Het onbepaalde

 uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 7) – april 1975

Het onbepaalde

Er is eens iemand geweest die zei: Hoe kan dat? Je bestaat buiten tijd en ruimte. Een handige geest probeerde daar een antwoord op te geven. Stel je voor, zei hij, dat je op een tapis‑roulant staat. Het rolt net zo hard als jij vooruit kunt lopen. Dat ding staat opgesteld in een klein kamertje. Je kunt je dan te barsten lopen zonder van je plaats te komen. Maar als nu de voorstelling opzij ervan ook een beetje verandert, dan heb je het idee dat je werkelijk ver gelopen hebt; toch ben je altijd nog op dezelfde plaats. Zo is het ook met tijd.
Tijd is een beweging, een inspanning die je zelf maakt waarbij je voortdurend attent wordt op andere verschijnselen, zonder dat je je eigen positie in de tijd verandert.
Ja, zei een ander, maar dan heb je tenminste de illusie van een andere ruimte.
De eerste spreker antwoordde daarop: Die ruimte kunnen we ook eenvoudig oplossen. Wij nemen dat tapis‑roulant weg. Nu gaat u kringetjes lopen in die kamer. Dan heeft u in een beperkte ruimte ook weer de mogelijkheid om een oneindige afstand af te leggen. Die afstand kunt u meten in meters, in kilometers, voor mijn part lichtjaren. Maar hoe hard of hoe langzaam u ook loopt, u blijft in uw kamertje.
Dat was natuurlijk een handige maar geen volledige verklaring van de zaak. Als ik het nu op mijn manier ga doen, dan moet u begrijpen dat ik niet van plan ben u een beschrijving te geven van iets dat tijdloos is of van iets dat geen ruimtelijk bestaan kent. Ik zou allerlei gelijkenissen moeten aanhalen waarvan u zich toch geen juiste voorstelling kunt maken. Laten we dus, wat dat betreft, rustig zeggen: De voorstelling ervan is onmogelijk. Dat is het onbepaalde, zelfs het onbepaalbare.
Maar de werkingen, die het voor ons heeft, de mogelijkheden die er voor ons in schuilen, kunnen wij terugbrengen tot bepaalbare, tot definieerbare factoren. Als wij ons nu daarmee bezighouden, dan komen wij misschien een klein beetje verder en krijgen we wat meer inzicht in de werkelijkheid.
U bent eeuwig, dus tijdloos. Die tijdloosheid bestaat voor uw gehele wezen plus het geheel van uw mogelijk bewustzijn. Zolang u zich dus niet geheel bewust bent, leeft u ook niet geheel tijdloos want elke ontwikkeling, die binnen het ego plaatsvindt, wordt ervaren als tijd.

Ruimte

Ruimte op zich is een fictie, want ruimte is iets wat ik bepaal aan de hand van mijn vermogen tot waarnemen en bewegen. Maar mijn waarnemen en bewegen zijn onvolledig. Op het ogenblik dat mijn waarneming en beweging het tijdloze bestaan betreffen, is er geen ruimte. Dan kun je niet eens zeggen: Hier is een punt. Dan zeg je gewoon: Er is niets. Er is alleen maar ervaring van leven, een enorm aantal voorstellingen, maar je kunt niet zeggen waar ze precies thuis horen.
Nu zal een mens in wezen tijdloos zijn en hij is niet in ruimte bepaalbaar. Hij denkt zelf dat hij het wel is. Nu komt er een ogenblik dat zijn denken een beetje wordt uitgeschakeld. Op dat moment kan hij willekeu­rige tijds‑ of ruimtelijke belevingen doormaken, die niet stroken met wat volgens hem nu de werkelijkheid is. Nu is de vraag: Waarin is het verschil gelegen tussen die innerlijke belevenissen en die uiterlijke werkelijkheid?
De uiterlijke werkelijkheid wordt voor de mens ‑ en in zekere mate ook voor de geest, zeker in een vormenwereld ‑ bepaald door de wetmatig­heden waaraan hij zich onderwerpt zonder zich daarbij af te vragen of die wetmatigheden werkelijk bestaan of in feite maar een fictieve fixatie van waarden betekenen om voor hemzelf het bestaan gemakkelijker te maken?
Nu stel ik: uitgaande van de werkelijkheid van ons wezen zijn alle dingen eigenlijk onbepaalbaar. Ze zijn erg maar je kunt niet zeggen dat ze ergens in ruimte of ergens in tijd bestaan. Ze zijn er gewoon. Een mens die droomt, bevindt zich ongeveer in dezelfde toestand. Een mens die helderziend waarneemt, bevindt zich eigenlijk ook in een soortgelijke toestand. De man die een visioen ziet, al helemaal. Daarin ligt meteen een mogelijk bewijs voor mijn stelling en daarnaast ‑ en dat is, naar ik meen, ook wel interessant ‑ een aanwijzing hoe wij ons besef van deze werkelijkheid kunnen hanteren.
Als u een visioen ziet, dan ziet u een beeld dat onveranderlijk schijnt te zijn. U heeft dus geen invloed of althans geen directe invloed daarop. Die voorstelling kan in het heden liggen, maar dat kunt u nooit met zeker­heid zeggen. Er was eens iemand die droomde dat de wereld zou vergaan op l april, maar hij wist niet in welk jaar. Daarom heeft hij er elk jaar op gewacht totdat hij overging en ontdekte dat zijn beeld van de wereld was vergaan op 1 april, omdat hij plotseling de eindigheid van alle verschijn­selen ging verwachten. Dat was, denk ik, de meest kosmische aprilmop die er ooit is uitgedacht. Die man kon niet zeggen, zelfs al wist hij de dag te bepalen, in welk jaar. En dat zien wij nu met elk visioen.
