Het oordeel, dat Jezus had over de wereld

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 5

5 februari 1956

Wij zullen dan trachten wat verder te gaan met onze beschouwing over het christendom en ik hoop ook in de gelegenheid te zijn weer een spreker tot U te laten komen, die uit eigen ervaring misschien enig commentaar kan geven op hetgeen ik U vertel.

Ik zou deze keer met U willen spreken over: het oordeel, dat Jezus had over de wereld en de wijze, waarop hij dit oordeel aan zijn leerlingen voorlegde. Want wij allen, stof en geest, komen vaak in de verleiding om een oordeel uit te spreken over de wereld, over de mensen van die wereld en over de toestanden van die wereld, zonder ons te realiseren, in hoeverre dit oordeel voor ons belangrijk of misschien zelfs gevaarlijk kan zijn.

Jezus heeft eens zijn leerlingen daaromtrent het volgende meegedeeld:

“Wanneer gij een oordeel spreekt, zo begrijpt gij niet datgene, waarover gij oordeelt. Het oordeel, dat gij dus spreekt, is het oordeel over Uzelf. Want ziet, in de ander oordeelt gij de onvolmaaktheid, die gij in Uzelf erkent. Hoedt U voor een hard oordeel; ja, het ware beter: gij oordeelt niet, zo gij oordeelt, oordeelt slechts over Uzelf en leg geen lasten of schuld op een ander, die gij kent noch begrijpt. Slechts de Vader kent alle dingen en Hij spreekt een oordeel, dat voor ons allen het enige en het juiste is.” . ……

Wij mogen niet oordelen. Wij oordelen maar al te graag vanuit ons eigen standpunt over anderen. Maar zoals Jezus hier terecht aan zijn leerlingen voorlegt, hebben zij het recht niet om te oordelen, want wie kent de verborgenheden in het hart, in het leven van een ander? Wie weet welke omstandigheden, welke oorzaken er zijn, juist in dat leven, die leiden tot hetgeen ge veroordeelt?

Wanneer wij een zuiverder inzicht willen hebben, dan is het misschien verstandig, om daar een ietwat later gegeven uitspraak aan toe te voegen, die werd gesproken door de prediker Barnabas, toen hij een korte wijle in Antiochië vertoefde.

“Wanneer gij oordeelt, oordeelt ge slechts gerechtvaardigd over de dingen die ge kent. Wanneer ge aldus het kwaad in een ander vaststelt, zo geeft gij blijk van het feit, dat dit kwaad in Uzelf zetelt. Het is echter niet onze taak, het kwaad, dat in ons leeft, bij anderen te bestrijden. Laten wij zo onze meester volgen en zonder oordeel verder gaan, wetend dat ook wijzelf beladen zijn met schuld.”

Wijzelf zijn altijd beladen met schuld. Niet omdat ons leven vol is van handelingen en daden, die voortdurend een schuld betekenen t.o.v. de kosmos, of de eeuwigheid. Eigenlijk kennen wij geen schuld, zolang wij niet een oordeel spreken. Maar op het ogenblik, dat wij in een ander dingen verwerpen, die ook in ons moeten leven anders zouden wij ze niet kennen verwerpen wij een gedeelte van ons eigen leven. En we moeten dan eerst in ons eigen leven wederom perfecte harmonie weten terug te vinden, vóór wij ons tot de buitenwereld kunnen en mogen wenden.

Toen Jezus de overspelige vrouw had gered, door te schrijven in het zand en haar belagers toe te voegen: “Wie Uwer zonder zonden is, werpe de eerste steen”, toen is daarover natuurlijk ook veel gesproken. En vooral Petrus was overtuigd gesteund door Andreas dat deze vrouw toch inderdaad des doods schuldig was volgens de wet.

Jezus zei daarop:

“Deze vrouw ging haar zinnen na en gij acht haar des doods schuldig. Maar gij, Petrus, twijfelt gij niet en hebt ge niet onrechtvaardig winst genomen? Gij, Andreas, vlucht gij niet voor de waarheid? Waar deze hiermede doelde hij op de overspelige vrouw slechts zondigde in de vleze, zo zondigt gij met de geest. Wie met de geest zondigt, is meer des doods schuldig, dan zij, die als mens dit in de stof verwerkelijken.”

De vertaling hiervan is ietwat vrij, maar de betekenis is door mij volledig overgebracht en weergegeven. Een punt, dat ongetwijfeld onze belangstelling vraagt.

