Het ontstaan van de esoterische magie

uit de cursus ‘Inleiding tot de esoterische magie’ 1961-1962

Het ontstaan van de esoterische magie

Het ontstaan van de esoterische magie ligt in een heel ver verleden. Er is een tijd geweest, dat alle magie en alle esoterie eigen­lijk één waren. Dat is de periode van de denkers van Atlantis geweest. Maar als we wat meer naar de bekende tijden toegaan, dan voltrekt zich een splitsing tussen wat wij noemen de praktische magie en de esoterie. Er blijken echter wetten te zijn, die en voor de magie en voor de esote­rie gelijkelijk van kracht zijn. Zo ontstaat een eigenaardige tussenvorm die eigenlijk niet meer zuivere magie is maar evenmin zuivere esoterie: het denksysteem dat aan de hand van de natuurverschijnselen wordt op­gebouwd, maar hoofdzakelijk wordt toegepast op het innerlijk van de mens en vooral voor de bewustwording van het “ik” in het Al en het verwer­ven van harmonie met dat Al.

Ik geloof dat wij verstandig doen niet verder terug te gaan dan het vroege Indië, ongeveer 9 à 10.000 jaren geleden. Dus globaal geschat 8000 v. Chr. (volgens sommige Bijbelkenners of beter gezegd bijbelmishandelaars, bestond de wereld toen niet; maar ja, dat is hun zaak. Zij bestaat werkelijk al veel en veel langer.)

Nu leefde er in die tijd een aantal stammen in gebieden die sedertdien kaal en onvruchtbaar zijn geworden. En we onderscheiden daarbij de voorvaderen van de Nubiër die in de Sahara leefden, althans in gebieden die nu daaronder vallen; en anderen die in wat men noemt zuidelijk Mongolië leefden, een deel van de Tibetaanse hoogvlakten en verder westwaarts in de richting van de Gobi. Een deel van deze beschaving strekte zich ook nog uit in de richting van de zoutmeren.

Deze mensen hebben een theocratie. Ze worden geregeerd door priesters. En waar een priester regeert, zoekt hij zijn wetten uit het Goddelijke te putten, althans uit zíjn God. Zo houden deze priesters zich bezig met bv. het onderzoeken van de tekenen aan de hemel, maar ook met het zoeken in zichzelf. En zij komen tot zeer eigenaardige conclusies. Een van die conclusies is, dat de mens naarmate hij innerlijk meer bewust is, voor het gewone leven een juister inzicht mag opeisen. Er is zelfs een periode ‑ al is zij kort ‑ waarin men stelt (en wel bij de voorvaderen van de latere Sumeriërs, dus aan de zuidrand van de Gobi) ­ dat slechts hij een waar priester en vorst is, die een zo groot bewustzijn heeft, dat hij één kan zijn met geheel het leven. Dat was voor sommige pretendenten niet zo prettig. Want de gewoonte be­stond om hen met een paar ‑ laten we zeggen ‑ tamelijk woedende dieren, als slangen, een tijger, een olifant, in een besloten ruimte te laten. Als zij bewezen dat zij meester waren over die dieren door hun begrip voor hen, dan konden ze verdergaan en worden aanvaard. Het is dus eigenlijk een proef van macht, maar vooral van beheersing. Beheersing o.m. van vrees, beheersing van begeerte. Want wie te graag wil slagen is daardoor onbeheerst. Kortom het innerlijk “ik” word door deze proeven naar men aanneemt ‑ gedemonstreerd.

Op den duur trachten deze zeg maar priester‑magiërs hun eenheid met het Al uit te drukken door het lezen van de hemelen. Dat vinden wij later terug in het zgn. hemelschrift. Men gaat uit van het standpunt dat de sterren niet alleen de namen Gods spellen, maar ook door hun beweging langs de hemel precies aangeven, welke harmonieën er bestaan. Je zou kunnen zeggen dat we hier met een voorloper van de Chinese of de kabbalistische astrologie te doen hebben, die beide nogal verwant zijn. Een vorm van het wekken van de juiste harmonieën in jezelf door instelling op de juiste krachten.

Er ontwikkelt zich een systeem van goden en godinnen, dat wij tegenwoordig nog voor een deel in de Hindoeleer terugvinden. Verder komt men tot bepaalde verhoudingen in het Al, die we weer bv. in Babylon herkennen.

In Babylon vinden wij reeds de gewoonte om alles in een kwadraat uit te drukken. Elke God heeft een vierkant. Een ziggoerat bestaat uit zeven vierkanten, waarvan de gezamenlijke inhoud het kwadraat is van het onderste. Zo zijn er meer van die dingen. Een zeer typische wijze van denken, waarbij men kan zeggen dat de mens zijn verlangen naar harmonie meer en meer uit. Voor de goede denkers werd in deze richting de zaak echter al heel gauw duidelijk. Zij konden dat niet openbaren zonder iets te verliezen. En zij kwamen daarbij tot deze eigenaardige stelling.

De mens (dus de gewone stoffelijke mens) draagt in zich het totaal der goden. Maar met de goden heeft hij het dubbele leven of de dubbele waarde. Dat dubbele leven is eigenaardig. Want in die dagen geloofden de mensen nog niet zo aan een voortbestaan in de een of ander hemel. In heel veel gevallen dachten zij nog dat dood, dood was. Maar deze esoterici gingen van het standpunt uit, dat de mens ín zich voldoende waarden droeg om het Al te kennen. Als hij deze basis had gerealiseerd, zou hij daardoor de kracht van de goden verwerven en door die kracht van de goden het tweede of oneindige leven.

Ondertussen had zich in de Sahara eveneens een denkwijze, ontwikkeld die met de voorgaande enigszins verwant is. Daarbij ging men van andere principes uit. Er was daar nl. een binnenzee, die een ‑ zij het beperkte ‑ eb en vloed vertoonde. Deze geringe schommeling der getijden werd omgezet in de gedachte dat de mens gedragen wordt op de getijden van de goden. Wij zouden zeggen de kosmische getijden. Hij moet zich naar die getijden regelen. Het kennen van de wetten daarvan is noodzakelijk om iets te bereiken. Maar de mens, die alleen uiterlijk bereikt, is als iemand die een huis bouwt, zo zegt men daar. Overigens waren dat in die tijd meestal nog korfwoningen, die pas veel later, ongeveer 6000 v. Chr. voor het eerst meer verdiepingen kregen, die ook weer grotendeels zijn teloor gegaan. Twee verdiepingen was toen zo’n beetje het maximum, de wolkenkrabber van die tijd.

Nu stellen zij:

Wie iets alleen buiten zichzelf bereikt, is als een die een huis bouwt en dit weer moet verlaten. Wie het in zichzelf bouwt, is echter de mens, die de hemel tot zijn woning heeft gemaakt (want het uitspansel was voor hen nog steeds de woning der goden.) Hij woont met de goden.

