Het menselijk denken

10 november 1958

Menselijk denken moeten wij natuurlijk onderscheiden in zijn verschillende trappen van menselijkheid. Want een mens denkt heel vaak met zijn maag. Dat is natuurlijk niet een volledige uitdrukking, maar dit denken wordt dus door de lichaamsfuncties en de daarin bestaande noden zeer sterk gericht. Verder kennen wij een abstract denken tezamen met een geloof. Abstract denken zowel als geloof brengen ons tot een zoeken naar verklaringen voor het menselijk bestaan en daarbij een inhoud van het menselijk loven zelf. Daarboven krijgen wij het innerlijk denken, m.i. wel de hoogste trap op aarde. Dit innerlijk denken is een zelfrealisatie. Ik heb nu even drie hoofdlijntjes aangegeven. U zult begrijpen, dat we allereerst moeten beginnen met die bekende mens, die denkt door zijn maag.

Alle denken op aarde wordt mede gebaseerd op de drang tot zelfbehoud. Een mens wil leven. Organisch moet hij leven en moet hij zich tegen elk ophouden van leven verzetten. De mens voelt, dat – om in leven te blijven ‑ aan deze grote nood van zijn organisme tegemoet te komen dus­ het noodzakelijk is te eten, te drinken, zich voort te planten, etc. Verder heeft hij ook geleerd, dat pijn en dood dreigen van uit verschillende hoeken. Deze dreiging veroorzaakt de angst.

Beginnen wij nu bij het lagere vlak van het menselijk denken, dan is dit volkomen practisch en redelijk. Er wordt alleen datgene gevreesd, wat in feite aanwezig is. Er wordt alleen gereageerd op datgene, wat op dit ogenblik noodzakelijk is. Bij sommige primitieve stammen vinden wij dit nog. Het geheugen speelt wel een rol, maar het werkt eerder het onthouden van een ver verleden in de hand dan een zich voortdurend refere­ren aan de voorstelling van gisteren. In deze primitieve volkeren kunt u mensen aantreffen, die geslacht na geslacht opsommen van wie ze afstam­men en daarbij terug kunnen gaan tot zelfs koning Salomo’s dagen. Toch, wanneer u hun vraagt, wat er gisteren gebeurd is, komen zij met een fantastisch verhaal. Zij vertellen geen feitelijke toestanden en omstan­digheden. Wel zullen wij weer in staat zijn buitengewoon scherp en verbluf­fend snel te reageren en met een zeer goed en snel overleg haast improviserend te handelen. Deze primitieve wijze van denken is voor de beschaafde mens practisch teloor gegaan. Hij heeft niet meer de vrijheid om zich te gedragen, zoals hij wil. Het nemen van een vrouw in een primitieve stam heeft wel degelijk enige betekenis ….. Maar die betekenis is toch ….. niet begrensd. Het gaat hier eerder om een samengaan dan om het geslachts­verkeer. In een modernere maatschappij is het geslachtsverkeer in de plaats gekomen van de samenwerking ‑ althans in vele gevallen. De emotionele toestand van de mens en dus ook zijn denken verandert naar gelang de uiterlijke omstandigheden zullen veranderen. Hij gaat nu de nadruk leggen op andere voorstellingen. Die voorstellingen zijn verknoopt met zijn verlangens en niet meer aan de werkelijkheid aangepast.

Wanneer ik moet spreken over het denken van de mens van heden, in de beschaafde maatschappij, kan ik wat het lagere denken betreft onmiddellijk vaststellen, dat hij:

niet denkt over de werkelijkheid maar altijd over irreële omstandigheden, die slechts in zijn gedachten gelieerd zijn met die werkelijkheid, dat zowel seksualiteit als voeding daarin een overmatig grote rol spelen.

Dat hij zich omgeeft met de demonen, die hijzelf schept, waar deze hem de enige verklaring geven voor zijn afwijken van de normen, die hij voor zichzelf als juist gevoelt. Het is jammer, dat het zo is.

Maar als je een beetje minder primitieve mens neemt, dan valt op dat die mens een goed verteller is. Er zijn vele eenvoudige volke­ren, waar men op het ogenblik, uren lang kan zitten luisteren naar één of ander verhaal. De Arabische sprookjesverteller, de reizende ver­tellers van China, de wajang‑vertoners van Indië, zij allen zijn in staat hun gehoor a.h.w. voortdurend bezig te houden met één onderwerp gedu­rende soms dagen. De moderne maatschappij kent dit niet meer. Deze men­sen kunnen zo opgaan in het leven van anderen, dat zij zich daarmede kunnen identificeren en loskomen van hun eigen werkelijkheid. Verliezen van de werkelijkheid is een zucht, die ontstaat, zodra de vrees voor het leven te groot wordt. U zult begrijpen, dat de moderne mensheid zeer sterk aan ontsnapping doet. Zij probeert te ontkomen aan de noodzaken van het bestaan. Zij probeert verklaringen te krijgen of afleidingen, waardoor hetgeen hun maatschappelijk en persoonlijk niet mogelijk is, althans in een illusie kan worden beleefd. Het fantastisch denken, oftewel het wensdromen ‑ beide zijn meestal met elkaar verwant ‑ beheersen de mens van af het ogenblik, dat zijn maatschappelijke vorm en genootschap hem dwingen in een beperkte levenshouding. Wanneer beperking zelfbeperking is, treedt dit niet op. Zodra de beperking voortkomt uit voorstellingen, krachten of maatschappelijke omgeving, die buiten hem liggen, dan treedt de wensdroom op als vervanging.

Ik wil hier niet te ver op doorgaan voorlopig. maar ik mag misschien nog wel één conclusie hieraan toevoegen: In het menselijk denken neemt het irreële een steeds grotere plaats in, naarmate hij in zijn stoffelijke realiteiten meer beperkt is. Die irrealiteit zal altijd gericht zijn op een aanvulling van datgene, wat feitelijk niet aanwezig is of waaraan men feitelijk een tekort heeft.

