Het mysterie van Isis

image_pdf

 12 mei 1961

Ik wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp voor heden is: Het mysterie van Isis.

Wanneer ik in deze dagen dit onderwerp aansnijdt, zo is dit te danken aan het feit, dat velen, die eens op aarde hebben geleefd en aan deze mysteriën deelnamen, ja, zelfs daarin geheel – of gedeeltelijk – waren ingewijd, op het ogenblik weer op aarde vertoeven. Het lijkt mij voor hen niet slechts interessant, maar ook belangrijk een overzicht te gewinnen van de werkelijke inhoud van deze mysteriën en zelfs enigszins van de meer openbare Isiscultus.

Allereerst een omschrijving van de figuur Isis.

Isis is de Wereldmoeder. Zij is geboren uit het Licht, of – volgens bepaalde leringen – uit de zon. Zij is niet alleen Moeder Aarde, maar wordt ook verpersoonlijkt in de maan. Reeds betrekkelijk vroeg wordt zij voorgesteld als staande op de aarde, terwijl zij de maan als een soort gehoornde kroon op het voorhoofd draagt. De maan was in de oudheid zeer belangrijk voor bepaling van tijd en werd ook verantwoordelijk geacht voor vele verschijnselen op aarde. Een zeer lange tijd hebben de mensen hun tijd bepaald aan de hand van de maanstand, die rond 28 dagen telt. Ook op de invloed van de maan op gewassen en de getijden heeft men in de oudheid ongetwijfeld meer nadruk gelegd dan nu het geval is. Het zal u duidelijk zijn, dat de mens van vroeger zich bedreigd gevoelde door het duister, waarin immers voor hem ongetelde demonen schuil gingen. Het licht van de maan werd dan ook als bijzonder heilzaam en beschermend ervaren. Het is de primitieve mens, alsof het wat kille licht van de maan, het duister – en daarmede ook alle demonen – van de mens terug drijft naar de onderwereld. Daarom wordt Isis, vroeger, dan ook vaak allereerst geëerd als de Heerseres over alle demonen. Let wel, Isis was zelf geen demon, ofschoon het Griekse begrip “daimon” zeker op haar van toepassing is, daar zij een Lichtende geest is en zich steeds in licht manifesteert.

Om de achtergronden van deze belangrijke geestelijke invloed op aarde te kunnen beseffen, zijn wij het contact van de mensen en de inwerking van Isis nagegaan in de geschiedenis. Daarbij blijkt, dat haar inwerking op de mensen teruggaat tot het tijdvak, dat velen van u kennen onder de naam “Lemurische Periode”. In de Lemurische Periode treffen wij zogenaamde sprekende Goden aan. Dit zijn hogere geestelijke krachten, die zich als lichtschijnsels openbaren en leiding geven aan de wordende mensheid. Hun verschijning doet soms denken aan een St. Elmusvuur, soms aan een bolbliksem, maar vaak ook aan een vurige zuil. Deze lichtende zuilen kunnen wij ongeveer gelijk achten aan de vurige zuil, die in het Oude Testament wordt beschreven als de Openbaring van Jahweh, Die zijn volk in deze vorm voorgaat op de uittocht uit Egypte.
Reeds in deze dagen vinden wij een vrouwelijke geachte Godheid, die zich in licht pleegt te openbaren. Zij wordt beschouwd als de moeder van de wereld, maar tevens als de Oermoeder van de mens. Zij beschermt de mensen en herstelt de fouten die zij maken. Zij is het ook, die aan belangrijke doden de goede rust geeft en hen de poorten opent tot een nieuwe wereld. Vele van de haar in deze tijd toegeschreven machten en functies zullen in latere tijden door andere Goden worden overgenomen, terwijl ook bepaalde eigenschappen van haar op andere wijze worden beschreven. Isis zelf blijft, ook wanneer via de Atlantische beschaving het Isismysterie tot stand komt, de openbaring van het menselijke leven. Zij vormt in haar werken en verschijning de directe antithese tot het geestelijke, of niet-stoffelijk geopenbaarde leven, dat in de Isisinwijdingen en -mysteriën een zeer grote rol blijkt te spelen.

De eerste vorm van de mysteriën was gebaseerd op plechtigheden, die in die tijd waren gebaseerd op de kringloop van de maan en de gekende jaargetijden. Zij vonden steeds bij volle maan plaats. De voorbereidingen beginnen kort vóór de maanfase, die wij eerste kwartier plegen te noemen. De neofieten werden door verschillende middelen tot slapen gebracht, terwijl zij door het volle licht van de maan werden beschenen. Men nam aan, dat daardoor dromen zouden ontstaan, die een directe boodschap van de Godin aan haar volgelingen inhielden. Deze periode toont veel overeenkomst met de gebruiken van andere primitieve volkeren, die de gewoonte hebben op soortgelijke wijze in afzondering te dromen, om zo een totem, beschermgeest e.d., te vinden. Door deze zeer eenvoudige plechtigheden, die door dansen e.d. werden vooraf gegaan, ontstond een zoeken naar kennis. Al zeer snel komt men dan ook tot een kennis van kruiden. De eerste belangrijke perioden tonen ons een Isismysterie, waarin de stoffelijke kennis in hoofdzaak een kennen van kruiden omvat.

Daarnaast ontstaat een leer die de basis wordt van alle Isisverering: de leer van het eeuwige evenwicht tussen de Oermoeder en de Oervader. Het heeft weinig zin u deze stellingen geheel in hun primitiefste vormen voor te leggen. Uit hetgeen verder hierover gezegd wordt, kunt u zich daarvan zelf wel een beeld vormen. Rond 8.000 jaren geleden, zo tussen 6.000 en 7.000 v. Chr., de Isiscultus gadeslaande, blijkt zij – naast de kennis van kruiden – reeds vele andere soorten van kennis verworven te hebben. In deze tijd brengt de inwijding, die aan deze cultus verbonden is, met zich, dat men helderzienden opleidt, mensen schoolt in het gericht gebruiken van de telepathie. De tempeldiensten in deze periode zijn reeds vol van symboliek en doen duidelijk, naast de stoffelijke waarden, ook een beroep op de geestelijke eigenschappen in de mens.

Isis is in deze dagen de Moeder. Naast haar staat de Vader. De aarde – in andere beelden de maan – en de zon hebben tezamen de mensheid voortgebracht. Deze twee zijn beiden voortgekomen uit een niet nader aangeduide Godheid, Die, krachtens de van Hem vermelde eigenschappen, wel de Tijd kan zijn en overeenkomst vertoont met Chronos in de Griekse mythologie. Onder meer geeft men deze grote en onbekende God wel een naam, die men met enige goede wil kan vertalen als: “Wisseling der Dagen”. De zon drong eens door tot de aarde, die daarop de mens baarde. Sindsdien is de mens aan de zorgen van zon en aarde toevertrouwd. De mens is dus gevormd uit het lichaam van Isis, de Aarde. Dit loopt geheel met de Bijbel, waarin immers God de mens uit aarde vormt. De logisch denkende mystici stellen, dat de mens voor al zijn stoffelijke noden een direct beroep mag doen op Isis, op Moeder Aarde zelf.

Van haar wordt dan ook gezegd in de tijd, waarover wij spreken: Zij vervult de behoeften van de mensen, en wie tot haar weet in te gaan, zal uit haar alles verwerven, wat hij in de wereld nodig heeft. Zij zal hem steeds een gewillig oor lenen, zodat hij zijn wensen, die de Vader kan vervullen, eveneens aan haar zal mededelen. Deze voorstelling zal ongetwijfeld uit het gezinsleven van die dagen zijn afgeleid, waar immers het vrouwelijke hoofd van het gezin, de moeder, het oor van de vader bezat. Deze was veelal een patriarch en had in vele gevallen een stam onder zich. Er is zelfs een periode, dat de termen ‘vader’ en ‘moeder’ niet op alle mannen en vrouwen van toepassing zijn, maar – ongeacht, of er wel dan niet kinderen zijn voortgebracht – worden toegekend als titels aan het stamhoofd en zijn eerste of voornaamste vrouw. Wanneer deze eerste vrouw iets wenste te bereiken, was zij meestal wel in staat haar wil bij de vader, de gezaghebber, door te zetten.

