Het menselijke denkvermogen

image_pdf

7 maart 1969

Zoals u weet, zijn wij niet alwetend of onfeilbaar. Houdt daarmede rekening. Het menselijke denkvermogen onderscheidt zich van het denken van dieren door een veel grotere herinneringscapaciteit, die meer onmiddellijk voor het waakbewustzijn toegankelijk is.

Dat klinkt plechtig en betekent gelijktijdig zeer veel en zeer weinig. Van het menselijk brein wordt gemiddeld 40% van de voor herinneringen beschikbare cellen inderdaad gebruikt; 60% wordt dus niet onmiddellijk bij redelijke processen gebruikt en is deel van net onderbewustzijn of wordt geheel niet gebruikt. Het menselijke denken onderscheidt zich verder door de typische koppeling tussen wat men gevoel noemt en de zogenaamde redelijkheid. De gevoelswaarden en vele van de zogenaamde paranormale eigenschappen zetelen verder, zover zij stoffelijk tot uiting komen, in de frontale hersenlobben. Wanneer die functies worden weggehaald blijkt, dat de gevoelsmatige benadering van het leven wegvalt. Men heeft getracht bepaalde geesteszieken te genezen door wat men lobotomie noemt. Dit is het afsnijden van de verbindingen tussen de hersenlobben en de hersenen zelf. Het gevolg daarvan is niet slechts een sterke verandering van karakter maar mede het wegvallen van vele menselijke elementen in het denken, terwijl tevens remmingen wegvallen. Hierdoor verwijdert men dus bepaalde waarden in het zijn die in feite niet geheel materieel zijn.

Bij het bespreken van het menselijke denken moeten wij mijns inziens het geheel in twee delen uiteen doen vallen; eerstens gevoelsleven plus het paranormale, terwijl het tweede deel het redelijke omvat, terwijl daarin eveneens de herinneringen van het onderbewuste deels zijn opgenomen.

Zou je wetten voor het menselijke denken willen geven, zo kun je bijvoorbeeld stellen, dat alle menselijk denken gebaseerd is op een subjectieve interpretatie van onvolledig ontvangen feiten uit de buitenwereld die worden gerealiseerd aan de hand van zeer subjectieve herinneringsbeelden in de mens zelf. Dat is werkelijk bijna een wet of op zijn minst een regel die wij in dit verband als een bijna algemeen geldende wet zouden kunnen beschouwen. Wat betekent dit nu?

Het beduidt, dat geen enkele mens in staat is werkelijk geheel objectief te denken. Dit betekent verder dat geen enkele mens geheel waarneemt wat er werkelijk rond hem bestaat en of gebeurt. De mens neemt waar wat in het aanwezige of gebeurde overeenkomt met eigen herinneringen of tot een vergelijk daarmede kan worden herleidt. Voorbeeld: men heeft eens bepaalde bloemen gezien die onder prettige omstandigheden werden waargenomen en zeer mooi waren. U ziet dergelijke bloemen weer en zult iets van de vroegere schoonheid en de gevoelens van aangenaam leven in het verleden daaraan toevoegen zodat hierdoor het oordeel wordt beïnvloed. Dit is niet alleen een kwestie van gevoelen maar het is mede een vorm van associatief denken, waardoor men de waarneming niet slechts interpreteert volgens reeds in het ik aanwezige waarden maar daarnaast bepaalde objectief bestaande waarden eenvoudig buiten beschouwing pleegt te laten.

Dan hebben wij verder ‘het gevoel’ bij de mens. Wanneer een gevoelswaarde – zowel een zuivere emotie als een lichamelijke reactie – met een bepaalde voorstelling of beeld geassocieerd is, zal deze zelfde associatie een rol spelen bij elke volgende waarneming of constatering van soortgelijke beelden. In vele gevallen spelen dan de werkelijke waarden buiten je geen bepalende rol meer en wordt je gedrag en denken in de eerste plaats en zelfs hoofdzakelijk bepaald dor hetgeen in je reeds bestaat. Reacties hebben dan in vele gevallen weinig of niets met de van buiten komende prikkels meer te maken. In vele gevallen is de afwijking van de objectieve werkelijkheid iets wat door de mens niet eens beseft kan worden daar het een soort automatisch proces is dat als gevolg van vroegere conditionering zonder meer plaats vindt. Bij het zogenaamde gevoelsdenken of cortexdenken spelen gevoelswaarden een zeer grote rol. Om een werkelijk mens te zijn is het noodzakelijk dat gevoelens en redelijke waarden steeds bij elke reactie samenvloeien zonder dat daarbij redelijkheid in de minderheid komt of gevoelens uitschakelt.

Een mens is mens door zijn bijzondere wijze alles wat hij beseft te interpreteren en door de bijzondere suppletie van het hetgeen hij waarneemt middels herinneringen en gevoel. Ik zal trachten dit nog duidelijker te maken. Wanneer u altijd wanneer u gaat wandelen een snoepje krijgt, zult u op de duur gaan wandelen en het gevoel krijgen dat u reeds een snoepje hebt wanneer het wandelen voor u het voornaamste is. Is het snoep voor u voornamer dan zult u eerst het gevoel hebben werkelijk te wandelen wanneer u ‘n snoepje ontvangt en u daarbij beweegt. U kunt zelf andere soortgelijke voorbeelden vinden. Het betekent dus dat je als mens en in het menselijk denken de waarden in het leven gaat bepalen aan de hand van dingen die er niet werkelijk of zelfs soms geheel niet zijn. Sommige mensen zien onmetelijke liefde in anderen, terwijl deze in feite alleen maar een weerkaatsing is van hun eigen liefde. Hierdoor worden de mogelijkheden en feiten dan geheel verkeerd geïnterpreteerd enzovoort. Jongere meisjes, zo tussen de 16 en de 20 jaar, hebben hiervan nogal eens last. Zij zien overal in de ogen van anderen de bewondering of het begeren, dat zij in feite eerder voor zichzelf koesteren – al beseffen zij dit niet. Dat de bewondering of het begeren bij de anderen waarin zij dezen zien, in feite geheel niet aanwezig is of een geheel andere betekenis heeft, realiseren zij zich niet of soms eerst wanneer het te laat is.

