Het ontstaan en het wezen van woestijnen

Als we woestijnen zeggen, dan denkt de mens aan een zandvlakte zonder meer. Dat is natuurlijk niet waar. In een woestijn vinden we rotsen en bergen. We vinden daarin lage en hoge gedeelten, verschillende soorten zand en zeker ook verschillende soorten ondergrond. Toen de aarde nog erg jong was, zijn de oergesteenten uitgekristalliseerd. Dat wil zeggen, dat bepaalde gesteenten door afkoeling in het begin vast materiaal waren. Daarna zijn er andere, half vloeibare materialen door het verder afkoelen van de aarde naar buiten gekomen en die zijn eveneens afgekoeld. Zo zijn er een aantal gesteentelagen ontstaan. Die gesteentelagen hebben door het vulkanisme een zekere voedingsbodem gevormd waarin zich op den duur allerlei leven uit de oerzee kon vestigen. U zult zeggen: waarom begin je daarmee? Dit is voor het begrip van het wezen zowel als voor het ontstaan van woestijnen erg belangrijk. Wat is er namelijk gebeurd?

Er is plantengroei ontstaan. Zelfs toen de beschermende wolkenlaag, die een lange tijd rond de aarde heeft gehangen, grotendeels was neergeslagen en er dus oceanen waren gevormd, was het toch nog mogelijk dat de plantengroei het water vasthield in de bodem. Dat is ook nu nog zo. Waar er grote oerwouden zijn, daar is niet alleen een grotere vochtigheid, maar bovendien ontstaat daar gemakkelijker regen omdat die wouden het water doen verdampen via de bladeren van de bomen. Wij hebben dus eerst plantengroei nodig en wel een behoorlijke mate van plantengroei willen we woestijnvorming voorkomen. Maar er is nog iets anders. Planten kunnen groeien bij een betrekkelijk geringe regenval, indien er grondwater is. Dat wil zeggen, dat er in de bodem water is waartoe de plant toegang kan hebben. Nu zijn dat meestal vochtige, soms erg vochtige grondlagen. Er zijn echter ook onderaardse rivieren. Die kunnen natuurlijk alleen op een bepaalde hoogte stromen, indien daaronder een laag is van hetzij gesteente hetzij een sterk samengeperst sediment (neergeslagen deeltjes onder hoge pressie) waardoor deze geen of bijna geen water doorlaten.

Nu kunt u zich misschien voorstellen dat er in het begin op aarde geen woestijnen waren. Er waren erg veel moerassen maar geen woestijnen. Zolang de aarde maar begroeid bleef, ontstonden er ook geen woestijnen. Een aardig voorbeeld van wat een woestijn kan veroorzaken vinden wij in Noord‑Amerika: de Llano Estacado in New Mexico, de woestijn van de stokken, zoals men zegt, omdat de sporen door die woestijn met stokken worden aangegeven. Wat was daar oorspronkelijk? Het was een pampa, een enorme grasvlakte met praktisch geen bomen en hier en daar wat struiken. Dan komt er een aardbeving en daardoor verzakt de laag die het grondwater vasthoudt. Het resultaat is dat nu een tamelijk klein deel van de planten niet voldoende water krijgt en daardoor afsterft. Dit afsterven duurt een tijd; daar gaan jaren overheen. Maar aangezien de natuurlijke uitzaai op deze plaats niet meer aansloeg, kwam daar langzamerhand een zandlaag, een soort zandverstuiving. Dat zand stuift weer weg. Het wurgt dus eigenlijk aan de rand van de vlakte steeds meer planten die het niet kunnen bolwerken. Er ontstaan meer en meer zandverstuivingen. In deze llano kun je dus inderdaad hele gebieden aantreffen waar praktisch geen plantengroei meer voorkomt behalve dan de planten die in staat zijn om zelf water voor langere tijd op te slaan. Denk aan Cacteeën en bepaalde boomsoorten. De dormante planten (planten die alleen leven vertonen als er voldoende vocht is) blijven wel, maar voor de rest is het droog. Het zand verstuift, er is geen water. Wanneer een dergelijk proces plaatsvindt, dan is dat een zuiver natuurlijk proces. We hebben dan helemaal niet te maken met bijzondere gebeurtenissen. Maar het kan ook anders.

