Het raadsel van de graaf De St. Germain

12 november 1965

Deze graaf is een raadselachtige en avontuurlijke figuur. Hij duikt op uit het onbekende, niemand kan met zekerheid zeggen, of hij nu werkelijk graaf is geweest, enz. In hofkringen wordt hij aanvaard en geroemd. Men beschouwt hem als magiër, maar ook als een aangenaam gezel. Op een gegeven ogenblik verdwijnt hij dan weer. De dingen, die hij doet in het Parijs van die dagen zijn raadselachtig, zeker voor die dagen. Wij weten bv., dat hij verschillende staaltjes weggeeft van massasuggestie en hypnose, die er werkelijk wel mogen zijn. Een bekend voorbeeld is het diner dat hij midden in de winter geeft in zijn tuin, die echter door alle aanwezigen als zomers en vol van lentebloemen wordt ervaren. Toch wil ik op dergelijke biografische bijzonderheden niet al te ver ingaan. Ik zou ook nog kunnen gaan spreken over een z.g. graaf Pozwilsky , een edelman, waarvan soortgelijke verhalen worden verteld. Overigens verdwijnt deze man uit Polen en gaat o.m. naar Beieren, waar hij op geheimzinnige wijze verdwijnt, kort voor de graaf de St. Germain in Frankrijk opduikt. Ik zou kunnen spreken over andere vreemde dingen, als bv. die mens in Italië, die zich Jonneson (?) noemt, maar in 1918 als de graaf de St. Germain wordt herkend, waarop hij verdwijnt. Er zijn meer dergelijke verhalen te noteren als bv. iemand, die rond 1938 op de Canebière in Marseille als de graaf de St. Germain wordt herkend, maar eveneens na enkele woorden opeens verdwijnt enz.

Want dit is het raadsel: een mens, waarvan niemand eigenlijk veel weet, een levende legende. Wij kunnen van die legende misschien zeggen dat hij kennelijk tot bepaalde geestelijke of esoterische ordegroepen heeft behoord. Wij kunnen vaststellen, dat hij met grote waarschijnlijkheid toch wel behoord zal hebben tot de personen, die een zekere inwijding hebben ondergaan. Met zekerheid kan men echter niets constateren. Of hij bv. inderdaad een meester is in de zin, waarin de theosofen stellen, kan niemand bewijzen. Daarom lijkt het mij verstandiger, niet verder tot een vorming van legenden bij te dragen, maar eerder na te gaan, wat deze mens eigenlijk denkt en doet in de tijd, dat wij zeker weten, dat hij met zekerheid geleefd heeft op aarde en daarnaast zouden wij dan nog kunnen nagaan, welke consequenties er aan een “waar zijn” van de door hem verkondigde stellingen verbonden kunnen zijn.

Wanneer wij zijn filosofieën horen, doen deze in ieder geval meer alchimistisch aan dan theosofisch. De denkbeelden, die de graaf verkondigt over de vele trappen, waarop men eerst een leven moet kennen, voor men uiteindelijk de eeuwigheid voorgoed binnen kan gaan, doen – overigens in de verkondiging wat verhuld en bedekt – denken aan reïncarnaties. Wanneer deze mens over dit reïncarneren spreekt, valt wel op, dat hij van een leven op aarde als vervolg op het huidige leven niet iets bijzonders maakt. Hij behandelt het alsof het  de natuurlijkste zaak van de wereld is. In verband met deze stellingen toont hij overigens verschillende vreemde feiten.

 Hij is met anderen bijeen tijdens een “salon”, waarbij het gesprek komt op Egypte. Wij moeten daarbij wel beseffen, dat dit land en zijn vreemde tempels en verleden in die dagen nog veel  raadselachtiger is dan nu in deze dagen.