Op dezelfde wijze gaat de mens eigenlijk door het gehele leven heen. Hij interpreteert alles steeds weer van zichzelf uit. Het denken wordt door die interpretatie gericht. Indien bijvoorbeeld een jong meisje zichzelf mooi vindt en meent dat zij zich daardoor verheven mag wanen boven alle anderen, zo is dit niet alleen een kwestie van waardering maar voert het ook tot een vervalsing van feiten in elke situatie. Zij zal vaak een toestand ontmoeten waarvan zij wel degelijk beseft dat die voor anderen gevaarlijk zou zijn. Maar, zo redeneert zij dan onbewust, ik ben jong, knap, eenieder bewondert mij of houdt van mij daarom kan ik dit wel, mag ik dit wel doen, enzovoorts. Zonder nu te willen beweren dat u allen jonge meisjes bent, qua leeftijd of attributen, wil ik toch opmerken dat een dergelijk vervalst beeld in elke mens steeds weer herontstaat zodra eigen wezen bij het gebeurde wordt betrokken. Het is dus zo dat de mogelijkheden van het redelijke denken grotendeels door de emotie worden beheerst en gericht.

Wij hebben echter ook nog te maken met de geest. De geest kan in het redelijke denken weinig of niets tot stand brengen. Wel kan zij door de reactie te bepalen op hetgeen in de stof ten aanzien van hetgeen mogelijk is of gebeurt, een gevoel van lust of onlust tot stand brengen. U hebt wel eens toestanden waarbij u redelijk ziet, dat iets goed is, ja, onvermijdelijk en noodzakelijk, terwijl u het aan de andere kant toch niet geheel kunt verwerken en innerlijk aanvaarden. U bent van deze tegenstelling soms zelfs zover in de war dat u niet meer precies weet wat u doet. In andere gevallen doet u wat redelijk juist schijnt te zijn maar voelt u zich nog langere tijd daarna innerlijk ellendig. In andere gevallen reageert u in wezen onredelijk en beseft dit wel maar voelt u zich daarbij gelukkig. Zelfs kleine onbelangrijke dingen kunnen in dergelijke gevallen een gevoel van grote vrede geven, lange tijd geliefde herinnering zijn en u het gevoel geven: dat is nu juist wat voor mij bij mij behoort. Met het ontstaan van dergelijke gevoelens heeft de geest vaak te maken. Daarom kunnen wij voor het denken nog enkele regels stellen. Een daarvan zou kunnen luiden: de geest conditioneert ten aanzien van aanvaarding en verwerping en zal hierdoor de gerichtheid van het redelijke denken voor een deel mede kunnen bepalen zonder hiermede ook de redelijke processen en waarnemingen te kunnen beïnvloeden of besluitvorming vanuit zich tot stand te kunnen brengen.

Ik vrees dat ik hier ongeveer de helft van mijn gehoor verloren heb. Trek u daarvan niet al te veel aan. Wanneer u meent dat dit u te onbelangrijk of te geleerd is dan moet u maar denken, dat ook u gericht bent op vooromschreven wijze. Wanneer dus iets van hetgeen ik zeg in uw straatje past begrijpt u het heus wel, dan kunt u het redelijk verwerken zelfs al zult u dit vaak eerder omschrijven als een aanvoelen dat het juist is. Het niet kunnen volgen, het niet geïnteresseerd zijn, het niet begrijpen is lang niet altijd een gevolg van domheid of een fout bij mij maar zal veroorzaakt kunnen worden door uw eigen geestelijke gerichtheid. Wat overigens niet alleen als een soort troost is bedoeld maar mij tevens een aanloop geeft naar het volgende punt.

Op het ogenblik, dat in de wereld voor mij een onzekerheid ontstaat, zal ik voor mijzelf de onvolledigheid van mijn redelijke processen waarnemingen en dergelijke willen verbergen.

Want de doorsnee mens wil er nu eenmaal al te graag van overtuigd zijn dat al hetgeen hij doet juist en redelijk verstandig is. Het gevolg daarvan is dat wij geneigd zijn alles te verwerpen in de wereld of zelfs niet op te merken dat niet past bij onze gerichtheid, conditionering dan wel niet regelmatig door ons in het leven als normaal wordt aangetroffen.

Zelfs wanneer wij de redelijkheid van dergelijke punten zullen moeten toegeven in vele gevallen, zullen wij toch de emotionele argumenten trachten te vinden waardoor wij toch bepaalde delen van het leven, het zijn, ontwaarden. Hiermede wordt duidelijk hoe de ene mens op bepaalde dingen in de maatschappij en het leven zo geheel anders reageert dan de andere, waarom de ene intens en zonder enige kritiek kan geloven wat anderen hem zeggen, terwijl een ander juist weer voortdurend in tweestrijd verkeert omdat hij – verstandelijk – wel wil geloven maar – gevoelsmatig – niet weet, wat en hoe hij eigenlijk zou moeten geloven. De gelovigen weten dit wel maar maken zich er van af door te stellen dat geloof een genade is.

Het zou beter zijn wanneer zij in zouden willen zien dat dit alles eerder een kwestie van geestelijke gerichtheid en conditionering in de jeugd is. Wat zij genade noemen is maar al te vaak het gevolg van een wijze van leven en denken waardoor het verstand voor bepaalde redelijke argumenten, bepaalde feiten zelfs, geheel afgesloten is.

Het voorgaande maakt duidelijk dat opvoeding, maar ook de eigen gerichtheid van de geest, grote invloed kunnen uitoefenen op het menselijke denken. Maar wij moeten nog verder gaan.

De redelijke vermogens van de mens worden door u in de kindertijd voornamelijk ontwikkeld aan de hand van ervaringen en imitatie. Ervaring betekent datgene wat ikzelf doormaak en de gevolgen die ik als resultaat van bepaalde belevingen in mijn herinnering vastleg. Later zal steeds weer aan deze eerste ervaringen worden gerefereerd. Imitatie betekent dat men bepaalde dingen in zijn omgeving meer dan normaal aanvaardt. Vaak spelen daarbij gevoelens van zekerheid of erkenning van macht een rol, zoals bijvoorbeeld bij de ouders. Te weinig schijnt men te beseffen dat de verhouding ouder – kind in de eerste plaats er een van macht is, zodra men vanuit het standpunt van het kind de zaak beschouwt. De ouderliefde wordt als vanzelfsprekend ervaren, de gezagsuitoefening van de ouders echter niet. En het kind begeert zelf zeggenschap te hebben. De ouders bezitten deze – voor het kind – in zeer sterke mate.

Vele kinderen zijn in hun eerste levensjaren geneigd de ouders na te bootsen, daarnaast spelen vaak plaatsen een rol, evenals kleine bezittingen. Een eigen plaats, een eigen bed bijvoorbeeld kan zekerheid betekenen, een pop troost enzovoort.