Als we kijken naar de Sahara, dan worden we geconfronteerd met een tamelijk grote binnenzee die daar oorspronkelijk was en aansluiting had op de Middellandse zee (dit is niet helemaal zuiver) en via een kanaal op de oceaan. Er is dan niets aan de hand. De processen verlopen normaal tot het ogenblik, dat die zee door omstandigheden en waarschijnlijk ook door een aantal bevingen wordt afgesloten. Er komt minder water, daardoor droogt de zaak meer uit, de afdamming wordt steviger, de aanslibbingen maken het verder doorsijpelen van water moeilijker. Er verdampt meer water dan er in feite aanwezig is. Wij kunnen daarvan nog de resultaten zien.

In de Sahara vinden we verscheidene zoutwadi’s of zoutmoerassen. Plaatsen waar je het zout in dikke koeken ziet drijven als een ijslaag en waarlangs karavanen, die de weg weten over die zoutlaag, hun weg kunnen vervolgen, zo dik is het. In die zoutperiode is er natuurlijk nog wel water, maar er is ook landbouw en daarnaast een tamelijk intensieve veeteelt. Het wonderlijke is, dat men in die omgeving vooral geiten hield. Geiten en schapen hebben de neiging, als ze lang op één plaats moeten blijven om alles zo kaal te vreten dat het zich bijna niet meer kan herstellen. Er zijn dus een paar factoren die samenwerken. Nu bevindt zich onder de Sahara een groot aantal waterwegen, want ook hier is de eerste laag die het grondwater nog heeft weten vast te houden verbrokkeld en gebroken. Daar zijn werkelijk grote ondergrondse rivieren vergelijkbaar met bv. de Maas bij Dinant of de IJsel. Zulke grote stromen met een dermate grote waterverplaatsing, bevinden zich gewoon onder de Sahara op een diepte van soms 80 tot 100 meter. Waar ze meer naar de oppervlakte komen daar zal de diepte altijd nog zo’n 15 meter zijn. Dat betekent dus dat er heel veel planten zijn die daar eenvoudig geen voedsel kunnen halen. Hierdoor is het praktisch onmogelijk dat plantengroei weer spontaan opkomt. Wanneer er regen valt in de Sahara of in een ander woestijngebied, dan zie je dat de woestijn opeens opleeft, opfleurt. Plotseling is er overal groei en bloei. Er zijn wel veel planten, maar de planten die zo veerkrachtig zijn dat ze op de regen kunnen wachten, verschrompelen meteen weer als er geen vocht meer is. Zij trekken dan ook praktisch alles terug, zelfs het grootste gedeelte van hun wortelstelsel. En daar zit nu juist de moeilijkheid. Er is niets wat de bodem nog samenhoudt. De bodem wordt voortdurend omgewoeld en door dat omwoelen verdwijnt ook steeds meer van de vruchtbare oppervlakte. Boven op de aarde bevindt zich altijd een humuslaag, die eigenlijk het verfijnde voedsel voor de plant bevat; alle mineralen in zo’n fijne samenstelling dat de plant daarvan gemakkelijk een oplossing kan maken en zich ermee kan voeden. Als dat wegvalt, blijven er dus grovere deeltjes over, een soort zand. Dat zand is niet zo fijn dat het door alle planten gemakkelijk kan worden benut. Sommige planten kunnen dat en zijn dan zeer selectief, ze nemen alleen bepaalde stoffen op. Het resultaat is alweer: op dat zand kan niets groeien. En waar zand is daar krijgt de wind vrij spel. Dat is ook wel gebeurd door menselijk ingrijpen.

Er zullen er onder u misschien nog zijn die zich de geschiedenis herinneren van die z.g. “dust bowls” in de Ver. Staten. Er waren landbouwers die hoofdzakelijk koren verbouwden en dat met grote intensiteit deden. Ze bleven maar ploegen. Ze bleven maar steeds de aarde omwoelen. Maar in plaats van rekening te houden met de contouren van het land waardoor het water kon bezinken, want er waren hevige regenbuien, hadden ze de neiging om het weg te ploegen. Het resultaat was weer dat de fijne aarde naar bepaalde plaatsen werd weggespoeld. Maar juist de berghellingen werden steeds kaler, die konden steeds minder plantengroei hebben en daardoor alweer woestijnvorming, verstikking van bepaalde gewassen en plantengroei. Dat alles kwam daar automatisch uit voort.

