Het occulte

uit de cursus ‘De geheimen van de geest’ – (Hoofdstuk 10)   juli 1961

Het occulte

Het occulte ofwel het verborgene maakt deel uit van alle geestelijke wetenschappen en vele van de geheimen van de geest, die u bekend zijn en waarover wij hebben gesproken, vallen dus inderdaad in dit gebied. In feite echter omvat het gebied van het occultisme, het verborgene, het gehele leven.
De opzet van de oorspronkelijk verborgen leerstellingen is nl. het ontdekken van het levensritme en het gebruiken ervan. Het houdt zich bezig met geboorte, opvoeding, met huwelijk, leven en dood, terwijl het daarnaast een zo groot mogelijke eenheid tracht te bereiken tussen de mens zelf, zijn innerlijk weten en wezen en al datgene, wat hij uit andere sferen kan putten. Verder dan het menselijk leven gaat het begrip occultisme echter niet. Dit in tegenstelling tot hetgeen vaak wordt beweerd. Het occultisme nl. houdt zich bezig met de geestelijke werelden en geestelijke werkingen, evenals ritmen, zover als die op aarde tot uiting komen. De grootste geheimen van de geest zijn zeer waarschijnlijk wel deze levensritmen, die eenieder heeft. Ik zal trachten deze kort te omschrijven.
Er bestaat iets, wat je met een kosmische ademhaling kunt vergelijken. Deze ademhaling is bepalend voor de wijze, waarop de mens of de geest energie ontvangt en in een toestand van rust verkeert. Het eigen krachtniveau en daarmee ook eigen daad- en wilskracht wordt daardoor terdege beheerst. Het geheel van deze werkingen wordt voortgezet over alle voertuigen; maar wel moet worden opgemerkt dat, naarmate het voertuig grover is, een groter aantal ritmen optreedt. Is dus de ziel zelf aan één enkelvoudig ritme onderhevig, zo zal de mens b.v. in zijn lichaam in het totaal een 40‑tal verschillende ritmen kunnen ondergaan. De wetenschap van het occulte is nu het aanpassen van het ‘ik’ aan deze ritmen en het ontdekken hoe deze ritmen in eigen wezen bestaan. U zult begrijpen dat het niet mogelijk is ook maar bij benadering voor een enkele mens een dergelijk ritme weer te geven. Algemene regels bestaan daarvoor echter wel.
Wij kunnen stellen dat wanneer :

  1. de mens materieel tamelijk energiek is en geïnteresseerd,
  2. geestelijk scherp reageert en inzicht heeft in geestelijke waarden,
  3. zelf werkelijk en intens nadenkt en
  4. geneigd is persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen, deze mens in uw tijd zal behoren tot één der hoofdritmen; nl. een zwellend ritme voor praktisch alle voertuigen op dit ogenblik met een intensiteitsfactor voor de laagste voertuigen van ongeveer 1,5 jaar, een intensiteitsfactor voor b.v. astraal‑ en levenslichaam van ongeveer 3 jaar. Daarnaast is men aan het begin van een stoffelijke cyclus, de 13‑jaar‑cyclus enz.

Altijd weer zullen incarnaties en reïncarnaties gepaard gaan met verschui­vingen in deze energie‑ritmen. Voor de mens ontstaat dus steeds een nieu­we constellatie, waarbij de krachtsverhouding tussen de verschillende voer­tuigen aanmerkelijk wordt gewijzigd. Het gebruikmaken hiervan kan voeren tot het beheersen van de z.g. gaven als daar zijn (u herinnert het zich nog wel): telepathie, inspiratief vermogen, mediamiek vermogen, helder­ziendheid, helderhorendheid, het uitstralen van levenskrachten e.d. Nu zou ik misschien hier goed doen om een spreuk uit de Dammâpadan naar voren te brengen: “Hij, die geneest uit heiligheid, is goed. Maar slechts hij, die geneest uit eenheid, dient het Volmaakte.”
Als wij uitgaan van het standpunt dat wij goed moeten zijn, zal dit in het geestelijk leven ongetwijfeld een prettige invloed hebben. Wij zullen door het streven naar positieve factoren in alles, wat zich binnen het leven aan ons voordoet, een voortdurend sterkere klimming ondergaan van ons eigen beleven, een. grotere tevredenheid kennen en na overgang ongetwij­feld sneller bewust worden en stijgen. Maar indien wij uit eenheid met het Al werken en dit dus naar de wereld toe uitdragen, dan vallen de belang­rijke kleine ritmen, die de menselijke wereld beheersen, voor een derge­lijke persoon bijna weg.
Daar komt alleen tegenover te staan de uiting van het persoonlijk en goddelijk ritme, dat uit het eerste scheppingsmoment ontstond. De occultisten hebben getracht deze dingen voor te stellen op dui­zend‑en‑één wijze. Ze hebben daarbij gebruik gemaakt van systemen van trap­pen (van inwijding), systemen van poorten (van bewustwording), van bouw­schema’s; ze hebben alchimistische voorstellingen gebruikt en ze hebben eigenlijk steeds weer hetzelfde beweerd: “Alleen door de kennis van het ‘ik’ komt men tot de erkenning van de innerlijke waarde.” Nu zegt hier de Shâstra Vedanta: “Wie zichzelf kent, is groot. Doch wie zichzelf is, heeft de volste grootheid bereikt.”
Hierbij valt wederom de nadruk op één van de geheimen van de geest. Bewustwording en bewustzijn zijn belangrijke factoren; ze zijn het hulp­middel a.h.w. ter bereiking. Maar het jezelf zijn, dus leven zoals je bent in alle sferen en alle voertuigen ‑ een overigens moeilijke taak ‑is de voleinding. Verder dan dit kunnen wij niet komen. Uit deze korte samenvatting van enkele denkbeelden uit het occultis­me kunt u zelf reeds conclusies trekken omtrent hetgeen wij in deze cursus hebben onderwezen. Alles wat u doet, moet aangepast zijn, niet alleen aan uw eigen levensritme, maar ook aan de ritmen van anderen. En deze kunnen zeer sterk van de uwe verschillen. Daarom wil ik trachten u nu een aan­tal eenvoudige regels te geven, eenvoudige punten, die u ongetwijfeld bij een nadere beschouwing en door ze in praktijk te brengen, dienstig kunnen zijn bij uw eigen verdere geestelijke ontwikkeling, de beheersing van uzelf en ten dele van uw omgeving.

