er gaat een zucht op.

Merkt u hoe al deze mensen hier in uiterste spanning gewacht hebben en nu schijnbaar iets ontvangen hebben?

Let u nu op. Het licht van de spiegel raakt twee van de priesters beneden en twee van de priesteressen.

Het is vastgesteld. Deze zullen het zijn, die voor de nieuwe opperpriester verantwoordelijk zullen zijn. Zij zullen hem moeten zoeken en brengen. Maar intussen terwijl de symbolen nog vaag doorschemeren licht er achter weer een beeld op kleine hutten, grotwoningen hier. Hier, op een van deze huizen blijft het staan.

Nu vervaagt het beeld een ogenblik. Het is warrig, het lijk of de zon er even in schijnt. Alles buigt nu. Ze kunnen niet zeggen, dat het een gezicht is, maar er is een nevel met ogen in de spiegel. Het leeft. En dan, nevel, sterkere nevel in de spiegel is weer normaal.

Het is doodstil Het vuur in de bekkens is donker geworden. De flambouwen zijn hier en daar opgebrand. Toch is er licht genoeg, maar het lijkt net alsof er iets is weggegaan. Het is ineens killig.

Zo-even was het haast geurig, zoet geurig als kaneel. Nu ineens is het weg. Je ruikt weer mensen en brandende fakkels. Het blijft nog stil. Alles zit nog. Heel langzaam zien we de wiegende beweging, die daar, zo even zo intens heeft geheerst. Het is haast onwillekeurig, alsof al die mensen gelijktijdig ademhalen. Daar gaan ze, twee priesters en twee priesteressen. Zij gaan nu recht op het beeld af, buigen voor het beeld en verdwijnen links in de gaanderij. Niet door die donkere opening, maar ergens anders, waarschijnlijk door een kleine deur om zich gereed te gaan maken voor een optocht of hun reis.

Kijkt u eens naar die bloemen daar. Ziet u, dat al die bloemen en al die vruchten bruin lijken?

“Lijken” denken we, want we weten niet, of het zo is. Zij kunnen niet ineens zo verdord zijn in zo n kort ogenblik.

Zo, daar is en gongslag. Dat is het teken, dat de plechtigheid is afgelopen. Niemand bekommert zich verder om die mandjes. Oh, later gaan een paar kinderen naar toe. En daar zie ik een paar mensen lopen. Een van de. priesteressen komt terug en neemt wat. Men schijnt heel rustig uit deze manden te nemen, wat men hebben wil. De essence, die aan de God was geofferd, is eruit. Nu moeten wij ook weggaan. Maar wij moeten ons even realiseren, wat, wij gezien hebben.

Want er is op het ogenblik nog zo’n grot en er is nog deze spiegel in de wereld. Hij is al heel oud, naar men zegt bijna, 6000 jaar, vermoedelijk nog veel ouder. En nog zegt men, dat in deze spiegel beelden te zien zijn, beelden van jezelf. Wat je bent en wat je kunt zijn. En ook dan zegt men, dat die sluier opkomt, die sluier met ogen een gelaat, dat je niet kunt onderscheiden, maar dat er toch is.

Vele hebben hier gezien een aanwijzing voor een nieuwe stem Gods. Van een wezen, dat geïnspireerd kan worden en dat voortaan – nooit meer deze tempel verlatende – de uitdrukking zal zijn van het gelaat, dat wij een ogenblik achter die sluier hebben gezien. Want hier openbaart zich een geest, die leiding geeft. Leiding aan een gebied, dat bereid wordt gemaakt voor het ogenblik, waarop zo dadelijk de bewusten en ingewijden hier zullen gaan leven.

Hierdoor wordt de tovenarij beperkt en in een nieuwe richting gestuurd. Hierdoor worden de primitieven in de dalen voorbereid tot samenleven met hoog geestelijk bewuste mensen. De tempels, die ze nu hakken, op bevel van de hogepriester, zullen de verborgen schatten van de wetenschap dragen van mensen, die erfdelen van jaren, van eeuwen, ja, van het begin der mensheid met zich dragen.

Zo werken in de oudheid reeds de krachten der geest zij het in een Godsvorm, omdat de mensheid ze nog niet anders kon aanvaarden met de mensen, ook met de primitieve mensen.

Zij brachten hen tot het volvoeren van een groot werk, dat noodzakelijk was om een verdere leiding en bewustwording voor de mensheid mogelijk te maken.

Ik geloof vrienden, dat mijn commentaar voldoende is en het beeld eigenlijk reeds voor zichzelf heeft gesproken. Heeft het u geïnteresseerd?