Men eert dan ook in de beschreven periode Isis niet alleen als de moeder van de stoffelijke wereld, maar tenminste evenzeer om haar vermogende krachten van de lichtende – de zon, of geestelijke vader – in de mens tot openbaring te brengen en de krachten des lichts op de door haar uitverkorenen neer te doen dalen. De hoofdtendens van de eerste mysterievormen zijn dan ook gericht op het erkennen van de eenheid, die tussen stof en geest bestaat, terwijl men daarnaast de eenheid van de stof zelf, eveneens tot uitdrukking brengt. In deze eerste periode voerde dit tot het sluiten van z.g. ketenen of ringen, die bestonden uit mensen, die onderling geestelijk maar ook seksueel, contact hadden. Later werd het seksuele element uit de inwijdingen zelf voor een groot deel verdrongen door de geestelijke banden, waardoor m.i. het onderling contact op een hoger peil werd geplaatst. Het seksuele element bleef in de tempeldiensten nog lang gehandhaafd en verviel langzaam tot een vorm van tempelprostitutie.
In de inwijdingen, die hoofdzakelijk op geestelijke contacten berustten, was de eerste fase een gelijk met anderen erkennen van een geestelijk streven, een aanvaarden van elkaar als broeders en zusters. Hier is een gelijkenis met de leer van Jezus te herkennen, Die immers ook de mensen wil leren als broeders en zusters te leven.

In de zo ontstane samenwerking werd door de hogere ingewijden, die men “de Ouderen” pleegde te noemen, uitgemaakt, voor welke taken men verder zou worden opgeleid. Gedurende deze eerste tijd van inwijding verkreeg men een overzicht. Dit hield onder meer in: Enig begrip van de menselijke voortplanting en de daarmee verbonden mogelijkheden en moeilijkheden; enig begrip van geneeswijzen, waarbij de mens niet alleen behandeld werd met kruiden, maar ook door het uitspreken van bepaalde formules en het gebruik van de kracht, die men nu wel magnetisme noemt. Daarnaast werden de beginselen onderwezen van hypnose en suggestie. Alle neofieten werden in de beginselen van deze wetenschappen en kundigheden geschoold, maar niet geheel opgeleid.

De volgende trede van inwijding toont ons reeds een belangrijke specialisatie. In de periode, die wij nu bespreken, kan dit gezien worden als het kiezen – onder leiding van de ouderen, die de laatste beslissing in deze dingen hebben – van een beroep. Dit beroep zal verdere opleiding in bepaalde gebieden van stoffelijke kennis vergen, maar moet toch in het licht van die dagen als priesterlijk of geestelijk worden beschouwd. Sommigen worden zo genezers, anderen trekken zich terug in de kloosters en de tempeldienst. Enkelen worden tot maagden van Isis – ook letterlijk – terwijl daarnaast priesters, werkers enz. bestaan.
Rond 5.000 v. Chr. vallen vele zuiver stoffelijke beroepen onder het priesterschap, zodat ook het beheer van landgoederen, het leiden van handelsmissies e.d. tenminste een inwijding in de tweede trap van priesterschap vereist. Dit blijft in Egypte tot 500 v. Chr. een eis, indien men een dergelijke positie bekleedt voor de staat, of enige priesterorde. De noodzaak hiervan werd duidelijk gemaakt aan hen, die de derde graad bereikten. De basis hiervan was de stelling, dat alle levende mensen ergens in zich iets droegen van de krachten van een bepaalde God.

Voor hen, die de grote Moeder vereerden, was dit de kracht van de zon. Deze krachten tezamen vormen de Zoon van de Zon. Hierin liggen bepaalde messiaanse elementen, die het duidelijkst tot uiting komen in de tot uw dagen overgeleverde verhalen omtrent Osiris. Deze verlossersfiguur is niet alleen de zoon van Isis, maar ook haar broeder en bovendien is zij nog zijn echtgenote. Het totaal van de menselijk voorstelbare relaties wordt dus zo sterk mogelijk in de gestelde verhouding tussen Isis en Osiris tot uiting gebracht. Voor de mens is dit van het grootste belang, omdat hij op deze wijze deel kan hebben aan de eenheid, die zal ontstaan uit de vereniging van de aarde en het nieuwe Licht, waardoor de eens door het duister – later Seth – verstoorde paradijstoestand op aarde hernieuwd zal kunnen ontstaan. Degenen, die in de derde trap van inwijding verenigd zijn, leren dan ook, dat het samenwerken, denken en leven, de kracht in hen samenvoegt tot een deel van de nieuwe Osiris.

Door de tegenstellingen, die uit het duister – het stoffelijke – optreden, wordt het noodzakelijk, dat Isis zelf de delen van deze nieuwe Osiris samen zoekt en deze verenigt. Dit wordt weerkaatst in de overlevering, die verhaalt, hoe Osiris door Seth in stukken gesneden wordt en in de Nijl geworpen. Isis zoekt de stukken bijeen en geneest langs magische weg Osiris, die daarop herrijst. Deze leerstellingen spelen in de inwijding een zeer grote, om niet te zeggen, alles overheersende rol. Dit is ook duidelijk: De scheiding tussen de verschillende delen van Osiris wordt tot stand gebracht door zelfzucht en egocentrisch leven, waardoor in de mens het weten omtrent het gebonden-zijn met het geheel van de Schepping sterft. Die delen zijn allen, zolang zij op aarde leven, ook kinderen van de grote Moeder. In haar moederschap tracht zij hen tot hun oorspronkelijke eenheid terug te voeren.
Een eigenaardige gedachte daaromtrent, die rond 4.000 v. Chr. verkondigd wordt, luidt als volgt: Wanneer de vele kinderen geheel hun eigen weg gaan, verliezen zij de band met de kracht en erkennen zij de Moeder niet meer (kracht staat hier voor licht of de zon). Eens zullen zij terugkeren tot het licht, omdat de Moeder hen steeds zal wekken, tot zij antwoord geven op de roep van de Eeuwige en in het grote lichaam hun plaats hebben genomen. De zoon – Osiris – is nog niet herrezen. Dit laatste vormt een grote tegenstelling tot de algemeen gangbare leringen, waarbij de herrijzenis van Osiris als een voldongen feit wordt voorgesteld. De Geheime Leer van het mysterie vervolgt: Eens zal de zoon echter herrijzen. Hij zal Isis zich tot gade kiezen en uit hen zal de eenheid van licht en duister geboren worden: Horus, de rijzende zon in de mythologie.

De derde trap vertelt de mensen, waarom zij moeten werken en geeft hen verder aanwijzingen omtrent de wijze, waarop wij moeten werken op aarde. Wat in deze trap geleerd wordt, geeft niet alleen een grondslag voor de samenwerking, maar vormt tevens een grondslag voor de mysteriespelen van Isis. Het mysteriespel is in de oudheid wel een buitengewoon krachtig middel om een leer te propageren. Voor de ingewijden – die tevens het spel opvoeren – is het de mogelijkheid, de werkelijkheid van de Goden geheel te beleven, terwijl eigen wil tot identificatie met de Goden een bijzonder sterke stimulans verkrijgt. Degenen, die de waarden van het mysterie en de leer nog moeten verwerven, zullen als lering deze opvoeringen ongetwijfeld veel vruchtbaarder en overzichtelijker hebben gevonden dan de mondelinge onderrichtingen van priesters en leraren, die hun onderrichtingen dan ook op deze mysteriespelen plegen te baseren. Geletterden zijn er in deze tijden betrekkelijk weinig.