Zo vonden zij ook een systeem uit, waarbij de ons door uiterlijke be­proevingen, maar vooral door zijn innerlijk zoeken, eveneens beheersing kreeg over de dieren‑ en de plantenwereld, een sterke gevoeligheid voor de verschijnselen in de natuur en ook voor geestelijke krachten. Hij moest dat alles in zichzelf verwerken.

De twee genoemde invloeden ontmoeten elkaar eigenlijk bij de Nijl‑vallen.

Nu moeten wij niet vergeten dat in de vroege tijd er eigenlijk maar heel weinig gevestigde stammen bestonden. In het gehele Nijldal bv. waren toen zegge en schrijve twee zgn. steden. En die steden hadden een inwonerstal ‑ schrikt u niet – van gemiddeld 300 tot 500. De verdere cultuur heeft zich pas veel later ontwikkeld. Bij de Nijl‑vallei echter was er mogelijkheid tot uitwisseling van stoffen, dus handel. Bijvoorbeeld van stenen, een bepaalde soort steen die wordt gebruikt voor instrumenten en werktuigen, de eerste uit erts geslagen (dus nog niet gesmolten of gesmede) voorwerpen met metaal erin; ook het eerst kalksteen of marmer dat werd gebruikt. Dat werd allemaal verhandeld plus vele geneeskrachtige kruiden.

Wanneer die twee beschavingen met elkaar in contact komen, ontdek­ken de priesters (het zijn altijd weer de priester), dat zij innerlijk veel gemeen hebben. Zij komen tot een begrip dat later de basis zal worden van het zgn. Bovenrijk van Egypte. In Egypte zelf ontstaat voor het eerst een leer die beide richtingen in zich opneemt.

Ondertussen is nog een andere groep opgetreden. De Aartsvaders zijn uitgetrokken uit Ur. Zij hebben als sjeiks door het land gezworven. Zij hebben hun ééngodendom met een eigen magisch geloof, dat echter al snel – vooral wanneer ze in contact komen met Egypte ‑ een eigen esoterische inhoud krijgt. Ook hier ontstaat een verschil tussen het esoterisch en het exoterisch denken. Ook hier zijn de mensen geneigd om magie te gebruiken. In de bijbel vindt ge er voorbeelden genoeg van, als ge wilt. Daarom gaan zij naar wetten zoeken, die ín het “ik” passen en tegelijk in de wereld. Dat wordt dan de basis van het denken dat hoofdzakelijk door de Alexandrijnse Joden later wordt ontwikkeld tot de basis van de huidige kabbala.

De kabbala ontwikkelt zich dus in Alexandrië en heeft zowel delen van Egyptische en Indische, magie in zich opgenomen als de esoterie van die beide gebieden. Zij beïnvloedt later de Kalifaten, dus de Morenbeschavingen in de tijd van de grote Arabierenrijken. Vandaar dringt deze gedachtegang Europa binnen, wordt daar vermengd met o.m. het Christendom in bescheiden vorm, geeft aanleiding tot het vormen van sekten, verdwijnt gedeeltelijk en duikt later weer op, zo ongeveer 800 ‑ 900 na Chr. als een begin van alchemie. Rond 1200 als de kruistochten die invloeden nog hebben versterkt, zien wij naast de alchemisten bepaalde magiërs maar ook esoterici optreden.

De esoterici zijn vaak Christenen en hun stellingen zijn dus in de eerste plaats christelijk. Zij baseren zich op diezelfde oude leerstellingen. Dit alles ontwikkelt zich tot ongeveer rond 1600 ondanks vele vervolgingen enz. en wordt dan voortgezet in de arbeid van zgn. loges of groepen. Ook hier krijgen wij weer te maken met de slechte richting die alleen het magisch geweld zoekt en tot duivel aanbidding voert bv. in Duitsland en bepaalde delen van Frankijk. Maar wij vinden ook de esoterische studie die o.m. leidt tot de maçonnerie, tot het herleven van alchemistische experimenten van de eerste Maltezers, nu vaak in verband met de Rozekruisers; dus een soort herleven van de Rozekruisergedachte. Nog later ontwikkelen zich vele van die gedachten in richtingen die u nu nog kent. Een deel van de esoterische magie kunt u terugvinden in de theosofie. Ook de antroposofen dragen er veel van mee. En zelfs bepaalde christelijke groepen en bepaalde islamitische sekten blijken nog in deze dagen deze esoterische magie te hebben bewaard en in het kader van hun eigen denken en geloof te beoefenen.

De grondslagen van deze esoterische magie.

(Een uiteenzetting op moderne basis)

Als je een mens beziet, dan kun je hem wel trachten te splitsen in stof en geest, maar een dergelijke splitsing is maar ten dele te maken. Ook kan men geen definitieve scheiding maken tussen zijn denken en de materie. Als ik een mens voldoende verdovende middelen geef (bv. mescaline, scopolamine enz.), dan blijkt dat zijn denken, zijn uitingen en handelingen veranderen. In bepaalde gevallen blijkt dat de mens toegang kan krijgen tot zijn onderbewustzijn. In toestanden, die wij trance plegen te noemen van verschillende diepte, al dan niet opgewekt door hypnose, blijkt de geest zich geheel onafhankelijk van het lichaam te kunnen bewegen en slechts bepaalde voor het “ik” zeer belangrijke maatstaven te handhaven.

Wanneer ik van buitenaf het denken kan beïnvloeden, hetzij langs chemische weg, dan wel door suggestie of zelfs door behandeling van het lichaam (bv. door de hersenspoeling die tegenwoordig bekend is), dan mag als eerste conclusie worden gesteld dat er tussen het menselijk lichaam en de conditie daarvan en het menselijk denken of bewustzijn een directe relatie bestaat. In de tweede plaats kunnen wij zeggen dat die mens een innerlijke wereld heeft. Maar deze innerlijke wereld is ‑ zolang de mens in de stof leeft altijd gebonden aan de uiterlijke wereld die hij kent. Ook hier is geen scheiding mogelijk.

Het zal duidelijk zijn dat de verhoudingen, waaronder lichaam en denken werken, zowel als die waaronder de geest en het denken werken, van groot belang zijn voor het erkennen van de innerlijke wereld.

Nu bestaan daarvoor enkele eenvoudige wetten. Zo stel ik – bv. wanneer ik begin een toren te bouwen ‑ allereerst.

