Het mechanisme van de oorlog

image_pdf

27 november 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend zijn of onfeilbaar. Het is dus nog steeds noodzakelijk, dat u nadenkt en zichzelf een mening vormt over dat, wat gebracht wordt. Mijn onderwerp voor heden draagt de titel: Het mechanisme van de oorlog.

In deze dagen kan een schermen met oorlogsdreiging wel weer eens verwacht worden. Mensen, die niet beseffen, hoe de structuur van het begrip oorlog veranderd is, zullen zich door sommige bij dergelijke dreigingen gebruikelijke verschijnselen in angst laten brengen, ofschoon in wezen geen oorzaak daarvoor bestaat. Hierom meen ik, dat het goed is, in deze dagen eens kort aandacht te wijden aan het begrip oorlog, de beweegredenen, die er mee verbonden zijn en de verschillende technische achtergronden, die mede hieraan verbonden kunnen zijn.

Ik wil beginnen met een zeer verkort resumé van dat, wat oorlog eens geweest is, omdat vele begrippen over krijg in deze dagen nog niet berusten op de werkelijke achtergronden van bijvoorbeeld een eerste of tweede wereldoorlog, maar teruggrijpen naar de achtergronden van vele vroegere oorlogen. Een oorlog was vroeger in feite een wrede vorm van ruilhandel: Men ruilde mensenlevens tegen bezit. Rome bv. zond zijn legioenen uit, die vaak zeer grote aantallen mensen verloren. In ruil hiervoor veroverde men een gebied, waaruit men weer vele begerenswaardige artikelen weghaalde. Zo kwam in die dagen voor Rome – en eigenlijk voor haast geheel Italië – op de duur uit de wingewesten het graan, waarbij Syrië, Israël en vooral Egypte een zeer grote rol speelden. Langzaam echter verandert het karakter van de krijg. In de kruistochten hebben wij nog te maken met een oorlog om winst. Wel gaat men hier uit van een godsdienstig ideaal, maar dit is in wezen toch wel de dekmantel voor een groot aantal plunderingen en vele operaties, die meer winsten dan iets anders ten doel hebben. De beruchte en beroemde belegering van Damiate was bv. strategisch geheel niet noodzakelijk, maar deze stad bezat nogal wat rijkdommen. In de middeleeuwen zijn het voornamelijk kleinere heersers en vorstendommen, die elkander bestrijden – vooral in de vroege middeleeuwen. Toch speelt hier reeds het ruilmiddel geld een rol.

Tot dan toe was er wel een bankwezen, maar de werking daarvan was nogal beperkt. Wel bestond er reeds een betrekkelijk intens wisselverkeer, dat bv. reeds 300 v. Chr. een grote omvang had aangenomen tussen Griekenland, Rome en Alexandrië, maar dat was toch alles nog een kwestie van particuliere initiatieven, waarbij handelswaren als zekerheid dienden. In de middeleeuwen komt als loon of zekerheid voor leningen en wissels echter het bezitten en geven van rechten in de plaats. Wij weten, dat hierbij bv. bepaalde tolrechten, het recht tot het slaan van munten e.d., een grote rol spelen bij het financieren van vele kleinere oorlogen in Duitsland.

De noodzaak tot het gebruik van geld voor oorlogsvoering neemt toe, naarmate de binding tussen leenheer en vazallen aan waarde verliest. Pas wanneer de reformatie komt, zien wij een opvallende verandering. Toch was ook deze strijd, die maar al te vaak wordt voorgesteld als een strijd tussen idealisten in de eerste plaats nog een strijd om bezit.

Het ging hier echter om meer dan het voor eigen land elders noodzakelijke of begerenswaardige producten en bezittingen verwerven. Het ging hier om het uitbreiden van – of aantasten van – een gezagssfeer, waardoor men bepaalde handelswegen kon beheersen. Ook Rome heeft een korte tijd gekend – rond 70 jaren – dat de strategie van de legioenen niet alleen bepaald werd door onmiddellijke winstmogelijkheden, maar mede door het beveiligen en handhaven van sommige handelswegen. In de tijd van de reformatie werd het beheersen van handelswegen en markten steeds belangrijker, doordat zich steeds meer statenbonden hadden ontwikkeld, die zekere monopolies voor zich wisten te handhaven en zo sterk kostenverhogend werkten, vooral waar het de meer luxeartikelen – die voor de regerende standen van groot belang waren – betrof. Daarbij kwam, dat het voeren van oorlog door dergelijke staten en statenbonden veel meer geld en goederen eiste dan bv. in de tijd van de Romeinen. Om u een voorbeeld te geven: de kosten, voor een eerste uitrusting van een soldaat kwam in Rome op rond fl. 14. Het doden van een mens kwam in die dagen gemiddeld op fl. 1.70. In de tijd van de reformatie kost het uitrusten van een soldaat in geregelde dienst vaak 500 à 600 gulden, terwijl een ruiters uitrusting komt tussen de 1200 en 1500 gulden. Het doden van een soldaat kost nu ruim fl. 12.

Oorlogsvoering wordt gecompliceerder en kostbaarder. Ook nu kan echter worden gezegd, dat de aanvallende troepen – het leger van de reformatorische Gustaaf Adolf is hiervan een goed voorbeeld – in feite ook plunderaars waren. Hun doel was niet alleen het verdedigen van een godsdienstvrijheid, maar in vele gevallen liet men rustig de volgelingen van het nieuwe geloof ergens achtervolgen, omdat het nu eenmaal rendabeler was een rijke abdij te plunderen. Een zeer goed voorbeeld is hierbij het bloedbad van Nieuw Brandenburg, waartoe niet alleen wreedheden, maar vooral het bedrog van een vorst, – die zich door overlopen bevoordeelde met een grote hoeveelheid relieken, kelken e.d.,- de aanleiding werden. Van dan af worden de legers steeds groter en kostbaarder. Een vorst kan dit zelf niet meer alleen financieren. Wij zien, dat men genoodzaakt is leningen af te sluiten, of bepaalde rechten over te dragen, om aan geld te komen. Er ontstaat nu een vorm van bankierschap, dat voornamelijk zijn winst zoekt in het financieren van oorlogen. Een van de bekendste voorbeelden hiervan is wel het optreden van de Rothschilds, die gelijktijdig in Duitsland, Frankrijk en Engeland de strijd financieren en daarnaast via een neventak van het bedrijf – de gebroeders Rosenbaum – in Spanje eveneens als financier optreedt. Hierbij blijkt het meer te gaan om enkele rechten of hoge renten, maar vloeit na enige tijd de voornaamste winst vooral voort uit het veranderen van de waarde van bepaalde bedrijven en het manipuleren van assignaten en valuta’s. Door een systeem van boden, postduiven en een primitieve telegraaf plus eigen invloed bij de regeringsleiders kan men op zeer winstgevende wijze speculeren, iets wat de kosten van de vele oorlogsleningen ruim vergoedt. Speculaties van deze aard bepalen nu enige tijd krijg en oorlog. Dit was echter alleen mogelijk, omdat de financiële verhoudingen in de wereld nog betrekkelijk eenvoudig waren.

Wanneer bij voorbeeld Duitsland te veel Franse assignaten had bezeten, zou, men in de Frans-Duitse geschillen niet daarmede hebben kunnen speculeren, omdat Duitsland de waarde van die assignaten dan wel zou hebben moeten garanderen, om zo grote verliezen in eigen land te voorkomen.

Nu is de wereld van heden, althans economisch, betrekkelijk één geheel geworden. Wanneer u rondkijkt, zult u bv. in Nederland vele fabrieken zien, die met Amerikaans kapitaal worden gedreven, terwijl daarnaast eveneens bedrijven bestaan, die voornamelijk door Duits en Zwitsers kapitaal worden gedreven. Ook andere landen hebben vaak zeer belangrijke beleggingen gedaan. Nederland is dus een soort vergaarbak van allerhande internationale interesse geworden. Dit betekent, dat een aanval op Nederland dus niet bepaald wenselijk is voor deze landen. Men zou hierdoor eigen bezittingen, die vaak ook strategisch belangrijk zijn, prijs moeten geven. Zelfs de Russen hebben nog wel een reden om Nederland voor vernietiging te sparen, omdat meer en meer door bepaalde Nederlandse bedrijven aan Rusland goederen geleverd worden die voor dit land belangrijk zijn, zoals precisieapparaten, machines en schepen.