De ontwikkeling van de mysteriespelen gaat verder. Op de duur worden ook waarden van hogere trappen uitgebeeld. Een van de belangrijkste mysteriespelen, die een hogere graad uitbeelden en dan ook alleen voor ingewijden toegankelijk zijn, is het spel van de weerkaatsing. Men vergete niet dat ook de volle maan een beeld is van Isis. De volle maan wordt, nu door een vijver weerkaatst. Door de weerkaatsing betreedt Isis ook werkelijk de aarde. Haar bestaan tussen de mensen wordt tot werkelijkheid. De mens kan haar benaderen. Dat de verering van de maan door eerbetoon aan een weerkaatsing daarvan in een spiegelvijver oorspronkelijk uit Azië schijnt te zijn gekomen, doet niets af aan de schone symboliek van dit spel. De achtergrond kan als volgt worden gesteld: De aarde keert steeds weer tot de mens in als een ‘bezielende’ en levende kracht. Gelijktijdig bestaat zij in de hemelen. In een bepaalde lofzang vinden wij zelfs een aanroeping van de Godin, waarbij vermelding gemaakt wordt van haar rijk in de hemelen en op aarde. De tweeheid van het Koninkrijk Gods, die in het Onze Vader tot uiting komt, is ook in de Isisinwijdingen weerkaatst.

Het spel verloopt als volgt. Bij het begin van de avond wordt de Godin aangeroepen door mensen in nood, uitgebeeld door priesters en priesteressen. Wanneer de maan opkomt, maar nog niet weerkaatst wordt, volgt de vlucht voor demonen, waarbij men met fakkels rond de vijver vlucht en men zich meestal verzamelt rond een tempelgebouw. Wanneer de maan in de vijver weerkaatst wordt, volgt een lofzang. De hoogste vrouwelijke ingewijden én hogepriesteres nemen in de vijver een ritueel bad en keren naar de oever terug om als geïncarneerde Isis welkom te worden geheten. Hierdoor wordt weergegeven dat de mens, die de geest van de aarde in zich draagt, kan en de aarde leert begrijpen, zich in de geest van deze aarde, ook een contact mét hogere krachten verwerft, terwijl hij graag gezag verwerft over alle geesten van het duister.

Eens in een bepaald aantal jaren, wordt het spel gevolgd door een uitbeelding van het huwelijk tussen Isis en de zon – een hogepriester – die tevoren bepaalde voorwaarden heeft vervuld, terwijl de zon haar hoogste punt boven de aarde bereikte. Indien gelijktijdig iemand tot de hoogste graad wordt ingewijd, eindigt het spel met de opstanding van Osiris. Zelfs in Jezus’ leer vinden wij gegevens terug, die de stellingen van de Isisdienst voor ons aanvaardbaar maken. Want Jezus, één zijnde met de Vader, drijft duivelen uit, wekt doden op en geneest de zieken. Hij is Meester over alle krachten van het duister, die Hem dan ook als Meester of Heer aanspreken.

Ofschoon de voorstelling natuurlijk veel verschilt, blijft het gestelde feit gelijk: De mens die de eenheid met de God/Godin aanvaardt, verkrijgt dergelijke krachten. Zie ook de opdracht, die Jezus aan Zijn apostelen geeft, om duivelen uit te drijven, zieken te genezen etc.

Bij de verdere ontwikkeling van de inwijding, ontdekt men al snel, dat de vrouw voor bepaalde werken van de derde graad beter geschikt is dan de man. Zo wordt al snel in de derde graad een splitsing van de inwijding gemaakt tussen man en vrouw, die beiden een afzonderlijke inwijding door gaan maken en een verschillende opleiding krijgen. De man wordt geleerd om de zon – de vader, broeder en echtgenoot van de aarde – in zich te aanvaarden en uit te dragen. De man zal voortaan het symbool van het licht, van de dag, tot uiting moeten brengen. De vrouw wordt het in zekere zin meer passieve element, dat in het licht van de nacht tot uitdrukking komt. Voortaan zal voor de meer ingewijde het licht van de dag, drager van het hogere gezag zijn, maar tevens de verplichting kennen de heerschappij over de demonen aan de vrouw mogelijk te maken. Het is op aarde onmogelijk, dat demonen zich openbaren, wanneer er de geestelijke krachten van man en vrouw samenwerken, want in Isis openbaart zich de kracht van de zon, maar de zon hervindt in Isis de benadering en het begrip voor de wereld en de mens. Het is uiteindelijk het lichtende geweld van de zon, dat alle geest beheerst, maar niet in staat blijkt om de noodzaak tot beheersing van de demon altijd in te zien zonder de milderende werking van de maan, de vrouw.

De inwijding van de mannen gaat evenzeer als in het verleden in de richting van een magische baring. Want alle weten en kunnen in de oude tijd is vervlochten met magie. De achtergrond van het magisch terrein, dat de man voor zich zal beheersen, is grotendeels weten in een vorm, die men heden wetenschap zou noemen. Waar zijn vereenzelviging met de zon van groot belang blijkt, herinner ik u er aan, dat, volgens het geloof van die dagen, de zon het leven, maar ook de dood geeft en beheerst. De zon geeft leven in samenwerking met de – ook allen weer bezielde – wateren van de aarde. Zonder de invloed van de wateren geeft hij de mensheid alleen de dood. De man krijgt o.m. de taak als bemiddelaar op te treden tussen de zon – die hij bij bepaalde plechtigheden ook verpersoonlijken kan – en de aarde. Hij doet dit symbolisch door het storten van water. Hij geeft haar de wateren, waardoor de zon levenscheppend kan blijven.
Het is waarschijnlijk een gevolg van deze plechtigheden, dat de man zich al snel tot een kenner van het water, waterwerken, maar ook het vinden van bronnen en wichelroede lopen bekwaamt. Later worden deze eigenschappen hoofdzakelijk onderwezen in de scholen van Re-Harachte en van Toth. Meteorologie, zij het primitief en een begin van sterrenkunde, gepaard gaande met astrologie, maakt ook snel deel uit van de wetenschappen, die tot de mannelijke inwijding behoren. De reden van het juist aan de man opdragen van deze studies en werkzaamheden ligt in het feit, dat de hemel – evenals de zon – tot de aarde spreekt. Zij is het terrein van de zon, maar met de aarde verwant.

Uit de Geheime Astrologie wil ik u nog één eigenaardigheid vertellen. In de 7e graad van de inwijding voor mannen komt de stelling naar voren, dat bepaalde tekenen aan de hemel, wezens zijn, die – evenals de Goden in die dagen elkaar wel bezochten – de aarde soms een bezoek brengen. Deze krachten uit de hemel kunnen wij wel als identiek met sterrenbeelden van de Dierenriem beschouwen. Aan dit bezoek, wordt een grote waarde gehecht en rond de 18e eeuw vóór Christus spelen mannen in mysteriespelen soms de rol van dergelijke bezoekers. Zij dragen hiertoe hoofddeksels en maskers, waarin de constellatie wordt weergegeven als bv. een draak, of een dier, soms als een mens. Elk bezoek van de krachten uit de hemel is natuurlijk in de eerste plaats een eerbetoon aan hun meester, de zon. Zoals de vrouw een zeer grote vrijheid in Egypte heeft, maar bij de ontvangst van belangrijke gasten op de achtergrond dient te blijven, zo is Isis hier de ondergeschikte.