Kijken wij nu naar de Gobi, dan worden wij geconfronteerd met een gebied dat oorspronkelijk zeer vruchtbaar was. Het was in die tijd al een hoog land, dat wil zeggen het was behoorlijk hoog gelegen. Het had het voordeel dat daar omheen nog hoge bergen waren en dat regenwolken vaak tegen die bergen tot ontlading kwamen, er waren dus rivieren. Die rivieren bevloeiden het land. Er waren landbouwende stammen. Men leefde daar heel prettig totdat men een oorlog begon. Door die oorlog vergat men de irrigatie in stand te houden. Want dit was land dat, als eenmaal de begroeiing, de oorspronkelijke toplaag was verbroken, voortdurend bevloeid moest worden, opdat daar gewassen konden groeien. Als dat niet gebeurde, dan droogde de aarde uit. En dat is daar gebeurd. Zo ontstonden dus weer diezelfde “dust bowl” verschijnselen. Ze werden nog verder versterkt doordat er ook in dit gebied bevingen zijn opgetreden. Het gevolg was, dat er nog wel steden waren die zich konden handhaven. Deze hebben dan ook grote cisternes (waterreservoirs) gemaakt, zoals dat vroeger gebeurde, waarin men water kon opvangen in de regentijd. Maar rond­ om de steden was de bevloeiing niet meer voldoende. Het zand kwam in opmars. De steden werden ingesloten en voor een deel overdekt, overstoven. Er liggen nu nog restanten van oude steden in de Gobi begraven. Zo ontstaan woestijnen eigenlijk door een natuurgebeuren of door het menselijk ingrijpen.

Nog een eenvoudig voorbeeld. Als we hellende landschappen hebben, dus veel heuvels die bebost zijn, dan hebben we te maken met een heerlijk vruchtbaar gebied. Zolang de heuvelhellingen voldoende bebost blijven, zullen we in de dalen riviertjes aantreffen. We zullen een voldoende waterhuishouding aantreffen. Er is levensmogelijkheid voor heel veel dieren en we kunnen ongeveer een derde van het bosgebied wel omkappen en daarop gewassen verbouwen zonder dat dat werkelijk schade veroorzaakt. Als er een keer door brand of iets dergelijks een stuk bos wordt verwoest, dan zaait dit zichzelf meestal wel zo snel uit dat er het volgende jaar alweer voldoende jonge planten zijn en ook nog voldoende restanten van wortels in de grond zodat de vochtigheid behouden kan blijven.

Gaan we nu alles rooien en ook de stronken eruit halen en de grond ploegen, dan kan punt 1. de grond niet meer in die mate het vocht behouden. Punt 2. regenval hoeft dan ‑ tenzij men terrassen bouwt ‑ de neiging om de vruchtbare grond weg te spoelen. Die gaat naar de dalen en wordt door de riviertjes, die dan zeer sterk plegen te zwellen, gewoonlijk, afgevoerd. En dan ontstaan er onvruchtbare gebieden alleen door menselijk ingrijpen.

Laten wij nu proberen het wezen van een woestijn nader te karakteriseren. Een woestijngebied kent een geheel eigen bevolking. Enkele voorbeelden. Er zijn woestijnen waar je misschien per vierkante meter één grasspriet vindt, waar bovendien de bodem sterk zouthoudend. Hier leven gazellen, die alleen om te kunnen eten per dag ongeveer 60 Km afleggen. Drinken doen ze maar heel zelden en als ze drinken, dan is dat meestal neerslagwater, maar ze likken wel stenen als er nevel is geweest. Deze gazellensoort, deze complexe levensvorm, is kennelijk helemaal ingesteld op leven in dit gebied. Zo vinden we elders dieren die helemaal zijn aangepast aan de savannen. Deze dieren volgen eigenlijk de regen, dus de vruchtbaarheid, het water. Als we in zo’n woestijn gaan kijken, dan valt verder op dat er een aantal dieren zijn die een betrekkelijk geringe behoefte aan vocht hebben en die dan toch kunnen leven en jagen. Er zijn nogal wat reptielen onder en ook veel insecten. Verder treffen we altijd weer kleinere dieren aan. Meestal holenbouwers, die door een eigen manier van voedsel vergaren, van drinken, het aanknagen van gewassen die saphoudend zijn zich in leven weten te houden. Deze soorten zijn allemaal gespecialiseerd. Je zou kunnen zeggen dat, als de aarde ooit Mars zou willen veroveren en daar een aardse plantengroei zou willen hebben, men zou moeten uitgaan van deze ontzettend harde levensvormen die zich in de woestijnen en wat dat betreft ook rond de polen hebben ontwikkeld. Zij zijn gespecialiseerd in overleven.

