Het overbrengen van gedachten

12 februari 1969

Wanneer wij de gedachte op zichzelf bezien, doet zij zich van uit het menselijk standpunt uit gezien voor als een reeks veranderingen van de weerstand in de grote eiwitcellen, waarbij bepaalde proteïnekernen bepalend kunnen zijn voor de doorlaatbaarheid.

Met deze enkele woorden is dan zeer veel op technische wijze gezegd en we zouden verder kunnen spreken over moleculair-structuren. Ik geloof echter, dat u allen wel wilt aannemen dat de gedachte op zichzelf kan worden gezien als een frequentie van zenuwtrillingen (van zenuwimpulsen dus), die door bepaalde cellen wordt doorgelaten en door andere wordt geweigerd. Dit is dan het stoffelijk denken.

Het proces speelt zich echter niet alleen in de hersenen zelf af. Praktisch het gehele zenuwstelsel ‑ en zelfs een groot gedeelte van de andere weefsels ‑ heeft deel aan vele en vooral aan intense gedachten. Zo, kunnen wij vaststellen, dat een bepaalde schrikgedachte niet alleen gepaard gaat met het uitzenden van een schok of paniekgolf, die ook wel degelijk buiten de persoon zelfs voor minder sensitieve waarneembaar is, maar dat bovendien door het ontstaan van een grote adrenalineafscheiding een versterkte werking van het hart het gevolg is en een beïnvloeding van de ademhaling, waarvan het tempo ietwat wordt verhoogd, terwijl vaak ook transpiratie (dus vochtafscheiding) optreedt.

Ik haal dit aan om u te tonen, hoe het gehele lichaam deel kan hebben aan een sterke gedachte-impuls. Wanneer de invloed van deze op zich zelf onbelangrijke impuls in de hersenen zo groot is, mag ook worden aan­ genomen dat deze gedachte in feite een veel grotere kracht is dan men alleen afgaande op de denkverschijnselen en de hersenreactie zou veron­derstellen. Wij hebben natuurlijk te maken met microstromen. De spanningsverschillen zijn uitermate miniem en de ampèrage (de stroomsterkte) zou je eveneens in microampères moeten uitdrukken. Maar er zijn andere werkingen.

Wanneer wij naast het elektrisch verschijnsel nu – alleen als proef of voorbeeld – eens een magnetisch verschijnsel zouden stellen, dan zouden wij kunnen aannemen, dat naarmate de frequentie van de trilling stijgt een sneller verdringingsverschijnsel ontstaat. Stel u eens voor, dat een trilling een impuls wekt. Die impuls is naar buiten gericht. Nu zou eigenlijk datgene, wat naar buiten is gebracht, weer moeten terugvloeien naar zijn één punt van uitgang. Maar dat kan het niet, want er komt weer een tweede impuls en deze stoot de eerste dus verder naar buiten, Wij mogen dan stellen; Naarmate de frequentie van een gedachte‑impuls hoger wordt, zal deze gedachte verder dragen, zal zij verder buiten het eigen “ik” worden uitgestoten. Nu is er nog een tweede factor; Wanneer wij te maken hebben met bijzonder hevige belevingen en emoties, dan blijkt dat de gedachtewerking plotseling stromen vertoont, die zelfs tot het twintigvoudige van de normale kunnen aangroeien.

Dit alles is naar ik meen vastgesteld ‑ zij het nog niet volledig ‑ door proefnemingen met sujetten onder een encefalograaf. Deze vergroting nu van stroom en spanning betekent dat het signaal (de uitstraling) plot­seling merkbaar wordt. Het is nu niet alleen de afstand maar ook intensiteit van het signaal, die bepalend worden voor het effect. Overdraging van gedachten geschiedt dan ook bv. bij ongevallen en sterke emoties; zij geschiedt bij bijzonder boeiende gebeurtenissen en heeft dan onverwachte uitwerkingen. Om u een voorbeeld te geven: Een luchtschip brandt in Akron (U.S.A.) en er worden een aantal beeldflarden door een z.g. helderziende (dus geen telepaat) opgevangen in de buurt van Kaapstad. De beschrijving is praktisch volkomen gelijk aan de eerste indrukken, gegeven door een tweetal journalisten in Akron aanwezig. Deze indrukken zijn niet een feitelijke weergave van hetgeen gebeurde. Hier wordt dus kennelijk de gedachten der journalisten opgevangen. De overdracht daarvan over de afstand Akron ‑ Kaapstad betekent praktisch de halve wereld. Er bestaat dus klaarblijkelijk geen beperking, wat de afstand betreft, waarover een gedachte kan worden overgebracht, mits deze intens genoeg is. Wij stellen daarbij vast dat, wat de stoffelijke gedachte betreft, de emotie over het algemeen de meest stuwende factor is.