Van deze en dergelijke leveranties is men in Rusland voorlopig nog afhankelijk, indien men eigen economie verder wil ontplooien. Dit alles omzettende in andere termen kunnen wij stellen: Het mechanisme van de oorlog, dat eens geheel militair was – men leefde eenvoudig van de veroverde gebieden en had daarin weinig of geen belangen – is nu tot een volledig economisch mechanisme geworden, waarvan de machtsontplooiing nog slechts de exponent is. Economie en politiek kunnen gezamenlijk het wel en wee van een land bepalen. Men mag hierbij echter niet over het hoofd zien, dat strijd economisch wel degelijk wenselijk kan zijn.

Nu hoort u van vele dreigingen. Er zijn natuurlijk altijd weer staatslieden, generaals e.d., die geweld toch wel willen gebruiken, omdat zij voor zich – maar niet meer voor hun volk – van oorlog nog een bepaald gewin verwachten. Maar dergelijke beweegredenen voor strijd en bewapening zijn voor de burger van heden, die toch heel wat meer invloed en rechten heeft dan in het verleden, niet erg aanvaardbaar. Het gevolg is, dat idealen als beweegreden tot strijd en bewapening steeds meer op de voorgrond kwamen en de achterliggende drijfveren moesten bemantelen. In de oorlog van 1870 was dit reeds scherp kenbaar, al doen de gebruikte leuzen ons nu wat primitief aan. Wanneer wij het begin van de eerste wereldoorlog bezien, zo blijkt ons, dat dit niet zozeer door de moord in Sarajevo, alswel door een handig gebruik van leuzen door belanghebbenden werd veroorzaakt. Op de achtergrond lagen hier de Duitse behoefte aan koloniën – aan “Lebensraum” plus de behoefte aan gezag en rijkdommen bij de heersende klassen, die in deze dagen verarmden door de handigheid van de eenvoudige burgers, die rationeler en handiger wisten te werken en te verdienen. Het ingrijpen van Amerika wordt eveneens hier niet alleen door menselijke motieven bepaald, maar wel degelijk ook door de angst, dat de band met Engelands afzetmarkten zou verloren doen gaan en ook een bron voor mensenmateriaal verloren zou kunnen gaan. Kapitaalbelangen en economische noodzaak speelden ook hier een veel grotere rol dan men nu beseft, o.m. omdat de Amerikaanse vloot in die dagen te klein was, om in eigen transportbehoeften geheel te voorzien.

In de tweede wereldoorlog zien wij tot onze verbazing bijna alleen nog leuzen als beweegreden voor de strijd. Maar ook deze zijn niet veel meer dan een handige vermomming van de werkelijkheid, want ook hier spelen, en in steeds grotere mate, internationale belangen een rol.

Opportunisme wordt achter idealen verborgen, zodat men opeens bv. Stalin tot vriend en goed mens verklaart – o.m. door Roosenveld,- ofschoon dit in tegenspraak is met alles wat men weet. Rusland wordt opeens gezien als een belangrijk geallieerde, maar niet, omdat men van dit Rusland houdt. Op zijn beurt neemt dit land zeker de hulp van Amerika niet aan – denk aan ‘lend and lease’ – omdat men de Amerikanen zo aardig vindt. Voor Amerika is het belangrijk, dat het door de oorlogsproductie op korte termijn kan komen tot een herziening van zijn steeds nog wat wankele economie, terwijl een vernieuwing van het productieapparaat eveneens belangrijk is, evenals de oplossing voor het nog steeds grote werkeloosheidsvraagstuk. De oorlogseconomie heeft voor vele belangen en bedrijven een zodanige uitbreidingsmogelijkheid betekent, dat onbelangrijke of zwakke maatschappijen aan het einde van de wereldoorlog zich hadden ontwikkeld tot wereldconcerns.

Misschien vindt u dit alles vervelend. Maar het is van belang, indien men de wereld van vandaag wil begrijpen. Oorlog is nu een kwestie van economische noodzaak geworden. Dit betekent echter ook, dat een oorlog aanvaardbaar wordt, wanneer kan worden aangenomen, dat, ondanks de grote offers aan mensen en materiaal die gebracht worden, een verbetering van het levensklimaat bereikt zal worden. Als het er op aan komt, wil daarom haast niemand werkelijk in deze dagen een grote oorlog. Nuchter bezien, zijn er maar zeer weinige mogendheden, die bij een wereldomvattende oorlog op het ogenblik belang kunnen hebben. Er zijn natuurlijk wel partijgeschillen, als de strijd in Congo, die in wezen gaat om de middelen van Katanga en de mijnbouw. Er zijn in Afrika en elders ook geschillen, die dienen om macht te verwerven of als afleidingsmanoeuvre moeten dienen voor de – overigens vaak noodzakelijke – eisen, die men aan eigen volk wil stellen. Vaak gaat het bij kleinere oorlogen zelfs om het verwerven van de noodzakelijke voeding, zoals in bepaalde delen van Azië. Wij moeten echter goed onthouden, dat de primaire drijfveren in deze conflicten nooit meer alleen rijkdommen en gebiedsuitbreiding beogen. De tijd, dat dergelijke dingen ook bereikbaar waren, is reeds voorbij. De strijd is nu enerzijds een politiek middel, om bestaande machten te handhaven, terwijl het anderzijds een economisch middel is, waardoor eigen industriële opbouw, inspanningen en regeling van economische en sociale verhoudingen beter gestimuleerd kunnen worden. Een dergelijke stimulans zal echter alleen nog mogelijk zijn, zolang men te maken heeft met een beperkte oorlog, waarbij de strijd plaats vindt aan een betrekkelijk beperkt front, waarachter een groot actief achterland bestaat voor beide partijen. Zodra een oorlog verder gaat dan dit, betekent zij een vernietiging van noodzakelijke mogelijkheden en kapitalen en wel in de eerste plaats voor de partijen zelf. Het werkelijke mechanisme van de oorlog is op het ogenblik economisch.

Naast deze materiële waarden hebben wij ook geestelijk met het strijdelement te maken. Een zekere strijd is, evenals een zekere strijdbaarheid, nu eenmaal geestelijk noodzakelijk. De mens die leeft en geen weerstanden ontmoet en geen weerstanden durft zoeken in het leven, zal geen werkelijke bewustwording doormaken tijdens het bestaan in de stof; te grote gelijkmatigheid in het stoffelijk leven blijkt voor de geest haast dodelijk te zijn. De strijd is dus ook hier noodzakelijk. Nu kan deze strijd op vele verschillende vlakken gevoerd worden. U zult wel begrijpen, dat geen van ons in de geest belang kan hebben bij een grote oorlog, die op aarde met alle wapens wordt uitgevochten. Aan de andere kant begint hier en daar de zelfgenoegzaamheid van mensen en volkeren echter onrustbarend toe te nemen. Neem als voorbeeld eens het Franse volk, dat zich op het ogenblik volgens velen eigenaardig, om niet te zeggen politiek – hysterisch gedraagt. Wij hebben dit reeds eerder gezien, maar ook kunnen vaststellen, dat onder pressie van omstandigheden dit zelfde Frankrijk met grandioze improvisaties en een nuchter en moedig optreden steeds weer in staat bleek, veel te bereiken en te redden. Het is welvaart, die stilstand en politieke paranoia schijnt te bevorderen.

In Nederland zien wij, onder dezelfde invloed van de welvaart – die ook een leuze en niet een feitelijke werkelijkheid alleen is – de tegenstrijdigheid van een streven naar een communistische gemeenschap – namelijk het perfecte doorvoeren der stellingen en methoden van het socialisme – terwijl aan de andere kant steeds meer eigenschapsbelangen moeten worden beschermd en gespaard. Een soort kalf met twee koppen; dergelijke kalveren leven soms wel enige tijd schijnbaar voorspoedig, maar zij leven nooit lang. Wanneer ook hier niet een kracht optreedt waardoor de belangenstrijd om een paar centen enz. vergeten wordt, zal niet alleen het Nederlandse volk en de Nederlandse industrie hiervoor zwaar moeten boeten, maar zal ook de geestesgesteldheid van het Nederlandse volk een ernstige klap krijgen, met alle geestelijke gevolgen vandien. Wanneer wij verder naar het noorden gaan, zien wij de welvaart van bv. een staat als Zweden, waar een ieder het schijnbaar toch wel buitengewoon goed heeft, maar waar gelijktijdig een ontmoediging en geestelijke ontreddering blijkt te ontstaan, waardoor niet alleen het aantal zelfmoorden daar steeds groter wordt, maar de mensen zich ook steeds meer van elkander isoleren, daarbij aan de ene zijde steeds meer alle menselijke ideeën en regels met de voeten tredende, aan de andere kant zich haast huilende afvragen, wat in een dergelijke ontmenste wereld de zin van het bestaan nog is. Ook hier is een andere impuls noodzakelijk, evenals in de USA, waar een wankele economie, en een herhaalde feitelijke, maar niet officiële, devaluatie van de dollar tot op heden wel uiterlijk de verschijnselen van verval en wanhoop kan voorkomen, maar in feite toenemende problemen als werkeloosheid, belangenstrijd en kapitaalsbehoeften een steeds minder beperkt egoïsme van groepen en eenlingen bevordert.