Of wij ons nu bezighouden met de Openbaringen van Johannes of met de helderziende waarneming van de heer Piet Paaltjes, het komt allemaal op hetzelfde neer. De voorspellingen uit de Openbaringen zullen wel waar wor­den, maar wanneer? De symbolische aanduidingen zijn allemaal zinvol, maar al­leen indien wij de zin van die aanduidingen kunnen begrijpen. En dat bete­kent dat degene die ze beleeft, zich bewust moet zijn van een totaal aan waar­den die in hem bestaan, want hij kan de symbolen niet meer vertalen in de termen van zijn gewone dagelijkse bestaan. Daardoor is het visioen zinloos daar het geen bepaalbare toekomst weergeeft. Het is een onbepaalde zeker­heid, die ergens te enigerlei tijd zal optreden. En daar zitten we maar mee.
Een mens die droomt, heeft ook een visioen. Nu denkt hij dat het dicht­bij is. Hij denkt dat hij het begrijpt. Maar wat heeft hij in feite geconstateerd? Iets van een innerlijke werkelijkheid. Maar is die innerlijke werkelijkheid dan aan tijd gebonden? Is die ruimtelijk bepaalbaar? Neen, want het werkelijke we­zen van de mens is kosmisch, dus gelijktijdig niets en alomtegenwoordig. Het wezen van de mens is eeuwig, dus gelijktijdig tijdloos, in tijd niet zon­der meer bepaalbaar. Toch zijn er heel veel mensen voor wie dergelijke vi­sioenen een grote betekenis hebben. Om daaraan zin te geven, moet men iets begrijpen omtrent het wezen van een visioen. En nu neem ik even aan dat het een echt visioen is. Niet de semi‑hysterische namaak van iemand die in zich een openbaring produceert waaraan hij vervolgens zelf gelooft omdat hij anders zichzelf ongeloofwaardig gaat vinden.
Als ik een echt visioen ontvang, dan is het altijd een relatie­weergave tussen een voor mij mogelijk bewustzijn dat nu misschien nog niet bestaat en een bepaald ervaren ‑ mogelijk ruimtelijk ‑ dat voor mij nu niet werkelijk is, maar die beide deel uitmaken van de werkelijke persoonlijkheid die ik ben en daarin gemanifesteerd aanwezig zijn. Ik haal dus gewoon een stukje uit mijzelf. Dat stukje beleef ik. Dat stukje geeft mijn beleven van de buitenwereld weer, inderdaad.
Maar het geeft niet aan op welk ogenblik mijn beleven en mijn bewustzijn zover zijn gevorderd dat wat ik nu in een visioen uitdruk, voor mij een waarheid wordt in de wereld buiten mij. Dat is iets waar de mensen heel vaak aan voorbij lopen.
Een ander voorbeeld: Iemand zegt: Ik weet het zeker, op 7 juni over 8 jaar vergaat de wereld. Die man overlijdt 8 jaar later op 7 juni. Hij heeft gelijk gehad. Voor hem bestaat de wereld niet meer. Maar dat wil niet zeggen dat voor ieder ander precies hetzelfde geldt. Dat is ook een les die we hieruit moeten trekken.
Wij kunnen voor onszelf met zekerheid zeggen dat uit het visioen bepaalde omstandigheden voor ons te enigerlei tijd zullen optreden. Maar wij kunnen niet vertellen dat het voor een ander precies hetzelfde zal zijn. En daar zit de grote moeilijkheid indien wij te maken krijgen met auguriën (voorspellingen) e.d. die in feite op een uitschakelen van de normale tijdruimtelijke relatie berusten. Laten we nu eens kijken wat er gebeurt, als een mens droomt. Dat is ook interessant.
Als een mens droomt, tracht zijn onderbewustzijn een compensatie te vinden voor de spanningen die in het dagelijks leven voor hem zijn gerezen zodat, door die compenserende spanningen, het voor hem mogelijk wordt zijn dagelijkse spanningen weer op te nemen. Ik vind het eigenlijk een droeve situatie voor een mens, als dat zo is, maar het zou kunnen zijn.
Ik zou eerder zeggen: In een droom erkent de mens de betrekkelijkheden van zijn ogenblikkelijke visie op het bestaan. Daar hij deze in zijn droom erkent, zal hij handelen alsof de wetten, die normaal voor hem schijnen te gelden, niet aanwezig zijn. Hierdoor komt hij tot een veel sterkere uitdrukking van zijn innerlijke toestand, maar vooral van zijn noodzaak om bewust te worden. Als je dus droomt, moet je niet zeggen: Dat is waar, want het is niet waar. Stoffelijk niet. Maar aan de andere kant moet je je wel afvragen: In hoeverre gelden daar bepaalde wetten? Want in mijn droom gelden ook regels. Als ik de regels, die in mijn droom gelden, vergelijk met de normale regels van mijn dagelijks bestaan, dan zal ik daaruit kunnen afleiden wat er in mijn persoonlijkheid aan niet geuite mogelijkheden nu aanwezig is.
Buiten ruimte en buiten tijd wil zeggen vanuit menselijk standpunt: niet mogelijk. Als ik dan stel dat dit menselijk gezien onmogelijke bestaat, dan zeg ik daarmee gelijktijdig dat de menselijke waarden en waarderingen op zichzelf maar zeer beperkt zin hebben. Wij kunnen nog een stap verdergaan.
Op het ogenblik dat ik de betrekkelijkheid besef van al mijn nu erkende waarden en eveneens de betrekkelijkheid van alle belevingen, voor zo­ver ik die baseer op buiten mij bestaande waarden, zal ik mij eerder rich­ten op mijn eigen vermogen. In dit vermogen zal ik ontdekken dat alles wat ik in mijn leven nastreef, in mij wel degelijk bestaat en te verwezenlijken is. Op het ogenblik dat ik de wereld naar binnen breng, sta ik niet meer voor het onbereikbare. Ik schakel de regels en wetten uit waaraan ik pre­tendeer mij te houden. Alle wetten en regels die in de stoffelijke wereld bestaan ‑ van de zuiver natuurkundige en biologische tot de meest mora­listische toe ‑ zijn betrekkelijke regels wier bestaan ons leven bepaalt omdat wij het onaantastbare bestaan van die regels zonder meer aanvaarden.
