Het magisch woord

image_pdf

24 juni 1966

Ook nu wij in deze warme en woelige dagen bijeenkomen wil ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Vanavond wil ik graag met u spreken over: Het magisch woord.

Wij weten allen, dat woorden soms erg belangrijk kunnen zijn. Naar ik meen, heeft men daarvan kort geleden een goed voorbeeld kunnen zien, toen het woord moordenaar op een ‘juist’ ogenblik viel in Amsterdam. Dit bracht een uitbarsting teweeg. Maar een woord kan nog veel meer betekenen. Het woord is namelijk ook een uitdrukken van een mentaliteit. Indien wij een bepaalde mentaliteit door het woord gezamenlijk kunnen lanceren op een ogenblik, dat dit ‘juist’ is, daar het woord tussen allen een zeker rapport wekt, zo zal het woord een kracht worden, die niet alleen tot de menselijke wereld beperkt blijft, maar waarmede men ook geestelijke krachten en werelden zal kunnen beroeren. Dit zal u reeds enigszins duidelijk maken, wat ik met het begrip magisch hier bedoel: elk woord kan magisch zijn. Het kan dus bij wijze van spreken evengoed ‘God zegene u’ als ‘barst’ zijn, dat magische achtergronden wekt. Zij zullen beiden een meer omvattende, een magische betekenis verkrijgen, wanneer zij op het juiste ogenblik met de juiste intonatie en intentie worden uitgesproken.

Want achter het woord ligt immers de menselijke begripswereld. Deze menselijke begripswereld is een stoffelijke reeks van associaties, die mede is afgeleid van de geestelijke bestemming van die mens. Wanneer je als geest op aarde incarneert, heb je reeds een voorgeschiedenis. Dit weten wij allen. De meeste mensen denken er echter niet verder over na en begrijpen niet, dat dit meer inhoudt dan een bepaalde bewustwording. De geest, die in de stof daalt, heeft ook een zekere ervaring, zekere bekwaamheden (zij het geestelijke) en beschikt reeds over een grote reeks zogenaamde harmonische associaties. Deze harmonische associaties zijn begrippen, die je wereld in de geest bepaald hebben, maar ook je mentaliteit, je reactie op de wereld bepalen, je vermogen om je één te voelen met de dingen, of het in je bestaande verzet daartegen tijdens het bestaan op de wereld van de stof. Woorden zijn in zekere zin ook een weerkaatsing van deze waarden. Wat betekent, dat het menselijk woord terug kan grijpen tot in de kern van het menselijke wezen, zelfs tot in de ziel. Het woord, dat wordt gesproken is, materieel gezien, een beperkte uitdrukking van een begrip of waarde. Maar daarmede worden in het ik harmonische associatie gewekt. Dit betekent, dat in elk geestelijk voertuig van de mens het equivalent van dit woord als kracht, straling of trilling zal ontstaan. Dit wil zeggen, dat in elke wereld deze kracht, gelegen in het woord, tot uiting kan komen.

Dit betekent weer dat harmonische waarden en krachten uit alle werelden gewekt kunnen worden via het woord. Wanneer deze zo normaal worden gebruikt, denken de mensen daarover niet verder na. Zij waarderen de woorden meestal alleen naar het menselijke begrip dat daarin tot uitdrukking wordt gebracht. Wanneer iemand dus voluit bijvoorbeeld “g.v.d.” zegt, zo zal men dit dan ook altijd als een vloek beschouwen. Het kan echter een zelf verdoeming inhouden. In de meeste gevallen is de intentie, de associatie daarbij in de mens echter niet aanwezig, met het gevolg dat de uitdrukking, hoe ergerlijk ook voor anderen, niets meer of minder is dan een reeks lege klanken. Er is geen sprake in dit geval van een harmonische waarde, een associatie tussen de innerlijke gesteldheid en het Ik. Er is geen voldoende contact met het hogere ik. Het woord kan voor het gehele ik echter alleen waardevol en werkzaam zijn, wanneer dit contact aanwezig is. Ongeacht zijn stoffelijke betekenis, zal het dus altijd een lege klank zijn, wanneer aan deze voorwaarde, niet voldaan is. Dit is van groot belang. Ook wanneer wij spreken kan het gebeuren, dat wij intentie en woord verbinden en dit op de mensen afslingeren. De mensen worden daarover dan boos. En dat is te begrijpen: het woord heeft dan immers een grotere inhoud dan zijn woordbetekenis alleen. Door de harmonische waarden in het woord omvat het ook een geestelijke kracht, die de mens geestelijk en emotioneel beroert. Indien de toehoorder daarmede niet harmonisch kan of durft zijn (om welke redenen dan ook) zal hij een woord, hoe goed en zuiver het op zich ook moge zijn, afwijzen.

Nu kunt u misschien begrijpen, waarom een heel onschuldige opmerking soms mensen in een schijnbaar onredelijke woede kan doen ontsteken. Het is niet de betekenis van de woorden zelf, die hiervoor aansprakelijk is, maar de achtergronden daarvan voor de betrokkene. Dit protest keert zich niet tegen de woorden zelf, maar tegen de geestelijke associaties, die daaraan voor het ik verbonden zijn. Associaties die deze mensen voor zich niet willen, kunnen of durven aanvaarden. Wat betekent, dat zij zich door de in het hierdoor gewekte waarde met alle macht zullen verzetten en dit verzet zullen uiten door een verwerpen van de woorden.

Een wat vreemde situatie, nietwaar? En nu zijn wij nog niet eens doorgedrongen tot de werkelijke ‘magie’ van het woord. De harmonische verbindingen van de woorden zijn namelijk niet gebonden aan een algemene betekenis, zodat men een woord kan nemen dat menselijk gezien zinloos is en alleen maar een reeks klanken omvat. Wees voorzichtig dergelijke woorden zonder meer als onzin te verwerpen. Want ook een dergelijke reeks van klanken kan bijvoorbeeld gevoelsassociaties wekken en zo het innerlijke wezen beroeren met alle mogelijkheden en gevolgen van dien. Wij kunnen dan ook zeggen, dat wanneer een schijnbaar zinloze reeks van klanken in zich een associatieve waarde draagt voor iemand en zo een innerlijke afstemming tot stand kan brengen, deze de geestelijke voertuigen van de spreker en eventueel ook van anderen beroert, zal het woord aan deze werking in de mens zijn zin ontlenen en macht of werkingen vertegenwoordigen, zelfs al dekt de reeks van klanken geen enkel bestaand menselijke begrip.

Hierdoor kan u weer duidelijk worden hoe het komt dat onzinnigheden en dwaasheden op de mensen soms een zo grote invloed kunnen uitoefenen.

Stel dat iemand u redelijk en precies de economische, politieke of godsdienstige noodzaak van iets uitlegt. Men kan dit filosofisch, theoretisch beredeneren en zelfs in percentages uitdrukken.

Toch zal men de inhoud van het betoog slechts zelden geheel in zich opnemen. De toehoorders zullen zich in de meeste gevallen na korte tijd gaan vervelen. Stel daar tegenover dat er iemand komt die iets beweert, waarvan u kunt weten dat het onredelijk en onlogisch is. Deze weet het echter zo te stellen, dat het bij u weerklank wekt. Hij zegt bijvoorbeeld: “Zolang de christenen onder elkaar nog vechten, kan er van een werkelijk christendom geen sprake zijn”. Wat natuurlijk niet waar is. Want het vechten van mensen die zich christenen noemen en werkelijk christendom hebben niets met elkaar te maken. Het zijn geheel verschillende dingen. Christendom kan overal bestaan, zelfs bij zich niet-christen noemende mensen, ook al zijn er anderen die zich christenen noemen en met elkander vechten of zich onchristelijk gedragen. Logisch is een dergelijke categorische uitspraak dus niet. Maar zij ‘spreekt aan’, zij wekt in het ik van de mensen associaties, die met het uitgedrukte weinig te maken hebben, bijvoorbeeld onlust gevoelens. Dit geeft aan dergelijke woorden een veel grotere macht en invloed dan aan het redelijke betoog.

