Het menselijk denken

10 november 1958

Menselijk denken moeten wij natuurlijk onderscheiden in zijn verschillende trappen van menselijkheid. Want een mens denkt heel vaak met zijn maag. Dat is natuurlijk niet een volledige uitdrukking, maar dit denken wordt dus door de lichaamsfuncties en de daarin bestaande noden zeer sterk gericht. Verder kennen wij een abstract denken tezamen met een geloof. Abstract denken zowel als geloof brengen ons tot een zoeken naar verklaringen voor het menselijk bestaan en daarbij een inhoud van het menselijk leven zelf. Daarboven krijgen wij het innerlijk denken, m.i. wel de hoogste trap op aarde. Dit innerlijk denken is een zelfrealisatie. Ik heb nu even drie hoofdlijntjes aangegeven. U zult begrijpen dat we allereerst moeten beginnen met die bekende mens, die denkt door zijn maag.

Alle denken op aarde wordt mede gebaseerd op de drang tot zelfbehoud. Een mens wil leven. Organisch moet hij leven en moet hij zich tegen elk ophouden van leven verzetten. De mens voelt dat om in leven te blijven aan deze grote nood van zijn organisme tegemoet te komen dus­ het noodzakelijk is te eten, te drinken, zich voort te planten, etc. Verder heeft hij ook geleerd, dat pijn en dood dreigen vanuit verschillende hoeken. Deze dreiging veroorzaakt de angst.

Beginnen wij nu bij het lagere vlak van het menselijk denken, dan is dit volkomen praktisch en redelijk. Er wordt alleen datgene gevreesd, wat in feite aanwezig is. Er wordt alleen gereageerd op datgene, wat op dit ogenblik noodzakelijk is. Bij sommige primitieve stammen vinden wij dit nog. Het geheugen speelt wel een rol, maar het werkt eerder het ont­houden van een ver verleden in de hand dan een zich voortdurend refere­ren aan de voorstelling van gisteren. In deze primitieve volkeren kunt u mensen aantreffen, die geslacht na geslacht opsommen van wie ze afstam­men en daarbij terug kunnen gaan tot zelfs koning Salomo’s dagen. Toch, wanneer u hun vraagt, wat er gisteren gebeurd is, komen zij met een fantastisch verhaal. Zij vertellen geen feitelijke toestanden en omstan­digheden. Wel zullen zij weer in staat zijn buitengewoon scherp en verbluf­fend snel te reageren en met een zeer goed en snel overleg haast impro­viserend te handelen.  Deze primitieve wijze van denken is voor de beschaafde mens praktisch teloorgegaan. Hij heeft niet meer de vrijheid om zich te gedragen, zoals hij wil. Het nemen van een vrouw in een primitieve stam heeft wel degelijk enige betekenis, maar die betekenis is toch niet begrensd. Het gaat hier eerder om een samengaan dan om het geslachts­verkeer. In een modernere maatschappij is het geslachtsverkeer in de plaats gekomen van de samenwerking ‑ althans in vele gevallen. De emotionele toestand van de mens en dus ook zijn denken verandert naargelang de uiterlijke omstandigheden zullen veranderen. Hij gaat nu de nadruk leggen op andere voorstellingen. Die voorstellingen zijn verknoopt met zijn verlangens en niet meer aan de werkelijkheid aangepast.

Wanneer ik moet spreken over het denken van de mens van heden, in de beschaafde maatschappij, kan ik wat het lagere denken betreft onmiddellijk vaststellen, dat hij:

  1. Niet denkt over de werkelijkheid maar altijd over irreële omstandigheden, die slechts in zijn gedachten gelieerd zijn met die werkelijkheid.
  2. Dat zowel seksualiteit als voeding daarin een overmatig grote rol spelen.
  3. Dat hij zich omgeeft met de demonen, die hijzelf schept, waar deze hem de enige verklaring geven voor zijn afwijken van de normen die hij voor zichzelf als juist aanvoelt. Het is jammer dat het zo is.

Maar als je een beetje minder primitieve mens neemt, dan valt op dat die mens een goed verteller is. Er zijn vele eenvoudige volke­ren, waar men op het ogenblik urenlang kan zitten luisteren naar één of ander verhaal. De Arabische sprookjesverteller, de reizende ver­tellers van China, de wajang‑vertoners van Indië, zij allen zijn in staat hun gehoor a.h.w. voortdurend bezig te houden met één onderwerp gedu­rende soms dagen. De moderne maatschappij kent dit niet meer. Deze men­sen kunnen zo opgaan in het leven van anderen dat zij zich daarmee kunnen identificeren en loskomen van hun eigen werkelijkheid. Verliezen van de werkelijkheid is een zucht die ontstaat zodra de vrees voor het leven te groot wordt.

U zult begrijpen dat de moderne mensheid zeer sterk aan ontsnapping doet. Zij probeert te ontkomen aan de noodzaken van het bestaan. Zij probeert verklaringen te krijgen of afleidingen, waardoor hetgeen hun maatschappelijk en persoonlijk niet mogelijk is, althans in een illusie kan worden beleefd. Het fantastisch denken, oftewel het wensdromen ‑ beide zijn meestal met elkaar verwant ‑ beheersen de mens vanaf het ogenblik dat zijn maatschappelijke vorm en genootschap hem dwingen in een beperkte levenshouding. Wanneer beperking zelfbeperking is, treedt dit niet op. Zodra de beperking voortkomt uit voorstellingen, krachten of maatschappelijke omgeving die buiten hem liggen, dan treedt de wensdroom op als vervanging.

Ik wil hier niet te ver op doorgaan voorlopig, maar ik mag misschien nog wel één conclusie hieraan toevoegen. In het menselijk denken neemt het irreële een steeds grotere plaats in, naarmate hij in zijn stoffelijke realiteiten meer beperkt is. Die irrealiteit zal altijd gericht zijn op een aanvulling van datgene wat feitelijk niet aanwezig is of waaraan men feitelijk een tekort heeft.

Het abstracte denken en het geloofsdenken brengen ons voor een geheel ander innerlijk. Want de mens zoekt hierbij naar een oplossing van raadsels. Dat doet hij met het lagere denken niet. Het gaat hier niet om een oplossing, het gaat hier in het lagere denken slechts om een bevrediging. Het hogere denken zoekt echter naar een antwoord op vragen. De mens, redelijk combinerend, redelijk werkende, kan niet meer genoegen nemen met een onbepaalde status en wil voor zichzelf weten: Wie ben ik, wat ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik heen? Dan komt hij ook in contact met krachten die buiten het menselijke staan. Eigenaardig is dat juist deze krachten vaak als geloof worden geaccepteerd. Zij voldoen aan de behoefte van de mens om buiten zich en boven zich sterkere en beschermende machten te weten. Men zou kunnen zeggen dat hij in feite een embryonale geborgenheid zoekt in een goddelijke kracht, die hem voortdurend beschermt tegen de buitenwereld en ten slotte zal verheffen tot een absoluut geluk.

De primitieve mens kent dit slechts zeer ten dele. Hij komt tot een animisme, dus het erkennen van leven in anderen, andere wezens, andere persoonlijkheden, maar ook in stenen, planten, enz., Verder in een fetisjisme, het toekennen van eigenschappen aan bepaalde voorwerpen, planten, dieren en personen. De moderne mens doet dit niet meer. Maar wanneer hij nog primitief blijft en niet zoekt naar de logische oplossing van het raadsel, dan aanvaardt hij dus een symbolische God die in feite de vader en moederfiguur vervangt. Zijn gebondenheid hiermee is een emotionele. Zijn denken herleidt echter praktisch alles tot die God op het ogenblik dat hij eigen onvermogen kan erkennen. Als zodanig geeft het hogere denken, een grotere weidsheid van visie, want men is nu in staat de problemen van het heden te laten rusten zonder over te gaan in de onredelijke dagdromen.

Beter echter is de mens eraan toe die filosofeert. Filosofie is in vele gevallen meer waard dan geloof. Geloof is een uiterste redmiddel. Het kan alleen gehanteerd worden binnen het denken, wanneer men werkelijk tekortschiet, wanneer het hele denken niet meer in staat is verder te gaan. Op het ogenblik echter dat wij met denken en redeneren nog verder kunnen komen, doen wij het denken tekort, wanneer wij eenvoudig zeggen: Nu ja, we geloven het wel.

De filosoof tracht aan de hand van bekende waarden en systemen voor zich een voorstelling op te bouwen van Onbekende waarden en systemen. Hij tracht te komen uit het gekende tot het ongekende en zo voor zich ‑ in het denken dus ‑ een voorstelling te vormen van de krachten, die onmiddellijk met zijn eigen bestaan samenhangen. Typisch is dat de op dergelijke wijze gewonnen godsvoorstellingen over het algemeen juister en weidser zijn dan de emotioneel ontstane. Ofschoon in klasse beide gelijk liggen – van uit het denken gezien ‑ is er toch een verschil tussen geloof en filosofie. De filosofie is beter, omdat zij het menselijke in de mens meer nadruk geeft. Terwijl het geloof daarentegen het zoeken naar geborgenheid te sterk belegt met nadrukkelijke verklaringen om een werkelijk redelijk denken nog altijd toe te laten.

Dan het erkennen van het “ik”. De mens, die in zichzelf gaat zoeken en in zichzelf gaat denken, zoekt niet slechts een verklaring voor zijn leven. Hij zoekt te begrijpen wat hij is, waarom hij is zoals hij is. Dit heeft niets te maken met psychoanalyse. Zeker kunnen we ook door analytisch denken een grote reeks van verklaringen geven voor het leven en alles wat ermee samenhangt. Maar degene, die in zichzelf zoekt, tracht in zichzelf waarden te erkennen, die tijdlozer zijn dan zijn voorstelling van buiten. Hij zal deze ook ontdekken. En deze zijn niet een illusie of een droom. Want ze kunnen feitelijk worden gebruikt. Ze kunnen worden gericht op de mensheid, ze kunnen worden gebruikt om het “ik” te doen verzinken in een ander weten en andere wereld. In dit denken valt voor het eerst het woord denkpatroon, dat ‑ buiten de zeer primitieve mens ‑ verder al het menselijk denken blijft beheersen, weg. Daarvoor in de plaats komt een meer omvattend beelddenken, dat grotere vergelijkingen in kortere tijd mogelijk maakt en gelijktijdig meer omvattende beelden in één ogenblik voor zich kan realiseren.

Na deze korte opsomming van mogelijkheden moeten wij allereerst trachten om het stoffelijk mechanisme van het denken na te gaan. Het stoffelijk denken is gebaseerd op de werking van de hersenen. De hersenen zijn te scheiden in drie delen ‑ niet in twee maar in drie. Eerst de kleine hersenen. Hun functie is zuiver lichamelijk en automatisch. Toch kunnen de processen van de kleine hersenen door scholing ook beheerst worden.

Zij maken dus een deel uit van de reeksen ervaringen, die door de wil beheerst kunnen worden, die dus ook feitelijk kunnen worden vastgesteld, zelfs indien dit in doorsnee niet gebeurt. Beheersing over de kleine hersenen is betrekkelijk zeldzaam en kan alleen door grote training worden verworven.

Dan hebben wij de grote hersenen. In de grote hersenen vinden wij een groot aantal cellen, gegroepeerd in zgn. centra. Elk centrum draagt in zich een reeks van zintuiglijke herinneringsprikkels. Dit wil dus zeggen dat bv. een visueel centrum ergens gelegen is bij de hersenschors op een vaste plaats. Die is echter niet bij elke persoon gelijk. Maar is eenmaal een visuele prikkel allereerst in die hersenen op die plaats vastgelegd, dan zullen alle andere impulsen gerefereerd worden aan dit aanwezige. Het gevolg is dat een compleet herinneringsvermogen bestaat, waardoor onmiddellijke visuele vaststelling en vergelijking mogelijk is. Dan hebben we verder natuurlijk het klankherinneringscentrum. We hebben bepaalde bewegings‑ en reactiecentra. We hebben herinneringspunten waarin het onderbewust denken ligt en daarvoor enkele meer streepvormige lagen die het direct bewuste, het direct toegankelijk denken bevatten voor de mens.