 De graaf geeft daar een beschrijving van plechtigheden, zoals deze volgens hem te Thebe plaats gevonden zouden hebben. Het vreemde is hierbij dat, ofschoon in die dagen van werkelijke egyptologie nog geen sprake is, al wat hij vertelt, ook volgens de meest recente ontdekkingen, juist geweest kan zijn. Vele details worden door latere onderzoekingen bevestigd, terwijl niemand kan beweren, dat de niet controleerbare gegevens onjuist geweest moeten zijn. Je kunt wel zeggen, dat het betoog de zaak wat dramatiseert, maar de beschrijvingen kloppen, alsof de man er zelf bij is geweest. In een ander geval spreekt de graaf over Orphische inwijdingen en riten en doet dit met al even groot gezag en – zover controleerbaar aan de hand van hedendaagse kennis daaromtrent – juist. Is hij daarbij geweest? Is hij een reïncarnatie van iemand, die eens in Egypte en Griekenland geleefd heeft? Niemand kan het zeggen. Wel gedraagt de graaf zich steeds weer als iemand, die reeds zeer lange tijd op aarde geleefd heeft, terwijl hij in andere gevallen ten minste de schijn weet te wekken, dat hij bijna onbeperkt op aarde verder leven kan. Nu kunnen wij dit afdoen met het bekende verhaal van de Meester, die het eeuwige leven heeft. Mogelijk is ook dit. Waarschijnlijker is het echter, dat wij in de eerste plaats hier aan een mens denken,  die zozeer zich van zichzelf bewust is geworden, dat hij alle vroegere incarnaties in zich geheel terug kan brengen, iemand, die bij een eventuele verdere incarnatie in de stof ook in staat zou zijn, het bewustzijn omtrent al die levens en zijn laatste leven geheel te behouden.

 Uit de verhalen blijkt verder, dat de graaf zieken geneest. Hij maakt bij deze genezingen niet alleen maar gebruik van geestelijke krachten of kruiden. Hij schijnt over bepaalde geheimzinnige elixirs te beschikken, waarvan er een, gezien de beschrijvingen van uiterlijk en werking, wel eens het beruchte geestelijke vloeibare goud zou kunnen zijn. In ieder geval kan ook het gebruik van deze geheimzinnige elixirs wel worden gezien als een bewijs voor de alchemistische bezigheden en achtergronden van deze persoon, Naar men zegt, beschikte hij ook over het rode en gele poeder – noodzakelijk voor het vervaardigen van goud en de steen der wijzen. In een ander geval wordt in een wat onbekend gebleven pamflet ronduit gezegd, dat deze man in het bezit zou zijn van de steen der wijzen. Nu kunnen wij dit allemaal symbolisch gaan interpreteren, maar daarmede komen wij niet tot definitieve vaststellingen. De mensen in die dagen spreken over het gebeuren, over het aanschouwen van de geheimzinnige stoffen enz., alsof het de werkelijkheid is. Laat ons daarom uitgaan van het standpunt, dat dit alles wel eens geheel en stoffelijk waar geweest zou kunnen zijn. Waartoe voert ons dit dan?

 In de eerste plaats moet men, om over het z.g. liquide goud te kunnen beschikken, grote wijsheid en kennis moeten bezitten. Men moet verder de cultische waarden van het kruis en Baphomet samen weten te brengen. Of, om het anders te zeggen: men moet licht en duister in zich verenigen. Degene, die licht en duister in zich beheerst, kan uit die krachten het levende goud maken, een solutie, die vele wonderlijke eigenschappen moet hebben. Aannemen dat dit alles bestaat en mogelijk is, is een kwestie van geloof. Er zijn vele verhalen over dit elixir, over de steen der wijzen, enz. Er zijn zelfs pamfletten hier in Holland in omloop, waarin iemand vertelt van een ontmoeting met een alchemist, hoe deze er uitziet, wat hij doet, hoe hij spreekt e.d. Een geschrift met dergelijke inhoud berust bv. nog in Amsterdam. Of alles, wat daarin gesteld wordt, nu ook letterlijk waar is, kunnen wij niet met zekerheid zeggen.