Dit is in zekere zin magie. Ik stel juist een dergelijk voorbeeld, omdat de meesten onder u het woord magisch in dit verband alleen zien, wanneer er sprake is van ‘abracadabra’ of Gods namen en de zogenaamde magische woorden die zijn samengesteld uit, of stammen uit lang vergeten begrippen en talen. Om een voorbeeld te geven: men gebruikt bijvoorbeeld deze spreuk: “Barads iradolus satus irados kamos eos”. Dit betekent in feite niets, geheel niets, ook al doen sommige van deze woorden denken aan een afleiding uit Grieks of Latijn. De zin heeft geen enkele menselijke betekenis. Zegt men deze woorden echter en is daarbij gelijktijdig een innerlijke associatie aanwezig (wat ik overigens zorgvuldig heb vermeden) dan kunnen deze klanken een inhoud krijgen en macht uitoefenen op de mensen, suggestief werken en dergelijke.

Dit is ook het geval wanneer men gebruik maakt van woorden die wel zin hebben, maar zich kenmerken door een ritme dat daarin verborgen is. Je kunt bijvoorbeeld als slogan zeggen: “Van Helle’s thee, de beste”. Aardig, maar de meest mensen zegt dit niet veel. Nu komt men met een andere slagzin, waarin een zeker ritme ligt: “Van Helle bestellen”. Dit ritme werkt suggestief. Dit ritme dringt in de mens door en wekt associaties, die met de betekenis weinig of niets te maken hebben. Hierdoor juist wordt de slogan aanvaardbaar en zal zij een vaak sterke suggestieve werking uitoefenen. Het eigenaardige hiervan is namelijk dat alles, wat met dit behaalde ritme wordt geassocieerd (ook onbewust of geestelijk) hierdoor vereenzelvigd wordt voor de toehoorder met de firma en haar producten, wat in wezen magie is. Niet de boodschap zelf, maar de associatieve waarden die er in schuilen, zijn bepalend voor de waarde van een slogan.

Ik zoek nog enkele recente voorbeelden en ga daarbij uit van enkele slagzinnen, die ik in het bewustzijn van het medium meen aan te treffen: “Wees een heer in het verkeer”. Dat is ‘haagsch’ dit klinkt opschepperig. De meeste mensen willen wel voor een heer aangezien worden, maar in het verkeer willen zij de baas zijn, hun rechten doorzetten. Zij zoeken zelfexpressie, niet uiterlijkheden. Vandaar dat deze zin niet veel uithaalt.

“Glaasje op? Laat je rijden!” Dat zegt iets, want dat “glaasje op” wekt prettige associaties voor velen. “laat je rijden”, iets voor je laten doen. Ook dit heeft voor de meeste mensen prettige associaties. Het geheel speelt aan op een gevoel van zekerheid, geborgenheid, bediend worden, wanneer er iets aangenaams is gebeurd.

Terwijl de eerste slagzin weinig uit zal halen, blijkt de tweede, door de daarbij opkomende associatieve waarden en gevoelens, wel werkzaam te zijn en invloed uit te oefenen. Men kan tegenwerpen dat dit alles alleen maar suggestieve inhouden betreft. Maar stel nu, dat wij de inhoud van een dergelijke slagzin eens wat anders gaan richten en dus niet alleen op bijvoorbeeld een veiligheidsmaatregel zouden betrekken. Dan zou deze slagzin een magische kracht kunnen krijgen en mogelijkheden geven tot het bereiken van zelfs in de stof onmogelijk geachte waarden en ontwikkelingen.

Nu zal dit in de laatste tijd wel niet veel zijn voorgekomen, daar de mens zich in deze dagen van de magische werkingen en de mogelijkheden van het woord in deze zin te weinig bewust zijn.

Maar misschien kan ik u helpen om daarvoor weer enig begrip te krijgen. Ik stel daartoe verschillende zegen formules tegenover elkander. Daarbij stel ik tegenover elkander een formule, die zeer plechtig klinkt en een formule, die spontaan, maar magisch is. Ik kan zeggen: “Dat onze Heer de Almachtige in zijn grootheid u moge zegenen, beschermen …enzovoort”. Het klinkt wel plechtig, maar is uiteindelijk eerder een soort dreun. Men vindt het wel mooi dat het gezegd wordt, maar daarbij blijft het. Werken wij op meer magische wijze, dan hebben wij geen behoefte aan plechtige woorden, doch zullen wij kunnen volstaan met iets wat door nadruk, klank, ritme eventueel in de mensen de juiste associaties wekt. Daarom kunnen wij met veel groter waarschijnlijkheid dat resultaten er uit ontstaan (ook al klinkt het minder plechtig) zeggen: “Dat God u zegenen moge”. Belangrijk is, dat het gemeend is. Natuurlijk. Bovendien zal men iets dergelijks eerder kunnen aanvaarden, want de mens wil meestal graag gezegend worden (zelfs al gelooft hij niet in de werking van de zegening) maar verzet zich daartegen, zodra het te zeer een ambtelijke taal is, waarin de zegen wordt uitgedrukt. In het eerste geval staat degene, die zegent en zo ook de God waarop hij zich beroept, te ver van de mens en deze afstand zal weerstanden wekken. In het tweede geval echter worden emoties aangesproken, worden bepaalde harmonische associaties gewekt, zodat men zich waarlijk gezegend voelt en zo de krachten van het goddelijke in zich kan ontvangen.

Misschien meent u nu, dat de betekenis van het magische woord beperkt blijft tot mensen en de stoffelijke wereld. Maar dat is toch niet zo. De geest Gods is in alle dingen. U hebt dat al vaak gehoord, maar ook in dit verband moet u daaraan denken. De geest Gods is dus aanwezig, werkzaam in alle dingen. Indien ik iets benoem (zij het met een begrip en zonder vastgestelde klankwaarden of met een woord, waarin wel een menselijk en vastgesteld begrip aanwezig is) beroer ik dus alles wat met het besefte of omschreven deel van het goddelijke verbonden is. Ik schep dus een harmonische straling, die vanuit mij gaat naar alle waarden, die in dit verband het Goddelijke bevatten of openbaren. Daarbij moet u goed onthouden: Zo goed als bij de daad, werkt ook bij dergelijke woorden de wet van wederkerigheid. Deze wet is een afleiding van de wetten van compensatie en in haar werkingen doet zij denken aan de wet van oorzaak en gevolg.

Wanneer ik een kracht uitzend, krijg ik een antwoord. Het antwoord, dat ik zal verkrijgen, is in waarde misschien veel hoger dan de door mij uitgezonden kracht, maar zal zeker daarmede gelijk zijn in intrinsieke waarde en betekenis, zover het de inhoud en mogelijke werkingen betreft. Om het u eenvoudiger te maken: wanneer je een dubbeltje uitgeeft, kun je daarvoor dus wel 100 dubbeltjes terug krijgen, maar niet een gulden, ook al lijkt het misschien voor u logisch dat een gulden gelijk is aan 10 dubbeltjes. Wat je ontvangt zal worden uitgedrukt in de pasmunt van het uitgezonden begrip en daarvan dus wel in waarde, maar niet in wezen kunnen verschillen.

Waarmede ik nog iets anders heb aangeroerd: Het geestelijke begrip, dat je uitzendt, maar stoffelijk verklankt en tot uitdrukking brengt, zal mij zijn eigen waarde teruggeven. Maar dan ook alleen die en wel op een wijze, die eveneens een uitdrukking daarvan in de materie gedoogt. De waarde kan dus een verveelvoudiging van eigen vermogens inhouden. De uitgezonden kracht kan desnoods miljoenen malen versterkt terugkeren. Het zal echter dezelfde mogelijkheden en kwaliteiten behouden van de uitgezonden energie.

