Het ontstaan van de tarot

26 september 1958

Vergeet u vooral niet, dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Wanneer u zelfstandig nadenkt, hebben wij de mogelijkheid, dat u goede resultaten van deze avonden hebt. Dat betekent ook, dat wij een goed resultaat hebben.  Mijn onderwerp is: Het ontstaan van de tarot.

De tarot is wel vijf boekdelen lang, dus wij zullen hier niet volledig op in kunnen gaan. De spelen van de mens zijn zeer oud en zijn over het algemeen gegroeid uit zijn verschillende wichelinstrumenten. Er waren runen en symboolkaarten op hout getekend, of gebrand, die gebruikt werden in de tijd van de zeer primitieve mensen, zo ongeveer een 20.000 jaar geleden. Op de duur bleek, dat je er niet alleen de wil van de Goden ermee kon zoeken, maar dat je ook kon gaan proberen om elkaar een beetje armer te maken. Zo ontstaat een primitieve vorm van het kaartspel, dat je later kent, waarbij de verdeling in vier groepen nog slechts een verdeling in 2 groepen is, want er zijn altijd twee kampen, die met elkaar strijden. Het aantal kaarten is ook afwisselend en er komen meerdere kaarten van gelijke getalswaarde voor in een serie, of set. Maar het wordt geformaliseerd.

Achtduizend jaar geleden vinden wij in de beschaving dan ook een wichelinstrument, dat reeds alle kentekenen vertoont van het huidige kaartspel, t.w.; dertien waarden in 4 groeperingen, die door kleuren worden aangegeven. Nu bleek aan heel veel ingewijden al heel snel, dat het gemakkelijk was om van dit algemeen als spel aanwezige wichelmateriaal gebruik te maken. Overal was wel zo’n soort kaartspel te vinden, maar er waren zoveel waarden, die daarin niet konden worden uitgedrukt. Want er bestaan inwijdingsbegrippen, die nu eenmaal niet aan iedereen in handen kunnen worden gegeven. Je zou kunnen zeggen, dat de inhoud van het kaartspel de exoterische betekenis is van het menselijk leven met de daarin voorkomende stromingen.

Wij vinden er zelfs de vier dimensies, of de vier richtingen van leven terug. Daarnaast moesten de innerlijke symbolen ook op een manier bewaard worden. Dat kon je moeilijk doen door ze in een spel in te voegen. Men besloot oorspronkelijk om de mens geestelijk te symboliseren, zodat er dus buiten de bekende poppen een extra pop werd bijgevoegd. Dit was buiten de boer dus de z.g. ridder, of knecht, die naast de vrouw en de koning voorkomt tot in de achttiende eeuwse kaartspelen.

Later is hij, door de vereenvoudiging in de kaartspelen, vervallen. Deze knecht had zijn tegendeel; de tegenwoordige joker. Het was het symbool van het kwade in de mens, het noodlottige. Er waren in die tijd dan ook maar 10 tarotbegrippen, niet zoals thans elf verdeeld over 22 kaarten. Elke kaart had zijn tegendeel. De ingewijde moet naast zich hebben de magiër. Beiden zijn een uiting van hetzelfde. De ingewijde is de geestelijk strevende, het naar binnen toe esoterische; de magiër is degene, die dezelfde kennis en macht gebruikt om ze te uiten, exoterisch. Dat vinden wij overal terug. Wij vinden onmiddellijk naast God a.h.w. de duivel. Zo kun je verder gaan. De wijze, waarop deze kaarten werden bewaard, was heel simpel.

Zij werden in een wichelzak meegedragen en waren niet de platte kaarten, die wij reeds bv. in de middeleeuwen zien, of de platte wichelplankjes, die wij terug vinden tot bij de Perzen, maar het waren ronde stokjes van ongeveer een 2 vingers lengte. Deze stokjes waren dan gekerfd. Dat is hetzelfde als wij vinden bij een toverstaf. Daar staan ook kervingen in. Die kervingen hadden een symbolische betekenis. Toen nu veel later de vervolging begon van de z.g. magiërs en dus ook van de ingewijden, die van deze instrumenten gebruik wisten te maken, probeerde men de zaak te vermommen. Zo kwam dan het tarotspel als een oorspronkelijk kaartspel te voorschijn, waarin de symbolen vermomd waren. Op het ogenblik kunt u zo uit de kaarten weer aflezen, wat zij betekenen.