Het abstracte denken en het geloofsdenken brengen ons voor een geheel ander innerlijk. Want de mens zoekt hierbij naar een oplossing van raadsels. Dat doet hij met het lagere denken niet. Het gaat hier niet om een oplossing, het gaat hier in het lagere denken slechts om een bevrediging. Het hogere denken zoekt echter naar een antwoord op vragen. De mens, redelijk combinerend, redelijk werkende, kan niet meer genoegen nemen met een onbepaalde status en wil voor zichzelf weten: Wie ben ik, wat ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik heen? Dan komt hij ook in contact met krachten, die buiten het menselijke staan. Eigenaardig is, dat juist deze krachten vaak als geloof worden geaccepteerd. Zij voldoen aan de behoefte van de mens om buiten zich en boven zich sterkere en beschermende machten te weten. Men zou kunnen zeggen, dat hij in feite een embryonale geborgenheid zoekt in een goddelijke kracht, die hem voortdurend beschermt tegen de buitenwereld en ten slotte zal verheffen tot een absoluut geluk.

De primitieve mens kent dit slechts zeer ten dele. Hij komt tot een animisme, dus het erkennen van leven in anderen, andere wezens, andere persoonlijkheden, maar ook in stenen, planten, enz. Verder in een fetisjisme, het toekennen van eigenschappen aan bepaalde voorwerpen, planten, dieren en personen. De moderne mens doet dit niet meer. Maar wanneer hij nog primitief blijft en niet zoekt naar de logische oplossing van het raadsel, dan aanvaardt hij dus een symbolische God, die in feite de vader en moederfiguur vervangt. Zijn gebondenheid hiermee is een emotionele. Zijn denken herleidt echter practisch alles tot die God op het ogenblik, dat hij eigen onvermogen kan erkennen. Als zodanig geeft het hogere denken, een grotere weidsheid van visie, want men is nu in staat de problemen van het heden te laten rusten zonder over te gaan in de onredelijke dagdromen.

Beter echter is de mens eraan toe, die filosofeert. Filosofie is in vele gevallen meer waard dan geloof. Geloof is een uiterste redmiddel. Het kan alleen gehanteerd worden binnen het denken, wanneer men werkelijk tekort schiet, wanneer het hele denken niet meer in staat is verder te gaan. Op het ogenblik echter, dat wij met denken en redeneren nog verder kunnen komen, doen wij het denken tekort, wanneer wij eenvoudig zeggen: Nu ja, we geloven het wel.

De filosoof tracht aan de hand van bekende waarden en systemen voor zich een voorstelling op te bouwen van Onbekende waarden en systemen. Hij tracht te komen uit het gekende tot het ongekende en zo voor zich ‑ in het denken dus ‑ een voorstelling te vormen van de krachten, die onmiddellijk met zijn eigen bestaan samenhangen. Typisch is, dat de op dergelijke wijze gewonnen godsvoorstellingen over het algemeen juister en weidser zijn dan de emotioneel ontstane. Ofschoon in klasse beide gelijk liggen ‑ vanuit het denken gezien ‑ is er toch een verschil tussen geloof en filosofie. De filosofie is beter, omdat zij het menselijke in de mens meer nadruk geeft. Terwijl het geloof daarentegen het zoeken naar geborgenheid te sterk belegt met nadrukkelijke verklaringen om een werkelijk redelijk denken nog altijd toe te laten.

Dan het erkennen van het “ik”. De mens, die in zichzelf gaat zoeken en in zichzelf gaat denken, zoekt niet slechts een verklaring voor zijn leven. Hij zoekt te begrijpen wat hij is, waarom hij is zoals hij is. Dit heeft niets te maken met psychoanalyse. Zeker kunnen we ook door analytisch denken een grote reeks van verklaringen geven voor het leven en alles wat ermee samenhangt. Maar degene, die in zichzelve zoekt, tracht in zichzelve waarden te erkennen, die tijdlozer zijn dan zijn voorstelling van buiten. Hij zal deze ook ontdekken. En deze zijn niet een illusie of een droom. Want ze kunnen feitelijk worden gebruikt. Ze kunnen worden gericht op de mensheid, ze kunnen worden gebruikt om het “ik” te doen verzinken in een ander weten en andere wereld. In dit denken valt voor het eerst het woord denkpatroon, dat ‑ buiten de zeer primitieve mens ‑ verder al het menselijk denken blijft beheersen, weg. Daarvoor in de plaats komt een meer omvattend beelddenken, dat grotere vergelijkingen in kortere tijd mogelijk maakt en gelijktijdig meer omvattende beelden in één ogenblik voor zich kan realiseren.

Na deze korte opsomming van mogelijkheden moeten wij allereerst trachten om het stoffelijk mechanisme van het denken na te gaan. Het stoffelijk denken is gebaseerd op de werking der hersenen. De hersenen zijn te scheiden in drie delen ‑ niet in twee maar in drie. Eerst de kleine hersenen. Hun functie is zuiver lichamelijk en automatisch. Toch kunnen de processen van de kleine hersenen door scholing ook beheerst worden. Zij maken dus een deel uit van de reeksen ervaringen, die door de wil beheerst kunnen worden,die dus ook feitelijk kunnen worden vastgesteld, zelfs indien dit in doorsnee niet gebeurt. Beheersing over de kleine hersenen is betrekkelijk zeldzaam en kan alleen door grote training worden verworven.

Dan hebben wij de grote hersenen. In de grote hersenen vinden wij een groot aantal cellen, gegroepeerd in z.g. centra. Elk centrum draagt in zich een reeks van zintuiglijke herinneringsprikkels. Dit wil dus zeggen, dat b.v. een visueel centrum ergens gelogen is bij de hersenschors op een vaste plaats. Die is echter niet bij elke persoon gelijk. Maar is eenmaal een visuele, prikkel allereerst in die hersenen op die plaats vastgelegd, dan zullen alle andere impulsen gerefereerd worden dan dit aanwezige. Het gevolg is, dat een compleet herinneringsvermogen bestaat, waardoor onmiddellijke visuele vaststelling en vergelijking mogelijk is. Dan hebben we verder natuurlijk het klankherinneringscentrum. We hebben bepaalde bewegings‑ en reactiecentra. We hebben herinneringspunten, waarin het onderbewust denken ligt en daarvóór enkele meer streepvormige lagen, die het direct bewuste, het direct toegankelijk denken bevatten voor de mens.