Op het ogenblik dat ik een of meer van de in de wereld buiten mij algemeen aanvaarde regels van mogelijkheid en wetmatigheid niet meer er­ken en dit erkennen weet uit te breiden tot mijn innerlijk bewustzijn (dus niet naar buiten toe zeggen: ik geloof het niet, terwijl je in jezelf denkt dat het waar zou kunnen zijn) ontsnap ik aan de beperkingen van een dergelijke regel. Dat heeft het voordeel dat ik een veel grotere vrijheid van zijn en han­delen win. Het heeft het grote nadeel dat ik mij op deze wet of regel ook nimmer meer zal kunnen beroepen.
Nu zegt u waarschijnlijk: Wat is dat nu weer voor een rare opmerking. Neem als voorbeeld zwaartekracht. Er was eens een man die zei: Zwaarte­kracht bestaat niet. Toen hij het werkelijk geloofde, bestond voor hem de zwaartekracht niet meer. Vanaf dat ogenblik dobbert en zweeft hij. Hij zou graag op één plaats op aarde blijven vastkleven, maar dat kan alleen in­dien hij zich daar stevig aan vasthoudt, daarin gelooft hij nog wel. De zwaartekracht zonder meer houdt hem niet meer beneden. Dientengevolge is het voor hem het eenvoudigst om tamelijk hoog te springen en in de at­mosfeer te rusten, terwijl de aarde onder hem voort tolt.
Een krankzinnig verhaal. Misschien. Maar is het niet even krankzin­nig dat wij geloven dat leven en dood worden bepaald door vaste mechanismen?
Als een mens zegt: Mijn cellen worden niet ouder en hij gelooft daar werkelijk in, dan worden die cellen niet ouder. Dat wil zeggen dat elke cel geheel wordt vernieuwd, alle afval op de een of andere manier wordt verwerkt. Zo iemand blijft jong. En als hij dat nu werkelijk heeft geleerd, dan wordt hij steeds ouder, en naar men hoopt wijzer, en dan wordt hij een Meester. En als hij eenmaal Meester is, ontdekt hij dat het continueren van het bestaan door ontkenning van de dood, niet zinvol is omdat namelijk de beperkingen van het stoffelijk bestaan toch teveel zijn om daarin een volle­dige ontplooiing van je persoonlijkheid mogelijk te maken.
Er zijn mensen die zeggen: Ik wilde dat ik eeuwig kon leven. Ik wil niemand zijn liefhebberijen ontnemen maar altijd weer hetzelfde ge­zeur wordt vervelend. Steeds weer een revolutie, een evolutie progressi­viteit, behoudzucht, nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, nieuwe weten­schappelijke stommiteiten en dat blijft zo maar doorgaan, er komt geen einde aan en de zin van het leven komt niet dichterbij. Dus ben je eigenlijk geen stap verder gekomen.
Wat ik echter nu zit te beweren, is iets heel anders. Ik zeg namelijk niet dat de dood zonder meer overwonnen kan worden. Ik zeg dat de dood en elke schijnbaar onvermijdelijke toestand of situatie berust op een illu­sie. De illusie dat er wetten zijn die ons werkelijke en gehele wezen kunnen regeren. Ontkennen we die wetten met geheel ons wezen, dan kunnen ze ons niet aantasten. Want ook voor de wetten die in de wereld rond ons zo’n grote rol spelen, worden wij op het ogenblik dat wij hun onwezenlijk­heid erkennen, onbepaalbaar en daarmede ongrijpbaar. Er zijn veel mensen die dat graag zouden doen t.a.v. de belasting. Maar het gekke is: iemand die op zo’n manier aan de belastingen wil ont­komen, moet geloven dat er belastingen bestaan. Maar als hij gelooft dat er belastingen bestaan, gelooft hij dat er een belastingplicht is. Dien­tengevolge erkent hij zijn streven als een poging om te ontkomen aan een be­staande verplichting, die innerlijk gezien een wetmatigheid vormt. Daarom kan hij zich daaraan niet onttrekken.
Indien ik geloof in God in een bepaalde vorm en in eigenschappen en wetten van die God, dan wordt hierdoor mijn mogelijkheid en vermogen in de kosmos bepaald. Het betekent dat ik in ruimte en in tijd beperkt zal zijn volgens mijn erkenning van die God en de werkingen van die God. Erken ik dit nu niet meer, dan valt die bepaling weg en daarmee de beperking die ik mij onbewust heb opgelegd. Het wordt tijd om het een en ander nog wat praktischer te stellen, want u weet nu ongeveer waar het om gaat.
Er zijn een aantal dingen in je bestaan als mens die je niet werke­lijk kunt ontkennen. Als een mens moet zeggen: “Ik ben niet hier”, dan is hem dit onmogelijk omdat de erkenning: “ik ben hier” gelijktijdig een erken­ning is van “ik besta”. De meeste mensen kunnen hun erkenning van hun be­staan niet losmaken van een plaatsbepaling.
Een mens denkt: ik ben zo oud. Dat is een zeer relatief begrip en dat weet iedereen ook wel. Maar de erkenning van die ouderdom is tevens de erkenning van wat achter je ligt. Op het ogenblik dat je wat achter je ligt, ontkent, kun je niet oud zijn. Dit betekent dat wij in feite beperkt zijn door onze behoefte om onszelf op de een of andere manier te bevestigen en uit te drukken, zowel in de wereld om ons heen alsook te­genover onszelf.