Ook hier is wel degelijk een ingrijpen en een verandering noodzakelijk.

Vanuit de geest zien wij dit alles en beseffen juist daardoor zeer wel dat het eenvoudig niet mogelijk is deze wereld een werkelijke en volledige vrede te geven; deze zou haar ondergang worden. Daarom moet o.i. gestreefd worden naar een beperkte vrede, die in ieder geval de mens nog de kans geeft om te leven en te streven, zonder daarbij alle strijd weg te nemen en alle belangrijke ontwikkelingen en initiatieven zo tot een ontijdige dood te veroordelen. Om de ondergang van de wereld en de mensheid te voorkomen, ziet men zich in de geest dan ook genoodzaakt een vorm van oorlog te stimuleren, waarbij de strijd niet wordt uitgevochten met wapengeweld en verovering niet meer een belangrijk doel is. Bij ons streven naar een dergelijke strijd vertrouwen wij in aanzienlijke mate op de belangenbindingen tussen de verschillende staten, om wapengeweld te beperken en te voorkomen. Eens hebben wij de bankiers de vloek van het volk genoemd. Niet, omdat zij als bankiers zo slecht waren, maar omdat zij elke op verovering beluste groep in staat stelden legers te vormen en oorlog te voeren. Nu echter is het bankwezen de zekerheid geworden voor een beperkte vrede door de, via de banken ontstane, grote vermenging van belangen. De werkzaamheden van de geest zijn op het ogenblik dus niet meer in de eerste plaats gericht op het voorkomen van het uiterste geweld. Ofschoon er een tijd was, waarin wij vreesden voor een derde wereldoorlog, zo menen wij nu, dat hiervoor geen direct gevaar meer bestaat en wijden wij ons aan de middelen om op langere termijn een althans houdbare uiterlijke vrede tot stand te brengen.

Vanuit de geest doen zich de laatste jaren als volgt kennen: Vanaf 1947 heeft zich een steeds fellere koude oorlog ontwikkeld en, ongeacht de mooie verklaringen over en weer, die ook nu nog geregeld klinken, heeft deze meer en meer de vorm aangenomen van een productie- en prestigestrijd tussen het westen en het oosten. Nu is deze productiestrijd wel interessant, maar op een gegeven ogenblik moet er toch nog iets anders bij komen. Nu is het gevaarlijk, om een ideologie als additioneel strijdelement te gebruiken. Idealen worden soms als zo concreet beschouwd, dat juist de eenvoudig mensen zich in naam van deze idealen laten misbruiken. Dit is niet aanvaardbaar. Toch plegen staten hun bestel en hun strijd te baseren op idealen en leuzen. Dan mag dus de strijd, die zich ontwikkelt zowel als de prestigestrijd, die steeds belangrijker wordt, zich niet afspelen tussen staten. Wij willen vanuit de geest de mens een zo snel mogelijke bewustwording mogelijk maken. Wij hebben daarvoor, zoals u wel weet, onze redenen. Daarnaast wensen wij de mensheid steeds sterker, bewuster en krachtiger te zien worden. Wij zullen dan een vorm van strijd moeten entameren, die tussen mensen gaat en niet tussen staten, een strijd, die moet worden uitgevochten met economische wapens, maar waarbij groepen steeds weer in het nadeel dienen te zijn t.a.v. de eenling. Dit laatste is noodzakelijk, om versuffing en verstarring binnen systemen te voorkomen.

De komende strijd en de moderne oorlog toont zich dan binnen het kader van deze inzichten ongeveer als volgt: In de eerste plaats; omstelling van productie is op velerlei terrein wenselijk of zelfs noodzakelijk. De huidige productiemethoden zijn eveneens op het ogenblik niet voldoende en niet voldoende juist. Zij vormen in vele gevallen een bedreiging van het leefmilieu van de mens. De strijd zal dus moeten worden gericht tegen onjuiste industriële ontwikkelingen. Wij kunnen dit niet doen, wanneer wij de mensen in staat zouden blijven stellen zich achter hun tolmuren en grenzen te verschansen. Aangezien geldzaken en vooral kredietzaken op het ogenblik in wezen een internationale kwestie vormen, menen wij dat het, ondanks de politiek, die eigen nationale macht graag wil handhaven, wij in staat zullen zijn, op zeer korte termijn een steeds vrijer handelsverkeer ook in de praktijk te kunnen veroorzaken. Dit is dan de eerste fase. Een vrijhandelsverkeer is het grote gevaar dat elke belangengroep bedreigt: Zodra namelijk het niet meer mogelijk is, op grond van patriottisme of nationaal belang en belangrijkheid op bepaald terrein voorrechten boven anderen te verwerven, zal een concurrentie ontstaan, waarbij de werkelijke waarde, bruikbaarheid en prijs van producten bepalend wordt voor de productie en afzet. Het resultaat hiervan zal zijn, dat de eerstvolgende fase van strijd een handelsstrijd zal worden, waarbij wapens geen rol spelen of ten hoogste in enkele beperkte gebieden gebruikt zullen worden. Het zal gaan om producten en afzet. Enerzijds zal men de markten overstromen met producten, waarvan de prijs niet meer gehandhaafd kan worden; aan de andere kant zal men op velerlei terrein ook tekorten zien optreden en slechts zeer slechte kwaliteiten aan zien bieden, omdat in het produceren van degelijke producten of goede kwaliteiten niemand meer winst ziet.

Juist dit laatste is voor ons interessant; de mens, die zich uit de massabindingen los wil maken – en dat zijn er in deze dagen veel meer dan u wel denkt – zal waarschijnlijk juist hierdoor de mogelijkheid vinden zich los te maken van de te grote bindingen met de maatschappij en een weg vinden, om voor zichzelf iets te gaan doen. Zo zal door deze economische strijd steeds meer overal een niemandsland ontstaan. Op sommige gebieden is dit er nu reeds. Wanneer u bedenkt, hoeveel moeilijkheden men op het ogenblik reeds met de officiële loodgieters, timmerlui en behangers enz. heeft, omdat deze heren nu eenmaal liever winst dan werk zien en daardoor kleine opdrachten eenvoudig niet aanvaarden, wordt het duidelijk, dat er plaats is bv. voor een timmerman, die werkeloos wordt, en – zonder een “zaak ” te openen – alleen karweitjes op wil knappen; men kan zich voorstellen, dat hij dit met andere vaklieden in gelijke omstandigheden te samen doet op een zeer vrije basis van samenwerking. Zo iemand zal hierdoor in wezen de industrie benadelen, door het in standhouden en repareren van voorwerpen enz., die anders afgedankt zouden worden. Voorbeeld: Een automonteur met liefde voor zijn werk, die op elk gewenst ogenblik ter beschikking staat, kan een auto zodanig afstellen en onderhouden, dat iemand, die nu per twee jaar zijn auto inwisselt, het voordeliger en juister gaat vinden om dit na vier jaar te doen. Dit betekent een vermindering van de vraag aan de auto industrie van 20 tot 30%. Op deze wijze zal men op velerlei terrein een voor de gehele mensheid belangrijke en juiste strijd zonder geweld kunnen voeren, door de eenling de kans te geven te profiteren van de winstzucht en strijd van grote bedrijven en groepen. Denk niet, dat dit iets bijzonders is voor ons. Wij hebben dergelijke strijdmogelijkheden ook reeds in het verleden meegemaakt. Zo heeft Nederland zijn bestaan en belangrijkheid in de z.g. gouden eeuw in wezen te danken aan het feit, dat anderen in felle strijd gewikkeld waren. De controverse op zee tussen Spanje en Engeland, de twee grootste zeevarende machten van die dagen, maakte het de Hollanders mogelijk van de oorspronkelijke Oostzee vaart over te gaan op de vaart rond de Kaap, zich grote koloniën te verwerven enz.