  1. Niemand is gelijk aan u zelf in wezen en in denken. Ieder is gelijk aan u zelf in kracht, uit het Goddelijke gezien.
  2. Alle dwang wekt dwang, alle strijd wekt strijd, alle begrip echter doet strijd wegvallen.
  3. Alle kwaliteiten, die ik geestelijk bezit, moet ik in stof en geest gelijkelijk uitdragen. Ik ben te allen tijde een geheel, waar ik mij ook bevind en in mijn laagste voertuig moet ik te allen tijde het totaal van mijn voertuiglijke mogelijkheden tot uiting brengen. Ik moet gebruikmaken van alle krachten, die mij ter beschikking staan en ben verplicht deze krachten niet alleen in maar ook bui­ten mijzelf uit te dragen.
  4. Uitgaande van een harmonie, die ik heb bereikt, hetzij met een enkele mens, hetzij met de mensheid, hetzij met het Goddelijke, kan ik altijd verder doordringen in het Al. Elke vorm van harmo­nie is het beginpunt voor een persoonlijke ontwikkeling.
  5. Persoonlijke ontwikkeling, b.v. van begaafdheid, kan nooit en te nimmer alleen in eenzijdige vorm geschieden. Specialisatie op een bepaalde begaafdheid is alleen dan aanvaardbaar, indien zij tevens levenstaak is. Is zij dit niet, dan moet de veelzijdigheid zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Doelbewust streven is noodza­kelijk.
  6. Alle gaven en begaafdheden zullen zich ‑ vooral in het begin ‑ onbeheerst openbaren. Dit betreft alle vormen van mediumschap, waarnemingen, uitstraling van krachten, opvang en overbren­ging van gedachten enz. Elke onbeheerste vorm mag slechts worden gezien als een oefeningsmogelijkheid, welke het mogelijk maakt deze kracht in beheerste vorm aan de wereld te bren­gen. Nimmer mag dit voordien. Verschijnselen in leven en dood zijn volkomen gelijk voor het ware ‘ik’. Maak daartussen dus geen onderscheid, ook wanneer u bepaalde gaven gebruikt.
  7. Indien u wilt uitgaan van een grote en sterke innerlijke bewustwor­ding en u kiest daarbij een z.g. innerlijk of esoterisch pad, dan zult u alle uiterlijke verschijnselen als secondair moeten zien en deze slechts als persoonlijkheidsuiting en verdere persoonlijkheids-­ erkenning dienen te gebruiken. Ligt dit niet in uw aard en bent u voortdurend geneigd u bezig te houden met de wereld en hetgeen daar geschiedt, zo zult u een weg moeten gaan, waarbij bovenal een begrip voor de wereld voor u belangrijk is. Beperkt u tot die plaat­sen en mogelijkheden, waar dit begrip voor uzelf bereikbaar is. Houdt u nimmer bezig met toestanden, die te groot zijn om te worden overzien; houdt u ook nimmer bezig met persoonlijkheden, die u niet voldoende kent om met hen althans enig inzicht, enige harmonie en enig contact te verwerven.
  8. Besef wel, dat de geest zelf met zijn zeer bijzondere kwaliteiten in feite buiten tijd en ruimte staat. Alle beleving van tijd en ruim­te is gebonden aan de gedachte. De gedachte en het denken zijn dus de bepalende factoren ‑ ook in het menselijk leven ‑ voor alles, wat u ondergaat. Wijzig uw denken en u wijzigt voor uzelf de condities en omstandigheden, ook wanneer deze ‑ in de stof b.v. – uiterlijk dezelfde lijken.
  9. Alles wat de geest aan energie bezit, kan worden omgezet in stoffe­lijke harmonie en stoffelijke energie. Het is mogelijk daardoor een afscherming te verwerven, die ‑ om het eigen wezen gelegen – alle ongunstige factoren automatisch afstoot. Het is mogelijk door deze kracht in het lichaam bepaalde gebreken te doen herstellen en eigen vitaliteit zeer sterk op te voeren.
  10. Bij alle geestelijke activiteit, die gericht is op veranderingen binnen het ‘ik’ of op afscherming van het ‘ik’, mag de instelling nimmer en nooit gericht zijn op het ‘ik’ zelf. Het moet altijd gericht zijn op een hogere kracht, waarin men zekerheid zoekt en waarin men volledig vertrouwt en gelooft.