Dan hebben we daarvoor ‑ door mij dus afzonderlijk hier als deel beschouwd ‑ de zg. frontale hersenlobben. Het zijn aanhangsels van de hersenen en zij dragen in zich een reeks eigenaardige functies. Het is hier dat we o.m. de overgevoeligheid van de mens kunnen vinden. Zijn overgevoeligheid die hem helderziend, helderhorend kan maken, maar die hem evenzeer tot een slachtoffer kan maken van hallucinaties, die hem kan doen uittreden, maar evenzeer tot verwarde dagdromen doen vervallen en tot waanzin komen. Hier is nl. kwestie van een reeks combinerende centra, die van buiten ontvangen prikkels releren met de herinnerinscentra van de grote hersenen. Is deze ontvankelijkheid voor prikkels onjuist ‑ bv. door een te grote stimulering, door verdovende middelen of alcohol ‑ dan kunnen hieruit illusoire beelden ontstaan ‑ of werkelijke beelden ‑ die het gehele wezen overvleugelen en de gehele realiteit van het lichaam tijdelijk wegdrukken.

Bij het mechanisme van het denken valt voorts op dat niet geheel het denken in de hersenen is gelokaliseerd. Wij vinden in het lichaam van de mens bepaalde zenuwcentra en zenuwknooppunten die in feite ook denken, zij het beperkt. Hier worden o.m. prikkels geselecteerd, prikkels versterkt en onderdrukt. Op deze wijze kan gezegd worden dat de mens in feite denkt met het gehele lichaam op zuiver stoffelijk vlak. Het zg. redelijke vlak staat in verband met directe prikkels en reacties. In dit opzicht is evenzeer een groot gedeelte van het lichaam hierbij betrokken. Hebben wij te maken met herinneringsimpulsen, vergelijkingsimpulsen, dan echter moeten wij verwijzen naar de grote hersenen. Krijgen wij daarbij zgn. paranormale impulsen ‑ telepathie, enz. ‑ dan zijn deze in de frontale hersenlobben te vinden.

In dit geheel is het mogelijk door selectie ‑ selectie kan ook door de uitoefening van de wil, het opleggen dus van een dwang vanuit een klein deel van de hersenen, mogelijk zijn ‑ een ontwikkeling te doen vormen, die aangepast is aan de persoonlijkheid. Ik zou hier graag een voorbeeld bij geven.

Een mens denkt. Hij beweegt zich. Dit is een functie die door de kleine hersenen dus mee wordt gestimuleerd. De impuls: “Ik moet lopen” is er. De uitvoering van beweging enz. gaat via het zenuwstelsel en wordt vanuit de kleine hersenen gedirigeerd. De evenwichtsorganen zorgen voor stabilisatie enz. Nu loopt hij en hij denkt: “Er is hier iets niet in orde”. Deze impuls kan komen uit de frontale hersenlobben. Het is nog niet feitelijk vastgesteld. Hij gaat daarop alle voorkomende factoren ‑visueel en auditief ‑ na en gaat zeggen; Dit klopt wel en dat klopt niet. Hij blijft dan staan bij twee of drie punten die hem onbekend zijn ‑ althans in deze samenhang niet bevallen, niet kloppen met zijn beeld van goed en vrede. Nu kan het mogelijk zijn dat hij desondanks besluit: “Hier is geen gevaar aanwezig”. Het gevoel van gevaar blijft echter. Hij draait zich om en hij ziet een ongunstige figuur op zich afkomen. Conclusie: de frontale hersenlobben hebben hier de dreiging telepathisch opgevangen, het redelijk verstand heeft getracht deze in de omgeving te interpreteren, kon daarvoor echter geen voldoende redenen vinden. Het heeft dit daarom terzijde gelegd. De hernieuwde telepathische impuls bracht bij een nader komen een richt‑effect teweeg, waardoor een zich omwenden plaatsvond en een vaststellen van het gevaar, van de dreiging. Op deze wijze speelt zich het denken dus af.

Nu zijn er heel veel gedachtegangen te vinden die irreëel zijn. Ja, ik zou verder willen gaan en willen zeggen dat 9/10 van de denkprocessen op aarde in feite irreëel genoemd kunnen worden. En ook daar heb ik een reden voor. Want kijkt u eens: Uw voorstellingen, zoals u die vormt, zijn lang niet altijd juist. Er zijn vrouwen die zich slechts schoon en aantrekkelijk zouden kunnen vinden, wanneer zij de charmes van een Marilyn Monroe zouden bezitten. Er zijn heren die hun ouderdom voelen als een last, die zwaar op hen drukt en terug verlangen naar de jeugdige rock and roll‑mentaliteit van de knappe jeugd van deze dagen.

In feite is dat natuurlijk niet juist. Deze vrouw verlangt in feite niet Marilyn Monroe te zijn, ze wil zichzelf zijn. Maar zij heeft zich dit beeld geschapen, omdat zij zich van een onvolledigheid bewust is. Ze gaat nu tegen de wereld zeggen: ” Nu, ja, ik ben niet attractief, ik heb geen mooi gezicht, ik heb geen mooi figuur en daarom laat iedereen mij liggen.” Is dat waar? Neen. In negen van de tien gevallen zal die vrouw enkele eigenschappen bezitten, waarvan zij zich bewust is dat ze anderen afstoten. Zij wil dit voor zichzelf niet erkennen, omdat zij zichzelf niet wenst of durft te veranderen. Het gevolg is dat zij een ideaal projecteert en daarmee de gehele verhouding verkeerd stelt.

Die oudere man met zijn ideaal van weer jong zijn: “Als ik nu eens twintig was”, doet in feite niets anders dan gebreken, waaraan hij zich ergert, gebruiken als een verontschuldiging voor een falen. Dit falen kan zijn gelegen in een gebrek aan aanpassingsvermogen. Hij kan zich niet aanpassen aan zijn huidige toestand. Het kan evenzeer zijn gelegen in zijn voortdurende behoefte om tot een zelfoverschatting te komen, dus meer te presteren dan anderen, iets wat hij juist op lichamelijk terrein niet meer kan. Ook hij ontloopt het reële, het werkelijke probleem van het leven.

Bij deze projecties, mijne vrienden, maak je in feite jezelf blind voor de verhouding die tussen je eigen wezen en de wereld bestaat. En dit is zeer fataal. Wij kunnen niet altijd reëel tegenover de wereld staan. Daarvoor zijn bepaalde psychische schokken aansprakelijk. Wij zullen bv. een kind zien dat een keer door een hond is gebeten. Nu wordt dat kind man of vrouw en deze blijft een afkeer van honden behouden. Die afkeer wordt dan gerationaliseerd. Nou ja, maar die dingen zijn zo lastig en ze verharen zo. Ze doen dit en ze doen dat. Neen, ik ben in feite bang ervoor. Ik wil het alleen niet toegeven. Zoals dat ontstaat tegenover een hond, zo kan dat ook ontstaan tegen mensen. Het kan ontstaan in verhouding tot kleurlingen, tot priesters, dokters enz. Het is een onredelijk, onbeheerst angstig zijn, een vrezen voor een aanslag op eigen leven ‑ indirect dus zelfbehoud ‑ wat tot een vertekening van het beeld en een verkeerde rationalisatie van de toestand wil voeren. Dat is bij negen van de tien mensen het geval. Minstens.

Alle indrukken die onaangenaam zijn in het menselijk denken, worden nl. zoveel mogelijk uit de herinnering weggehouden. De mens schenkt direct in het heden de meeste aandacht aan het onaangename. Gelijktijdig echter tracht hij elke herinnering aan het onaangename van zich af te schuiven, vooral wanneer dit onaangename tevens zijn opvatting van persoonlijkheid zou kunnen krenken. Daardoor krijgen we te maken met zeer veel zg. onderdrukte denkbeelden en dwangbeelden. De reactie die een mens kent op stoffelijk terrein, is niet meer reëel te noemen. Zij is zelfs volkomen irreëel, omdat hij zich baseert op premissen die volkomen onjuist zijn.

Er is een tijd geweest dat de werken van Lombroso buitengewoon veel opgang maakten. Er waren mensen die geneigd waren de mensheid te wantrouwen en daardoor zich concentreerden op de door hem geschetste misdadigerstypen. Het gevolg was dat een zeer wijs en goed man met een toevallig wat laag voorhoofd door hen als misdadiger werd gevreesd en gemeden. U zult begrijpen dat dergelijke dingen feitelijk ontoelaatbaar moesten zijn. Maar het is zo.

Indien alleen deze onderbewuste dwang het denken zou beïnvloeden, zouden we er nog vrede mee kunnen hebben. Maar er is nog meer. Er is door ons al heel veel gesproken over interne secreties. En toch moet ik daarop nog even de nadruk leggen.

Wanneer wij een mens zien die plotseling wordt getroffen door een felle indruk, bv. vreeswekkend of woedewekkend, dan komen er bepaalde prikkelstoffen in zijn bloedbaan. Maar dat is niet het enige. De functie van zijn weefsels en van zijn klieren, ja, van zijn bloedsomloop wordt gewijzigd. Het gevolg is dat de impulsen die de zenuwen doorgeven aan de hersenen ook gewijzigd zijn in intensiteit. Zij worden echter vergeleken, alsof in het lichaam alles normaal ware. Dit betekent dus dat een betrekkelijk kleine angst die een heftige schok betekent, een zodanige vergroting van zenuwspanning betekent, dat de gevaarwaarneming en gevaarprikkel in een zeer overdreven mate aan de mens wordt doorgegeven. Het beheersbare gevaar krijgt in het voorstellingsvermogen, in het denkvermogen, een zodanige omvang dat het absoluut niet meer te beheersen is. Het resultaat is paniek. En zo zijn er meer van die punten.

U zult begrijpen dat ook het lichaam ‑ en vooral het onbeheerste lichaam ‑ dus in het stoffelijk denken zijn invloeden steeds geldend maakt. Hoe vrijer de mens is van vooroordelen, hoe meer hij zichzelf lichamelijk in de macht heeft en hoe minder hij vreest zichzelf in een te voordelig of te onvoordelig licht te, zien, hoe gezonder hij is, hoe juister het menselijk denken in hem tot uiting komt. Tenminste stoffelijk.

Nu de vraag: Waarom filosoferen zoveel mensen? En daarbij een onmiddellijk aansluitende vraag: Waarom zijn het vooral ouderen die zich tot het filosofisch denken zo voelen aangetrokken?

Het leven op zichzelf biedt een ongekende hoeveelheid van mogelijke indrukken. De verschillen daartussen echter zijn niet groot. De meeste mensen zijn niet in staat deze verschillen voldoende te ervaren, zodat ten slotte het leven voor hen een herhaling wordt van bekende toestanden en feiten. Het onbekende dat zij ontdekken of beleven, wordt steeds weer herleid tot iets wat direct verwant is met het gekende. Daardoor zal zuiver stoffelijk gezien een zeker tekort ontstaan. Wij hebben niet die nieuwe, frisse indrukken die noodzakelijk zijn om het denken op gang te houden. Een machine in leegloop.

Maar een machine die loopt zonder belasting is niet rendabel. Het menselijk lichaam is gebouwd op een rendabiliteit. Een zeer ingewikkelde machine met een ‑ gezien haar complexheid ‑zeer groot rendement aan kracht, aan bewustzijn, aan omvorming. Nu heeft men dus een tekort aan impulsen. Gelijktijdig krijgt men vaak meer tijd. Het resultaat is dat het resterende gebruikt moet worden voor een rationalisatie van het leven zelf. De kleine details ‑ eerst onbelangrijk schijnend in de storm van het leven ‑ beginnen nu plotseling een onverwacht grote indruk te maken. Het lijkt de mens plotseling of het vraagstuk van leven en dood ‑ eens zo ver weg ‑ hem ogenblikkelijk begint te bedreigen. Het probleem van een God ‑ eens veraf en terloops geaccepteerd ‑ wordt belangrijk.

Want deze, eerst onder alle nieuwe indrukken bedolven feiten, zijn nu praktisch de enige nieuwe punten, die openstaan voor een benadering en voor het denken.