Dan hebben we daarvoor ‑ door mij dus afzonderlijk hier als deel beschouwd ‑ de z.g. frontale hersenlobben. Het zijn aanhangsels van de hersenen en zij dragen in zich een reeks eigenaardige functies. Het is hier, dat we o.m. de overgevoeligheid van de mens kunnen vinden. Zijn overgevoeligheid, die hem helderziend, helderhorend kan maken, maar die hem evenzeer tot een slachtoffer kan maken van hallucinaties, die hem kan doen uittreden, maar evenzeer tot verwarde dagdromen doen vervallen en tot waanzin komen. Hier is n.l. kwestie van een reeks combinerende centra, die van buiten ontvangen prikkels releren met de herinnerinscentra van de grote hersenen. Is deze ontvankelijkheid voor prikkels onjuist ‑ b.v. door een te grote stimulering, door verdovende middelen of alcohol ‑ dan kunnen hieruit illusoire beelden ontstaan ‑ of werkelijke beelden ‑ die het gehele wezen overvleugelen en de gehele realiteit van het lichaam tijdelijk wegdrukken. Bij het mechanisme van het denken valt voorts op, dat niet gehéél het denken in de hersenen is gelokaliseerd. Wij vinden in het lichaam van de mens bepaalde zenuwcentra en zenuwknooppunten, die in feite ook denken, zij het beperkt. Hier worden o.m. prikkels geselecteerd, prikkels versterkt en onderdrukt. Op deze wijze kan gezegd worden, dat de mens in feite denkt met het gehele lichaam op zuiver stoffelijk vlak. Het z.g. redelijke vlak staat in verband met directe prikkels en reacties. In dit opzicht is evenzeer een groot gedeelte van het lichaam hierbij betrokken. Hebben wij te maken met herinneringsimpulsen, vergelijkingsimpulsen, dan echter moeten wij verwijzen naar de grote hersenen. Krijgen wij daarbij z.g. paranormale impulsen ‑ telepathie, enz. enz. ‑ dan zijn deze in de frontale hersenlobben te vinden.

In dit geheel is het mogelijk door selectie ‑ selectie kan ook door de uitoefening van de wil het opleggen dus van een dwang vanuit een klein deel der hersenen mogelijk zijn ‑ een ontwikkeling te doen vormen, die aangepast is aan de persoonlijkheid. Ik zou hier graag een voorbeeld bij geven:

Een mens denkt. Hij beweegt zich. Dit is een functie, die door de kleine hersenen dus mede wordt gestimuleerd. De impuls; ‘Ik moet lopen’, is er. De uitvoering van beweging, enz. gaat via het zenuwstelsel en wordt van uit de kleine hersenen gedirigeerd. De evenwichtsorganen zorgen voor stabilisatie enz. enz. Nu loopt hij en hij denkt: Er is hier iets niet in orde. Deze impuls kan komen uit de frontale hersenlobben. Het is nog niet feitelijk vastgesteld. Hij gaat daarop alle voorkomende factoren ‑ visueel en auditief ‑ na en gaat zeggen; Dit klopt wel en dat klopt niet. Hij blijft dan staan bij twee of drie punten, die hem onbekend zijn ‑ althans in deze samenhang niet bevallen – , niet kloppen met zijn beeld van goed en vrede. Nu kan het mogelijk zijn, dat hij desondanks besluit; Hier is geen gevaar aanwezig. Het gevoel van gevaar blijft echter. Hij draait zich om en hij ziet een ongunstige figuur op zich afkomen. Conclusie: de frontale hersenlobben hebben hier de dreiging telepathisch opgevangen, het redelijk verstand heeft getracht deze in de omgeving te interpreteren, kon daarvoor echter geen voldoende redenen vinden. Het heeft dit daarom terzijde gelegd. De hernieuwde telepathische impuls bracht bij een naderkomen een richteffect teweeg, waardoor een zich omwenden plaatsvond en een vaststellen van het gevaar, van de dreiging. Op deze wijze speelt zich het denken dus af.

Nu zijn er heel veel gedachtegangen te vinden, die irreëel zijn. Ja, ik zou verder willen gaan en willen zeggen, dat 9/10 van de denkprocessen op aarde in feite irreëel genoemd kunnen worden. En ook daar heb ik een reden voor. Want kijkt u eens: Uw voorstellingen, zoals u die vormt, zijn lang niet altijd juist. Er zijn vrouwen, die zich slechts schoon en aantrekkelijk zouden kunnen vinden, wanneer zij de charmes van een Marilyn Monroe zouden bezitten. Er zijn heren die hun ouderdom voelen als een last, die zwaar op hen drukt en terug verlangen naar de jeugdige rock-and-roll‑mentaliteit van de knappe jeugd van deze dagen.

In feite is dat natuurlijk niet juist. Deze vrouw verlangt in feite niet Marilyn Monroe te zijn, ze wil zichzelf zijn. Maar zij heeft zich dit beeld geschapen, omdat zij zich van een onvolledigheid bewust is. Ze gaat, nu tegen de wereld zeggen: “Nu, ja, ik ben niet attractief, ik heb geen mooi gezicht, ik heb geen mooi figuur en daarom laat iedereen mij liggen.” Is dat waar? Neen. In negen van de tien gevallen zal die vrouw enkele eigenschappen bezitten, waarvan zij zich bewust is, dat ze anderen afstoten. Zij wil dit voor zichzelve niet erkennen, omdat zij zichzelf niet wenst of durft te veranderen. Het gevolg is, dat zij een ideaal projecteert en daarmede de gehele verhouding verkeerd stelt.

Die oudere man met zijn ideaal van weer jong zijn: “Als ik nu eens twintig was,” doet in feite niets anders dan gebreken, waaraan hij zich ergert, gebruiken als een verontschuldiging voor een falen. Dit falen kan zijn gelegen in een gebrek aan aanpassingsvermogen. Hij kan zich niet aanpassen aan zijn huidige toestand. Het kan evenzeer zijn gelegen in zijn voortdurende behoefte om tot een zelfoverschatting te komen, dus meer te presteren dan anderen, iets wat hij juist op lichamelijk terrein niet meer kan. Ook hij ontloopt het reële, het werkelijke probleem van het leven.

Bij deze projecties, mijne vrienden, maak je in feite jezelve blind voor de verhouding, die tussen je eigen wezen en de wereld bestaat. En dit is zeer fataal. Wij kunnen niet altijd reëel tegenover de wereld staan. Daarvoor zijn bepaalde psychisch schokken aansprakelijk. Wij zullen b.v. een kind zien, dat een keer door een hond is gebeten. Nu wordt dat kind, man of vrouw en deze blijft een afkeer van honden behouden. Die afkeer wordt dan gerationaliseerd. Nou ja, maar die dingen zijn zo lastig en ze verharen zo. Ze doen dit en ze doen dat. Néén, ik ben in feite bang ervoor. Ik wil het alleen niet toegeven. Zoals dat ontstaat tegenover een hond, zo kan dat ook ontstaan tegen mensen. Het kan ontstaan in verhouding tot kleurlingen, tot priesters, doktoren, enz. Het is een onredelijk, onbeheerst angstig zijn, een vrezen voor een aanslag op eigen leven ‑ indirect dus zelfbehoud ‑ wat tot een vertekening van het beeld en een verkeerde rationalisatie van de toestand wil voeren. Dat is bij negen van de tien mensen het geval. Minstens.

