Het menselijk vermogen en onvermogen

De mens heeft krachtens zijn wezen en kwaliteiten een groot aantal mogelijkheden. Die mogelijkheden ontleent hij niet slechts aan zijn stoffelijk bestaan, maar wel degelijk ook aan zijn geestelijke inhoud, zijn geestelijke achtergronden. De geest n.l. (althans dat deel van de mens dat wij samenvattend als zodanig omschrijven) beheerst voor een groot gedeelte krachten, die gelijk komen aan die der materie en ze soms ook kunnen overtreffen. Opvallend hierbij is de mogelijkheid, die de mens heeft om de kracht te gebruiken tot verdichting van fijne materie en daarmede bv. voorwerpen te verplaatsen. Denkt u maar eens aan levitatieverschijnselen en apporten. Dit is dus zuiver menselijk vermogen.

Wat kan de mens dan wel en wat kan hij niet op dit terrein?

Wel, de mens kan alles opheffen, waarvan hij zich geen gewichtsvoorstelling maakt. Als u daar een kei ziet liggen en u denkt: Dat is 2 ton, dat kan ik nooit oplichten, dan kunt u het ook niet. Als u zegt: Daar ligt een stuk materie en dat kan ik aan, dan licht u het op als een veertje. Krachten zijn dus wat dit betreft eigenlijk niet meer met menselijke en stoffelijke krachten te vergelijken. Het resultaat is, dat wij hierdoor eigenlijk het scheppend werk over het algemeen niet kunnen doen. Toch is de mens creatief. Hij heeft het vermogen astrale figuren, astrale schillen op te bouwen, dat weten we allemaal. De opbouw van een astrale figuur is in zekere zin scheppend werk, dat door de menselijke voorstelling wordt uitgebeeld of wordt opgebouwd. Maar indien de mens zijn volle vermogens zou kunnen gebruiken, dan zou hij dit ook stoffelijk moeten doen. Hij zou dus van niets iets kunnen maken ofwel: van het ongevormde een vaste en blijvende vorm. Wij horen daarvan bij de magie, waar men o.m. het z.g. schijngoud schept, beelden, die eerst heel langzaam vervagen. Alles bij elkaar kan men wel zeggen: Het menselijk vermogen is het totaal van zijn geestelijke kracht plus het totaal van zijn stoffelijk besef. Het menselijke onvermogen is de beperking, die hij aan zijn eigen krachten oplegt door:

Zijn besef;

De wijze, waarop hij vanuit zich de wereld benadert.

Ik heb u reeds gezegd: indien u denkt dat iets mogelijk is, maakt u het mogelijk. Maar er is nog veel meer. Indien u overtuigd bent dat er iets gaat gebeuren, dan preconditioneert u de omgeving om uw gedachten te verwerkelijken, u beheerst ze niet. Op het ogenblik, dat u het bewustzijn van anderen kunt beheersen en dus in staat bent om die anderen ook de overtuiging bij te brengen dat er iets gebeurt, zal het verschijnsel plaatshebben en wel met een kracht in overeenstemming met uw eigen gericht vermogen plus de totale geloofsaanvaarding, voor zover die in de omgeving aanwezig is.

U heeft allen misschien wel eens genezingsdiensten meegemaakt. Een zeer opvallend verschijnsel daarbij is wel, dat men probeert de mensen op te zwepen. Er wordt gepreekt, er wordt gezongen, er worden getuigenissen gegeven, kortom, alles wordt gedaan om de mens in een soort suggestieve roes te brengen. Als die roes er eenmaal is, gaat men pas over tot het eigenlijk genezen. Heel vaak zijn de resultaten heel magertjes. Maar als iemand een voldoende goede suggestor is en zijn invloed op de menigte groot genoeg, dan gebeuren er concrete, reële genezingen. Waaruit we dus weer kunnen concluderen, dat de genezing inderdaad kan worden volbracht en wel niet aan één, maar desnoods aan 10 of 20 mensen gelijktijdig.