Het gevolg is dat hij gaat denken. En wel op een zodanige wijze dat zijn eigen persoonlijkheid althans zoveel mogelijk gevleid wordt ‑ u moet me niet kwalijk nemen dat ik dat zeg, maar ook filosofisch denken is eigenlijk een zoeken naar een bevestiging van het “ik”. Terwijl hij daarnaast zoekt alle bekende feiten van zijn wereld in overeenstemming te brengen met zijn persoonlijke visie. Elk filosofisch denken ‑ en zelfs een groot gedeelte van het geloof ‑ is niet gebaseerd op een aanvaarden van feiten zonder meer, maar op een voortdurende poging tot zelfrechtvaardiging. Rechtvaardiging van eigen opinies en feiten die men achteraf tracht te beleggen met voldoende bewijsmateriaal. We kunnen er wel even een paar aardige voorbeelden van geven. Ik hoop, dat ze u niet vervelend vindt.

Een mens heeft zijn hele leven de natuur beschouwd als iets waar je alles van te verwachten hebt. Een zeer natuurlijk iets overigens. Want de gebondenheid van de mens met de natuur ‑ zelfs in de moderne beschaving ‑ is nog zo groot, dat hij zonder deze natuur niet zou kunnen bestaan. Hij heeft die natuur bv. gezien als de directe uiting van Gods werken of Gods wil. In andere gevallen als het enige getuigenis van een leven of van een bestaande macht. Nu wordt hij ouder. Nu moet hij echter gaan definiëren wat hij eens globaal heeft geaccepteerd: Wat is natuur? En dan krijg je redeneringen die ‑ wanneer ik ze even overdrijf ‑ meteen het belachelijke doen zien van sommige filosofische pogingen.

Men zegt: Er is een God. Ik ken alleen de natuur. Wanneer er een God is, zal deze God de natuur moeten zijn. Maar wat is de natuur? Een reeks van wetten die vastgelegd zijn in de jaargetijden en al het andere. Wetten die berusten op beweging, op veldsterkten en op omzettingen van energie. Dus is God een veldsterkte met omzetting van energie. En zou men logisch genoeg zijn, dan zou men verder denken. Het zou dus mogelijk zijn om bij aanwezigheid van voldoende instrumenten een miniatuur‑God te vervaardigen. Iets wat op meer mystiek peil en magisch peil de oude volkeren inderdaad geprobeerd hebben.

Nu krijgen we een andere denker. Hij begint met hetzelfde: Natuur en God. Hij zegt: Er is een wet. Maar hij gaat verder: Waar een wet is, moeten noodzakelijkerwijze oorzaken zijn van die wet. Er kan geen wet ontstaan, zonder dat er een systeem is, waarvan die wet een uiting is. Een systeem echter dat een zodanige flexibiliteit heeft als de natuur vertoont, moet noodzakelijkerwijze een denkproces zijn. God is een denken. Maar wat ben ik dan? Als God een denken is, ben ik waarschijnlijk een gedachte. Want ik ben volledig onderworpen aan al hetgeen Hij zegt en doet. Simpele gevallen.

Daarnaast de bekende drogredenen. Die drogredenen zijn door de filosofen wel eens uitgesproken om duidelijk te maken hoe irreëel ze zijn. Bijvoorbeeld: een paard kan nooit een schildpad inhalen. (Het bekende sofisme van Zeno.) Het paard kan de schildpad niet inhalen, want het halveert met elke pas slechts de afstand en … kan blijven halveren. Hierbij wordt natuurlijk helemaal geen rekening gehouden met het feit dat de afstand die het paard aflegt, een constante is. Die wordt gebonden aan een symbolische reeks. Nu is dat juist hetgeen wat de mensen graag doen. En dan komen we tot de verwrongen logica die bv. religieus denken heet.

We moeten begrijpen dat er een zekere logica in de religie altijd verwerkt is. Menig geloof is ‑ aangenomen de premissen, de grondstellingen ‑ absoluut logisch. Maar de volgelingen zijn het niet. Redenering ‑ de volgelingen van Wesley – dus betrekkelijk recent. Het vuur van het absolute overtuigde geloof is thans in ons niet meer zo aanwezig.

Eens maakte dit ons tot Gods gezondenen. Nu wij het geloof echter niet meer in die mate bezitten, heeft onze godsdienst geen zin meer. Onze godsdienst heeft geen zin meer, we willen hem echter continueren, omdat we aan hem gewend zijn, laat ons daarom met de Anglicanen samengaan

Een typisch staaltje van verkeerd redeneren. Dit heet stoffelijke logica. Maar op een geestelijk terrein past het niet. Want, gesteld dat de Weslyanen inderdaad gelijk hadden, dan zou zelfs een klein geloof in de juiste stelling meer waardevol zijn dan een doen verwateren van dit geloof door een onjuist geloof te accepteren.

In de tweede plaats: Wanneer het geloof niet aanwezig is, kan dit niet alleen aan de mens liggen, want geloof is een wisselwerking tussen mens en God. Men zou dus moeten zoeken waar de fout is gelegen. En deze moet liggen in de benadering van de mens tot God, maar ook in de wijze, waarop hij zijn God zoekt te beleven. Een waar Weslyaan had dus eigenlijk moeten zeggen: Wij moeten desnoods onze kerk kleiner maken en hervormen, wij moeten weer zoeken onze God innerlijk te beleven, maar we mogen nooit met anderen samengaan.

Die verwrongen logica brengt ook de absurde elementen naar voren. Er is bv. ‑ ongeveer 20 jaar geleden, dus kort voor de tweede wereldoorlog ‑ een zeer ernstig theologisch dispuut geweest over de vraag of de duivel nu een staart had of niet. Degenen, die voor dit element waren, dit aanhangsel, betoogden als volgt: De duivel ‑ engel zijnde ‑ is gevallen. Hij kan niet tot mens geworden zijn, want hij is gevallen tot het buitenste duister. Wat is het diepst beneden ons liggende dat nog een redelijk denkvermogen heeft? Een zeer intelligent dier. Dus zou de duivel een zeer intelligent dier zijn. Wanneer hij zich aan de mens openbaart, aan een vertebraat, zal hij zich dus als een vertebraat moeten openbaren; maar met dierlijke vormen en aanhangsel. Het is dus logisch aan te nemen dat de duivel een staart heeft en dat hij andere poten heeft dan de mens voeten.

De tegenpartij echter redeneerde als volgt. De engelen behoren niet tot onze wereld. Als zodanig hebben zij geen vorm. Wanneer de duivel valt tot in het diepste duister, blijft hij desalniettemin een engel, zij het een engel der duisternis. Hij zal geen vorm hebben en als zodanig zelfs geen bepaalde gestalte of een staartvormig aanhangsel bezitten.

Beiden maken echter een grote fout. Want het is niet belangrijk, hoe die duivel eruitziet. Het is alleen belangrijk, hoe de mens staat tegenover een kwaad dat gepersonifieerd wordt. Onverschillig of die personificatie reëel is of niet reëel. Dus de fout van het menselijk denken in het godsdienstige ligt vaak in dit zichzelf verheffen boven anderen op grotere kennis. Ook echter in het ontkennen van een waarheid, omdat deze de waarde van het “ik” in eigen ogen naar beneden zou brengen. Voorbeelden daarvan vinden wij te over in de wetenschap.

Er was een tijd dat de eerste brandspuit werd uitgevonden. Het argument dat onmiddellijk daartegen wordt aangebracht door andere geleerde heren was; “Dit apparaat met al zijn fantastische aanhangsels is niet gebaseerd op zuiver natuurkundige wetten. Het is een goocheltruc, die ongetwijfeld juist dan zal falen, wanneer hij noodzakelijk zou zijn. Het is dus beter te volstaan met de lederen emmers, tot nog toe door de brandwacht gevoerd. Waarom werd dat gezegd? Omdat men vreesde dat de uitvinder een beloning zou krijgen en dat hij door de vervaardiging van zijn apparaten de meerdere zou worden van zijn collega’s.

Typische ontkenningen van verschijnselen vinden wij ook in de moderne tijd. We horen menig arts zeggen dat het paranormaal genezen onmogelijk is. Soms is dat gefundeerd. Dan horen wij hen als volgt betogen: “Wij weten dat er in het leven krachten zijn die ons medici nog onbekend zijn. Het is gebleken ‑ sinds Coué heeft menigeen ons dat aangetoond dat suggestieve krachten en vermogens een buitengewone invloed hebben op de mens, op diens levenspotentieel, ja, zelfs op diens organische werkingen. Als zodanig nemen wij aan dat hier sprake is van een suggestieve kracht. Wij menen echter dat suggestieve krachten in handen van leken tot gevaar en onheil kunnen voeren.” Dan is dit oordeel juist. Maar er zijn ook anderen die zeggen: “Ik heb lang moeten studeren voordat ik een ziekte kon genezen. Iedereen die zegt dat hij een ziekte kan genezen zonder eerst iets te weten van het menselijk lichaam en zijn studie te hebben gemaakt, is een oplichter.” Het wordt iets fijner gezegd.

Wat is hier de oorzaak? Niet zoals bij de eersten, een zoeken naar een redelijk oordeel en ten slotte zeggen: “Ja, maar ik kan niet oordelen over onbekende krachten. En daarom mag ik ook mijn patiënten daaraan niet onderwerpen.” “Neen” zegt de tweede, “het gaat hierom: Ik heb gestudeerd. Ik ben iets. Ik ben meer dan een ander. Omdat ik meer ben dan een ander, kan ik niet toestaan dat iemand die daarvoor niet gelijke offers heeft gebracht, hetzelfde krijgt.” Ik mag hier bijvoegen dat dit denken klaarblijkelijk heel oud is, want u weet wel dat zelfs Jezus in zijn gelijkenissen over de arbeiders in de wijngaard iets dergelijks vertelt. Hij gaf aan iedereen gelijkelijk loon. Waarop degenen die de hele dag hadden gezwoegd, onmiddellijk zich begonnen te beklagen. ” Maar wij hebben toch meer gedaan dan een ander”. Ze vergaten dat ze kregen want hun toekwam. Deze typische redeneringsfout komt overal voor. Zij wordt in het filosofisch en in het geloofsdenken echter het sterkst naar voren gebracht.

Bij het denken naar binnen toe zijn natuurlijk ook bepaalde fouten aan te wijzen. Eén ervan is dat men altijd uitgaat van zichzelf als zijnde op dit ogenblik ‑ alleen door het instellen naar binnen toe ‑ de meerdere van anderen. Dat is dwaasheid. Een tweede denkfout ‑ ook wel gemaakt ‑ is, dat het aanvaarden van een innerlijke werkelijkheid en het zoeken daarnaar de uiterlijke werkelijkheid zou doen vervagen of uitwissen of minder belangrijk maken. Degenen echter die juist denken, redeneren als volgt; “Innerlijke werkelijkheid betekent voor mij dus dat al wat in mij leeft en bestaat (dit geheimzinnig raadsel van bestaan en van levensdoel), moet worden geassocieerd met al hetgeen ik buiten mij ken. Het brengen van eenheid tussen mij en al wat ik buiten mij ken is de eerste stap tot de erkenning van een werkelijkheid die boven het tot nog toe aanschouwde zou kunnen liggen. De kern daarvan moet in mij liggen, omdat ik slechts van uit mezelf ervaren kan nooit van uit een ander. Maar van uit mezelf een werkelijkheid ervarende, zal ik juist, omdat zij werkelijk en onveranderlijk is, ook op de duur kunnen begrijpen wat de werkelijkheid voor anderen betekent. Dat is logisch.

U ziet, ook op dit terrein is er over het denken onnoemlijk veel te zeggen. En wanneer ik nu klaar was, dan zou u waarschijnlijk toch al voldoende hebben om uw gedachten over te laten gaan. Maar hoe zeer het mij spijt, er zit nog meer aan vast. Denken wordt nl. bovendien nog geschoold. En die scholing van denken kan juist zijn of niet juist.

We hadden het zo-even een ogenblik over suggestie. Wat zou u zeggen van de voortdurende suggestie van de reclame‑slagzin: “I like Ike.” “0mo wast witter: 10% en toch voordeliger.” Al deze slagzinnen behoeven niet op werkelijkheid gebaseerd te zijn. Maar klaarblijkelijk zal de mens in zijn redelijk denken door herhaling, zijn kritisch vermogen t.o.v. een zin verliezen. Suggestie is niets anders dan het beperken van de kritische vermogens van de mens en zo hen dwingen een toestand aan te nemen als werkelijkheid, die niet als zodanig reëel bestaat.