Dan zullen we ongetwijfeld een volgend maal weer gaan kijken maar bepaalde mystieke gebeurtenissen zo hier en daar, in de hoop, dat u zich daardoor een beeld kunt opbouwen van de door de hele geschiedenis der mensheid lopende invloed van hoog geestelijke krachten, die niet gebruikt worden om de mens in zijn vrijheid te belemmeren, maar om een gedeelte van zijn krachten, die hij anders toch niet of verkeerd zou gebruiken, te richten op het voorbereiden, steeds weer, van de grotere bewustwording van komende geslachten.

o-o-o-o-o

Meditatie

Bewustwording. 

Bewustwording. Het ontwaken van een ziel. Het langzaam aanvaarden van een eeuwig erfdeel, dat je werd gegeven.

Het is een wonderlijk beeld, wanneer je je bewust wordt. Je vaart langs de oevers van een rivier en beeld na beeld vertoont zich. Maar je zoekt naar iets en je weet niet wat. Het land gaat aan je voorbij, zonder dat je het beseft. En dan ineens…. dan staat er iets, wat je doet denken.

Een ruïne misschien, een beeld van de oudheid. Misschien ook een eenvoudige boom, alleen maar groots en trots, tegen de lucht. Je bent erdoor geboeid en gepakt. Het voegt zich in beelden, die in je leven. En je kijkt met nieuwe ogen naar het landschap. Het is, alsof het je meer te zeggen. heeft, of het meer inhoud heeft gekregen. Je bent van iets bewust geworden.

En er is iets in je, dat zich verrijkt heeft met dat, wat buiten je lag.

De bewustwording van de mens speelt zich meestal zo af. In je draag je een ongekend verlangen, een onvermoede wetenschap, onverwachte gevoelens. En al deze dingen bij elkaar hebben niets te zeggen, totdat ze ergens buiten je een invloed ontmoeten, die aanspreekt, die iets te zeggen heeft. En daarin ontwaakt dan plotseling een nieuw aanschouwen van de hele wereld een nieuw accepteren van de grootheid, en nieuw aanvaarden van het bestaan. Je verandert. Want naarmate je ogen zich met nieuwe wereldbeelden vullen vult zich het wezen met nieuwe gedachten, omtrent streven en mogelijkheden. De bewustwording is eigenlijk een steeds meer bewust worden van jezelf, door hetgeen je buiten je meent te ontmoeten.

Daarom zou je kunnen zeggen “Als een vijver in de ochtends door de nevelen nog bedekt, ligt de ziele en zij sluimert tot het goddelijk licht haar wekt.”

Maar het licht, dat in haar kaatsend, spiegelen doet, wat rond haar staat, doen bevatten het bewustzijn, dat een wereld opengaat.

En dan bloeit uit al die beelden ‘n denken om het eigen zijn, en men leert zichzelf beperken onbelangrijk wel en klein, toch weerkaatsend heel de zonne, heel de bron van ‘t wereldlicht en men ziet de zonnestralen tot in ‘t eigen hart gerichte.

Dan fluisteren duizend talen: de wind, het water, de kust, is verstoord kristallen spiegel, weg der vijver morgenlust.

Soms dan strijden de elementen, zweept nat water wild zich op, heft als wilde het ‘t land verslinden golvend hoog de witte kop.

Maar steeds weer terug in eigen grenzen moet het vijverwater gaan. En komt de nacht, dan zal ze rustend weer als glazen spiegel staan.

Maar alle beelden, nu ontvangen, zij leven voort in elke drop, en zo slurpt zij, dag na dag, het weten der omgeving op.

De mensenziel is als een vijver, die het goddelijk licht weerkaatst, maar zichzelf kan verrijken met wat rond haar steeds doet blijken te bestaan.

Zo bouwt zij uit der wereld grenzen, en uit het beeld der spiegelwaan, zich het beeld van zijn en wensen, zich het beeld van werkelijkheid. Totdat de vijver met de zonne aan de einder eens verglijdt. Want het water stijgt op in de hitte van de middag, zoekt de zon en gaat voort, totdat zij heeft gevonden het punt, waar eens haar zijn begon.

En in zich draagt zij alle weten en wezens, planten, mensen, tijd. Totdat ‘t bewustzijn, ‘t Al aanvaardend in de eeuwigheid, om zijn God, als enig wezen, als het enig ware schreit.

En dan? Spiegel, waar de zonne zelf steeds haar schrift op schrijft, die met de zon in al haar gangen vereend en eeuwig hetzelfde blijft.

Spiegel van een goddelijk wezen, is wie tot bewustzijn kwam en zo aan het ik, de bron der vrezen, de bron der waan, uiteindelijk nam.

Wij zijn de weerkaatsing van het Goddelijke. Maar eerst moeten vlij onze begrenzing opnemen en onze mogelijkheden Vechtend tegen de grenzen, die ons omringen, uiteindelijk vindend de weerkaatsing, van het licht in onszelf, tot het Licht ons opneemt, verheft en met zich voert en wij uiteindelijk een worden ermee in ons bewustzijn. Slechts zijnde de uiting van het Licht, waarin wij zelf bewust opgaan.

image_pdf