Wij kunnen schuldig zijn, natuurlijk. Wij zullen allen wel schuldig zijn. Maar hier blijkt, dat Jezus de zonden van de geest ernstiger vindt, dan die van het vlees. En hij heeft gelijk, want waar wij in de stof zondigen, worden wij nog altijd door onze omgeving, door al hetgeen er rond ons bestaat, onze eigen angsten voor onze omgeving ook vaak, onze begeerten daarin, beperkt. Een zonde, die wij lichamelijk bedrijven, blijft binnen bepaalde perken.

Aan de geest zijn deze niet opgelegd. Wij menen, dat de gedachten vrij zijn. Wij menen, dat wij vrijelijk kunnen dromen, omdat toch nooit iemand die droom zal kennen. Daarom wordt de verworpenheid van ons zijn in de gedachten sterker, wanneer we hen laten gaan zonder onszelf te oordelen, dan ooit in de stof het geval kan zijn.

Het is begrijpelijk, dat de leerlingen hiertegen enig protest naar voren brachten. En eigenaardig genoeg, was het Johannes, de lievelingsleerling, die zegde: “Maar Heer, hoe kunnen wij onze gedachten een teugel aanleggen?” Daarop had Jezus maar dan antwoord:

“Waar de gedachten ledig zijn, zoeken zij de wegen van het vlees en zijn hun dromen één verwording van stoffelijke waarden buiten alle werkelijkheid. Maar wie zijn gedachten richt op de Vader zal in de volheid van Zijn streven, in de volheid der Goddelijke Kracht, niet worden afgevoerd van het rechte pad. Zolang de gedachten gericht zijn op het goede, zal de geest niet zondigen. En wanneer de geest niet zondigt, wat betekent dan de weg van het vlees? En zelfs het vlees zal niet zondigen, wanneer de gedachten het daartoe niet aansporen.”

Dat was voor Thomas, de twijfelaar, aanleiding om onmiddellijk op te merken: “Maar, Heer, ons lichaam vraagt toch en wij mogen volgens de wet niet altijd bevestigend antwoorden.”

Jezus maakte daarop de opmerking; “Niet dat het vlees neemt, wat het vlees behoort, is een misdaad tegenover de Vader. Maar dat het vlees neemt, wat het niet behoort, geleid door begeerlijke gedachten, die meer zoeken in het vlees, dan het vlees zelf in zich kent, dit is zonde. Want dit is schuld, die ge op U laadt tegenover Uzelf in de verwerping van het Koninkrijk Gods, in miskenning van de eeuwige waarden, die de Vader ook in U heeft gelegd.”

U zult begrijpen, dat het ons dus zeer moeilijk moet vallen te oordelen. Want zo wij al de daden zien, wie kent de gedachten?

Later heeft men in het christendom zeer sterk, streng en veel geoordeeld. Maar dit was niet Jezus’ leer. We weten, dat Paulus in grote toorn zich vermat enkele ouderlingen, – ik zou haast uitschelden willen noemen – te betitelen als huichelaars, als gepleisterde graven, daarbij ongetwijfeld lenende uit hetgeen Jezus eens de Farizeeërs toevoegde. Maar hij vergat één ding: Paulus was geen Jezus. Want Jezus zag in de harten der mensen, kende de gedachten, die hen tot daden voerden. Paulus kende deze niet.

Wanneer gij de weg wilt gaan der bewustwording, geloof mij vrienden, is het beter om niet te oordelen. Want slechts een enkele maal wordt er een mens geboren, die ziet tot in de harten der anderen en die begrijpt.

Zolang gij niet begrijpen kunt, is het beter, dat gij geen oordeel spreekt, tenzij een oordeel over Uzelf. En daarover heeft Jezus gezegd:

“Wijdt niet aan anderen datgene, wat in Uzelf een falen is. Maar Uzelf kennende en wetend waar ge faalt, oordeelt U zelve en veroordeelt U zelve, opdat ge niet wederom zult falen.”

Dit word gezegd tot de leerlingen, toen zij uitgaande om te genezen in Jezus naam moesten terugkomen en zeggen; “Heer, het gaat niet; wij kunnen dit niet volbrengen.”

Jezus heeft hen kleingelovigen genoemd, omdat zij niet het vertrouwen hadden in Hem en het leven, dat noodzakelijk is om de werken Gods te volbrengen.

Later zijn zij tot hem gekomen en hebben gezegd: “Heer, er zijn anderen, die door het land gaan en genezen en duivelen uitdrijven in Uwen naam.” En Jezus heeft gezegd;

“Zo zij bannen in de naam van de Vader en mijne naam, wat deert het U?” En daar achteraan (wat ge niet in de Evangeliën zult vinden), zegde Hij hen: “Want ziet ge oordeelt hen, niet om hetgeen zij doen, maar om hetgeen gijzelf niet bereiken kunt.”