Een ander voorbeeld is Lourdes, waar we ook weer zien dat het geloof van de mensen twee uitwerkingen heeft.

Ten eerste zien we de geestelijke verandering. U weet misschien wel wat geestelijke verandering betekent. Het is de mentale benadering van eigen bestaan en eigen lijden. Als die wordt veranderd, krijgen we vanzelf te maken met een geheel andere manier van beleven en daar komen heel veel positieve waarden uit voort.

Ten tweede kennen we ook de z.g. materiële genezingen; en die nemen steeds af. De mens denkt n.l. steeds meer technisch‑materialistisch. Naarmate hij meer technisch en materialistisch denkt, beperkt hij in zijn geloofsaanvaarding en denken de directe inwerking uit de geest. Hij kan het mirakel niet meer verwerken. Het resultaat is, dat het wonder dus steeds meer achterwege blijft.

Dit zijn een paar algemene punten. Willen we echter verder gaan, dan zullen we toch eerst de menselijke psyche moeten nagaan.

In elke mens zijn een aantal onderbewuste angsten. O, dat is niets bijzonders. Dat kan misschien uw angst voor een kat of een hond zijn, of uw angst voor donker, voor bepaalde woorden, bepaalde ideeën, misschien wel voor een politieman of een boeman. Deze angstassociaties zullen bij u een panische reactie teweeg brengen. Die paniek zal er ook zijn, als er uiterlijk geen aanleiding toe is; en de reflex van de panische reactie met haar totale ongerichte energie zal ook optreden, indien men naar buiten toe die angst althans enigszins weet te beheersen. Als er nu een panische reactie optreedt ‑ onverschillig hoe ‑ zal de mens uit zichzelf het gevreesde waar maken; de angst maakt zichzelf dus waar. En naarmate de paniek (de absolute overgave aan de angst) groter is, zal het gevreesde zich gemakkelijker verwezenlijken.

Heeft men dit gezien, dan staat daar eigenlijk direct tegenover de droom van de mens. Een ieder heeft een bepaalde droom. Die droom zal voor de een misschien een hemel zijn of contact met een hoge geest, voor een ander een lekkere maaltijd; het doet er niet zoveel toe wat het is. De hoofdzaak is, dat het er is. Aangename associaties wekken een overgave aan het aangename. Waar een aangename associatie optreedt, zullen positieve gevolgen optreden. Die positieve gevolgen maak je ook weer waar in en aan jezelf, maar ook als kracht naar buiten. Wij horen in de psychologie nog wel eens van een zichzelf bestraffen, ofwel het schuldgevoel, het schuldcomplex. Wat gebeurt daar? Men doet iets, waarvan men meent of weet dat men het niet mag doen. Dat is op zichzelf normaal en behoeft dus geen schuldcomplex te wokken. Maar dit wordt geassocieerd met bepaalde geestelijke of in het “ik” sterk verankerde morele achtergronden. Het resultaat van deze onrust is dus ook te vergelijken met de panische reactie. De innerlijke angst wordt scherp op de voorgrond geschoven. Associaties met deze angst treden meer op en daardoor schept de mens voor zichzelf een z.g. reeks ongevallen. Dat is algemeen erkend. Maar waarom zou het dan ook niet omgekeerd kunnen zijn? Als een mens op een gegeven ogenblik het gevoel heeft dat hij goed doet, dan zijn zijn associaties de aangenaamste. Hij brengt dus het prettige, het goede, dat diep verborgen in hem bestaat naar voren. Hij zal die met de wereld verbinden en we krijgen ‑ misschien wel niet scherp gericht maar toch wel continu ‑ een uitstraling van een gunstige werking. Het resultaat is, dat de hele omgeving gunstiger reageert.