De mens is 1. Dan zeg ik daarnaast: Maar de mens is ook 2 en de buitenkant blijft 1. Je krijgt dus, daar onder die 1 de getallen 1, 2, 1. Ga ik nu weer verder, dan kan ik zeggen; Maar omdat die mens in zich­zelf nog verder deelbaar is, al blijft hij van buiten een geheel, wordt hij bovendien nog weer een keer 3. Hij valt in 3 delen uiteen. Maar stel ik dit voor de stof, dan moet ik het ook toegeven voor de geest. Mijn regeltje wordt; 1, 3, 3, 1. Als ik dan nog verder ga nadenken, blijkt mij iets heel eigenaardigs. Want wanneer ik nu die mens goed wil bezien, is hij van buiten 1, maar hij leeft niet in drie dimensies, zoals men denkt, maar in vier. Ik zet er dus een 4 naast. Dat is gelijk aan de som van zijn uiterlijke en zijn innerlijke werkingen, hetzij stoffelijk of geestelijk. (De regel daarboven.) Want 1 Plus 3 = 4.

Maar alles culmineert voor de mens tenslotte in het dierlijk punt. Want dat is het punt van uitgang voor zijn denken en voor zijn geest. Daarom zeg ik: Hij heeft het getal 6 ofwel de omvatting van twee drie­dimensionale werelden die tezamen de wereld vormen van angst en be­geerte. Dat zet ik in het midden.

Maar ik heb geestelijk ook weer de 4 (3 plus 1). Wanneer ik dat toren­tje heb opgezet, dan blijkt dat ik een mathematisch theorema heb opge­bouwd, wat deze eigenaardigheid in zich draagt, dat de kernsom, als ik ga afnemen (dus uit de onderste regel) 10 wordt. Hierin is een groot gedeelte van de wetten, waarover wij moeten gaan spreken, verborgen. Natuurlijk, wij willen modern zijn en redelijke, reële mensen. 10 is het getal van voleinding; de 1 gebaard en geopenbaard in de oneindigheid 0, ofwel de mens die zijn God beseft. Dat kan alleen voortkomen uit de 6, de dierlijke mens en 4, de originele status; of zuiver dierlijke of lichamelijke status plus de zuiver geestelijke status, dus die normaal is in de geestelijke sfeer, tezamen gevoegd. Onverschillig hoe de samenvoeging geschiedt, zal het getal 10 ontstaan. Als u nu die optelling als een meditatiepunt neemt, dan zal het u waarschijnlijk gemakkelijk vallen de volgende regeltjes te accepteren. De mens is stoffelijk gezien het product van zijn mogelijkheden (uiter­lijk of 1) plus zijn bewustzijn, zijn onderbewustzijn en zijn totale beïnvloe­ding van gedachte of geest.

Wanneer ik dit stoffelijk uitdruk, zal altijd het product dierlijk blijven. Druk ik ditzelfde geestelijk uit, dan zijn precies dezelfde waarden aanwe­zig, maar dan krijg ik de geestelijk bewuste. Nu is mijn conclusie: Wanneer ik uitga van de geest, kan een absolute Gods­erkenning worden bereikt uit de stof zowel als uit de geest; zowel uit het uiterlijke als uit het innerlijke. In het innerlijke ben ik meester over al datgene wat ik van mijzelf ken. Hoe beter ik mijzelf ken, hoe juister ik mijzelf bepaal; hoe meer ik dus ook meester ben over het uiterlijke, over het materiële. Hoe meer ik echter uitga van het materiële, hoe sterker mijn condities en omstandigheden van uit de materie en door mij niet beheersba­re factoren tot stand worden gebracht.

Wet 1 zegt dan ook­

Elke bereiking, innerlijk zowel als uiterlijk, is gebaseerd op de erkenning van de innerlijke wereld, de beleving van de in­nerlijke wereld en de beheerste openbaring daarvan. Nu begrijpt u wel dat die oude primitieven dat een klein tikje anders heb­ben gezegd. Maar ja, waarom zouden wij al deze dikke boekwerken nalezen en die oude formules narekenen?

Nu staat er nog iets en dat is dit:

Alle gedachten zijn op zichzelf werkelijkheid. Op het ogenblik dat ik mijzelf en mijn gedachten volledig be­heers, schep ik mijn gedachten, mits ik mijn stoffelijk wezen daaraan ondergeschikt, maak. In de magische esoterie wordt gesteld, dat elk gedachtenbeeld (zelfs het hoogste) verwerkelijkt kan worden voor en in het eigen “ik”, zelfs stoffe­lijk kenbaar, alleen doordat men met dit geestelijk, geheel één is, zich­zelf kent en zuiver omschrijven kan, wat men wil bereiken. Het is duidelijk dat wij als wij die twee wetjes belangrijk noemen, ons moeten afvragen wat wij dan moeten doen met de menselijke gedachtewereld, waarover wij klaarblijkelijk geen meester zijn. De oude denkers vonden daarvoor het volgende:

Eenieder die naar bewustzijn streeft, moet worstelen met het licht. De worsteling en de strijd zijn belangrijk, want slechts hij die door het licht wordt overwonnen, is ziende.

Dat is een heel eigenaardig iets, want dat vinden wij terug in de bijbel, U herinnert zich het verhaal van de oude Tobias. Hij zat naar boven te kij­ken, een vogel liet wat vallen en de man was blind. Zijn zoon ‑ die wij mis­schien wel mogen vertalen als het bewustzijn, ontstaan uit het leven van de oude Tobias ‑ gaat uit om een geneesmiddel te zoeken. Hij zoekt en ont­moet een vreemdeling bij de rivier. Hij worstelt met deze en pas dan, nadat hij ter aarde is geworpen, openbaart zich deze.

Dat is ook weer zoiets eigenaardigs. Want hij die zich niet van zichzel­f bewust is of m.a.w. dus nog blind is, zal het Goddelijke niet erkennen als hij Het ontmoet. Maar als hij strijdt voor wat hij als goed beseft, zal hij Het (al wordt hij daardoor overwonnen)  kunnen erkennen en aanschouwen. De engel maakt zich kenbaar.

En nu nog iets. Wat geeft de engel als geneesmiddel? Een drievoudige doop als u het goed uitlegt. De doop van de materie, van de gedachtewereld en van de geest. Drievoudig is de bereiking noodzakelijk om innerlijk tot een­heid en bewustzijn te komen. Maar hij, die dit heeft bereikt, verdrijft ook de stoffelijke blindheid of de geestelijke blindheid. Want deze macht is hem eigen geworden, doordat hij geestelijk ziende is geworden. Nu is het niet mijn taak u met esoterische exegese bezig te houden. Laat mij dus terugkeren tot de meer moderne uitleg.

Wanneer een mens wordt gehypnotiseerd, kun je hem haast alles laten doen, mits dit niet direct indruist tegen zijn eigen begrip van goed of van kwaad. Om u een voorbeeld te geven; U kunt iemand de illusie ge­ven dat hij een deur opendoet naar de gang en dat hij de gang opstapt, terwijl hij in feite een raam op de 16e verdieping van een wolkenkrabber openmaakt en naar buiten stapt. Dan is het concept zelfvernietiging dus niet in het geding gekomen. Maar op het ogenblik dat u de illusie schept van een zelfvernietiging, ontstaat een verweer en wordt de hypnotische ban gebroken.