De man, die in de Isis mysteriën is ingewijd en in dergelijke gevallen als vertegenwoordiger van Isis en de zon gelijktijdig optreedt, wordt “de Beheerder” genoemd. Hij heeft hiertoe een bijzondere scholing doorgemaakt en kan o.m. de juiste ogenblikken berekenen, waarop een dergelijk bezoek van een hemelkracht verwacht kan worden. In elke gemeenschap, waarin inwijdingen boven de derde graad plaats vinden, is een dergelijke beheerder aanwezig. Deze heeft slechts zelden binnen de inwijdingsgemeenschap een hogepriesterlijke rang, maar is veelal wel de opperpriester van de nabij liggende Isistempel. Ofschoon vele andere priesters van Isis hun mannelijkheid aan de Godin pleegden te offeren, mochten deze beheerders nooit castraten zijn. Zij waren voor het geheel van de eredienst, zowel als de inwijdingen, van het hoogste belang, daar zíj alleen alle kennis heetten te bezitten, waardoor het mogelijk was te bepalen, wanneer de zon en de maan in de juiste verhoudingen aan de hemel zouden staan voor bepaalde feesten, evenals zij de boodschappen van de bezoekende krachten aan de hemel konden verstaan en meedelen aan de andere ingewijden, of – in orakelvorm – aan het volk. Bij het bezoek van deze krachten maakt men gebruik van mediums, die in een toestand van verrukking plegen te geraken en zo de persoonlijkheid – die vanuit de sterren tot de mensen spreekt en met Isis en de zon onderhandelt – door te laten komen. Deze gebruiken doen denken aan de mediums, waardoor de demonen spreken in Tibet. Deze mediums bestaan nog heden en werken ook in het openbaar, zover het rode leger dit nog toelaat.

Zoals reeds gesteld, ontwikkelde zich de inwijding van de vrouwen in een andere richting. De vrouw is de aanvaardende, evenals Isis t.o.v. de zon. Zij zijn de barenden, maar op het gebied van de materie ook de heersenden. De heerschappij wordt door de vrouw – zeker ook in de hogere graden – niet op stoffelijk vlak gezocht. Integendeel, hun werkelijk leven en werken dient hoog en geestelijk te zijn. Men neemt aan, dat de vrouw de idee vanuit een Godheid – of zelfs vanuit een mens – zal kunnen ontvangen en deze ontvangst beheersen. Zij geeft dan uiting aan deze idee en zal desnoods deze ook verder ontwikkelen. Het is echter de taak van de Beheerder en de aan hem ondergeschikte priesters, de idee dan verder in verwerkelijking te brengen. Hier vinden wij een vóór-afschaduwing van de vele orakels van de geschiedenis, waarin Pythias en ziensters – met of zonder slangen – de grondideeën gaven, de uitspraken, die door priesters – mannen – verder moesten verklaard worden, waaruit de mens aan de hand van deze verklaringen dan verder de zin moest lezen.

Veel van wat ik u tot nu toe vertelde, beroert hoofdzakelijk de uiterlijkheden van deze mysteriën. Nu wil ik u ook enkele meer tot de innerlijke opleiding behorende gegevens verstrekken omtrent deze inwijdingen. De eenheidsgedachte, eens primitief zinnelijk uitgedrukt, wordt langzaamaan een obsessie in de Isisdienst. Zij zal later de oorzaak worden, dat de verering van de grote Moeder nooit de heersende godsdienst zal kunnen worden in enig land, ofschoon de inwijding en bijbehorende mysteriën in vele landen worden overgenomen, ook al hebben de mensen voor de Godin daar een andere naam.

Het Isismysterie wil de geestelijke eenheid. Men erkent een vorm van samenwerking, die men “Het Huwelijk der Geesten” noemt. Dit heeft niets gemeen met het geestelijk huwelijk, waarover u misschien wel eens hebt horen spreken. Dit is een vereniging, waarin een geest uit de sferen en een stofmens samen verbonden zijn. Het geestelijk huwelijk is een vorm van samengaan, die geheel en al op geestelijk niveau ligt en alleen plaats kan vinden, wanneer de mens geleerd heeft beheerst uit te treden. De mens wordt dan tot geest en laat zijn lichaam achter. Als een wachter laat hij – volgens de geldende voorschriften – zijn schil achter. Bevrijd van alle lagere waarden huwt de geest nu, in het hogere Licht van de  Lichtende krachten, die een gelijk vlak konden bereiken. In deze samenwerking is er geen sprake meer van verschillen van sekse, rang, of inwijdingsgraad. Een ieder, die deze beleving ondergaat, wordt op deze wijze – naar men zegt – één met de grote lichtende, met de zon.

Met deze stellingen zijn bepaalde mythologische voorstellingen verbonden, die niet algemeen bekend zijn geworden. De zon heeft – volgens deze overleveringen – zonen of eerste dienaren. Deze worden met name genoemd en zijn elf in getal. Typisch is overigens, dat dit aantal overeenkomt met het aantal van bekende sterrenbeelden en tevens met het aantal geestelijke krachten uit de hemel, dat jaarlijks ten hoogste ontvangen kan worden gedurende de viering van de mysteriën. Wanneer men nu gehuwd is in het teken van de Lichtende krachten – geestelijk dus – behoort men tot het ‘huishouden’ van een van de zonen van de zon. Hierdoor ontstaat binnen hen, die tot deze vorm van inwijding komen, een indeling in elf verschillende groepen, die wel elk de gelijke graad kunnen bezitten en voor een groot deel dezelfde mysteriën volgen, maar daarnaast een bijzondere reeks van plechtigheden plegen te volgen, terwijl men aan hen tevens een bijzondere geestelijke begaafdheid toekent, waarvan de bron op geestelijk terrein ligt, ofschoon de werkzaamheden heden daaraan verbonden, ook in het stoffelijke leven tot uiting worden gebracht.
Wanneer men tot het huishouden van een zoon behoort, zal men daar – dus in de geest – een opleiding krijgen, waardoor deze gave ontwikkeld wordt en bepaalde krachten worden verworven. Zodra men waardig is gevonden om alle geheimen van het huis te kennen, wordt men gezonden.

Dit gezonden-zijn kwam stoffelijk tot uiting door reizen naar bv. andere tempels, of centra van inwijding. Er waren in de tijd waarover wij spreken, rondtrekkende Isis-schrijnen. Deze werden vergezeld door twee of meer priesters, enige castraten, vijf, zes werkelijke priesteressen en een aantal tempelmaagden. Deze laatsten waren geen maagden van Isis, maar oefenden een beroep uit, dat in tegenspraak was met de titel, die zij voerden. Soms zijn het alleen priesters, die met een dergelijk schrijn reizen. Zij zijn dan veelal vergezeld van een geneesheer en een wichelaar. In alle gevallen reist men door het land van tempel tot tempel. Daarbij worden natuurlijk ook stoffelijke belangrijke mededelingen overgebracht.
Het hoofddoel is bepaalde geestelijke waarheden in andere tempels duidelijk te maken en de laatste openbaringen, of wetenschappelijke ontdekking, met anderen te bespreken. Men noemt deze reizigers ook wel de “Boden”. Zij hebben tot taak tijdens reizen van het ene deel van de scheppende kracht naar het andere, ook zekere uit de Goden voortkomende krachten aan anderen, die daarvoor in aanmerking komen, op magische wijze over te dragen.
Bij een goed vervullen van deze taak nam men aan, dat de reizigers op een gegeven ogenblik opgenomen zouden worden in het huishouden van een andere Zoon van de Zon, waardoor het hen mogelijk zou zijn wederom nieuwe kennis, nieuwe gaven en krachten te verwerven. Tot rond 3.000 v. Christus blijven deze opvattingen verbonden met primitieve astrologische opvattingen en beelden. De gehele inwijding is trouwens in deze dagen gebaseerd op de kringloop, die men in de natuur kent.

Rond het jaar 3.000 v. Chr. verandert er iets in dit beeld. Men komt tot de ontdekking, dat bepaalde boden, die hun taak niet naar behoren op aarde vervulden, bv. door teveel aandacht te wijden aan stoffelijk gewin en genot, na hun dood niet in de dodenwereld blijven vertoeven, maar op aarde terugkeren om hun taak hernieuwd te vervullen. Uit deze tijd stamt een leerverhaal, waarin iemand wordt beschreven, die zeven maal dezelfde reis moet maken, omdat hij door ongevallen, traagheid, zucht naar weelde, een zich aan een andere God wijden, slachtoffers worden van rovers etc., zes malen faalt om de zevende maal zijn doel uiteindelijk toch te bereiken.
Dit verhaal toont ons een opvatting over reïncarnatie, die in geheel Egypte verder niet te vinden is. Zelfs de gedachte aan een voortbestaan, vinden wij eigenlijk eerst maar definitief rond 4.000 v. Chr. geformuleerd. Men neemt daarvóór aan, dat dood, dood is en maakt alleen een uitzondering voor de koningen, die immers van Goddelijke oorsprong heten te zijn.