 Dat de graaf de St. Germain zieken geneest met geheimzinnige dranken, is echter zo goed als zeker. Hij doet ook andere vreemde dingen. Als spelenderwijs produceert hij op een gegeven ogenblik uit lood wat goud. Iets, wat in een wereld vol van goudmakers, die hoofdzakelijk door bedrog leven, niet zo bijzonder is. Bijzonder is ten hoogste, dat de graaf, die het op dat ogenblik toch werkelijk zeer goed gaat, geen enkele reden schijnt te hebben, om dit te doen. Ook vervaardigde de graaf in bijzijn van getuigen op geheimzinnige wijze een diamant. In deze dagen is het vervaardigen van een diamant langs kunstmatige weg mogelijk. In die dagen en met de toen bekende middelen was het echter praktisch onmogelijk. Waardoor ook hier weer de vraag rijst, of misschien van bedrog sprake is en zo ja, waarom en hoe. Op al deze dingen geeft de geschiedenis geen antwoord.

Het enige antwoord, dat wij zouden kunnen geven, is: hier is zekerlijk sprake van een mens, dus niet van een bovennatuurlijk wezen, of iemand, die zich als een geestelijk meester gedraagt. Er is volgens de feiten eerder sprake van een gewoon mens, die ver is doorgedrongen in de wetenschappen van het occulte en zich zo meesterschap over en kennis van vele toen nog geheime krachten der natuur heeft weten te verwerven.

 U kunt in de tegenwoordige tijd van dit alles gemakkelijk afstand nemen en het geheel onwerkelijk gaan noemen. Maar wanneer ik hoor, dat deze graaf de St. Germain mensen in zijn tuin voert en daar, om hen zijn bloemen te laten zien “in de nacht de zon laat schijnen”, ben ik zeker niet zo simpel, dat ik aanneem, dat op zijn bevel de zon hard is gaan lopen, om na enkele ogenblikken boven zijn tuintje stil te staan. Daar over enige gekende of niet gekende lichtbron niet verder wordt gesproken en ook bij andere gelegenheden daarvan niets wordt vermeld, moet ik aannemen, dat er sprake is van een beïnvloeden van de mensen, waardoor zij die tuin werkelijk kunnen zien. Dit zou pleiten voor een enorme kennis omtrent de mogelijkheden van het menselijke lichaam en een zeer grote beheersing ook van eventuele lichamelijke en psychische reacties bij anderen.

Het is opvallend, dat in een Frankrijk, waarin vele vormen van duister occultisme woekerden, de graaf de St. Germain nooit werd geassocieerd met vergiften en nimmer in verband werd gebracht met oplichterij, geldmakerijen berustende op vreemde riten en offerplechtigheden. Terwijl bv. een Guiseppe Balsamo loges sticht met riten en gebruiken, die, om het zacht uit te drukken, wel wat eigenaardig aandoen – die overigens althans in vorm, zo niet in uitvoering, herleid kunnen worden tot de gebruiken der oude Isis-loges van eens – houdt de graaf zich in wezen verre van al deze dingen. Hij heeft weliswaar kennis van al deze dingen, maar heeft aan de plechtigheden geen deel en treedt zeker niet op als ingewijde, oprichter, stichter van dergelijke groepen. Het enige, wat voor hem kan spreken, is in wezen een reeks van uitspraken, die hij zelf heeft gedaan. Indien ik zijn woorden wil aanhalen, zo kan ik hierbij ten dele putten uit boekwerken en pamfletten, terwijl daarnaast mediamiek ontvangen boodschappen en verklaringen ter beschikking staan. Ook kan ik een beroep doen op gegevens, die wij zelf in onze sferen hebben verworven of nu verkrijgen.

 Daar wij het raadsel van de graaf de St. Germain willen nagaan, stel ik er prijs op zo juist mogelijk (en waar de mogelijkheid bestaat zelfs in woordelijke vertaling) een aantal dezer uitspraken weer te geven. De eerste is dan deze:

 “De wereld der mensen is een wereld van schijn. Wat wij willen zien, dat zien wij. Wat wij niet willen zien of niet kennen, zien wij meestal niet. Het is dan ook geen wonder, dat gij ziet, wat ik wens, dat gij zult zien. Want ik ken het beeld en gij verwacht van mij hierin leiding of een bevel.”