Tot zover deze punten, die een korte samenvatting willen zijn van conclusies, die u uit het voorgaande zelf getrokken zou kunnen hebben. Wij hebben natuurlijk ook met bepaalde stoffelijke aspecten van het leven te doen en deze te omschrijven, is voor mij als buitenstaander enerzijds eenvoudiger maar anderzijds moeilijker dan voor u. Eenvoudiger, omdat ik meer overzie; moeilijker, omdat ik in de algemeenheid de voor u bestaande sterk persoonlijke problemen ongetwijfeld over het hoofd zie. Toch zou ik willen trachten enkele regels te geven, waardoor de geest zo gunstig mogelijk kan incarneren, zich tijdens zijn incarnatie zo gun­stig mogelijk zelf kan ontwikkelen, zonder van de wereld te vervreemden en ten slotte kan overgaan naar een nieuwe wereld, zonder daarbij onno­dig leed, onnodige pijn of waan te ondergaan.
Bedenk wel: Overal, waar jong leven gaat geboren worden, is de ge­dachtewereld en de geestelijke instelling van groot belang. Deze behoeft niet suikerzoet te zijn. Zij mag zelfs soms vitaal zijn en niet zonder strijdlust. Zij moet echter toch vóór alles een zekere harmonie nastreven en niet alleen geestelijke, maar zich ook stoffelijk goede waarden voort­durend voor ogen stellen. Een dergelijke gedachtewereld zorgt voor een harmonische opbouw van het lichaam, zorgt verder voor de aantrekking van de juiste elementen en daardoor de geboorte van een geest, die zo zuiver en goed mogelijk geïncarneerd is.
Wanneer een geest is geïncarneerd en op de wereld komt, zo moet worden gesteld: Van dit ogenblik af maakt deze geest krachtens zijn stoffelijk voertuig deel uit van een organisme, dat maatschappij heet. Hij zal moeten leren zich voortdurend daarnaar te voegen, zich voortdurend daar­aan te geven. In de opvoeding mag het kind zoveel mogelijk zichzelf zijn, maar het moet daarnaast leren aan rechtvaardige normen te gehoorzamen. Daarvoor is ge­zag en een zekere kracht noodzakelijk. Is deze niet aanwezig, dan krijgen wij, wat wij noemen, asociale verschijnselen, die vaak gepaard gaan met in­nerlijke problemen, die voor de geest bezwarend zijn.
Wanneer wij uitgaan van een innerlijke ontplooiing, zullen wij ook be­seffen dat de eenheid tussen b.v. twee mensen van groot belang kan zijn. Deze eenheid ‑ een huwelijksband vaak ‑ mag nooit bestaan uit een zuiver geestelijke of een zuiver stoffelijke band. Er moet altijd sprake zijn van zowel geestelijke als stoffelijke aspecten. Blijken deze in het begin niet aanwezig, dan is het noodzakelijk zich steeds sterker op de partner in te stellen om daardoor een zo groot mogelijk en ook zo juist mogelijk onder­ling contact te verkrijgen. Dat is – zowel voor eigen ontwikkeling als voor het nageslacht – van groot belang. Door al te sterk de nadruk te leggen op de stoffelijke aspecten, worden over het algemeen de contacten in het huwelijk zeer sterk vertroebeld. Zij moeten een normaal deel van het leven zijn en meer niet. Zij kunnen dan tevens aanleiding zijn tot vele mooie geestelijke belevingen en een bewust­wording, die ongetwijfeld ook later zeer goede en grote resultaten geeft.
Bij het ouder worden, zal de mens heel vaak bezwaren krijgen tegen het feit, dat hij niet meer vol in het leven staat, althans zich niet meer als zodanig gevoelt. Wij moeten dan uitgaan van het standpunt, dat de mens, indien hij zijn geest laat overheersen, naarmate het lichaam ouder wordt en dus klaarblijkelijk minder belangrijk, zijn normaal deel in de maatschap­pelijke taak kan blijven vervullen en zijn gezondheid en veerkracht kan blijven behouden. Ik geloof we, dat ik ook hiermee dit punt voldoende duidelijk heb ge­steld.
Verder wil ik erop wijzen dat alle ziekten, ook infectieziekten e.d., voortkomen uit een disharmonie in het stoffelijk organisme. Is er een gro­te innerlijke geestelijke harmonie, dan kunnen deze defecten van het li­chaam snel worden opgeheven. Is er geestelijke verdeeldheid of geestelijke spanning, dan treden stoffelijke verschijnselen van onlust, van zich niet goed gevoelen e.d. steeds meer op.
Ten slotte wil ik nog opmerken: Overgang is altijd een overgaan van de ene in de andere wereld, waarbij het milieu zich wijzigt, maar de voor­stelling van het ‘ik’ gelijk blijft. U hierop te oriënteren, is belangrijk, zodat men overgaande ‑ zelfs indien men zichzelf in volledig gelijke ge­stalte en gedaante ziet ‑ toch durft uit te gaan van het standpunt: Ik sta in een nieuwe wereld. Ik moet in deze wereld handelen, de oudere voorlopig achter mij latend, want deze is voorbij. Eerst wanneer ik voldoende in mijn nieuwe geestelijke wereld ben gegroeid, zal ik gebruik kunnen maken van al hetgeen in die vroegere wereld in mij groeide en zal ik ‑ voor zover er banden bestaan – ook nu nog met die wereld alle verplichtingen kunnen honoreren, zover dit noodzakelijk is.
In het menselijk leven maakt men zich vaak problemen over anderen. Heel vaak zien wij dat b.v. ouders of ouderen de verantwoordelijkheid op zich willen laden voor jongeren (kinderen b.v.); dat mensen zich wijzer achten en daardoor een aansprakelijkheid op zich willen nemen voor huns inziens minder bewusten, die in feite tot dwang wordt. Niemand heeft het recht de vrije wil van zijn medemens te benadelen, te beperken, laat staan te onderdrukken. De vrije wil is noodzakelijk. Alleen voor zover een stoffelijke band van aansprakelijkheid bestaat volgens zo mogelijk natuurlijke normen ‑ in ieder geval op grond van maatschappelijk aanvaardbare en blijvende normen ‑ mag men, voor zover dit voor de gemeenschap maar niet voor eigen gevoelens noodzakelijk is, de vrijheid van een ander intomen; en dan nog niet innerlijk, maar alleen voor zover het de uiting van bepaalde sentimenten enz. betreft.
Hiermee heb ik u enkele regels gegeven t.a.v. het leven zelf. Nu moet ik nog even terugkomen op geestelijke gaven.
Wij weten allen dat geestelijke begaafdheid een begerenswaard iets is. Onthoud dus:

Elke geestelijke begaafdheid ‑ hetzij verworven in vroegere incarnaties, hetzij in dit leven ‑ is het indirect stoffelijk gevolg van een geestelijke bewustwording. Deze geestelijke bewustwording kan dan volgens ons standpunt positief of negatief zijn, maar zij moet een groot gedeelte van de schepping omvatten. Eerst dan is het mogelijk andere werelden te betreden, daarmee contact op te nemen en krachten uit andere werelden te beheersen.