Even afwijkende van het onderwerp zelf wil ik nu stellen: Op het ogenblik, dat een mens geconfronteerd wordt met problemen, die hij persoonlijk, voor zich en op eigen wijze moet oplossen, zal hij geneigd zijn, volgens eigen karakter en eigenschappen, zich een eigen leven op te bouwen, waarbij hij zich steeds meer distantieert van de gelijkvormigheden en algemene normen, die elders nog bestaan. Er ontstaat dus een individualisme, dat gebaseerd is op de persoonlijke banden tussen ik en mensheid, ik en maatschappij. Wij zien nu wel grote en sterk gebonden gemeenschappen, maar vanuit geestelijk standpunt zijn dezen weinig zinrijk: De gemeenschap regelt alles voor de enkeling; voorbeeld: ruim 80% van het Nederlandse volk is verzekerd tegen ziekte, ongevallen enz. Wanneer desondanks nog kankerfondsen, astmafondsen, anti-t.b.c. fondsen meer particulier geëxploiteerd moeten worden, blijkt wel, dat er iets niet in orde is. Dit z.g. particulier initiatief is echter in wezen deel van het systeem van de gemeenschap: Een werkelijk persoonlijk initiatief wordt bemoeilijkt en door de massa niet goedgekeurd. Daardoor zijn er maar zeer weinig mensen in deze dagen, die een merkelijk persoonlijk werken en streven aandurven.

Wij hebben de persoonlijkheid nodig. Het ego van de mens ontleent zijn belang namelijk niet aan zijn functie binnen de gemeenschap alleen: Het ontleent zijn belangrijkheid vanuit geestelijk standpunt altijd weer in de eerste plaats aan een persoonlijk beleven, de zuiver persoonlijke wijze van leven en werken. In de gemeenschap moet steeds weer een norm worden gesteld.

Indien men in een fabriek aan de lopende band werkt, dan moet het tempo van de band zo gesteld zijn, dat ook de traagste onder de arbeiders dit tempo nog net bij kunnen houden. D.w.z. dat de snellere dus in wezen te weinig voorbrengen, terwijl de tragere, die misschien wel zorgvuldiger dan de vlugge zouden kunnen werken, boven hun krachten worden belast en niet de mogelijkheid krijgen op een juiste en voor eigen wezen aanvaardbare wijze het beste te volbrengen wat zij kunnen. Dat men de juistheid hiervan wel in gaat zien blijkt wel uit het feit, dat men zo hier en daar het lopende bandwerk al weer terzijde gaat stellen. In een maatschappij moeten eveneens normen gesteld worden van gedrag, prestatie enz. Deze zijn niet aangepast aan de snelsten, de besten, de verstandigste. Zij zijn gebaseerd op de domste, de meest luie, de meest onbekwame. Een maatregel ter bescherming betekent over het algemeen, dat zwakkeren, die op een bepaald terrein dus in wezen niet levensvatbaar zijn, beschermd worden.

Daartegen zouden wij zeker geen bezwaar hebben, wanneer de anderen hierdoor niet belemmerd zouden worden in hun mogelijkheid tot presteren. De lust en mogelijkheid tot bereiken van hen, die meer kunnen, wordt immers door de bescherming in feite afgeremd. De massamens van heden is een mens, die wordt aangepast – en zichzelf maar al te graag ook aanpast – aan de laagste norm. Dit impliceert geestelijke verzwakking. Wij moeten dus wel terug streven naar een steeds groter wordend individualisme. Want zodra de mens met de massa leeft en in de massa als gelijkgeschakeld deel daarvan bestaat, zal hij ook zichzelf, zijn geestelijk leven en bereiken aanpassen aan de laagste norm. Hij is dan niet meer in staat zijn geestelijke en mentale gaven ten volle te ontplooien en mist elke prikkel hiertoe. De doorsnee mens van deze dagen is door een voortdurende verfijning – zo u wilt evolutie – van het ras in de laatste tijd, evenals door de verlenging van gemiddelde levensverwachting, in staat geestelijk zeer veel te bereiken. Hij wordt hierin echter geremd door het maatschappelijk milieu waarin hij staat. Het milieu aantasten en vernietigen betekent de mensheid zelf vernietigen. Het milieu aanpassen betekent, dat wij de mens dwingen, in dit milieu eigen betekenis en wezen zuiverder uit te drukken.

Ik wil er op wijzen, dat, al wordt dit niet toegegeven, op het ogenblik zeer velen, zowel in zakenleven als in militaire zaken zich toch reeds bezighouden met gaven en adviezen winnen op occulte basis, gebruik maken van gaven die paranormaal zijn. Er zijn bepaalde units van paranormaal begaafden, bijgestaan door bekwame psychologen en parapsychologen, zowel in Rusland als in Engeland en de USA, die gebruikt worden om de mogelijkheden van de strategie aan te passen aan de in komende oorlogen te verwachtten ontwikkelingen en feiten. Er zijn grote bedrijven, die niet alleen gebruik maken van grafologen voor personeelszaken, maar ook van astrologen en door dezen het begin van productie en reclame – acties laten bepalen. Het zal u misschien verbazen te horen, dat een zeer groot bedrijf in Detroit het begin van een nieuwe productie – het opzetten van een band voor een nieuw model auto – af laat hangen van astrologische adviezen, terwijl dergelijke adviezen eveneens worden gebruikt om het ogenblik te bepalen, waarop het model voor het eerst openbaar zal worden gemaakt en het ogenblik, waarop men in verschillende streken met de reclamecampagne daarvoor zal beginnen.

Het paranormale speelt dus ook in deze dagen wel vaak een belangrijkheid. Maar onder de massa krijgt het deze waardering niet. Daar wordt men in het gebruik daarvan afgeremd of met een minderwaardig soort occultisme afgeschept. Er zijn vele mensen, die gebruik zouden kunnen maken van deze begaafdheden en mogelijkheden. Er zijn veel meer mensen, dan men zou vermoeden, die door paranormale gaven of buitengewone scherpte van intellect in staat zouden zijn de mensheid diensten te bewijzen, nieuwe initiatieven te nemen, aan het streven nieuwe impulsen te geven enz. Deze komen echter niet op de voorgrond en worden vaak door de naar buiten toe nog steeds geldende normen van redelijkheid, gelovigheid en z.g. idealisme afgeremd in het gebruiken van hun mogelijkheden. Wij uit de geest zullen moeten trachten daaraan iets te doen. Wij zullen er daarom allen, ook in de stof, goed aan doen het mechanisme van de oorlog niet alleen te zien als een kwestie van strategie, wapeneenheden, manschappen e.d. Psychologische factoren, maar boven de eigenaardig gevoeligheden, waardoor sommigen een omslag in mentaliteit lang te voren kunnen aanvoelen, zijn in wezen veel belangrijker. Wat ons brengt tot de legers van deze dagen.

Een modern leger zal steeds meer worden opgebouwd uit specialisten. Dit betekent, dat een dergelijk leger op de duur moet kiezen tussen bekwame specialisten met een volgens de oude opvattingen te kleine discipline, en te grote zelfstandigheid van handelen en denken, ofwel zal moeten volstaan met mensen, die slechts middelmatig of minder zijn en zich discipline enz. als een soort zekerheid laten welgevallen. Men heeft in de legers verder in toenemende mate te maken met de moeilijkheden, die ontstaan i.v.m. de hiërarchie: Oorspronkelijk werd de plaats in de militaire hiërarchie bepaald door bekwaamheid en ouderdom in de dienst. In een tijd van specialisten kan men dit systeem niet meer handhaven. Men kan niet meer een vaste gang van bevorderingen handhaven, maar zal steeds meer eisen moeten stellen zowel technisch als psychologisch, terwijl de bevordering verder afhankelijk zal zijn van het feit, dat de tak van specialisme op het ogenblik belangrijk is. Officieel is dit natuurlijk nog niet zo, maar in vele legers begint deze wijze van bevorderen meer en meer door te dringen. De neiging alles te automatiseren is in wezen een poging om toch de oude discipline nog vast te kunnen houden. Men schijnt te redeneren: Hoe sterker wij de zaak automatiseren, hoe minder mensen met werkelijke bekwaamheid en werkelijk doorzicht noodzakelijk zullen zijn en hoe minder opstandigheid wij dus kunnen verwachten wanneer wij de oude normen trachten te handhaven. Men is echter het punt al lang voorbij, waarbij automatiseren en mechaniseren tactisch een antwoord kan zijn voor de legers. Ook politieke scholing bewijst steeds meer niet voldoende te zijn om de oude samenhang in het leger te bewaren. Zowel in de USA als in de USSR – om een voorbeeld te geven – geeft men veel politiek onderricht aan de soldaten, maar men heeft ontdekt, dat het uiteindelijk maar weinig uithaalt. Meer bereikt men met propaganda, die echter in wezen vaak een vervalsen van de feiten betekent. Ook hier echter spelen de moderne middelen van communicatie, waardoor een aflezen van de werkelijke toestand eenvoudiger wordt, plus het feit dat steeds meer de legers op deze moderne middelen van communicatie een beroep moeten doen, om een invloed te vormen, waardoor onwaarheid propagandistisch niet neer zo bruikbaar is als voorheen.