Het is net als bij Coué. “Ik ben gezond, ik word elke dag gezonder.” Het kan een gunstige werking hebben, omdat men daarin gelooft. Maar wanneer ik u zeg dat “10% en toch voordeliger” de hele dag voor u de enige werkelijkheid uitmaakt, dan is dat voor uw leverancier misschien erg prettig, voor uzelf betekent het dat u doof wordt voor alle andere argumenten die er bestaan.

In de moderne maatschappij vinden wij dat de mensen blind zijn geworden voor eigen verantwoordelijkheid, voor de werkelijke kwaliteiten van goederen, voor de werkelijke verplichtingen tegenover de medemens, voor de werkelijke rechten die de mens bezit. En nu noem ik er maar een paar. Dit alles is te danken aan de voortdurende herhaling van op zichzelf onjuiste stellingen. U zult begrijpen dat hierdoor een secundaire werkelijkheid wordt geschapen. Een groot gedeelte van de mensen beleeft een wereld die niet bestaat, een wereld die echter door hen gezamenlijk beleefd kan worden, omdat ze ‑ onderworpen aan dezelfde suggesties ‑ eenzelfde voorstellingsfout hebben gekregen. Vergelijkenderwijze kan worden gezegd dat een groot gedeelte van de wereld zichzelf in een lachspiegel aanschouwt en meent dat dit beeld het enig werkelijke is. Ook dat is een fout. Een treurige fout die slechts hersteld kan worden, wanneer de mens leert volkomen objectief te staan tegenover elk beroep dat gedaan wordt op zijn hebzucht, op zijn zucht tot verrijking, zijn stilling van honger.

U vindt het misschien eigenaardig dat zeer veel auto’s worden verkocht, juist omdat ze geadverteerd worden met die aardige meisjes die kostuums dragen die volgens de zedenpolitie niet in een auto behoren. Toch is het begrijpelijk. Hiermee wordt een seksuele bevrediging gesuggereerd. Als zodanig wordt de aankoop van de auto in feite een seksuele handeling en wordt geregeerd niet meer door de logische denkvermogens, maar ten dele ook door seksuele drift.

Een ander voorbeeld: Stem voor de partij van Jansen. Meer huizen, meer pensioenen, aanpassing van de loonschaal aan de prijzen. Iets wat in feite natuurlijk niet te volbrengen is. Maar de mens zegt: “Ik wil een huis hebben. Ik wil een pensioen hebben. Ik wil een loon hebben dat steeds meer wordt.” Hij laat zich door de illusie vangen en krach­tens deze denkfouten accepteert hij toestanden die helemaal niet nood­zakelijk zijn, laat hij wantoestanden en een bedilzuchtige beheersing zich aanleunen, die het tegendeel zijn van wat goed is voor de mens of wat logisch is. Het zoeken naar een prenatale geborgenheid, waarbij al voor hem zal worden beschikt en gezorgd, waarbij hij alleen maar heeft te existeren, brengt de mens tot de denkfout: Ik kan via de buitenwe­reld dezelfde geborgenheid bereiken die eens voor mij bestond bij de moeder. Dit is onmogelijk. Echter wordt op deze manier een aanhankelijk­heid geschapen die onredelijk is. Zoals de aanhankelijkheid van het kind aan de moeder onredelijk is. Het is een gewenningskwestie, waarbij voed­sel, zorg, e.d. in het begin alleen een hechting veroorzaken (eigenbe­lang) en eerst op de duur ‑ met een redelijk besef ‑ kan overgaan in een zekere genegenheid of een gevoel van verplichting. U zult begrijpen dat ook dergelijke dingen uit den boze zijn.

Aan alle kanten wordt de mens belaagd door deze propaganda‑methoden. “Als je zoet bent, ga je naar de hel.” Een slagzin die vroeger zeer veel werd gehanteerd en die tegenwoordig een ietwat andere vorm heeft gekregen. Men meent dat gevangenisstraf een stigma is. Een dwaas­heid. Men weet niet waarvoor iemand heeft gezeten en door welke omstan­digheden hij tot zijn daden is gekomen. En zo kun je verdergaan. Altijd weer neemt de mens premissen aan, omdat ze passen in zijn zoeken naar geborgenheid, of in zijn angst*

Een aardig voorbeeld van de angst kunnen we zien, wanneer een mens een ringslang ontmoet. Hij heeft wel eens gehoord van giftige slangen. Dat dit kleine reptiel absoluut onschuldig is en eerder eigenlijk nog een amfibietje, dat maakt voor hem niets uit. De vorm is schrikwekkend en dus verplettert hij onredelijk en in paniek, of vlucht weg. Waarom? Omdat hij op het ogenblik dat het gevaar hem benadert, niet meer de redelijke weg kiest (zien: wat is dit gevaar, dat ik meen te ontdekken, hoe kan ik het bestrijden?’) maar volkomen onlogische handelingen pleegt.

Dit kleine voorbeeld echter geldt even goed in de wereldpolitiek, het geldt even goed in de maatschappelijke verhoudingen. De mens vreest vele dingen, omdat hij gehoord heeft dat ze gevaarlijk zijn zonder dit uit eigen ervaring te kennen. In zijn vrees gaat hij tot handelingen over, die niet gericht zijn tegen een werkelijk gevaar, maar tegen iets wat er misschien enige overeenkomst mee heeft. Op deze manier heeft hij zeer vaak zijn medemensen geschaad en vernietigd. U zult het met me eens zijn dat ook dit een typische fout is van het menselijk denken.

Naast de suggestieve werking die uitgaat van de voortdurende her­haling, bestaat er nog een andere werking die wij met enige goede wil ook suggestief kunnen noemen. En dat is nl. het “ondergaan in de menig­te”. Ook hier is weer het gevoel van geborgenheid de hoofddader. Alle redelijk denken wordt opzijgezet op het ogenblik dat men zich in de me­nigte geborgen voelt. De menigte gaat over tot geweldplegingen en de eenling die op zichzelf niet gewelddadig is, gaat mee en doet precies hetzelfde als die anderen. Wanneer hij zich onderweg al eens bedenkt, zo gaat hij er toch mee door, want hij wil bij de menigte behoren, omdat dit zijn geborgenheid en zekerheid is. Deze redenering, waarbij het “ik” zich dus deel maakt van een massa, betekent gelijktijdig, dat het “ik” van elk redelijk element dat de mens boven het dier verheft, afstand doet. Vandaar dat de doorsnee‑massa beest is, nooit mens. Deze denkfouten worden veroorzaakt‑ dat geef ik graag toe ‑ door lichamelijke conditionering en zijn van stoffelijke oorsprong. Toch zijn het juist deze dingen die uw wereld maken tot wat zij is. Toch zijn deze uitingen hetgeen u van het menselijk denken kent.

Sta mij nu toe  om nog een ogenblik aan de geest te besteden. In het menselijk denken grijpt de geest in via het onderbewustzijn. Dat wil zeggen dat de geest niet als een kenbare gedachte, een woord‑gedachte tot uiting komt, maar eerder als een onbestemde drang. Datgene wat de geest wil bereiken, is over het algemeen niet geheel parallel ‑ of zelfs identiek ‑ met hetgeen men stoffelijk verlangt. Voor de geest zijn veel dingen onbelangrijk die stoffelijk zeer belangrijk worden geacht. In sommige gevallen weten we zelfs dat het stoffelijk begeerlijke en het geestelijk begeerlijke met elkaar in strijd zijn. Nu wordt dus via het onderbewuste een zekere conditionering geschapen. De mens weert begeerde dingen af, omdat hij geestelijk voelt deze niet te kunnen aanvaarden. De mens accepteert dingen die hij eigenlijk zou moeten verwerpen, omdat hij eveneens geestelijk hiertoe wordt aangezet en voelt dat het voor hem noodzakelijk is deze ervaringen bv. te ondergaan.

U zult begrijpen dat dit een strijdigheid in de mens teweegbrengt. Hebben wij te maken met het zuiver stoffelijk denken met al zijn verschil­lende mogelijkheden door mij aangeduid, dan zijn daar ook veel strijdpunten in, maar het is ten minste nog een eenheid. De geest echter is vaak vol­komen tegengericht. Wanneer het streven van stof en geest aan elkaar tegengesteld zijn, dan zal de mens ofwel stoffelijk zichzelf moeten over­winnen dan wel in een voortdurende tweestrijd verkeren. Bij een tweestrijd krijgen wij de tweeledige gedachte. Deze gedachte aanvaardt en verwerpt gelijktijdig. Hebben wij te maken met een mens die religieus is, dan spre­ken wij van een schuldgevoel, waarbij dus de ene gedachte de noodzaak vaststelt, de tweede gedachte deze onmiddellijk verwerpt. Geweten is naast conditionering door de omgeving, voor een groot gedeelte een deel van geestelijke werkingen en als zodanig een directe invloed op alle den­ken en op elke gedachtenuiting, ook op uw woorden.

Menig mens spreekt ‑ zoals hij zegt ‑ zonder te weten wat hij zegt of te laat zich realiserend wat hij zegt/wat zij zegt. Men meent dan dat dit een kwestie van onbeheerstheid is of van onnadenkendheid. Dit is niet juist. In vele gevallen zijn de gedachtereflexen, die worden uitgesproken, bijzonder zuiver en scherp. De uiting is alleen niet in overeenstemming met een waan die geestelijk niet kan worden aanvaard, nl. die van een gemeenschap, waarin de leugen hoger staat dan de waarheid. Dergelijke rondborstigheden ‑ hoe onaangenaam ze mogen zijn kunnen dus vaak, een uiting zijn van de geestelijke drang om de wereld zuiver te zien. Dit geschiedt sterker naarmate de mens stoffelijk zich meer te verweren heeft tegen die wereld.

Hoe de geest verder werkt met het denken? Zij kan dromen doen ontstaan. De wensdroom komt voort uit een combinatie van herinnerde feiten. Die herinnerde feiten kunnen worden aangevuld ‑ voor zover het woorddenken is ‑ met allerhande woordbeelden die men ergens ont­vangen heeft. Zover het een beelddenken is ‑ dus in feite een droom – wordt het aangevuld met fragmenten van alle geziene situaties. De geest kan in deze combinaties haar eigen sfeer uitdrukken. De fan­tasie is als zodanig geen volledige fantasie maar een zich te kennen geven van de geest en van geestelijke waarden. Zodra men echter deze werkelijkheid en fantasie met elkaar gaat mengen, loopt het verkeerd. Want de voorstelling ‑ uit fragmenten opgebouwd ‑ is een weerspiege­ling van een stemming, nooit van een feitelijkheid. Toch zal de mens heel vaak denken dat zijn innerlijke dromen feiten zijn in stoffelijke zin. Hij zal tot zijn teleurstelling moeten ervaren dat dit niet zo is. Daardoor ontstaan er wederom verdringingscomplexen, waarbij een nog groter deel van de werkelijkheid uit het herinneringsvermogen naar het onderbewustzijn wordt gebannen.

En nu, een laatste punt voordat uw geduld het opgeeft. Buiten al deze dingen is er nog iets wat in het menselijk denken een veel groter invloed heeft, dan men beseft. Het is geen psychologie, het is misschien geloof, wat ik nu naar voren breng. Er is een God. Het wezen van die God bepaalt wat er binnen dat wezen bestaat. Als zodanig is het onmogelijk in het denken een voorstelling te krijgen die strijdig is met God. Evenzeer is het onmogelijk een daad te stellen die tegen God gericht is of zelfs tegen Gods werkelijke wil. Het goddelijk Wezen geeft een aantal begrenzingen aan, binnen hetwelk zich het menselijk denken afspeelt. Hierbij zal de begrenzing vooral dan opvallen, wanneer wij lopen tegen “de blinde muur.” Er is een punt waar het stoffelijk denken niet verder kan gaan. Er zijn ogenblikken waarop het stoffelijk voorstellingsvermogen stilstaat. Hier hebben wij te maken met het goddelijk Wezen dat elk deel van de schepping behoudt binnen zijn eigen kader; daar waar het hoort. Wij mogen ons dus niet voorstellen dat het menselijk denken ooit in staat zal zijn om goddelijke geheimen te ontraadselen. Daarvoor is een ander denken noodzakelijk, daarvoor is een ander bewustzijn noodzakelijk.