Het is duidelijk, dat de kinderen zich gaan gedragen in overeenstemming met deze voor hen geheel reële waarden – al kunnen zij niet de redelijke visie van ouderen begrijpen. Juist wanneer het nabootsen van bijvoorbeeld de ouders sterk is geweest in de eerste levensjaren, zien wij de drang tot imitatie ook later bestaan. In de eerste schooljaren zullen minderen er dan toe komen de manieren van een leraar of juffrouw op school na te bootsen. Wat in vele gevallen niet beseft wordt is, dat de kinderen met het nabootsen van een gedragspatroon van anderen zich ook een bepaalde houding tegenover de wereld eigen maken. Dit is zeker niet alleen het gevolg van ‘vriendjes’, die een verkeerde invloed hebben en dergelijke. Het gehele denkproces wordt, vaak tot op hoge leeftijd, beïnvloed door de wijze waarop men imiteerde in de eerste kinderjaren. Dit betekent dat een meisje dat de grootmoeder bewondert en imiteert in hetzelfde gezin, anders zal denken handelen en ervaren dan het zusje dat een tante, moeder bewondert en imiteert. De conclusie is duidelijk: men zal in het latere leven bepaalde associaties hebben, op een bepaalde wijze blijven reageren, vaak tegen eigen verlangen of beter weten in, aan de hand van de ervaringen en imitatie in de eerste levensjaren die de overheersende associatieve denkbeelden beïnvloeden.

De basis, die in de eerste jeugdjaren is gelegd zal dan ook in de meeste gevallen mede bepalend zijn voor alle verdere ontwikkelingen van het redelijk bewustzijn. Het gevoelsleven wordt hierdoor niet zonder meer bepaald. Het gevoelsleven kan wel weer bepaald worden door kwesties van schuld en verdienste die eveneens in de jeugd door anderen worden opgelegd. In dit laatste geval krijgt men te maken met een instinctieve beoordeling die door de ouderen wordt opgelegd, zonder dat dezen dit beseffen. ’Niet spelen met vieze jongetjes’, is een vaak gehoord bevel. Men beseft niet dat deze mens nog veel later het gevoel zal hebben: eenieder, die armelijk gekleed is, die vies is enzovoort , is minderwaardig. Dit brengt remmingen tot stand die een contact met mensen die anders zijn, zeer bemoeilijkt in latere jaren. Naarmate men in de jeugd meer met een dergelijke mentaliteit werd geconfronteerd, zal men minder in staat zijn anderen later als gelijken te aanvaarden. Dit zien wij zelfs nu nog wel in zogenaamde betere kringen voorkomen, maar vroeger was een dergelijk gevoel, dat men verkeerdelijk vaak standenbewustzijn noemde, bijna algemeen.

Sommigen van u lijden nu nog aan dergelijke gevoelens, waardoor zij bijvoorbeeld jongere mensen niet kunnen aanvaarden en begrijpen zodra dezen zich afwijkend kleden, gedragen of misschien zelfs wat vuiler zijn dan men algemeen aanvaardbaar vindt, omdat zij dit schijnbaar aangenamer vinden, zoals velen nog heden het gevoel hebben dat jongens met lange haren verwijfd moeten zijn enzovoort. Het zal u duidelijk zijn dat een dergelijke instelling het redelijk en enigszins objectief waarnemen bemoeilijkt. Ik stel dan ook, dat het redelijke denken van de mens in vele gevallen wordt beperkt door een conditionering die van het milieu uitgaat. Daar hierbij redelijke factoren in het geding zijn zal het gevoelsleven daaraan niet zonder meer gebonden zijn. Men kan dus vaak een enkeling of een enkel aspect gevoelsmatig toch wel aanvaarden. De rede verklaart dit dan door te stellen dat dit een uitzondering op de regel is.

Dit alles betekent, dat de mens in zichzelf voorstellingen kan dragen en kennis of voorstellingen van anderen aan kan nemen zonder dat men zelf reële ervaringen heeft opgedaan die men innerlijk aanvaardt, waardoor men zelfs vaak gebiologeerd wordt terwijl men toch gelijktijdig redelijk gezien deze dingen meent te moeten verwerpen. Ik stel, dat als gevolg van dit alles, maar vooral als gevolg van de conditionering in de eerste levensjaren, in de mens een verdeeldheid kan ontstaan die hijzelf in de eerste plaats zal zien als een splitsing in uitbaar en niet-uitbaar van de redelijke en gevoelsmatige processen in het ik. Hierbij zal alle niet-uitbaar erkende gevoelswaarde of redelijke erkenning zeer sterke invloed hebben op alle reacties, die door het ik nog als mogelijk worden erkend. Men leeft en handelt dan ook vaak als het ware met een dubbele bodem, terwijl men zichzelf voorhoudt dat hetgeen men doet, goed, redelijk en juist is. Het is jammer, dat er zo weinig jongeren hier aanwezig zijn. Dit alles zou hen misschien kunnen helpen hun ouders wat beter te begrijpen. En dit is zowel voor een juistere vorming van de jongeren als voor het levensgeluk van de ouderen toch wel belangrijk.

Ik heb u reeds gezegd, dat in de gevoelswereld een conditionering ontstaat waarbij de daden en mogelijkheden van de wereld ervaren worden als goed en kwaad . Ik wil niet te ver op dit alles ingaan, maar beperk mij tot de opmerking dat juist aan deze vorm van gevoelsconditionering chantage processen verbonden kunnen zijn. Ik acht het namelijk chantage wanneer men een beroep doet op het voorstellingsvermogen van een jong individu, dat nog niet in staat is de redelijkheid of onredelijkheid van bepaalde beweringen zelf in te zien. Hieronder vallen voor mij dan ook opmerkingen als: ”Pietje, wanneer je nog langer zo doet, komt dadelijk de boeman en neemt je mee om je op te eten.” Of: “De goede God ziet alles wat je doet, en laat een engel alles in een boekje opschrijven.” “Pas maar op, anders kom je later in de hel of het vagevuur.” Of: “als je zo doorgaat, zul je bemerken, dat je aan de Satan overgeleverd bent.” De formulering zal van milieu tot milieu verschillen. Maar altijd weer gaat het om een dreigen met of zelfs een beroep op het niet-kenbare. Men vergeet hierbij kennelijk – of wil gebruik maken van het feit dan – dat de eigen wereld van het kind zodanig klein is dat alle stellingen door anderen, die als ‘wij’ worden erkend, voor het kind als voor waar worden aanvaard. Deze aanvaarding is veelal voorlopig. Maar op grond van de aangenomen stellingen ontstaan emoties, deelt men de wereld in in goed en kwaad. De associaties zijn corticaal ofwel gevoelsmatig. Iemand, die inziet dat hetgeen zijn ouders – of anderen – hem eens geleerd hebben, niet werkelijk dreigt, dat het misschien onzin was, zal toch in zijn reacties bepaald worden door de vroeger inlegde associaties, daar bij alle redelijkheid steeds weer het gevoel dat dit of dat kwaad zal zijn, opduikt, en zo de mogelijkheid snel, bewust en onbevooroordeeld te reageren op redelijke erkenningen, wel degelijk vermindert. Er is in ieder geval een aarzeling en zelfs wanneer deze overwonnen wordt zal de eerste malen een gevoel van onrust en onzekerheid opduiken, waardoor men ondanks zichzelf alles gaat doen om zo snel mogelijk binnen de vroeger gebaande paden terug te keren.