Nu ik heb geprobeerd u dit op eenvoudige wijze uiteen te zetten, moeten we overgaan naar het volgende punt.

Wanneer u een gedachte bewust richt op een bepaalde persoon, dan zult u die andere persoon daarmee niet zonder meer kunnen bereiken. U kunt dit­ alleen doen indien er ook ergens de nodige “push” is, de nodige kracht. Deze kracht echter krijg je niet, als je alleen maar aan een ander denkt en die gedachte uitzendt. Gaat echter die gedachte gepaard met een emotie, dan zal de overbrenging aanmerkelijk beter zijn. Zouden we beperkt blijven tot het uitzenden van alleen stoffelijke gedachten, dan zou ongetwijfeld gedachteoverbrenging een zeldzaam verschijnsel zijn. De kracht, vereist om personen te beroeren ‑ vooral wanneer het daarin niet geoefende personen betreft ‑ is zo groot in verhouding tot de normale gedachtestroom, dat zij slechts eenmaal op de anderhalf miljoen gedachteflitsen of ‑impulsen kan voorkomen; en dan is het resultaat nog niet eens zeker.

Er zijn gelukkig andere waarden. Wanneer wij twee mensen zien, die met elkaar harmonisch zijn, dan ontstaat een gelijkheid van denken. Het is a.h.w. of beiden op elkander zijn afgestemd. Een groot gedeelte van hun gedachten reacties is gelijk; en de frequenties, waarin zij denken, zijn ook praktisch dezelfde. Nu ontstaat echter een vreemd verschijnsel: de gedachte wordt niet overgebracht bv. woordelijk of als een visuele impuls maar eerder als een intuïtieve ervaring. Het bekende voorbeeld. De man komt naar huis; de vrouw zet de aardappelen op, ofschoon de tijd van dag tot dag verschilt. Het komt vaker voor dan u zou denken. De mensen zijn op elkander afgestemd. De impuls “ik ga naar huis” bij de man (een realisatie) wordt bij de vrouw omgezet in; “het wordt tijd om te gaan eten”. Schijnbaar bestaat er geen verband. Maar als we de oorzaak bezien, dan blijkt dat de vrouw het huiswaarts­ gaan van haar echtgenoot vertaalt in haar eigen termen, dus: voedering der dieren. Hier is dus een verschijnsel aan de orde, dat zeer moeilijk kan worden vast­gesteld.

Wij kunnen natuurlijk uitgaan van de bekende proeven van Rhine, vooral van die met kleuterklassen. Maar daarbij gaat het nog steeds om het erkennen van symbolen. Wanneer wij nu echter de symbolen eens buiten beschouwing laten en konden zien, hoe bepaalde impulsen van een geliefde onderwijzer of onderwijzeres op jonge kinderen worden overgebracht en vaak zelfs onmiddellijk in hun spel mede tot uiting komen, dan zou u verbaasd staan. Zolang er een band wordt erkend tussen mensen, die niet verstandelijk gerealiseerd behoeft te zijn, maar als een gevoel bestaat, is er een mogelijkheid om zelfs met zeer kleine gedachte-impulsen toch in de ander enig begrip te wekken

Ik geloof, dat we goed doen nu meteen over te gaan naar een derde, misschien ook wel typisch verschijnsel.