Het wezen van de woestijn is niet zo kwaadaardig als de mensen denken. Velen denken dat de woestijn iets wreeds is. De woestijn heeft haar wetten. Maar het wezen van de woestijn heeft ook een ruimte, een wijdsheid waar je net zo gehecht aan kan raken als aan de wijdsheid van de oceaan. Er zijn mensen die in de woestijn leven en die niet zouden kunnen leven, zeker niet voor lange tijd, in een vruchtbaar gebied omdat daar teveel mensen zijn, teveel gewassen, teveel rumoer. Het is de stilte van de woestijn waar de wind speelt met het zand, waar een enkel ogenblik de stofstorm misschien het leven bedreigt en het volgend ogenblik de regenval een uitbundigheid veroorzaakt die je je ergens anders op aarde haast niet kunt voorstellen. De woestijn met de altijd wisselende contouren, met haar strijd en haar avontuur trekt de mensen aan. Er zijn ook stammen die zich gespecialiseerd hebben in het overleven in gebieden waar overleven eigenlijk een wonder is, waar theoretisch mensen ‑ zeker volgens westerse maatstaven ‑ niet zouden moeten kunnen bestaan. Toch zijn ze er. Het wezen van de woestijn is hard, verschrikkelijk, maar ook verrukkelijk. Het ademt een eigen geest. Het lijkt alsof midden in de woestijn het paradijs zal liggen als een oase met daarin een ommuurde stad waarin de hoge geesten wonen.

Er zijn legenden over woestijnen waaruit je kunt zien hoezeer dat beeld ook de mens heeft getroffen. Er is het verhaal van de gouden stad die je niet kunt benaderen. De stad waarin magie woont, waarin alles groeit en bloeit, maar die zo wordt omringd door de onvruchtbare woestijn dat alleen een ingewijde daarin kan doordringen. En zelfs deze kan alleen leven in die stad, indien hij de geheimen van het leven kent en dus ook van de woestijn. Het zijn wonderlijke verhalen, maar misschien dat het iets beschrijft van de sfeer, de mentaliteit. Het is het leven dat eigenlijk eeuwen en eeuwen, ja, duizenden jaren geleden bestond. Het leven van de nomaden die moeten trekken om in leven te blijven. Het leven dat een voortdurende strijd is, een voortdurende herhaling van de oude gewoonten en dat gelijktijdig ook een voortdurende verrukking is over elke dag, omdat de kleine veranderingen van die dag de vervulling van het bestaan uitmaken.

In de woestijn vinden we ontzettend veel giftige dieren, zegt men dan. Ja, dat is logisch. Als je in een harde omgeving leeft, dan is het nodig dat je over de middelen beschikt om te doden, anders kun je zelf niet leven. De zandadders zijn giftiger dan de cobra’s. Er zijn schorpioensoorten die zo dodelijk zijn dat zelfs de cobra gerust zijn kap ervoor zou mogen afnemen. Maar er zijn ook wezens die heel snel zijn. Een soort woelmuis die in vele woestijngebieden leeft ‑ zowel in de Gobi, de Sahara als in Arizone ‑ is niet veel groter dan een vinger. Hij heeft een wat lange staart, een spitsere snuit en scherpere tanden dan normaal. Hij graaft holen en weet zich juist wanneer het warm wordt te verbergen. Jagen doet hij meestal in de ochtend en de avond. Hij eet alles en vreemd genoeg ook giftige dieren zoals allerlei giftige kevers e.d. Ik heb zelfs horen vertellen, dat men eens zag, dat een gilamonster (een giftige hagedissensoort) door een zestal woelmuizen werd aangevallen en verslonden. Het is typerend dat dergelijke levensvormen over die kwaliteiten beschikken welke nodig zijn om te kunnen overleven. De woestijn zelf is dan ook niet zo wreed als men wel zou denken. Want overal is daar toch weer ergens schaduw te vinden. Overal in de woestijn is ‑ als je maar weet hoe ‑ toch water te vinden. Overal in de woestijn kun je je ondanks alles voeden, als je daarin thuishoort.