Hieruit blijkt dat de innerlijke mens in zijn gedachtewereld elke waan wil accepteren, ongeacht de verhouding tot de werkelijkheid, maar dat hij nimmer bewust en direct bepaalde grondwaarden ontkent, breekt of bestrijdt, die hij goed of heilig acht. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar mij dunkt, dit is genoeg. Want het verklaart de volgende wet.

Degene, die innerlijk bewustzijn zoekt, zal vele malen fouten maken, die door zijn uiterlijk bewustzijn erkend werden, maar die innerlijk niet werkelijk bestaan, want innerlijk gelden alleen de maatstaven die het “ik” als goed erkent. Zolang ik innerlijk mijn God, mijn concept van het lichte en het goede, dien met de volheid van mijn wezen, mag ik mij door het uiterlijke niet laten storen. Ik erken ten hoogste in de mislukking van mijn streven, de misleiding van mijn wezen. Het onderscheid tussen waan en werkelijkheid wordt geboren uit de goedbedoelde dwaasheid.

(0, het klinkt in die oude termen allemaal veel beter!)

Vervolgens:

Alles wat ik in mij bereik, heeft slechts waarde indien het direct verbonden is met een kracht boven mij, waardoor deze waarde erkend, gemeten en vergroot kan worden. Elke innerlijke ontwikkeling, die niet uitgaat van (en dan zeg­gen de ouden; de goden, ook in de inwijdingsleer,) zal niet ver­der komen en niets bereiken. Contact met het hogere kan nimmer op redelijke basis worden bereikt.

(In de oude tijd spraken ze daar niet over, maar tegenwoordig moet je dat wel zeggen.)

Conclusie:

Het schijnbaar onredelijke geloof is de noodzakelijke kern van elke harmonie. Elke harmonie, die op een perfect geloof is gebaseerd beïnvloedt de gehele persoonlijkheid plus de er­kenning daarvan en maakt de uiting van elke bereikte harmo­nie in de wereld mogelijk.

En daarmee zijn we van de esoterie ineens in de magie gekomen. Ik heb getracht allereerst u een beeld te geven van wat de esoteri­sche magie is en doet. Maar in de moderne wereld is dat vaak niet voldoen­de. Een concept alleen hoe iets is en hoe het werkt, zegt niets, tenzij er een bewijs kan worden geleverd. Er moeten wetten bestaan, waardoor het be­wijs mogelijk is. Die wetten luiden volgens de oude inwijdingsstellingen als volgt.

  1. Al wat ik in mij volledig aanvaard, erken ik in mij volledig.

    2. Alles, waarvoor ik geheel mijn wezen inzet, geest en stof, wordt bereikt.

  1. Elke erkenning van hogere krachten geeft mij contact met deze hogere krachten zowel als met alle lagere krachten, die met de genoemde hoge kracht harmonisch zijn.

En dan ligt het bewijs in de stelling,

Elke harmonie, die in mij met hogere krachten bestaat, kan worden omgezet in een samenwerking met geestelijke krachten, die in dezelfde harmonie betrokken zijn. En hun uitwerking zal zichtbaar zijn en kenbaar in de materie, zolang genoemd streven ook materieel een be­vestiging is van de innerlijk erkende harmonie.

Of om het heel eenvoudig te zeggen; Wanneer een mens in zich werkt op basis van een geloof en met een zekere zelfkennis, waardoor hij weet op welke wijze hij met zijn God harmonisch is, kan hij een doel stellen buiten zichzelf. Dat doel zal waarschijnlijk beperkt zijn, want de mens is ook beperkt. Dit beperkte doel kan hij verwerkelijken, desnoods door de mede­werking van geesten, die behoren tot dezelfde groep, als waartoe hijzelf behoort.

De Engelsman zegt; “The proof of the pudding is in the eating.” Ik voor mij zou willen zeggen: Het bewijs, dat esoterische magie een feit is en niet alleen een stelling, ligt ongetwijfeld in wat wij door middel daarvan, niet alleen in en voor onszelf maar ook in en van uit onszel­f voor anderen kunnen bereiken. Wanneer wij deze inleiding hebben voltooid, zal het naar ik hoop voor u mogelijk zijn om op beperkte wijze met deze wetten te experimente­ren; en omdat gij in u een voorstelling draagt van wat mogelijk is voor uzelf, het daadwerkelijk bewijs te krijgen, dat de door u erkende innerlijke harmonie juist is.

Ik mag daar misschien nog een waarschuwing bijvoegen. Wanneer u een willekeurige harmonie stelt, kunt u geen resultaten verwachten. Uw har­monie moet altijd zijn gebaseerd op alles wat u werkelijk bent en de har­monie die ge in uzelf werkelijk kunt opwekken. En daarom voeg ik hierbij een paar regels die eigenlijk niet geheel tot de magische esoterie beho­ren, maar ten dele meer tot de erkenningsesoterie. Onthoud dan dit: Al wat ik in de wereld erken, bestaat in mijzelf. Al wat ik in de wereld haat, vrees of afwijs, haat of vrees ik in mijzelf of wijs ik af, omdat ik het in mijzelf als gevreesd erken. Al wat ik bevestig in de wereld met mijn denken en mijn daden ‑ nimmer met een van beide afzon­derlijk ‑ is deel van datgene, waarmee ik harmo­nisch ben en waarmee ik innerlijke harmonie kan bereiken.

De wisselwerking tussen het “ik” en de wereld maakt het mogelijk te er­kennen wie en wat je bent. Deze erkenning is zeer beperkt, maar ze stelt u in staat de eerste innerlijke harmonie te constateren en uit deze inner­lijke harmonie voort te gaan.

De voorstelling van het Al

Waar innerlijke harmonieën voor de mens uitermate belangrijk zijn, zowel bij zijn esoterische bewustwording als bij zijn uiting, ofwel het magisch resultaat ervan, zal hij ook een voorstelling moeten hebben van de indeling van het Al. Hij bouwt deze op aan de hand van vele verschillende systemen. Elk systeem op zichzelf is bruikbaar, ofschoon wij voor ons de voorkeur geven aan de kabbala, daar deze een redelijke voorstelling geeft van bestaande hiërarchieën. Het lijkt mij persoonlijk dat voor de westerling deze gedachtegangen het gemakkelijkst te volgen zijn. Wij zullen geen namen geven, want namen werken alleen maar verwarrend en zullen beginnen met het kabbalistisch principe weer te geven.