Houdt u nimmer te veel met deze dingen bezig op zuiver wetenschappelijke basis, tenzij u ze uit liefhebberij wilt onderzoeken. Tracht nooit uw leven en denken daarop te baseren. Op het ogenblik dat u dit doet, ontstaan voor u steeds grotere problemen en vraagstukken, die u niet kunt oplossen. Het geheim van de geest is niet een stoffelijk verklaarbaar iets. De geest onttrekt zich krachtens zijn wezen en zijn wereld volledig aan elke stoffelijk redelijke bepaling daarvan. Een omschrijven van die geest en van zijn capaciteiten of zelfs het inpassen van die capaciteiten in stoffelijke regels, is onmogelijk. Realiseer u dit. Wanneer u geestelijke waarden wilt ontwikkelen, ga uw gang. Maar doe dit dan innerlijk en door de bewustwording; nimmer uiterlijk door pogingen, door studie e.d. Omtrent die ontwikkeling van gaven is overigens ook voldoende gezegd, zodat ik wat het verdere betreft hiernaar verwijs. Dit is dan het eerste deel van mijn betoog.

Tweede deel.

Hiermee brengen wij de eigenlijke cursus meteen tot een slot.

Na de beschouwing van het occulte moeten wij nl. nogmaals terugkeren tot de geest. De wereld van de geest doorkruist de uwe. Zij is niet slechts daaraan parallel maar in vele gevallen bijna identiek en verschilt alleen in bevoertuiging. Het is onmogelijk voor een mens de wereld van de geest geheel te beseffen. De wereld van het vormloze is niet te omschrijven. Een wereld, waarin de vorm een voortdurende verandering ondergaat en het eigen wezen voortdurend in nieuwe vormen wordt uitgedrukt, naarmate eigen inhoud en reacties veranderen, is eveneens onvoorstelbaar. Toch is dit de feitelijke wereld van de geest.
Hij kan zijn geheimen dan ook nooit geheel prijsgeven. Er zullen altijd geheimen van de geest blijven, die u nooit zult ontcijferen voor u vrij van de stof als geest bestaat. Zou u in een stoffelijke vorm zover komen, dan zon het u onmogelijk blijken deze dingen over te brengen in stoffelijke gedachten of in een stoffelijke kennis. Ten hoogste kunt u ze onderbrengen in wat symbolen en gelijkenissen, die ‑ naar u ze1f voelt ‑ onvoldoende en onjuist zijn. Het wezen en leven van de geest moet dus omschreven worden, wanneer wij daarover willen spreken althans, in menselijke termen. Deze menselijke termen zijn krachtens hun beperking nooit volledig juist.
Wij hebben in deze cursus getracht u een beeld te geven van de geest en van al, wat ermee samenhangt. Wij hebben getracht u een inzicht te geven in de mogelijkheden, die de geest ‑ die u toch in u draagt, binnen de beperking van de stof bezit en zelfs hoe hij daaraan zo nu en dan zou kunnen ontkomen. In deze veelheid van onderwerpen is voor u dus een beeld ontworpen, dat stoffelijk bruikbaar is. Het is echter slechts een werk‑these, meer niet. U zelf zult in staat zijn dit alles op te bouwen tot een voor u aanvaardbaar beeld, een beeld, dat ongetwijfeld veel zal verschillen van hetgeen wij hebben gezegd. Zolang u in dit beeld niet in de eerste plaats streeft naar een zelfrechtvaardiging, zult u echter ontdekken dat dit beeld ‑ mits in de praktijk omgezet door een zo intens mogelijk stoffelijk en geestelijk streven – bevredigend is en u steeds meer inzicht geeft in uw eigen mogelijkheden, zowel als in die van de geest rond u.
Natuurlijk bent u niet alleen omringd door geesten, die eens mens zijn geweest. Er zijn zeer vele soorten entiteiten op te noemen, waarvan sommigen op andere stofwerelden hebben geleefd, terwijl enkelen ‑ soms nog verkerend in een primitieve vorm van bestaan ‑ vroeger gebonden zijn geweest aan dierlijk of plantaardig leven of zelfs een bestaan kennen in de elementen. Al deze geesten zijn regel, maar voor u hebben ze weinig zin. Het klinkt mooi, als een kind met elfjes speelt en met kabouters; maar als u er niet mee speelt, bestaan die dingen niet voor u. Daarmee rekening te houden vóór u voldoende gevoeligheid hebt, is alleen maar tijd verknoeien.
Als u op een gegeven moment ontdekt dat u een zeker zeggenschap hebt over deze toevalligheden der natuur, die in feite berusten op haar bezieling, dan zult u daarvan rustig gebruik mogen maken, mits dit gebruik niet zelfzuchtig is. Houdt u er niet mee bezig, waarom geesten dit of dat doen. Het is voor u van weinig belang. Het is alleen een punt van interesse. Waarom een spook spookt, behoeft u niet te interesseren, tenzij u het spook rust wilt geven ofwel de lege schil, misbruikt als spook als blijvende gedachte, zoudt willen vernietigen. In andere gevallen hebt u daarbij geen interesse.
Houdt u, juist ook wanneer u bezig bent met de geheimen van de geest, toch altijd aan een redelijke norm. Een redelijke norm van stoffelijk handelen en denken wel te verstaan. Want alleen indien uw leven daarop is gebaseerd, kan het voldoende harmonisch zijn met de mensheid en daardoor met zichzelf om de grotere geestelijke begaafdheden, die ‑ zoals zo-even reeds omschreven ‑ in de occulte wetenschappen worden nagestreefd, ook voor u bereikbaar te maken.
Onderschat uzelf niet. U bezit meer gaven en krachten, dan u ooit in dit stoffelijk leven tot uiting zult brengen. Overschat uzelf echter evenmin en tracht niet met deze geestelijke gaven alleen iets te doen. Het zou tot teleurstellingen en spanningen kunnen leiden, die voor u nu niet verantwoord zijn.
In alle dingen, die met de geest te maken hebben, mag u verder onthouden:

De ritmen, die zowel de geest als ook uzelf beheersen, treden op en zijn kenbaar voor de mens in de kortere ritmen, in de kortere perioden. Deze 3‑dagen, 28‑dagen, 7‑ of 9‑daagse, 7‑jaar‑cyclus enz. spelen natuurlijk een rol. Deze cycli kunt u gebruiken om uw stoffelijk leven beter te begrijpen en te beseffen. Maar u zult wel begrijpen dat wij toch niet kunnen uitgaan van het standpunt, dat als we nu maar deze ritmen kennen, wij alles weten. Het is eerder een kennis van de begeleidende verschijnselen op deze wereld. Indien u er rekening mee houdt dat de grote ritmen tot uiting komen in uw eigen leven door plotselinge veranderingen van instelling en bewustzijn, die niet verklaard kunnen worden in verband met stoffelijk leven, dan hebt u wederom één geheim begrepen, nl. dat uw geest ook tijdens het leven op aarde a.h.w. haar incarnatie, haar instelling, haar geestelijke harmonie kan wijzigen, evenals haar energie en zelfs haar doel. Treedt dit op, maak u dan geen zorgen. Ga door, zoals u bent, nuchter, redelijk. A1 deze ritmen, zoals zij in uw stoffelijk leven optreden, brengen veranderingen die gunstig zijn en die u ten slotte tot beter begrip voeren. Alles wat geest is en met de geest samenhangt, wordt door deze ritmen beïnvloed, zodat u in bepaalde perioden van uw leven opeens kunt ontdekken sterker contact te krijgen met de geest of het contact met de geest te verliezen, ja, zelfs beheersing te verkrijgen over bepaalde soorten entiteiten of deze tijdelijk te verliezen. Maak u daarover geen zorg. U kunt dit vanuit de stof niet beïnvloeden.
Leef zo harmonisch als u kunt. Blijf voortdurend met de voeten op de grond, zoals dat heet.
Gebruik uw eigen geestelijke krachten en vermogens zo goed als het maar gaat. Wanneer u gedachten.kunt uitstralen, laat het gedachten zijn van vrede, van harmonie en van rust. Tracht aan eenieder hetzelfde te gunnen wat ge voor uzelf begeert. Dan zullen deze geheimen van de geest zich ten slotte voor uzelf ontraadselen en binnen u en voor u juist, bepaald en vatbaar de oplossing vormen van de grote reeks problemen., waarmee elke mens in zijn leven en kort na zijn overgang wordt geconfronteerd.