Er zijn echter vele regels en wetten die we wel erkennen maar die eigenlijk niet essentieel zijn voor ons persoonlijk bestaan. Die wetten kun­nen wij ontkennen, zowel innerlijk als naar buiten toe. Op het ogenblik dat wij dit doen, ontstaat er misschien wel een conflict met de maatschappij ‑ u moet niet denken dat het geheel zonder moeite gaat ‑ maar de beperkin­gen, die in een dergelijke wet gelegen zijn, vallen dan ook weg. Het ego is in staat door ontkenning van begrenzingen (van ruimte, van tijd of an­dere) zijn vrijheid zover te vergroten dat het in staat is een groter deel van eigen wezensinhoud in de wereld tot uiting te brengen en in weerkaat­sing die wereld te ontdekken.
Nu zullen er mensen zijn, die zeggen: Er moet toch goed en kwaad zijn. Dat is er ook. Het is wel een erg persoonlijke zaak, maar het is er nu eenmaal. Goed, is datgene waarin ik mijzelf kan erkennen. Kwaad, is datgene waarin ik mijzelf vrees te verliezen. Er zijn mensen, die denken: Dit of dat zou ik graag doen. Het is natuurlijk verkeerd of slecht, maar op dat ogenblik hebben ze voor zichzelf de volledige verwezenlijking onmogelijk gemaakt. Elke poging tot verwezenlijking brengt consequenties met zich mee die zij nu niet kunnen overzien omdat ze, door het aanvaarden van een deel van een wet (al is het maar de wet van goed en kwaad), gelijktijdig daarbij behorende consequenties hebben aanvaard, of zij die nu bewust beseffen of slechts onbewust met de wet hebben aanvaard.
Als ik dit allemaal zo tot uiting breng, dan is het eerste wat een mens nodig heeft om tot werkelijk inzicht te komen, te begrijpen wat zijn mo­gelijkheden zijn en wat hij zelf is, het uitzoeken van al die dingen waarin je eigenlijk, tegen wil en dank, geloof: de regels en wetten, die ergens schijnen te zijn en waaraan je je toch onderwerpt. Probeer eerst het bestaan van dergelijke regels en wetten te ontkennen. Handel alsof die regels en wetten er niet waren. Doordat je ze voor jezelf ook innerlijk niet hebt er­kend en niet hebt beleefd, zul je een veel grotere vrijheid van handelen en beleven krijgen.
Als je denkt aan tijd, dan beperk je jezelf ook. Als je daarentegen je eigen begrip van tijd – dat is voor een mens misschien wel mogelijk ‑ kunt herleiden tot een persoonlijke tijd, een persoonlijke opeenvolging van belevingen, dan maak je je sterk en onafhankelijk van het tijdsbegrip en het tijdsverloop zoals het buiten je bestaat. Voor anderen reageer je nog in die tijd. Maar daar je innerlijk besef niet meer gebonden is aan allerlei tijdssequenties die o.m. de synapsen van het zenuwgestel bepalen e.d., kom je tot een versneld reageren waar dit, voor het ‘ik’ noodzakelijk is en gelijktijdig ben je eigenlijk uitgeschakeld, reageer je helemaal niet waar dit voor het ‘ik’ onbelangrijk is. Je houdt op die manier meer tijd over om werkelijk jezelf te zijn. Het onbelangrijke wordt voor een groot gedeelte uitgeschakeld. Daarnaast win je aan kracht want doordat je eenvoudig niet meer reageert op regels die voor jou niet bestaan, ook als de wereld zich daarmee bezighoudt, houd je energie over om sneller en intenser te re­ageren op die punten welke ook van belang zijn.
Hoe zit het nu met kracht?
Kracht is altijd een heel belangrijk ding voor een mens. Kracht, ver­mogen, drukt voor hem ook nog macht uit. Het betekent vrijheid. Het bete­kent een zekere mate van heerschappij en beheersing. Het is eenvoudig een los komen te staan van de beperkingen die voor een ander gelden. Als ik aanneem dat mijn krachten beperkt zijn, dan zijn ze beperkt.
Om u een voorbeeld te geven: Molière schreef ‘Le malade imaginaire’. Hierin zien wij iemand die voortdurend lijdend is en die veel minder is en doet dan hij zou kunnen zijn en zou kunnen doen, omdat hij aanneemt dat hij minder kan en zijn ener­gie in feite verspilt in het benadrukken van zijn onvermogen in plaats van die te exploiteren voor de uiting van zijn mogelijkheden. Er zijn heel veel mensen die precies hetzelfde doen.
Als ik iemand wil genezen, dan is het besef dat ik hem kan genezen voldoende om de genezingsmogelijkheid te scheppen, zolang de ander die maar aanvaardt. Als ik geloof dat .ik niet ziek ben, dan zullen aanwezige ziekteverschijn­selen sneller verdwijnen en ook minder invloed hebben op mijn wezen. Lichamelijk zal die ziekte misschien enige tijd voortbestaan ‑ de stof is traag ‑ maar ze verdwijnt. Geloof ik dat ik ziek ben, terwijl ik dat niet ben, dan wordt mijn lichaam ziek en het wordt steeds zieker. Anders gezegd: Houd er rekening mee dat, wat je denkt (datgene waarmee je van binnen be­zig bent), wel degelijk bepalend is voor je lichamelijk welzijn en zelfs voor je mogelijkheden t.a.v. de buitenwereld. Maar als we dat t.a.v. de gezond­heid zeggen, waarom dan niet t.a.v. God?