Er is een wereld die wij de wereld van de mens mogen noemen. Onder die wereld kan een andere wereld liggen. Ofwel anders gezegd. Malkuth, de basis van de menselijke groei kan de top zijn van een vorige ladder van ontwikkeling. Daarboven kan het lichtende of verblindende, vaak Kether genoemd, achter zich een totaal nieuwe wereld verborgen. Het menselijk Al en de relaties van de mens met het Goddelijke zullen beperkt blijven tot deze menselijke kring. Iets, wat beneden hem ligt, is hij ontgroeid en dat, wat boven hem ligt, kan hij niet aanschouwen. Hij heeft zich te baseren op een groei, die van het chaotische (volgens menselijke opvatting) tot het absoluut lichtende, het volmaakte (eveneens in menselijke opvatting) gaat. De Schepper Zelf is daarbij niet direct kenbaar. Hij wijst echter bv. voor het menselijk ras een Heerser aan, die ‑ zover het de mens betreft – de onmiddellijke representant van het Goddelijke is. Hij is voor de mens altijd de top van de hiërarchie en zolang hij mens is, zal die toestand blijven bestaan, ongeacht de sfeer of wereld waarin hij leeft.

Deze hiërarchie wordt uitgebreid, doordat wij een driehoek krijgen. Zoals de basis beneden een driehoek uitbeeldt (de driehoek van chaos en de openbaring uit chaos of stoffelijke vorming), zo openbaart zich uit het hoogste, de leidende factor, de geestelijke wereld met al haar verschillende facetten. De twee die het lichtende zelf, de vertegenwoordiger van de scheppende Kracht onmiddellijk ondersteunen, zijn de rechtvaardige en de goede. De rechtvaardige is een rechter. Zijn wet is die van oorzaak en gevolg. Hij beheerst de wetten van evenwicht en houdt zich bezig met dit voortdurend te herstellen. In het materiële beheerst hij de gelijkblijvende velden. In het geestelijke de sfeer waarin de geest kan vertoeven en die sfeer kan ervaren als een hel of een hemelwereld.

De goede beheerst de wetten van harmonie. Hij openbaart alle samenklanken of harmonieën die kunnen bestaan. Hij geeft alle eenwording weer. En hij maakt het mogelijk oorzaak en gevolg samen te trekken, zodat oorzaak en gevolg, in één besloten, een onmiddellijke realisatie vormen in plaats van een rechterlijke weg.

Deze drie kennen ieder weer hun eigen vertegenwoordigers. Op het rechterlijke gebied vinden we dan ook niet alleen wat wij zouden kunnen noemen het goddelijk rechtvaardige, maar als tegenstelling het demonisch rechtvaardige ofwel het omgekeerde recht, het onrecht. Op het goede gebied vinden we in plaats van de bewuste goedheid de domheid of de onbewuste aanvaarding. Elke tussenfase, die daar bestaat, wordt vertegenwoordigd door een drietal hoge entiteiten, die in dit bijzondere deel van zo’n heerschappij optreden. Zij hebben allen binnen deze heerschappij een eigen kleur, zij hebben een eigen magische betekenis en een eigen getal.

Daarnaast bestaat de middenweg. De middenweg echter kan niet worden begaan, indien wij slechts rekening houden met de geest zonder meer. Wij kunnen niet van Malkuth tot Kether gaan, als wij niet onderweg het principe der verlossing hebben ontmoet, waarbij de verlossing zelf het contact met de geest weergeeft, waardoor de uitbreiding van de eigen bewustwording mogelijk wordt en het gelijktijdig door besef van de eigen ware plaats in het Al mogelijk is oorzaak en gevolg te beheersen en goedheid om te zetten in bewust streven.

Zelfs indien dit is bereikt, kan men nog niet onmiddellijk tot het hoogste opklimmen. Wij vinden nl. als een soort verbinding met de andere werelden de krachten der kennis.

Deze kennis zien wij op de wereld bv. als het wereldweten of het werelddenken dat in alle tijden als een eenheid is uitgedrukt en wordt geregeerd door een kracht, waarvoor de Egyptenaren bv. Toth namen, de God van de wijsheid en van de magie. De kennis en de wijsheid omvatten echter stof en geest. Wie de wijsheid bezit, erkent het lichtende en staat vrij van elk andere hiërarchische verhouding. Door de verlossing heeft hij gevonden de harmonie met alle krachten rond hem. Door het weten krijgt hij het vermogen de samenwerking met die krachten zelf te regelen en bovenal zichzelf direct uit te drukken. In de directe uitdrukking ontmoet hij zijn God en wordt hij ‑ zoals de esotericus zegt ‑ bewust van zijn God in zichzelf, zoals Jezus spreekt over “de Vader in mij”. Hij kan door deze relatie komen tot de absolute machtsuitoefening over beide gebieden, zowel dat van de rechter (dus oorzaak en gevolg) als van de goede (dus de harmonieën). In alle kan hij zich volledig openbaren in stof en geest. De esoterische bereiking impliceert de magische bereiking.

De kabbala gaat echter verder. Zij leert ons dat al deze geestelijke krachten ‑ voor zover zij op de mens betrekking hebben ‑ rond hem in het Al ook belichaamd zijn. En zo komen wij tot een soort astrologie, waarbij engelen identiek worden geacht met sterren. Dan heet het: Elke ster – en wat dat betreft ook elke ‑ planeet, maar die staat dan weer op een wat la­ger niveau ‑ heeft in de eerste plaats zijn eigen ziel; daarnaast zijn eigen geest of bewustzijnsvorm; zijn eigen genius ofwel uitvoerend orgaan; en dan een heerschare van dienaren. Ook deze zij allen op schone wijze ondergebracht in een volmaakte opbouw.

Nu moet u goed begrijpen dat de kabbalistische opbouw een hypothe­se is en geen absolute werkelijkheid. Eigenlijk zou je er nog bij moeten zeggen, dat wij elke willekeurige reeks begrippen of namen kunnen vervan­gen door elke andere reeks begrippen of namen, maar dat wij nooit kunnen ontkomen aan de drie‑eenheid in het hogere en de drie‑eenheid in het la­gere. En daarom zijn voor elke mens de drie wegen, die hij kan gaan be­heersend. Ten slotte voeren deze drie wegen van hetzelfde uitgangspunt tot dezelfde bereiking. Maar zoekt de magiër de bereiking langs de weg van oorzaak en gevolg, de wijsgeer via harmonie, de goede esotericus zal haar zoeken langs verlossing en bewustwording, ofwel inwijding.

Het principe van inwijding is in de kabbala gesluierd en verborgen; maar degene, die haar goed verstaat, kan uit haar zeer veel afleiden en leren. Daarom hebben wij besloten in deze cursus een groot aantal van de voorbeelden direct uit de kabbala te trekken.

Ik meen hiermee als inleiding voldoende stof te hebben gebracht maar hoop dat men zal beseffen dat de oppervlakkige samenvatting van enkele belangrijke gegevens nooit een omschrijving van de inhoud van deze cursus kan bevatten, terwijl het geheel nimmer meer kan zijn dan een inleiding tot de esoterische magie.