Offerandegedachten

In de oudheid ziet men herhaaldelijk het element offer op de voorgrond komen. Bij het bouwen van een stad of van een tempel, worden offers gebracht. Wanneer er een droogte is en men wenst water: er wordt een offer gebracht. Men offert aan de zon, de maan ende demonen. Men offert dieren of mensen, kortom men offert heel vaak leven.
In de moderne zin van het woord klinkt dat ongetwijfeld wreed en onnodig. Maar ook in de moderne tijd vraagt men offers, alleen op een andere manier. De moderne mens vindt het leven pas levenswaard, als hij over een zekere luxe, een zekere welvaart beschikt. Nu begint men op een gegeven ogenblik van hem offers te vragen om dit of dat te bereiken, waar hij eigenlijk helemaal geen zin in heeft en wat hem helemaal niet interesseert. Deze offers worden hem opgelegd en hij volbrengt ze ten slotte. Denkt u eens aan oorlog en al, wat erbij behoort. De gedachte aan het offer leeft dus inderdaad wel in de mens. Toch moeten wij een groot verschil maken tussen de oude en magische offergedachte b.v. en de moderne offergedachte.
Wanneer in de oudheid offers werden gebracht ‑ zoals b.v. het offer aan de zon, dat de Tolteken brachten ‑ dan was dit in zekere zin een verheerlijking van het offer zelf. Want dit offer, dat dan met de rijzende zon naar boven, naar de tempel ging om ‑ na nogmaals te zijn geëerd en met guirlandes te zijn omkranst ‑ ten slotte op het middaguur te sterven, was de zon. Het was een beeld van de zon. Het zou zo dadelijk opgaan naar de zon en spreken over het land en over het volk met de zon. Het was niet de mens, die stierf. 0 neen, het was de geest van de mens, die hoger en groter opging naar een groter bestaan, een leven achterlatend, dat eigenlijk onbelangrijk was.
Die gedachtegang vind je tegenwoordig niet zo vaak meer. Wij horen op het ogenblik alleen nog maar over de krijtende maagden, die in de put het offer aan de maan moesten brengen en daar ‑ verbeten zwemmende tot het zinken van de zon of van de maan ‑ krijtend en huilend verdronken. Het zal ongetwijfeld zijn gebeurd. Maar het is in feite een minderheid.
De mens heeft de behoefte zichzelf te vereeuwigen en het offer is voor hem de directe geestelijke band met het hogere, met het Goddelijke. Het is de associatie met iets, wat meer waard is dan hijzelf. Ik kan dit uit vele legenden verhalen.
Eens ‑ het is lang geleden ‑ moest er voor één van de keizers uit de Han‑dynastie een grote tempelklok worden gegoten. Negen malen had men haar gegoten en zij had geen stem, geen klank. Maar de jonge dochter van de meester, die het gieten moest volbrengen, droomde dat er het leven in moest zijn van een mens. En zo wierp zij zich op het ogenblik, dat de klok weer hergoten werd, in de gloeiende massa, en werd verbrand voor de ogen van haar vader. Maar de klok sprak met een stem zo sonoor en zo mooi, dat men nu nog zegt dat het deze maagd is, die roept over het land. En zij heeft het zelf ongetwijfeld zo aangevoeld. Het was niet alleen de kwestie van: Hoe zullen wij nu even die klok laten klinken? Er was het idee van vereeuwiging bij, van eeuwigheid.
Kijk naar de oude graven. Daar vindt ge een vorst in alle statie opgebaard en rond hem de lijken van zijn dienaren, van de dieren, die hij liefhad, van al hetgeen bij hem behoorde. Denk aan de sutti, de weduweverbranding, die tot voor kort nog in Voor‑Indië zo vaak voorkwam. Hier is de werkelijke gedachte niet die van een offer tegen wil en dank. Het is de gedachte van het één‑blijven, van een opgaan a.h.w. met de meester, met de vorst. Het is een daad van uiterste trouw, maar gelijktijdig een verheffing boven het normaal menselijke. Want in de dood wint de mens zijn goddelijke kwaliteiten. En dat vinden wij in het geloof van de oudheid steeds weer terug.
Ik weet dat er velen zijn, die in deze dagen zeggen: “Maar al, waar bloed bij te pas komt, is magie.” O neen! Zwarte magie? Zeker niet. Daar waar een offer wordt gebracht, onwillig en tegen elke zin in, daar is sprake van zwarte magie. Daar wordt het offer tot een aanfluiting, daar is het een omkooppoging van demonen uit de diepste duisternis. Maar als het gaat om het vrijwillig gebrachte offer, dan is het het grootste, dat er kan bestaan.
Het is vreemd, dat juist de Christenheid dit vergeet. De vrijwilligheid van het offer is dat, wat het belangrijk maakt. Het verheft eigenlijk boven al het andere, dat de mens tot stand kan brengen. En toch zijn het de christenen, die de mens vereren, die zijn leven ten offer bracht aan het kruis, volledig, vrijwillig. Want dat was ook een offer, een zelfgekozen dood. Iedereen is het erover eens dat Jezus zich daaraan had kunnen onttrekken. Maar hij deed het niet. Vreemd, dat men dit ene offer dan wel goed acht en al het andere niet.
Laten wij het offer bezien, zoals het is. Het is voortgekomen uit het begrip van eenheid, De band die er ligt tussen al het dode, dat toch eigenlijk ook bezield is, tussen de ongeziene wereld van goden en demonen en de mens. De mens, die zich boven zichzelf verheft, die zijn lichaam ergens laat inmetselen, als offer b.v. in het fundament van een tempel, opdat zijn geest in die tempel leve en van daaruit sprekend met een haast goddelijk geweld, de demonen weren, de tempel in stand houden en zo in direct contact trede met de goden.
Maar zó denkt men er niet over in deze dagen. In deze dagen denkt men er anders over. Het offer echter blijft in feite als leuze nog precies gelijk. Is er niet gevraagd: Offer uw geld, uw goed en uw tijd voor de grootheid van onze natie, voor de vrijheid van het Westen? Wordt niet elders gevraagd het offer van uw tijd, van uw geld, van uw verdienste, opdat ons systeem moge overwinnen? Is dat eigenlijk niet precies hetzelfde? De goden zijn veranderd en de goden zijn zinloos geworden, omdat ze niet eeuwig zijn. Maar de gedachte aan het offer blijft gelijk.
De mens voelt echter aan dat deze eeuwigheid van God en van kosmos niet bestaat in die dingen, waar nu het offer voor wordt gevraagd. Het offer ligt niet meer in een kerk, die een bouwwerk is, dat alleen misschien door een wijding of een heiliging enige betekenis krijgt. Dat zou het alleen zijn, als God er werkelijk in woonde en als God a.h.w. ontvangen moest worden door de ziel van een mens.
Als u het zo zou bezien, dan zou u misschien de offergedachte kunnen omschrijven als volgt:

In ons ‑ als mens en als geest ‑ is een begrip. Een begrip van eenheid met het hogere. Wij weten dat al wat wij doen, al wat wij tot stand brengen, van het hogere afhankelijk is. Innerlijk voelen wij dat wij zonder cosmische krachten en cosmische machten niets tot stand kunnen brengen, dat wij machteloos zijn. En het is daarom dat wij offeren; dat wij onszelf in een tijdelijke vorm desnoods teniet doen om zo ‑ deelhebbend aan dat eeuwige en kosmische ‑ dat belangrijke voor allen tot stand te helpen brengen.
De mens die zoekt naar dit nieuwe bewustzijn, de mens die dit offer brengt ‑ onverschillig of het een klein offer is of het offer van zijn leven zelf ‑ doet dit in feite om deel te hebben aan het grote, aan het machtige, aan het lichtende.
En zoals op alle dingen een parodie bestaat, bestaat er ook hier één. De parodie van het duister, de parodie van de zwarte mis. De parodie van het kinderoffer, dat zo nutteloos was. De parodie van het zoeken naar de toekomst in de ingewanden van een mens. Dwaasheden! Maar dwaasheden, die alleen geboren werden door een omkering van op zichzelf natuurlijke en volkomen juiste waarden.
In uw dagen is dit begrip teloor gegaan. Uit het verleden komt een lange stoet naar ons toe van martelaren, van vrijwillige offers. En ze worden geëerd. Er zijn heiligenkalenders. We eren de helden, die hier zijn gevallen en dáár zijn gevallen in de uitoefening van hun plicht. We eren degenen, die in een vrijwillige daad om anderen te redden hun leven hebben gelaten, nietwaar? Maar wij vergeten daarbij de eeuwigheid. Want de wereld is materie geworden, stof, stof, stof. En in de stoffigheid van een materialistisch denken is langzaam maar zeker die band met de kosmos, met de eeuwigheid vervlakt, vergaan. Geworden tot een ijskast en een televisie, tot een volle maag en een roes. Maar dat is het materialisme. Een materialisme, dat op het ogenblik alweer aan het sterven is.
Geloof me, zolang er mensen zijn, mensen die in zich het contact met het hogere aanvoelen, zullen zij daarvoor hun offer brengen. En die offers zullen soms belachelijk schijnen. Soms zullen ze ons vreemd lijken. Maar ze hèbben zin. En naarmate de mens meer bewust wordt van hetgeen hij in feite is, zal hij minder trachten om een vervanging te vinden door dieren, zoals in de oudheid gebeurde. (Abraham, Isaäc en de ram). Hij zal meer en meer zichzelf als offer leggen in hetgeen hij brengt. Niet meer ‑ let wel – in de bloedige, eenvoudige wijze van de meer primitieve denkers. Maar door zijn eigen geestelijk wezen in te leggen in de dingen.
Er zijn altijd offeraars geweest, die dat hebben geweten. Er is ‑ en dat was voor Abrahams tijd ‑ al een orde geweest, die leerde zichzelf te offeren. Zichzelf te offeren, vaak in de symbolen b.v. van koren, van brood, van wijn en vruchten. Maar die daarbij zichzelf offerden, voortdurend weer. En deze waarden, welke de grootste band hebben gevlochten, die tussen kosmos en mens kon bestaan, zijn het geweest, die de offergedachten verheven hebben naar het bovenmenselijk vlak, die het gemaakt hebben tot een directe Godsbeleving en een directe Godsuiting op aarde.
En al wat op het ogenblik over offeren spreekt en dit niet beseft, zal langzaam maar zeker versukkelen en ten ondergaan. Maar degenen, die le­ren begrijpen, hoe je in een offer, waarin je jezelf legt en jezelf geeft, de werkelijkheid vindt van het kosmische ‑ ook wanneer dit gaat in een symbool of in een rituaal, ook wanneer dit soms een daadwerkelijk offer zelfs van eigen leven inhoudt ‑ zullen de mensen weer doen beseffen wat de ware band is.
In deze dagen spreekt men over het bloed vergieten in de oudheid. Spreekt men over de vele bloedoffers van de Druïden, die heus niet zo vaak voorkwamen, als men wel denkt en maar zelden zo onvrijwillig waren, als men voorstelde. Men spreekt op het ogenblik over de verworpenheid van de offers, die men heeft gebracht aan Moloch en de andere Baäls. En men vergeet erbij dat vele van die offers vrijwillige offers waren. En dat ze juist door de vrijwilligheid een werkelijke, ethische, een haast kosmisch‑goddelijke betekenis hadden.
Al wat zelfs in deze dagen nog verwant is met de magie, al wat verwant is met de juiste en de goede esoterie, al wat de mens wil brengen tot een contact met het hogere, is gebaseerd op een zeker offer. Soms alleen maar het offer van een gewoonte. Soms het offer van je eigen denken of van je eigen begeren. Soms een offer van tijd, soms een offer van een heel leven, maar altijd weer het offer. Want geloof mij, de offergedachte voor de mens is niet, zoals men stelt, het prijsgeven van iets. Neen, het is het winnen van iets. De mens, die offert, wint. Hij wint eeuwige waarden en laat daarvoor in feite onbelangrijke en tijdelijke waarden achter zich. Dat is de kern van de offergedachte. En wie dat in deze dagen niet kan begrijpen, is een arm mens, die met zijn gedachten te veel in de materie en het zuiver menselijke is vastgelopen.
Maar de grote en verre planeten komen dichterbij. Opnieuw volgen zij hun banen en schrijven reeds aan de hemel de tekenen, die zeggen: Hier is het einde van het materialisme. Het is het einde van veel, wat op het ogenblik onvermijdelijk en noodzakelijk heet. Het is het einde van heel veel, wat men op het ogenblik geluk en welvaart noemt.
Het offer van de mens, zeker. Het offer van een moderne mensheid, die veel zal moeten prijsgeven van hetgeen ze op het ogenblik nog onvermijdelijk en noodzakelijk acht. Die heel veel geliefkoosde stellingen zal moeten laten vallen. Maar in de plaats daarvoor weer kan winnen het contact met het Eeuwige, dat bij de mensen bijna was verloren gegaan.