Vroeger waren deze voorstellingen vaak gestileerd tot landelijke voorstellingen. De magiër werd bv. omgevormd tot een soort minstreel. De ingewijde was de misdadiger, vandaar dat hij nog de gehangene is. Het is waar. Hoe meer je je bewust wordt van de werkelijkheid, hoe meer je eigenlijk onderste boven hangt in de wereld. Want je staat op je kop. Je hebt je voeten in de wolken, zegt men wel eens, omdat je in een grotere realiteit staat. Alles, wat voor de mensen normaal is, ligt gelijk boven je – dus uiting van het Goddelijke – en onder je, als iets, wat anderen beheerst, maar waar jij meester over bent geworden.

De tarotkaarten worden langzaam maar zeker meer en meer getekend en in omloop gebracht. Oorspronkelijk waren het stukken perkament. Later, toen men begon met het drukken van kaarten – dat is dus in de 17de eeuw – drukte men oorspronkelijk ook deze tarotspellen. De bijzondere kaarten telden niet, want het ging erom met een gelijke partij te spelen. Ook kaarten was een strijdspel, waarbij het lot bepaalde. Zoiets als een schaakspel dus, dat ook een strijdspel is, maar waarbij de gedachte, de strategie, bepaalt i.p.v. het noodlot. Daardoor worden deze 22 extra kaarten meestal weggelaten, ofschoon enkele spelen nog steeds de ridder gebruikten. U begrijpt; niemand heeft zin te betalen, voor iets, wat hij toch niet gebruikt, zodat men vroeg naar kaartspelen, waaruit wederom deze kaarten verwijderd waren. Het gevolg was, dat degenen, die ze wel vroegen, een uitvoering zochten, die meer symbolisch was voor de werkelijke inhoud van die kaarten.

Zo kreeg het tarotspel langzaam maar zeker de vorm, die het op het ogenblik heeft. De betekenis van het tarot? Rota, of tarot, de kringloop. De tegendelen van de wereld rijen zich aaneen tot een kringloop, die innerlijk is zonder herhaling, maar in een afgesloten cyclus, waarin alle tegendelen elkaar kunnen opheffen. 11 paren kernkaarten. De uiterlijke, of exoterische kringloop, bestaat uit de reïncarnaties, of herhalingen, waarbij levenswaarden in vier gebieden doorlopen worden volgens een oud geloof. Elk wordt ingedeeld in negen sferen, niet in tien, want er is geen 1.

Negen sferen, waarin de bepaling bestaat in 4 gestalten. Nl. volgens de vier standen van de boer tot de Brahmaan toe, die wij bij de Hindoe vinden. De tarot word dan ook gebruikt om o.a. exoterische symbolen te vergelijken met esoterische. Men gebruikte deze kaarten om bepaalde problemen te stellen en deze op te lossen. Misschien een klein beetje in de richting, waarin u puzzelt, maar dan toch met iets van het vallen van die noodlotsstokjes, van die runen. Op de duur ging men ze gebruiken om te voorspellen, dus aan de hand van in de kaarten erkende relaties te komen tot een systeem, waarbij je eigenlijk alle dingen kon berekenen en zo een beeld van de toekomst krijgen.

Toen men zover was, begon er net een andere leer door te dringen; de kabbalistische leer, die oorspronkelijk niet met kaarten werkte, maar met tekens en symbolen. Nu blijkt, de symbolen van bv. Rabbi Levi van Hamburg in overeenstemming zijn met de mogelijkheden van de tarotkaarten. Wij zien dan nu ontstaan het bekende beeld van de driehoek in de cirkel, later vaak gemakshalve gemaakt tot driehoek in een vierkant. Hierbij wordt het vierkant uit de normale kaarten gevormd, terwijl negen lotskaarten de driehoek vormen. Op dit systeem ontdekt men vele variaties. Wij vinden dan bv. onder de Spaanse invloed in Parijs een kabbalistisch systeem, waarbij de tarotkaart wordt gebruikt om de levensboom te leggen en wel de 3-armige, maar ook de 7-armige. Hierbij is het weer typisch, dat de getrokken hoofdkaarten uit de 22 het systeem van de overweging bepalen en inhoud geven aan de studie. Vaak vormt men bovendien daaruit woorden, die dan volgens kabbalistische waarden worden berekend en herleid. Vele ingewijden slaan aan de hand daarvan, ofwel magische, ofwel bijbelse boeken op.