Toelichting

Wanneer wij spreken over die esoterische magie, dan betekent dat niet dat ik u ga leren om te goochelen met geestelijke krachten. Maar ik moet u wel iets leren van de eigenaardige symboliek die kan worden gebruikt. En ik zal zelfs te zijner tijd iets moeten aansnijden van de rituele magie, omdat zij in vele gevallen toch ook weer verwant is aan de esoterische magie. Niettemin is ons doel om ten slotte te komen tot een perfecte uitdrukking van wat in de mens leeft en de mogelijkheden die hij in zich draagt. De nadruk zal liggen op de esoterie. Om dat te bereiken zouden wij eigenlijk allen mathematici moeten zijn, kenners van de cijferleer en van de meetkunde. Want de gemakkelijkste uitdrukking voor al deze dingen wordt gevonden in een formule.

Ik gaf u zo-even een torentje, een heel eenvoudig cijfertrucje. Een cijfertrucje dat een esoterische inhoud heeft, maar dat typisch genoeg ook weergeeft bv. de bevolkingsaanwas. Deze kan in datzelfde cijfertorentje worden uitgedrukt en dit is ook logisch. Zolang de buitenzijden (de uiterlijke omstandigheden) gelijk blijven, is de verveelvoudiging van de mensheid in een heel eigenaardige reeks uitdrukbaar; dat gaat nl. niet dus 1,2,3 alleen, maar dat gaat 1, 2 en dan kan het 4 worden of 5. Dan kan het bv. 6 worden en dan kan het 10 worden. Maar als het 10 wordt, dan wordt het daarna ineens 20. En dan kun je er dus alle factoren verder mee berekenen.

Zo kun je uit ditzelfde torentje van cijfers ook nog afleiden het moleculair verlies bij moleculair‑rotatie door botsing. Een molecuul verandert in een bepaalde chemische oplossing, waarbij het geen volkomen vaste binding heeft en gaat over tot een andere stof. En dat gebeurt ook weer met dezelfde progressie.

Het is dus niet alleen maar een cijferkunstje dat ik u leer, maar het is meer iets dat neerkomt op een soort wetje. Een wetje, waarbij je zou kunnen zeggen, dat altijd beginnend bij een factor 1, de volgende factor 2 x 1 is, omdat het in tegendelen wordt geuit. Ik moet tegenstellingen hebben, want ik kan nooit iets van uit een punt berekenen. En vandaaruit zal elke 2e factor de som zijn van de bovenliggende factoren. Dus dan krijg je 1, 2, 2, 1. Dat heb ik daarnet eigenlijk iets verkeerd gezegd, omdat ik het wilde vereenvoudigen. U zult begrijpen dat ik hierbij niet kan rekenen op uw mathematisch verstand in deze. Ik moet dus veel dingen in woorden uitdrukken die met formules eenvoudiger gezegd zouden kunnen worden. En u, had ik zo gedacht om ‑ als het even mogelijk is ‑ eenvoudige letter – en cijfervoorbeeldjes te geven; en dan wanneer u aan die methode gewend bent, u duidelijk te maken dat dit werkelijke wetten zijn. Dan geven wij die werkelijke wet in een kleine formule. U behoeft dan helemaal geen meetkunde of algebra te kennen en kunt toch gemakkelijk in een paar symbolen iets vasthouden omtrent de innerlijke wereld.

Om de zaak interessant te houden, zullen wij trachten in het vervolg altijd tenminste twee en als het kan drie delen van de eigenlijke cursus af te handelen. En dat doen wij dan zo, dat een van die delen beschrijvend is, een van die delen zuiver theoretisch of als het even kan theoretisch­ technisch, terwijl het derde deel als doel heeft bepaalde hulpmiddelen te omschrijven of bepaalde inwijdingen duidelijker te maken.

Wij zullen verder proberen u ook te brengen tot het stellen van een­voudige vragen, want wij kunnen niet elke keer zeggen: Nu gaan wij de twee­de helft helemaal aan de beantwoording van vragen besteden. Dan schieten wij niet op. Daarom zou ik willen voorstellen, dat gij uw vragen aan de hand van de weergave van de cursus schriftelijk opstelt. Zij worden dan zonder meer beantwoord, hetzij na de pauze door een ander of ‑ als ik even tijd heb ‑ door mijzelf. Por slot van rekening weet je nooit wat voor draai een ander eraan geeft en dan lijkt het soms, alsof iets anders wordt gezegd, omdat mijn woordkeus verschilt van die van een ander. Met de gastsprekers kan het wel eens lastig worden. In principe zal ik trachten om het eerste gedeelte zoveel mogelijk volgens voornoemde indeling te behandelen. Blijkt echter dat er een gastspreker is, die over een bepaald onderwerp wil spreken en die speciaal in de eerste helft de beste gelegenheid heeft, dan komt ondergetekende (Abraham) na de pauze, als een zogezegd extra koekje na de koffie.

De esoterische weg volgens een brahmaans principe

(Door een gastspreker)

Wanneer een mens op aarde komt, is dit niet noodzakelijk de eerste keer dat hij op aarde is. De kennis, die hij in vorige levens heeft vergaard, kan hij met zich brengen. Maar geen mens is zich bewust van de kennis, die hij vóór zijn geboorte op aarde heeft vergaard, tenzij hij daarvoor een zekere studie maakt.

Om het mogelijk te maken dat ook het oude (het vergetene) weer terugkeert, zal de tweemaal‑geborene (de Brahman) dan ook studeren. Het is zijn taak zich te verdiepen in de oude wetten en geschriften, niet slechts omdat deze belangrijk zijn, maar omdat hij daardoor zijn eigen wezen weer leert kennen. Niets is belangrijker dan jezelf te kennen. Want alles in de wereld dat je van jezelf afvoert, voert je eveneens af van de kracht die in je leeft en van de goddelijke wereld die rond je is.

Wij streven niet in een hiërarchie van goden. Goden zijn voor ons de stations en de rusthuizen langs de weg, waar wij een ogenblik verpozen, een ogenblik nieuw licht en nieuwe kracht vergaren om voort te gaan. De lage goden en godinnen laten wij al snel achter ons, want onze taak als mens is niet om te toeven daar, waar de goden dansen, maar om te gaan waar het licht zelf de tweeledigheid van de schepping uit zichzelf doet geboren worden. Wij geloven dat het doel van het leven in de eerste plaats is deze zelferkenning. Onze taak is ongetwijfeld tevens anderen te helpen tot deze zelferkenning. Hen te helpen volgens hun bewustzijn en volgens hun geboorte juist te leven. Maar belangrijker dan dat alles is, dat men zichzelf kent.