Belangrijk is verder, dat de intentie tot het uitzenden van de impuls hierbij ternauwernood in het geding komt. Het antwoord wordt bepaald door het feit dat men een gedachte of harmonische associatie uitdrukt en uitstraalt. Niet, dat dit ook doelbewust geschiedt. Indien men zich dit zou realiseren, zouden vele mensen waarschijnlijk voorzichtiger worden met hun gebruik van (vooral emotioneel geladen) woorden. Indien wij over God spreken als ‘de bron van alle machten’ is dit volkomen juist. Maar wanneer wij de mensen zeggen dat de mens zich aan deze goddelijke macht moet onderwerpen en gelijktijdig de mensen duidelijk trachten te maken dat wij die macht en goddelijke wil op aarde vertegenwoordigen, zullen juist de besten onder de mensen daarop negatief reageren, zo al niet uiterlijk, dan toch innerlijk. De mens heeft er niets tegen zich direct aan God te onderwerpen. Indien men echter een tussenschakel op dezelfde wijze zal moeten aanvaarden en dienen, betekent dit, dat men afstand moet doen van alle eigenwaarde (wat de meesten niet gaarne doen) ofwel komen tot kritiek en daarmede tot een gedeeltelijke verwerping. Die omvat misschien niet het gehele goddelijke wezen, maar toch wel degelijk de mogelijkheid van de delen, die door een middelaar worden vertegenwoordigd, onbruikbaar maakt voor magische (of geloofs-) werkingen. Een mens zal niet kunnen aanvaarden, dat hetgeen een levende mens tot uitdrukking brengt, de werkelijke en werkzame goddelijke wil is.

Zoals een mens vaak ook niet zal beseffen dat hij innerlijk niet aanvaarden kan dat iemand de goddelijke wil verdedigen kan of moet, zonder gelijktijdig daarmede zijn vertrouwen in en geloof in de werkelijke waarden van dit goddelijke teniet te doen. Dit laatste is overigens inderdaad dwaas. Indien God zich niet tegen de mens kan verdedigen en waar noodzakelijk niet vanuit zich kan ingrijpen, wie zal dit dan wel kunnen doen?

Ik zal dit laten rusten. Want wij hebben niets aan een beschouwen alleen van de mogelijkheden van het magische woord en alles wat daarmede verbonden is, hoe interessant het ook moge zijn. Wij zullen moeten nagaan, hoe wij daarmede iets kunnen doen.

Wij beginnen dan met enkele elementaire regels. Indien een woord voor u belangrijk is en bijvoorbeeld bepaalde associaties heeft, moet u eens proberen na te gaan wat zij in wezen voor u betekenen en aan gevoelens voor u inhouden. Ga eens na wat u geestelijk voor ogen komt, wanneer u een dergelijk woord zegt. Begrijp dat een dergelijk woord, omdat het voor u een bepaalde betekenis heeft, die ook innerlijk weerkaatst wordt, wanneer het voor u gezegd wordt, terwijl het begrip daarmede verbonden in u gewekt wordt, voor u een soort sleutel vormt tot alle andere werelden.

Het hoeft geen geleerd woord te zijn. Zelfs bruine bonen of bijvoorbeeld kapucijners kan daarvoor dienen, mits de associatie die u daaraan verbindt maar bruikbaar is voor de wereld of kracht, die u bereiken wilt. Daarbij dient men er echter wel op te letten, dat men nimmer een woord als sleutel gebruikt wanneer de gangbare betekenis van het woord strijdig is met de gevormde associaties. Dezen moeten dus harmonisch zijn en mogen geen tegenstrijdigheden vertonen, daar anders de uitwerking tweeledig is en evenzeer onaanvaardbare áls gewenste gevolgen zal hebben.

In de tweede plaats: Niemand kan altijd op zijn woorden letten. Indien men echter iets belangrijks wil zeggen en wenst dat anderen u begrijpen, of met de woorden misschien een bepaalde kracht tot uiting wil brengen of een emotionele toestand daarmede tot uitdrukking wil brengen, zal het goed zijn, voorzichtig en bewust de woorden te kiezen, die voor u de juiste emotionele inhoud bezitten. Zoek de juiste woorden. Het heeft weinig of geen zin, alles wat men voelt of denkt, er maar uit te gooien. Indien men resultaten wenst, is het beter alles, wat men voelt en denkt uit te drukken in enkele woorden, die voor het ik alle nodige associaties inhouden.

Daar sommigen dit moeilijk schijnen te vinden, geef ik een voorbeeld. U wilt een mens zeggen: “Wees niet zo dwaas. Je stelt je aan. Het is niet nodig, wat je doet.” Daarachter gaat echter de behoefte schuil om de ander te zeggen: Het is beter dan je denkt, je hebt heel wat meer zekerheid dan je denkt. In dit geval heeft het weinig zin tegen zo iemand uit te varen. Het begrip zekerheid, het denkbeeld geborgenheid en zekere vreugdigheid zult u in uzelf wel kunnen vinden. Tracht de woorden te vinden die dit voor u uitdrukken, via associaties en niet alleen volgens gangbare woordinhoud. U zult constateren, dat u met schijnbaar onbetekende opmerkingen, onbenulligheden, die (redelijk gezien) op de situatie slaan als een tang op een varken, iemand uit zijn stemming kunt halen of kracht kunt geven en positieve invloed uit kunt oefenen. Dit geldt ook in gevallen, waarbij men met de mooiste woorden of de grofste driftbui niets kan bereiken.

Een derde punt betreft het eigen ik: je hebt een naam. Die naam heeft voor u een bijzondere betekenis. Wanneer je een ander bijvoorbeeld hoort noemen met dezelfde naam die je draagt, zul je in die ander meestal de waarden en fouten vermoeden, die je van jezelf meent te kennen.

Dit is geen bewust proces, maar de naam suggereert een overeenkomst en zonder denken associeert u daarom alles wat de ander betreft ook met uzelf. Daar de naam in zich slechts beperkte waarde heeft, maar een ieder zich onder deze naam slechts zichzelf en eigen mogelijkheden of eigenschappen voorstelt, zal dit weinig zeggen omtrent de ander. Dit is ook niet zo belangrijk. Wat ik denk te zijn, ligt in de naam. Maar ik kan dit ook anders omschrijven. Ik kan daarvoor een uitdrukking vinden, die voor de mensen en mijzelf als het ware mijn persoonlijkheid volgens mijn wensen en niet alleen volgens de voorstellingen van anderen weergeeft

In vele landen heeft men nog gebruiken, die (ofschoon schijnbaar mystiek) hierop berusten. Daar kiest men op een bepaalde leeftijd zelf een eigen naam. Men kiest een eigen harmonie, een eigen verbinding met het Al en drukt daarmede bewust of onbewust eigen achtergronden harmonisch uit. Wanneer wij ons wezen kennen en bepaalde wensen koesteren omtrent de reacties van de wereld op dit werkelijke Ik, zullen wij er dus goed aan doen een naam te kiezen, die bij dit innerlijke Ik en zijn mogelijkheden past. Gebruiken wij een verkeerde naam, dan zullen de associaties die anderen daaraan verbinden, het ons onmogelijk maken in de wereld waarlijk onszelf te zijn. Stel dat iemand bijvoorbeeld niet lichtzinnig is, Thérèse gedoopt is, maar dit niet vlot genoeg vindt en daarom de naam Tessie gaat gebruiken, die door haar klank bij de meeste mensen associaties van lichtzinnigheid wekt. Dan wordt van zo iemand door een ieder een zekere lichtzinnigheid verwacht. Het gevolg is een innerlijke strijd met daarnaast een gedrag, dat niet met het werkelijke Ik strookt, zo aanleiding wordt tot geestelijke conflicten en ook materieel vele moeilijkheden zal doen ontstaan.