Wanneer wij personen kennen ‑ wij moeten die persoon dus tenminste zelf aanschouwd en met hem of haar hebben gesproken ‑ en wij stellen ons deze persoon voor, dan lijkt het soms wat dwaas, maar we houden er een tweegesprek mee. En we zeggen allerhande dingen, die we nooit zouden durven zeggen, als de persoon in kwestie aanwezig was. Ik neem als voorbeeld: De boekhouder denkt aan zijn directeur. Hij stelt zich diens bulldog-gezicht voor en zegt eens: “Jij oude zuurpruim, jij ellendeling, jij slavendrijver, waarom heb je mij geen opslag gegeven?” U zou nu zeggen, dat is nu toch geen gedachte, die wordt overgebracht. Typisch genoeg wel. Het is zeer waarschijnlijk dat ‑ wanneer onze directeur zich in die periode in rust bevindt ‑ hij plotseling gedachten over die boekhouder in zich voelt opwellen; en gezien de begeleidende verschijnselen van het gesprek, zullen die ook wel onwelwillend zijn. Hier is wederom sprake van een gedeeltelijke overbrenging van de gedachte-impuls. Dan kunnen wij de z.g. harmonie via het wereld-weten of het wereld-denken. Wanneer ik iets denk en duizend mensen denken dit gelijktijdig, dan is de mogelijkheid heel groot dat degenen, die zich daarmee geconcentreerd bezighouden, een deel van de gedachten van anderen opvangen; voor hen wordt het echter een aanvulling van hun eigen denken. Zo krijgt men dan invallen, die elders ook reeds aanwezig blijken te zijn. Zuivere voorbeelden hiervan kunnen we helaas zelden vinden. Wanneer we echter de geschie­denis van bepaalde ontdekkingen en ook van patenten nagaan, blijkt vaak dat personen, die gelijktijdig met hetzelfde bezig waren, ongeveer gelijke oplossingen vonden, waarbij typisch genoeg A het beste uit het systeem van B, maar B ook het beste uit het systeem van A heeft gebruikt. Hun persoonlijke uitwerking van de rest raakt dan het verschil van het procédé uit. In de verschillende octrooibureaus kan men dat telkens vaststellen, zelfs al is dit een zeer ingewikkeld probleem geworden. Ik hoop dus, dat u zult beseffen dat het overbrengen van gedachten lang niet altijd behoeft te zijn: het direct overbrengen van woorden of van beelden. In zeer vele gevallen is het eigenlijk eerder van uit het standpunt van de ontvanger een gelijktijdig denken met de zender, zonder dat men zich bewust is van het feit, dat niet het “ik”, doch de zender deze gedachte voortbrengt.

Dan komen wij aan het tweede deel, nl. het direct overbrengen van gedachten in woorden en in begrippen.

Hier blijken overigens zeer eigenaardige remmingen te bestaan, waarop ik zo dadelijk terugkom. Wanneer ik zelf gevoelig genoeg ben en afgestemd op een bepaalde persoon of ‑ wat ook mogelijk in ‑ op een bepaalde plaats, dan kan ik in staat zijn om de gedachtetrillingen, die daar ter plaatse of in die persoon ontstaan, op te vangen. Ik kan dan vaak woorden overbrengen of opnemen. Dit is een verschijnsel dat helaas, in spiritistische kringen wel eens verkeerd wordt geïnterpreteerd. Men noemt dan aan, dat de ontvangen (de gehoorde) woorden uit de geest moeten komen. Dit is niet noodzakelijk. Ze kunnen evengoed hun oorsprong hebben in een persoon, die nog heel rustig en nuchter in de stof leeft en die ‑ wie weet hoe ver van u verwijderd ‑ op een gegeven ogenblik met u een eenheid van denken heeft bereikt op één van de vooromschreven wijzen.

Nu denk ik. Maar mijn gedachte blijft beperkt bv. tot woorden; d.w.z. dat ik niet meer één enkel beeld of één enkel sentiment moet overbrengen maar een betrekkelijk grote en samenhangende reeks klanken. Om u een voorbeeld te geven:

Een emotie kan worden uitgedrukt in 16 tot 17 trillingsvarianten; deze zijn tezamen genoeg om een soortgelijke emotie in een ander op te wekken. Om een enkel woord uit te zenden (een woord dat b.v. uit 4 of 5 klanken bestaat) zou ik echter reeds een kleine 800 trillingen nodig hebben. Het beeld is dus veel complexer; er ontstaat meer modulatie en kruismodulatie van de impulsen en de mogelijkheid tot verwarring wordt aanmerkelijk groter. Wanneer nu de woorden, die ik zend, niet of niet volledig aanwezig zijn in het denkvermogen van de persoon, die ik wil bereiken, zullen deze niet worden verstaan of verkeerd worden begrepen. Dergelijke impulsen krijgen hun volle waarde eerst, wanneer door bekendheid met dezelfde woorden en begrippen een associatief denken optreedt, waarbij de persoon uit zichzelf de woordkeuze tot stand brengt. Een aardig voorbeeld in dit verband: Er zijn twee mensen geëmigreerd naar Canada de Ver. Staten of Australië, in elk geval naar een Engelssprekend gebied. Deze mensen nu gaan een telepathisch contact opnemen. Thuis wordt nog Nederlands gesproken, maar buitenshuis wordt uitsluitend Engels gebruikt. U zou nu willen proberen om, die mensen een boodschap te zenden. Dan zult u om de man te bereiken heel waarschijnlijk succes boeken, wanneer u Engels gebruikt, dus Engelse woorden zendt. Bij de vrouw heeft u grotere mogelijkheden, als u het Hollandse equivalent gebruikt. Waarom? Voor de man is Nederlands iets bijkomstigs; het is iets van zijn besloten relatie met thuis. Hij zal daaraan geen aandacht schenken, dus ook niet snel tot associaties komen. Engels betekent voor hem echter het zakenleven; attent zijn voor de vrouw betekent juist het Engels: het moeizame contact met een buitenwereld, die voor haar veel minder belangrijk is, terwijl het Nederlands voor haar de uitdrukking is van haar taak, haar leven, de inhoud van­ haar bestaan, haar gezin. Zo blijkt de ontvankelijkheid dus sterk te kunnen verschillen. Overbrenging van volledig vreemde en ongekende woorden en klanken is zeer moeilijk en kan alleen door de meest geschoolden tot stand worden gebracht. Deze vorm van directe gedachteoverbrenging kent overigens nog een variant, die te interessant is om haar buiten beschouwing te laten.