Het wezen van de woestijn doet een beetje denken aan de oerwereld waar het hele leven een strijd is en waar elk ogenblik en elke ademhaling a.h.w. een beproeven is van het uithoudingsvermogen. Als men het zo beziet, is de woestijn zeker niet een monster, ze is niet dreigend. En wat meer is: heel vaak bevat de woestijn ondanks alle verstuivingen zoveel vruchtbare aarde en vruchtbare stoffen dat, indien men de woestijn kan bevloeien, men er een paradijs van kan maken. Misschien is het aardig hier te vermelden dat men de Sahara weer tot een binnenzee zou willen maken. Het project is tamelijk oud. Ik meen, dat het voor het eerst is opgesteld in 1897, in 1925 ‑ 1927 weer is voorgebracht, daarna als fantasie is herleefd rond 1940 en na de oorlog nog weer eens is besproken. Het wonderlijke is dat de mensen begrijpen dat, als je water kunt binnenlaten in de Sahara, het ook mogelijk is om te bevloeien. Waar het mogelijk is te bevloeien daar kun je de woestijn weer maken tot vruchtbaar gebied, indien je maar bereid bent om daar voldoende bomen te laten staan, om daar niet alleen landbouwgrond te cultiveren, maar ook grote hoeveelheden weiland en vooral om de daar eigen levensvormen in hun bestaan te respecteren. Indien ze onder die condities niet meer kunnen bestaan, dan veranderen ze of ze verdwijnen.

Voor de Gobi zal dit voorlopig niet gelden. De Gobi waarin eens een heel oude beschaving heeft bestaan, heeft langzaam maar zeker haar landbouwbeschaving zien overgaan in resterende nomadenculturen. De mensen zijn weggetrokken. Sommige van hen zijn terechtgekomen in de bergen. Ze zijn misschien ook nog aansprakelijk voor de verschrikkelijke sneeuwmannen en dergelijke legenden. Anderen zijn afgezakt naar het zuiden, maar het merendeel van hen heeft zich in de, richting van Mongolië en China bewogen en daar ten slotte de mensen dan ook beïnvloed. Het zijn allemaal nogal kleine, donkere kereltjes. U kunt dat in China nog zien. Noord‑China grote chinezen, Zuid‑China kleine chinezen. In Noord‑China vind je Fu‑Man‑Chu, in Zuid‑China vind je het pindamannetje. Dat is wel degelijk, door die trek beïnvloed. Vooral voor de Mongolen (overigens behorend tot de eerste ruiters) is langzaam maar zeker de legende van de steden en van het vruchtbare land in de Gobi zo sterk geworden dat ze rovers zijn geworden.

Nu moet u niet denken dat dat kort geleden is gebeurd, dat was al zo 3000 v. Chr. en dat is eigenlijk vandaag de dag tot op zekere hoogte nog zo. Nu zijn ze echter georganiseerd. Ze hebben kolchozen of ze moeten hun stamritueel wel bijzonder streng handhaven om te voorkomen dat ze toch in de een of andere gemeenschappelijke veehouderij worden ingelijfd. Ergens is die neiging tot strijd er nog. Het zijn nog krijgers. Het zijn mensen die dromen van het heroveren van het vruchtbare rijk. Hun legenden vertellen daarover: Een rijk dat heel vruchtbaar was en dat door toverij te gronde is gericht. Maar eens zullen de Mongolenstammen al trekkend dat gebied weer vinden. Het is nu een gebied geworden dat ideaal is voor de veeteelt, want ze zijn al onnoemelijk lang trekkende veeboeren, maar desondanks is de legende blijven bestaan. Als ik kijk naar de woestijnen, dan valt me in de eerste plaats op: de beweging van de aardschotsen en de bevingen die vooral op de grenzen daarvan optreden hebben wel degelijk invloed op het ontstaan van deze gebieden, al is het alleen maar omdat ze waterlopen verleggen en daarbij ook een aanmerkelijk lager peil van het grondwater kunnen veroorzaken. Als u zich de moeite neemt, dan zult u zien dat met uitzondering van Gobi en Australië (dat zijn n.l. twee gebieden waar we woestijnen vinden waarop dit niet van toepassing is) u overal woestijnen treft op punten waar bevingshaarden zich bevinden of hebben bevonden. Dat is kenmerkend.