Waarmee ik maar wil zeggen: De naam die je jezelf geeft, ja, zelfs de benaming, die je voor andere dingen hebt, kan van groot belang zijn in je leven. Het lijkt misschien dwaas, wanneer ik hierbij wijs op de schijnbaar zinloze troetelnaampjes, die verliefden elkander plegen toe te fluisteren. Toch zullen deze naampjes en het bijbehorende associatieve reageren, van een bepalende verhouding kunnen zijn voor hun wederkerige erkenning en beslissend kunnen zijn voor de mogelijkheid een ware harmonie of een ware liefde te doen groeien. Het klinkt vreemd, maar het is nu eenmaal zo. Stel dat als troetelnaampje ‘aapje’ wordt gebruikt of ‘beer’. Indien in deze naam begrip voor de persoonlijkheid van de ander is uitgedrukt en de ander op die naam reageert (dit is heel belangrijk) zodat deze de naam als een deel van zichzelf kan aanvaarden, zal via die naam een onzichtbaar, een geestelijk rapport ontstaan. Zelfs indien die mensen nimmer samen over geestelijke waarden denken of spreken, zal hierdoor op geestelijk niveau een overdracht van geestelijke waarden, erkenning en invloeden tot stand komen. Boven de materiële sfeer ontstaat op deze wijze een band, waarin wederkerige erkenning zo volledig kan worden, dat de stoffelijke uitdrukking daarvan in woorden en daden eigenlijk zelfs overbodig lijkt te zijn.

Namen zijn dus belangrijk. En nu wij het er toch over hebben, wanneer je een hond, een kat, een paard, een ander dier waarmede je ergens banden hebt, een naam geeft, moet men wel goed overwegen wat voor naam men geeft. Het dier heeft natuurlijk een basis in eigen geaardheid.

Noem je een kat bijvoorbeeld Beatrix, dan zal het dier binnen zijn aard echter zeer eigenwijs reageren en zeer overtuigd blijken van eigen schoonheid en belangrijkheid… U heeft het mis, ik speel hiermede niet in op het koninklijk huis, maar op de klank en associatiewaarde die het woord Beatrix binnen dit taalgebied voor de meeste mensen zal hebben. Heeft men een hond, waarvan men een zekere agressie en waakzaamheid verwacht, zal men er goed aan doen het dier bijvoorbeeld ‘Ajax’ of desnoods ‘Wachter’ te noemen. Doop het dier echter nooit bijvoorbeeld ‘Sukkel’. Want het dier zal zich (binnen zijn geaardheid) als zodanig gaan gedragen. Het dier ontvangt de associatie op die wij aan de naam verbinden. Het ontvangt de naam dus niet, dat is voor het dier niet veelzeggend, daar het deze alleen als een aanduiding van zichzelf ervaart, zonder de zin ervan te ervaren. Wel zal het echter de gedachte-uitstraling, de vibratie, die van de mens uitgaat, ontvangen. Dit werkt suggestief, zodat het dier zich aan de associaties, die wij kennen met het begrip van de naam (zover zijn aard dit toelaat) gaat aanpassen. Of u dus zoete of lastige huisdieren hebt, ligt voor een groot deel ook in dit opzicht aan uzelf. Alleen door een andere naam of een ander woord kan men veel veranderen. Het klinkt onzinnig dat bijvoorbeeld dezelfde hond anders zal gaan reageren, wanneer u hem Trix noemt, dan wanneer u hem Fido doopt. Toch is het waar. De naam zal een geestelijke achtergrond en daardoor de verhouding ten aanzien van de omgeving bepalen. Het dier wordt hierdoor beïnvloed, zodat het woord weer de reactie van het dier ten aanzien van de mensen zal bepalen.

Tot nu toe hebben wij gesproken over stoffelijke wezens. Laat ons nu eens aan de geest denken.

De geest heeft misschien 1000 namen. De naam, die ik aan die geest geef, is eigenlijk niet eens van zoveel belang. U kunt mij bijvoorbeeld Pietje Puk noemen. Indien u weet wat ik ben, wat ik vertegenwoordig, zal dit aan mijn mogelijkheden en onze relatie niets veranderen. Wanneer u dan zegt: “Pietje Puk, help mij”, dan hoor ik de naam niet, maar zie ik als het ware mijn beeld, plus iets wat het begrip ‘hulp nodig’ uitdrukt. Daar ik over het algemeen nogal behulpzaam ben, zal ik zeer waarschijnlijk een handje toe gaan steken. Voor mij is dus niet de klank van belang, maar de associaties, die u daardoor uitdrukt en zo vanuit uzelf ook geestelijk doet uitgaan.

Indien men dus een demon aanroept en daarbij een naam gebruikt, die voor mij de macht van de demon uitdrukt, kan ik moeilijk verwachten, dat die demon op deze uitstraling zal reageren met gehoorzaamheid en dienend op zal treden. Hij treed dan, in overeenstemming met de ontvangen beelden, op als heerser en zal de bezweerder, ondanks alles, kunnen domineren. Drukt men echter het wezen van de demon uit door hem in een relatie van onderworpenheid te plaatsen, zij het door de naam, die men gebruikt, zij het door die naam te laten voorafgaan door een machtiger naam, een godsnaam bv., zo zal de demon indrukken ontvangen, waarin de noodzaak tot onderworpenheid tot uitdrukking komt. Het gevolg zal zijn, dat een dergelijke entiteit voor de bezweerder heel wat gemakkelijker te beheersen en te hanteren zal zijn.

Wil men gedachtekrachten uitstralen naar een bepaald deel van de wereld, of een bepaalde sfeer, dan zal ook dit op moeilijkheden kunnen stuiten. Gaat het om een plaats, dan kun je nog van hulpmiddelen gebruik maken als bijvoorbeeld een voorwerp waarvan een perfecte kopie op de plaats die men bereiken wil, aanwezig is. Je kunt met foto’s werken of zelfs werken met herinneringen. Maar als je een geestelijke wereld, een sfeer wilt bereiken, dan is hiervoor een begripsassociatie noodzakelijk. Deze kan men nu weer het beste vastleggen in een woord. Ook wanneer ik een onbekende plaats op de wereld wil bereiken en een naam bestaat, die voor mij het wezen van die plaats uitdrukt, zal ik hierdoor mij gemakkelijker in bewustzijn en werking van krachten naar die plaats kunnen projecteren.

Volgens mij is hierdoor duidelijk, dat men niet alleen met het gebruik van klanken en woorden voorzichtig dient te zijn, maar dat het bovendien belangrijk is te leren, hoe daarvan gebruik te maken. Kort gezegd, indien de begripswaarde (algemene inhoud) van een woord niet strijdig is met de innerlijke associaties en krachten die voor mij daaraan verbonden zijn, zal het woord de betreffende krachten en verbindingen doen ontstaan in elke wereld en vanuit elke wereld waarin deze werking ontstaat en zal alle aan het woord verbonden kracht (of reactie) tot ons terug keren. Wanneer ik een woord gebruik dat geen algemene associaties bevat, zal mijn persoonlijk gevoel van verbondenheid, zoals dit voor mij persoonlijk in het woord tot uitdrukking komt, bepalen met welke krachten ik in contact kom en verder beslissend zijn voor de verhouding, die zal bestaan tussen deze krachten wezens of werelden en mijzelf. De vocale weergave van innerlijke beelden heeft het grote voordeel, dat de associatie door alle voertuigen heen en zo ook in alle sferen geuit wordt. Maar gelijktijdig is er een vibratie, die met de inhoud overeenstemt, die dat in de omgeving uitstraalt. De receptiviteit voor de ontstane krachten en waarden blijft niet tot het eigen ik beperkt, maar omvat ook de omgeving. die door de klank wordt beroerd.

Hierdoor is grotere en snellere concentratie van krachten in de menselijke wereld mogelijk.

Verder stellen wij: elk woord, dat ik bewust en overlegd gebruik, zal een geestelijke achtergrond bezitten. De gevolgen en inhoud van het woord op aarde worden door de geestelijke achtergronden bepaald, niet door de onmiddellijke betekenis of de bij anderen hierdoor gewekte associaties. Onredelijke begrip samenvoegingen kunnen dus geestelijk vaak van meer betekenis zijn dan logische begrip samenvoegingen, die het ik niet innerlijk geheel ondergaat. Wij moeten altijd de geestelijke achtergronden van onze uitingen en woorden beseffen, daar wij hierdoor anderen bereiken. Terwijl dit met een zuiver theoretisch betoog dat de juiste achtergronden van geestelijke associaties en waarde ontbeert, een bereiken van de medemens, laat staan van de geest, niet mogelijk maakt, tenzij reeds zonder dit een verbondenheid en harmonie aanwezig was.