Wanneer ik niet direct woorden uitzend maar beelden ‑ wat toch ook mogelijk is, want ik kan fungeren als een camera ‑ dan zullen deze beelden worden overgebracht in de eerste plaats niet natuurgetrouw maar door associatie (dus met een lichte vervorming). Daarnaast echter zullen zij ‑ en dat is het vreemde ‑ vaak details vertonen, die ik niet bewust heb waargenomen; terwijl de punten, die voor mijn belangstelling zeer intens en groot waren, heel vaak op een zeer ondergeschikte plaats in de ontvangen boodschap voorkomen. Hier ontstaat nl. weer het verschil tussen persoonlijkheden als een soort selector. Het verschil van instelling zal hier een keuze noodzakelijk maken uit het binnenkomende, want bij gedachteoverbrenging is het niet de directe overbrenging van het woord of het getal in de eerste plaats; dat is meer een trucje, of een kwestie van afspraak. Het is het overbrengen van een zodanig complexe impuls, dat in de ontvanger een associatie ontstaat, die kan worden uitgedrukt als een woord, als een beeld, zelfs als een gevoel.

Dan wil ik nu overgaan tot het derde deel.

De geest bezit t.o.v. de mens andere mogelijkheden en ook andere beperkingen dan in het voorgaande worden omschreven. Wanneer de geest een mens benadert, betekent een concentratie op deze mens een zich verplaatsen naar deze mens. Er is dus een maximum uitwisseling van signaal. Maar het denken van de geest is niet meer een woord, of zelfs maar een beelddenken, zoals dat in de mens bestaat. Er zal bewust een variatie moeten worden gezocht, die dicht bij het menselijk denken ligt. Eerst dan kunnen in de mens bepaalde associaties ontstaan. Zou men een direct volledige overbrenging van eigen denken zonder meer verlangen, dan zal voor de geest de meest logische weg zijn om dat wat daartoe mogelijkheden biedt, door een minieme krachtuitstraling in bepaalde delen van de hersenen te stimuleren. Heeft men dat eenmaal tot stand gebracht, dan is dit iets, dat ook gedachteoverbrenging is, zonder dat er van een directe inbeslagname, oversluiering of trance sprake behoeft te zijn.

Wanneer u aan de geest denkt, dan wordt het nog veel moeilijker. Want voor de geest is uw denken ongeveer als het loeien van een luchtalarmsirene vergeleken met de tonen van violoncel en viool, die haar eigen denkwereld uitmaken. In de eerste plaats is de menselijke gedachte altijd grof; ze is luidruchtig maar ook weinig gevarieerd. Ze bevat een betrekkelijk klein deel van het gedachtespectrum, waarover de geest beschikt. Zo zal het menselijk denken aan de geest en het overbrengen van gedachten naar deze kunnen wekken: De geest, op wie het gericht is, kan ontvangen, ongeacht haar eigen staat of toestand en zal op dit ontvangen kunnen reageren door de trilling uit te buiten (geen antwoord); door de trilling om te zetten in haar eigen taal (beantwoording in impulsen of gebeurtenissen, maar niet in, voor de mens kenbare begrippen); zij kan trachten zichzelf tijdelijk te beperken tot het gedachteniveau van de mens, die zendt. De beantwoording in menselijke gedachten is dan wél mogelijk.

Er zijn natuurlijk nog onnoemelijk veel vragen aan deze kwestie verbonden. (Dat klinkt dan wel wat naar het jargon van het Binnenhof maar ik hoop dat het aanvaardbaar is.) Wij zullen nu eens proberen om de praktische kant van de zaak te bezien.

Kunt u gedachten overbrengen?