Op de duur raakt de tarot zo ingeburgerd in bepaalde kringen, dat ze rond de 18de en 19de eeuw, vanaf 1860 tot 1880 toe, een werkelijk gebruiksinstrument is voor praktisch alle esoterici. Dat deze tarot, of Rota, bv. gebruikt werd in de vroege logo’s, zodat zij ook gebruikt wordt bv. door mensen als Paracelcus. De z.g. wonderdokters en astrologen bedienen zich er al evenzeer van, soms om indruk te maken, maar in zeer vele gevallen om zich een mogelijkheid tot innerlijke beschouwing van innerlijke waarde te verwerven.

Wanneer nu de drukkunst komt, het vastleggen van verborgen termen makkelijker wordt en de mondelinge overlevering niet zo groot meer is, dan raakt zo langzaam maar zeker de tarot bij velen weer uit gebruik. Het gedrukte woord, de vastgelegde redevoering, de vastgelegde betogen, de vastgelegde beelden ook, die in deze Rota gevonden worden, treden in de plaats van reeksen van kaarten in bepaalde volgorde. Nu wordt de tarot voor een groot gedeelte terug verwezen naar de voorspellers en magiërs. Zij raakt zelfs in slechte doen, want zij maakt ook deel uit van het instrumentarium van vele satanisten. Zij wordt gehanteerd door vele eigenaardige en exclusieve sekten. Men beschouwt haar grotendeels als een duivels instrument.

Wanneer de 20ste eeuw zich zo langzaamaan aan gaat melden, dan leeft de oosterse esoterie op en daarmee komt de tarot weer wat meer op de voorgrond. Zij wordt nu tot een instrument, dat, al thans door sommige esoterici, weer in de juiste vorm wordt gebruikt, nl. ; niet als een voorspellingsmiddel, maar als een methode om eigen overpeinzing door een z.g. toeval te laten leiden en zo de samenstelling van het eigen wezen beter te erkennen in het vallen van de kaarten, waarbij innerlijke en uiterlijke wereld als tegenstellingen worden overwogen. Elke kaart heeft zijn eigen kleur en betekenis. Hij kan worden vereenzelvigd met bepaalde astrologisch symbolen en wat dies meer zij.

  • De ingewijde hangt aan het galgetouw met een been, het andere is hiermede gekruist, de handen zijn. op de rug gebonden, het hoofd hangt naar beneden.

De houding. Wanneer u die houding vergelijkt met de yoga-posities, dan zult u tot de vreemde ontdekking komen, dat de houding van het lichaam van de gehangene, mits juist afgebeeld, die is van een yogi, die in z.g., wereldaandacht zich bevindt. Een staande houding, waarbij men wordt tot een verbinding tussen hemel en aarde. Punt 1. In de tweede plaats; de ingewijde begrijpt, dat het nutteloos is het lot van de mens te wijzigen, want slechts dat, wat de mens zelf wijzigt, heeft waarde. Hij is door zijn weten gebonden en kan niet ingrijpen. Hij gaat tot de wereld, maar deze wereld is niet in staat hem een vreugde te zijn. Zij is hem een smart, tenzij hij haar beschouwende zich overgeeft aan een hogere kracht. Zo hij dus hangt met zijn been in de lucht, is de galg alleen maar het symbool van de binding, nadelige binding in dit geval, die de wereld voor de ingewijde betekent, want zij houdt hem vast, dwingt hem vaak uit een hoger beloven weer terug te keren tot een beperkte realiteit. Dat hij het hoofd naar beneden wendt, heb ik zo-even al verklaard, hij ziet vanuit het hogere begrip de beperking van de wereld. Hij staat dus a.h.w. in een grotere realiteit en ziet de schijnrealiteit beneden zich. Letten wij verder op de houding van het hoofd, wat nl. iets naar achter gebogen is. De ingewijde beschouwt de beperkte wereld, omdat in deze beschouwing de mogelijkheid bestaat vanuit zijn werkelijke wereld, de geestelijke wereld, krachten en licht te zenden naar de kleine wereld.