Het feit dat hier opeens een reïncarnatieleer op komt duiken, is wel zeer opvallend. Overigens past deze stelling logisch in het systeem. De geest van de mens die goed is, zal immers in de wereld van geesten mogen vertoeven, een hemelachtig hiernamaals. De geest van de mens, die slecht is, zal naar de onderwereld worden verwezen en het slachtoffer van de demonen worden. De ingewijde heeft, krachtens zijn inwijding, macht over de demonen en kan dus niet naar de onderwereld, die vol kwellingen is, worden meegesleurd. Hij zal dus trachten op aarde terug te keren om alsnog toegang tot het Rijk der Gelukzaligen toegelaten te worden.

Later wordt een andere en esoterisch en magisch begrijpelijker stelling naar voren gebracht als verklaring van deze terugkeer op aarde. Wie eenmaal de inwijding heeft aanvaard, behoort tot het lichaam van de verlossende Osiris, dat Isis hernieuwd magisch tot stand zal brengen. Tot Isis in het vervullen van deze taak geslaagd is, zullen dus allen, die tot de inwijdingen behoren, regelmatig terug moeten keren. Zij zijn immers de delen, waaruit Isis uiteindelijk Osiris zal samenvoegen, opdat hij in de wereld herrijzen zal.

Naar mijn inzicht beginnen wij hier de belangrijkste kern van de zaak te naderen. Wij kunnen over deze stellingen van reïncarnatie weg zien. Het is onnodig daarover te debatteren. U aanvaardt de mogelijkheid, of u aanvaardt ze niet. Men geloofde daarin binnen de groepen van de aan Isisgewijden. Indien wij aannemen, dat de mensheid, een deel van de mensheid, of zelfs maar een bepaalde sekte deel kan zijn van een Goddelijk en dus op zich onvergankelijk lichaam, uitgedrukt in geestelijke waarden, maar betrokken bij het bestaan in de stof – zie de dood van Osiris – dan is het redelijk en logisch aan te nemen, dat delen, die nog niet hun uiteindelijke bestemming hebben bereikt, steeds weer zullen moeten trachten hun plaats binnen het geheel te vinden.

De hoofdgedachte van de Isisinwijding begint zich van de eigenlijke Isisdienst te distantiëren rond 2.700 v. Chr. Binnen deze inwijding wordt meer en meer de nadruk gelegd op het feit, dat alle mensen deel zijn van één grote geest. “Wij allen”, zo stelt men, “zijn één in de geest”. “Alle verschillen, die nu tussen ons bestaan, komen voort uit het niet juist begaan van de ons gewezen weg en het niet erkennen van de Vader”. Een typische stelling, want de moeder is de aarde. Men zou dus verwachten, dat de nadruk zou worden gelegd op de stoffelijke vormen, op alles, wat Isis – de materie – de mens geeft. De Vader is binnen dit geloof de zon, degene, die weliswaar de stof heeft geschapen, maar daarnaast de Lichtende essence van het leven is. Hij is a.h.w. dezelfde als de kracht, die wij nu God noemen, ook al zien wij deze niet belichaamd in de zon.

Dit alles overwegende, kunnen wij wel stellen, dat – hoe vreemd ons misschien de ceremonieën ook voorkomen – de ingewijden van Isis reeds zeer dicht stonden bij ook nu nog belangrijke en in de stof bestaande inwijdingsgedachten. Het lijkt mij goed hierop de nadruk te leggen. Deze inwijdingsgedachte is tegenwoordig niet meer gebonden aan Isis en de oude Goden, maar bestaat nog steeds. Isis is een figuur die duizenden malen van naam en soms zelfs van gestalte schijnt te wisselen en soms verbluffend veel lijkt op de beelden, die men in de vroege middeleeuwen ontwierp van de H. Maagd en zelfs zeer sterk lijkt ook nu op in bepaalde kerken nog gebruikelijke voorstellingen. Hoe Isis ook wordt genoemd, hoe men haar ook eert, zij blijft altijd het liefelijke element, het moederlijke element, dat voor de mens spreekt tot de Vader en voor die Vader iets opbouwt, baart, of tot stand brengt.

Ik heb getracht u de voornaamste aspecten van deze oude inwijdingen en mysteriën te schetsen, omdat er op het ogenblik zoveel mensen op aarde leven, die juist uit die tijd stammen. Zij zijn a.h.w. teruggekeerd op aarde, omdat dit voor velen van hen de periode is, waarin zij hun weg kunnen voleinden en de hen toegedachte taak eindelijk goed zullen kunnen vervullen. Daar dit verleden ver van de hedendaagse wereld ligt, zullen velen van hen zich afvragen, waarom alles hen tot een bepaalde weg schijnt te drijven. Zelfs indien zij hun afstamming uit dit mysterie zouden kennen – er zijn er inderdaad wel, die dit weten – zo rijst steeds toch weer de vraag: Wat moeten wij van het oude weten herbeleven en wat mogen wij ervan vergeten?

In de oude plechtigheden kende men er één, die bijzonder indrukwekkend was en alleen voor meer ingewijden bestemd. Men noemde deze wel: de vorming van het lichaam. Hieraan namen 11 priesteressen deel, 11 priesters, 7 mannelijke en 7 vrouwelijke helpers. Het geheel werd geleid door een wel wisselend aantal hoogwaardigheidsbekleders. In de meeste gevallen was de leiding in handen van één hogepriester en twee hogepriesteressen. Tijdens deze plechtigheid werden onderdelen van verschillende beelden bijeen gebracht en door middel van een ring werden de delen van de verschillende beelden, die tot één lichaam werden samengevoegd en op “magische” wijze tot één geheel gemaakt. Dat dit aaneenhechten een technisch trucje was, zult u wel begrijpen. Het eigenaardige was, dat uit vele, schijnbaar geheel niet samenhorende delen, opeens één Godsbeeld werd gevormd, dat zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken in zich droeg en buitengewoon schoon was. De steen in de ring – groen van kleur – gaf de wil van de ingewijden weer. De priesters en priesteressen, die de delen van beelden aandroegen, waren elk deel van een bepaalde groep, die dus in haar menselijke samenstelling een deel van het mystieke lichaam van Osiris was. De herrijzenis van de God, de Verlosser en Lichtbrenger, werd zo uitgebeeld.

Wij kunnen niet zeggen, dat wij – zo wij deel uitmaken van de ingewijden van Isis – nu ook verplicht zijn alle oude stoffelijke gebruiken en riten te doen herleven. Voor een enkeling kan dit misschien aanvaardbaar en zelfs goed zijn, voor de meesten zou een dergelijke terugkeer tot de oude gebruiken zelfs een schadelijke invloed kunnen hebben. Wat wij in ieder geval wel kunnen doen, is dit: Wij dragen ons eigen deel van onze God – het beeld van God, dat in ons leeft – samen met de delen van God, die anderen zich gerealiseerd hebben. Op deze wijze kunnen wij mede-bouwen aan de opstanding van de ware mens – of beter – aan de herrijzenis van de ziel van de mensheid.
Elk van ons dient vanuit zich het schoonste, het meest waardevolle en vreugdevolle samen te brengen met het streven van anderen. Eerst wanneer men op deze wijze tot een samenwerking – ook met andersdenkenden – komt, vervult men zekerlijk zijn taak. Dan sluit men weer de ring en zal het kosmische teken, dat eens in de ring door een steen werd aangeduid en in een andere richting tegenwoordig wel “De Steen der Wijzen” heet, opnieuw werkzaam worden, maar nu in de mensheid en niet slechts op een beeld. Dan zal de mensheid opnieuw – en naar ik meen nu werkelijk – één worden.