 In deze verklaring zijn de belangrijke punten:

  1. Hij stelt, dat deze wereld schijn is.
  2. Hij stelt, dat men van zich een beeld van de wereld maakt.
  3. Hij stelt, dat men van hem een wonder verwacht en dat hij het daardoor ook kan doen.

 Later geeft de graaf iets, wat als een aanvulling op dit alles beschouwd kan worden tijdens een nogal diepzinnig gesprek met enkele edelen en filosofen, waarbij hij poneert:

 “Men spreekt van God als een wezen, dat regeert. Maar een vorst kan alleen zijn onderdanen regeren, terwijl God in alle dingen is. Wat wij zijn, is niet de werkelijkheid, die God schept, doch een weerkaatsing van dit goddelijk scheppen. In het feit van de weerkaatsing ligt de verklaring van onze onvolledigheid en tegen een verklaring voor de waan, waaraan wij steeds weer onderworpen worden.”

Uit deze woorden blijkt, dat de St. Germain uitgaat van een “kosmos”, waarin de werkelijkheid zijn schaduw werpt. Dit denkbeeld is bij vele oudere filosofen bekend, maar hij gaat nog verder dan dit en stelt:  “De werkelijkheid bestaat, zij is er. De schaduw ervan maakt de waan mogelijk. Omdat wij de details niet zien, kunnen wij ze immers binnen de grondlijnen van de geworpen schaduw zelf invullen.”

 Iemand, die dit niet alleen maar verkondigt, maar het in zich ook weet, kan dus eigen leven wijzigen, zoveel hij wil, waar het de voor mensen zozeer belangrijke details betreft. Hij kan wonderen doen als bv. het voorval, dat van hem verteld wordt tijdens een van zijn reizen naar Rouen, waarbij een rad van de wagen liep. De graaf zou toen zijn uitgestapt en met enkele gebaren het euvel in de kortst mogelijke tijd hebben hersteld. Menselijk logisch gedacht is dit krankzinnig. Maar wanneer dergelijke gebeurtenissen alleen maar details zijn binnen de hoofdlijnen, welke uit de eeuwigheid stammen, dan kan men evengoed zeggen: het feit van de reis naar Rouen is hier het enig echte. Hieraan zal hij onderworpen zijn, maar alle bijkomstigheden zal hij door eigen wil en voorstellingsvermogen kunnen beheersen.

 Tijdens een ander gesprek stelt de graaf, dat er geen sprake kan zijn van een vrije wil in de absolute zin van het woord.

 “Er is” zo zegt hij “de vorm van wat wij zijn. Wanneer gij edel geboren zijt, zo zijt gij een edele. Zijt gij laag geboren, zo zijt gij maatschappelijk laag. Daardoor alleen reeds zal uw leven en zullen de mogelijkheden, die voor u bestaan, sterk verschillen. Zo gij nu weet, dat dit verschil bestaat en gij kiest, zo kiest gij volgens uw besef: een boer kan immers vrezen, om als edele te moeten leven en een edele kan de vrijheid begeren, die volgens zijn zien in het boerenbestaan gelegen is, misschien voor zich begeren…”

Hierbij komt dus reïncarnatie weer eens om de hoek gluren. Daarnaast is dit een beeld, waarbij de kwestie van het ego ter sprake wordt gebracht. Bij een andere gelegenheid zegt de St. Germain over zichzelf:

 “Ik ben een raadsel. Als raadsel kan ik alleen bestaan, omdat gij mij niet kent. Zoudt gij mij kennen, zo zou ik voor u geen raadsel zijn. Indien gij slechts meende, mij geheel te kennen, zoudt gij mij geen aandacht schenken.”