  • Maar wat is dan de zin van de gekruiste benen.

Dat is een yogapositie en dat kan men nakijken. Het getal, wat gevormd wordt, is vier. Vier is de natuurgebonden wereld, ofwel de eenheid met God in het getal uitgebeeld. De kruising van de benen op deze wijze, in een staande houding, betekent een contact, waarbij het eigen lichaam wordt de middelaar van krachtstroom tussen hemel en aarde. Andere woorden; de ingewijde in deze houding is geworden tot de menselijke, of levende, levensboom, die een verbinding is tussen sferen.

  • De kaartsymbolen – bekers, zwaarden, lansen, borden enz. – zijn seksuele symbolen.

Die oude wichelbeelden, die gebruikt werden, stammen uit een tijd dat fallische symbolen nogal erg veel gebruikt werden. Er was ook een symbool voor het overige, dat altijd erg belangrijk was in de wichelarij. Later heeft men daar wapens bij gevoegd en wel van verschillende geaardheid. Het zwaard was ridder, of aanvoerderskrijgstuig. Lans bv. was de stok oorspronkelijk, waarmede de gewone bevolking zich bewapende enz.. De symbolen zijn door de tijd aangevuld, maar bestonden uit datgene, wat voor de wichelaar vaak belangrijk was. Wanneer men zich de moeite getroost om de z.g. berkenrunen na te gaan, die de Noorse en ook wel de Germaanse priesters hadden, dan vindt u daar ook soortgelijke symbolen.

Daarnaast vindt u menssymbolen, vandaar dus de mensgestalten op de kaarten. U vindt ook Godensymbolen, die langzaam tot landschapssymbolen zijn geworden, de azen van deze tijd. Al deze runen zijn de voorvaderen van het kaartspel en ook van de tarot. Het is altijd zo moeilijk als je over vruchtbaarheidssymbolen spreekt, dan snappen de mensen meestal niet, dat het eigenlijk een gewijde zaak is. Zij denken alleen aan – laten wij zeggen – lichtzinnige dingen. Toch als je het goed bekijkt, dan is een fallisch symbool dat van de scheppende wil, die pas kan werken, indien hij ontvangen wordt in de materie.

Vormgeving kan eerst plaats vinden, wanneer er iets is, waarin de wil vorm kan geven. Anders gezegd: het mannelijk symbool was oorspronkelijk een geestsymbool, het vrouwelijke een aardsymbool. In deze beiden werd het totaal van de Schepping verwerkelijkt. Dat waren zeer heilige waarden. Maar men heeft langzaam maar zeker een groot gedeelte van die symbolen gewijzigd, of wel zo zg. bemanteld. Dat gebeurt tegenwoordig trouwens nog. Men vindt er andere uitdrukkingen voor. Door die bemanteling gaat vaak het oorspronkelijke idee teloor.

Het vreemde is, dat de mens toch – ondanks alles – in zijn gewone leven, in zijn droomleven e. d. van de vruchtbaarheidssymbolen – nog volledig gebruik blijft maken. Tot zelfs in de wijze van een grafsymbool maken. U moet eens kijken, wat erop staat. Er staat een kruis op, anders vaak een bepaalde doodsrune. Je hebt de z.g. sikkelzuilen van de Russen. Wederom een rechte steen met een uitbochting en daarop een ster. Soortgelijke begrafenis symbolen vinden wij ook in de islamitische wereld, alleen is de bekroning daar een maan. Het godsdienstsymbool staat slechts als bekroning van een geest-symbool. In heel veel van die dingen is de fallische overeenkomst nog wel op te merken. Het is hetzelfde als met die grote zuilen, die de Egyptenaren oprichtten. Cenotafen. Al deze dingen waren in feite geestsymbolen, dus bevorderaars van de Goddelijke wil in de Schepping.