Ten laatste, elke uitdrukking in mijn eigen wereld, die mijn wezen beroert en daardoor ook in alle sferen weerkaatst wordt, bepaalt op dat ogenblik de relatie waarin ik tot alle sferen en de daarin vertoevende entiteiten kom te staan. De geestelijk werelden, die ik betreden kan, de geestelijke krachten, die voor mij beschikbaar zijn en zelfs de contacten, die met andere entiteiten mogelijk zijn, worden door een woord soms wel bepaald, maar zullen eerst werkelijk in brandpunt komen via het eigen ik-begrip. Daar dit in de stof de stoffelijke persoonlijkheid omvat, zal alles wat zo ontstaat, dan ook een in eigen wereld bruikbaar en volgens de waarde van eigen wezen bruikbare waarde verschaffen. Daarbij merk ik dan nog op: Weet ik een deel van God of het wezen van God weer te geven en uit te spreken, dan zal ik met dit deel van God één zijn en tijdelijk als een verwezenlijking van de goddelijke kracht op kunnen treden, ook op aarde, ook in direct stoffelijke zin.

Het zal u duidelijk zijn geworden, dat u dus met woorden heel wat kunt doen. Het is misschien wel goed om dus de raad op te volgen en wat zuinig met je woorden te zijn. Het zal niet iedereen even gemakkelijk vallen deze raad op te volgen, dat weet ik wel. Vooral als je werkelijk iets wilt zeggen, wanneer je begrepen wilt worden, wees spaarzaam met je woorden. Wanneer je iets bereiken wilt, is het belangrijker de juiste innerlijke verhoudingen tot uitdrukking te brengen, dan uiting te geven in de vorm van een logische opbouw. Het is niet van belang dat men met plechtige woorden een beroep op God doet. Het is belangrijk dat de woorden die je gebruikt en de emoties en associaties, die op het ogenblik in je bestaan, harmonisch zijn. Dan zal de goddelijke kracht zich in je kunnen openbaren. Elke vorm van zich uitdrukken (van klankgebruik) die aan de voorgaande voorwaarden voldoet, zal u in staat stellen veel meer te zijn en meer tot stand te brengen dan tot nu toe en zal u mogelijkheden verschaffen die verder gaan dan u nu mogelijk acht.

Bij dit laatste wil ik nog even stil staan. Daarna gaan wij dit onderwerp besluiten. Om de krachten te kunnen gebruiken wanneer je ze opgewekt hebt, moet je ook beseffen dat zij er zijn. Het weten dat geestelijke krachten aanwezig zijn, is voor de doorsnee mens verstandelijk onmogelijk. Bij het gebruiken van dergelijke krachten zal men dus niet uit kunnen gaan van een zien, een erkennen, maar van een geloven, een aanvaarden. Wanneer u met geestelijke waarden en krachten via magische woorden wilt werken, is het belangrijk, dat u de concentratie van kracht rond u inderdaad als onomstotelijk waar aanneemt, dat u werkingen daarvan verwacht en niet probeert te constateren dat de kracht er is, maar eenvoudig overgaat tot het gebruiken ervan.

Leert u dit te doen, dan zult u ontdekken dat u heel vaak woorden gebruikt, die macht en kracht hebben. U zult dan ook ontdekken, dat men in het leven vaak enorme invloed uitoefent en grote krachten blijkt te kunnen ontlenen aan iets, dat haast per ongeluk gezegd werd. Want associatie en harmonie zijn meer bepalend dan bewust nastreven daarvan.

Merkt u, dat bepaalde woorden in deze zin voor u een bijzondere betekenis hebben, gebruik ze dan zoveel mogelijk, wanneer u aan de daarmede voor u gepaard gaande krachten en invloeden behoefte gevoelt. Voorbeeld: Wanneer je lange tijd loopt en je begint een liedje te zingen, lijkt het of het lopen opeens beter gaat. Ben je bang in het donker en fluit je of zing je, dan lijkt het opeens of het gevaar minder groot is. Op zich is dit niet waar. Het lied maakt je niet minder moe, het fluiten maakt het donker niet minder erg. Maar je voelt het zo. Het liedje geeft dus geen kracht in de zin van een herstel van krachten in het lichaam, maar het geeft een ontspanning, waardoor de in het lichaam nog aanwezige krachten beter worden gebruikt en in de omgeving aanwezige bronnen van kracht beter gebruikt kunnen worden. Het fluiten is niet alleen een tonen van moed, maar geeft het gevoel, dat je niet zo geheel alleen bent. Daardoor voel je dus ergens een verbondenheid. Dit je verbonden gevoelen met het bekende maakt het denkbeeld van het duister minder onaangenaam. Hierin is de kernwaarde van het magische woord gelegen. Nu weet u dus wat dit woord in feite doet, wat die klank voor u in feite betekent. Zij is voor de mens het middel om isolement ten aanzien van de wereld, de geest, of zelfs ten aanzien van zichzelf te doorbreken.

Het Al rond u is vol van krachten. Er is zoveel kracht beschikbaar op allerhande terrein, dat het haast ondenkbaar zou moeten zijn, dat een mens ziek, moe, uitgeput raakt. Dit wordt veroorzaakt door het feit, dat men niet weet hoe die kracht te gebruiken, zelfs indien men al beseft dat zij er is. Hiervoor is het wekken van harmonieën en dergelijke zo belangrijk. U zult nooit alle krachten die rond u bestaan, kunnen ontvangen en gebruiken. U kunt maar met een deel daarvan harmonisch zijn en zo daarmede verbonden zijn. Indien men echter het denkbeeld van geïsoleerd zijn, van aan jezelf overgelaten te zijn, weet te overwinnen, wanneer je niet meer gelooft dat er alleen door anderen iets voor je gedaan kan worden, zul je in ieder geval, wanneer je wezen met een kracht harmonisch is, deze ook in jezelf constateren. Zeg dan niet, dat dit alleen maar een gevoel, een stemming is. Dan moet u proberen die kracht te gebruiken als een werkelijkheid.

De mensen van heden gebruiken de magie van het woord over het algemeen verkeerd: Zij gebruiken haar met woorden als moordenaar, orde of democratie. Dingen die in zichzelf wel goed zijn, maar zovele verschillende associaties met zich kunnen brengen, dat hun invloed op de mensen als groep slechts chaotisch kan zijn. Toch kunnen ook deze woorden krachten ontketenen, die onmenselijk of meer dan menselijk zijn. Hun uitwerking is echter voor de mensheid als geheel niet gunstig. Men moet terugkeren tot de eenvoud, zowel van woorden als van begrippen. Er is een woord, dat daarbij alle anderen overtreft. In het verleden gaf men dit begrip weer met ‘liefde’. Ik noem het tegenwoordig echter liever vriendschap of wederkerige erkenning, omdat men liefde te zeer in het zuiver seksuele vlak gaat trekken. Liefde is het jezelf met vreugde opofferen voor de ander of anderen, het jezelf opofferen voor het andere. En dit is zeker niet enkel als gevolg van de seksuele relatie tussen mensen denkbaar. Deze “liefde” bestaat namelijk overal en omvat dus alle werelden. Wanneer wij van een dergelijke genegenheidswaarde (onverschillig waar, hoe of op welk niveau, gebruik maken) is er een directe verbinding en harmonie, die al het andere zal domineren, omdat alle denkbare krachten van de hoogst goddelijke tot de laagst stoffelijke daarin worden uitgedrukt, omdat dus elke sfeer en elk aspect van het goddelijke via deze harmonie, deze liefde en haar uitdrukking kan worden erkend en in het ik voortgebracht. Nogmaals, verwar dus deze werkelijke liefde, deze ware vriendschap, nooit met handje houden en de rest. Het heeft daarmee niets te maken.