De mens heeft dus krachtens het voorgaande ‑ zelfs op grond van zijn psychische instelling en zijn psychologische en eventueel neurotische achtergronden ‑ de mogelijkheid om zijn verhouding tot het milieu tot op zeer grote hoogte te bepalen. De mens maakt hier echter altijd weer een fout: hij neemt n.l. aan, dat hij niet slechts voor zichzelf het milieu en het andere kan bepalen en beïnvloeden, maar dat hij dit voor anderen kan doen. Op het ogenblik, dat ik mijn angsten of mijn gevoelens van goed ga projecteren op een ander, ben ik sterk afhankelijk van de eventueel harmonische waarden; die kan ik niet bepalen. Ik weet niet wat er in die ander voor angsten, begeerten of vreugdeleven. Het resultaat is, dat elke poging om langs deze weg voor de ander het leven te beïnvloeden moet uitlopen op tegenstrijdigheden. Hier houdt het menselijk vermogen op, aangezien de mens niet in staat is zich volledig te vereenzelvigen met zijn naaste. In de psyche vinden we nog meer aspecten die interessant zijn. Wanneer ik aan de wereld gebonden ben, zoals u aan de stoffelijke wereld, dan wordt mijn voorstellingsleven eigenlijk door referenties aan die wereld beheerst. Wat ik zeg, wat ik denk, hoe ik reageer, ach, dat zijn allemaal factoren, die worden bepaald door dat wereldje en door de voorstellingen, die ik ervan heb. Het is bv. zeer onwaarschijnlijk dat een Eskimo, die van een mooi meisje droomt, B.B. voor zich ziet; die ziet wat anders. En het is heel onwaarschijnlijk dat een Chinees, die tot Jezus bidt een joodse jongen aan het kruis ziet hangen; die ziet een Chinees hangen. Eigen milieu bepaalt eigen voorstellingen.

We hebben als mens dus een zeer sterke vormgebondenheid. Zolang wij ons daarvan niet kunnen losmaken, zal onze gevoeligheid beperkt blijven tot hetgeen onmiddellijk in vorm of woord is uit te drukken. Neem deze begrenzing weg en de mens komt als eenheid te staan tussen de aarde en de hemel, tussen de chaos en de absolute vorming. Hij omvat alle fasen. Hij kan alle werelden, alle mogelijke toestanden en sferen betreden. Hij kan naar eigen believen dwalen in de tijd of buiten de tijd. Hij is volledig capabel om in alle sferen waar te nemen. Dit is een van de menselijke vermogens, die weliswaar weinig worden gebruikt, maar toch voor de geschiedenis van de mensheid erg belangrijk zijn. Want alle grote profeten, alle grote Leraren en Meesters, stichters van godsdiensten, van scholen hebben ergens deze innerlijke visie gehad en hebben getracht op hun wijze ‑ via vele symbolen meestal – deze andere werkelijkheden die zij beleefd hebben, weer te geven en uit te drukken. Het vermogen is er dus, maar het is de mens niet mogelijk gelijktijdig zijn eigen belangrijkheid qua vorm en status in één wereld te handhaven er vrijelijk in te gaan tot andere werelden. Hier is het menselijk voorstellingsvermogen weer de rem.

Gaan we bv. kijken naar (ik heb daarnet de magie genoemd) de mogelijkheid om anderen te bedwingen, dan moeten we ons ook weer realiseren: wat kunnen wij eigenlijk bedwingen? Een mens kan meestal nog niet eens zichzelf bedwingen. Hoe wil hij dan bv. grote demonen bezweren? Dat is toch dwaasheid. Wat hij wel kan bedwingen, dat zijn de beelden en voorstellingen, die hij zelf maakt en bezielt. Als je dus een demon oproept, dan roep je niet werkelijk de duivel uit de hel maar je bent in staat om een voorstelling te maken, die tot op zekere hoogte harmonisch is met die kracht in wat u de hel noemt. Het gevolg is, dat u door middel van die vorm contact kunt maken met de demon; en dat geldt voor overgeganen, voor goede geesten evengoed als voor kwade geesten.