In de tweede plaats zien we dat woestijnen, die pas zijn ontstaan over het algemeen ontvolkt zijn, maar dat elk woestijngebied langzamerhand een gespecialiseerde bevolking aantrekt. Het beschikt zelfs over een eigen vorm van vochthuishouding, al zou men dat niet zeggen. Daarnaast heeft het ‑ zeker ook in zijn voortdurende vormverandering en vatbaarheid voor windinvloeden ‑ toch ook weer de neiging om steeds beschermde structuren mogelijk te maken. Dit laatste zal ik nog even uitleggen: Een beschermde structuur is een gebied dat op de een of andere manier, bijvoorbeeld door tamelijk hoge zandduinen, wordt beschermd zodat daar een zekere vruchtbaarheid kan blijven bestaan. In sommige gevallen blijkt dat een beschermd gebied ook kan worden veroorzaakt door de aanwezigheid van lagere of hogere gebergten. Als u kijkt naar het Hoggar-gebergte dan is dat een minder vruchtbaar gebied. Maar nu worden er wolken naar het gebergte gedreven en die beginnen zich aan één kant daarvan te ontladen. Daar vindt u dan een moorse, hoofdzakelijk landbouw bedrijvende bevolking en een grotere vruchtbaarheid. Gaat u in de bergen en daar achter keken, dan is het veel meer dor. Daar treft u de trekkende nomaden aan. De situatie van een woestijn kan verder mede worden bepaald door de aanwezigheid van hoge gebergten tussen de dichtbijliggende grote watervlakten en dit gebied. Hierdoor kan namelijk neerslag voor een groot gedeelte worden tegengehouden. Ze valt neer aan de zeekant van het gebergte waardoor er slechts weinig stromen de andere zijde kunnen bereiken. Ondergrondse waterlopen bestaan er over de gehele aarde, dus niet alleen in woestijngebieden. Maar in sommige woestijngebieden zijn ze in dier voege van belang dat, wanneer niet de onderlaag volledig glad is ‑ en dat gebeurt praktisch nooit ‑ er z.g. stuwen ontstaan. Hierdoor wordt water in grote hoeveelheid blijvend binnen een bepaald gebied gebracht, meestal is dat tussen twee toppen. Wanneer er voldoende regenval is, dan komt zo’n ondergronds reservoir vol en voordat het is verdampt, is daar alweer een volgende golf. Door deze ondergrondse reservoirs aan te boren zou men de woestijnen weer vruchtbaar kunnen maken. Maar dan moet de mens één ding niet vergeten:

Wie de woestijn wil overwinnen, moet ook de menselijke neiging om medemensen te beoorlogen voor bezit en dergelijke vergeten. Een groot gedeelte van de woestijnen had geen woestijn behoeven te zijn, indien de mensen daar meer hadden gelet op de natuur, hadden samengewerkt tot het behouden van wat er nog was en niet steeds feller hadden gevochten om de kleine delen welvaart die nog in hun omgeving aanwezig waren. Waar mensen elkaar beginnen te vernietigen daar geven ze gelijktijdig de woestijnen vrij spel.

Dit is mijn inleiding. Ik weet wel dat ik niet veel heb gezegd. Daar als ik alles precies moet gaan uitleggen, dan wordt het een heel lange lezing. Ik zou dan o.a. moeten spreken over waterbassins of meren die er zijn geweest waardoor er oceanen waren waar nu gebergten zijn. Als deze oceanen in een betrekkelijk vroege periode hadden gelegen, dan waren ze bijzonder zoutrijk en niet alleen van gewoon zeezout, maar er zat ook veel meer fosfor e.d. bij in vaste verbinding.

Wanneer er nu meer grondwater komt in die gebieden en dat komt naar boven, dan betekent dat dat daar alleen een zoutaangepaste begroeiing zich kan handhaven. Als dat nu maar zelden gebeurt, dan is er kans dat een deel van de begroeiing gewoon afsterft. En als de mensen daarmee nu maar rekening houden en niet verder gaan met plunderen, dan herstelt zich dat vanzelf. Het is meestal een ritme van 7 á 10 jaar, in enkele gevallen misschien van 50 jaar. Dus als we de natuur maar de tijd geven, dan herstelt ze zich weer. Zout in de bodem kan natuurlijk ook de woestijnvorming bevorderen. En zoals ik in de inleiding al heb gezegd: in veel woestijnen is inderdaad veel zout aanwezig.

Dan krijgen we nog de vraag: Is een woestijn geestelijk belangrijk? Een woestijn kan enorm belangrijk zijn omdat het voor elke levensvorm die daar incarneert een milieu schept waarin eigenlijk de vastheid van de persoonlijkheid wordt gevormd en op de proef gesteld. Zachtheid wordt door mensen heel vaak beschouwd als goedheid. Maar dat is heel iets anders. Een mens, die niet hard kan zijn tegen zichzelf en tegen zijn medemensen als dat nodig is en daarnaast toch edelmoedig kan zijn als het mogelijk is, aanvaardbaar, is een mens die gemakkelijker een vaste richting geeft aan zijn bestaan. Woestijnen, eenzame gebieden en zelfs bergtoppen zijn plaatsen waarop je gemakkelijker met God spreekt. Het is niet eenvoudig om dat een mens duidelijk te maken. Als je in de eenzaamheid bent en je ziet alleen die grote sterrenkoepel boven je, dan is het net of je dichter bij God bent, dan concentreer je je gemakkelijker daarop. Geestelijke belevingen worden eerder mogelijk. Het is geen wonder dat heel veel mystici de woestijn in zijn getrokken. Maar ook ingewijden hebben dat gedaan. Zelfs Jezus trok zo nu en dan met een deel van zijn volgelingen de woestijn in. “Hij ging naar de onvruchtbare gebieden om daar te bidden.” Maar eigenlijk veel meer om daar het contact te vinden met de hoogste kracht.