Hoe wij ook willen werken met het vermogen ons gegeven om te denken geestelijk en stoffelijk, we zullen altijd moeten beseffen dat het slechts het middel is om andere middelen te verwerven, nooit de oplossing. Gedachteleven in zijn drie stoffelijke gradaties, door mij u aangeduid, plus zijn verdere geestelijke mogelijkheden, is niets anders dan een werktuig, waardoor wij ons uiteindelijk het bewustzijn kunnen vervaardigen dat God beseffen kan. Maar dat kan nooit meer denken zijn in deze zin. Het menselijk denken is te beperkt en te klein om met goddelijke waarden te werken. Het gevolg is dat het voor de mens geen zin zal hebben zijn denken tot het onmiddellijk Goddelijke te verheffen. Het zij hem voldoende, wanneer hij zijn denken gebruikt om ‑ met zo groot mogelijke zelfkennis en innerlijke harmonie ‑ een zo juist mogelijke uiting te geven aan datgene, wat in zijn bewustzijn als goddelijk ervaren wordt. Dit is voldoende.

En daarmee: vrienden, heb ik dan uw geduld voldoende op de proef gesteld en laat ik u de mogelijkheid om eens na te denken over al hetgeen ik hier gezegd heb. Nogmaals, dit betoog is zeer fragmentarisch, omdat elk van de aangesneden punten op zichzelf een hele avond kan vullen. Maar u heeft nu een algemene indruk gekregen, hoop ik. Daar waar voor u moeilijkheden zijn of vragen, hoop ik, dat u die zo dadelijk ‑ en zoveel mogelijk schriftelijk ‑ zult willen stellen. Rijst er natuurlijk onder het behandelen van zo’n vraag een opmerking, dan kunnen we rustig ook daar­ op ingaan.

Vragen

  • Het denken, dat de kinderen middels het onderwijs wordt bijgebracht, beslaat ‑ naar mij voorkomt ‑ niet meer dan de beide eerstgenoemde denk­wijzen, de maag en in de latere jaren het abstract denken. Het innerlijk denken komt er niet bij te pas, terwijl de invloed van de geest van het individu afhangt. Denkt men thuis ook alleen met de maag, dan krijgt het kind van buitenaf weinig kans om zijn denkvermogen te ontplooien. Houdt dit in dat alles uit de eigen geest moet komen, of is er sprake van een leemte in het onderwijs, waaraan iets moet worden gedaan?

Ik meen dat we hier niet mogen spreken van een leemte in het on­derwijs. Het innerlijk denken is een kwestie van honger. Het klinkt mis­schien een beetje vreemd in dit verband, maar er komt een ogenblik dat de mens naar een verklaring zoekt, die zelfs het abstracte ver te boven gaat. Hij krijgt dan een aanleiding, zodat hij kennismaking zoekt met verschillende meer abstracte stellingen en filosofische stellingen, op grond waarvan een eigen innerlijk denken tenslotte gebouwd wordt. Maar het innerlijk denken is niet te onderwijzen. Het is een reactie van het “ik” op eigen omstandigheden. Als zodanig kan het onderwijs er wei­nig aan doen. Overigens wil ik opmerken, dat het maag‑denken ‑ zo vreemd als het moge klinken ‑ in de meeste huisgezinnen overheersend is en dat een abstract‑denken daarnaast voorkomt voor utiliteitsdoeleinden, ter­wijl ook wat “geloof” over het algemeen gegeven wordt. Van het innerlijk denken kan in een huisgezin geen sprake zijn, omdat dit immers geen den­ken is, dat gezamenlijk kan worden volbracht en dus een zuiver persoon­lijke kwestie blijft.

  • Ik heb het altijd vreemd gevonden dat men met de filosofie geen kennis maakt, tenzij men daar een bijzondere belangstelling voor ontwik­kelt. Het is niet verbonden met het onderwijs. Dus wanneer het kind niet in de gelegenheid wordt gesteld om kennis te maken met filosofie, dan zal het alleen in bepaalde milieus daarmee kennis kunnen maken. En zo vraag ik me af, of het niet juist is, dat daar een leervak van gemaakt wordt. Dat het althans leert dat er filosofie bestaat.

Ik kan uw denkwijze wel begrijpen. U stelt dus: De kinderen zouden eigenlijk op school filosofie moeten leren. Maar mag ik u opmerkzaam maken op het feit dat dit geen kennismaken is met de filosofie maar met de filosofen? En dat is een groot verschil. Filosofie is een innerlijke reactie op levensomstandigheden, waardoor een eigen denkwijze ontstaat. En deze filosofie kunnen wij ‑ vreemd genoeg – ook vinden bij mensen die zelfs niet kunnen lezen en schrijven. Als zodanig geloof ik dus niet dat het noodzakelijk is de kinderen de filosofie te leren. Een andere vraag is, of het voor vele kinderen niet belangrijker zou zijn de filosofische achtergronden van hun eigen maatschappij te leren ken­nen in plaats van te worden overstelpt met de gegevens omtrent de Ba­tavieren in uitgeholde boomstammen, etc. In dat geval kan ik het met u eens zijn. Ik acht dus ook inderdaad de filosofen en hun stellingen belangrijker dan vaderlandse geschiedenis bv. Maar ik vind niet dat het noodzakelijk is filosofie te doceren in die zin dat men eerst daar­door filosofisch leert denken. Integendeel, het slaafs navolgen van de filosofische stellingen van anderen heeft al veel mensen in het onge­luk gestort. Denkt u maar eens aan de extreme ontwikkeling van bepaal­de existentialisten.

  • Er is eens gezegd dat het denken de enige kracht is, die niet is gebaseerd in de materie. Het denken stoort zich inderdaad niet aan de wetten van tijd en ruimte (o.a. de wet van Coulomb). Zijn er nog meer argumenten die op deze onafhankelijkheid van de mate­rie duiden?

Ik geloof dat in de eerste plaats de onafhankelijkheid van tijd en ruimte al belangrijk is om de onafhankelijkheid van het denken aan te to­nen. Er is echter nog meer. In het denken zijn absolute vormveranderingen mogelijk, zijn omzettingen van materie, energie, materialen te allen tijde mogelijk, zonder dat daarbij enige feitelijke storing wordt ontvangen. Verder is het mogelijk in het denken om te komen tot voorstellin­gen ‑ u heeft het in het eerste gedeelte ook al kunnen horen ‑ die strijdig zijn met elke materiële werkelijkheid. Ook dit is een bewijs dat het denken dus van een materiële werkelijkheid en de materie als zodanig onafhankelijk is. Dit neemt niet weg dat een deel van het denken geba­seerd is in de materie en dus als zodanig behoort tot het materiële wezen van de mens, bet stoffelijk wezen. Terwijl het geestelijk denken, dat niet materieel is ‑ geheel niet materieel ‑ slechts ten dele in de stof tot uiting kan komen.

  • Er is op een vorige discussieavond gezegd, dat ons werkelijke “ik” niet behoort tot dit heelal. Behoort het denken, dat dus niet gebaseerd is in de materie, tot dit werkelijke “ik”?

Ja, dit brengt ons tot een punt, dat even afwijkt van het eigenlij­ke onderwerp. De kwestie is deze: Zogenaamde werkelijkheden kunnen het best gezien worden als opgebouwd zijnde uit een straling van tijdselemen­ten. Dat wil zeggen: tussen twee elementen tijd is een ruimte. In die ruimte kan zich een anders geaard gedeelte tijd bevinden, etc. Het aan­tal mogelijkheden is praktisch oneindig. De tijd is dus een gepolariseerd verschijnsel dat niet het totaal der krachten in het Al, maar slechts een deel van de krachten in het Al openbaart. De geest behoort tot het tijdloze en als zodanig niet tot het heelal dat hier bestaat. Wanneer het geestelijk denken ‑ uit dit heelal opgebouwd ‑ dus in de geest be­staat, behoort het niet meer tot hetgeen u kent als heelal maar eerder tot een algemeen heelal dat evenwichtig is en waarin de schijnbare vloeiing van tijd ophoudt te bestaan om daarvoor in de plaats te stellen de persoonlijke en betrekkelijk willekeurige beleving van alle scheppingselementen.

  • Hebben onze verschillende voertuigen een eigen denken?

Dat is niet geheel juist. Het stofwezen heeft ‑ zoals u gehoord hebt ‑ een eigen denken. Het astrale voertuig echter heeft géén eigen denken. Het denken daarvan is ofwel onderdanig aan het denkvermogen van de stof, dan wel aan dat van een mentaal vermogen. Het bezit geen eigen denkvermogen. De mentale wereld kent wel weer een eigen gedach­tensfeer en denkvermogen. Ook daarboven komen enkele sferen voor die geen eigen denkvermogen kennen, zodat de sferen ‑ door ons meestal aangeduid als vormloos, klank en kleur, kleur en licht ‑ alle hun denkvermogen ontlenen aan het wezen “licht”. De voertuigen hebben dus geen eigen denkvermogen, maar zijn slechts de beperkte uiting van dit denkvermogen dat in een hogere sfeer georigineerd wordt. Duidelijk?

  • We zitten soms met de moeilijk­heid dat er bepaalde gedachten in ons blijven rondspelen, die we er­ uit willen gooien en die ‑ alsof ze een zelfstandig bestaan hebben of een eigen veld ‑ rustig door blijven gaan. Is dat dan een zelfstandig denkvermogen van het mentale lichaam, dat eventueel gestimuleerd wordt door gevoelens?

Als het gestimuleerd wordt door gevoelens in de stof, kan het niet meer tot de mentale wereld als zuiver denken behoren. Dan kan het hoogstens een combinatie zijn van het mentale en het stoffelijke. Maar wat wel mogelijk is dit: In de eerste plaats dat in het normaal stoffelijk denken een gedachte optreed, die gebaseerd is op één van de hongergevoelens. Dus een primaire impuls van het lichaam. Deze is in strijd met de wereldvoorstelling die wij ons abstract hebben gemaakt. Maar het eigen abstracte denken is meestal niet zo sterk dat het de realiteit kan veranderen. Als zodanig kan een gedachte uit de realiteit stammend daardoor moeilijk worden verdreven.

Een tweede mogelijkheid is de volgende: Het is mogelijk dat men­taal gezien een zekere reeks ervaringen wenselijk zijn op aarde, maar dat door stoffelijke concepten een stoffelijk geweten bv. ‑ uit maat­schappij enz. opgegroeid ‑ zich daartegen verzet. Ook dan krijgen wij ditzelfde obsederende terugkeren van een enkele gedachte. In beide ge­vallen kan worden opgemerkt, dat de obsessie dus kennelijk veroorzaakt wordt door een strijdigheid tussen eigen noodzaken en wezen. Als zoda­nig is het verstandig om daar een oplossing voor te zoeken.

  • Er wordt gesproken van het mentale gebied. Gebeurt het denken van de geest op het mentale gebied?

Een gedeelte. Zoals ik u heb gezegd, is het mentale gebied dus het eerste denkvermogen (eigen denkcentrum) dat we vinden na het stof­felijke. Dus zoals u hier hersens hebt, hebt u een mentaal wervelings­veld, waarin “gedachten” zijn herinnering, zelfs total recall (een vol­ledige herinnering) ‑ en daarnaast natuurlijk ook weer associatievermogen en wat dies meer zij. Maar zoals het stoffelijke vaak door het mentale wordt gedirigeerd, wordt dan het mentale weer gedirigeerd door de zg. lichtsfeer, waarin wederom zo’n denkcentrum bestaat. Maar ook dit is nog weer gelieerd met iets anders, ofschoon ik dit niet kan definiëren,

  • Het bovenbewustzijn, is dat een deel van het geestelijk denken of van het mentale?

Het bovenbewustzijn, zoals het over het algemeen op aarde wordt uitgedrukt, is een deel van het stoffelijke en het mentale in die zin dat tot het stoffelijk denken behoren, alle telepathische beïnvloedingen en dat als zodanig het bewustzijn van de omgeving, het eigen bewustzijn on­getwijfeld beïnvloedt; terwijl ten tweede de uitgekozen sfeer en stuwing een zoeken naar harmonie ook in de wereld veroorzaakt. Deze harmonie wordt dan mentaal bevorderd ‑ dus van uit het mentale wereldje ‑ en weer uitgedrukt in stoffelijke normen. In beide gevallen hebben we te maken met een bovenbewustzijn. Maar stoffelijk gezien is het bovenbewustzijn dat uit de massa georigineerd wordt, het sterkste en moeten we dus hoofdzakelijk denken aan telepathische invloeden, zowel uit de wereld van de levenden op aarde, als uit andere levensgebieden ‑ zelfs eventueel uit een kosmisch geheugen die stoffelijk kunnen worden ontvangen. Het mentale speelt daarbij behalve misschien t.o.v., het kosmisch geheugen een kleinere rol, zolang men in de stof verkeert.