Een leger voornamelijk te beschouwen als een consument, zoals vaak nog gebeurt, is alleen rendabel, wanneer dit leger zijn bestaan binnen de gemeenschap enigszins kan rechtvaardigen. Het kan dit alleen doen door steeds meer diensten aan de burgermaatschappij te gaan bewijzen. Een leger, dat alleen maar een last is voor de staat, zal zijn “belangrijkheid” misschien nog enige tijd kunnen handhaven, maar zal toch snel zijn invloed zien slinken en uiteindelijk geheel voor meer burgerlijke belangen moeten wijken. Wanneer u de laatste tien jaren beziet, moet u eens nagaan, in hoeveel gevallen de legers hun belangrijkheid en bruikbaarheid niet bewezen in oorlogsacties – daar maakte men nogal eens vergissingen en blunders – maar daar, waar het ging om het inzetten van legers, bij bepaalde, natuurrampen enz. Met vele andere tekenen is dit wel een aanduiding, dat het mechanisme van de oorlog steeds meer, of het dit wil of niet, gedwongen wordt zich te richten op humaniteit, humanitaire handelingen, eerder dan strijd zonder meer.

Het enige wat inhumaan blijft in deze dagen is dat deel van de wetenschap, dat zich specialiseert op middelen van agressie en defensie. Deze geheime en vaak in vrijheid betrekkelijk beperkte projecten vinden steeds meer verschrikkelijke middelen uit om de mensheid uit te roeien; de geleerden, zij zoeken, zonder daarbij misschien hun aansprakelijkheden misschien geheel te beseffen, naar steeds nieuwe wapens, en de afweermiddelen daartegen.

Het is op het ogenblik vooral de wetenschap, die gevaarlijk is. Maar ook in de wetenschap begint langzaam maar zeker een begrip te rijzen voor de gevaren, die niet alleen het gebruik , maar ook de ongelimiteerde ontwikkeling van bepaalde wapens met zich brengt. Het is steeds moeilijker om een geheim wapen, dat beproefd wordt, werkelijk geheim te houden. Ook bij de wetenschapsmensen rijst langzaam maar zeker een begrip voor het feit, dat bij het prijsgeven van ontdekkingen en het doen van onderzoekingen ook een zekere garantie voor de wijze van gebruik moet bestaan. Politiek is dit op het ogenblik nog niet aanvaardbaar, omdat de kosten van dergelijke wetenschappelijke projecten nu eenmaal nogal hoog liggen en men waar voor zijn geld wil zien. Toch zien wij steeds meer een afbuigen van bepaalde projecten naar andere bestemmingen.

Zo neemt op het ogenblik in de consumptieve sfeer de ruimtevaart een deel van de plaats in, die vroeger alleen aan legers was voorbehouden. Zo zien wij, dat wetenschapsmensen zich meer en meer afwenden van het door hen niet verder te controleren gebruik van de resultaten van hun onderzoekingen en van het niet door hen begeerde nieuwe wapen. Vele grote en belangrijke ontdekkingen zijn in de laatste tijd dan ook in vele landen, ook in staatslaboratoria en op defensieprojecten, achtergehouden. Iedereen, die er bij betrokken is, weet dan ook dat, zo er een oorlog komt, de verrassingen niet alleen zullen bestaan uit atoombommen, maar opeens legio uitvindingen naar voren zullen komen, die nu stil werden gehouden in de hoop, daarvoor een verstandiger en meer vreedzame toepassingsmogelijkheid te vinden, maar die in het geval van oorlog alleen gelijkelijk en op zeer korte termijn actief zullen kunnen worden gebruikt. Ook dit is een reden om het leger eerder te gebruiken als een stabiliserende factor voor bv. het arbeidspotentieel, of als consument te gebruiken om het economisch evenwicht van eigen interne markt te garanderen, dan als agressief vermogen.

Aan de hand van dit alles mogen wij dan ook, naar ik meen, wel enkele zeer belangrijke gevolgtrekkingen maken.

Allereerst het volgende: De afwisselend meer vriendelijke en meer dreigende houding van grotere staten ten opzichte van elkander zal in vele gevallen niet gedicteerd worden door de werkelijke verhouding ten opzichte van deze andere landen, maar door de noodzaken van eigen interne industriële en economische problemen. Het is duidelijk, dat een oplossing van deze problemen door een totale oorlog niet mogelijk zal zijn. De spanningen van oorlogsdreiging enz. die men u oplegt en waaraan sommige mensen haast ten onder gaan, zijn in wezen een enorme bluf. In de tweede plaats zal men van al hetgeen omtrent politieke en internationale spanningen en moeilijkheden wordt gezegd, een groot deel terzijde kunnen stellen als zijnde onjuist en alleen bedoeld om in ‘t aangezicht van de massa en haar – vaak gerechtvaardigde – verlangens bepaalde maatregelen door te kunnen zetten. In de derde plaats: Een mens die bang is voor geweld, zal vaak vergeten dat hij binnen de economische strijd, die voortdurend woedt, zich een persoonlijke plaats en waarde zal moeten verwerven, wil hij in de gemeenschap werkelijk van enigerlei betekenis kunnen zijn, wil hij nog iets aan zijn leven hebben. Ten laatste: Al deze punten overwegende, zal men concluderen, dat bepaalde denkbeelden, uitvindingen, bereikingen op artistiek en ander terrein, zowel als het gebruik van sommige gaven niet gewenst zijn, en dat men juist daarom ontwikkelingen in die richting zo sterk tracht te ontmoedigen en onaanvaardbaar te maken. Ik meen, dat u daarom, ook al zijn in de komende tijd ook weer meer internationale spanningen en verwikkelingen te verwachten, de nabije toekomst met een zekere rust tegemoet kunt zien. Ik meen verder, dat men zijn verzet tegen het bestaan van een leger misschien wat zal kunnen herzien, wanneer men beseft, in hoeverre een dergelijke organisatie toch ook humaan nuttig kan zijn.

Ik meen ook duidelijk te hebben gemaakt, dat een strijd voor algehele ontwapening op het ogenblik maar weinig kans van slagen zal hebben; dat pacifistische denkbeelden misschien wel erg mooi zijn, maar dat het daarvoor in de hedendaagse maatschappij nog aan praktische mogelijkheden, aan redelijke mogelijkheden vooral, ontbreekt. Er moet eerst gestreefd worden naar het herwinnen van een zuiver individueel bewustzijn van de mens, er moet eerst gestreefd worden naar een loskomen uit de neiging zich als gemeenschap steeds weer te willen richten op en vast te klampen aan het laagste gemiddelde. Pas dan kan van een werkelijke oplossing voor alle meer omvattende strijd gesproken worden. Want als elke mens bewust en voor zich werkende, zijn banden met de gemeenschap in juiste verhouding en waarheid gaat beseffen, zal het hoogst gemiddelde gaan gelden als maatstaf. De eisen, die de maatschappij dan aan de eenling stelt, zullen misschien voor velen zeer zwaar lijken. Maar het betekent toch ook, dat men de mogelijkheid heeft in de maatschappij iets te bereiken en in dit bereiken niet alleen zichzelf te dienen, maar ook de gemeenschap grote diensten kan bewijzen.