U moet eens even nadenken: Hoe kwam Abraham aan zijn zoon? Dat was een kwestie tussen twee engelen (vreemdelingen) en Sarah. Abraham kwam er pas later aan te pas. Met Tobias was dat precies hetzelfde. Tobias worstelde met de engel. Maar dat was werkelijk een echte, ik zou haast zeggen, een knokpartij.

Dit is volkomen reëel. Zolang wij onze contacten met de geest een zo reële vorm kunnen geven, zullen de inwerkingen van die geesten en krachten op onze wereld volkomen concreet en werkelijk zijn. Naarmate wij echter ons beeld vager en minder met de wereld verbonden maken, zullen we misschien wel meer harmonie kunnen bereiken, maar we bereiken gelijktijdig minder directe uitingen in onze wereld, zodat men zou kunnen zeggen. De mens heeft het vermogen om aan delen van geestelijke en goddelijke waarden een zodanige, in zijn werkelijkheid passende vorm en zelfs ook inhoud te geven, dat door de ontstane harmonie de genoemde krachten althans gedeeltelijk in de stoffelijke werkelijkheid onmiddellijk en handelend kunnen optreden. De mens beschikt echter niet over het vermogen vele geesten op deze wijze gelijktijdig te beseffen. Hij is niet in staat het gedetailleerde beeld op te bouwen. Hij is verder niet in staat om uit willekeurige beelden beheersbare harmonieën te wekken. Beeld en kracht zijn dus zeer nauw met elkaar geassocieerd.

Dan zijn er nog een paar dingen, die op een heel ander vlak liggen. Een van de belangrijke dingen in het menselijk leven is wel begrip; als je elkaar kunt begrijpen, kunt aanvoelen. Hoe minder je daartoe in staat bent, hoe meer geïsoleerd je leeft. Nu geef ik graag toe, dat er mensen zijn die met zichzelf zo tevreden zijn dat ze met dit minieme contact met de wereld eigenlijk heel gelukkig zijn. Maar wil je werkelijk in de wereld een probleem oplossen, dan heb je begrip nodig. De Duitser zegt het anders: Je hebt Einfüllingsvermogen; en dat is eigenlijk niets anders dan het vermogen te denken in de termen en waarderingen van een ander.

Er zijn op deze wereld onnoemelijk veel problemen. Deze kunnen niet worden opgelost (menselijk onvermogen), omdat men niet in staat is eigen standpunten en denkbeelden te beschouwen als gelijkwaardig aan de standpunten en denkbeelden van anderen. Aan de andere kant kunnen veel problemen toch een beperkte oplossing vinden (menselijk onvermogen), omdat men ‑ uitgaande van eigen waarden en waarderingen ‑ de waarschijnlijke reacties van anderen wel kan begrijpen. Het menselijk vermogen om als mensheid één te worden kan niet worden vervuld door een overladen “ik”‑besef en een te nauw omschreven “ik”‑begrip van de doorsnee-mens. Maar omdat het “ik”‑begrip niet uitsluit dat men de relatie tussen het “ik” en de of het andere begrijpt is een beperkte oplossing van problemen wel mogelijk. Het menselijk vermogen tot redenering geeft hem o.m. wetenschap en logica; maar zijn vermogen tot redeneren zal nimmer verder gaan dan zijn vermogen tot formuleren. Juist datgene, wat voor de mens belangrijk is, zal hij niet kunnen formuleren en dientengevolge zullen de belangrijkste wetenschappen op aarde niet als zodanig worden erkend.

De mens heeft het vermogen om God te voelen, maar hij kan God niet redelijk omschrijven of bewijzen. Hij kan eeuwige krachten, licht, stralingen aanvoelen en erkennen, maar hij kan hun bestaan nimmer aantonen, omdat hij niet over de termen beschikt, waarin die relaties zouden kunnen worden gemeten en weer gegeven. De bovennatuurlijke wereld, die in het menselijk lot en in het samengaan van mensen en volkeren zo’n grote rol speelt, blijft daardoor altijd het vage, het noodlot. De mens is meester van zijn lot, zodra hij zichzelf kent en de wereld aanvaardt. Hij is slaaf van het noodlot, zolang hij zichzelf erkent in materiële verhoudingen en waarden en weigert aan zijn innerlijke gevoelens en waarden voldoende aandacht te besteden.