De mensen zeggen: God kan door mij niet spreken. Als ze dat zeggen, dan gebeurt dat zeker niet. Er zijn ook mensen die zeggen: God moet tot mij spreken. Daarbij stellen zij zich in de plaats van God. Zij kunnen hoogstens tot zichzelf spreken, maar God kan tot hen niet spreken want die dwang ligt eenvoudig buiten de mogelijkheid. Het is een tijdsdwang, een reactie­dwang. Dit kan niet bestaan. Maar de mens kan zeggen: Ik leef in een we­reld waarin God vrijelijk tot mij kan spreken en ik vrijelijk tot God. Dan is hij niet voortdurend bezig om met die God te spreken. Hij zit ook niet voort­durend te luisteren, want hij zegt: Als God mij nodig heeft, zal Hij mij wel roepen. Hij accepteert het. Als er een kosmische impuls komt die op eniger­lei wijze vergelijkbaar is met het beeld van God in die mens, dan zal hij de­ze ervaren. Het zal voor hem een boodschap zijn. Hij zal op die kracht, die bood­schap kunnen reageren. Hij zal daarom de werking van die kracht, zoals ze voor zijn wezen kenbaar is, kunnen wijzigen. De mens kan wandelen met God. Precies zoals Adam gedaan moet hebben.
Wandelen met God is mogelijk indien wij beseffen dat wij wandelen met God. Zelfs in de oude legenden staat het duidelijk: Adam en Eva schaam­den zich. Met andere woorden, ze hadden het scherm dicht gedaan. Voor hen was God alleen nog maar een kracht die tot hen kon spreken, maar zij hadden niet meer de gedachte dat ze eenvoudig tot die God en met die God konden gaan. Daar heb je het: beperking van mogelijkheid.
De mogelijkheid op zich is niet bepaalbaar. Als je wilt zeggen: Wat is de kans dat iemand met God spreekt, dan is dat onbepaalbaar. Dat weten wij niet. Want we weten niet wat deze mens in zich beleeft en ervaart. Wij weten niet wat zijn beeld van God is. Wij weten niet welke kos­mische waarden en impulsen tijdloos of tijdgebonden hij als God zal beleven. Maar we kunnen wel zeggen dat het voor de meeste mensen onmogelijk is te wandelen met God.
Als we nog een stukje verdergaan, zouden we dan niet zeggen: God kan door ons spreken. Gods kracht kan op ons inwerken. Datgene wat wij denken en geloven, bepaalt wat wij als kracht uit God in ons ervaren. Dat wil niet zeggen dat wij altijd gelijk krijgen met onze wensen.
Er was eens een mannetje dat naar de stad ging en riep: “Bekeert u of uw stad zal ondergaan.” Die man heeft een enorme spijt gehad dat de men­sen naar zijn woorden hebben geluisterd, want hij zat onder zijn palmboompje te wachten tot de stad zou vergaan, maar de stad verging niet. In dit bij­belse beeld, zie ook weer wat er gebeurt: Als ik een conditie stel, schep ik een wet. Elke conditie die ik stel in en vanuit mijzelf ‑ of ik dit nu God noem of wat anders ‑ is voor mij bindend in mijn relatie tot de wereld. Indien ik al mijn bindingen met de wereld ervaar als komende uit God of uit het onbepaalde of uit wat dan ook, en voor mijzelf daaruit steeds een positieve en harmonische relatie met de wereld stel, dan maak ik deze hierdoor waar. Want ik ben nu onaan­tastbaar geworden voor degenen die de harmonie weigeren. Ik respondeer alleen op harmonie. Op den duur wordt die harmonie voor mij de enige wer­kelijkheid.
Maar als ik die werkelijkheid heb geschapen en ze is door mij een­maal beleefd en erkend, dan is ze niet meer aan tijd gebonden. Ze ligt ook niet meer in een plaats opgesloten. Dan is ze in wezen zelf onbepaal­baar geworden omdat ze ‑ hoe ik mij het bestaan ook voorstel, waar ik ook verschijn ‑ altijd als deel van mijn wezen in verschijning treedt, daar ze mijn relatie ten aanzien van al het zijnde bepaalt.
Leer aan te voelen wat voor u juist is zonder u daarbij te beroepen op redelijkheid of onredelijkheid. Stel dat het aangevoelde uzelf evenals de wereld bepaalt. Als u aanvoelt dat de wereld ziek is, dan schept u een vergelijkbare reactie in u. Dat wil zeggen, indien ik uitga van de wer­kelijkheid van de wereld, dan moet ik ook uitgaan van de werkelijkheid van mijzelf als deel van die wereld. Als ik dan iets stel omtrent de wereld, dan stel ik het ook omtrent mijzelf. Stel ik: “de wereld is ziek”, dan stel ik dat ik zelf ergens ook ziek ben. Stel ik dat de wereld gezond is, dan zullen de feiten mij een tijdlang schijnbaar ongelijk geven. Indien ik echter innerlijk daaraan geloof, zal ik alle positieve waarden erkennen, maar ik zal zelf ook gezond worden.
Dat wil zeggen dat een groot gedeelte van de misstanden verdwijnen. Niet om­dat ze veranderen, maar omdat hun betekenis en daarmee hun inhoud in de relatie mens ‑ wereld verandert. Dat is waar het hier om gaat.
Zoek vanuit dit gevoel steeds naar een intensivering van alles wat positief is, wat een bevestiging betekent van uzelf en andere dingen. Als u dat heeft gedaan, besef dat u daarmee een wet heeft gesteld die u en de wereld waarin u leeft, beheerst. Op den duur zult u ontdekken dat tijd veel minder belangrijk wordt. Omdat tijd minder betekenis krijgt, heeft u meer tijd, zoals een mens zou zeggen. In feite betekent het dat u door de tijd minder wordt beheerst en dat het de voltooiingsdrang is die uw tijds­duur bepaalt in b.v. een stoffelijke wereld; niet meer het tellen der dagen.