Inwijdingsscholen hebben bijna altijd gelegen aan de grens van woestijnen en soms daarin. Uitzonderingen zijn de Isis‑cultus en de Astarte‑cultus. Als wij denken aan bv. de Heren van Anubis, zij leefden in de woestijn. Als wij denken aan de grote magische kloosters van Re in Egypte, die lagen in de woestijn. Als wij denken aan de priesteropleidingsschool van Osiris waarin niet alleen theologie maar ook nuttige zaken werden gedoceerd, die aan de rand van de woestijn. Zelfs de graven van koningen bouwde men aan de rand van de woestijn. Alsof men wilde zeggen: In die ruimte is de eeuwigheid dichterbij.

Geestelijk is een woestijn belangrijk, niet alleen omdat ze incarnatie mogelijkheden biedt, maar ook omdat op die plaatsen de eigen geest luider spreekt tot de ziel van de aarde, omdat daar het contact met de kosmos gemakkelijker mogelijk is. Geestelijke contacten in de woestijn, zeker. De visioenen van mensen die ruimtevaarders van andere planeten hebben gezien in het verleden (er waren er nogal wat en je behoeft niet alleen aan Ezechiël te denken) vonden plaats alweer in de woestijn. Of Mozes een historische persoon is of niet, daar kun je over vechten, maar waar vindt hij de Stem Gods, het brandend braambos? In de woestijn. Het is of de woestijnen, de woeste en ontoegankelijke plaatsen op deze aarde ergens een zuiverder uitstraling, een zuiverder sfeer hebben. Mensen die daar leven zullen vaak volgens westerse begrippen onbeschaafd zijn, maar in hen bestaat de mogelijkheid van een zeer diepe bewustwording, een zeer intense ontwikkeling. Soms denk je wel eens dat de grens tussen de aarde en de andere werelden veel smaller is en gemakkelijker overschreden kan worden juist in dergelijke gebieden.

Ik wil u nu niet herinneren aan de geheimen van de Andes of de geheimen van de Karakoroum. Die kent u ongetwijfeld en als u ze niet kent, dan zou het te ver voeren om u dat allemaal duidelijk te maken. In die bergen staan de tempels van oude volkeren. In die bergen bestaan dorpen van mensen die totaal anders denken, anders beleven dan de doorsnee‑mens. Men noemt ze vaak “dorpen van ingewijden of aangepasten”. Zelfs in de woestijn trekken stammen rond, die niet alleen in hun overleveringen maar ook in hun magie, hun primitieve erediensten veel meer contact hebben met een grotere werkelijkheid dan alle mensen in de beschaafde vruchtbare gebieden. Denk maar aan de indianen. Zij leven in de woestijn, maar ze spreken met hun voorouders. Zij zien visioenen van goden en weten vaak vooruit wat er zal gaan gebeuren.

Denk aan de inboorlingen van Australië die op zeer grote afstand schijnen te kunnen waarnemen, zelfs over honderden kilometers, wat er gebeurt, waar ze iemand kunnen vinden. Zij baseren hun weg niet alleen op traditie, maar wel degelijk op omstandigheden die ze redelijk niet zouden moeten kennen, maar die ze op een niet redelijke manier weten.

Het is alsof de woestijngebieden van deze wereld een ander soort mens laten leven. En misschien is dan homo sapiens in zijn beschaafde westerse vorm wel de top van alle ontwikkeling. Wie zal het zeggen. Maar één ding is zeker: pas wanneer die geestelijke puurheid en reinheid, die we bij de vele primitieve en schijnbaar wrede, harde, onzindelijke woestijnvolken kunnen vinden weer terugkeren, zal misschien het westen weer iets terugvinden van zijn beheersing, van zijn ridderlijkheid en van een geestelijke beleving, die het toch werkelijk hard nodig heeft wil het het Aquarius-tijdperk binnentreden als een wereld met overlevingskansen. Een wereld, die niet aan zichzelf te gronde gaat, maar die werkelijke broederschap en verbondenheid vindt zonder sentimentaliteit, doch met een eerlijke erkenning, een eerlijk respect voor de ander en zelfs voor de geestelijke krachten die met de ander verbonden zijn.