Daarmee zijn wij tevens gekomen aan de noodzaak tot verdraagzaamheid en naastenliefde. Eerst wanneer wij zover zijn gekomen, dat wij niet volgens eigen visie, volgens eigen God, eigen waarderingen van de stoffelijke en geestelijke waarden, een bewustwording willen bereiken, maar tezamen met het geheel van de mensheid willen streven, om het goede, dat gezamenlijk mogelijk is, te verwerkelijken, zal het doel bereikt kunnen, worden. Dan is het als in de oude dagen: “God wandelt op aarde met de mensen”. Dit lijkt misschien onmogelijk, een vorm van bijgeloof, maar ik verzeker u, dat wij dit kunnen bereiken, wanneer wij gezamenlijk de delen van ons streven, weten en geloof samen willen voegen met dezelfde waarden in alle andere mensen.
Alleen de mens, die dit steeds weer nastreeft, zal tot de kosmische samenwerking kunnen komen, die voor de mensheid in deze dagen noodzakelijk is. Misschien is het wel deze noodzaak, die in komende dagen nog duidelijker kenbaar zal worden dan nu het geval is, die de hernieuwde incarnatie van zovelen uit deze groep in deze tijd veroorzaakte.

Ik ben ervan overtuigd, dat in deze dagen steeds meer van het oude herleeft. Niet altijd in de oude vorm, dat is waar, maar wel in de oude geest van inwijding en ernstig streven boven alle stoffelijke waarden en belangen uit; het oude mysterie, het samenbrengen van de delen, opdat de Godin, de aardgeest a.h.w. deze tot één kan maken, zeker zal herleven. Want slechts indien wij, vrienden, kunnen komen tot een synthese van aanvaarden, innerlijk aanvaarden, kennen en weten, indien mogelijk, ook nog in de stof tot uitdrukking gebracht, kunnen wij verwachten, dat inderdaad de mensheid in haar door God gegeven vorm en volmaaktheid opnieuw op aarde en in de sferen zal ontstaan. Vergeet daarbij niet: de zon is het licht, maar het is de zonneboot van Osiris, die haar draagt langs de hemelen.

Ook wanneer degenen, die deze eenheid brengen, niet alle mensen omvatten, zo zullen zij het Goddelijke Licht over de mensheid kunnen doen uitstralen. Het doel van de God die eens verpersoonlijkt werd door de zon, kan op aarde alleen verwerkelijkt worden, wanneer eerst de noodzakelijke eenheid door de mens, in vrij streven tot werkelijkheid wordt gemaakt. Er is maar één verschil tussen het verleden en het heden. Tóén was het een betrekkelijk kleine groep, waarbij enkele 10.000-den ingewijden over vele duizenden jaren dit streven uitdroegen en hieraan deelnamen. Nú zijn tegelijkertijd vele Meesters en andere deelnemers aan de Isismysteriën geïncarneerd. Het is belangrijk, dat in deze dagen iedereen tot een medewerken aan dit grote doel kan worden gebracht. De noodzaak, de reden van het streven, zal in deze dagen van grotere vrijheid, groter begrip, voor allen, die ernstig nadenken ook veel duidelijker kenbaar zijn dan ooit tevoren.

Mijn vrienden, gij hebt een ziel, Gij gelooft in een God. Gij gelooft in een voortbestaan. Het is niet redelijk, dat gij ten koste van anderen zou voortbestaan, of een hemelwereld zou kunnen betreden. Het is niet redelijk, dat uw ziel boven de ziel van anderen verheven zou worden. Het is slechts redelijk, dat de Schepping zelf eens de Goddelijke volmaaktheid geheel zal kunnen weergeven en het beeld van de Schepper volledig zal kunnen weerkaatsen. In de mensheid is een deel van Gods volmaaktheid geopenbaard. Leer deze volmaaktheid metterdaad erkennen en streef er naar, in samenwerking met anderen steeds meer van deze volmaaktheid te beleven, geestelijk te beleven.

Ik wil besluiten met enkele voor u misschien interessante gegevens, ontleend aan de inwijdingsleren.

In de tweede graad wordt geleerd: “Wanneer men ziek is en gij gaat tot de zieke in uw eigen naam, zo zult gij met kruiden en werken niet veel kunnen bereiken. Maar wie gaat in de naam van de Grote Moeder, zal door alle krachten van de aarde gediend worden.”

Ik zal dit even omzetten in termen van deze tijd: Indien u, mijn vrienden, anderen goed wenst te doen, maar u doet dit alleen vanuit uzelf, zo zult u, zelfs indien u over alle macht, wetenschap en middelen beschikt, toch vaak falen, want u ontbreekt dan de levende kracht. Wanneer u echter in de naam van God, de naam van Gods Openbaring in de materie, zult trachten Goddelijke krachten aan de zieke te geven, zo zult gij met mindere middelen grotere resultaten kunnen behalen. Maar om dit te kunnen doen mag men niet meer in persoonlijke zin denken of nadenken, maar dient men alleen de grote kracht door zich te doen werken. Dit is een waarheid, die ook heden nog geldt.

Er wordt geleerd in de derde graad: “Zo gij niet weet – waarmee dus klaarblijkelijk een gebrek aan kennis wordt bedoeld – zo beseft tenminste, dat alle weten in de Moeder ligt.”

Dit in hedendaagse woorden om te zetten, is iets moeilijker, maar hiervoor kan men het beste zeggen: “In de uitingen van de Moeder is alle kennis bevat”. Omgezet aan de hand van de verdere leringen komt het erop neer, dat men, zo men op een gegeven ogenblik in kennis tekort schiet, terwijl er een noodzaak voor anderen aanwezig is, dat deze kennis tot uw beschikking is, zo zult gij vanuit God deze kennis en zelfs bekwaamheid vinden, want kennis is de mens niet eigen. De mens zelf is alleen de onvolmaaktheid eigen. Waar wij echter streven volgens het kosmische schema in de zin van de Schepper, daar geeft Hij ons de beschikking over alle, in Hem gelegen krachten, vermogens en kennis, die wij maar bevatten kunnen.

In de 7de graad werd, zowel voor de mannen als de vrouwen, de volgende raad gegeven: “Zo gij offert – men kan ook vertalen met “zoekt” – dient gij te beseffen, dat alleen wie in zich erkent, door de groten erkend wordt. Wie in zich ontvangt en het ontvangene uit zich voortbrengt, wordt erkend. Maar alle dingen zijn gebonden aan de Eeuwige Wet.”

Vertaald: U dient te beseffen, mensen, dat voor ons allen steeds een en dezelfde Goddelijke wet geldt. Deze wet luidt: “Wat wij in ons dragen van het Goddelijke, zal zich door middel van ons openbaren en het Goddelijke kenbaar maken. Wij zelf zullen daarin het Goddelijke niet altijd erkennen en slechts zelden beseffen, dat en hoe God door ons werkt.”

Nog zeldzamer is het, dat de mens beseft, wat hij volgens de Goddelijke wil volbrengt. Dit is voor ons niet noodzakelijk. Wij zijn als het ware de ledematen van onze God op aarde. Wij zouden Zijn handen en voeten moeten zijn. Op het ogenblik, dat wij Zijn kracht boven alles stellen, en putten uit de Eeuwige, betekent het volvoeren van de kosmische wetten die wij geleerd hebben, of misschien slechts vaag aanvoelen, gelijktijdig het volbrengen van een groot werk voor het geheel, dat wijzelf nu niet kunnen overzien en waarvan wij de werkelijke zin nu niet kunnen beseffen.