Hoe eerlijk is dit eigenlijk. U zou zelfs kunnen zeggen: daar spreekt een man met gevoel voor public relations. Hij draagt voor de wereld een masker en geeft dit zelf grif toe. Dit masker wisselt overigens met de omstandigheden. Wanneer hij tegenover eenvoudige mensen staat, is zijn optreden dat van een weldoende wonderdokter; in gezelschap van edelen verbergt hij zich achter gratie, scherts en geheimzinnigheid. Hiermede bepaalt hij zijn eigen wat vreemde positie in de maatschappij, die hem vele verplichtingen oplegt en hem zelfs mengt in de politiek van deze dagen, maar stelt hij daarop werkelijk ook prijs? Wij mogen wel aannemen, dat dit in vele gevallen niet zo is. Wij horen verschillende malen, hoe hij politici en intriganten een lesje geeft, terwijl hij zelfs een duel weigert – iets wat hoog werd opgenomen door de edelen, daar dit een soort verplichting, een erezaak was – en weet desondanks onder hen zijn positie te behouden. Gezien het vele, dat hij doet om anderen op hun fouten te wijzen, is het wonderlijk, dat hij zolang aanvaard wordt. Misschien gebeurt dit wel hoofdzakelijk, omdat hij ergens een minachting voor de mensen schijnt te hebben. Hij zegt bv. – en ik citeer hier zo letterlijk mogelijk -:   “Om edel te zijn, moet je liefdeloos zijn. Want iemand, die als edele leeft in deze dagen, mag de waarheid omtrent zichzelf in feite niet erkennen en moet de wereld onder hem verachten, om zichzelf te kunnen blijven.”

 Later laat hij op een soortgelijke bewering volgen:

“Wat is beter? De wereld te kennen en jezelf te kennen, zo vrij wordende van de vele verplichtingen en banden, die het leven ondragelijk maken, of je te voegen naar de pretenties van anderen?”

Volgens mij is het een mens, die hier spreekt. Het is geen meester of leraar, maar een eenvoudige mens, die zijn waarheid spreekt, onverschillig of anderen daarop nu prijs stellen of niet.

Indien wij de achtergronden van zijn wijze van werken en denken ontleden, ontdekken wij steeds weer een soort spottende genegenheid voor de mens. Of de graaf nu omgaat met edelen of met zijn personeel, of hij met zijn koets reist, te paard of aan het hof vertoeft, hij toont steeds weer een begrip voor de mensen en een vorm van humor, die hem gelijktijdig raadselachtig maakt in de ogen van anderen en hem toch sympathie verschaft. In zijn werken blijkt hij hoofdzakelijk gedragen te worden door een mensenliefde, die voor de fouten van de mensen niet blind blijkt te zijn, maar toch onontkenbaar blijft. Zelfs wanneer de graaf de mode van zijn tijd geheel volgt en haast protserig en blufferig optreedt, blijft hij ergens toch nog steeds een dienaar van de mensen en brengt hij uiteindelijk veel goeds tot stand.

Wij weten bv., dat de graaf tijdens een gevaarlijke epidemie in Straatsburg als genezer optreedt en inderdaad resultaat schijnt te boeken, daar korte tijd na zijn eerste ingrijpen de epidemie reeds afneemt. Hij verlaat te stad eerst, wanneer de epidemie gedaan is. Hij had zeker op andere wijze en met veel minder risico grotere eer kunnen behalen. Ook in andere gevallen blijkt hij zich op te offeren voor de mensen op een wijze, die men bij een avonturier of een bedrieger zeker niet zou verwachten. Daarbij wisselt hij zijn uiterlijke status kennelijk met groot gemak. Het ene ogenblik is hij een voor allen aanvaardbare en zelfs belangrijke edelman aan het hof, het volgende ogenblik een door velen geëerbiedigde wijsgeer, een geachte ziekengenezer, wonderdokter of zelfs een eenvoudig burger onder de mensen.

Wanneer ik nu ga putten uit verklaringen, die niet in de boeken te vinden zijn, maar toch onmiddellijk van deze raadselachtige persoon stammen, zo tracht ik u daarbij vooral duidelijk te maken, wat in wezen het geloof van de St. Germain was, wat zijn denkbeelden waren en zijn.