Sommigen van u vinden dit alles niet erg interessant. U hebt vanuit uw standpunt waarschijnlijk gelijk, ofschoon hetgeen ik zeg toch wel degelijk belangrijk genoeg is. Weet u, waarom u het dan misschien niet interessant vindt? Omdat u, wanneer u dit geheel au sėrieux zou nemen, u ook zou moeten beginnen met een gehele reeks van fouten en feilen vast te stellen, zowel in uw eigen leven als in uw eigen emotionele processen. Daar u graag met uzelf tevreden wilt blijven, zult u op gevoelsgronden besluiten dat het geheel, dat wordt gebracht, toch niet zo interessant is en het uzelf zo mogelijk maken niet al te goed te luisteren naar de punten, die juist op u betrekking zouden kunnen hebben. Want de mens tracht dergelijke dingen steeds weer te ontgaan. Dergelijke dingen zijn voor hem ergens taboe. Men wenst eenvoudig de waarheid niet rechtuit te kennen of te zeggen en wanneer er geen andere mogelijkheid is dan de feiten te aanvaarden, vermomt men ze zo, dat zij aanvaardbaar worden.

In het taalgebruik kunt u daarvan vele voorbeelden vinden. Hoeveel woorden bestaan er bijvoorbeeld niet, die gebruikt worden om de geslachtsdelen aan te duiden, hoeveel zinnen worden niet gevormd om deze dingen weer te geven terwijl zij toch wel met een enkel en zeer kort woord voor eenieder duidelijk kunnen worden beschreven? Maar daar men door het milieu dergelijke dingen als zeer privé, ja, als niet netjes, is gaan beschouwen, is de rechtstreekse aanduiding ook vies en niet netjes. En hoeveel andere functies worden niet ‘netjes’ omschreven? Wanneer iemand een dringende behoefte gevoelt, verklaart hij dat hij ‘even zijn handen gaat wassen’ of dat hij ‘even zal gaan, waar ook de keizer te voet gaat’, anderen omschrijven de zaak door te zeggen, dat zij naar nr.100 gaan, even om de hoek gaan kijken of iets dergelijks. Ook hier weer, de bedoelde lichamelijke functie wordt als ‘vies’ beschouwd.

Omdat zo iets vies is, kun je er eigenlijk niet over spreken. Er zijn echter omstandigheden, waarbij men er toch over moet spreken, dus zegt men het zo, zodat het wordt gezegd, zonder dat men het zegt.

  • U bedoelt: men zegt het netjes?

Netjes? Waarom is een directe aanduiding niet netjes? U weet het wel: associatief denken. En daarmede zijn wij weer op het oude punt terug. Associaties, die mijns inziens niet redelijk maar eerder gevoelsmatig zijn, want lichaamsfuncties zijn natuurlijk, lichaamsdelen zijn natuurlijk. Eenieder heeft ze. De omschrijving is dan ook niet redelijk noodzakelijk, maar gevoelsmatig onvermijdelijk.

U hebt mij gevraagd ook iets te zeggen over de regels die het menselijke denken beheersen en aan te geven of men op bepaalde wijzen dit denkvermogen kan ontwikkelen. De regels zijn onder meer:

Datgene, wat in de jeugd geleerd is, zowel emotioneel als redelijk, blijft te allen tijde, ongeacht de verdere invloeden en ervaringen, de interpretatiebasis bij elke beschouwing van de werkelijkheid.

Om te komen tot een uitbreiding van eigen denkvermogen moet men tevens komen tot een erkenning van de begrenzingen, die zijn gelegen in de associatieve vermogens.

Alle krachten van de oneindigheid zijn onomschrijfbaar. Door ze te omschrijven volgens menselijke normen kan men vaak ontvluchten aan de noodzaak menselijke normen of daden, die men niet aanvaardt, redelijk te benaderen, duidelijk te omschrijven of volgens feitelijke ervaring weer te geven.

Ten aanzien van dit laatste merk ik op: in feite is in vele gevallen geloof of beroep op geloof een ontvluchten aan de feiten van eigen leven en eigen noodzaak, en het leven van anderen als juist of aanvaardbaar te erkennen. Als je dit alles in aanmerking neemt, wordt wel duidelijk dat wij in de eerste plaats onszelf ook in deze opzichten, enigszins moeten leren kennen, voor wij ook maar een enkele stap verder kunnen komen. Nu is zelfkennis voor de mens maar moeilijk te bereiken. Het is echter niet nodig, dat u uzelf geheel ontleedt. Wel is het belangrijk, dat u voor uzelf eens nagaat, welke dingen u bij anderen steeds weer afkeurt of minder juist acht. U zult daarbij al snel een zekere lijn vinden, vooral wanneer u rekening houdt met de punten die u werkelijk beroeren, en dan, welke dingen u, als uit de grond van uw hart, goed pleegt te keuren. U zult ook daarin een lijn vinden.

Ten derde moet u eens nagaan in hoeverre u de dingen die u bij anderen goedkeurt, zelf niet doet en hoe vaak u de dingen die u bij anderen af pleegt te keuren, zelf wel doet. Ook hierin zult u een bepaalde tendens ontmoeten.

Hebt u deze drie punten eerlijk vastgesteld, dan hebt u het terrein waarop u normaal pleegt te denken en te reageren, begrensd. U kunt nu weten, op welke punten u weigert of niet in staat bent, logisch en redelijk te denken. Daarnaast zult u beseffen op welk terrein u de kenbare feiten weigert te erkennen of toe te geven en u zult weten op welk terrein u aan de feiten te veel tracht toe te voegen door middel van interpretaties die in wezen alleen rationalisaties zijn van eigen denken en gedrag. Bent u zover, dan beseft u dat het overschrijden van deze grenzen aan eigen gevoelsmatige en redelijke ontwikkeling, – die veelal het gevolg zijn van opvoeding en milieu – moeite zal gaan kosten.

Het is zelden mogelijk al deze grenzen gelijktijdig en bewust te doorbreken. Zelfs indien men daarin slagen zou, blijkt men vaak met een soort associatieve puinhoop te zitten die een redelijke reactie belemmert. Het gevolg is vaak een reeks van zenuwcrisissen en dergelijke.