Ja, u kunt gedachten overbrengen en u zult dit gedurende een betrekkelijk groot deel van uw leven bewust of onbewust ook doen. U kunt mensen, die u niet ziet, beïnvloeden door uw gedachten. Naarmate u meer geconcentreerd bent, is de mogelijkheid groter dat anderen door die gedachten worden beroerd. De concentratie echter dient nimmer gericht te zijn ‑ en dat is nu interessant ‑ op deze mensen zelf als geheel. Een voorbeeld:

Wanneer u denkt aan Piet Pietersz. Pietersz dan heeft dat weinig om het lijf. Maar als u zich een voorstelling maakt van Piet Pietersz. Pietersz die op een scooter zit en u achtervolgt, dan zal eigenaardig genoeg deze gedachtesequentie wel bij Piet enz. een zekere reactie wekken. Het is de associatie van een toestand, van een situatie, die een zeer grote rol speelt.

Waarom beleven wij dit zo weinig?

De doorsnee-mens is niet in staat een werkelijk onderscheid te maken tussen de in hen rijzende impulsen van elders afkomstig en de in hemzelf bestaande. In vele gevallen meent hij in tweegesprek te zijn met zichzelf, terwijl hij in feite een tweegesprek voert met een ander. In vele gevallen zal hij menen met een ander te spreken en niet beseffen, dat hij slechts zichzelf beantwoordt; omdat hij het verschil tussen inkomende en uitgaande impuls en in het “ik” gesloten gedachteketen nu eenmaal, niet kan onderscheiden.

Er zijn natuurlijk wel enkele punten, waardoor zo’n onderscheid wel mogelijk wordt. Wanneer de antwoorden niet overeenstemmen met uw eigen kennis, uw eigen persoonlijkheid en voor u onbekende feiten te berde brengen of aanwijzingen bevatten, die volgens u onlogisch of onredelijk zijn en die toch in een redelijke samenhang worden geplaatst, dan is het de moeite waard eens na te gaan, of u die impuls werkelijk van een ander hebt gekregen. In dat geval zult u ontdekken, dat hier zeer waarschijnlijk voor een groot gedeelte een feitelijke gedachteoverdracht is geschied.

Het ontvangen van woorden is moeilijk, zelfs voor ons. Wij kunnen heus wel nagaan, wat zo hier en daar, wordt gedacht. En we kunnen heus wel reageren op de vraag, of wij nu niet even gedachten kunnen lezen. Onder omstandigheden is ons dat zeer wel mogelijk. Maar we doen het niet altijd graag, het kan soms pijnlijk zijn. Wij voelen er weinig voor ons alleen daarop te baseren; we zouden te sterk worden beperkt door de mensen met wie wij spreken. En ten laatste: Het is niet naar willekeur mogelijk, zo min als het voor u mogelijk is om een willekeurig persoon uw gedachten a.h.w. te doen aflezen of van een willekeurig persoon gedachten op te nemen. Misschien kan ik u dit het eenvoudigst als volgt duidelijk maken:

Een mens denkt niet slechts één gedachte tegelijk. Over het algemeen houdt elke gedachte 5 of 6 verschillende niveaus in. Elk niveau is op zichzelf een reeks reacties en kan een gedachtespoor zijn. Wanneer u moet luisteren naar een bepaalde gedachtewerking en dus niet uitsluitend een indruk van het geheel wilt opnemen, dan moet u in staat zijn om ten minste 4 of 5 van die niveaus geheel te verdringen om het ene overblijvende niveau af te lezen.

Dit nu komt zelden voor. De doorsnee‑mens heeft een gedachtescherm, waardoor het voor een telepaat zeer moeilijk wordt diens werkelijke gedachten af te lezen. Dezelfde moeilijkheid bestaat ook voor de geest. Zij kan het algemene beeld van de gedachte gemakkelijk opnemen. Zij kan onder omstandigheden ‑ wanneer alle reacties praktisch gelijk verlopen ‑ ook de woordelijke gedachte overnemen. Bijvoorbeeld; Dit is een mooie uitweg. Maar al deze prestaties zijn op zichzelf van minder belang dan u denkt. Want woorden zijn over het algemeen de misleidende formulering van een werkelijke bedoeling, die men ‑ gezien de beperkte middelen ‑ voor zichzelf niet eens geheel kan erkennen en die men toch verwerkelijkt. Ik hoop, dat u hieruit ook een antwoord hebt gevonden op de vraag: Waarom zo weinig helderhorendheid voorkomt? Natuurlijk, als u daarvoor bijzonder gevoelig bent, zal het eerder voorkomen dan anders. Maar denk niet, dat u er helemaal geen aanleg voor hebt en het nooit zult beleven.