 “God is de kern van het Al. De totaliteit van alle bestaan gaat van Hem uit en weerkaatst van de grenzen van Zijn Wezen, terugkerende tot de bron. Buiten dit geheel, bestaan, als een droom of spiegelbeeld, de hiërarchieën, die wij kennen als geesten, goden en mensheid.”

 “Hij heeft ons allen geschapen, niet slechts in de vorm, waarin wij onszelf kennen, maar in een volheid, die eeuwig en blijvend is. Wij zijn in Hem, uitgaande van de bron van zijn wezen tot de grenzen daarvan en weer terugkerende tot de bron. Ons werkelijke wezen treedt nimmer buiten de grenzen van het Goddelijke Zelf.”

 “Datgene, wat wij als Ik beschouwen, is een trilling of golving van dit wezen, dat wij zijn in de oneindigheid, maar nu als een schaduw, in een schijn van werkelijkheid en onafhankelijkheid geprojecteerd.”

 “Wij zijn vrij om een groot deel van onze mogelijkheden te kiezen, zoals wij dezen in het werkelijke Zijn binnen God bezitten. In God kunnen wij het Al steeds en geheel beleven, maar zullen onze ervaringen ook daar uitkiezen met de bekwaamheid en hartstocht van een waar epicurist.”

 “Rond en boven ons zijn vormen, andere schaduwen, die behoren tot de golving, waarvan ook wij deel uitmaken. Indien ik spreek over een kracht, die mij regeert, zo spreek ik niet van een geheel werkelijke en onafhankelijke kracht. Dan spreek ik over dat deel van de Goddelijke energie, waarin ik ook op dit ogenblik in werkelijkheid besta.”

 “Wanneer ik tracht in mijzelf God te erkennen, dan benader ik niet de werkelijkheid van Zijn wezen, maar benader ik de vorm, die in het geheel van dit Wezen voor mij belangrijk is.”

 “Alle krachten beantwoorden aan de werkelijkheid van God. Er is niets in de schepping, dat niet in Zijn werkelijkheid allereerst ontstaat. Er kan geen enkele oervorm bestaan, waaruit rassen, soorten of planeten zijn voortgekomen, of zij is eerst in Hem.”

 “In die God ben ik met alle dingen verwant en is alles voor mij werkelijk. Wanneer ik vanuit die kracht spreek, dan spreek ik met gezag, want ik maak voor anderen een ogenblik tot werkelijkheid, wat in God ook voor hen altijd werkelijk is.”

“Wanneer ik put uit die kracht, zo kies ik uit het geheel en zeg ik tot iemand op deze wijze: wees ziek, zo zal hij ziek zijn. Zeg ik hem: wees gezond, zo wordt hij gezond. Want de ander beseft zijn eigen werkelijkheid niet en beheerst daardoor eigen ervaren niet, maar ik besef mijn werkelijkheid.”

“De kracht, die ons, in de uitingen, in de schepping, verbindt, is de eenheid die wij bezitten binnen het Goddelijke Rijk. Om onszelf te kennen moeten wij onszelf voor een deel verliezen, want de begrenzingen van ons wezen, zoals wij dit zien, zijn niet aanvaardbaar binnen de eeuwige werkelijkheid. Daar is alles met elkander verbonden en deze verbondenheid bestaat voor ons op de wereld ook in de vorm, die wij nu kennen, in de waardigheid, die wij nu bekleden.”

“Het hoogste bewustzijn is het bewustzijn van algehele verbondenheid. Uit het totaal van alle vormen komt altijd weer het antwoord van het Éne. Uit alle belevingen openbaart zich dezelfde stem.”

“Het grote machtwoord is niet anders dan de vage echo van de grote Bron, waaruit alles voortkomt. Er zijn echter tussen ons en de werkelijkheid waarvan wij deel zijn, grenzen gesteld. Deze grenzen zijn de grenzen van angst, van eigenwaan, van zelfzucht. Het is de angst om te sterven en de angst voor het leven. Het is de begeerte om te bezitten en de begeerte om te zijn. Wanneer wij deze dingen vergeten en ons Ik als een eeuwigheid ervaren, zo zal deze eeuwigheid in ons spreken en wij zullen spelen als kinderen op de wereld, wetende, dat dit slechts een charade is, waarin wij een deel van de werkelijkheid uitbeelden.”