Geloof niet meer in ruimtelijke beperktheid. Dat is voor een mens mis­schien het moeilijkste dat hij zich kan voorstellen. Begin je maar voor te stellen dat er in jou iets is wat niet gebonden is aan één plaats in de ruimte, maar dat je overal, waar je dat wilt, kunt waarnemen. Door dit voor jezelf te stellen, vergroot je je vermogen tot waarnemen, ook al zul je die belevingen voorlopig waarschijnlijk vertalen als vormen van uittredingen, visioenen of droombeelden. Je zult daarnaast steeds meer ontwikkelingen gaan zien die ook in tijd niet definieerbaar zijn. Besef dat dit geen din­gen zijn die nu waar moeten worden, maar dat alle ervaringen die je op deze manier hebt opgedaan, je verhouding tot de wereld gaan bepalen.
Als je droomt dat morgen de wereld vergaat, dan betekent dat niet dat de wereld werkelijk vergaat. Het betekent wel dat de wereld, zoals jij die kent, op dat ogenblik vergaat; dat je je dus moet losmaken van al­lerlei bindingen en gevoelens van verplichting tegenover die wereld. Dan alleen kun je voortgaan.
Als je droomt dat je gevangen bent, dan moet je beseffen dat die gevangenschap door jezelf wordt bepaald. Indien je die gevangenschap niet aanvaardt, is er geen gevangenismuur die je kan tegenhouden. Als je als mens denkt dat je stoffelijk die beperking niet kunt overwinnen, dan zal toch je geest kunnen uitgaan en al datgene kunnen opbrengen wat je buiten die gevangenis in de wereld wilt waarnemen, wilt waarmaken. Op die manier kun je een veel grotere evenwichtigheid bereiken.
En dit alles betekent: Een mens, die begint los te komen van de door hemzelf gestelde be­grenzing, die steeds minder ruimtelijk gebonden, ook niet aan tijd gebonden is, kan met zijn bewustzijn steeds grotere delen van het bestaan bestrijken. Hierdoor zal zijn wezen minder beperkt beleven. Het komt dan als vanzelf in een toestand van verhoogd of kosmisch bewustzijn waarbij de samenhangen van ruimte en tijd geen rol spelen maar het geheel van het gebeuren, daar alle tijden en in alle ruimtelijke punten denkbaar, samenvloeien in de per­soonlijke reactie op een AL, dat schijnbaar chaotisch voortdurend van vorm verandert, maar dat qua sfeer en wezen gelijk blijft.
Dit is dan een kosmische bewustwording en dit is gelijktijdig de bena­dering van een werkelijkheid die bestaat achter ruimte en tijd. Het is een doordringen in het menselijk onbepaalbare waarin gelijktijdig meer werkelijk­heid beleefbaar wordt dan voor een mens voorstelbaar is.
Onthoudt u tot slot één ding: Als er in een zeedijk een gaatje komt (van een beetje begrip van uw kant), zo groot dat er een druppel water doorheen kan, dan is die hele dijk binnen korte tijd niets meer waard. Dat is met ons besef precies eender.
Ons besef van onze wereld en onze werkelijkheid is een dijk, die staat tussen ons en een werkelijkheid waarin tijd en ruimte niet bestaan, althans geen waarderingsrol meer spelen. Als wij op één punt zover komen dat we dit tijdloze ervaren (deze omschakeling van uiterlijkheden op innerlijke resonan­tie) tot stand kunnen brengen, dan krijgen wij steeds meer. Of zoals een Zweeds denker eens zei: “Als ik een druppel proef van de eeuwigheid, dan ben ik aan alle tijd ontrukt.” En dat is nu precies wat ik heb getracht te betogen.
Er is, wat u noemt, nog een hogere werkelijkheid. Maar op het ogenblik dat iets van die hogere werkelijkheid voor u inderdaad werkelijkheid is, be­tekent dat gelijktijdig dat u gaat behoren tot die hogere werkelijkheid en dat niets van de lagere wereld u meer kan deren. U bent er niet meer aan onderworpen.

Woorden van Meesters

Als wij zeggen ‘Meester’, dan bedoelen wij iemand wiens bewustzijn zo­danig anders is dat wij niet kunnen begrijpen hoe zo iemand toch mens is en zo denkt en zo leeft. Er zijn er in de loop van de menselijke historie zeer velen geweest. Van verschillende van hen wil ik zonder verdere aanduiding hier enkele citaten geven, eventueel voorzien van commentaar.
“Meester, is sterven mogelijk?” vroeg de leerling.
“Sterven is onvermijdelijk”, zei de Meester, “omdat gij u af­vraagt of het mogelijk is. Want datgene waarvan wij niet zeker zijn, maken we waar. En datgene waarvan wij zeker zijn, vergeten we tot het voor ons niet meer bestaat.”
Het is misschien een simpele manier om het te benaderen, maar klopt het niet ergens met wat die andere Meester zei, toen hij, eveneens door een leerling, werd gevraagd of er iets waar was van de hel, die de blanke predikers predikten. Deze Meester antwoordde daarop:
“Zij, die een hel prediken, maken een hel. Wie een hel maakt, leeft in een hel. Zo is er een hel voor eenieder die erin ­gelooft. Geloof hem dus niet, leerling. Geloof in de goedheid, die alle dingen samenbrengt in een en hetzelfde licht, in een en dezelfde waardigheid.”
Toch zien de Meesters de wereld vaak anders dan de mens. Er is geen duisternis die niet zinrijk is. Want niet slechts in licht en duister tekent de grootheid van het bestaan zich voor ons af. Indien wij het licht ontkennen, zien wij niets. Indien wij het duister ontkennen, er­varen wij niets. Maar waar wij ervaren en erkennen, daar zien wij een werke­lijkheid die licht en duister omvat en zo ons de vreugde van volledig­heid doet beleven. Dat is begrijpelijk. Tegenstellingen zijn niet zo be­langrijk. Maar zonder die tegenstellingen zouden wij niet ervaren. Wij moeten ons bewust zijn van het Hogere voordat wij het kunnen beleven.