Opgang

Naar boven gaan. Stijgen. Kunnen wij eigenlijk wel stijgen? Kunnen wij in feite opgaan ergens buiten onszelf? Want per slot van rekening, in de wereld, in de kosmos ligt God. Al wat wij kennen, kennen wij in onszelf en al wat buiten ons is, is in feite een illusie. Iets dat de waarheid in zich draagt misschien, maar zich aan ons steeds toont met het masker van onze eigen vooroordelen.
Neen, opgang kan niet buiten ons liggen. Buiten ons ligt te veel aan waan, te veel aan begoocheling. Maar in onszelf. Maar in onszelf, steeds beter onszelf kennend, steeds verder doordringend in de waarheid, die in ons leeft, beter begrijpend misschien ook waarom we zijn en waarom we zijn wàt we zijn, dat is opgang.
Men zegt: Opgang is het gaan tot God. God is de scheppende kracht, de kern van ons wezen. Waar kunnen wij die beter benaderen dan in onszelf?
Men zegt: Opgang is wijsheid. Maar welke wijsheid kunnen wij werkelijk verwerven, buiten de wijsheid, die uit de waarheid van ons wezen en daardoor uit het besef van de waarheid in de schepping voortvloeit?
Neen. De mens, die mij spreekt van opgang, die moet ik tegenwerpen: De opgang, waarvan u droomt buiten u in stijgen alleen, is praktisch onmogelijk. Wat u kunt, is opgaan in uzelf. U kunt opgaan in de God, Die in u woont. U kunt een deelgenootschap kennen, dat niet uit te drukken is in persoonlijke waarden. Dat van binnenuit een band vormt met al het geschapene. Daarom mag ik het misschien dan zo overwegen:
Ik wil opgaan. Opgaan als een priester tot het altaar. Maar ook als een kind, dat gaat tot zijn ouders.
Ik wil opgaan. Opgaan in het licht. Licht zijn en toch mijzelf zijn. Want wat ik ook wil verliezen, niet mijzelf, niet het weten en het bewustzijn.
Ik wil opgaan. Ik wil stijgen en stijgen, tot al het kleine van de wereld beneden mij ligt, een verdoezeld detail, dat slechts dient om het grote en volmaakte beeld van de schepping duidelijker tot uitdrukking te brengen. En ik kan dit slechts doen in mijzelf.
Ik ga op tot de tempel, die in mij is.
Ik ga op tot de vlam, die in mij brandt en die is het eeuwige licht, waaruit ik leef.
Ik wil opgaan tot de kracht, die in mij het voortdurende brandpunt is van al het wereldgebeuren, waardoor ik mij bewust word.
Ik wil opgaan tot dat deel van mijn wezen, waarin vormen en waan als een nevel vervlieden en overblijft het zuiver stralende licht van een gouden en gulden waarheid.
Leven wil ik, maar leven in waarheid. Dat is mijn opgang, mijn doel. In mij is het leven als een onmetelijke oceaan; en wat ik ken en weet, is niet meer dan de branding, die breekt aan de kust.
Ik wil opgaan, ik wil het leven kennen, ik wil weten wat en wie ik ben. En het leven is als een atmosfeer, misschien vol van stormen en wolken, maar in zichzelf één en ondeelbaar. Zo ondeelbaar is de tijd van mijn wezen, van het begin tot het einde. Zo ondeelbaar is de eenheid van de vele vormen van bewustzijn en leven, die zich samenvlechten tot het vreemde geheel, dat ik ‘ik’ noem.
Opgaan wil ik naar waarheid, want ik wil leven.
Het werkelijke leven is de eenheid met het gouden Licht. Het ware opgaan is de band, die alle dingen saam verbindt, alle grenzen doet vallen en alle scheiding doet vergaan. Op wil ik gaan tot de waarheid.
Ik wil leven. Ik wil leven in al wat bestaat.
Leven in het vuur van de sterren, leven in de uitgedoofde steen, die dwaalt, door het Al, leven in mensen en dieren en in de kleinste wezens, die reizen door de ruimte op de druk van een lichtstraal.
Leven wil ik in waarheid. Van het kleinst tot het grootst van micro‑ tot macro‑kosmos, wil ik leven en zijn.
Klimmen wil ik, niet slechts naar het grootste, maar in mijzelf naar de ruimte, waarin het grootste en het kleinste bevat kunnen worden.
Opgaan wil ik, niet alleen naar het licht, maar tot het begrip, waarin licht en duister vervloeien en het Eeuwig Principe zich openbaart in de volheid van Zijn Wezen.
Opgaan wil ik in mijzelf, tot uit de diepte van mijn gedachten en weten ik mijzelf tegemoet schrijd en ‑ mijzelf erkennend ‑ zeg: Zie, dit is het beeld van God, dit is het beeld van de kosmos en de schepping. Want waarlijk zijt ge één met uw God, indien ge Die aanvaardt.
Dan ben ik opgegaan. Want waar ik mijn eenheid erken met de macht, die mij heeft voortgebracht, waar ik de waarheid erken omtrent leven en Al, daar vallen alle grenzen, daar vervloeien alle scheidingen, daar rusten alle tegenstellingen en klinkt het machtwoord, dat is de schepping zelf, de eeuwige uiting van het Onbekende.
In deze beschrijvende en overwegende vorm heb ik getracht, u weer te geven wat de gedachte ‘opgang’ in mijzelf wakker riep in het verleden en ook nu nog voor mij betekent. Ik hoop dat het u heeft getroffen en misschien een inzicht geeft in hetgeen u zelf eens kunt zijn, zodra u zich bewust bent van uzelf.
Nimmer kunnen wij onze God verloochenen. Wij kunnen niet weigeren onze God te dienen. Maar‑ wij moeten groeien, tot wij in staat zijn om het beeld van de waarheid van onze God in onszelf te bevatten, totdat de grens van het ‘ik’ wegvalt voor de waarheid.
Dit, vrienden, is dan de laatste these, die wij in deze cursusgang kunnen meegeven.
In dank voor uw pogen tot volgen en begrijpen, met niet slechts wensen, maar ook daadwerkelijke hulp om u tot bereiken te brengen, nemen wij, wat deze cursus betreft, nu afscheid in de hoop dat u het innerlijk licht moge vinden, het innerlijk weten en dat u, door de geheimen van de geest te beseffen, moge doordringen tot de waarheid van uw eigen wezen.