Zoals u bemerkt hebt, citeerde ik hier een groot stuk. Wanneer ik daaraan mijn eigen conclusies mag verbinden, zo is mijn allereerste gevolgtrekking wel deze:

Er is een verschil tussen een meester, een ingewijde en een bewuste. Wanneer ik de graaf de St. Germain aan zou moeten spreken met een van deze titels, zo zou ik de volgens mij hoogste daarvoor kiezen: bewuste. Deze immers geeft diegene weer, die weet omtrent zichzelf en weet omtrent de totaliteit, waartoe hij behoort. De tijdloosheid van zo iemand mag misschien in 1000 verschillende levens tot uiting komen, maar zo in hem de kennis van zijn werkelijkheid blijft bestaan, is en blijft hij degene, die speelt, die in de voor anderen bestaande beperkingen van ’s levens schimmenspel steeds weer een klein deel van zijn werkelijke wezen openbaart. En zo hij dit doet vanuit en in een begrip van de verbondenheid, die in God voor ons allen bestaat, zo moet hij een uiting zijn van werkelijke naastenliefde; het leven van de mens, die wij bespreken, was hiervan een onopvallende, maar toch voortdurende getuigenis.

Indien wij willen stellen, dat dit wezen in stoffelijke vorm zonder enige beperkingen voort zal bestaan, zo vergen wij wel heel veel van de goedgelovigheid van de mens. Maar wanneer wij nu eens zouden gaan spreken over waarden als erfelijk overgebracht geheugen, zo komen wij dicht te staan bij de moderne wetenschap en wanneer wij daarnaast wijzen op de mogelijkheden van reïncarnatie, dan voeren wij een argument aan dat in praktisch elk geloof, zelfs in het vroegchristelijke geloof, aanvaard werd. Dan wordt het geheel van zijn verschillende verschijningen opeens veel aanvaardbaarder, daar wij nu te maken kunnen hebben met een herinnering, die van de ene stoffelijke persoon op de andere overgaat, met eigenschappen, die in steeds nieuwe lichamen tot een steeds weer gelijk zijnde persoonlijkheid kan voeren.

Naar ik meen, is hiermede, evenals met het voorgaande, t.m. een deel van het geheim, dat rond de graaf de St. Germain hangt, toch wel onthuld. Menselijk gezien is hij niet of behoeft hij niet één enkel wezen te zijn, maar wel is hij een en steeds weer dezelfde van zich en zijn God bewuste ziel, die in elke vorm, waarin zij zich uitdrukt, dezelfde blijft, bewust en wetend, zodat in alle stoffelijke vormen de bewust erkende eeuwigheid boven het stoffelijke bewustzijn zal blijven regeren.

 Ook het feit, dat de graaf steeds weer goochelt met allerhande occulte gaven, is uit zijn woorden en stellingen te verklaren. Hij is in harmonie met alle dingen, kent de verbondenheid en eenheid tussen al het zijnde, zoals deze in God bestaat. En in God geldt de eenheid voor alle dingen, zelfs het duister en de duivel daarvan niet uitsluitende. Daarom bezit hij, vanuit zijn besef van dit goddelijke, het recht en de macht, om een beroep te doen op al het zijnde, daarom kan hij voor anderen de tijd stil doen staan of wijzigen, kan hij zieken doen genezen, wanneer zij innerlijk deze genezing wensen.