“Meester, zijt ge wel eens in de hemelen getreden?” Deze wijze ,een Hindoe sprak:
“Ja, vele malen ben ik in de hemelen geweest en terug­gekeerd op de wereld, omdat ik haar nog steeds zie als mijn taak. Daarom: zwijg, leerling. Indien gij een kat omhoog werpt die niet meer terugkeert en zegt: zij is in de hemel, dan zullen de mensen tot die kat bidden. Maar ga werkelijk tot de hemel en keer terug, en de mensen halen de schouders op want zij kunnen niet begrijpen dat voor de wijze de wereld goed en belangrijk kan zijn.”
De leringen van een ander land en van een andere tijd houden zich ook vaak bezig met het offer. De mens gelooft in het offer en de Meester moet daarop reageren.
“Offeren,” zo sprak de Meester, “is goed voor de mens die nog niet weet waaraan hij offert. Want door te geven wat dierbaar is, ontwaakt in hem het besef dat hij verwachten mag wat hem dierbaar kan zijn. En zo bereikt hij altijd meer dan hij geeft. Maar hij, die niet gelooft in de noodzaak van het offer omdat hij de werkelijkheid kent, voor hem is het offer een dwaasheid, een symbool hoogstens, waarmee hij anderen tevreden stelt, die zijn werkelijkheid nog niet begrijpen.” Dit was iemand uit de Orde van Melchizedek.
Een zeer interessant en m.i. ook zeer overtuigende uiting stamt uit een veel latere tijd. Het hoort thuis bij een van de moderne Meesters.
“Hoe kunnen wij de wereld liefhebben?”
“De wereld liefhebben, is jezelf liefhebben. Want wie de we­reld verwerpt, verwerpt zichzelf. Wie zichzelf verwerpt echter, kan niet aanvaarden wat er aan goed en licht in hem bestaat . Daarom zeg ik u: Heb de wereld lief, ondanks alles, opdat gij, het licht in uzelf kennende, het licht moogt liefhebben dat ook nu in de wereld leeft.”
Hier wordt naastenliefde niet gepredikt als Gods wil, maar als een na­tuurlijk iets. En het is opvallend dat veel van de latere Meesters dan ook hun uitspraken geheel richten op een menselijke werkelijkheid. Gods wil is iets wat voor hen vaag en ver is, zoals een van de grootste Leraren van deze dagen eens zei:
“Als een mens zegt: de wil Gods, zo weet hij niet waarover hij spreekt. Want wie de wil Gods kent, kent God. En wie God kent, is niet onderworpen aan de kleinheid van de wereld. Zeg daarom: Wat is het licht en het goede in mij? Want hij, die het licht en het goede dat hij kent, waarmaakt en nastreeft, hij vervult de wetten van harmonie die voor ons in de plaats treden van een wil Gods, die wij niet kennen.”
Typerend, vindt u niet? Typerend vooral door een benadering waarin het mysterie niet meer menselijk is en dichtbij. Aan een van deze laatste Leraren werd ook gevraagd wat hij dacht van Jezus Christus. Zijn antwoord was:
“Wanneer het Licht op aarde komt, moet je erkennen wat in het Licht te zien is. Niet moet je de ogen sluiten, opdat je het Licht als God kunt aanbidden.”
Hier wordt duidelijk gemaakt dat het wezen en de aard van Jezus, waar­over zoveel gevochten is, eigenlijk niet belangrijk is. Belangrijk is wat Jezus zegt, wat Jezus is, hoe Jezus leeft. De mens, die zich daarmee bezighoudt in erkenning en zoeken naar harmonie, naar navolging waar dit voor hem mogelijk is, bereikt veel meer dan hij die bidt.
Ook een veel oudere Meester heeft eens wat zonderling gereageerd, toen een leerling hem vroeg: “Is het niet goed dat wij naar de tempels gaan en bidden tot de goden?” Hij antwoordde:
“Wie zo weinig doordrongen is van de werkelijkheid die in hem leeft dat hij tijd overhoudt om naar de tempels te gaan, laat deze bidden tot de goden waarvan hij niet weet of ze bestaan. Maar hij, die weet wat de werkelijkheid is, hij bidt niet tot de goden, maar hij spreekt met de werkelijkheid waaruit de goden zijn voortgekomen en sprekende daarmee, beseft hij wat hij moet volbrengen op deze wereld, zelf werkend en niet betrouwend op de hulp van goden.”
Een wereldbeeld. Een beeld van eigen werkzaamheid, van eigen vertegen­woordiging van .het onbekende. Dat vinden wij steeds weer terug.
en Zenmeester eveneens sprekend over werkelijkheid zegt:
“Als je een kamer ziet en de ogen sluit, is ze pas werkelijk als je daar doorheen kunt gaan alsof je de ogen open zoudt hebben. Als alleen werkelijk is wat je ziet, blijkt later dat je heel iets anders voelt.”
Ongetwijfeld heeft hij groot gelijk. Probeert u het thuis maar eens, als u niet bang bent voor de schade. Kijk naar uw kamer, sluit de ogen en pro­beer te handelen alsof u normaal zou kunnen zien. U zult met verbazing ontdekken hoeveel obstakels er zich op onverwachte plaatsen op uw weg bevinden.
Zo is het met de kosmos, met de werkelijkheid. Wij denken dat wat wij zien en wat wij met onze rede kunnen omschrijven, de enige waarheid van de kosmos is. Maar de werkelijkheid is toch eigenlijk alles tezamen. Elk deel van ons wezen moet zich in die werkelijkheid kunnen bewegen. Als dat niet het geval is, heeft het weinig zin.