Het was gebruikelijk, vooral op het onbegrip voor de werkelijke betekenis van het Ik in de kosmos de nadruk te leggen, omdat zelfs de tempels zelf en de groepen van ingewijden niet konden beseffen, hoe sterk hun invloed over geheel de wereld door kon dringen. Evenmin als zij beseffen konden, dat deze invloed binnen geheel andere Goden en inwijdingsleren weerkaatst werd met een inhoud die uiteindelijk dezelfde was.

Degenen, die in het begin van de Isisperiode deel uitmaakten van de inwijdingsgroepen, zijn ongetwijfeld degenen, die in deze dagen voorbestemd zijn om uiting te geven aan de Godheid en Zijn werktuigen te zijn in een moeilijke tijd, die vol veranderingen zal zijn. Degenen, die eerst later tot de inwijding kwamen, maar niet tot deze eerste groepen behoren, zullen ongetwijfeld hen daarin moeten bijstaan, want de wet Gods geldt nog steeds en nog steeds is Zijn wil geopenbaard in alle dingen. Zijn wil is het pad, dat de mens zal moeten gaan, zelfs indien hij de wijze van gaan voor een deel zelf mag bepalen.
Let wel: het is niet de wet van oorzaak en gevolg, die ons drijft, vrienden. Oorzaak en gevolg is een vaststelling van verhoudingen en feiten binnen de Schepping. Dat is waar, maar de Goddelijke wil, die de eerste oorzaak is en voor ons allen in feite boven oorzaak en gevolg uitgaat is het, die – naast onze vrije wil – ons tot een ervaren van onze juiste betekenis en het gewinnen van een juiste betekenis voor heel het Al zal voeren. Het is noodzakelijk de Goddelijke wil boven alles te erkennen. Dit is de les, die men kan trekken uit de beperkte belichting van het Isismysterie, dat ik u heden mocht geven.

Vragen

  • U sprak over 11 sterrenbeelden van de Dierenriem. Waarom niet 12?

Zeer waarschijnlijk gebruikte men het getal 11, omdat men in de hemelen slechts 11 structuren vond. De zon en haar planeten vormden in bepaalde beschouwingen de 12de factor. Dus 11 beelden in de Dierenriem, omdat Scorpio met een buur tezamen het toen nog bekende beeld van de Draak vormde. Dit was in die tijd gemakkelijk te aanvaarden, omdat de indeling van het jaar in 12 maanden toen nog niet gangbaar was. Men rekende met maanmaanden van 28 dagen, terwijl een jaar werd bepaald aan de hand van de loop van de zon en het komen en gaan van de jaargetijden. Men rekende over het algemeen met een aantal manen, bv. verlopen sedert het lentefeest. Dit lentefeest was tevens het begin van het nieuwe jaar, zeker in de landen rond de Middellandse Zee. Van een vaste jaartelling was evenmin sprake. Men telde weliswaar plaatselijk de jaren, maar ging daarbij uit van de regering van een bepaalde vorst, of bepaalde rampen. Gebeurde er iets bijzonders, dan telde men rustig weer van voren af aan.

Een kalender in de huidige vorm was dus niet bekend. Wel kenden de priesters de z.g. sterrenkalender, gebaseerd op de loop van de zon en planeten, maar deze werd niet gebruikt om een burgerlijke jaartelling te vormen. Men kende wel weken, omdat de maan in haar cyclus nu eenmaal vier duidelijk te onderscheiden delen toont. De dagen hadden niet allen eigennamen. Wel kwamen plaatselijk dergelijke namen van dagen voor, doch deze gaven dan aan, welke Godheid in het bijzonder op die dag geëerd werd, dan wel welke bezigheden op die dag regel waren.

  • Ik hoorde, dat in de Egyptische beschaving Tibetaanse invloeden zijn geslopen door emigratie.

Het tegengestelde is juist. De basis van de Tibetaanse, Egyptische en Mayabeschaving, ligt in Atlantis, evenals de basis van sommige, nu reeds lang vergeten negerculturen, die dáár hun feitelijke bron vonden.

  • Met geliefde overgeganen in contact komen is gevaarlijk, vooral wanneer men  alleen is. Geldt dit ook, wanneer zij zichzelf tonen, of wordt men dan beschermd?

De kern van de zaak is deze: er zijn mensen, die zich zozeer met zichzelf en hun geliefden bezig houden, dat zij doen denken aan de vrouw van een directeur, die tijdens een belangrijke bespreking even binnen komt vallen om manlief een zoentje te geven. Een dergelijke opdringerigheid is uitermate storend. Wanneer u tracht een geest naar u toe te halen, kan dit voor die geest onaangenaam zijn. U zou ook krachten tot u kunnen trekken, die gevaarlijk zijn. Indien de geest zelf, zonder dat hiervoor een bijzondere inspanning uwerzijds noodzakelijk is, contact met u op blijkt te willen nemen, dan ligt de zaak anders. Er is dan weinig of geen bezwaar tegen, zolang u zich daarbij van uw lichamelijk bestaan en de bestaande grenzen bewust blijft.

Zou een dergelijk contact voor u gepaard gaan met een uittreding, dan is bescherming noodzakelijk. Wanneer degene, die tot u komt, tot een Lichtende wereld of sfeer behoort en u in feite op deze wijze tot zich roept, zal deze ook voor bescherming zorg dragen. Dus: geen gevaar en geen bezwaren, zolang het initiatief van de geest uit gaat en u in die geest geheel kunt vertrouwen, dan wel van uw stoffelijk bestaan bewust blijft. Zodra ook maar enige twijfel optreedt, dient men er zorg voor te dragen, dat er anderen aanwezig zijn, die u kunnen bijstaan, indien ongewenste verschijnselen zich zouden openbaren.

  • In onze kennis van het denken is een hiaat. Wij kennen de weg van de prikkel naar de hierbij aansluitende hersencellen. Maar hoe ontstaat nu opeens een beeld? Verder zullen oor etc. tijdens de slaap wel even goed functioneren als bij waakbewustzijn. Waarom ontstaat dan door de prikkel geen voorstelling?

In Sleutels vindt u een goede verhandeling over het menselijke denken, waarin een groot deel van de aangesneden problemen al beantwoord is. Kort gezegd, indien een zintuig een prikkel ontvangt, zal via de zenuwbanen een signaal aan de hersenen, een zeer bepaald deel van de hersenen, worden gegeven. In die hersenen zijn herinneringscentra. Daarin wordt een vergelijk gemaakt tussen de inkomende prikkels en de aanwezige voorstellingen en ervaringen. Bij zien en horen is dan ook geen sprake van een geheel juist ontvangen van het beeld of geluid, maar eerder van een benadering van de werkelijkheid. Het beeld, klank of visueel wordt opgebouwd, doordat in de hersencellen het samengaan van de prikkels een complexe voorstelling mogelijk maakt, die aangevuld met onderbewuste kennis en reacties, het gerealiseerde eindbeeld vormt.

Een mens die slaapt, ontvangt – zover de zintuigen in normale toestand zijn – de normale impressies, die ook aan de hersenen worden toegevoerd. Gedurende de slaap zal bijna alle voorradige energie binnen gesloten circuits worden gebruikt. Het gevolg is, dat de inkomende impuls minder sterk werkzaam kan zijn en minder in het bewustzijn kan betekenen. Alleen de sterkste prikkels zullen de mens tijdens de slaap geheel bereiken, maar zelfs dan zullen wij vaak geen eigen beeld wekken, maar worden verweven in bv. de droombeleving, of tot een droom aanleiding worden, zodat zij niet in hun werkelijke betekenis worden gerealiseerd.