En ik geloof, dat daarin de kern ligt van menig oordeel dat mens en geest uitspreekt. Wij oordelen, omdat anderen bereiken, waar wijzelf falen. We zoeken de fouten van anderen om onze eigen minderwaardigheid, onze eigen onwaardigheid te verbergen. Wij trachten onszelf te verheffen, door een ander te vernederen.

Maar wie zo oordeelt, faalt in twee dingen: in het uitoefenen van de Goddelijke liefde, de naastenliefde, die in elk mens behoort te leven, en in het respect voor zichzelf.

Wanneer wij zien hoe Jezus zetelt als hoogbewuste geest boven ons allen, en toch tot ons neer kan dalen, dan kunnen wij Hem benijden en zeggen, dat Hij God was en het daarom gemakkelijk had. Wij kunnen echter ook zeggen, dat Hij dít bereikt heeft, ondanks het feit, dat ook Hij als mens leefde. Daaruit kunnen wij dan de troost en de zekerheid putten, dat wij ook eens deze lichte sfeer, deze vrijheid en deze hoogverhevenheid binnen het Goddelijke kunnen bereiken en daar onze werkelijke bestemming kunnen en zullen vinden. Want niets is de mens onmogelijk, indien hij streeft. Maar zo hij tracht anderen tot vernederen, zo verlaagt hij zichzelf, totdat zelfs het doel door hem uit het oog wordt verloren.

Deze simpele inleiding voor een woord, dat thans de volgende spreker tot U richt, een spreker wiens naam ik U zoals gebruikelijk niet zal mededelen. Een spreker echter, die ofschoon hij sedertdien meerdere malen op aarde heeft geleefd eens in Jezus tijd leefde, en die daarom misschien beter dan gij nog weet, wat het betekent te oordelen.

Ik geef het woord over aan deze spreker en zal mij gezien het feit, dat hij hoger staat dan ik van commentaar op hetgeen hij naar voren brengt, onthouden. Ik hoop echter, door deze inleiding, het U eenvoudiger gemaakt te hebben om zijn gedachtegang te volgen.

o-o-o-o-o

In Jezus tijd is door de mensheid een oordeel gesproken, zo belangrijk, zo vernietigend voor hen, die het uitspraken en zo bevestigend in volle glorie en onschuld voor hen, die het ondergingen, dat ik het vanuit mijn standpunt niet beter meen te kunnen doen, dan U te tonen, hoe dit oordeel tot stand kwam, en wat de gevolgen daarvan zijn geweest.

Jezus bracht vrede en vrijheid van geest aan velen uit het oude volk. Vrijdom van knechting door de tempel, een gevoel van vrijheid en waarde in een geketend land. En omdat Hij de ketenen verbrak, waarmee de mensheid zichzelf en anderen had gekluisterd, beschouwde men hem als een gevaar voor de maatschappij, voor de zeden, ja, voor de gehele rechtvaardigheid van het volk.

Degenen, die Hem oordeelden, wisten, dat zijzelf vaak schuldiger waren dan Hij. Maar zij zeiden zich – zoals ook Pilatus gesproken heeft – voor zichzelf: “Beter, dat één mens lijdt, dan dat een volk ondergaat.”

Niet bewust hebben zij dit geuit. Zij hebben zichzelf overtuigd, dat Hij God lasterde. Zij hebben zichzelf overtuigd, dat niets beters kon worden gedaan, dan deze misdadiger te verwijderen uit hun maatschappij. Zo hebben zij alle middelen gebruikt, om hun oordeel te rechtvaardigen, om hun bedoelingen te doen voltrekken door de machten, die daartoe bevoegd waren.

Ik heb gestaan tussen het volk, toen Pilatus in een ogenblik van eerlijkheid trachtte om Jezus te redden, om althans zijn leven te sparen. Ik heb hen gezien, de ijverende, de zeverende priesters en al hun satellieten, hun vereerders, die fluisterden: “Deze mens moet sterven, want hij heeft gezondigd.”

Maar niemand heeft gezegd, welke schuld Hij op zich had geladen. En het volk heeft geloofd, zoals men altijd geneigd is het kwade te geloven van een ander. Zo hebben wij allen gezamenlijk, ook ik geschreeuwd om een oordeel, ja, een veroordeling. Wij hebben de toorn Gods, de wraak Gods, op ons afgeroepen, opdat een mens zou sterven, die meer was en beter dan wij allen.