Omdat het zo is en de mens de liefde misschien te onvolledig beseffen kan in deze tijd, is het belangrijkst dat men te minste met de kleinere harmonieën, die wel mogelijk zijn, werkt of leert werken. Wie dit doet, zal ontdekken, dat hij steeds meer magische woorden kent. Op de duur kun je met een enkele klank, een enkele gedachte dan gehele werelden mobiliseren. Niet zoals de mensen zichzelf via illusies en emoties wensen, maar als levende stralende goddelijke krachten, die voor vele doeleinden gebruikt kan worden en, zo zij maar gericht blijft op het Lichtende, het goede, niet slechts het andere of de ander zal beroeren, maar tevens het eigen ik doordesemt en doortrekt.

  • Ik hoorde, dat het woord ‘aum’ ook een magisch woord is, waarmede men vele dingen kan bereiken?

Dat klopt wel, het woord op zich is een machtwoord mits daaraan in het Ik de juiste begrippen zijn verbonden. Dit laatste moet u dus vooral voor ogen houden. Het woord ‘aum’ omvat het geheel van de heldere klankscala, die met de mond kan worden voortgebracht en wordt zo tot uitdrukking van het kosmische principe. Men kan zeggen, dat het in wezen een weergave is van het begrip alfa et omega, begin en einde. Bewust gebruikt is het dan ook niet alleen een aanroeping van God in Zijn totaliteit, maar tevens een aanroepen van die God in alle delen van zijn schepping. Voelt men dit woord innerlijk zo aan en spreekt men het in overeenstemming met die gevoelens uit, is het niet alleen (zoals u veronderstelt) het juiste begrip voor een meditatie, maar is het een macht, waarmede je zo nodig bergen kunt verzetten, bloemen kunt laten bloeien, regen kunt aanroepen of verdrijven. Vooral onder bepaalde Tibetaanse groepen werd dit woord dan ook voor dergelijke minder abstracte doeleinden vaak gebruikt. De macht schuilt dus niet alleen in het woord, maar ook in de associaties en harmonieën, die het in het ik wekt en weergeeft. Wanneer u hier in het Westen met dit woord wilt werken, zal u blijken dat het in 9 van de 10 gevallen niets zal doen. Voelt, ziet en beleeft men echter in het woord de hele kosmos, dan is het machtig en een grote krachtbron, maar er zijn ook mensen, die precies hetzelfde bereiken door het uitspreken van de naam Jezus Christus. Voor hen is immers Jezus de uiting van de goddelijke totaliteit en als zodanig de zelfde kracht en afstemming als ‘aum’, waardoor dus, mits juist gericht, ook hetzelfde kan worden bereikt. Daar u geen vragen meer stelt, zal ik mijn bijdrage gaan besluiten.

Ik heb u vandaag een onderwerpje voorgelegd, dat niet slechts wetenswaardigheden bevat, maar voor u ook meer praktisch betekenis heeft. Het kan eerst werkelijk waardevol worden, wanneer u voelt dat ik gelijk heb. Dit klinkt vreemd. Maar indien u zeggen kunt: Dit voel ik aan, dit ben ik ergens, daar heb ik wel eens iets van gemerkt, dan is het voor u ook mogelijk met het magische woord te werken. U zoudt een dwaas moeten zijn, om het dan toch maar niet te doen. Het kan immers uw leven vereenvoudigen , uw streven vollediger en waardiger maken en zeker ook uw relatie met de wereld meer in overeenstemming brengen met dat, wat u innerlijk en geestelijk bent. Ik hoop dat voor enkelen van u dit onderwerp aanleiding zal zijn tot verdere overpeinzingen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

DE KLUIZENAAR EN ZIJN AAP.

Er was eens een eremiet, die, voor hij besloot een heilige te worden, lange tijd alle zeeën hadebevaren. Dit alles gebeurde in een tijd dat de zeevaart alleen voor ruwe bolsters met al dan niet gouden kernen dragelijk was. Op een van deze reizen had de latere kluizenaar zich een vriend verworven, een aap, die altijd het bestaan met hem deelde en die hij met zich had genomen, toen hij de eenzaamheid ging verkiezen boven het meer losbandige en gezellige rumoer van ’s werelds havenwijken. Het is begrijpelijk dat beiden ook daar prettig samenleefden. De aap werd steeds meer een vriend, omdat hij het enige gezelschap was van de kluizenaar en de aap zelf beschouwde de kluizenaar op den duur als een soort dwazer soortgenoot. Wanneer de kluizenaar bad, zat de aap vaak naast hem en deed alsof hij ook bad, tot het te lang duurde en hij zich als afwisseling wat vlooide om de verveling te verdrijven. Zo leefden zij tot de doodsengel langskwam en een steen deed vallen, die zij niet konden ontwijken. Zo togen de twee op weg naar de hemel. De heremiet waarschuwde de aap: Je moogt wel meegaan, maar jij moogt daar toch niet binnen. De aap keek wat treurig, maar kwam tot de ontdekking dat hij nu ook kon praten. “Jij man, sprak hij, bent misschien vroom geweest. Maar hoeveel jaren heb ik geen geduld met je gehad, dat is een nog veel groter blijk van heiligheid…”

Hierover twistten zij wat. Maar als goede vrienden konden zij van elkaar wel wat verdragen zodat zij uiteindelijk tamelijk eensgezind bij de hemelpoort aankwamen. De kluizenaar begon onmiddellijk tegen Petrus, die al klaar stond om met de papieren in de hand, uit te maken wie wel en wie niet naar binnen mocht, te vertellen, dat hij zijn zonden had geboet op aarde. Hij wilde dus naar binnen. En Petrus meende dat daarvoor wel iets te zeggen viel. De aap echter, die geen lust had alleen achter te blijven, sprak op zijn beurt en verklaarde dat hij nog nooit gezondigd had.

Petrus keek daarvan wel op, maar meende uiteindelijk dat kan nu wel, maar jij bent geen mens.

De aap repliceerde, dat hij zich bij zijn leven menselijker had gedragen dan menige mens en dat hij niet inzag waarom een klein verschil van uiterlijk beletten zou dat hij toegelaten moest worden. De heremiet deed nu ook een duit in het zakje en sprak ten gunste van zijn kameraad.

Petrus had daarnaar echter geen oren. Zo ontstond er een ruzie. Juist op dat ogenblik kwam, zoals wel meer gebeurde, de Heer Jezus, die met Jozef in de paradijstuin liep te praten, aan de poort voorbij en werd erbij gehaald.

Men vroeg Hem te beslissen. Jezus hoorde allen aan, keek eens naar de aap, naar de kluizenaar, naar Petrus en sprak: Wanneer wij de kluizenaar binnenlaten, mogen wij de aap niet buiten laten staan. Want de kluizenaar was zich van zijn zonden bewust, zondigde toch en deed boete. De aap echter wist niets van zonden, maar heeft uit louter genegenheid voor zijn baas zich, tenminste voor een aap, jaren lang vroom gedragen. En wie zich uit liefde vroom gedraagt, heeft zeker meer recht het paradijs binnen te gaan dan degene, die zich slechts vroom gedraagt om zo aan de hel te ontkomen. Zo gebeurde het dan ook. En wanneer u op het ogenblik in de hemel binnen komt, vindt u daar in een bescheiden hoek een kluizenaar, voorzien van een harp, die op zijn schouder een aap draagt. Maar ik heb horen zeggen, dat hij, wanneer de oude zeeman in hem wakker wordt, het niet langer uit kan houden. Dan neemt hij de aap en beiden gaan zij een tijdje naar de wereld terug. Maar dan verwisselt de kluizenaar wel zijn harp voor een draaiorgel.

Misschien vindt u dit maar een dwaas verhaaltje. Maar wanneer wij goed willen zijn, willen streven naar de eeuwige zaligheid, naar innerlijke bewustwording en innerlijk Licht, zo doen wij het in 9 van de 10 gevallen als een soort verzekering, waardoor wij vermijden, dat wij de eeuwigheid in een voor ons te warm klimaat zouden moeten doorbrengen. Het is duidelijk, dat alles, wat je uit angst doet, hierdoor een groot deel van zijn waarde verliest. Een mens, die zijn fouten goed maakt, omdat hij voor de gevolgen daarvan vreest, handelt zeker niet verkeerd.