Nog een laatste woord. Wanneer er sprake is van oorlog, blijken er steeds ook weer figuren te zijn, die wij als een soort generator hiervoor kunnen beschouwen. Als wij bv. Napoleon, Hitler, Churchill, Wilson bezien, zo zien wij een uiting van persoonlijke kracht, die het lot van volkeren bepaalt. Men is dan ook geneigd voortduren te denken aan de sterke man, die de verantwoordelijkheid voor een geheel volk, een gehele ontwikkeling zal kunnen dragen. Laat ons goed beseffen, dat die tijd voorbij is; de wereldbevolking is te dicht, de belangen zijn te zeer met elkaar verweven en vervlochten om ruimte te laten voor één sterke man, die voor alle problemen dan de oplossing moet brengen. Wat nodig is in deze dagen: De werkelijke strijd, die vanuit de geest gevoerd zal worden, zal er in de eerste plaats een zijn, om te komen tot opvoeding van de mensen tot zelfstandigheid. Het betekent dat vanuit de geest vele malen aan schijnbaar onbelangrijke of te materiële zaken aandacht zal worden gewijd, ook al zijn die in de ogen van velen niet hoogdravend genoeg. Het betekent ook, dat hierdoor de mensen misschien een inzicht en begrip bereiken, dat hen bevrijden kan van hun te sterke gebondenheid aan maatschappelijke normen, gewoonten en vooroordelen. Indien u mij toestaat wat scherper te formuleren: De doorsnee mens van heden is, door de maatschappij, door het milieu vaak zo sterk gebonden, ver onder zijn werkelijke mogelijkheden en capaciteiten blijvende hierdoor, dat hij wel voortdurend nadenkt over datgene, wat hij zou moeten en willen doen, maar de verwezenlijking van deze voor hem toch vaak zo uitermate belangrijke dingen op grond van de waarden van de gemeenschap toch maar liever achterwege laat. Het is duidelijk, dat de mens hiermede zichzelf schaadt en de gemeenschap gaven en mogelijkheden onthoudt, die haar ongetwijfeld van nut zouden zijn.

En ‘ons’ (= in de geest) eigen belang bij dit dit alles? Het maakt voor ons een groot verschil uit, de geest de sferen te zien betreden, verrijkt met ervaringen, dan wel zonder enige winst. Wat onze taak betreft, is er niet zeer veel tijd meer, om dit alles voor elkaar te brengen. Waarmee ik niet bedoel, dat men over een paar maanden geen mogelijkheid meer zal vinden om tot geestelijk bewustzijn te komen. Enige maanden geleden was er een periode, waarin een ieder besluiten kon nemen met de redelijke zekerheid, dat hij deze ook zou kunnen uitvoeren. Nu echter worden de spanningen in de wereld steeds groter. De op sociale en economische waarden berustende strijd zal de mens steeds minder kans geven, om zelf nog besluiten te nemen, zelf nog beslissingen te treffen. In steeds grotere mate zullen er beslissingen voor u worden genomen. Wanneer u niet kunt beseffen, wat er in de wereld nu werkelijk gebeurt, zit u binnenkort in een hoekje gedrongen en kunt u zich niet meer geestelijk roeren.

Bij voorbeeld: Op het ogenblik werkt men gemiddeld drie dagen voor zich en de vierde dag voor de Staat, waarbij ik slechts een zeer matige schatting geef. Binnenkort zou het wel zo kunnen worden, dat u drie dagen voor de Staat werkt en slechts één dag voor uzelf. Zolang hierbij nog een zekere geestelijke en individuele vrijheid blijft bestaan, is dit nog niet zo erg. Maar indien, zoals het zich aan laat zien, er ook sprake is van een steeds verder gaande normalisering van het leven en denken van de mensheid, verliest het eigen leven steeds meer aan waarde, het ik steeds meer aan uitdrukkingsmogelijkheid. Eigen inkomen en vrijheid laten dan steeds minder toe wat voor een vrij en persoonlijk leven toch in wezen noodzakelijk of belangrijk zou zijn.

Daarom moeten de mensen zich los weten te maken van de angsten, die men hen aanpraat, zonder gelijktijdig blind te zijn voor de werkelijke gevaren en mogelijkheden. Men moet zich vooral los maken van de illusie, dat men gemeenschappelijk een zekerheid kan bereiken, waarin een ieder gelukkig is, terwijl men voor zich nooit een dergelijk geluk zou kunnen behouden. Wanneer men in de stof is, zal men zich zeker ook steeds meer los moeten maken van het denkbeeld, dat de algemeen aanvaarde norm het belangrijkste is in het leven. Want de wereld en de geest ontwikkelen zich niet door degenen, die aan deze norm beantwoorden, maar alleen door degenen, die boven de norm zijn in vermogen en weigeren zich door de algemeen geldende denkbeelden en normen te laten belemmeren in hun eigen stoffelijke en geestelijke ontwikkeling. Voor godsdienstwetenschap, esoterie, occultisme, of wat u maar wilt, geldt dit gelijkelijk. Ik heb dit onderwerp haar voren gebracht in de hoop, dat u de belangrijkheid van deze dingen zult leren begrijpen en uw gedachten van een duizend jarig rijk of een wereldondergang, een komende oorlog, de noodzaak tot geborgenheid enz., terzijde zult willen zetten om in de plaats daarvan al uw energie en tijd te besteden een een persoonlijk denken en leven, ook al lijkt dat moeilijker of gevaarlijker. Want de mens die zelf leeft, leert ook voortdurend zijn topprestatie bij voortduring te leveren op elk terrein. Voor deze mens betekent dit geestelijk een vooruitgang, geestelijk het doorbreken van een soort egalisatie, die aan het mens-zijn zijn meest belangrijke waarden dreigt te ontnemen.

De oorlog en het mechanisme van de oorlog liggen op de achtergrond. Dit zijn de pressiemiddelen, waarmede men allerhande dingen doorzet, het zijn de middelen om een angst te wekken, waardoor men een gerechtvaardigde verontwaardiging weet te onderdrukken bij de massa. Deze dingen zijn in deze dagen allereerst bluf. Wie zich laat overbluffen, betekent niets en zal enkel verliezen; wie de bluf doorziet en zijn eigen weg durft gaan, kan onnoemelijk veel winnen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie:  De ergste vijand van de mens is hijzelf

Wij hebben altijd getracht, met de esoterische les aan te haken bij het eerste onderwerp. Maar wanneer ik dat in dit geval wil doen, kan ik maar één enkel spreuk vinden om mee te beginnen:

“De ergste vijand van de mens is hijzelf.”

Dat klinkt wel erg pessimistisch wanneer je al de moed hebt een dergelijke spreuk te ontleden. Allereerst rijst dan het feit, dat de meeste mensen zichzelf meer bedriegen dan anderen, want elke mens bouwt voor zich een illusie op, een beeld van eigen wezen en eigen belangrijkheid, eigen geestelijke bereiking. Met de zo verkregen zelfgenoegzaamheid wordt de mens zijn ergste vijand, vooral wanneer hij iets bereikt heeft, want naarmate je dichter bij de perfectie komt, zal elke fout belangrijker worden. De meeste mensen hebben zo het idee, dat het allemaal wel in orde is, wanneer je maar goed leeft. Dat is echter voor een bewust streven alleen waar, wanneer je ook de fouten van eigen wezen, eigen persoonlijkheid weet te vermijden. Naarmate je meer fouten in jezelf elimineert, zullen de overblijvende fouten aan belangrijkheid gewinnen.

Er is nu eenmaal een verdeling van ons wezen in Licht en donker; daaraan kunnen wij niets doen. Wij zijn geboren tussen Licht en duister, wij leven tussen Licht en duister en in ons eigen wezen moet nu eenmaal naast het Hogere ook het lagere een rol spelen. De totale waarde van Licht en duister in ons kan niet gewijzigd worden, maar alleen ons bewustzijn en onze uiting daarvan. Wanneer wij dus vele fouten hebben en daarvan vele weten uit te roeien, zullen de overblijvende fouten belangrijker worden, omdat zij het zelfde deel van ons leven en bewustzijn in gaan nemen, dat eerst door veel meer fouten werd in beslag genomen, Zij zullen zich dan ook met al hun mogelijkheden en gevaren sterker aan ons opdringen dan voorheen.

Dit nu lijkt mij een vorm van strijd, waaraan wij ons wel voor een ogenblikje kunnen wijden. Om het kort te malen, herbegin ik dan maar:

“De mens is zelf zijn ergste vijand, omdat hij iedereen verdenkt, maar zichzelf zelden of nooit.”

Wanneer wij leren een onderscheid te maken tussen onze werkelijke beweegredenen en de argumenten die wij plegen aan te voeren als rechtvaardiging voor ons acties, zijn wij dan ook al een heel eind gevorderd in de goede richting. Het gaat er niet om, het duister in ons wezen uit te blussen. Dat is even onmogelijk als het op aarde eeuwig dag laten zijn zonder een ander deel van die wereld gelijktijdig tot een eeuwige nacht te veroordelen. Wij moeten Licht en duister gezamenlijk in ons wezen aanvaarden en zullen daarom naar ik meen, er goed aan doen, aan de volgende regels te gehoorzamen. Wanneer u iets hiervan onaanvaardbaar of zelfs kolder zou vinden, zal ik daarover niet boos zijn. Alleen hoop ik, dat u dan in staat zult zijn daar een andere, positieve regel voor de door mij gegevene in de plaats te stellen.