Alle indrukken, die onaangenaam zijn in het menselijk denken, worden n.l. zoveel mogelijk uit de herinnering weggehouden. De mens schenkt direct in het heden de meeste aandacht aan het onaangename. Gelijktijdig echter tracht hij elke herinnering aan het onaangename van zich af te schuiven, vooral wanneer dit onaangename tevens zijn opvatting van persoonlijkheid zou kunnen krenken. Daardoor krijgen we te maken met zeer veel z.g. onderdrukte denkbeelden en dwangbeelden. De reactie, die een mens kent op stoffelijk terrein, is niet meer reëel te noemen. Zij is zelfs volkomen irreëel, omdat hij zich baseert op premissen, die volkomen onjuist zijn.

Er is een tijd geweest, dat de werken van Lombroso buitengewoon veel opgang maakten. Er waren mensen, die geneigd waren de mensheid te wantrouwen en daardoor zich concentreerden op de door hem geschetste misdadigerstypen. Het gevolg was, dat een zeer wijs en goed man met een toevallig wat laag voorhoofd door hen als misdadiger werd gevreesd ….en gemeden. U zult begrijpen, dat dergelijke dingen feitelijk ontoelaatbaar moesten zijn. Maar het is zo.

Indien alleen deze onderbewuste dwang het denken zou beïnvloeden, zouden we er nog vrede mee kunnen hebben. Maar er is nog meer. Er is door ons al heel veel gesproken over interne secreties. En toch moet ik daarop nog even de nadruk leggen. Wanneer wij een mens zien, die plotseling wordt getroffen door een felle indruk, b.v. vreeswekkend of woedewekkend, dan komen er bepaalde prikkelstoffen in zijn bloedbaan. Maar dat is niet het enige. De functie van zijn weefsels en van zijn klieren, ja, van zijn bloedsomloop wordt gewijzigd. Het gevolg is, dat de impulsen, die de zenuwen doorgeven aan de hersenen ook gewijzigd zijn in intensiteit. Zij worden echter vergeleken, alsof in het lichaam alles normaal ware. Dit betekent dus, dat een betrekkelijk kleine angst, die een heftige schok betekent, een zodanige vergroting van zenuwspanning betekent, dat de gevaarwaarneming en gevaarprikkel in een zeer overdreven mate aan de mens wordt doorgegeven. Het beheersbare gevaar krijgt in het voorstellingsvermogen, in het denkvermogen, een zodanige omvang, dat het absoluut niet meer te beheersen is. Het resultaat is paniek. En zo zijn er meer van die punten. U zult begrijpen, dat ook het lichaam ‑ en vooral het onbeheerste lichaam ‑ dus in het stoffelijk denken zijn invloeden steeds geldend maakt. Hoe vrijer de mens is van vooroordelen, hoe meer hij zichzelf lichamelijk in de macht heeft en hoe minder hij vreest zichzelf in een te voordelig of te onvoordelig licht te zien, hoe gezonder hij is, hoe juister het menselijk denken in hem tot uiting komt. Tenminste stoffelijk.

Nu de vraag; Waarom filosoferen zoveel mensen? En daarbij een onmiddellijk aansluitende vraag: Waarom zijn het vooral ouderen, die zich tot het filosofisch denken zo voelen aangetrokken? Het leven op zichzelf biedt een ongekende hoeveelheid van mogelijke indrukken. De verschillen daartussen echter zijn niet groot. De meeste mensen zijn niet in staat deze verschillen voldoende te ervaren, zodat ten slotte het leven voor hen een herhaling wordt van bekende toestanden en feiten. Het onbekende, dat zij ontdekken of beleven, wordt steeds weer herleid tot iets, wat direct verwant is met het gekende. Daardoor zal zuiver stoffelijk gezien een zeker tekort ontstaan. Wij hebben niet die nieuwe, frisse indrukken, die noodzakelijk zijn om het denken op gang te houden. Een machine in leegloop.

Maar een machine, die loopt zonder belasting is niet rendabel. Het menselijk lichaam is gebouwd op een rendabiliteit. Een zeer ingewikkelde machine met een ‑ gezien haar complexheid ‑ zeer groot rendement aan kracht, aan bewustzijn, aan omvorming. Nu heeft men dus een tekort aan impulsen. Gelijktijdig krijgt men vaak meer tijd. Het resultaat is, dat het resterende gebruikt moet worden voor een rationalisatie van het leven zelf. De kleine details ‑ eerst onbelangrijk schijnend in de storm van het leven ‑ beginnen nu plotseling een onverwacht grote indruk te maken. Het lijkt de mens plotseling of het vraagstuk van leven en dood ‑ eens zover weg ‑ hem ogenblikkelijk begint te bedreigen. Het probleem van een God ‑ eens veraf en terloops geaccepteerd ‑ wordt belangrijk.

Want deze, eerst onder alle nieuwe indrukken bedolven feiten, zijn nu practisch de enige nieuwe punten, die openstaan voor een benadering en voor het denken. Het gevolg is, dat hij gáát denken. En wel op een zodanige wijze, dat zijn eigen persoonlijkheid althans zoveel mogelijk gevleid wordt ‑ u moet me niet kwalijk nemen, dat ik dat zeg, maar ook filosofisch denken is eigenlijk een zoeken naar een bevestiging van het “ik” – terwijl hij daarnaast zoekt alle bekende feiten van zijn wereld in overeenstemming te brengen met zijn persoonlijke visie. Elk filosofisch denken ‑ en zelfs een groot gedeelte van het geloof ‑ is niet gebaseerd op een aanvaarden van feiten zonder meer maar op een voortdurende poging tot zelfrechtvaardiging. Rechtvaardiging van eigen opinies en feiten, die men achteraf tracht te beleggen met voldoende bewijsmateriaal. We kunnen er wel even een paar aardige voorbeelden van geven. Ik hoop, dat ze u niet vervelend vindt.