Wanneer u in een toestand van zeer grote spanning, zeer diepe depressie e.d. verkeert, is het niet alleen mogelijk maar zelfs waarschijnlijk, dat – zo er contact met de geest bestaat ‑ gedachten als woorden in u klinken. Ze zijn vaak kort en niet altijd vleiend; maar dat doet niets ter zake. Het zijn directe woorden, die u uit de geest verneemt. Dus, vrienden, u brengt gedachten over, maar u bent zich daarvan niet bewust. Wanneer ik gedachten wil overbrengen naar een ander, dien ik mij in te stellen op een beeld, waarvan die ander deel uitmaakt en dat voor mij een voldoende concentratiemogelijkheid schept. Als u denkt aan Piet Jansen, die zit te snurken, kan dat een concentratiemogelijkheid zijn, omdat u zijn snurken zo belachelijk vindt. Maar als u denkt aan Piet Jansen, die een dictionaire zit door te bladeren, dan is er weinig kans, dat u dit beeld kunt overdragen; of dat u op deze basis werkelijk contact bereikt. De praktijk wijst uit, dat tussen mensen voorstellingen, welke met actie, samenwerking en gemeenschappelijke belangen gepaard gaan, de beste basis zijn voor het overbrengen van gedachte-impulsen.

Dan de vraag: Waarom spreekt u hierover? (Een vraag die ik even wil voorkomen.)

Hier hebben wij te maken met een fenomeen, dat is gebaseerd op de gevoeligheid van de mens. Deze gevoeligheid zal groter worden naarmate de spanningsverschillen in de lucht rond hem groter werden. Het lijkt misschien vreemd, maar het veranderen van de lucht-elektriciteit en de stralingsintensiteit rond hem heeft veel te maken met de scala, waarop hij kan ontvangen. Wanneer het lichaam steeds wordt gedwongen zich aan betrekkelijk ver uiteen liggende minima en maxima aan te passen, dan zal automatisch ook een groter gebied van ontvankelijkheid voor gedachtestraling ontstaan. Flexibiliteit is belangrijk. Zowel wat betreft de verandering van lucht-elektrische verhoudingen als die van stralingsverhoudingen op aarde, is op het ogenblik wel het een en ander gaande. Meer en grotere verschillen kunnen ongetwijfeld in de toekomst wel worden verwacht.

Hieruit volgt, dat de doorsnee‑mens, die nog een zeker vermogen bezit, of hij wil of niet, in de toekomst meer vatbaar zal worden voor gedachteoverbrenging. Daarnaast bestaat op het ogenblik een zeer intense geestelijke werking. Deze geestelijke werking stelt menigeen zich voor als een partijtje biljard tussen verschillende staten. Dat is niet juist. U moet het zich voorstellen als een veld, desnoods als een regenbui. Het is betrekkelijk gelijkmatig, dat is waar. Maar op den duur dringt zij in u door. En er kan een ogenblik komen, dat u verzadigd bent, zonder dat u zich dit realiseert. Elke wijziging in het veld buiten u heeft dan interne wijzigingen ten gevolge. Die interne wijzigingen, die veranderingen van situatie, gebaseerd op de verandering van omstandigheden buiten u brengen wederom mogelijkheden met zich mede tot het ontvangen of overbrengen van gedachten.

Wanneer wij dus dit punt in deze tijd ter sprake brengen, zo hangt het zeker ook samen met de ontwikkelingen, die wij voor de komende jaren verwachten. Het gaat er ons niet om hier alleen maar wat experimenten te vertonen. Die kunt u op meer spectaculaire wijze op verschillende tonelen zien, waar bekende telepaten, toneelmagiërs e.d. of zich daarop specialiserende personen met occulte achtergrond vaak verbluffende prestaties leveren. Waarom het om gaat, is de verschijning van het fenomeen in de mensheid als een factor met toenemende belangrijkheid. Want in het jongste verleden bestond deze telepathie praktisch niet. Wanneer zij voorkwam, was het alleen in verband met een geloofsbeleving. De laatste tijd echter blijkt die beïnvloeding steeds meer te ontstaan in verband met het dagelijks leven; in verband dus met zuiver stoffelijke en redelijke processen en veranderingen.

Het is logisch, dat een mens, die weet wat er zich afspeelt, op den duur zal leren begrijpen, hoe hij van buitenaf wordt beïnvloed. Hij zal op den duur in staat zijn een onderscheid te maken tussen zijn eigen denken en de inkomende invloeden, al is het alleen maar door een redelijk overzicht van eigen wezen als maatstaf te hanteren en ook eigen kennis voortdurend als criterium te gebruiken. Dan zult u begrijpen dat het onderwerp zelf zeker van belang is.