Besluit:

 Mensen kunnen woestijnen veroorzaken. Mensen kunnen leven doden. Mensen kunnen de levenscondities van deze planeet zo veranderen dat er geen mens meer kan leven. Maar dat wil niet zeggen, dat er niets kan leven. Het leven zelf is een kosmische zaak. En het kostbare van de mens is dan ook niet gelegen in het feit dat hij leeft, maar in het feit dat hij een bewustzijnsmogelijkheid heeft ontwikkeld ‑ in tegenstelling tot de meeste andere wezens op deze planeet ‑ om zichzelf te zien als deel van het geheel en gelijktijdig zijn eigen werking op het geheel bewust als vanuit dit milieu te beseffen. Het is dit bewustzijn en de geestelijke ervaringsmogelijkheid die daaraan inherent is waardoor het mens‑zijn zo belangrijk is. De mens beschikt echter over veel meer. Het is duidelijk dat de mens niet alleen maar stof is, stoffelijk leven. Hij is ook geestelijk leven. De mens beschikt over geestelijke gaven en kwaliteiten die in feite boven een groot gedeelte van de z.g. natuurwetten kunnen uitgaan. De wetten zoals men die op aarde kent, kunnen voor een deel door geestelijke kwaliteiten worden veranderd of uitgeschakeld. Als de mens nu zijn geestelijke gaven, begaafdheden en krachten ontwikkeld, dan kan hij alleen hierdoor reeds ertoe bijdragen dat woestijnen vruchtbaar worden, al is het alleen maar dat hij de wolken eenvoudig dwingt over de bergen te drijven voordat ze zich ontladen. Hij is in staat om het leven om zich heen beter te begrijpen, maar hij kan het ook vormend beïnvloeden. Hij kan planten vruchtbaarder maken. Hij kan zorgen dat gewassen beter groeien, dat bloemen schoner zijn. De mens heeft zeer veel mogelijkheden. En juist in een wereld waarin de mens zo talrijk wordt dat alleen daardoor al het milieu wordt bedreigd en aangetast, zal het gebruik van deze geestelijke gaven veel kunnen bijdragen tot een verbetering van de situatie op aarde en een versterking van de bewustwordingsmogelijkheid van ieder die als mens op aarde leeft.

Woestijnen ontstaan daar waar de bindende factor wegvalt: vocht, planten. Wij kunnen misschien ook zeggen dat er woestijnen dreigen te ontstaan. Woestijnen van een andere geaardheid op het ogenblik, dat de mens zijn redelijk bewustzijn, zijn intuïtie en zijn geestelijk vermogen steeds meer uitschakelt en steeds minder de onderlinge harmonie van de mensheid bevordert om meer aan zichzelf te kunnen denken. Ik ben bang dat daardoor woestijnen kunnen ontstaan waarin alle geestelijk en mentale vermogens van de mens worden geschaad en verkommeren tot er misschien nog een diersoort mens op aarde kan leven, die niet meer geschikt is voor de incarnatie van een bewuste geest. En dat kan men voorkomen door niet alleen maar te spreken over het bevloeien van woestijnen, maar gelijktijdig de geestelijke krachten steeds sterker te laten pulseren in de mensheid. Er zal voldoende begrip moeten zijn voor medemenselijkheid, voor verbondenheid tussen alle mensen en een geestelijk samenwerking die boven alle uiterlijkheden moet uitgaan en die in alle hardheid, want dat mag rustig en in alle eerlijkheid, want dat is noodzakelijk, mensen helpt om zichzelf te kennen en hun werkelijke betekenis voor mensheid en aarde te doen toenemen. Want een geestelijke woestijn is nog erger dan een stoffelijke. U zult mij niet kwalijk nemen dat ik dit aan mijn onderwerp heb toegevoegd. U zult op uw eigen wijze moeten interpreteren wat ik heb gezegd.

U moet zelf nadenken of hetgeen ik heb gezegd juist is, aanvaardbaar. Maar als u vindt dat het aanvaardbaar is, dan kunt u misschien op uw eigen manier proberen althans iets meer van die geestelijke en medemenselijke krachten van u te doen uitgaan, opdat het ontstaan van de ergste woestijn op aarde kan worden voorkomen.