Een mens heeft zijn hele leven de natuur beschouwd als iets, waar je alles van te verwachten hebt. Een zeer natuurlijk iets overigens. Want de gebondenheid van de mens met de natuur ‑ zelfs in de moderne beschaving ‑ is nog zo groot, dat hij zonder deze natuur niet zou kunnen bestaan. Hij heeft die natuur bv. gezien als de directe uiting van Gods werken of Gods wil. In andere gevallen als het enige getuigenis van een leven of van een bestaande macht. Nu wordt hij ouder. Nu moet hij echter gaan definiëren, wat hij eens globaal heeft geaccepteerd: Wat is natuur? En dan krijg je redeneringen, die ‑ wanneer ik ze even overdrijf ‑ meteen het belachelijke doen zien van sommige filosofische pogingen.

Men zegt: Er is een God. Ik ken alleen de natuur. Wanneer er een God is, zal deze God de natuur moeten zijn. Maar wat is de natuur? Een reeks van wetten, die vastgelegd zijn in de jaargetijden en al het andere. Wetten, die berusten op beweging, op veldsterkten en op omzettingen van energie. Dus is God een veldsterkte met omzetting van energie. En zou men logisch genoeg zijn, dan zou men verder denken. Het zou dus mogelijk zijn om bij aanwezigheid van voldoende instrumenten een miniatuur‑God te vervaardigen. Iets wat op meer mystiek peil en magisch peil de oude volkeren inderdaad geprobeerd hebben.

Nu krijgen we een andere denker. Hij begint met hetzelfde; Natuur en God. Hij zegt: Er is een wet. Maar hij gaat verder: Waar een wet is, moeten noodzakelijkerwijze oorzaken zijn van die wet. Er kan geen wet ontstaan, zonder dat er een systeem is, waarvan die wet een uiting is. Een systeem echter, dat een zodanige flexibiliteit heeft als de natuur vertoont, moet noodzakelijkerwijze een denkproces zijn. God is een denken. Maar wat ben ik dan? Als God een denken is, ben ik waarschijnlijk een gedachte. Want ik ben volledig onderworpen aan al hetgeen Hij zegt en doet. Simpele gevallen.

Daarnaast de bekende drogredenen. Die drogredenen zijn door de filosofen wel eens uitgesproken om duidelijk te maken, hoe irreëel ze zijn. Bijvoorbeeld: een paard kan nooit een schildpad inhalen. (Het bekende sofisme van Zeno.) Het paard kan de schildpad niet inhalen, want het halveert met elke pas slechts de afstand en … kan blijven halveren. Hierbij wordt natuurlijk helemaal geen rekening gehouden met het feit, dat de afstand, die het paard aflegt, een constante is. Die wordt gebonden aan een symbolische reeks. Nu is dat juist hetgeen, wat de mensen graag doen. En dan komen we tot de verwrongen logica, die b.v. religieus denken heet. We moeten begrijpen, dat er een zekere logica in de religie altijd verwerkt is. Menig geloof is ‑ aangenomen de premissen, de grondstellingen ‑ absoluut logisch. Maar de volgelingen zijn het niet. Redenering ‑ de volgelingen van Wesley -, dus betrekkelijk recent. Het vuur van het absolute overtuigde geloof is thans in ons niet meer zo aanwezig.

Eens maakte dit ons tot Gods gezondenen. Nu wij het geloof echter niet meer in die mate bezitten, heeft onze godsdienst geen zin meer. Onze godsdienst heeft geen zin meer, we willen hem echter continueren, omdat we aan hem gewend zijn, laat ons daarom met de Anglikanen samengaan.

Een typisch staaltje van verkeerd redeneren. Dit heet stoffelijke logica. Maar op een geestelijk terrein past het niet. Want, gesteld dat de Weslyanen inderdaad gelijk hadden, dan zou zelfs een klein geloof in de juiste stelling meer waardevol zijn dan een doen verwateren van dit geloof door een onjuist geloof te accepteren.

In de tweede plaats: Wanneer het geloof niet aanwezig is, kan dit niet alleen aan de mens liggen, want geloof is een wisselwerking tussen mens en God. Men zou dus moeten zoeken waar de fout is gelegen. En deze moet liggen in de benadering van de mens tót God, maar ook in de wijze, waarop hij zijn God zoekt te beleven. Een waar weslyaan had dus eigenlijk moeten zeggen: Wij moeten desnoods onze kerk kleiner maken en hervormen, wij moeten weer zoeken onze God innerlijk te beleven, maar we mogen nooit met anderen samengaan.

Die verwrongen logica brengt ook de absurde elementen naar voren. Er is b.v. ‑ ongeveer 20 jaar geleden, dus kort voor de tweede wereldoorlog ‑ een zeer ernstig theologisch dispuut geweest over de vraag, of de duivel nu een staart had of niet. Degenen, die vóór dit element waren, dit aanhangsel, betoogden als volgt: De duivel ‑ engel zijnde ‑ is gevallen. Hij kan niet tot mens geworden zijn, want hij is gevallen tot het buitenste duister. Wat is het diepst beneden ons liggende, dat nog een redelijk denkvermogen heeft? Een zeer intelligent dier. Dus zou de duivel een zeer intelligent dier zijn. Wanneer hij zich aan de mens openbaart, aan een vertebraat, zal hij zich dus als een vertebraat moeten openbaren; maar met dierlijke vormen en aanhangsel. Het is dus logisch aan te nemen, dat de duivel een staart heeft en dat hij andere poten heeft dan de mens….voeten. (U merke wel op, dat ik hier een fijn onderscheid maak; ik heb niet beweerd, dat een mens poten heeft, ofschoon het van me verwacht werd.)

De tegenpartij echter redeneerde als volgt: De engelen behoren niet tot onze wereld. Als zodanig hebben zij geen vorm. Wanneer de duivel valt tot in het diepste duister, blijft hij desalniettemin een engel, zij het een engel der duisternis. Hij zal geen vorm hebben en als zodanig zelfs geen bepaalde gestalte of een staartvormig aanhangsel bezitten.

Beiden maken echter een grote fout. Want het is niet belangrijk, hoe die duivel eruit ziet. Het is alleen belangrijk, hoe de mens staat tegenover een kwaad, dat gepersonifieerd wordt. Onverschillig of die personificatie reëel is of niet reëel. Dus de fout van het menselijk denken in het godsdienstige ligt vaak in dit zichzelf verheffen boven anderen op grotere kennis. Ook echter in het ontkennen van een waarheid, omdat deze de waarde van het “ik” in eigen ogen naar beneden zou brengen. Voorbeelden daarvan vinden wij te over in de wetenschap.