Er is nog iets anders. Een mens kan lang leven. Als een mens lang leeft, dan zeggen we dat hij taai is. Maar is dat waar? Er zijn mensen, die beweren dat lang leven voortkomt uit een bepaalde leefwijze. Nu, wat dat betreft, zoudt u dan allemaal schaapherders moeten worden, want onder de schaapherders in de buurt van de Kaukasus worden wel de oudste mensen ter wereld in grote aantallen aangetroffen.

Maar wat moeten we nu denken van de mensen die zo snel verslijten? Nu eventjes heel nuchter geconstateerd: Gezien de mogelijkheden, die er in deze tijd bestaan om direct gevaar voor leven en gezondheid af te weren en die vroeger slachtoffers maakten, zou kunnen worden gezegd dat er geen verlenging van levensduur heeft plaatsgehad. Integendeel, de topleeftijd die nu gemiddeld wordt gehaald, is lager geworden. Omdat de gemiddelde leeftijd is opgetrokken, lijkt het of de verhoudingen gunstiger zijn. Kunt u aanvoelen wat ik ermee bedoel? Nu stel ik: Alle levensprocessen in de mens (en zelfs ook in zijn omgeving bij planten en dieren) worden voor een groot gedeelte beheerst door zijn al dan niet harmonisch zijn. Hoe groter de spanningen, waaronder een mens leeft, des te kleiner zijn mogelijkheid om zijn lichaam op de juiste wijze in stand te houden. Hoe sterker de beheersing van buitenaf plaatsvindt in strijd met eigen verlangen ‑ al dan niet concreet en reëel bereikbaar ‑ zal de slijtage toenemen en zullen er één of meer functies in het menselijk lichaam worden uitgeschakeld, dan wel ‑ ook een mogelijkheid – er zal een algeheel verval optreden.

Ik kan dit illustreren door op te merken, dat op het ogenblik de doorsnee‑mens van 60 jaar in vitaliteit verre ten achter staat bij de oude heren van 80 in bv. de jaren 800 tot 1000. Toen waren er ook mannen van 80, maar die telden heel wat meer mee. Zij hadden heel wat meer energie en veerkracht; ze waren gezonder. Als je dat bekijkt, dan zeg je: De mens heeft dus ook invloed op zijn gezondheid. Harmonie bevordert de gelijkmatige omzettingen van voedingsstoffen, de juiste afscheiding van afvalstoffen en al wat daarbij hoort. Is het dan zo gek om als conclusie hieraan te verbinden:

 De mens heeft in zich het vermogen om alleen door zijn uitstraling en zijn gedachten bepaalde chemische reacties te veroorzaken of te vertragen, ja, zelfs te beletten.

 Daar de mens hiertoe in staat zou zijn, zou hij een groot gedeelte van hetgeen zich op zijn wereld bevindt, kunnen aanpassen aan zijn directe behoefte. Dat de mens dit niet doet ‑ en dan krijgen we weer dat beroerde onvermogen van de mens ‑ komt voort uit het feit, dat hij zich deze invloed niet kan voorstellen; en zo hij zich die al voorstelt, ze beschouwt als zo ongebruikelijk dat hij haar indirect toch nog als mogelijkheid afwijst. Dat zijn heel typische punten, zoals u zult begrijpen.

 Zo staan we ook tegenover God. De mens heeft het vermogen zich een God op te bouwen, die schijnbaar logisch in elkaar zit. De mens heeft niet het vermogen om een logische samenhang tussen mens en God op te bouwen, waarbij geen tegenspraken bestaan tussen de aan God toegekende eigenschappen en de menselijke werkelijkheid.