Wat de bestaande indrukken betreft, waarmee de inkomende worden vergeleken: deze begint de mens reeds ongeveer vier maanden voor de geboorte vast te leggen. Zelfs bij de geboorte heeft men dus, buiten de erfelijk in de hersenen vastgelegde reacties en beelden, reeds enige referentiebeelden. Het eerste jaar na de geboorte worden vele indrukken verzameld, zonder dat deze allen reeds gecorreleerd kunnen worden met nieuwe impressies. Vandaar, dat een redelijk denken eerst na het eerste jaar zich ontwikkelt.
Voorbeeld: Een kind, dat pas geboren is, ziet weinig en beseft geen verhoudingen. Het reageert zeer beperkt en grijpt bv. naar glimmende voorwerpen dichtbij evengoed, als naar onbereikbare verre glanzen. Het heeft eenvoudigweg nog niet voldoende waarnemingen gedaan om tot een redelijke afstandsbepaling te komen. In het denken zien wij nog, door erfelijk vastgelegde denksporen, bepaalde reacties automatisch optreden, ook wanneer een eigen ervaring voorhanden is. De natuur gebruikt deze weg om jonge dieren te beschermen, maar ook de mens heeft soortgelijke “instincten”.

Verder moet men bij vele mensen nog rekening houden met indrukken en denksporen, die in meerdere of mindere mate door de geest worden ontsproten. Maak het u niet moeilijk en denk aan een filmprojectie: er is licht, er is beweging. De beeldjes lopen langs de lichtbron. Er ontstaat nu op het doek een beeld, dat veel groter en levendiger is, dan uit de beeldjes op de band zou kunnen worden afgeleid. Oorzaak, combinatie van wisselende impulsen – beeldjes, licht, bewustzijn, en projectievlak – weerkaatsen de werking van de hersencellen.

  • Hoe kan een mens, die alleen aan een stoffelijk bestaan gelooft, dit begrijpen?

Eenvoudig: de zenuwkracht is stoffelijk en aantoonbaar. De reactie in de hersencellen – de weerkaatsing – eveneens. Wanneer u dit voorlegt en verder het bedoelde artikel bijvoegt, zullen alle mensen dit wel moeten aanvaarden, waar het geheel niet alleen op geestelijke wijsheid, maar ook op stoffelijke wetenschap gebaseerd is en het geheel stoffelijk aanvaardbaar blijft, zelfs voor de ergste materialist.

  • Er werd gezegd, dat de behoefte aan het magische element binnen de godsdiensten steeds groter wordt. Is dit een bewuste drang om langs magische weg bewust te worden? Zal dit leiden tot universele celebratie van de mis als in de roomse kerken? Hoe zal men dan het geheim van de geconsacreerde ouwel begrijpen?

De behoefte aan magisch beleven en bereiken is in de mens van heden een hoofdzakelijk onderbewuste factor, voortkomende uit een verzet tegen de te mechanische wereld. De mens ziet in deze wereld zichzelf langzaam teruggebracht tot de betekenis van een niet eens zo goed functionerende machine en heeft de behoefte deel te hebben aan een gebeuren, dat de vermogens van de machine overtreft. Wanneer men het magische steeds meer gaat zoeken en dit incidenteel afwerpt, zal men – indien men tenminste van een té mechanische redelijke en logische redenering af wil zien – door training en experimenten steeds betere en betrouwbare resultaten kunnen bereiken. Hierdoor verkrijgt het magische ritueel een geheel andere zin dan tot nu toe, waar het nu als een symbool wordt beschouwd, en dan een werkzaamheid betekent. Een werkzaamheid, die verder niet alleen religieuze of dogmatische vastgestelde resultaten geeft, maar stoffelijk kenbare resultaten oplevert.

Of men tot een algemeen celebreren van de mis zal komen, betwijfel ik. Naast de mis bestaan namelijk andere, magisch even belangrijke en werkzame rituelen. De inhoud, zoals die nu wordt gezien, is daarbij van weinig of geen betekenis. De Moslims, Hindoes, Boeddhisten en vele anderen kennen rituelen, die even werkzaam en schoon zijn als de mis. Wat wel zal geschieden, is, dat de Christen rustig en met resultaat, zonder ook maar een enkel ogenblik denken en geloof daardoor te verloochenen, deel kan hebben aan bv. een Hindoeplechtigheid. Ook het omgekeerde natuurlijk. De riten zullen niet meer in de eerste plaats als uiting van de godsdienst worden gezien, maar eerder een beeld geven van een Gods bereiken, een contact met het  bovenzinnelijke. Hieruit volgt, dat de vraag over de geconsacreerde ouwel op zijn minst pijnlijk is. De gedachte omtrent de transsubstantiatie, zoals die nu binnen de roomse kerk bestaat, zal m.i. betrekkelijk snel verdwijnen. Daarvoor in de plaats komt een volgens mij juister erkennen van de betekenis, namelijk die van geestelijk brandpunt, waardoor iedere gelovige een beter en juister contact met Jezus mogelijk is.

Het zal u duidelijk zijn, dat een mens met een ander geloof binnen hetzelfde ritueel, alleen door zijn eigen wijze van aanvaarding, contact kan krijgen met het Goddelijke binnen zijn eigen geloof en via zijn eigen meesters, of die nu Boeddha, Brahma, Krishna, of anders genoemd worden. Voor de Christenen zal wel de betekenis van de consecratie en de H. Hostie een ander karakter krijgen, maar aan de magische betekenis en werking daarvan zal dit m.i. niets veranderen. Belangrijk is wel, dat op de duur het misoffer als een middel tot bereiking en niet meer – zoals helaas nu al teveel geschiedt – als een doel in zichzelf zal worden gezien.

  • Op Paasmorgen werd gezegd: “Wij van onze kant durven niet tot de diepste diepten in dat duister af te dalen.” Wat kan u daar dan gebeuren?

Van buiten af kan ons daar waarschijnlijk zeer weinig gebeuren, maar om tot het werkelijk diepste duister te gaan, moet men ook tegenstellingen aanschouwen en dus in eigen gedachten ondergaan, die je nog niet kunt verwerken. Er is bij ons niet zozeer sprake van een angst voor het diepste duister als een erkennen van eigen onvermogen om deze tegenstellingen en werkingen te verdragen. Dit is het voornamelijk, dat ons van een dergelijke afdaling weerhoudt. Aan de hand van de vraag zou ik u willen vragen, realiseert u zich wel, wat het diepste duister eigenlijk is?
Het diepste duister is de absolute chaos, waarin zelfs geen realisatie van eigen persoonlijkheid meer bestaat, alleen een ondergaan van het duister. Het is een soort draaikolk, waarin het Ik bijna geheel wordt uitgewist, tenzij men in zich steeds God geheel sterk en met minachting van alle verschijnselen ook hier kan zien en erkennen. Misschien kan een ziel hier weer iets omhoog komen, een nieuw bewustzijn verwerven en opnieuw de weg naar boven gaan. Dat dit gebeurt, weten wij wel. Maar om dit diepste duister bewust, wetend omtrent jezelf en Lichtende werelden, te beleven en toch daar in God nog te zien, vergt meer dan u zich voor kunt stellen. Vergeet daarbij niet, dat de meesten onder ons ook het hoogste nog niet geheel kunnen verdragen en aanvaarden, omdat ook dit in zekere zin een uitblussen betekent van alles, wat je meende, dat je wezen en wereld was.

Wanneer ik u dan ook een raad mag geven: Tracht in uw wereld en leven u niet met het duister, maar ook niet met het allerhoogste Licht bezig te houden. U zou niet in staat zijn een openbaring, zelfs van de delen van de werkelijkheid, die wij reeds kunnen betreden, te verdragen, zonder daarbij uw stoffelijk leven en waarschijnlijk ook voor langere tijd uw mogelijkheden tot verdere bewustwording te verliezen. Elke mens en elke geest moet nu eenmaal langzaam naar de aanvaarding van het totaal kosmische toegroeien. Eerst wanneer hij dit bereikt, zal hij inderdaad het hoogste Licht en het diepste duister kunnen aanvaarden en ondergaan. Er zijn maar enkelingen, die dit kunnen volbrengen en zich toch van zichzelf, hun ervaring en de werkelijkheid bewust kunnen blijven. Dit zijn de grote Meesters, die soms aan anderen hierover leringen geven en hen de weg tot verdere bewustwording tonen. Een van hen was Jezus.

image_pdf