  • Zou u een voorbeeld willen geven van het bovenbewustzijn?

Een voorbeeld van een gedachte die door het bovenbewustzijn wordt voortgebracht.

  • Van algemene aard dus.

Van algemene aard. Nu goed.

  • De eenheid van God?

Neen. Dat is een beetje te ver gegrepen. Maar bv.: “Wij stemmen op Drees, want hij is zo’n goeie vent.” Dat is dus een sfeer die wordt gevoed aan alle kanten. Wanneer die gedachte overheerst bij iedereen, dan gaat men dus bovenbewust ongetwijfeld die invloed in zichzelf voelen en komt vaak tot een herziening van zijn eigen gedachten omtrent deze heer. Dus dat is praktisch, dat is stoffelijk. Nu wil ik er u ook nog een geven waarbij dus het mentale gebied mee gaat werken. Ik voel een behoefte aan vrede. En ik zie die vrede als iets dat met het Goddelijke of het kosmische in verband staat. Dit kan een zuiver persoonlijke be­wustzijnswaarde zijn. Maar nu komt er een ogenblik dat ik mijn denken spe­ciaal op die vrede ga richten. Er zijn tijden dat u daarvoor een bijzon­dere aandacht heeft. Hier is dan het mentaal vastgestelde harmonische moment in overeenstemming gekomen met dergelijke beïnvloedingen op de we­reld, zodat nu het gehele bewustzijn plotseling op vredelievendheid wordt gericht, terwijl het kort tevoren misschien nog zeer strijdlustig was. Zijn deze twee kleine voorbeelden voldoende?

  • Mag ik nog even op het mentale doorgaan? dit: Welke as­sociatie is er tussen het mentale en bv. Zomerland? Ik bedoel ten aanzien van de ligging in de scala van bewustzijn.

Ja, ik zou zeggen dat het mentale nog een trap hoger kan gaan dan Zomerland. Dus het mentale kan de grens van Zomerland nog overschrijden. Maar het is heel gevaarlijk om dit precies zo te stellen en wel om de volgende redenen: Zoals u hier op deze wereld u bewust kunt worden van waarden die niet tot deze wereld behoren en u dus een hoger bewustzijn verwerven kunt, kunt u dat ook in Zomerland. Zodat het mogelijk is in Zomerland reeds het mentale bewustzijn achter zich te laten en met een nieuw denkvermogen zich van het mentale te uiten. Wanneer u zich dit realiseert, zult u zien dat het erg moeilijk is om een juiste defini­tie te geven. Als we een toerist hebben, is het ook moeilijk te zeggen: “Hier hebben we een toerist. Bij welk land hoort hij nu?” Het ligt aan de toerist. Het ligt aan het bewustzijn, in hoeverre het mentale dus blijft bestaan als heersende denkfactor. Dit kan gaan tot even boven de uiterste grens van de Zomerland‑gebieden.

  • U had het er nl in uw redevoering ook over ficties. Het fantas­tische denken bijvoorbeeld.

Ja, goed, Zomerland is eigenlijk fantastisch denken,

  • Ja, daar wil ik juist op terugkomen. Is er iets wat geen fantas­tisch denken is? Ik bedoel ermee: Is er iets dat absolute werkelijk­heid heeft? Geen maya?

Er is iets dat absolute werkelijkheid heeft.

  • Ja, dat is de eenheid.

De eenheid. Maar er is ook nog iets anders en dat is de ervaring. De ervaring is altijd voor u een absolute werkelijkheid en als zodanig een uiting van het absolute, die misschien irreëel gewaardeerd wordt, maar desalniettemin waar blijft. Loopt u maar even hard genoeg met uw hoofd tegen de muur, dan weet u het. Dan krijgt u een buil. Die ervaring is een werkelijkheid. Het is een uiting van een werkelijke factor, nl. dat uw ogenblikkelijke geaardheid in deze toestand niet voldoende harmonisch is met de geaardheid van de materie als zodanig om een samentreffen zonder botsing mogelijk te maken.

Ja, het is een schertsende uitdrukking, maar toch niet geheel scherts. Ik wil u hiermee waarschuwen voor de te verre doorvoering van de waangedachte. Men gaat wel eens zover, dat men zegt: Alles is maya, alles is begoocheling. En men heeft in zekere zin gelijk. Maar men mag niet vergeten, dat maya de sluier is van de werkelijkheid. En dat dus elke schijn, werkelijkheid in zich draagt. Eerst wanneer men zich dit realiseert, kan men zijn denken ook weer redelijk gaan baseren. Want zegt u, dat alles rond u waan is, dan heeft het geen zin om te handelen of te denken. Maar begrijpt u dat achter deze waan een werke­lijkheid ligt, die onmiddellijk met de besluiering gelieerd is‑ zoals de sluier over het beeld geworpen toch de algemene omtrekken weergeeft ‑ dan begrijpt u, dat u uit begoocheling kunt komen tot werkelijkheid. En dat begoocheling in zich altijd het element der werkelijkheid verbergt

  • Want de werkelijkheid is de zijnsvorm van de waarheid.

Ja. De werkelijkheid is identiek met de waarheid.

  • En in een bepaalde sfeer neemt zij dus een bepaalde vorm of ge­daante aan, dat de werkelijkheid is.

Er bestaat een bewustzijn van het Goddelijke dat in een bepaalde sfeer ‑ dus als werkelijkheid ‑ een relatie tussen dit bewustzijn en het Goddelijke stelt. Het al of niet absoluut zijn van die harmonie, de onevenwichtigheden, die in de mogelijke harmonie optreden, zijn vormbepa­lend. Maar dat voert ons wel erg ver van het denken af, vindt u niet? Hoogstens kunt u er nog eens over nadenken. In zoverre is het goed.

  • Je kunt het toch niet zeggen zonder te denken?

Inderdaad.

  • Met andere woorden het voert ons niet van het denken af. Het is inderdaad een zuivere vorm van denken.

Het is een vorm van denken maar geen bespreking van het onderwerp “Denken”. Onverschillig of u nu de meest laag‑bij‑de‑grondse humor pleegt of de hoogste filosofie, denken is er altijd mee gemoeid. Ons ge­bied zou dan een beetje te groot worden om het op één avond te behandelen, vindt u niet?

  • Hier volgen drie vragen Wat is denken eigenlijk? Wat is het verschil tussen denken en bewustzijn? Bestaat er leven zonder denken?

We gaan eerst maar naar de laatste: Bestaat er leven zonder denken? Ongetwijfeld. Leven is bestaan Denken betekent bewust de invloeden, die men ondergaat, correleren. Ook zonder correlatie is een bestaan mogelijk. In de primitiefste vormen van leven bestaat inderdaad leven zonder denken. Dit leven is zich van zijn zijn bewust, doch denkt u niet.

Dan nemen we het eerste deel van deze vraag; Wat is denken? Om het nu eens heel simpel te zeggen: Denken is het zodanig samenvoegen van nieuw ontvangen indrukken plus herinneringen, dat niet slechts een beeld van de werkelijkheid, maar ook van de mogelijke verdere ontwikkelingen ontstaat. Zodat het mogelijk is zich aan de hand van het heden te oriënteren in de verhouding, die er bestaat tussen verleden en toekomst. En ten slotte: het in zichzelf groeperen van de kosmische waarden op zodanige wijze, dat men in staat is de eigen houding t.o.v. de kosmos te bepalen.

En nu: Wat is bewustzijn? Bewustzijn is de bron, waaruit het denken voortspruit. Want in het bewustzijn vinden wij het totaal van ervaringen, herinneringen, impulsen en indrukken, die wij in onze gang door het kosmische hebben opgedaan, zodat wij door referentie aan dit bewustzijn kunnen komen tot een redelijke correlatie van ontvangen indrukken en zo tot een juist beeld van deze onmiddellijke toestand te midden van de kosmos. Dit laatste echter is een functie, die we wederom met “denken” kunnen betitelen.

  • Is het bewustzijn ook niet het resultaat van het denken? U noemt het de bron.

Het bewustzijn wordt uitgebreid als resultaat van het denken, ­ maar er moest bewustzijn aanwezig zijn, voordat gedacht kon worden.

  • Het is dus een bewustwording.

Een bewustwording is het resultaat van denken. Bewustzijn is het resultaat van leven.

  • Is er bestaan zonder denken? Is dat ook menselijk bestaan?

Soms zou je het wel denken, maar ik geloof toch niet, dat we dit durven beweren. Ik meen, dat menselijk bestaan qua status inhoudt: den­ken. Onverschillig op welk vlak dit denken zich dan beweegt.

  • Wij horen van uw zijde dat het leven een elektromagnetisch ver­schijnsel is. Wij moeten dan de persoonlijkheid als een begrenzing van het universele veld begrijpen. Hoe moeten wij daarin de functie van het den­ken beschouwen?

U gaat naar een vijver toe. U neemt een stok. U begint met die stok in die vijver te roeren. U zult zien dat een werveling ontstaat. Deze werveling is begrensd, d.w.z. de wervelende beweging beroert niet het gehele oppervlak maar slechts een klein deel ervan en dringt daar slechts tot een bepaalde diepte in door. Wij zien echter gelijktijdig dat tijdens deze werveling van uit de oppervlakte ‑ over het algemeen naar beneden toe ‑ een zekere hoeveelheid water in de ontstane trechter wordt gegoten, die van onderen weer wordt afgestoten. Het bewustzijn is de werveling.  Het denken is de toevloed en het wederom verwerpen; dus het water dat van uit de kosmos vloeit door de trechter om haar van onder weer te ver­laten. Als u deze kleine proef neemt, dan heeft u een begrip van wat het denken in feite is: een vloed van elementen, die door ons bewustzijn heen­ gaan. Maar wordt die toevloed te groot, dan zal de trechter zich verwij­den of verdwijnen. Dus krijgt u te veel stuwing water, bv. door de wind, dan zult u harder moeten draaien om dezelfde trechter te behouden. En wilt u dat werkelijk zo hard doen, dan blijkt ook dat op de duur de oppervlakte van werkzaamheid zich uitbreidt. De wind, die ons beroert, is de goddelijke wil, de kosmische wil. Deze stroomt voortdurend tegen ons wezen aan. Vandaar dat wij om onszelf te blijven steeds meer bewust moeten worden: Maar deze bewustwording impliceert dat wij steeds meer van de goddelijke kracht en wil in ons wezen verwerkelijken, door ons heen laten gaan.

Nu zouden we er dan nog bij moeten stellen, dat de kracht ‑ bv. van het vervloeien van hetgeen van boven door de trechter gaat en haar beneden weer verlaat door afstoting ‑ moet worden opgenomen in de trech­ter om zo de werveling in stand te houden en te doen uitbreiden. Dan is die kracht hetgeen wij behouden van het denken en waardoor wij komen tot de vergroting van bewustzijn. Ik geloof dat dit het eenvoudigste beeld is, dat ik u in verband met deze elektromagnetische krachten en velden kan vertellen.

  • Een werveling zou men dus kunnen zeggen.

Een werveling.

  • In de nevelvlekkenwervelingen komen ook sterren tot een ontstaan en zo is er dus ook een werveling in het denken om het bewustzijn uit te breiden.

Ja, inderdaad. U ziet met deze vergelijking komen we al een heel eind verder.

  • U sprak over het innerlijk denken. Kunt u dit nader omschrijven? Bedoelt u daarmee de kennis‑kritiek, nl. het doordenken van het den­ken?

Het zijn aardige woorden, maar hun betekenis is betrekkelijk klein t.o.v. innerlijk denken. Innerlijk denken is geen kennis‑kritiek, dus geen werkelijkheidsbeoordeling; het is een beleven van een tweede werkelijkheid. Kennis‑kritiek kan hoogstens een uiting ervan zijn, maar nooit de onmiddellijke oorzaak of de zaak zelf. Innerlijk denken te beschrij­ven is zeer moeilijk. Maar ik kan u er misschien een klein indrukje van geven als vergelijking.