Dat is iets, waarover theologen maar eens moeten vechten. Een voorbeeld kan ik u ook, geven: Als ik zeg: “Onze God is een liefdevolle God” en ik zeg prompt daar bovenop: “Maar Hij heeft Job alles ontnomen, omdat hij toevallig een weddenschap had met de duivel”, dan kan ik alleen maar zeggen: Die God is niet werkelijk een goedertieren en liefdevolle God. Je gaat niet iemand voor je plezier (want daarop komt het neer) eens even alles wat hij heeft ontnemen: zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kudde, alles. Zo kan ik heel veel van die verhalen aanhalen. Een God, Die almachtig is, behoef je niet te helpen. Als God zo almachtig is om elke ketterij te straffen, waarom was er dan bv. een Inquisitie nodig? En als God toch het goede beloont en het kwade bestraft, waarvoor heb je dan een gerechtshof en een gevangenis nodig? Laat God het maar opknappen.

De mensen zijn niet consequent. In relatie tot God is de mens erg inconsequent. En door die inconsequentie betekent zijn Godsvoorstelling voor hem eerder een ballast (iets wat hem remt, wat hem mogelijkheden ontneemt) dan een positieve waarde, een stuwkracht. Toch zou God dat moeten zijn. Indien de mens een beeld van God kan vormen, dat ‑ of het mooi is of niet ‑ past in zijn wereld en dat niet in tegenspraak is met hetgeen hij in zijn wereld zelve ervaart, dan zal deze God het brandpunt kunnen zijn, waarin hij zijn contact met de hoogste wereld en waarde vindt en waaruit hij dus ook de grootste krachten naar zijn eigen wereld kan trekken. Op het ogenblik echter, dat de God in strijdigheden is gehuld, wordt door de strijdige eigenschappen ‑ al dan niet door de mens beseft – de tegenstelling tussen zijn God en diens wereld en de werkelijkheid vergroot. Daar de mens zich aan de werkelijkheid toetst en niet aan een imaginaire wereld in dit verband, mogen wij aannemen dat hij zich, naarmate hij zijn God nauwkeuriger meent te mogen omschrijven van zijn God maar ook van de mogelijkheid hogere krachten te gebruiken steeds verder verwijderd heeft.

De mens kan tellen. Nu zult u zeggen. Dat is niets bijzonders. Ja toch, een mens kan tellen. Een mens kan rekenen. Een mens kan dus getalsrelaties vaststellen, die zijn gehele stoffelijke wereld kunnen omschrijven. Daar hij zijn materiële wereld in getallen kan weergeven, kan hij elke overeenkomstige geestelijke werking of kracht eveneens in getallen weergeven. Indien er een kennis van de betekenis der getallen bestaat, zullen alle materiële getallen een geestelijke en alle geestelijke getallen ook een materiële betekenis hebben. Zij worden langzaam maar zeker tot een wet, die niet beperkt is tot één sfeer of wereld maar die alle sferen en werelden samenbundelt en zo de praktische mogelijkheden van alle werelden zullen weergeven. Dat is iets heel bijzonders.

De mens beschikt dus over een taal (want eigenlijk moet je het een taal noemen), waarmee hij stoffelijk geestelijke waarden reeds zodanig kan uitdrukken of omschrijven, dat het hem zelfs mogelijk is binnen zijn stoffelijk begrip geestelijke waarden uit te drukken en geestelijke raadselen te ontcijferen. De mens, die dus van deze mathematica het juiste gebruik weet te maken, zal zijn innerlijke wereld, de geestelijke en de stoffelijke wereld gelijkelijk kunnen uitdrukken. Hij zal de harmonieën en disharmonieën in al deze werelden kunnen berekenen. Hij kan zich dus perfect oriënteren.

De mens heeft het vermogen om ‑ zij het beperkt ‑ de werking van alle werelden en sferen, die hij zich kan voorstellen, te berekenen en uit te drukken in stoffelijk hanteerbare verhoudingen. De mens beschikt hiermee echter nog niet over het vermogen zijn belevingen als geheel over te dragen aan de materie of de problemen in hun geestelijke zin stoffelijk volledig juist te stellen. Hij kan slechts de verhoudingen uitdrukken. De problemen zelf blijven echter tot hun eigen wereld behoren.