De verdere vragen zullen ongetwijfeld op een ver uiteenliggend terrein liggen. We zullen te maken krijgen met de parapsychologie. En een van de vragen zou kunnen zijn: Waarom kan de parapsychologie wel gedachteoverdracht constateren (zij het dan met enige aarzeling, want niet de gehele wetenschappelijke wereld vindt dat aanvaardbaar), maar kan zij daarvoor nimmer de voorwaarden scheppen?

Het antwoord is logisch: Het is uw eigen wezen, dat als klankbord moet dienen voor trillingen van buitenaf. Naarmate u in staat bent sterker te selecteren en een sterkere binding vertoont met een bepaalde persoon datgene wat hij representeert, zult u in staat zijn om fellere en juistere impulsen te ontvangen.

Maar geen enkele wetenschap is zo ver, dat zij de mens kan afstemmen. Er bestaan wel methoden ‑ en sommige daarvan zijn mechanisch ‑ die het uitzenden van gedachten enigszins vergemakkelijken. Men maakt hierbij o.a. gebruik van magnetische velden en doet de personen, die moeten zenden, zich vaak bewegen in een soort kooi, waar boven en beneden een aantal draden a.h.w. als een condensator (dus twee gescheiden platen met elektrische lading fungeren. De mens, die zich in dit tussenveld bevindt, blijkt inderdaad in staat zijn gedachten gemakkelijker over te brengen. Wetenschappelijk is dat nog niet vastgesteld. Onderzoekingen in Italië hebben wel een groot aantal resultaten opgeleverd, maar sommige daarvan zijn nogal verwarrend. Men is immers wetenschappelijk nog niet zo ver, dat men een onderscheid kan maken tussen de overbrenging van een associatie, de overbrenging van een woord, de overbrenging van iets buiten-stoffelijks of uit een buiten‑stoffelijke sfeer en de overbrenging van mens tot mens. Bovendien is men al evenmin zo ver gevorderd, dat men begrip heeft voor het complexe geheel, dat met elke gedachte gepaard gaat. Op den duur zal men hier ongetwijfeld een uitweg kunnen vinden en zullen wij kunnen beschikken over gedachteoverdracht bevorderende middelen.

Indien het u interesseert, wil ik nog wel even teruggaan in de historie.

Er is een tijd geweest dat gedachteoverbrenging een belangrijke rol speelde. Zij werd bv. gebruikt in Egypte. Daar was het z.g. systeem van Phater interessant, die gebruik maakte van een gelijksoortig concentratiemiddel, waarbij bepaalde schalen of ballen, onder precies dezelfde condities door verscheidene personen sterk geconcentreerd worden beschouwd. Die personen dienden als overbrengingsmiddel. De boodschap moest voor hen worden uitgesproken door anderen en zij fungeerden als een soort telefoon. Verminkingen kwamen vaak voor. Ik vermoed door gebrek aan de juiste associatie. Maar toch was men in staat op deze wijze zelfs de overigens geheim gehouden bodedienst der verschillende tempels meermalen een slag voor te zijn. Aangezien deze Phater een goede vriend was van een koningin, die Subash heette, is het aan te nemen dat hij op deze manier voor het hof nogal wat zaken heeft geregeld. Zijn systeem is lange tijd gevolgd, maar gaf op den duur geen betere resultaten.

Veel later ‑ want de tijd, waarover ik nu spreek is ruim 3000 v. Chr. ‑ vinden wij wederom in Egypte en enkele andere landen een poging om te werken met een soort piramide-voorstelling. Deze piramide‑voorstellingen waren meestal gemaakt van klei, bekleed ‑ zij het vaak zeer dun ‑ met zilver, dat tot een spiegelglans was gebracht. Dit bleek voor het overbrengen van visuele beelden soms wel bevorderlijk te zijn, maar zelden of nooit volledig betrouwbare resultaten te geven in stoffelijke zin.

Communicatie met de goden heeft men op deze wijze ‑ naar men zegt wel steeds in stand kunnen houden. Een zekere scepsis van de mens van heden t.o.v. deze verklaringen kan ik mij voorstellen. Dan hebben wij te maken met de z.g. groepen van ingewijden, die dus scholingen doormaakten, waarbij gedachteoverdracht en associatie een belangrijke rol speelden. Van deze zou ik willen wijzen op de Alexandrijnse School, waar men uitging van ritmen. Deze ritmen waren op mathematische reeksen gebaseerd (typisch is, dat het geen Pythagorese reeksen waren, maar er zit toch iets dergelijks in). Deze reeksen werden voortdurend herhaald; vaak ook door telling van kralen of steentjes. Het schijnt, dat men ook op deze manier door het afgesproken codegetal althans enigszins gedachten leerde overdragen. En men beweert ‑ niemand kan het met zekerheid bevestigen ‑ dat op deze wijze zelfs boodschappen van Alexandrië naar Rome zijn overgebracht.