Maar de mens, die iets doet, omdat hij aanvoelt dat dit goed is of omdat hij een ander daarmede een vreugde bereidt, stelt daden, die geestelijk ongetwijfeld veel meer waard zijn. Iemand, die de innerlijke bewustwording zoekt met het doel het koninkrijk der hemelen zo te betreden, doet ongetwijfeld verdienstelijk werk. Maar degene, die in zichzelf zoekt, om zo het geluk en de vreugden van anderen in de wereld of de sferen groter te maken, heeft meer verdienste. Maar mensen denken nu eenmaal vaak anders. Wat dit betreft ken ik nog een aardig verhaaltje.

DE SCHOOT VAN ABRAHAM.

Er waren eens twee joden. De eerste was een vrome man, die de ‘schul’ bezocht, nimmer verzuimde de synagoge te bezoeken, vrome gaven schonk en geen der wetten overtreden had tijdens zijn leven. De tweede had meer zakelijk geleefd en was onder meer tot de ontdekking gekomen, dat ham weliswaar ritueel niet als voedsel is toegelaten, maar dat zij heerlijk smaakt.

Ook deze twee stierven ongeveer gelijktijdig en ook in dit geval kwam het voor de engel, die aan de poort van de hemel de wacht houdt, tot een debat. De eerste beweerde dat hij, gezien zijn vroomheid, het recht had verworven te rusten in Abrahams schoot. De tweede was nederiger, maar sprak toch: “Ik heb in mijn leven geen kwaad gedaan. Ik ben goed voor mijn medemensen geweest. Dus waarom zou ik niet in de heerlijkheid binnen mogen gaan?” Na enig beraad werd aan de eerste toegestaan om, zoals hij als loon voor zijn vroomheid geëist had, op Abrahams schoot plaats te nemen om daar te rusten. De tweede, die een dergelijke eis niet had durven stellen, mocht alleen maar het paradijs binnen gaan. U zult wel begrijpen, dat de eerste de tweede duidelijk maakte, dat het lonend is om in je leven vroom te zijn. Er waren al een paar eeuwen voorbij, toen de ham-eter toevallig aan Abraham voorbij kwam en zag, dat zijn collega, die zo vroom was, nog steeds bij Abraham op schoot zat. Na de aartsvader eerst gegroet te hebben, sprak hij zijn bekende dus aan en informeerde “Hoe gaat het met je? De ander trok een wat pijnlijk gezicht en antwoordde alleen maar: “Och. Hij heeft harde knieën……..”

U lacht alweer. Maar ook in dit verhaaltje steekt een lesje. Wij zijn over het algemeen nogal geneigd ons recht te eisen, zelfs aan God. Wij hebben het denkbeeld, dat wij de hemel, de eeuwige zaligheid, geluk in het leven of zo, verdiend hebben en menen dat wij het dan maar zo moeten hebben ook. Daarbij gaan wij uit van hetgeen wij verwachten, niet van de werkelijke feiten. Wanneer wij horen dat je in de hemel loopt op gouden tegels en lammetjespap moogt eten van gouden borden met een zilveren lepeltje, dan willen wij niets anders meer horen of zien. Wat er ook gebeurt, wij eisen lammetjespap te mogen eten tot het einde der tijden. Wij vergeten daarbij, dat je van die lammetjespap na vijf dagen al kotsmisselijk kunt worden. Wij hebben al te vaak het idee, dat de goddelijke waarden op voor ons kenbare wijze vastliggen, zodat wij door bepaalde handelingen ook bepaalde vaste rechten verwerven. Maar dat valt meestal tegen. Wat wij ons als de hemel voorstellen en wat wij van God plegen te eisen, kan vaak veel dichter bij de hel liggen. De hemel is geen vaste waarde, maar een beleven van, een dolen door alle mogelijkheden en alle tijden, terwijl wij daarbij in voortdurende harmonie zijn met God. Indien wij dit geheel verwerpen, omdat wij menen op een klein stukje van dit geheel bijzondere rechten verworven te hebben, kunnen wij er wel zeker van zijn dat wij ons daarbij nooit werkelijk gelukkig zullen kunnen voelen. In de eeuwigheid leer je dit op den duur beseffen, maar je zou het eigenlijk al op aarde moeten begrijpen. De mens, die zijn zaligheid alleen op een bepaalde wijze wil zoeken en weigert met de omstandigheden rond zich ook zelf te veranderen, zal wel bereiken wat hij nastreeft, maar in de meeste gevallen zal hij daarover erg ongelukkig zijn. Dan zal zo iemand misschien ook zeggen: ik heb het perfecte systeem aan mij zelf waargemaakt, maar oei, wat zit ik hard. U merkt wel, dat wij met verhaaltjes ook de goede richting in kunnen slaan. Het ligt er maar aan, hoe je de zaak beziet. In het menselijke (en soms ook in het geestelijke) leven blijkt ons ik vaak beheerst te worden door het denkbeeld dat wij rechten hebben. Ik zou daarentegen willen zeggen: Je hebt nooit rechten en je kunt je die niet verwerven ook. Maar de wijze, waarop de wereld reageert op jou en de wijze, waarop je zelf op de wereld reageert, zal wel je uiting, je kenbare wezen bepalen.

Daarover ken ik ook nog een verhaaltje. Het heet: DE GOEDE DRAAK .

Er was eens een jonge draak, die zich had voorgenomen om een goede, plezierige en aangename draak te zijn. Daarom spuwde hij geen vuur, maar gaf hij hoogstens iemand die roken wilde, voorzichtig wat vuur. Soms kwam hij zelfs op partijtjes, waarop hij met ware vreugde als een soort levende tafelaansteker fungeerde. Het draakje kwispelde niet met zijn staart om zo stormen te wekken en ging niet in rivieren liggen om dezen buiten hun oevers te doen treden. Hij deed alleen, wat voor anderen aangenaam was en beroerde bijvoorbeeld in de zomer voorzichtig met zijn staart de hete lucht, wanneer een koelte gewenst was. De jonge draak bemerkte, dat men hem niet meer zo erg vreesde als zijn soortgenoten en hoopte dat de mensen nu wel zouden zeggen: Niet alle draken zijn slecht, wij kennen er één, die veel goed doet…. Het is dus niet te verwonderen dat het draakje op een ogenblik dat niemand op zijn hulp een beroep deed, besloot eens na te gaan hoe men eigenlijk over hem sprak. Nu kunnen, zoals u misschien wel weet, draken zich in vele vormen veranderen. De jonge draak besloot dan ook de vorm van een eenvoudige mens aan te nemen en zich onopgemerkt tussen de mensen te gaan bewegen. Maar wat hoorde hij? Men sprak over hem en meende, dat hij soms wel gemakkelijk was. Maar goed? Neen, dat was onmogelijk. Deze draak moest wel bijzonder gevaarlijk zijn. Hij deed zich zo goed voor, dat het haast niet anders mogelijk was: achter zijn behulpzaamheid en zelfbeperking moest wel iets heel slechts verborgen zijn. Een mens, die de draak reeds meerdere malen geholpen had, vertelde zelfs (fluisterend overigens) dat een draak, die zoveel voor anderen over scheen te hebben, natuurlijk alleen maar wilde bereiken dat een ieder hem vertrouwde om zo alles tegelijk en geheel te kunnen vernietigen. Want de mensen zijn nu eenmaal wantrouwig. Het is begrijpelijk dat het draakje zeer teleurgesteld was en boos werd. Al dat wantrouwen had hij toch zeker niet verdiend, nietwaar? De eerstvolgende keer dat iemand bij hem kwam en om een vuurtje vroeg, spoot de draak dan ook een vuurstraal uit, waaraan zelfs een vlammenwerper een voorbeeld had kunnen nemen. Zo fel was de vlam dat de crematie van het slachtoffer overbodig werd. Elders, waar men hiervan niet gehoord had, vroeg men de draak wat koelte te brengen, maar de draak wekte niet alleen de koelte, maar de stormen van de wisselende moesson, zodat het regende en stormde, dagen aaneen, en met zoveel geweld, dat overal bruggen werden weggeslagen, huizen werden neergeslagen en weggespoeld en alle gewas, dat nog op de velden stond, onmiddellijk vernield was. Want het draakje was tot de conclusie gekomen, dat mensen zo wantrouwend zijn, dat het verstandiger is om te doen, wat zij van je verwachten dan je in te spannen om tegen hun wil in voor hen te doen, wat goed voor hen is.