Wanneer we het hebben over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de mens, dan zien we dat hier al direct geïllustreerd: ik kan een bepaald beeld wel volgen, maar ik kan het niet begrijpen. Wij kunnen bepaalde dingen verstandelijk aanvaarden, maar we kunnen ze gevoelsmatig niet verwerken. Een mens is in zichzelf een strijdig wezen; en naar gelang de wereld, die hij primair stelt, zullen dingen dus voor hem mogelijk of onmogelijk heten, zal hij bepaalde dingen als vreugde zien of als smart. Zijn leven wordt bepaald door zijn keuze; en in deze keuze zal hij beperkt zijn door zijn persoonlijkheid.

De mens heeft enorme vermogens op allerhande terrein. Hij is niet zo’n eenvoudig wat stupide tweebenig wezen dat alleen maar op aarde rondloopt. De mens is een deel van het goddelijk Besef dat in alle sferen zijn eigen verwantschap heeft, zijn eigen bestaan kent. Het is een wezen, dat niet alleen maar het besef van enkele jaren met zich draagt, maar vaak van ongetelde eeuwen aards bestaan en zelfs ongetelde aeonen geestelijke bestaan. De vermogens van de mens zijn dus eigenlijk deze totaliteit. Alle krachten, alle besef, dat daarin voor hen verborgen is, zou hij moeten kunnen gebruiken, maar hij is mens in een bepaalde vorm.

Hij leeft in een wereld; en die wereld heeft haar eigen regels, eigen wetten en eigen illusies. Die wereld kent stellingen en methoden van overtuiging; en hierdoor wordt de mens beperkt in het gebruik van zijn vermogens. Hij wordt a.h.w. impotent op bepaald terrein. Hij kan niet meer volledig vrij beleven of volledig vrij denken. Zijn spreken wordt gebonden aan allerhande formalismen. Zijn streven wordt niet georiënteerd op de in het “ik” juist gevoelde wijze van werken, maar op een methodiek die buiten hen is geschapen. Hoe meer de mens in de gemeenschap opgaat, des te minder kan hij zijn werkelijke vermogens gebruiken. Het is altijd de eenling, de opstandeling, die de grootste vermogens heeft. Zien wij die opstandeling dan later fatsoenlijk worden (dus in een soort maatschappelijk gareel lopen), dan merken wij dat hij systemen gaat bedenken en wetenschappelijk gaat doen. We zien ook, dat plotseling zijn élan, zijn vuur, de vernieuwende waarden, die in hem leefden verloren gaan. Zodra wij een bepaald deel van ons leven fixeren, maken wij het onmogelijk de potentiële vermogens, die in ons schuilen, verder te ontwikkelen. Als mens kunnen we bepaalde sferen betreden. Wanneer we vrij willen zijn om die sferen te betreden, zullen we ze echter in onszelf moeten erkennen. Zodra we ze zoeken aan de hand van voorstellingen, handboeken of zelfs bepaalde oefeningen die buiten ons worden gegeven, is de mogelijkheid tot bereiken geringer geworden en niet beter.

De kern van alles is gelegen in het ego. Dit “ik” is deel van God. Of beter gezegd: God heeft een deel van Zichzelf in dit ego gemanifesteerd. Het is de band met deze God (niet de beperking van het ego), die bepalend is voor de mogelijkheden. Oneindige krachten uit het Al staan tot je beschikking. Je kunt wonderen doen, maar dan moet je er eerst zelf in kunnen geloven; dan moet je ze kunnen leven.

Je kunt uittreden naar elke wereld en elke sfeer, maar dan moet je dit eerst volledig kunnen leven, het kunnen waarmaken, het voelen als een absolute zekerheid.