————–

Wanneer wij spreken over de esoterie, dan is het misschien goed een oud gezegde voorop te stellen: “Leven is niet bestaan, maar beleven. Hij, die bestaat, leeft niet, tenzij hij beleeft”. Uiteindelijk: wat zou een mens betekenen, die niet handelt en die niet denkt? Daarom zullen wij ook, wanneer wij ons met de esoterie bezig houden, uit moeten gaan van 2 standpunten. Die vinden wij ook weer in een spreuk: “Hij, die handelt, doet goed. Hij, die denkt, doet beter. Doch hij, die zijn gedachten tot handeling maakt, bereikt de voleinding”. Misschien kan ik u dit het best duidelijk in het verhaal van:

DE JONGEN LI

die zocht naar de voleinding op zijn eigen wijze. Veel had hij gehoord over de wet, over de klassieken en over de studie. Ofschoon hij van een zeer rijk geslacht was, trok hem de kennis der letteren niet aan. Zijn vader, wijs en goed, zeide tot hem: “Zo de letteren u niet trekken, neem het zwaard en wordt tot een gevreesd veldheer”.

Maar toen de jonge Li ontdekte, dat het zwaard niet slechts een spel is, doch een vermoeienis van ledematen, toen zeide hij “Neen, deze handeling is teveel van mij gevraagd”. Hij zette zich neer in een binnenhof, voedde zich en droomde dag na dag en niemand wist waarvan. Noch zijn ouders, noch zijn vrienden konden hem uit zijn lusteloosheid wekken.

Zij gingen daarom naar een nabij gelegen tempel en vroegen de bonze hen een middel te geven. Deze kwam en sprak, doch de jonge Li droomde voort. Toen ging de priester terug en keerde weer met een doodkist, met klaagvrouwen en liet deze met een stoet, alsof deze astrologisch berekend en opgesteld waren, trokken door de binnenhof. En ziet, de jonge Li, opziende, vroeg: “Wie is gestorven?”

Toen stond de stoet stil en de bonze antwoordde:”Gij”. “Waarom?” “Omdat gij gestorven waart, maar gij keert reeds tot het leven terug”.

Dit ergerde de jonge Li zozeer, dat hij zocht naar een antwoord. Omdat hij het niet kon vinden, greep hij naar de klassieken, hopend, dat hij daarin een beeld zou vinden om deze verwaande wijsgeer te verpletteren.

Toen hij echter leerde denken en zich begroef in de boeken, leefde hij, maar hij was niet in staat een antwoord te vinden, dat paste. Zijn vader trachtte hem te brengen tot een handel, die zijn geslacht rijkdom had gebracht, ging wederom naar de monnik en zeide: “Ziet, mijn zoon is begraven in de wijsheid van de ouden en hij bestudeert de wetten van Tao, maar niet handelt hij. Geen penning, geen korrel rijst heeft hij verdiend. Al is mijn rijkdom groot, zij is niet oneindig. Heer, gij hebt hem gewekt uit zijn lethargie. Kunt gij hem niet wekken tot handelen?”

“Zeker”, zeide de wijsgeer, en hij huurde vier ruwe knapen uit de buurt en stuurde ze naar binnen met bamboe stokken. Zij verscheurden de boeken van de jonge Li voor zijn ogen. Zij sloegen hem, totdat zijn benen het lichaam. klaagden ooit geboren te zijn. Maar zij sloegen verder. Zij achtten niet op zijn smekingen, op zijn beleefdheid. Toen werd de jonge Li kwaad, zo kwaad, dat hij de teakhouten zetel wilde nemen, waarop hij een ogenblik tevoren had gerust, om hen te slaan. Hij kon niet terugslaan, want hij kon de zetel niet opheffen.