In ons zijn ‑ als vele lagen op elkaar gestapeld (als de gesteenten misschien in een kloof, ‑ waar de aarde haar littekens en wonden toont aan de mens) ‑ levende sferen, in vormen van lagere en hogere aard. Dit alles tezamen vormt het huidige “ik”. Het huidige “ik” is het centrum van het Al. En in dit “ik” openbaren zich de krachten, die drie zijn en toch één. De krachten die wij wel noemen Brahma, Shiva en Vishnu. Zij tezamen vormen ons.

Rond ons is de wereld. Maar in ons alleen kan de vreugde bestaan, waardoor wij dansend als Indra onszelf leren kennen in de vreugde. De vreugde te kennen van het leven in jezelf niet buiten jezelf is het begin van de weg. Want wie de vreugde kent, zal de wijsheid zien. Hij zal Vishnu in zijn volle gedaante kennen zoals hij op vleugelen gedragen opwaarts stijgt. Hij zal beseffen dat het innerlijk weten de mens kan verheffen tot achter de zon a.h.w. De innerlijke blijheid stelt hem in staat om het verschrikkelijk aangezicht van de Vernietiger te weerstaan. Want wie innerlijk blijheid en vreugde kent, hij vreest het leven niet en hij vreest de dood niet

Vrijheid is er gelegen in de innerlijke vreugde. Maar bovenal moeten wij erkennen Hem, Die voor ons de belangrijkste is. Brahma, de Vader, de Schepper, de Drager van Brahman voor onze periode, voor ons bestaan.

Begrijp mij goed. Niemand streeft ernaar om Brahma gelijk te worden of ziet Brahma als zijn einddoel. Maar zoals de wisseling van dag en nacht, zo is er de wisseling van het bestaan en het niet‑bestaan van het Al. Eens, aan het einde van de dag, dooft het uit. Brahman, de levende Kracht, vliedt terug tot zijn bron. En Hij, Die Brahma was, verdwijnt met de Kracht in het Niet. Hij, die echter in zichzelf de levenskracht bewaart, hij blijft bestaan in het duister.

De levenskracht nu is niet slechts een aanvaarding van het leven, maar de blijde bevestiging ervan, de bevestiging van het innerlijk leven, dat in al het uiterlijke haar weerkaatsing zoekt in hoogheid, in rein­heid en in waardigheid. Het is daarom dat onze leer zegt; “Gij zult niet huwen met een van lagere kaste en lagere geboorte.” Want kan men zijn hoge bestemming verwerpen door zich te keren tot dat, wat zich nog niet bewust is?

De levensvreugde sterft waar twee elkander niet begrijpen. Hoe kan de jonge ziel de oude ziel begrijpen? Al wat wij kennen is gebaseerd op het zoeken naar deze innerlijke levenskracht, opdat wij eens, wanneer Brahman zich terugtrekt en de nacht aanbreekt, kunnen zeggen: “Ziet, ik ben licht in mijzelf. Maar niet uit mijzelf schep ik. Want het scheppen ont­kennend, wil ik de vreugde van het Zijn in mijzelf voortdragen, tot duister en licht mij gelijk zijn.”

Het moet u in deze tijd, geboren in het westen en alleen wetend omtrent het westen, vreemd klinken als ik zo spreek. Maar besef wel; Naast de uiterlijke wereld en de uiterlijke normen bestaan de innerlijke, normen. De innerlijke norm is datgene wat wij werkelijk zijn. Zoals gij hier aanwezig zijt, zijn er jongeren en ouderen, zijn er die vele geboorten kennen en zijn er die slechts een enkele maal onder pijn de wereld hebben betreden. Hoe zal jong oud kunnen begrijpen en oud jong? Het kind kan niet dezelfde gedachten denken als de oude, die zijn leven bijna heeft voleind. De rijpe kent in zich andere concepten dan de mens, die gejaagd wordt door begeerte en door zijn onkunde wordt gegeseld.

Wij zoeken harmonie op onze wijze. Maar deze harmonie is bestemd om dat wat wij in ons dragen als een hoge bestemming volledig tot uiting te brengen.

Gij zijt altijd praktisch in het westen, zo zegt men. En daarom lacht men vaak over onze concepten van kaste, over onze beelden van strijdende helden en van de vele goden. Men zegt; “Arme heidenen.” Maar misschien kan ik ook mijn denken ‑ of moet ik zeggen; ons denken ‑ in een vorm, gieten die voor u aanvaardbaar is. Welaan.

Wat ben ik waard, wanneer ik mijzelf niet ken? Wie zichzelf niet kent, is een verdoolde in de wereld.

Wat is mijn belang, wanneer ik mijn middelen niet ken? Hij, die zijn middelen niet kent, is ofwel een last voor anderen dan wel een ongelukkige, die lijdt terwijl het niet noodzakelijk is. Het is noodzakelijk dat je weet wie je bent en wat je middelen zijn. En deze kun je alleen verwerven door de introspectie.

Mediteren (een vaste taak ook bij ons) is niet slechts het overdenken van vele dingen. Het is langs de weg der gedachten doordringen tot de verborgen paden van je eigen wezen. En hij, die veel mediteert, weet dat uit de beelden van de meditatie het bewustzijn omtrent eigen wezen ontstaat.

Wie soms tracht anderen te helpen of op zijn wijze te begrijpen, hij gebruikt de middelen die hij bezit. Het is niet zonder redenen dat een Brahmaan, een rechter is of een priester en een geestelijk leider, dat hij regeert. Want wie in zich het begrip draagt voor anderen ‑ ook al wordt dat niet wetenschappelijk omschreven ‑ draagt in zich de bewuste middelen om zichzelf in de wereld te uiten en zo in zichzelf zijn rijkdommen te beseffen.

Rijkdom kan niet liggen in al wat u praktisch noemt. Evenmin als het alleen kan liggen in bespiegeling en overdenking van oude wijsheid. Ware rijkdom ligt in het besef wat je bent. Ieder mens heeft zijn plaats, zijn bijzondere plaats in de schepping. Hij is daartoe gegroeid door vele levens. En zijn taak die hij vervult, is de taak waarvoor hij werd geboren. Het vervullen daarvan betekent het bevestigen van de kracht die in je leeft, van het wezen, dat je bent.

Indien gij op aarde komt en ge hebt gaven, gaven tot genezen of tot het scheppen van kunstwerken of misschien eenvoudig tot het helpen en troosten van medemensen, dan zijt ge schuldig, indien ge die gave niet gebruikt. Want deze gave is een intrinsiek deel van uw eigen wezen. Slechts door jezelf te zijn in deze enig juiste zin van het woord althans voor mij, kun je in de wereld bewust zijn, jezelf kennen en doordringen in jezelf.