Er was een tijd, dat de eerste brandspuit werd uitgevonden. Het argument dat onmiddellijk daartegen word aangebracht door andere geleerde heren was; “Dit apparaat met al zijn fantastische aanhangsels is niet gebaseerd op zuiver natuurkundige wetten. Het is een goocheltruc, die ongetwijfeld juist dán zal versagen, wanneer hij noodzakelijk zou zijn. Het is dus beter te volstaan met de lederen emmers, tot nog toe door de brandwacht gevoerd.” Waarom werd dat gezegd. Omdat men vreesde, dat de uitvinder een beloning zou krijgen en dat hij door de vervaardiging van zijn apparaten de meerdere zou worden van zijn collega’s.

Typische ontkenningen van verschijnselen vinden wij ook in de moderne tijd. We horen menig arts zeggen, dat het paranormaal genezen onmogelijk is. Soms is dat gefundeerd. Dan horen wij hem als volgt betogen: “Wij weten, dat er in het leven krachten zijn, die ons medici nog onbekend zijn. Het is gebleken ‑ sinds Coué heeft menigeen ons dat aangetoond – dat suggestieve krachten en vermogens een buitengewone invloed hebben op de mens, op diens levenspotentieel, ja, zelfs op diens organische werkingen. Als zodanig nemen wij aan, dat hier sprake is van een suggestieve kracht. Wij menen echter, dat suggestieve krachten in handen van leken tot gevaar en onheil kunnen voeren.” Dan is dit oordeel juist. Maar er zijn ook anderen, die zeggen: “Ik heb lang moeten studeren, voordat ik een ziekte kon genezen. Iedereen, die zegt, dat hij een ziekte kan genezen zonder eerst iets te weten van het menselijk lichaam en zijn studie te hebben gemaakt, is een oplichter.” Het wordt iets fijner gezegd.

Wat is hier de oorzaak? Niet zoals bij de eerste een zoeken naar een redelijk oordeel en ten slotte zeggen; ” Ja, maar ik kan niet oordelen over onbekende krachten. En daarom mag ik ook mijn patiënten, daaraan niet onderwerpen.” “Neen,” zegt de tweede, “het gaat hierom; Ik heb gestudeerd. Ik bén iets. Ik ben meer dan een ander. Omdat ik meer ben dan een ander, kan ik niet toestaan, dat iemand, die daarvoor niet gelijke offers heeft gebracht, hetzelfde krijgt.” Ik mag hierbij voegen, dat dit denken klaarblijkelijk heel oud is, want u weet wel, dat zelfs Jezus in zijn gelijkenissen over de arbeiders in de wijngaard iets dergelijks vertelt. Hij gaf aan iedereen gelijkelijk loon. Waarop degenen, die de hele dag hadden gezwoegd, onmiddellijk zich begonnen te beklagen. “Maar wij hebben toch meer gedaan dan een ander.” Ze vergaten, dat ze kregen, want hun toekwam. Deze typische redeneringfout komt overal voor. Zij wordt in het filosofisch en in het geloofsdenken echter het sterkst naar voren gebracht.

Bij het denken naar binnen toe zijn natuurlijk ook bepaalde fouten aan te wijzen. Eén ervan is, dat men altijd uitgaat van zichzelve als zijnde op dit ogenblik ‑ alleen door het instellen naar binnen toe ‑ de meerdere van anderen. Dat is dwaasheid. Een tweede denkfout ‑ ook wel gemaakt ‑ is, dat het aanvaarden van een innerlijke werkelijkheid en het zoeken daarnaar de uiterlijke werkelijkheid zou doen vervagen of uitwissen of minder belangrijk maken. Degenen echter, die juist denken, redeneren als volgt; “Innerlijke werkelijkheid betekent voor mij dus, dat al wat in mij leeft en bestaat (dit geheimzinnig raadsel van bestaan en van levensdoel), moet worden geassocieerd met al hetgeen ik buiten mij ken. Het brengen van eenheid tussen mij en al wat ik buiten mij ken is de eerste stap tot de erkenning van een werkelijkheid, die boven het tot nog toe aanschouwde zou kunnen liggen. De kern daarvan moet in mij liggen, omdat ik slechts van uit mijzelve ervaren kan nooit van uit een ander. Maar van uit mijzelve een werkelijkheid ervarende, zal ik juist, omdat zij werkelijk en onveranderlijk is, ook op de duur kunnen begrijpen, wat de werkelijkheid voor anderen betekent.” Dat is logisch.

U ziet, ook op dit terrein is er over het denken onnoemlijk veel te zeggen. En wanneer ik nu klaar was, dan zou het gaan. Maar waarschijnlijk toch al voldoende hebben om uw gedachten over te laten gaan. Maar hoe zeer het mij spijt, er zit nog meer aan vast. Denken wordt n.l. bovendien nog geschoold. En die scholing van denken kan juist zijn of niet juist. We hadden het zo even een ogenblik over suggestie. Wat zoudt u zeggen van de voortdurende suggestie van de reclameslagzin: “I like Ike.”

“Omo wast witter: 10% en tóch voordeliger.” Al deze slagzinnen behoeven niet op werkelijkheid gebaseerd te zijn. Maar klaarblijkelijk zal de mens in zijn redelijk denken door herhaling zijn kritisch vermogen t.o.v. een zin verliezen. Suggestie is niets anders dan het beperken van de kritische vermogens van de mens en zo hen dwingen een toestand aan te nemen als werkelijkheid, die niet als zodanig reëel bestaat.