“Eens”, zeide hij tot de ruwe knapen, ” eens zal ik U straffen”. Zij lachten en gaven hem een duw, totdat hij op de grond viel als een kind en gingen heen. Dag na dag ging de jonge Li naar een bekend zwaardvechter. Dag na dag vermoeide hij zijn edele benen door te gaan langs de straten, tot hij hijgend de hellingen oprende. Dag na dag oefende hij zich in het uitstoten van krijgslustige kreten. Dag na dag trachtte hij de sterkste van zijn dienaren te overwinnen. Totdat zijn vader zeide; “Maar dit is niet aan te zien, mijn zoon gedraagt zich als een rover zonder zin”. Wederom ging hij naar de bonze; “wat moet ik doen?”

“Dat is eenvoudig. Zeg hem, dat op gene heuvel daar bandieten wonen, die hem hebben geslagen en zijn boeken verscheurd hebben”. Zo trok de jonge Li uit. Hij trachtte de bandieten te vinden, maar zij waren er niet. Het was heel begrijpelijk. Zij waren in normale doen koelies. Zij droegen de draagstoel, of trokken de ricksjaw. In zijn woede wilde hij boom na boom ontwortelen. Toen zijn drift en het geweld naar het hoofd waren gestegen, zag hij daar de bonze, die waardig kwam aangeschreden.

“Wat doe je, mijn zoon?”

“Ik zoek de “bandieten”.

“Er zijn geen bandieten, mijn zoon.”

“Men heeft mij gezegd, dat zij er zijn.”

“Waarom heeft men u dat gezegd, mijn zoon?”

“Dat weet ik niet”.

“Dan keer hier terug, wanneer gij weet, waarom men het u gezegd heeft. Misschien, dat gij dan zult beseffen, waar gij zijt”.

De jonge Li zette zich neer en peinsde lang. Eindelijk zeide hij zich: “Hoe zou iemand kunnen weten en mijn eigen huis na zoveel jaren, dat die bandieten daar zijn, want niemand heeft ze gezien, behalve ik.” Achterdochtig keerde hij terug. Hij bedreigde de bedienden, maar zij wisten van niets. Hij wilde hen mishandelen, maar zijn vader zeide hem; “Ga naar de bonze en vraag hem om uitleg”. Zo ging de jonge Li weer uit, zocht de bonze in zijn tempel en zeide; “Gij” hebt gezegd, dat die bandieten daar waren”. “Dat heb ik gezegd”.

“Zijn zij er?”

“Zij zijn er niet”.

“Waarom dan?”

“Om u, mijn vriend, te tonen, hoe nutteloos het is als een geweldenaar rond te gaan, wanneer men niet denkt”. “Kan ik die bandieten vinden”, vroeg de jonge Li. “Hoe kan ik hen terugvinden, ik wil mij wreken”. “Denk goed na over uw wraak. Zet u neer. Drink een kom van de geurige thee met mij en denk”. Toen, na vele koppen toe en enkele koppen rijstwijn, de jonge Li eindelijk uit zijn gepeins ontwaakte, zeide; “Maar waar en waarom?” De bonze lachte en zond een bediende uit. Even later kwamen de vier bandieten binnen. Nu gekleed als de eenvoudige koelies, die zij waren.

“Dit zijn uw rovers. Gij zult mij vergeven, maar hier zit hun meester”. Toen, ineens, zag de jonge Li de reden. Hij begreep, dat dezelfde, die hem tot denken had gedwongen met de doodkist, hem met een pak ransel tot de daad had gedwongen. Zo zeide hij trots;

“Nu zal ik mij wreken” en uit zijn mantel haalde hij enkele onze zilver en wierp ze de koelies toe. Tot de bonze zeide hij: “Beng mij naar uw boekerij “Waarom?”

“Omdat ik uw boeken wil vernietigen , zoals gij de mijne hebt doen vernietigen”.

“Dat zij u gegeven” zeide de bonze en hij bracht hem naar een leeg vertrek.