  1. Ik moet in mij zelf Licht en duister als gelijkwaardig aanvaarden, dit evenwicht niet ziende als mijn doel, maar wel als de basis van mijn bestaan en ook als fundament voor al mijn streven.
  2. In mijn zoeken naar de waarheid moet ik beseffen, dat alle eenzijdigheid een verminking van de waarheid zal betekenen, geen verduidelijking of ontdekking daarvan. Wij moeten trachten steeds alle zijden van onze problemen en mogelijkheden te blijven zien en zouden dit evenzeer moeten doen ten aanzien van de wereld rond ons. Een keuze kunnen wij desondanks wel maken.
  3. Waar in ons wezen het persoonlijk denken, het geloof, de gevoelswereld, een zeer grote rol spelen – zowel bij leven in de stof als elders – is het belangrijk juist deze waarden in verband met onze wereld te leren kennen. Wij moeten onze gevoelens, onze achtergronden van geloof e.d. beseffen. De achtergrond van de mens is nimmer, zoals hij graag pleegt te denken, eenvoudig hemel of hel. De weg van de mens is voortdurend een uit het Licht komen, gaan door de hel, gaan door de absolute verlatenheid, om zo te komen tot de reiniging van bewustzijn, die eerst werkelijk inzicht mogelijk maakt.

Dit zijn misschien wel erg gewichtige woorden, maar zij zijn waar. Want wij zullen moeten beseffen, dat alles, wat deel uitmaakt van ons bestaan, werkelijk is, al maken wij natuurlijk steeds weer onderscheid, zoals bv. tussen dagelijks leven en droom. Maar een droom, die in ons bestaat, is voor ons wezen tevens deel van de werkelijkheid, ook al komen de waarden van de droom voor ons niet kenbaar in de materie tot uiting.

Daarom zegt de regel: Al wat in mij bestaat, de droom, de erkenning, de gedachte, de daad, is gelijkelijk belangrijk, gelijkelijk waardevol en moet dan ook gelijkelijk beschouwd worden als belangrijk voor de erkenning van van het eigen ik en belangrijk voor het bepalen van het doel, dat wij onszelf kunnen en mogen stellen, zoals dit geheel ook bepalend zal zijn, of wij dit nu wensen of niet, voor onze verhouding met de werelden, waarin wij leven.

Naar ik meen is dit een belangrijk punt. Want de mens is voortgekomen uit het onbekende, geboren uit een Woord, dat werd tot Licht; werd hij – zo zegt een van de denkers – tot een besef, gericht op zichzelf en zoekende naar eigen ego voortdurend weer, om het te ontkennen daar, waar het werd ontmoet. Ik noem mij zelf goed, om zo de wereld te aanvaarden…. Dat gaat nog verder, maar ik vind dit al weer voldoende:

“Ik noem mij zelf goed om de wereld te aanvaarden!”

Wat ik aan goeds zie, wat ik geloof aan goeds, wat ik erken aan goeds, is eigenlijk allemaal een vorm van zelfrechtvaardiging. Je bepaalt je eigen leven, zo niet in werkelijkheid, dan toch in je gedachten. Het onbekende, waaruit wij zijn voortgekomen laat ons ergens koud. Wij geven er wel een naam aan en spreken er wel over, maar het doet ons verder weinig. Alleen wat wij vandaag kennen, wat wij vandaag zijn, heeft voor ons werkelijke zin en werkelijke betekenis.

Nu is de vraag alleen maar: Of wij werkelijk wel willen erkennen, wat wij vandaag zijn. Willen wij in het heden leven en denken? Kunnen wij het leven aanvaarden, zoals het is? Ik geloof, dat het eerste deel van onze avond in enkele opzichten een bewijs voor het tegendeel was: Velen hebben zich wat geërgerd of zich afgevraagd, wat er nu toch geestelijk belangrijk kon zijn in een dergelijk onderwerp over oorlog. Wat een ontvluchten van de werkelijkheid betekent, want de strijd, een mogelijkheid van oorlog, de structuur die werd geschetst zijn allemaal dingen, die nu, vandaag zo bestaan. Te zeggen, dat alles in de wereld goed is of te menen, dat alleen jijzelf goed bent en dat van de rest van de wereld niet veel deugt, is een ontvluchten van de werkelijkheid en de feiten van vandaag. Vandaar de leuze:

“Wees jezelf.”

Maar vat het nu niet op, zoals sommigen dit deden, in de zin van leef jezelf maar uit, doe maar alles, waarin je zin hebt, waaraan je denkt, en dan is alles in orde. Ik kan hiervoor ook een wijsgeer citeren. Ook al iemand die tamelijk dichterlijk sprak. Vreemd. Dat doen veel wijsgeren.

Waarschijnlijk, omdat zij het besef in hun eigen wezen, dat verder gaat dan woorden, om trachten te zetten in een ritme, dat in de woorden doorklinkt. Zelfs het proza van menige wijsgeer is in wezen poëtisch. Maar dit was maar terzijde.

“Mezelf te zijn, vraagt moed. Want wie zichzelf wil beleven, moet streven om meer te zijn dan slechts wat pijn, wat begeren en wat angst. Hij moet zoeken naar eeuwigheden, die hij nog niet kan betreden en gelijktijdig het tijdelijke niet kan verwerpen, dat deel is van de eeuwigheid. Wie zoekt naar het pad, dat leidt tot de hoogste bereiking, zal steeds moeten uitgaan van het heden, waarin hij bestaat….”

Ook dit gaat nog verder. Maar de conclusie wordt al duidelijk: De mens is zijn ergste vijand, niet alleen maar omdat hij zichzelf soms schade berokkent – dat zijn uiteindelijk maar stommiteiten, die snel genoeg voorbij gaan – maar hij is zijn ergste vijand, omdat hij het punt van uitgaan niet weet te vinden. Het is, alsof hij een kaart in zijn handen heeft, waarop de wegen zijn getekend, waarmede hij alles ter wereld kan bereiken. Maar die kaart toont alle wegen bv. uitgaande van Rome, terwijl de zoeker in den Haag of Amsterdam zit. Hij wil echter van zijn eigen standpunt uitgaan, maar dan past de kaart van wegen niet. De mens verwijt dan geheel de wereld, dat zij niet identiek is met de kaart van wegen, die hij bezit. De dwaasheid van dit alles ontstaat, doordat de mens niet kan of wil erkennen, vanwaar hij met zijn streven uit wil gaan. Zo wordt het begrijpelijker, waarom men in het heden moet leven: Niet, omdat dit heden zo buitengewoon belangrijk is, maar omdat het heden, met zijn gebeuren van vandaag, met zijn punten die vandaag van belang zijn en de concrete, soms onaangename feiten, die wij zo graag zouden willen vergeten, voor ons het punt is, waarvan wij uit moeten gaan, indien wij de weg willen vinden tot het Hogere. Wie in wil gaan tot God, kan daarbij niet uitgaan van een droom, maar slechts van dat, wat hij is op het ogenblik, dat hij God zoekt.

Misschien is het dan aardig om te zeggen: “God, ik ben een grote zondaar”, maar dat is alleen maar een van de meest voorkomende en gemakkelijkste uitvluchten. Zoiets als een leerling, die zegt, zonder verder te willen proberen: Meneer, ik zou dat alles wel graag willen leren, maar ik ben er nu eenmaal te stom voor. Als iemand dat in de klas zegt, krijgt hij daarvoor waarschijnlijk straf.. Het zou mij niets verbazen, wanneer God en de geestelijke grote krachten op dergelijke verklaringen op gelijke wijze zouden reageren. Neen. Je kunt je nooit verontschuldigen met een: “Ik ben niet volledig”. Wat ik vandaag ben, is dat, wat ik nu ook volledig ben. Dit bepaalt de relatie, die ik in mijzelf vind met God, bepaalt de weg, die ik volgen zal tot God.

Maar laat mij niet te vroom worden. God… Wat moet je eigenlijk met God beginnen? Bovendien, er zijn zovele dingen, die beter geadverteerd worden. Bovendien kun je nergens een dosis God kopen en meestal ben je te lui om Hem te zoeken, waar je hem waarlijk vinden kunt: In jezelf.

God vindt men meestal te vroom. Maar reëel bezien kunnen wij niet bestaan zonder dat onbekende; reëel bezien zijn wij aan dit onbekende verbonden. Wij kunnen het onbekende alleen leren kennen, wanneer wij de moed hebben uit te gaan van het verschijnsel, dat wij zijn. “Mijn God, zo Gij bestaat, zo zijt Gij heel mijn leven en zijt Gij weergegeven in al mijn wezen, in al mijn liefde en mijn haat.”