Ik zou hier nog een drietal citaten aan toe willen voegen.
“Spreek van licht, indien gij het aanvaardt. En aanvaardend het licht, spreek van wat het u openbaart. En daar waar de openbaring voor u aanvaardbaar is geworden, vervul datgene wat ge zijt in het licht.”
“Vraag niet: Hoe denken de mensen? Wat willen de goden? Wat bestemmen de Nornen?” (Schikgodinnen)
“Vraag: Wat ben ik? Wie ben ik? Hoe ben ik? En wetend wat ge zijt, handel.”
“Wie leeft, draagt de dood in zich. Wie dood is, draagt het leven in zich. Dit is een werkelijkheid. Maar hij die denkt dat hij niet het tegendeel van hetgeen hij in zich draagt niet eveneens waarmaakt, hij is een dwaas want hem ontgaat de volledigheid die in hem bestaat.”
Sta mij toe dat ik dit nog kort uitwerk.
Als je denkt dat je goed bent, moet je ook kwaad zijn. Want hoe kun je weten wat goed is, als je niet weet wat kwaad is? Hoe kun je zeggen dat je deugdzaam bent, als je nooit gezondigd hebt? Hoe kun je zeggen dat je zondig bent, als je nooit deugden hebt bezeten? Alle dingen die wij kennen en beleven, bestaan uit tegenstellingen, uit twee delen. Laten we dat eerst aanvaarden. Dan zullen wij niet meer beoordelen: dit is goed of dat is kwaad, maar wij zullen zeggen: dit is een levensmogelijkheid. En uit die levensmogelijkheid zullen wij waarmaken wat voor ons de perfectie vormt. Wij moeten groeien naar het aanvaarden van het leven als een geheel met alle tegenstellingen en afzien van een poging om ons bestaan en het bestaan van anderen in een algehele eenzij­digheid van tegenstelling af te doen. Want daarmee verliest het zijn betekenis.
Wie leeft zal sterven. Dat is op aarde een waarheid. Maar wie sterft, leeft in de geest. Zo is sterven leven. Maar leven is ook een beetje sterven. Want wanneer je begint te leven, begin je te sterven. Dat wil zeggen dat, terwijl je stoffelijk ouder wordt, de geest steeds dichter bij de werkelijkheid gaat komen en van daaruit meer kan gaan spre­ken.
De Meesters hebben het zo wijs gezegd. Maar ze hebben vooral dui­delijk willen maken: een mens moet het geheel leven. Niet alleen de ene kant of de andere kant, maar het geheel. En in de erkenning van het ge­heel en alle mogelijkheden die er in en rond hem bestaan, moet hij een be­wuste keuze doen. Niet omdat ze goed is, maar omdat ze zijn juiste keuze is.
Dan zou ik kunnen afsluiten met een woord van een van onze geeste­lijke broeders. Deze maakte kenbaar ‑ ik zet het om in woorden:
“Indien wij weigeren ons begrip van onszelf waar te maken, hoe zullen wij ooit kunnen beseffen wat werkelijkheid is?
Ik zal streven. En indien mijn streven verkeerd blijkt, zo zal ik trachten opnieuw en anders te streven. Maar ik weiger mij van streven te onthouden uit angst dat mijn streven verkeerd zal zijn. Want slechts hij, die leeft volgens het beste begrip dat nu in hem bestaat, zal mogelijk beseffen hoe zijn taak ook andere zaken kan bevatten.”
Ik meen, vrienden, dat dit woord voor ons allen mag gelden. Zeker, innerlijke bewustwording is voor een mens belangrijk, maar zonder daad is ze waardeloos. Een daad, die wordt gesteld zonder dat de innerlijke achtergrond daarin meespeelt, is eveneens betekenisloos. Slechts daar waar ons innerlijk besef en onze uiting een geheel vormen, daar zijn wij op weg naar een waarheid, een werkelijkheid, die voor ons eeuwig blijvend en onveranderlijk zal zijn.

Dierbaar

Wat kan mij dierbaarder zijn dan dat wat ik zelf ben en erken in een ander, die is? Dierbaar is mij mijn wezen en dierbaar is al wat ik daar­toe reken. Dierbaar is al wat ik daaromtrent verwacht, want waarlijk, dit is mij lief omdat ik mijzelf lief ben.
Lach niet en zeg niet: Zoveel in de wereld moet ons dierbaar zijn.
Dat is dwaasheid. Dierbaar is dat wat in je leeft. Dierbaar is de wer­kelijkheid die je bent. Dierbaar is de wereld, dat is een projectie van jezelf.
Een mens kan je dierbaar zijn. Zeker indien je versmolten bent met die mens in de geest, anders is het een illusie. Een mens, een voor­werp, een streek, een land, een begrip kan je dierbaar zijn, maar dan toch vooral omdat het in je leeft, omdat wat je ziet, jouw wezen is.
Waarlijk, wij hebben onszelf lief en wij zoeken onszelf in alles wat ons lief kan zijn. En eerst als wij beseffen hoezeer al wat wij liefhebben, verbonden is met ons wezen, er deel van uitmaken, zullen wij niet treuren om de schijn van verlies, want wat je werkelijk dierbaar is, verlies je niet. Het is deel van je, onverbrekelijk met je verbonden. Het was immers deel van je op het ogenblik dat je het dierbaar noemde.
Vrienden, mogelijk is mijn beschouwing een andere dan de uwe, maar ik moest mijn begrippen weergeven, hoe beperkt zij ook mogen zijn. Indien uw wijsheid groter is, stel haar in de plaats van de mijne.
Indien gij zoekt naar wijsheid, vertrek van hetgeen ik u heb gegeven en zoek uw eigen weg. Want voleinding is iets wat ge alleen kunt vinden door zelf de weg der onvolmaaktheden te gaan, tot ge de voltooiing hebt gevonden.