Welke les hierin verborgen zit? Wel, wij willen niet alleen maar rechten hebben, wij willen alles ook vaak ‘goeddoen’. Ons denkbeeld van ‘goeddoen’ is in wezen slechts een beantwoorden aan ons eigen wezen. Daarin hebben wij groot gelijk, zolang wij dit alles gebruiken voor ons eigen leven en dit voor ons zelf toepassen. Op het ogenblik dat wij echter gaan verwachten, dat de wereld ons en onze goede bedoelingen zal waarderen op de wijze waarop wij onszelf waarderen, worden wij teleurgesteld. Wij spiegelen ons steeds weer aan onze eigen denkbeelden en menen, dat de wereld ons op dezelfde wijze zal zien en aanvaarden. Wanneer dit ons tegenvalt, gaan wij, vaak tegen onze eigen aard in, datgene doen, wat de wereld van ons schijnt te verwachten .

Gaat het om onze waardering van anderen, dan blijkt dat wij een diep wantrouwen koesteren tegen een ieder, die anders is en denkt dan wij. Uiterlijk kan er goede vrede zijn, toch zal juist ons wantrouwen tegenover anderen de aanleiding zijn voor dezen, om aan onze verwachtingen, vooral aan onze slechtste verwachtingen, te beantwoorden. Wanneer je van iemand iets slechts verwacht, schep je daarmede een suggestie. Deze suggestie werkt vaak zo sterk, dat je zelfs van een engel daarmee, bij wijze van spreken, een demon zou kunnen maken. En van een demon kan men, door daarvan niets dan het goede op onzelfzuchtige, wijze te verwachten, iets maken dat bedenkelijk veel op een engel gaat lijken. Mensen roepen maar al te vaak de engelen aan en vragen van deze macht, dat zij een zwaard zal trekken ‘om de rechtvaardigen te verdedigen’. Wat nog aanvaardbaar zou zijn, indien wij niet à priori onszelf tot de rechtvaardigen zouden rekenen en de tegenstanders zouden aanzien als noemenswaardig zondaars.

Dat de engelen de zaak misschien wat anders zien, beseft men waarschijnlijk niet eens. Op deze wijze schept men vaak machten die niet enkel anderen vervolgen, maar ook onszelf zullen aanvallen en vernietigen op het ogenblik dat wij afwijken van de stellingen die wijzelf verkondigd hebben. De mens schept voor zich vaak regels, wetten en eisen, die hem kunnen vernietigen, terwijl hij in anderen vaak dingen teweeg brengt die hij verafschuwt, omdat hij eenvoudig uitgaat van zijn vermoeden, dat het in die ander aanwezig moet zijn en zo een drang uitoefent, die zijn vrezen waarmaakt.

De mens die aan God, geest of mens zijn eigen visie van goed en kwaad oplegt, schept daarmede meestal het kwade en slechts zeer zelden zal daaruit nog voor iemand het goede voortkomen. ‘Goed’, gerekend volgens de waarderingen van degene die de invloed tot stand brengt. Gevaarlijk in dit opzicht zijn mensen, die systemen van geloof of filosofie opbouwen. Zij beschouwen deze systemen dan als het enig juiste en beseffen niet dat de waarde van systeem en stelling niet altijd gelijk kunnen zijn. Wat mij aan een laatste verhaaltje doet denken.

DE ROOS EN DE RAAP.

Een roos bloeide op een boerderij. De boer had aardigheid in de plant, verzorgde haar goed en had haar verschillende malen veredeld, zodat zij met werkelijk mooie grote en geurende bloemen stond te pronken. De roos werd dan ook vaak bewonderd en ontwikkelde een groot gevoel van eigenwaarde. Er kwam een oorlog. Veldslagen woedden in de nabijheid, alle mensen vluchtten weg. Maar de roos trok zich van dit alles niets aan, zij bloeide. En omdat niemand haar bewonderde, sprak zij voor het eerst sinds lange tijd tot de andere planten. Een knolraap hoorde haar aan. “Mooi ben ik” sprak de roos. “Zodra er mensen komen, zullen zij mij weer verzorgen en bewonderen. Jullie zijn van geen belang. Maar ik ben de voornaamste in de hof. Mijn schoonheid is voor de mensen het belangrijkste”. Want zo was het altijd in haar ogen geweest en zij kon zich niet indenken, dat de mensen haar ooit niet zouden bewonderen. De slag was voorbij. De eerste mens die langs de hof kwam, was een vermoeide, hongerige soldaat. Hij keek niet eens naar de roos. Maar toen hij de knolraap zag, juichte hij haast, trok haar uit de grond en begon onmiddellijk te eten. Over die verwaarlozing werd de roos zo boos dat haar bloemen in enkele uren verwelkten, want zij kon niet begrijpen dat haar schoonheid alleen grotere waarde had, wanneer er geen tekorten aan iets anders waren… .

Wat mij voert tot een laatste conclusie. Wanneer wij de mensen geestelijke schoonheid willen brengen, kunnen wij vele mooie verhalen vertellen, maar of die verhalen nu wel werkelijk betekenis hebben en behouden, is een geheel andere vraag. Wanneer de mens in zich de rust kent, de harmonie bezit, innerlijke zekerheid kent, dan zullen die mooie verhalen ongetwijfeld welkom zijn. Zij zullen voor dergelijke mensen grote betekenis bezitten en hen vreugde en bereikingen brengen. Maar als iemand met een maag die knort van honger, een hoofd dat omloopt van de zorgen, met alleen maar schone woorden en wijze, maar abstracte begrippen geconfronteerd wordt, zal hij zich daaraan hoogstens ergeren. Het vermindert de waarde van de schone wijsheid niet, maar de mens heeft dan meer interesse voor hetgeen hij op dat ogenblik nodig heeft. Zowel in ons eigen leven als in onze benadering van anderen, moeten wij dan ook beseffen, dat het niet gaat om iets wat altijd waar of mooi geheten werd, maar om datgene, wat op het ogenblik werkelijk nodig is. Dat is het goede, ook al is het vandaag misschien te vergelijken met een roos en zal men morgen een knolraap moeten geven. Voor mens en geest geldt daarbij verder: Toon de vrucht, de wijsheid, de kracht, die noodzakelijk is op het ogenblik, maar laat de mensen haar zelf plukken, zelf zich eigen maken. Want wanneer je probeert dit alvast voor een ander te doen, zul je moeten constateren dat de vrucht bedorven, de kracht vergaan is, voor de ander ze kan gebruiken.

Wel, ik hoop, dat ik u met mijn verhalen niet te veel heb verveeld. Ook in dergelijke verhaaltjes ligt vaak een wijsheid, die zeer waardevol is. Bovendien, er schuilt in deze verhalen zelfs meer dan ik daaruit heb gehaald voor u. Denk er maar over na. Ik wil alleen nog zeggen, mensen, geestelijke waarde, geestelijke waardigheid, eeuwigheid en al het andere, is te vinden in jezelf. Wanneer je maar zoekt naar de harmonie, die mensen soms het geluk noemen, soms de eeuwige vrede of nirwana, maar in wezen niets anders is dan de volledige aanvaarding van het kosmische bestaan en het harmonisch beleven daarvan. Al het andere is bijkomstig. In de verhaaltjes treft u kleine aanwijzingen, die u misschien kunnen helpen, wanneer u zich op deze innerlijke harmonie, die werkelijke aanvaarding wilt gaan oriënteren in uw leven.

image_pdf