Het is net als bij Coué. “Ik ben gezond, ik word elke dag gezonder.” Het kan een gunstige werking hebben, omdat men daarin gelooft. Maar wanneer ik u zeg, dat “10% en toch voordeliger” de hele dag voor u de enige werkelijkheid uitmaakt, dan is dat voor uw leverancier misschien erg prettig; voor uzelf betekent het, dat u doof wordt voor alle andere argumenten, die er bestaan. In de moderne maatschappij vinden wij, dat de mensen blind zijn geworden voor eigen verantwoordelijkheid; voor de werkelijke kwaliteiten van goederen; voor de werkelijke verplichtingen, tegenover de medemens; voor de werkelijke rechten, die de mens bezit. En nu noem ik er maar een paar. Dit alles is te danken aan de voortdurende herhaling van op zichzelf onjuiste stellingen. U zult begrijpen, dat hierdoor een secundaire werkelijkheid wordt geschapen. Een groot gedeelte van de mensen beleeft een wereld, die niet bestaat; een wereld, die echter door hen gezamenlijk beleefd kan worden, omdat ze ‑ onderworpen aan dezelfde suggesties ‑ eenzelfde voorstellingsfout hebben gekregen. Vergelijkenderwijze kan worden gezegd, dat een groot gedeelte van de wereld zichzelf in een lachspiegel aanschouwt en meent, dat dit beeld het enig werkelijke is. Ook dat is een fout. Een treurige fout, die slechts hersteld kan worden, wanneer de mens leert volkomen objectief te staan tegenover elk beroep, dat gedaan wordt op zijn hebzucht, op zijn zucht tot verrijking, zijn stilling van honger.

U vindt het misschien eigenaardig, dat zeer veel auto’s worden verkocht, juist omdat ze geadverteerd worden met die aardige meisjes, die kostuums dragen, die volgens de zedenpolitie niet in een auto behoren. Toch is het begrijpelijk. Hiermede wordt een sexuele bevrediging gesuggereerd. Als zodanig wordt de aankoop van de auto in feite een sexuele handeling en wordt geregeerd niet meer door de logische denkvermogens maar ten dele ook door seksuele drift.

Een ander voorbeeld: Stemt de partij van Jansen. Meer huizen, meer pensioenen. Aanpassing van de loonschaal aan de prijzen. Iets wat in feite natuurlijk niet te volbrengen is. Maar de mens zegt; “Ik wil een huis hebben. Ik wil een pensioen hebben. Ik wil een loon hebben, dat steeds meer wordt.” Hij laat zich door de illusie vangen en krach­tens deze denkfouten accepteert hij toestanden, die helemaal niet nood­zakelijk zijn; laat hij wantoestanden en een bedilzuchtige beheersing zich aanleunen, die het tegendeel tip van wat goed is voor de mens of wat logisch is. Het zoeken naar een prenatale geborgenheid, waarbij al voor hem zal worden beschikt en gezorgd, waarbij hij alleen maar heeft te existeren, brengt de mens tot de denkfout: Ik kan via de buitenwe­reld dezelfde geborgenheid bereiken, die eens voor mij bestond bij de moeder. Dit is onmogelijk. Echter wordt op deze manier een aanhankelijk­heid geschapen, die onredelijk is. Zoals de aanhankelijkheid van het kind aan de moeder onredelijk is. Het is een gewenningskwestie, waarbij voed­sel, zorg, e.d. in het begin alleen een hechting veroorzaken (eigenbe­lang) en eerst op de duur ‑ met een redelijk besef ‑ kan overgaan in een zekere genegenheid of …. een gevoel van verplichting. U zult begrijpen, dat ook dergelijke dingen uit den boze zijn.

Aan alle kanten wordt de mens belaagd door deze propagandamethoden. “Als je zoet bent, ga je naar de hel.” Een slagzin, die vroeger zeer veel werd gehanteerd en die tegenwoordig een ietwat andere vorm heeft gekregen. Men meent, dat gevangenisstraf een stigma is. Een dwaasheid. Men weet niet, waarvoor iemand heeft gezeten en door welke omstandigheden hij tot zijn daden is gekomen. En zo kun je verdergaan. Altijd weer neemt de mens premissen aan, omdat ze passen in zijn zoeken naar geborgenheid, of in zijn angst. Een aardig voorbeeld van de angst kunnen we zien, wanneer een mens een ringslang ontmoet. Hij heeft wel eens gehoord van giftige slangen. Dat dit kleine reptiel absoluut onschuldig is en eerder eigenlijk nog een amfibietje, dat maakt voor hem niets uit. De vorm is schrikwekkend en dus verplettert hij onredelijk en in paniek, of vlucht weg. Waarom? Omdat hij op het ogenblik, dat het gevaar hem benadert, niet meer de redelijke weg kiest (zien: wat is dit gevaar, dat ik meen te ontdekken; hoe kan ik het bestrijden?) maar volkomen onlogische handelingen pleegt.

Dit kleine voorbeeld echter geldt evengoed in de wereldpolitiek, het geldt evengoed in de maatschappelijke verhoudingen. De mens vreest vele dingen, omdat hij gehoord heeft, dat ze gevaarlijk zijn zonder dit uit eigen ervaring te kennen. In zijn vrees gaat hij tot handelingen over, die niet gericht zijn tegen een wérkelijk gevaar maar tegen iets, wat er misschien enige overeenkomst mee heeft. Op deze manier heeft hij zeer vaak zijn medemensen geschaad en vernietigd. U zult het met me eens zijn, dat ook dit een typische fout is van het menselijk denken.

Naast de suggestieve werking, die uitgaat van de voortdurende her­haling, bestaat er nog een andere werking die wij met enige goede wil ook suggestief kunnen noemen. En dat is n.l. het ondergaan in de menig­te. Ook hier is weer het gevoel van geborgenheid de hoofddader. Alle redelijk denken wordt opzij gezet op het ogenblik, dat men zich in de menigte geborgen voelt. De menigte gaat over tot geweldplegingen en de eenling, die op zichzelf niet gewelddadig is, gaat mee en doet precies hetzelfde als die anderen. Wanneer hij zich onderweg al eens bedenkt, zo gaat hij er toch mee door, want hij wil bij de menigte behoren, omdat dit zijn geborgenheid en zekerheid is. Deze redenering, waarbij het “ik” zich dus deel maakt van een massa, betekent gelijktijdig, dat het “ik” van elk redelijk element, dat de mens boven het dier verheft, afstand doet. Vandaar dat de doorsnee-massa beest is, nooit mens. Deze denkfouten worden veroorzaakt ‑ dat geef ik graag toe ‑ door lichamelijke conditionering en zijn van stoffelijke oorsprong. Toch zijn het juist deze dingen, die uw wereld maken tot wat zij is. Toch zijn deze uitingen hetgeen u van het menselijk denken kent.