U staat op de grond, u kijkt rond u. Nu wilt u weten wat het leven is. U stapt in een lift en gaat naar een toren. Naar de top van een to­ren, honderden meters hoog desnoods. Vandaar kijkt u over het land. Uw totale indruk is een geheel andere. Wanneer u beneden komt, kunt u zich daardoor beter oriënteren in het landschap, waarin u zich bevindt. U kunt echter de voorstelling niet terugbrengen, omdat ze onmiddellijk wordt verdrongen door de u omringende werkelijkheid. Dat is nu eigenlijk het innerlijk denken. Dus een, je verheffen boven het mens‑zijn om zo een indruk te verkrijgen van het mens‑zijn, die je een richtingsbepaling in het mens‑zijn mogelijk maakt.

  • Dus, dat hebben wij in de mystiek geleerd, dan krijgen wij een mystie­ke ervaring.

Inderdaad. Het resultaat kan dus een mystieke ervaring zijn. Maar het proces: “Ik wil overzicht gewinnen” is dus in zichzelf het begin van het innerlijk denken; de ontwikkeling daarvan de lift; het resultaat is de beleving, de mystieke ervaring; en het product van dit alles is­ de harmonische aanpassing in een doelbewust leven in de Wereld.

  • Wilder Penfield, de Canadese brain‑specialist heeft verschil­lende herinneringscentra in de hersenen ontdekt, Bij elektrische prikke­ling keert het beleefde als hernieuwde ervaring terug. Hier is dus spra­ke van bewustwording. Maar is hier ook sprake van denken?

Nu, er is geen directe sprake van denken op het ogenblik dat de prikkel beroert. Kijk eens, met de elektrische prikkel wordt dus de zenuwimpuls, die anders het beeld doet ontwaken, gereproduceerd. Gelijktij­dig gebeurt dit met een zodanige kracht dat alle andere werkelijkheids­impulsen ten dele worden gedoofd. Zodat bv. een visueel herinnerings­centrum een beeld doet projecteren door het geziene beeld. En naarge­lang de prikkel sterker of minder sterk is, met een overweldigende realiteit, dan wel met een schimachtige kwaliteit. Wanneer u hier rekening mee houdt, dan zult u begrijpen dat dit op zichzelf geen denken is. Maar het vatstellen van het beeld vergt wel een denken. Zodat de prik­keling geen bewustwording is maar een reproductie van aanwezige bewust­zijnswaarden, met als gevolg een denken of een herinneren.

  • U zegt dat het geen bewustwording is? Maar is de herinnering dan niet een bewustwording? Een hernieuwde bewustwording?

Dat kan zij alleen dan zijn, wanneer het beleefde hernieuwd wordt gewaardeerd en volgens deze waardering binnen het “ik” herbeleefd.

  • Ja, dat gebeurde daar.

Dan kan dit dus wel. Maar dit gebeurt betrekkelijk zeldzaam. Over­ het algemeen zou die bewustwording eerst kunnen ontstaan, nadat wordt nagedacht over het beeld en niet met de beleving van het beeld zelf gelijk. Dus mogen wij zeggen dat het een deel is van het stoffelijk be­wustzijn, dat tot een tijdelijke superioriteit wordt gebracht, daarmee andere stoffelijke bewustzijnswaarden overvleugelend. Maar het is aan­wezig en is als zodanig geen bewustwording. Als u een lade opendoet, waarin u iets geborgen hebt, dan verrijkt u zich toch niet? Ik zit over dat laatste na te denken, Want als je uit die lade een ring neemt en je steekt hem aan je vinger als je hem kwijt was geweest, dan verrijk je, je wel ‑ althans in je verbeelding.

Met andere woorden, u stelt hier dus de waan als een noodzakelijk deel van uw betoog om toch over bewustwording te spreken. Dat is irreëel. Wat ik bezit, heb ik ‑ ook wanneer ik het van plaats doe verwisselen. Wanneer u die ring aan uw vinger steekt, dan is dat heel aardig. Ik heb hier een ring. Als ik die eraf haal, dan blijft het medium net zo rijk. Als ik hem weggooi is het wat anders. Maar zolang hij hem heeft, heeft hij hem. Steek ik hem er weer aan, dan is het pre­cies hetzelfde gebleven, alleen de plaatsing van de ring is enigszins veranderd. En zou hij nu verwijderd zijn een tijdje, dan zou een jong meis­je misschien een andere illusie gehad hebben.

  • Je kunt niets meenemen, behalve wat je weggegeven hebt.

Dat ben ik volledig met u eens, omdat hetgeen je weggegeven hebt een bewustzijnswaarde wordt. Met andere woorden, de herinnering van het geven geeft een dubbele nadruk. Maar ook bezit neem je mee. Alleen… in de bewustwording ‑ en nu komen we weer even buiten het eigenlijke den­ken ‑ is de reactie anders. Wanneer ik zeg: “Dit is mijn bezit,” moet ik het verdedigen. (Spreker neemt de ring in de hand.) Dus ik moet het beschermen. (Spreker maakt een vuist.) Die houding is zo niet erg, maar als je het een paar jaar doet, wordt zij krampachtig, pijnlijk. Ik heb hem, ik geef hem weg. (Ik zal het nu niet doen, anders krijg ik last met het medium.) Maar ik heb het ding dus weggegeven. Dan heb ik de indruk ervan, plus het geven, plus de bezitsvreugde van de ander, als bewustzijnswaarde. Ik kan nooit meer bang zijn te verliezen, zodat de herinnering die ik heb, een zuiver bezit is geworden, onbelast met vrees. Vandaar dat degene die geeft, rijkdommen in de hemel heeft, degene die behoudt armoede. De armoede is nl. de last om verder te behouden. De rijkdom is: het weten te bezitten ondanks het feit, dat dit bezit geen realiteit meer voor je heeft door het schenken. Het is be­trekkelijk eenvoudig. Een psychologische reactie eigenlijk.

  • Ja, dit gaat speciaal over stoffelijke goederen. Maar ik had het meer over andere waarden.

Over geestelijke waarden? Elke geestelijke waarde die u bezit, is daardoor reeds geestelijk en als zodanig neemt u die mee, onverschillig of u het geeft of niet.  Maar we krijgen door het geven.  Ja, ons debat wijkt weer bedenkelijk af. Goed, ik zal u toch nog antwoorden. Hier geldt precies hetzelfde. Wanneer ik meen een geheim te bezitten, is het aan mij gebonden. Wil ik het als geheim bewaren in een geestelijke wereld, dan zal ik daardoor alle andere levenservaring van mij af moeten sluiten. Slechts zo is het mogelijk. Leer ik een ander dit geheim kennen, dan is het niet meer mijn bezit. Dan kan ik het dus vrijelijk beleven, omdat ik niet bang moet zijn het te verliezen door mijzelf open te stellen voor nieuwe invloeden. Het is precies hetzelfde op een enigszins andere basis.

  • Ontstaat het denken ook onafhankelijk van het lichaam en is het zenuwstelsel plus hersenen slechts het instrument om het denken tot kenbare uiting te brengen? Indien dit zo is, aan welke bron ontspruit het denken dan?

Mag ik weer een vergelijking gebruiken? Ik ken een rekenmachine. Aan die rekenmachine verbind ik een foto‑elektrische cel, een toetsen­bord, etc. Met andere woorden, deze rekenmachine kan impulsen opdoen. Nu heb ik een andere, grotere machine, maar die zit ergens weggeborgen in een gebouw. Die staat via bv. een ultra kortegolfzender in verbin­ding met die eerstgenoemde. Nu komt van die eerstgenoemde het bevel: selecteer alle gegevens over: bevolking, eruditie van de mensen. Nu gaat deze werken. Hij noemt ook andere gegevens op maar kan ze slechts correleren in het verband dat is opgegeven door de eerste. De gegevens worden door die eerste opgenomen en verwerkt, gaan via de zender naar de grote toe, de grote gooit een deel als onbelangrijk weg, een deel als se­condair wordt in een herinneringsbank geduwd, de rest wordt bij de onmid­dellijke berekening gebruikt, tot een uitkomst kan worden gegeven. Op deze manier staat u met lichaam en geest. Er is een primair‑bewust­zijn nodig en een primair denken om de behoefte “leven als mens” te doen ontstaan in de geest. Echter, daar is een doel bij. Het inschakelen van het tweede elektrische rekenmachientje gebeurt alleen, omdat er behoefte bestaat in de centrale aan de gegevens van die post. Er zijn mis­schien nog vele andere. Dus de behoefte‑elementen zijn noodzakelijk om te komen tot dit inwerken. Maar op het ogenblik dat de kracht wordt gevoerd naar de stof (post‑stof) begint post‑stof volledig te denken en te werken. Echter met beperkingen, hij is kleiner dan de centrale. Wat aan gegevens wordt verzameld, wordt grotendeels ‑ maar niet geheel ‑ doorgegeven aan de hoofdpost. De hoofdpost selecteert verder, behoudt ten dele en gebruikt een deel om onmiddellijke werking te veroorzaken. Zo staat het met de geest ook. De geest heeft een reeks aparte denkbanken of herinneringsbanken ‑ hoe wilt u het noemen ‑ met circuits, om in de vergelijking te blijven; en deze reek­sen van circuits werken met het voertuig stof: een onafhankelijk wer­kende eenheid, die echter haar belang plus haar kracht tot werken ontleent aan het denken, bewustzijn, geest. Is daarmee de relatie duidelijk geworden? Of niet?

  • Ik moet het eerst nog eens op mijn gemak overlezen. Want ik vind het beeld nogal ingewikkeld.

Het beeld is te ingewikkeld? Dan zullen we het vereenvoudigen. Ik heb een onderwijzer en een klas kinderen bij gymnastiek. De kinde­ren volvoeren de bewegingen. Er komt ook een spelletje bij. Bij dat spelletje bewegen zij zich op eigen kracht en volgens eigen inzicht. Toch is de onderwijzer, die het hele schema voor het lesuur heeft op­gesteld, degene die feitelijk het geheel origineert en die elk onvoor­zien voorval opvangt, zodat alles blijft binnen het kader van de voorstelling, die bij heeft. De onderwijzer is de geest. Het voertuig is de klas. Is het nu duidelijk? Het is typisch, hé. Dat is weer een be­roepskwestie, zou ik zeggen.

  • Nu nog een vraag, die door hetgeen gezegd is, misschien al be­antwoord is. Dat moet u zelf beoordelen. O.a. door ons denken ont­staat ons stoffelijk bewustzijn. Dit “ons” impliceert, dat het ook een bewustzijn van onze ziel is en dus deel van ons geestelijk bewustzijn. Ik stel mij voor dat het geestelijk bewustzijn een scala elektromagnetische trillingen is en dat het stoffelijk bewustzijn daarvan de lange golven uitmaakt. Wat gebeurt er nu bij de overgang ‑ ik bedoel, wat wij sterven noemen ‑ ten aanzien van deze scala?

Het is eigenlijk heel simpel, wanneer u zich realiseert dat u met aparte eenheden te doen hebt. Ik heb zo-even al het beeld gegeven van een moeder‑eenheid met een reeks andere eenheden, die ingeschakeld worden ter verwerving. Dus er gebeurt eigenlijk op het ogenblik van over­gang niets, behalve dan de uitschakeling van de eenheid lichaam. Maar alle gegevens van het lichaam, als bewustzijn ‑ zijn automatisch reeds aanwezig in het bewustzijn geest, voor zover noodzakelijk. En daaruit vloeit dus voort dat we niet behoeven te spreken over korte of lange golven, hoge of lage trillingen. We kunnen slechts spreken over trillingscircuit-lichaam en trillingscircuit‑geest plus een inductie­ve werking, waardoor tussen beide een uitwisseling van gegevens plaats kan vinden. Valt een van de circuits uit, dan valt de uitwisseling uit, maar de eenmaal verworven gegevens blijven in het andere‑circuit be­houden.

  • Dat heb ik goed begrepen. Maar zijn ze dan niet van verschillen­de kwaliteit, wat in die geest bestaat?

Verschillende kwaliteiten in één geest? Ja, dat ligt eraan op welk vlak zich bevindt.

  • Stoffelijke bijvoorbeeld?

Neen, stoffelijke kwaliteiten heeft men in de geest niet meer.

  • Die zijn er uitgegooid. Maar ik bedoel die inhoud van de geest?