In de mens leven vele krachten. Sommige van die krachten stammen uit de aarde. En zij behoren bij het lichaam dat hij thans draagt. Andere krachten stammen uit de geest. En zij behoren tot het peil dat hij geestelijk eens bereikt, en ook nu nog in zich kan verwerkelijken.

Wanneer het slangenvuur opstijgt, het vuur van de stof, zo verteert het veel dat schadelijk is in de stof. Maar wanneer het stijgt in volle waarheid, dan vindt de stoffelijke slangenvlam naast zich de levende witte vlam van het geestelijk vuur. Beide omstrengelen elkander en beide zijn tezamen het leven en de uiting. Zij zijn ook de beheersing. Deze krachten kunnen wij alleen wekken, indien wij weten. De onbewuste, die het slangenvuur wekt, gaat eraan ten gronde. De bewuste die het slangenvuur wekt, vindt juist daarin de nieuwe openbaring, het nieuwe licht. Niet slechts een zelferkenning, maar een besef van zijn relatie met het Goddelijke en zijn plaats en rang in het totaal van de schepping.

Het zoeken naar al deze dingen is dan ook geen dwaasheid. Het is het gebruik van een systeem. Een systeem dat erop is gericht de mens bewust te maken van zijn vorig bestaan, hem krachtens dit vorig bestaan en het daarin vergaarde weten in het heden verantwoordelijkheid te doen dragen en hem te doen handelen op waardige en juiste wijze, bestemd ook om de krachten van de huidige stof en de werkelijke geestelijke eenheid, die het “ik” is, gezamenlijk te uiten en te openbaren.

Wij vinden op onze weg steeds weer moeilijkheden, tegenstanden en grenzen die wij moeten overschrijden. Soms noemt men zo’n grens de dood. Soms ook betekent ze een bevrijding uit oude concepten. Maar altijd weer zullen wij veel prijs moet geven dat niet waar is, maar tot nu toe een deel van ons leven vormde. Door het prijsgeven van het onware zijn wij in staat meer van de waarheid te erkennen. Altijd zijn wij in de wereld in meer of mindere mate de slaven van de waan, van de begoocheling. Wij zien niet het ware en wij kennen niet het ware, maar het is altijd aanwezig. Door onze geestelijke vooruitgang leren wij het ware te zien. In onszelf moeten wij de gave ontwikkelen, te onderscheiden tussen de illusie en de werkelijkheid. Het doel dat de esotericus zich bij ons stelt, is dan ook: de waarheid te aanschouwen, de waan te ontkennen en ‑ zichzelf waarlijk kennende – in waarheid zijn taak te vervullen, zo juist en zo goed dit hem mogelijk is.

Leven is dienen. Niet het dienen van een God, want een God kun je niet dienen, omdat Hij geen dienst van node heeft. Leven is het dienen van al wat met je samen bestaat, van binnenuit, door een waar besef. En hij die werkelijk goed wil dienen, moet meer weten dan degenen aan wie hij een dienst bewijst. Zo is de bewustwording in feite de voltooiing van onze dienstbaarheid. Een dienstbaarheid die ons vrij maakt van alle wereld en alle sferen, van alle goden en hemelwerelden zowel als van de hellewereld; maar ons ook los van deze waan in staat stelt het ware leven in alle anderen te erkennen en in waarheid strevend en werkend anderen tot de waarheid te geleiden. Hij die faalt zijn weten en zijn streven met anderen te delen, vernietigt zichzelf, want hij kan niet de levende vreugde in zich dragen.

Ook zult ge u afvragen waarom het oosten in zovele dingen laks schijnt te zijn. Laks van zeden, van moraal, laks in zijn streven en lui en weinig ijverig in zijn stoffelijk wezen en zijn denken, Als wij beseffen dat deze dingen waan zijn en wij ons toch daaraan binden, dan versterken wij de waan.

Het is goed te weten, dat alle regels slechts zijn gegeven om onszelf te helpen, nimmer omdat wij aan de regels gebonden moeten zijn. Want waarlijk, hij, die het hoogste teken draagt en de hoogste geboorte heeft, kan gaan tot de uitgeworpenen en rein zijn, mits hij dit beseft.

De regel en de wet zijn voor de onbewusten. De regel en de wet zijn de bescherming voor de bewuste. Meer zijn zij niet. En daarom zal het oosten u vaak wat doelloos of wat zonderling voorkomen. Maar geloof mij, dit is het gevolg van ons innerlijk streven, datgene wat wij uitdrukken, vaak fijner, vaak meer gedifferentieerd dan het westen zich realiseert. Wij leven naar binnen toe. Alleen in ons ligt de mogelijkheid de waarheid te ontdekken. Daarom is het onze taak eerst innerlijk te leven, innerlijk kracht en wijsheid te vergaren. En eerst in de tweede plaats deze dingen te uiten. En bovenal is het ons doel om zoveel lichtende vreugde en levende kracht te vergaren, dat wij altijd, of het slechts het uitdoven van een enkel stoffelijke bestaan is of het doven van het Al, zullen voortleven.

Want weet wel dat het waarlijk scheppende ‑ Atman ja, Brahman zelf, alleen gekend kan worden door hen die in zich vreugdig zijn. Vreugdig en vol levende kracht, omdat zij zichzelf waarlijk kennen en de wereld en haar waan beschouwen als de speeltuin, waarin de onbewusten als kinderen voortspelen tot ook zij zich bewust worden van het onbetekenende van hun spel.

Verantwoordelijkheid dragen voor anderen is een vreugde, geen last. Want in anderen erken je wat je zelf bent geweest.

Te zitten aan de voeten van een Meester is een vreugde. In hem erken je wat je zult zijn.

Het kennen van de oudheid is een vreugde, want zij toont je, wat was en wat worden zal.

De tijd smelt samen tot een punt voor hen die in zich leven met licht en kracht en vreugde. In dit ene punt ligt de waarheid waaruit het leven zelf is geboren en waartoe wij, levenden, terugkeren in de volheid van ons wezen,

Ik hoor dat het mij mogelijk is geweest om dat wat leeft achter de schermen en wat ligt achter het uiterlijk van het oosten en het oosters denken, duidelijk te maken. Het doel van de wereld is het kennen van de ware vreugde en het ware licht. Niet het lijden. Het lijden is incidenteel. Het is soms niet te vermijden. Maar de vreugde is het doel. De vreugde echter die eeuwig kan zijn, omdat ze de kern van het wezen beroert en het uiterlijke achterlaat.

Als ik met mijn woorden iets heb mogen bijdragen tot een begrip voor dat wat esoterie kan zijn, dan ben ik dankbaar voor de gelegenheid die mij werd geboden.

Moge uw leven worden tot een schatkamer, waarin ge het fonkelend juweel der innerlijke vreugde bergt en waar gij in het vreugdig weten de weerspiegeling ziet van de oneindige waarheid die uw waarlijk wezen en erfdeel is.