Sta mij nu toe ‑ als ik u verveel of het wordt te lang, dan zegt u het maar – om nog een ogenblik aan de geest te besteden. In het menselijk denken grijpt de geest in via het onderbewustzijn. Dat wil zeggen dat de geest niet als een kenbare gedachte, een woordgedachte, tot uiting komt maar eerder als een onbestemde drang. Datgene wat de geest wil bereiken, is over het algemeen niet geheel parallel ‑ of zelfs identiek ‑ met hetgeen men stoffelijk verlangt. Voor de geest zijn veel dingen onbelangrijk, die stoffelijk zeer belangrijk worden geacht. In sommige gevallen weten we zelfs, dat het stoffelijk begeerlijke en het geestelijk begeerlijke met elkaar in strijd zijn. Nu wordt dus via het onderbewuste een zekere conditionering geschapen. De mens weert begeerde dingen af, omdat hij geestelijk voelt deze niet te kunnen aanvaarden. De mens accepteert dingen die hij eigenlijk zou moeten verwerpen, omdat hij eveneens geestelijk hiertoe wordt aangezet en voelt, dat het voor hem noodzakelijk is deze ervaringen b.v. te ondergaan.

U zult begrijpen, dat dit een strijdigheid in de mens teweeg brengt. Hebben wij te maken met het zuiver stoffelijk denken met al zijn verschil­lende mogelijkheden door mij aangeduid, dan zijn daar ook veel strijdpunten in, maar het is ten minste nog een eenheid. De geest echter is vaak vol­komen tegengericht. Wanneer het streven van stof en geest aan elkaar tegengesteld zijn, dan zal de mens ofwel stoffelijk zichzelf moeten over­winnen dan wel in een voortdurende tweestrijd verkeren. Bij een tweestrijd krijgen wij de tweeledige gedachte. Deze gedachte aanvaardt en verwerpt gelijktijdig. Hebben wij te maken met een mens, die religieus is, dan spre­ken wij van een schuldgevoel, waarbij dus de ene gedachte de noodzaak vaststelt, de tweede gedachte deze onmiddellijk verwerpt. Geweten is naast conditionering door de omgeving ‑ voor een groot gedeelte een deel van geestelijke werkingen en als zodanig een directe invloed op alle den­ken en op elke gedachte-uiting, ook op uw woorden.

Menig mens spreekt ‑ zoals hij zegt ‑ zonder te weten wat hij zegt of te laat zich realiserend wat hij/zij zegt. Men meent dan dat dit een kwestie van onbeheerstheid is of van onnadenkendheid. Dit is niet juist. In vele gevallen zijn de gedachtereflexen, die worden uitgesproken, bijzonder zuiver en scherp. De uiting is alleen niet in overeenstemming met een waan, die geestelijk niet kan worden aanvaard, n.l. die van een gemeenschap, waarin de leugen hoger staat dan de waarheid. Dergelijke rondborstigheden ‑ hoe onaangenaam ze mogen zijn – kunnen dus vaak, een uiting zijn van de geestelijke drang om de wereld zuiver te zien. Dit geschiedt sterker naarmate de mens stoffelijk zich meer te verweren heeft tegen die wereld.

Hoe de geest verder werkt met het denken? Zij kan dromen doen ontstaan. De wensdroom komt voort uit een combinatie van herinnerde feiten. Die herinnerde feiten kunnen worden aangevuld ‑ voor zover het woorddenken is ‑ met allerhande woordbeelden, die men ergens ont­vangen heeft. Zover het een beelddenken is ‑ dus in feite een droom wordt het aangevuld met fragmenten van alle geziene situaties. De geest kán in deze combinaties haar eigen sfeer uitdrukken. De fan­tasie is als zodanig geen volledige fantasie maar een zich te kennen geven van de geest en van geestelijke waarden. Zodra men echter deze werkelijkheid en fantasie met elkaar gaat mengen, loopt het verkeerd. Want de voorstelling ‑ uit fragmenten opgebouwd ‑ is een weerspiege­ling van een stemming, nooit van een feitelijkheid. Toch zal de mens heel vaak denken, dat zijn innerlijke dromen feiten zijn in stoffelijke zin. Hij zal tot zijn teleurstelling moeten ervaren, dat dit niet zo is. Daardoor ontstaan er wederom verdringingscomplexen, waarbij een nog groter deel van de werkelijkheid uit het herinneringsvermogen naar het onderbewustzijn wordt gebannen.

En nu, een laatste punt voordat uw geduld het opgeeft. Buiten al deze dingen is er nog iets, wat in het menselijk denken een veel groter invloed heeft, dan men beseft. Het is geen psychologie, het is misschien geloof, wat ik nu naar voren breng. Er is een God. Het wezen van die God bepaalt, wat er binnen dat wezen bestaat. Als zodanig is het onmogelijk in het denken een voorstelling te krijgen, die strijdig is met God. Evenzeer is het onmogelijk een daad te stellen, die tegen God gericht is of zelfs tegen Gods werkelijke wil. Het goddelijk Wezen geeft een aantal begrenzingen aan, binnen hetwelk zich het menselijk denken afspeelt. Hierbij zal de begrenzing vooral dan opvallen, wanneer wij lopen tegen “de blinde muur.” Er is een punt, waar het stoffelijk denken niet verder kan gaan. Er zijn ogenblikken, waarop het stoffelijk voorstellingsvermogen stilstaat. Hier hebben wij te maken met het goddelijk Wezen, dat elk deel van de schepping behoudt binnen zijn eigen kader; daar, waar het hoort. Wij mogen ons dus niet voorstellen, dat het menselijk‑denken ooit in staat zal zijn om goddelijke geheimen te ontraadselen. Daarvoor is een ander denken noodzakelijk; daarvoor is een ander bewustzijn noodzakelijk.

Hoe wij ook willen werken met het vermogen, ons gegeven om te denken geestelijk en stoffelijk ‑ we zullen altijd moeten beseffen, dat het slechts het middel is om andere middelen te verwerven, nooit de oplossing. Gedachteleven in zijn drie stoffelijke gradaties, door mij u aangeduid, plus zijn verdere geestelijke mogelijkheden, is niets anders dan een werktuig, waardoor wij ons uiteindelijk het bewustzijn kunnen verváárdigen, dat God beseffen kan. Maar dat kan nooit meer denken zijn in deze zin. Het menselijk denken is te beperkt en te klein om met goddelijke waarden te werken. Het gevolg is, dat het voor de mens geen zin zal hebben zijn denken tot het onmiddellijk Goddelijke te verheffen. Het zij hem voldoende, wanneer hij zijn denken gebruikt om ‑ met zo groot mogelijke zelfkennis en innerlijke harmonie ‑ een zo juist mogelijke uiting te geven aan datgene, wat in zijn bewustzijn als goddelijk ervaren wordt.