“Waar zijn uw boeken?” “Hier”, zei de monnik en wees op zichzelf. Toen pas begreep jonge Li. Hij dankte de monnik nederig en teruggekomen tot zijn rede werd hij een groot handelsheer, die rechtvaardig was voor zijn dienaren en wijs, niet slechts in de ogen der mensen, maar ook in de ogen der Goden. Hierin vinden wij iets terug van vele mensen. Zij moeten gedwongen worden te denken. Eerst wanneer het wonder van het leven, het onbegrijpelijke hen beroert, dan verwaardigen zij zich een antwoord te zoeken. Als zij het antwoord niet kunnen vinden, dan zoeken zij de wijsheid, waarin het antwoord gelegen is. Voor vele mensen is de storing niet een doodkist, maar: het woord: Gij zult sterven….. Want eerst hierdoor vraagt hij zich: waarom, wanneer men hem zegt: Omdat gij mens zijt….. dan zoekt hij naar een antwoord en hij vindt het niet. Zo denkt hij en in de gedachten en in de leringen vindt hij de onsterfelijkheid. Maar de onsterfelijkheid is zelfs voor de beperkte mens zo begeerlijk, dat hij daarin op zou willen gaan. Hij wil de hele wereld niet meer zien, alleen deze onsterfelijkheid.

Dan komt het leven. Het leven brengt hem ongeluk en armoede, ziekte en nood. Hij zegt: “Ik wil dit leven meester worden”. Hij werpt zich op de materie en hij tracht als mens van het leven af te dwingen, wat de gedachten hem schijnbaar niet konden geven. Zijn verscheurde idealen vergeet hij. Hij zoekt nu naar de wraak op de wereld. Geluk, genot en bezit zullen de zijne zijn. Maar wanneer hij in die wereld een tegenstander zoekt, dan merkt hij, dat hij alleen maar ellende voor anderen heeft geschapen zonder iemand te kwetsen, zoals hij dit bedoelde, zonder te overwinnen.

Dan eerst, dan zoekt hij naar een oplossing. Hij zegt zich; “Waarom dan dit alles.” Wat is de reden?” Dan fluistert ergens iets: God. . . .

Hij gaat uit en zoekt die God. Met theologische redevoeringen, met bewijsstukken, met experimenten probeert hij aan te tonen, waar die God is, want hij wil zich op die God wreken. Die onrechtvaardige God. Die hem gedwongen heeft zo te leven. Maar wat ziet hij dan? Het leven zelf treedt hem tegemoet. Het zegt hem: “Ziet, ik, het leven, ik ben al die dingen, die je zoekt, Alles, wat gebeurd is, is slechts door mijn wet en mijn bemoeiingen”. Dan begrijpt de mens de ware wet des levens. Dan gaat hij zoeken naar een eenheid, waarin de gedachte der onsterfelijkheid inhoud vertonen aan de vergankelijke dagen.

Wie zo handelt, wint die velden der eeuwigheid, waarin de mens zichzelf is.

Want de mens gaat het vaak als:

DE RUPS

Gaande over het moerbeiblad, vretende alle dag, sprak de rups; “Groot ben ik. Hoe machtig verslind ik de struik”. Totdat eens, toen de zon al bleker begon te worden, hij zeide, “Het is mij zo vreemd te moede. Hij spon zich in een cocon, zoals de mens zich vaak inspint in herinnering.

“Nu zal ik rusten”. Het werd steeds duisterder. De herinneringen, de cocon, sloot alle licht buiten, het werd koel. Lang ging de tijd voorbij. Doch toen weer de herfstzon sterk scheen, voelde hij zich vreemd bewogen, bevrijdde zich en zag voor het eerst, hoe onbelangrijk een rups is.

De vlinder, die danst in de zon, die festijnen viert in de kelken der bloemen, die ziet eerst, hoe gebonden een simpele rups is, wiens wereld een blad blijft. Zo gaat het de mens. Eerst wanneer wij de innerlijke waarheid beseffen, zien wij de onbelangrijkheid van onze eigen wereldvisie. Dat is noodzakelijk. De mens, die denkt over huizen en bomen, beesten en over mensen, over zeeën en rivieren, over luchten, zeggende: “Dit is de wereld”, is gebonden als een rups op zijn blad. Druk beweegt hij zich, vergarend de feiten en vretend de tijd. Totdat hij oud wordt en zich gaat terugdenken, wat vroeger was. Dan zeggen de andere mensen: “Je kunt merken, dat zij oud worden. Een beetje kinds. Herinnering na herinnering. De werkelijkheid zien zij niet meer. Ingesponnen in een cocon”. Maar dan komt ook de dag, dat de werkelijkheid doorbreekt. Meestal noemen de mensen die dag de dood. Want de meeste mensen sterven voordat zij begrijpen, wat aardse gebondenheid is.