Dat is van een dichter, maar hij had er toch ook verstand van. Alleen zei hij: “Mijn God, wanneer mijn wezen uitgeblust wordt, dan besta ik niet meer. Dan ben je dood.” Hij had groot gelijk vanuit zijn standpunt. Wij mogen nu wel zeggen: Wanneer ik ook ophoud te bestaan, zo bestaat het Al nog voort, maar daarmee bestaat het voor mij nog niet voort. Zo zou ik ook op willen merken, dat je van het begrip God een soort waanzinnige afgod kunt maken en zeggen: “Dit is mijn God.” Dat lijkt je dan waar. Maar het beeld is beperkt. Het is God niet meer. Wanneer je echter God in jezelf erkent, nu, zoals je nu bent, heb je werkelijk contact met het oneindige, het onveranderlijke.

Nu komt er een eigenaardige regel, die ik er nog even bij wil geven: Naarmate ik in mijzelf meer waar ben en meer in waarheid en besef van de werkelijkheid rond mij, gericht ben op de Kracht, die ik erken als de Hoogste, zal mijn vermogen in alles stijgen in overeenstemming met mijn erkenning.

Nu behoort deze regel eigenlijk bij het occultisme en is dit geen zuivere esoterie meer. Maar wat hindert dat? Soep zonder zout is ook niet lekker. Esoterie, waarin niet de meer praktische waarde van het occulte voorkomt, is eigenlijk ook niet zoveel waard. Occultisme is een vorm van esoterie, die geuit wordt. Om een goed occultist te zijn zul je esoterisch moeten streven, dat kan niet anders. En omdat je vermogens en macht bezit in overeenstemming met je bereiken van het innerlijk zelf, lijkt het mij wel aardig om hier ook nog even na te gaan, wat je met die macht kunt zijn, wat je er mee kunt doen.

“Wat ik in mijzelf als een volledige waarheid erken en waar weet te maken, zonder zelfbedrog, is eeuwig.”

Bom, een klap op de gong: Eeuwig! Hier raken de mensen, die alleen logisch willen denken, uitgeteld voor het einde van de eerste ronde, want, zo zeggen zij, wat ik doe, kan niet eeuwig zijn. Ik zal proberen hen duidelijk te maken, dat het toch waar is.

Stel: U bent op een bepaald ogenblik bewust van het Hogere, niet in schijn, niet door zelfbedrog, schijn vroomheid en praatjes of vleierij van anderen. Nu kom je een mens tegen, die ziek is en je geneest hem. Je geneest nu niet alleen het lichaam. Allereerst genees je de geest. M.a.w. , wanneer dit lichaam al lang vergaan is en de herinnering aan enkel de genezing verbleekt is, blijft datgene, wat hij bij de genezing onderging, dat, wat je hem gegeven hebt, voortbestaan.

Het bewustzijn van die ander zal altijd door die belevenis getint blijven. Hij zal nooit meer dezelfde zijn als voorheen. Je leeft a.h.w. daardoor met die kracht van mogelijk één enkel ogenblik voort in die ander. Zo is het in het gehele Al: Wat wij ook zijn of doen, op het ogenblik, dat het een werkelijk deel is van onze innerlijke erkenning, van de macht, die wij uitdrukken, is het eeuwig. Ook al denken wij nu misschien, dat het snel voorbij gaat.

Ik ken nog wel meer van die leuke regels. Voor een esotericus is het bv. wel eens belangrijk om over het volgende na te denken:

“Wie veel spreekt, zal vaak weinig begrijpen. Wie veel begrijpt, spreekt waarheid in weinige woorden. Wie waarheid beseft erkent ze. Wie de waarheid niet waarlijk beseft, tracht ze aan anderen duidelijk te maken.”

Mijn excuus, wanneer ik zere schenen raak. Maar dit is toch belangrijk, eeuwig belangrijk: Hoe vaak trachten wij niet esoterisch of occult te werken of te zijn, alleen maar door er over te spreken. Toch zal je dan alles nodeloos ingewikkeld maken. Naarmate je de waarheid van het leven gaat begrijpen, wordt alles eenvoudiger.

Er is bij dit alles maar één enkel moeilijkheid: De eenvoud van het Goddelijke is niet uit te drukken in de termen van een schepsel, maar slechts te beleven.

Ook dit moeten wij nooit vergeten. Anders zijn wij steeds weer geneigd ons innerlijk aan anderen te openbaren, te laten zien, hoe hoog en hoe ver wij al zijn, maar maken onszelf daarbij onsterfelijk belachelijk en vervreemden onszelf daarbij nog meteen van hetgeen wij al bereikten.

“Hij, die leeft met droef gezicht, omdat hij de ernst van het leven zo ernstig beziet, leeft niet. Voor hem is alle leven sterven. Hij echter, die blijmoedig is en in blijmoedigheid het leven ondergaat, sterft in blijmoedigheid, want zijn sterven is leven”.

Dat is ook een goede, nietwaar? Maar het is werkelijk voor ons zeer belangrijk, dat wij blijmoedig kunnen zijn. In de esoterie worden wij maar al te vaak met pijnlijke problemen geconfronteerd. Wij raken kwijt, wat wij reeds voor eeuwig het onze meenden. Maar wie kan begrijpen, dat soms ook verliezen een nieuwe rijkdom kan betekenen, zal pas waarlijk rijk zijn:

“Want niet wat je bezit, maar dat, wat in je leeft, wat in je wezen als ervaring is gegrift, is het onvergankelijke.”

Het is dit onvergankelijke in ons, dat de weg vormt, welke ons voert langs de vele hiërarchieën, langs de vele Krachten en Meesters, tot de ene waarheid, die het einddoel is van alle zijn.

Zeker, dit zijn citaten. Maar hier is dan toch wel de waarheid voor ons neergeschreven. Het is niet, wat u nu toevallig denkt, gelooft of beleeft wat belangrijk is, maar de wijze waarop u in dit leven – en andere levens – leert uiteindelijk het onbelangrijke terzijde te stellen en steeds alleen dat, wat nu belangrijk is, te zien als noodzakelijk, wat u werkelijk bewust, groot maakt.

De waarheid van ons wezen is dan ook niet alleen maar de innerlijke tocht of de innerlijke bereiking, maar steeds onze gehele persoonlijkheid. Wie zegt, dat hij Gods macht in zich ervaart en deze niet buiten zichzelf kan openbaren, heeft geen recht van spreken. Wie zegt, dat hij de eeuwigheid kent en zich toch nog bindt aan de tijd, is een dwaas en heeft geen recht van spreken. Maar wie, in de stilte van zijn wezen, de eeuwigheid begrijpt en de krachten van die eeuwigheid voortdurend door ziet werken in alle dingen rond hem, leeft waarlijk eeuwig. Voor deze is de tijd voorbij.

De belangrijkheid van het bestaan ligt niet alleen in de uiterlijkheden. Zij ligt in het complexe geheel van wat je bent. Maar voor jezelf ben je elk ogenblik een ander. Wanneer u begrijpt, dat het altijd weer gaat om nu, dat je altijd weer, juist op dit ogenblik, iets groots kunt vinden of ervaren, iets machtig kunt opbouwen, dat niet anders kan worden uitgedrukt dan als een Kracht, die uit je voort wil stromen, dan weet je werkelijk, wat leven is.

En dan pas weet je ook werkelijk, wat esoterie is: Niet alleen de innerlijke, verborgen weg, maar ook de levenserkenning. Esoterie is de wijsheid, die de ervaringen van geest en stof samensmelt, het begrip, dat voert tot het vrijwillig aanvaarden der reiniging, tot het aanvaarden van loutering en toch brengt tot de blijmoedige bestreving, die zelfs in hoogste eenzaamheid nog zegt: Zin heeft mijn leven. Een openbaring is het leven zelf. Daaruit zal ik mijn kracht putten.

Tot slot nog een spreuk om over na te denken:

“Onderschat jezelf niet. Beproef je krachten en je zult sterker worden, tot de eeuwige machten verdragen kunnen worden, zelfs in je dagelijks zijn.”

Vrienden, ik had graag nog een tijdje gebabbeld, maar ik moet gaan en voor u zal wel hetzelfde gelden. Ik wens u veel vreugde, veel Licht, maar boven alles dat korreltje zelfkennis, dat alle beleven zo waardevol maakt.

image_pdf