Gij denkt misschien, dat dit drama zich alleen afspeelde in de oudheid. Maar elke dag opnieuw zien wij hetzelfde drama zich weer voltrekken: Jezus wordt veroordeeld door de mensheid. In zijn naam zich sterkende door spreuken die men Hem in de mond legt of wel zich beroemende op verdraaide frasen, genomen uit de onvolledige verslagen van Zijn leven, tracht men Hem, zijn gedachten van vrede en zelfverloochening, van lijdzaamheid en onderworpenheid aan de Vader te wraken en te veroordelen. Wie het begrijpen kan begrijpe: Wie oordeelt in waarheid, oordeelt slechts, wat in hem leeft. Wie oordeelt in leugen, oordeelt de wereld buiten zich en maakt die wereld tot rechter over zijn eigen zonden. Wie het onrecht over zich afroept, wordt niet geoordeeld door de eeuwige Macht, maar door de schuld, die hij in zichzelf draagt.

Wie een bewustzijn van schuld in zich heeft, delge deze schuld of ga er aan ten onder. Want een andere weg bestaat er niet. Maar wie weet naar beste weten te leven, naar best te kunnen streven, is vrij ondanks alle oordeel onaantastbaar in eeuwigheid, omdat in hem is dezelfde kracht, die in Jezus was, dezelfde kracht, die in God leeft, de ware eenheid van wezen en streven, die het symbool zijn van alle volmaaktheid.

Jezus is veroordeeld en gekruisigd. En daarna hebben wij de priesters veroordeeld, die Hem deden kruisigen. Daarna heeft de wereld ons volk veroordeeld. Eeuwen hebben het volk in de mensheid tot verworpelingen gemaakt. Want het oordeel eens gesproken keert steeds weer.

Wanneer er thans strijd is in Israël, is het het oude oordeel en de oude schuld. Wanneer thans de mensheid vol haat strijdt om de begrippen van het christendom, is dit de oude schuld. Wij kunnen een schuld slechts delgen door haar teniet te doen in ons wezen.

De wereld had schuld aan het lijden en de dood van Jezus. Een ieder, die nadenkt, begrijpt, dat ook in hem, in haar, de schuld rust. Want ook wij zouden Hem veroordelen, omdat Zijn wegen anders zijn dan de onzen; omdat Zijn bewustzijn groter en Zijn heerlijkheid zoveel sterker geuit is, dan wat voor ons mogelijk is. Wij kunnen echter niet door een oordeel het probleem voor onszelf oplossen.

Eens heb ik Hem horen spreken en Zijn woorden klinken nog na in mijn geest ofschoon Hij voor de wereld reeds duizenden jaren verbleekte:

“Gij, die U wreken wilt, wreekt U op Uzelf. Wreek U door beter te zijn, meer te zijn, wat ge haat in een ander, dan deze ooit bereiken kan, zo het het goede is. Wreek U op de ander en op Uzelf door zijn kwaadheid te dragen zonder haat, indien hij slechter is dan Uzelf. Vrees niets en aanvaard alles. Want zó eerst zult gij, mijn volk, verlost zijn. En zo is het verbond, dat de Vader heeft gesproken; en zo is het verbond, dat Ik U verkondig. Want de Heer leeft in ons allen. En wanneer wij naderen tot Hem, dan oordelen wij over de wereld, omdat wij – zelf tot Hem komende – begrijpen, hoe de wereld niet meer te oordelen is.”

Velen hebben gezegd, dat deze woorden dwaasheid waren. Maar hoe langer ik leef en hoe verder ik ga met mijn bewustzijn, hoe meer ik mij bewust wordt van hun waarheid. Want niets is in staat om mij te veroordelen, behalve ikzelf. Niets kan ik oordelen dan door tot God te gaan en vanuit God de waarheid te zien omtrent hetgeen ik oordelen wil.

Deze dingen heb ik geleerd. Ik heb ze moeizaam geleerd, omdat ook ik eens heb geroepen: “Kruisigt Hem.” Maar Hij heeft mij geholpen en verheven, omdat ik het oordeel herroepen heb en de noodzaak kon begrijpen.

Zo zij het U, wanneer gij eens geoordeeld hebt. Leer begrijpen datgene, wat gij geoordeeld hebt, en in de waarheid Gods zal alle schuld van U genomen zijn.

Dat Uw dag een dag des vredes zij.