U neemt dus bv. mentaal. Mentaal is dus nog weer een reeks van units ‑ of u zoudt misschien zeggen van klasjes ‑ die toch weer de bewegingen volbrengen, die de bovenmeester (bewustzijn, licht) daar­in legt als noodzaak. Hij trekt daaruit zijn bewustzijn. Maar er is een ogenblik dat zijn wens en zijn willen vervuld is. En dit betekent ook weer dat een harmonie is gevonden met de eigen omgeving. Dan schakelen we de lagere voertuigen uit en we gaan over naar een an­dere sfeer. Dat is geen sterven, het is alleen een ons meer terugtrekken in onszelf om daardoor een meer persoonlijke eenheid met de kosmos te ervaren i.p.v. slechts een eenheid door middel van uiting.

  • We hebben veel van u gehoord over verkeerd denken. Kunt u ook een vorm van goed denken aangeven? En is deze niet subjectief?

Als u goed denken onderwerpt aan uw eigen oordeel, is het inder­daad subjectief. Dat wil zeggen, dat hetgeen u goed denken noemt, voor u misschien goed is, maar voor een ander zeer waarschijnlijk niet. Wanneer u echter goed denken in de zuivere vorm uitgedrukt wilt zien, kunt u het het best zo stellen: Zolang ik met mijn denken een volle­dige harmonie vind zonder weerzin, zonder teleurstelling, is mijn han­delen plus mijn denken goed, waar het een uiting is van mijn volledig wezen. Op het ogenblik dat er strijd ontstaat, zal ik trachten mijn gedrag plus mijn denken zodanig te wijzigen of mij zozeer bewust te wor­den van hetgeen de onrust veroorzaakt, dat ik die harmonie kan her­winnen.

En dit is geloof ik het beste wat ik doen kan. Want als ik in voorbeelden ga vervallen, dan wordt het heel erg moeilijk, juist ge­zien die zekere subjectiviteit van, aan uw oordeel onderworpen goed of kwaad. Goed denken is in feite niet goed af kwaad. Slecht denken be­tekent: vermindering van persoonlijkheidswaarde en van bewustzijnswaar­de. Goed denken zou in deze verhouding moeten betekenen, elke verbe­terde uitdrukking van persoonlijkheidswaarde en vergroting van berei­king. Dus het doel van het “ik” dichter bij de verwerkelijking brengen. En dat wil zeggen: kosmische eenheid bereiken. Al wat dat bevordert is dus goed in denken.  En dat betekent dat je zelfstandig moet zijn. Je kunt je nooit door anderen tot een bewustzijn laten voeren. Je moet zelf een bewust­zijn bereiken. Hoe zelfstandiger je dus steeds denkt en oordeelt onverschillig of je al of niet met anderen meegaat, maar steeds han­delend op eigen verantwoording, door eigen inzicht de zaak bekijkend hoe beter het zal gaan. Mits aan de eerstgenoemde regels natuurlijk tegemoet wordt gekomen.

  • Er wordt wel eens gezegd dat een dier denkt. Wat is uw mening hierover.

Dat een dier denkt? Natuurlijk denkt een dier. Hebben we denken zo-even niet gedefinieerd als een correleren van feiten op een zoda­nige wijze, dat in vergelijking met reeds vroeger ontvangen indrukken een beeld van de toekomst kan ontstaan? Nou, kijkt u dan maar eens naar een hond of naar een kat. Als u hier binnenkomt dadelijk met een trom­meltje en er is een hond, dan gaat de hond kijken of er koekjes zijn. Want hij correleert: Ik zie een trommeltje plus een mens. Vroeger was er een trommeltje en er kwam wat lekkers uit, het kan er nu dus in­ zitten. Die mens kan het trommeltje openmaken, dus bedel ik aan die mens, totdat hij het trommeltje openmaakt en mij wat lekkers geeft. Dan krijg ik wat lekkers. Het loopt niet altijd goed uit, maar het gaat. Met de poes precies hetzelfde. Wanneer u thuiskomt met een papiertje en u rammelt ermee en ze denkt “er zit een viskop in,” dan steekt ze plotseling haar staart als een vlag omhoog, begint heen en weer te strijken langs uw benen om u te bewegen haar deze kostelijke gave te geven. Maar dat doet ze niet de eerste keer. Dat doet ze pas, wan­neer het een paar keren gebeurd is.

  • Een hond weet precies, wanneer de dierenarts komt, dan begint hij te blaffen.

Ongetwijfeld. Er zijn zelfs nog meer van die dingen. Een dier denkt dus. Dit denken is beperkter dan dat van een mens in sommige opzichten. Vooral is duidelijk dat niet zo’n grote hoeveelheid van feiten wordt herinnerd en dat het denken van een dier dus een beperkt buikdenken is. Een honger‑ en angstdenken. Maar denken is en blijft het.

  • Abstract denken hebt u genoemd. Maar kunnen we dit abstract den­ken zo definiëren, dat het denken is over abstracte onderwerpen?

Abstract denken zou ik het liefst willen definiëren; een reeks van gedachtebeelden, die bestaande waarden door niet‑bestaande tus­sentrappen met elkaar in relatie brengen, waardoor een nieuwe be­staande relatie wordt gerealiseerd. Wilt u een voorbeeld hebben?

  • Dat zal het misschien wat vergemakkelijken.

Het is heel eenvoudig. Als u een algebraïsche vergelijking hebt met drie onbekenden, kunt u haar oplossen, nietwaar?

  • Als ik er drie heb? Als ik drie vergelijkingen heb.

Inderdaad. Dus u heeft drie onbekenden. U kunt deze onbekenden vinden, doordat u de bekende waarden in steeds andere relaties brengt t.o.v. het onbekende. Dan heeft u dus abstract gedacht. Want u heeft een voor uw bewustzijn thans niet bestaande relatie geschapen tussen bekende en onbekende, waardoor onbekend tot bekend wordt en dan pas een hanteerbare waarde is. Zolang dus de onbekende, nog niet gerealiseerd is, is het een abstract denkproces. Als voorbeeld. Er zijn natuurlijk honderden andere voorbeelden.

  • Kunt u nog iets zeggen over de ontwikkeling van het toekomstig denken, waar we iets aan hebben?

Als u het laatste er niet bij had gezegd, dan was het gemakkelij­ker geweest. Want kijkt u eens, het toekomstig denken moet altijd ge­baseerd zijn op een uitbreiding van het huidig denken. Hoe groter de kennis is, hoe sterker een beheersing. Hoe sterker een beheersing, hoe zuiverder de wilsuiting. Hoe zuiverder de wilsuiting, hoe zuiver­der de persoonlijkheidsuitdrukking. Het toekomstig denken zal dus ongetwijfeld aan de persoonlijkheid een grotere mogelijkheid geven om zichzelf uit te drukken. De vraag is: Is er ook een wil tot een per­soonlijkheidsuitdrukking, of blijft de honger naar geborgenheid groter dan de wil tot persoonlijk zijn?

In het eerste geval zal ongetwijfeld een zeer grote bloei van in­dividualisme optreden. Met als gevolg daarvan voor kunst een buiten­gewoon grote ontwikkeling en veel nieuwe uitvindingen, maar gelijktij­dig ook een grotere strijd om het bestaan. Een strijd om het bestaan, die ten slotte wordt tot een kwestie van eer. Omdat men wel kan le­ven op kosten van anderen, maar daardoor zich vernedert en het “ik” dus te kort zou doen. Een dergelijke ontwikkeling zou ideaal zijn. Maar er is helaas een andere mogelijkheid, die ook dreigt. En dat is de gemakzucht, die ‑ juist omdat de mogelijkheid tot beheersing zo groot is geworden ‑ meent, dat anderen dit wel kunnen doen, mits men zelf maar een zeker minimum aan geborgenheid en genoeglijkheid heeft. In een dergelijk geval zal de sterkste op de duur met zijn beheersing en denken allen regeren, waardoor voor geen van allen een werkelijke bewustwording plaatsvindt. En op de duur een terugval tot primitivi­teit in alle opzichten een resultaat zou zijn van deze wijze van denken.

  • Ik meen, dat het innerlijk denken in dit op­zicht in de toekomst een grotere plaats zal moeten krijgen. ­

U drukt het zeer juist uit: zal moeten krijgen. Maar wanneer het innerlijk denken een grotere plaats krijgt, dan is de behoefte tot in­carnatie minder. Zou dat het geval zijn, dan zou de mensheid binnen een betrekkelijk korte tijd van enkele duizenden jaren uitsterven, om­dat de behoefte tot stoffelijke beleving dan niet meer blijft bestaan. Aannemende echter dat de cyclus van bewustwording door middel van de stof op deze wereld nog een tijd verder zal gaan, geloof ik dat we dit innerlijk denken slechts kunnen zien als een onttrekking aan stoffelijke beperking met een grotere vrijheid tot geestelijke beleving.

  • En de frequentie, de individuele frequentie daarvan? Met andere woorden, de algemene toepassing van dit denken, zal die toenemen?

Ik betwijfel het. Omdat nl. de betrekkelijk kleine groep ‑ over het algemeen over de gehele wereld genomen tussen de 2 en 10 % wisse­lend ‑ van degenen die innerlijk denken, de functie hebben van een stabiliserende factor voor het gemeenschappelijk werelddenken. Dus een evenwichtherstellende factor voor het stoffelijk bovenbewustzijn. Daar­om incarneren zij ook in dit streven en werken zij daarin en keren som­migen ‑ zich daarvan reeds bewust ‑ nog op de wereld terug. Maar gaat het verder dan dit, dan veranderen de wereldverhoudingen zodanig, dat de menselijke vorm zich niet meer kan handhaven in wat thans “een men­selijk leven” wordt genoemd. Zou dat worden doorgezet tot het uiterste, dan zouden wij waarschijnlijk een betrekkelijk etherische mensvorm zien ontstaan, die ‑ niet meer de aarde beroerend ‑ door de luchten zweeft, zich voedt met het licht van de zon en dergelijke energieën, en niet meer werkt. Zoiets als de leliën des velds, hé. Ze ploegen en ze spin­nen niet, doch ziet; ze zijn gekleed, schoner dan Salomo in al zijn heer­lijkheid. Dat is dan het eindresultaat. Innerlijk denken met innerlijke bewustwording brengt daadloosheid vanuit stoffelijk standpunt. Maar een vervangen van de uiterlijke daadstelling door de innerlijke kracht een onttrekking betekent van daadkracht aan de wereld en dus aan de voort­gang van het gewende. Een vernietiging van elke maatschappelijke opvat­ting, zoals u die kent.

  • Waar gaat het dan naar toe?

Vermoedelijk niet daarheen, maar naar een van de twee voorbeelden die ik genoemd heb. En wij hopen dus dat het individualisme weer hand over hand zal toenemen, gepaard gaande met een grotere innerlijke be­wustwording bij een betrekkelijk groot deel van de mensheid. In dat ge­val gaat de wereld naar een nieuwe periode van individualisme toe, waarbij op de duur waarschijnlijk grenzen vervagen en de mens vrijelijk zal kunnen gaan over de oppervlakte van de aarde. Zou dat niet het geval zijn, dan komt u in een slavenstaat terecht en is het heel goed moge­lijk dat de mens terugvalt tot de mierenstaat, waarbij de regel boven het individu geldt en elke individualiteit onderdrukt wordt.

Ik geloof dat we zo’n klein beetje door onze vragen heen zijn. Dan moet u me niet kwalijk nemen dat ik nu ook werkelijk de avond moet beëindigen. Maar ik kan u misschien een paar denkspreuken geven, als ze u interesseren. Het zijn dingen die u eens gewoon moet overdenken.

De eerste is:

Mijn werkelijkheid is mijn denken. Uit mijn denken ken ik een werkelijkheid, die groter is dan de mijne.

De tweede is:

Ik moet mijn gedachten beheersen. Dit is belangrijker dan al het andere. Wanneer een gedachte mij beheerst, moet ik haar ver­drijven, ongeacht met welke middelen.

De derde:

Ik mag dromen, zolang mijn droom de werkelijkheid niet overschaduwt. Droom en werkelijkheid tezamen mogen mij slechts dienen tot een groter besef van de krachten die in mij geuit zijn.

Als u die drie spreuken dan eens wilt gebruiken om erover na te denken en te mediteren, dan zult u ook misschien in het mense­lijk denken daarvan enig nut kunnen hebben.