Wel kun je in eigen denken steeds weer proberen elke vaste regel, door mij als zodanig aanvaard, te doorbreken door jezelf eenvoudig af te vragen wat er achter ‘het als normaal aanvaarde’ kan liggen aan niet erkende emoties of waarden. Door deze wijze van beschouwen van alle schijnbaar vaste en onaantastbare regels en waarden in eigen bestaan, zal men er toe kunnen komen eigen associatief denken wat ruimer te maken. Op de duur zullen dan alle kennis en ervaring in het ik gebruikt kunnen worden bij de beschouwing van een probleem. Dit betekent dat de nog steeds persoonlijk dus subjectief blijvende waarneming en beleving de werkelijkheid – objectiviteit – wat meer gaat beredeneren, zodat men ten aanzien van eigen ervaren redelijker zal zijn en men beter begrip zal gaan tonen voor de gevoelselementen, die bij alle beslissingen een rol spelen.

De noodzaak in dergelijke gevallen door te zetten, wordt door te weinig mensen beseft. Men meent dat het voldoende is met zo nu en dan even na te denken over de achtergronden van eigen oordeel en handelen. Hierdoor zal men echter steeds weer terugvallen in de oude sleur, daar men niet in staat is langere tijd meer dan normaal objectief te zijn. Wanneer je zeer weinig loopt kun je ook steeds minder lopen. Iemand die altijd in de auto zit en ook verder maar heel weinig lichaamsbeweging heeft, zal, wanneer hij 5 km. gelopen heeft, moe zijn.

Iemand die veel loopt, zal vaak 49 km. zonder al te grote vermoeidheid kunnen afleggen, al zal hij elk uur wel een paar minuten stil blijven staan of rusten. De eerste is na 5 km. tot weinig meer instaat, de tweede is, zelfs na het afleggen van de grotere afstand eigenlijk nog niet werkelijk vermoeid en kan zo hij dit wenst of moet, nog veel presteren.

Met denken is het precies hetzelfde. De meeste mensen denken maar weinig zelfstandig. Het is vermoeiend. Maar hoe minder je zelfstandig denkt hoe moeilijker het je zal vallen om zelfstandig te denken, zeker voor langere tijd. Toch zal iemand die zijn denkvermogen uit wil breiden, allereerst moeten leren zelfstandig te denken. En dat is een kwestie van oefenen.

Toch is een dergelijke training niet zo moeilijk als het lijkt. Men kan bijvoorbeeld reeds uitgaan van het regelmatig lezen van eenvoudige courantenartikelen. De meesten van u lezen regelmatig een krant. Daarin staat bijna altijd een artikel van een hoofdredacteur. Ga eens na wat die geschreven heeft en probeer dan in het artikel en de eventueel gegeven feiten zoveel mogelijk conclusies te trekken, anders dan de conclusie van de schrijver.

U zult in het begin verbaasd zijn over de vele mogelijkheden de gegeven feiten anders te interpreteren dan de schrijver zelf deed en u zult zelfs gaan ontdekken dat zijn conclusies niet altijd even logisch zijn. Soms zult u toe moeten geven dat de man het toch bij het rechte eind heeft gehad. Belangrijk is dit echter niet. Zelfs wanneer u steeds weer dwaze conclusies schijnt te trekken hebt u toch geleerd zelf over de dingen na te denken. Hierdoor is uw vermogen tot het vinden van verschillende associaties met hetzelfde begrip groter geworden en u absorbeert niet meer voornamelijk de mening van anderen die u dan waarschijnlijk ook nog herleidt tot begrippen die associatief aanvaardbaar reeds in u bestaan, maar dwingt uzelf tot een confrontatie met de mening van anderen en het nagaan van alle mogelijkheden.

Op deze wijze doet u kennis op en zult u meer feiten en stellingen gaan onderzoeken, zodat het feitenmateriaal waarover u onmiddellijk beschikt in de hersenen wordt uitgebreid. Wat er op neer komt dat u niet alleen het reeds in gebruik zijnde deel van de hersencellen beter en doelmatiger leert gebruiken maar dat u gelijktijdig steeds meer cellen in het bewuste denkproces gaat betrekken. U zult dan ook een steeds groter deel van de beschikbare hersenmassa bewust kunnen gebruiken en op de duur zelfs bewust kunnen beheersen. Het doorvoeren van deze praktijk gedurende ongeveer één jaar zal – mits ernstig bedreven – een gemiddelde toename van associatieve mogelijkheden betekenen van rond 10%. In dezelfde tijd zal het reactievermogen – dus het sneller vormen van concrete denkbeelden aan de hand van feiten of gegevens – toenemen met ongeveer 40% van het voor u normale denktempo.

Men kan deze wijze van werken rond 2 à 3 jaar met vrucht volgen. Daarna zal echter geen verdere uitbreiding van denkvermogen enz. meer optreden en zal men naar nieuwe wegen voor scholing en ontwikkeling moeten zoeken.

Bij een training zal ook het oefenen van de herinnering een rol spelen. U weet waarschijnlijk wel dat de mens veel meer waarneemt dan hij bewust pleegt te verwerken. Een zeer groot deel van de waarneming is ‘onderbewust’ zodat men later niet eens meer precies schijnt te weten wat men eigenlijk heeft gezien of beleefd. Indien ik u later, buiten deze zaal, zou vragen welke vorm van kaarsen hier naast mij staat, zou u waarschijnlijk het antwoord daarop schuldig blijven. U hebt ze natuurlijk wel gezien maar u hebt er niet bewust op gelet. Wanneer u echter terug gaat denken, kunt u misschien het goede antwoord na enige tijd nog wel vinden. Dit laatste kan soms voor u van groot belang zijn. Daarom raad ik u aan steeds weer u te oefenen in het terugvinden van die punten die wel waargenomen werden maar niet bewust werden ‘gezien’ of ‘gehoord’.

Men kan bijvoorbeeld wanneer men een krant vluchtig heeft doorgekeken, eens proberen na te gaan wat er eigenlijk alzo in heeft gestaan. Later controleert u dan of het juist was. Wanneer u voor een etalage staat en naar een bepaald artikel hebt gekeken, nam u al het andere wel waar maar was u daarvan niet bewust. Tracht u later wanneer u dus de etalage niet meer kunt zien eens te binnen te brengen, welke artikelen en voor welke prijzen u nog meer daarin zoudt hebben kunnen zien. Na enige tijd zal u blijken dat u steeds meer bewust de dingen op  gaat nemen, dat u steeds beter in staat bent later u de beelden enzovoort, weer te binnen te brengen en de details daarvan afzonderlijk te omschrijven. Op zich heeft dit reeds vele voordelen. U zult echter door de beschikbare hoeveelheid details bij alle gebeuren een betere vergelijkingsmogelijkheid krijgen. Vergroting van referentiemogelijkheid in de herinnering betekent gelijktijdig een verfijning bij associatieve denkbeelden. Heeft men zich een kritisch bezien van eigen associaties aangewend dan volgt hierdoor een verdere objectivering van eigen beleven, die een grotere beheersing van het eigen gevoelsleven mogelijk gaat maken.