ZELFKENNIS

Ik leef, ik streef, ik werk, ik zoek mijn wereld en mijn kerk, mijn stoff’lijk leven en mijn God.

Maar wat ben ik eigenlijk?

Werk ‘k dan alleen, omdat het lot het werken mij heeft opgelegd?

Zoek ik mijn God omdat ‘k behoefte heb aan steun?

Of zie ik God als recht tot leven?

‘t Is niet voldoende om op de wereld te zijn, te zoeken en te streven, wanneer ‘k niet weet waarom.

Ik moet mijzelf kennen, weten welk bewegen mij voert, welke vreemde kracht bij beroert, wanneer ‘k een keuze doe en mijne wegen ga.

Soms lijkt mij ‘t Goddlijke, ‘t Volmaakte na.

Soms lijkt mij al het zijn ver af en voel ‘k mijzelf eenzaam en verworpen, verlaten en voor alle tijd gedoemd tot eenzaam zijn, tot lijden in eenzaamheid, en ik weet niet waarom.

Doch wanneer je in jezelf zoekt en vraag;

“Wat is van deze daad de reden? Waarom stelt gij in het heden deze daad en in ‘t verleden andere?”

Dan zult ge begrijpen, hoe Uw eigen wezen bezig is zich aan te passen, te veranderen, naarmate de tijd U verder schrijdt.

In de verandering ziet ge reeds een benadering van de eeuwigheid.

Gij zijt veranderd en gij spreekt Uzelf daar een oordeel over.

O, soms met veel getover van woorden tracht ge Uzelf de verand’ring te verhullen.

Maar de werkelijkheid blijft in ‘t bewustzijn steeds bestaan;

Nu ben ik zo. Zo was ik toen.

Ik ben die weg gegaan.

En dat betekent dus mijn streven.

Maar wat betekent dan dit leven voor de werkelijkheid?

Dan schouw ik in de wereld, die – waar ik ook ga, in wat voor sfeer of leven – steeds mij begeleidt met vorm en wezen, en haar normen, haar wetten, haar veranderlijkheid, En ‘k vraag mij af; “Wanneer zal deze wereld dan mij steunen?

Wanneer betekent zij mij strijd? Wanneer verzet ik mij of oordeel ‘k minachtend over dit bestaan? Wanneer beschouw ik al dit zijn uiteindelijk als waan? Wanneer is het mij werk’lijkheid van innig, diep beleven? Door zo te vragen kan ik dan mijzelf een antwoord geven, wanneer de laatste vraag mij rijst: “Wie ben ik? Wat zal ‘k zelve zijn?

Ik ben dat, wat ik waar beleef. Ik ben dat niet, wat ‘k van mij wijs. Ik ben juist dat wat ik om alle prijs begeer, ook als ‘k de moed niet heb om dit te gaan verwerven.

Zelfkennis wordt het meest geopenbaard, wanneer een mens gaat sterven, of als een geest van sfeer tot andr’e sfeer weer vaart.

Want wij moeten dan ons zeggen; “Wat heb ik werkelijk volbracht?”

De dag van leven is voorbij.

De tijd van streven is geweest.

Aanvaard ik dit verscheiden blij?

Of ga ik domp, bevreesd, in angst’ge razernij mijn lot tegemoet?

Gevoel ik voor mij zelve, dat ‘k meen’ge schuld niet heb geboet?

Dan weet ik, dat ik schuldig was en heb ik dus mijzelf erkend.

En voel ik in mijzelf geen schuld, wel ziet dan heel mijn wezen zegt: “De wereld noemt het schuld, jij niet. Jij hebt hier niets te vrezen, waar jij jezelf niet schuldig voelt”.

Maar had de wereld toch gelijk?

Ben ik misschien nog geest’lijk arm en is die wereld rijk?

Of is het omgekeerd? Ben ik te ver gestegen?

En heeft de stem, die in de wereld roept, in mij reeds lang gezwegen, omdat zij waan betekent, niets meer, niets minder ook dan dat?

Zo vraag je voort en steeds maar voort en word het vragen zat, omdat een weten in je leeft van wat jezelf bent.

Omdat je in de wereld en d’ eeuwigheid dan steeds jezelf herkent en weet; Dit is het einde van mijn tijd.

Ik ben in al wat er geschapen is.

Ik ken mijzelf in al, wat er bestaat.

Een spiegel is de wereld mij, die nu ‘k de ogen sluit voor mij vergaat.

Wat mij blijft, is het eigen zijn, zoals ook God bestaat.

Dan kent ge Uzelf.