U ziet, dat men in de oudheid dus wel degelijk bezig is geweest met systemen. Deze systemen waren allen gericht op de wijze, waarop de mens zich concentreert. Kennelijk een poging om de afstemming van de mens en een zo mogelijk gelijke afstemming van verscheidene mensen tegelijkertijd tot stand te brengen. De gedachteoverdracht ging voor die dagen toch wel over belangrijke afstanden en met redelijke zekerheid. Geen directe woordoverbrenging maar wel ideeënoverbrenging was gebruikelijk.

Hier heeft u dan een paar punten uit de historie. We zouden deze kunnen aanvullen, maar komen dan te staan tegenover een groot aantal charlatans en kunstenmakers met een mystieke achtergrond, die gedachteoverdracht tot een schouwspel maakten; een spektakel met dubbele bodem.

Het zij voldoende te constateren, dat gedachteoverbrenging door praktisch alle tijden voor de mens een interessant onderwerp is geweest. Dat – wanneer de omstandigheden zeer gunstig zijn ‑ die overbrenging klaarblijkelijk zeer snel gebeurt; en dat de wijze waarop de gedachte wordt waargenomen, in vele gevallen varieert, afhankelijk van de instelling van de personen t.o.v. elkander, het contact dat zij met elkander hebben of gehad hebben en ‑ ook weer typisch ‑ de emotionele toestand, waarin zij verkeren. Ik wil dit laatste nog met voorbeelden illustreren.

Een autorenner vreesde een ogenblik bij een botsing betrokken te worden. Zijn vrouw, die enkele kilometers verder op de baan aanwezig was, zei: “Ik geloof, dat er iets niet in orde is met mijn man.” Zij had echter geen zuiver beeld.

Een snelheidsproef werd met een motorboot genomen. De geliefde van de man, die hierbij omkwam (het is dus niet één van de laatste ongevallen geweest, het gebeurde als ik me niet vergis in 1932) nam op het ogenblik van de ramp innerlijk waar, hoe de persoon eruit word geslingerd. Zij dacht, dat hij zei: “Nu is het gebeurd, meisje.” Deze jongedame ‑ overigens lid van een Baptistengemeente ‑ was zeker niet wat men noemt mediamiek, hysterisch of overgevoelig.

Voorbeelden van z.g. “dodengesprekken” komen eveneens vaak voor. En we kunnen daarvan hele verzamelingen vinden in elk verslag van parapsychologen.

Man overlijdt op zee, kinderen zien hem verdronken, dus druipend van water binnenkomen, hij blijft staan, groet hen stilzwijgend en gaat weg. In andere gevallen: Hij spreekt en zegt, wat er is gebeurd. Kennelijk is de eigen instelling, de eigen associatie hier van groot belang. Opvallend is: het kloppen van de tijden, zover deze met woorden worden aangegeven. Er ligt wel vaak een groot verschil tussen het ogenblik, waarop de gedachte moet zijn uitgezonden en de tijd, waarop ze wordt opgevangen. Dit verschil beloopt in sommige gevallen zelfs 12 uren.

En dit brengt mij meteen tot het einde van mijn betoog. Het blijkt, dat een eenmaal uitgezonden gedachte, die sterk op een bepaalde persoon was geconcentreerd, aanwezig blijft als potentie tot er een ogenblik van rust optreedt en zij eerst daarna in die persoon kenbaar wordt. Het is duidelijk, dat alleen zeer sterke gedachte-uitzendingen een vermogen hebben om langere tijd te wachten. Want met het vergaan der uren, verzwakt ongetwijfeld ook hun inwerking. Toch zullen zij dus niet gebonden zijn aan gelijktijdigheid. En dit betekent, dat er een middenstof bestaat, waarin klaarblijkelijk “tijd” niet de rol speelt, die, ze bij u speelt; waarin beweging niet wordt beïnvloed door dezelfde wetten, waardoor ze op aarde wordt bepaald. En ten laatste, dat deze wereld der gedachten uwe geheel doorkruist en daarvan sterk gescheiden bestaat. De beste banden daarmee schijnen te liggen in emotie, innerlijk weten ofwel gelijkheid van leven en denken.