Het is dus eigenlijk niet zo moeilijk om eigen denkvermogen en zelfbewustzijn te veranderen en te verbeteren. De moeilijkheid is voornamelijk het beginnen hiermede. En natuurlijk het volhouden tot de eerste resultaten bereikt worden. Daarna gaat het als het ware met de wind mee.

Verder heeft de mens – en ook de geest – de vervelende neiging steeds weer iets als definitief voor te stellen. Bijvoorbeeld: ‘Er is een God’. Wij hebben daarover vaak gesproken. Zeker. Voor mij bestaat er een God. Maar is er nu wel werkelijk een God? Dit probleem is moeilijk, daar ik dit alles alleen maar subjectief kan bepalen. Maar je kunt bijvoorbeeld ook zeggen: de politiek van het kabinet de Jong is goed. Ofschoon na de BTW er voor dit wel niet velen zullen zijn, die een dergelijke mening nog als zekerheid beschouwen. Maar zou dit werkelijk zo zijn?

Zou men de zaak ook anders kunnen zien? Welke tegen argumenten zijn er aan te voeren? Nixon is goed – of, slecht. Men stelt dit vaak als een feit. Maar waarom? Waarom voelt men dit zo, op welke feiten baseert men zich? Wanneer ik de redelijke kant van een dergelijke stelling heb nagegaan, moet ik nog vragen, wat er nog meer aanleiding kan zijn geweest tot het als zekerheid stellen van zo iets.

Op deze wijze erkent men steeds beter de vele factoren die het denken beïnvloeden. De neiging iets als absoluut zeker te stellen neemt af; men leert buiten eigen denken om, bestaande mogelijkheden te beseffen, begrijpt hoe objectief men maar is, zelfs bij de benadering van zogenaamde onveranderlijke feiten – en dat is vaak niet zo veel als men zou willen veronderstellen – en leert zo eigen benadering van alle andere waarden te subjectiveren.

Het ik leert eigen eenzijdigheden kennen, weet bij zijn associaties nu ook wat aan het ik en de reactie of interpretatie van het ik ontbreekt. Hierdoor vergroot men meer afwijkende feiten en stellingen te kunnen verdragen en trachten te begrijpen. Hierdoor vergroot men wederom eigen mogelijkheden, terwijl het eigen leven bovendien veel evenwichtiger pleegt te worden.

Bijna elke mens beschouwt zichzelf innerlijk als wijs. Dit is het beste bewijs voor zijn eigen  dwaasheid. Wijsheid bestaat niet als iets afzonderlijks. Het is geen kennis, geen logica, geen mystiek, maar eenvoudig begrip voor het leven, en elke mens is in zijn begrip voor het leven en de mogelijkheden daarvan zozeer beperkt dat hij hoogstens vergelijkend maar nimmer definitief wijs genoemd kan worden. Een eerste begin van wijsheid is ook wel het inzicht dat je, om het gehele leven werkelijk te leren begrijpen, je meer moet zijn dan mens.

De bedoeling van het leven is niet alles theoretisch uit te knobbelen. Denken in deze zin kan elk cybernetisch brein maar dan zonder gevoel, zonder eigen initiatief. Bij nuchter denken zonder gevoel, kan een coördineren en hergroeperen van het bestaande bereikt worden maar geen werkelijke vernieuwing, terwijl het evenmin mogelijk is de mens te begrijpen. Slaagt men er in bewust eigen redelijk denken en eigen gevoelswereld samen te voegen, dan zal de mens altijd – zelfs wanneer men dit zelf goed beseft- een bias (=afwijking), een bevooroordeeld zijn moeten hebben ten aanzien van de feiten. Het voordeel hiervan is echter dat men met abstracties kan werken, zonder deze met de werkelijkheid te verwarren. Een van de meest wonderlijke eigenschappen van de mens en zijn denkvermogen is wel het vermogen om innerlijk werelden, eigenschappen enzovoort te creëren, die niet feitelijk bestaan, die ook niet tot feit gemaakt kunnen worden, terwijl men voor zich deze beelden toch als werkelijkheid kan behandelen en op grond daarvan tot conclusies en acties kan komen in de werkelijkheid buiten het ik. Het nadeel is daarbij dat men dergelijke beelden maar al te vaak als onvermijdelijke werkelijkheid beschouwen gaat. Vermijdt men dit, dan zal men op grond van irreële voorstellingen echter in het heden juist kunnen reageren en bij het optreden van wijzigingen in de omstandigheden sneller en juister zich aan kunnen passen.

Dit lijkt moeilijker, dan het is. Er zijn mensen, die zich nu reeds een voorstelling maken van hetgeen er in het jaar 2000 aan verkeer zal zijn en zich daarop reeds nu aan het voorbereiden zijn. Zij stellen zich daarbij de mogelijkheid voor het verkeer geheel te beheersen en te regelen, waardoor het veilig enzovoort zal zijn. Deze mensen handelen nu reeds in overeenstemming met deze voorstellingen, ofschoon zij, zeer wel – redelijk – beseffen, dat deze toestanden nu nog niet heersen en in de nabije toekomst niet redelijkerwijze te verwachten zijn. Het nadeel is dat men in het heden geen rekening meer houdt met onmiddellijke behoeften maar tracht reeds nu de problemen van morgen op te lossen, waardoor veel verwarringen ontstaan en zelfs problemen geboren worden die zonder een dergelijk beeld nooit zouden bestaan hebben. Een dergelijk iets is een typisch voorbeeld van het menselijke denken. Men heeft een grote fantasie en kan, soms aan de hand van enkele feiten, complexe beelden van het niet-bestaande opbouwen.

Elke mens filosofeert wel eens op zijn tijd, en elke mens heeft wel eens droombeelden over later, maar die droombeelden en filosofieën zijn eigenlijk maar namaak. Wij moeten dus ook leren een onderscheid te maken tussen onze droombeelden en onze werkelijkheid. Onze droombeelden kunnen soms dienen om onze reactie op de werkelijkheid te bepalen. Zij mogen echter nooit dienen om de werkelijkheid zonder meer aan te passen aan ons droombeeld.

Dit laatste is een veel voorkomende menselijke fout die voor de bewustwording schadelijk kan zijn. Wanneer ik werkelijk geloof dat alle mensen evenveel zouden moeten verdienen en dus evenveel welvaart dienen te hebben en dat zij dan ook allen even hard zullen werken dan houd ik geen rekening met de mensen zelf. Wie op dergelijke wijze redeneert, ziet wel mogelijkheden maar alleen wanneer hij de mens tot een soort object maakt. Men zal echter moeten beseffen, dat elke menselijke benadering en elke mens, subjectief blijft.