Je kunt werken met alle krachten en Hiërarchieën, indien je er harmonisch mee bent, zijn ze krachten die tot je beschikking staan, maar dan moet je eerst jezelf daarmee één voelen. Dan moet je eerst de kracht vinden in jezelf om het contact te maken.

Soms doen die grote geestelijke mogelijkheden mij denken aan een kruitmijn. U weet wel, zo’n grote pot met kruit, die met een daverende klap kan exploderen of die misschien als een stuk vuurwerk, een raket, de hemel kan instormen. Maar er is een lont nodig. Die kleine lont zijn we zelf; dat is ons persoonlijk denken, ons persoonlijk vermogen. Indien we niet in staat zijn dat beetje vuur, dat ons bereikt door te geven, dan zal die enorme explosie van kracht altijd uitblijven; dan blijft het leven nuchter, leeg en klein. Niet omdat je niet over de mogelijkheden beschikt of omdat je de vermogens niet hebt, maar door je eigen onvermogen het licht datgene wat je innerlijk beroert, door te geven voor wat het is aan waarlijk goddelijk Licht, aan waarlijk Goddelijke Kracht. Een kracht, die niet beperkt kan en mag blijven tot je eigen kleine wereldje, die niet alleen maar onderworpen is aan je eigen oordeel, maar die in een volledige aanvaarding als goed a.h.w. in het Goddelijke wordt gelanceerd en die daar de enorme reflex geeft, waardoor je dus waarlijk de kracht, die in het ego ligt, kenmerkend maakt. Dat is eigenlijk de dramatiek van het menselijk leven.

Als je jong bent, voel je dat je werelden kunt overwinnen. Maar je wilt die wereld niet overwinnen, zoals je zelf bent. Nee, je wilt dat doen volgens de regels van de ouderen en van de maatschappij. Je wilt de wereld vernieuwen; maar je wilt bij die vernieuwing uitgaan van datgene, wat er al is, Je hebt het gevoel dat je sterk bent en groot. Je hebt het gevoel dat dadelijk de hele wereld aan je voeten zal liggen; dat jij de grote architect, uitvinder, staatsman of prediker kunt zijn; dat jij die wereld iets te zeggen hebt, dat je iets zult nalaten; dat je stempel zult drukken op die wereld. Je hebt dat gevoel, omdat het waar is.

In elk van ons schuilt ergens een verlosser. In elk van ons schuilt een profeet. In elk van ons is ergens het leven, dat wat we de H. Geest noemen, de goddelijke openbaring op aarde. En dan…. als je het leven met die verwachting, dan vergeet je dat je de middelen moet gebruiken die bij die kracht behoren.

Dan droom je nog wel van de vernieuwing, maar als iets dat later zal komen; niet iets wat je nu moet voorbereiden, dat je nu moet zeggen al lacht iedereen erom, al zal iedereen je erom bespotten. Nee, dan wacht je tot later. Je stelt het uit. En als je het eenmaal hebt uitgesteld en met andere waarden werkt dan is de kracht teloor gegaan, dan ben je afgesloten van die oneindigheid en blijft er een trage sleur over, waar in een enkel ogenblik een flard van een dagdroom terugkomt en verder niets. Een leven, dat ergens hopeloos wordt. Een leven, waarin je genoegen komt met de kruimels, die van de tafel der rijken vallen, omdat je de moed niet hebt ‑ of niet hebt gehad ‑ je zelf aan tafel te zetten: het onvermogen van de mens te begrijpen dat zijn innerlijk, zijn eigen “ik” de eerste en de meest belangrijke maatstaf is en dat de verwezenlijking van zijn innerlijk wezen, zijn innerlijke waarheid belangrijker is dan al het andere.

Dat is de bron van alle onvermogen. Want nogmaals, de mens is deel van God. God leeft in de mens, en als zodanig is de oneindigheid en alle kracht daarin aanwezig: het vermogen waaruit je kunt putten. Maar je kunt slechts putten voor zover je zelf, bewust en waar volgens je eigen wezen, aanvaardt.