Niet iedereen is als een rups.

DE ELF

Er was eens een elf, die leefde in de bloesem van de lotes. Wanneer de bloem zich open plooide, wanneer de maan lichtstralen zond, dan danste zij op een blad in de vijver. Soms spiegelde zij zich verwonderd over de rand.

Eens danste zij licht en zo vol vreugde, dat zij onbewust de vleugelen bewoog. Voor zij het wist zoefde zij weg over het spiegelend water, neerziend op de bloemen, die lichtend haar nastaarde.

Verder en verder ging zij, tot achter de sterren. Zij danste in het gouden poeder, dat de Goden hebben uitgestrooid tot een spoor, toen zij in een plechtige stoet langs de hemel trokken. Die elf keerde terug en nog danst die elf, wanneer de bloem zich ontplooit. En nog baadt zij zich in het maanlicht En spiegelt zich in donker glanzend water. Zij is elf onder de elfen. Meer nog is zij in zichzelf. Want in de duisternis der hemelen heeft zij zichzelf gevonden, een wezen, dat niet gebonden is, een wezen, dat vliegen kan, een wezen, waarvoor geen hemel besloten blijft en geen hemeling zich verbergt. Zo is de mens, die in de intensiteit en de vreugde van het leven soms geestelijk de kracht vindt zich te verheffen boven stoffelijk begrip, vergetend tijd en ruimte, erkennend de lichte sfeer, die in hem werkt.

Zo’n mens keert terug tot de aarde. Uiterlijk is het een mens, zoals alle mensen, maar in zich draagt hij een kostbaar kennen over zichzelf als een oneindige kracht. Over zichzelf als deel van een licht.

Eerst wie zo gedanst heeft in het leven, dat hij zich verheven heeft, kent zichzelf, kent de waarheid. Als je de kern kent en de vlucht in hoge ruimte, dan zie je, wat onbelangrijk is en belangrijk. Dan vind je in jezelf een schoonheid, die antwoordt op alle dingen.

Men zegt, dat deze elf lang heeft geleefd in haar vijver, tot er een dag kwam, dat zij danste in de zon. Toen gleed er een zonnestraal neer en twee zonnestralen keerden terug naar de zon. Nu danst de elf niet meer op het lotusblad in het licht der maan. Maar soms danst een zonnestraal en kust de bloemen wakker en streelt de dieren en moedigt mensen aan. Deel van een groot licht, kerend tot dat licht, en toch zichzelf. Waarheid voor de mens, die esoterie zoekt, te vinden de waarheid is de eenheid van alle dingen, waarin je handelt, persoonlijk, leeft persoonlijk en toch als deel van het Grote, waaruit je voortkomt en waarin je terugkeert, die je beseft, dat al je wezen de kracht is van het grote, dat je zelf bent.

Zo te leven, zo” te kunnen leven en streven, is een doel van velen. Zo te mogen leven is het bewijs van de lichtende kracht, die liefde is en niets anders. Zoekende zo te leven is het begin der wijsheid. Begrip van dit leven, geborgen nu nog in het ik, is de voltooiing ervan. Wij allen zullen misschien eens die weg, gaan, totdat het zover is, moeten wij onze pogingen nooit staken om een werkelijkheid te vinden; onze werkelijkheid.

Niet de werkelijkheid van anderen, of van leraren. Niet de vertrokken lachspier, waarin men zich ziet, wanneer men zich beschouwt in de geest van een ander, of in de stelling, die een ander heeft ontworpen.

Maar je moet je spiegelen in het innerlijk beleven. Elke mens draagt zijn eigen waarheid en zijn eigen wijsheid. Die kan niet worden gebonden in regels, niet worden neergelegd in woorden. Die kan alleen worden geleefd. Wie deze eigen wijsheid leert overdenken en beleven tegelijk, deze vindt het grote deel van alle oneindigheid. Binnen het kennen van zichzelf, gaat hij op in de grote Kracht.