Je kunt natuurlijk de mens toch als een object hanteren, met de beste bedoelingen desnoods, maar wat er dan gebeurt, heeft bijvoorbeeld Frederik van Eeden gezien. In vele kolonies, waarin men een dergelijke wijze van leven meende te kunnen verwerkelijken, dit tot de allereerste christengemeenschappen toe – die eveneens een soort communes waren – heeft men moeten ervaren dat een dergelijke stelling van gelijkheid, gelijke beloning en gelijke aandelen in de werkzaamheden eenvoudig niet houdbaar is. De mens kan innerlijk een voorstelling hebben van leven en wereld waarbij deze omschreven toestand de meest ideale is.

Indien hij echter nu, zonder met het menselijke gedrag rekening te houden naar de verwerkelijking van dit alles gaat streven dan zijn de resultaten verkeerd. Men zoekt dan de fout bij anderen en niet bij zichzelf en komt er toe verkeerde dingen te doen, die men eerst veel later zal moeten betreuren. Daarom is het voor uw bewustwording en een juist gebruik van uw denkvermogen noodzakelijk dat u leert onderscheid te maken tussen deze droombeelden – dat wat volgens u mooi zou zijn of zou moeten zijn – en hetgeen op het ogenblik werkelijk bestaat en werkelijk mogelijk is.

Ik geef u nog enkele regels. Het zijn niet alleen denkregels, maar bijna leefregels!

Alles wat ik doe, kan ten aanzien van juist of onjuist slechts bepaald worden door de resultaten buiten mij of de gevolgen in mij. Beide laatsten hoeven dus niet te stroken. Elke beoordeling aan de hand van in mij levende waarden geeft mijn eigen noodzaken weer. Elke erkenning van resultaten buiten mij geeft een besef van de wereld en haar noodzaken.

Niets is werkelijk verboden, niets is werkelijk onbenaderbaar voor het denken. De beperkingen liggen niet in het andere, maar in het ik. Men zal nooit door het overmeesteren van het andere eigen beperkingen teniet kunnen doen. Daarom is het noodzakelijk eerst eigen beperkingen te overwinnen, voor men overgaat tot pogingen het andere in of met eigen ik te integreren.

Gevoelens, redelijk of onredelijk, bepalen welbehagen. Welbehagen is voor de mens een noodzakelijke toestand zelfs wanneer zij niet continu gehandhaafd kan worden. Het erkennen van de emotie als belangrijkste en noodzakelijk onderdeel voor het bereiken van eigen welbehagen, impliceert echter niet, dat de regels, die men daartoe voor zich als juist erkent, ook voor anderen van kracht zijn.

Ten laatste: een veelheid van kennis omtrent feiten en stellingen impliceert nog geen kennis van de menselijke werkelijkheid en geeft niet zonder meer mogelijkheid tot persoonlijke bewustwording. Eerst waar een synthese van de nu bestaande feiten en de in mij bestaande kennis en theorie mogelijk is – zodat buiten mij feitelijke resultaten behaald worden – zal het bewustzijn hierdoor een werkelijke verrijking ondergaan. Eigen denken wordt meer omvattend, terwijl het eigen bewustzijn dan zich uitbreidt met besef van en begrip voor steeds meer delen van de wereld.

Hiermede kunt u het mijns inziens wel doen. Werkelijke wetten ten aanzien van het menselijke denkvermogen, die algemeen en altijd gelden, bestaan er eigenlijk niet. Het menselijke denkvermogen is zodanig variabel, dat voor elk individu hiervoor eigen regels en wetten bestaan. Slechts voor de vergroting van bewustzijn en de uitbreiding van eigen denkvermogen kan men enkele meer algemene regels stellen, omdat de mensen nu eenmaal vele basiswaarden gemeen plegen te hebben.

Er zijn vele filosofieën op te bouwen, waarbij men hogere waarden en Lichtende Krachten betrekt bij eigen bewustwording en denken. Zover het de menselijke praktijk betreft, komt dat alles echter neer op denken, emotie en de gevoelens daarvan, zoals die kenbaar worden in de wereld buiten het ik. Gaat men van deze resultaten uit en werkt men in de eerste plaats daarmede, dan komt men vanzelf tot hogere erkenningen als een normale uitbreiding van bewustzijn. Wie echter van het Hogere uit wil gaan, komt veelal aan de feiten niet toe. En juist dit voert tot een bij de mens betreurenswaardige instelling.

Vragen.

  • Indien een voor allen gelijkelijk in het denken aanvaardbaar project ter sprake komt, kunnen wij dan wel wetten stellen, die voor eenieder gelijkelijk gelden?

Neen. In het menselijke denken spelen emoties een grote rol en daar de emotie bij eenieder verschillend kan zijn, zelfs bij een gelijke redelijke aanvaarding, is er geen definitieve regel of wet te stellen. Wel kan men zeggen: elk object, dat wij benaderen, zal door ons benaderd moeten worden op grond van datgene, wat wij kennen van het object en kunnen beheersen ten aanzien van het object. Hetgeen daarbuiten ligt zal door ons eerst moeten  worden omgezet in ervaring voor wij tot een grotere werkelijke erkenning van het object of een betere benaderingsmogelijkheid tot het object kunnen komen. Indien men al een algemene regel wil geven in verband met het menselijke denkvermogen, zal men zich moeten beperken tot: Het denkvermogen vergroot zich naarmate het meer en meer gebruikt wordt.

Emotionele gerichtheid wordt duidelijker erkend, naarmate men meer bereid is zichzelf objectiever – in verband met anderen – te bezien. Ik spreek hier van regels en geen wetten, omdat wet algemeen geldend is en geen uitzonderingen kent dan zeer specifieke en in de wet zelf vermelde. Een regel is een algemene richtlijn, die een vorm bepaalt, waaraan bijna niemand geheel beantwoordt, maar die zo dicht bij het gemiddelde ligt, dat daarin voor eenieder de mogelijkheid tot erkenning, hantering enzovoort gelegen zal zijn.

  •  Alle ervaringen, die wij hier opdoen, zijn hersen denken. Wat voor invloed heeft dit dan na de overgang?

De ik-voorstelling is samengesteld uit een deel rede – klein – en een deel emotie – groot- en daarnaast uit het menselijk onbestemde geestelijk onbewustzijn, dat niet verder omschrijfbaar is in menselijke termen. Dit geheel wordt gevormd op grond van de ervaringen.

Het omvat dus zeker niet alle stoffelijke ervaringen maar wordt door de resultaten, die de ervaring heeft in eigen ik en bewustzijn, mede bepaald. Zoals je zou kunnen zeggen, dat een beeldhouwwerk niet het resultaat is van alle stukjes, die wegvallen en alle stukjes, die blijven zitten, maar voortkomt uit de verhouding tussen die beide groepen plus het vormbesef dat de beeldhouwer in zich draagt. Om het eenvoudiger te maken kan ik stellen: alles waaraan ik mij met mijn gehele wezen – tenminste 90% – geef, blijft ook verankerd in mijn geest; waar de overgave minder is, ontstaan in de geest hiaten, en waar de volle 100% bereikt zou worden, ontstaat in de geest een algehele beheersing die zelfs na de overgang overal dus ook op aarde, uitdrukbaar is. Dit komt echter zelden voor.

  • Waar komt de emotie vandaan?

Zij kan het gevolg zijn van lichamelijke omstandigheden, geestelijke en verstandelijke scholing of conditionering en kan zelfs veroorzaakt worden door de gerichtheid van eigen geest, die een vorm van conditionering gelijk komt. De emotie ligt dus altijd in uzelf, ofschoon zij gewekt kan worden door omstandigheden van buitenaf. De doorsnee mens is emotioneel permanent actief, zij het op verschillende niveau, in verschillende graden van intensiteit enzovoort.

  • Dat ervaringen deel van het geestelijke ik vormen, kan ik mij nu wel voorstellen, maar wat blijft er bij een hernieuwd incarneren van over?

Al hetgeen voldoende is geabsorbeerd in een geestelijk of stoffelijk bestaan, zodat het deel wordt der persoonlijkheid, zal bij een hernieuwde incarnatie mede beslissend zijn voor de gekozen mogelijkheid van incarnatie, terwijl daarnaast dit bepalend zal zijn voor de wijze, waarop een geest de mogelijkheden ven een lichaam stimuleert. In vele gevallen voert dit richten van stof tot het ontwikkelen van wat men gaven of talenten noemt in de materie.

Vrienden, ik heb mijn best gedaan, om het onderwerp zo redelijk en mogelijk te benaderen. Bij mij speelt echter toch steeds ook een zekere emotie een rol. Daarom zou ik willen eindigen met iets dat eigenlijk meer emotioneel dan logisch is. Wij hebben gesproken over menselijk denkvermogen, wetten en alles wat met het onderwerp samenhangt. Wij zijn zelfs voor de zoveelste maal in de incarnaties geklommen. Laat ons bij dit alles echter een ding bovenal onthouden: Zoals wij zijn en wij leven – als mens of geest – is de beleving, de uiting, eigenlijk de enige toetssteen. Wat wij enkel in onszelf tot stand brengen is een droom, een illusie die weer vervluchtigt. Wat wij leven, is onze werkelijkheid.

Wat wij leven, hoeft niet te beantwoorden aan hetgeen anderen zeggen, of zelfs hetgeen wij redelijk juist achten, het moet echter altijd weer beantwoorden aan wat wij wij zelf kunnen aanvaarden. Het moet iets zijn dat wij voor onszelf bevestigend kunnen beantwoorden. Het gaat er niet om, of wij doen, wat redelijk lijkt. Het gaat er om te doen, wat ons goed lijkt, zolang wij de consequenties daarvan willen aanvaarden – ook redelijk. Mits wij het zelfs dan nog – ongeacht de besefte consequenties dus – als bevredigend ervaren. Het gaat er om dat wij, in het leven, geestelijk of lichamelijk, de vorm van uiting, van erkenning en beleving vinden, waardoor wij in onszelf de aanvaarding van het leven kunnen ondergaan, die men vaak geluk noemt.

Ik wil niet weer speken over het feit, dat de mens tot doel moet hebben gelukkig te zijn – iets waarover overigens veel mensen nijdig zullen worden, omdat zij menen dat je eerst in het leven ongelukkig moet zijn, om zo later enig geluk te verdienen in een andere wereld. Het lijkt mij altijd weer een kopen op afbetaling, waarbij men vooruit betaalt zonder dat de aflevering van bestelde goederen ook vaststaat. Maar mijn emotie zegt mij dus: wat ik geloof, hoeft niet eens werkelijk waar te zijn, wanneer ik daardoor maar in staat ben beter in mijn eigen wereld te leven. Het is niet belangrijk of ik gelijk of ongelijk heb, het is slechts belangrijk, dat ik de betrekkelijkheid van alle dingen leer inzien, zodat ik met een wereld kan leven waarin ik gelijk of ongelijk kan hebben, desnoods tegen mijn eigen overtuigingen in en dan toch nog voor mijzelf kan zeggen: ik heb juist gehandeld.

Het gaat er om het eigen ik niet onder te verdelen in partjes en stukjes of te ontleden. Het gaat er om jezelf te versmelten tot een totaliteit, waarbij het gehele wezen met alle factoren ja kan zeggen tegen hetgeen er gebeurt, tegen hetgeen ik ben. Het gaat er om voor jezelf een harmonie te vinden met het bestaan, hoe dit dan ook wordt uitgedrukt op een zodanige wijze, dat ik niet gekweld wordt door de tegenstrijdigheid en onevenwichtigheid in mijzelf. Overwin de tegenstrijdigheid, de eenzijdigheid in jezelf. Train jezelf langzaam en voorzichtig om eenzijdigheid althans tegenover anderen terzijde te stellen – voor jezelf blijf je immers altijd wat eenzijdig – dan kun je pas je juiste plaats in leven en wereld vinden, de functie die voor jou bevredigend is, die een antwoord inhoudt op jouw persoonlijkheid . En wanneer je dat hebt gevonden, lopen belevingen en feiten parallel met de kern van je wezen, zelfs indien je die nog niet beseft. Dan is een bewustwording onvermijdelijk geworden. Dan is de vergroting van denkvermogen een normaal, en redelijk te verwachten gevolg van het bestaan, zelfs al kan men dit alles in zijn oorzaken nooit geheel redelijk bepalen.

Laat ons alstublieft niet vergeten, dat de mens, zelfs zoals hij op aarde leeft, niet alleen maar de uiting is van een heel stel verschillende voertuigjes en deeltjes, maar dat hij in zijn wezen, zelfs in zijn stoffelijk wezen, de synthese moet zijn van alle waarden die in hem bestaan.

Indien u dit beseft, dan geloof ik dat de kwestie van uitbreiding van menselijk denkvermogen, de erkenning van de regels van denkvermogen en emotie, als vanzelf eveneens beseft zal worden. Maar je kunt nooit beginnen met te stellen: dit zijn de regels. Je moet altijd weer beginnen met een: hier zoek ik mijzelf in de wereld en erken daarin voor mij vaststaande waarden, die ik regels zal noemen, maar dan regels die voor wijziging vatbaar zijn, zoals mijn ik zich zal wijzigen.

image_pdf