Is hij naast dit alles toch ergens ook weer een soort showman? Ik meen van wel. Een deel van zijn optreden is kennelijk gericht op het maken van indruk, het wekken van interesse voor zijn persoon aan het hof. Doet hij dit echter alleen maar om aan het hof als gelijke te kunnen verkeren, om gewin te maken uit deze relaties? Veel spreekt hier tegen. Misschien, dat de graaf vanuit zichzelf gevoelt hoe noodzakelijk het is in een periode, waarin een omwenteling haast onvermijdelijk is, een geestelijk erfdeel te handhaven en te doen bewaren, dat anders in de golven van het revolutionaire gebeuren zou kunnen ten onder gaan. Laat ons hierbij niet vergeten, dat het “volk” onontwikkeld was, zodat de occulte en esoterische wijsheid in Frankrijk bewaard werden door enkele zeer beperkte orden. Zo deze groepen ten gronde zouden gaan, zou het voor lange tijd afgelopen zijn met de geestelijke waarden van land en volk. Indien hij echter in dit volk, gewone mensen zowel als de adel, waarvan immers een deel zal blijven bestaan en later weer aan het gezag zal komen – wat hij m.i. heeft kunnen voorzien – ergens het zaad zou leggen van het zoeken naar het Ik; wanneer hij, gesteund door positie en erkenning van de voornamen, in anderen iets kan vastleggen van de grote arcana, de werkelijke geheimen van de kosmos, heeft hij hiermede een zeer nuttige en zelfs vaak inwijdende functie vervuld. Daarnaast heeft hij een overbrugging geschapen voor geestelijke waarden in een periode van onafwendbare en haast algehele stoffelijke omwenteling. Ik meen, dat wij in deze zin het werk van de St. Germain moeten beschouwen. Hiermede blijft de vraag bestaan over zijn herkomst.

Ik ben persoonlijk geneigd aan te nemen, dat hij inderdaad Jan Pozwilsky is, de Poolse edelman, die aan het hof van Polen enige tijd om zijn gaven zeer gewaardeerd werd, maar opeens verdwijnt. Indien wij rekening houden met het feit, dat deze Pozwilsky in Beieren optreedt als een soort filosoof en daar plotseling en onopgemerkt verdwijnt wanneer de vorst verlangt, dat hij voor hem goud zal maken, beantwoordt dit beeld volledig aan de karakteristiek, die wij terug vinden in het wezen van de graaf de St. Germain. Aangezien de tijden van optreden overeenstemmen en weinig hiaten laten, terwijl de algehele richting van de reis eveneens klopt, is het zelfs stoffelijk waarschijnlijk, dat hier een man zijn naam verandert, om zich hierdoor aan lastige bemoeiingen en eventuele naspeuringen en ongewenste aanbiedingen eenvoudigweg te onttrekken.

Ik merk hierbij op, dat de geheimzinnige verdwijning uit Frankrijk wijst op een soortgelijke handelwijze op het ogenblik, dat hij zijn taak in Frankrijk voltooid acht of t.m. alles gedaan heeft, wat hij doen kon op dat ogenblik. Misschien is daarna het lichaam van deze mens ergens in de vreemde gestorven, maar wat zegt de St. Germain zelf over de dood? Tijdens een gesprek met een abbé, die hem voor een duizendkunstenaar of zelfs duivelskunstenaar houdt, zegt hij er het zijne van: “De dood – zo filosofeert de St. Germain – is een grote angst, die wij moeten overwinnen. Zij is geen werkelijk verlies en geen werkelijke winst. Want, zo vervolgt hij, mij zult gij niet zien in deze hel, waarover gij spreekt en uzelf zult gij na de dood niet onmiddellijk in die hemel terugvinden, die gij met zoveel vuur aanprijst. Wanneer wij niet bevreesd zijn voor de dood, zullen wij ook bereid zijn voort te leven met dat, wat ons blijft. En waar is een einde te stellen aan onze wil tot leven?”

Men kan dit een filosofie noemen, maar zij is dan toch weer kentekenend voor de St. Germain en alle groeperingen, waarmede hij verwant is: geen geloof in een dood waarna alleen nog maar een oordeel zonder meer bestaat. Hij gelooft kennelijk in een dood, waarachter vele trappen van leven kunnen liggen, een soort vagevuur, dat alleen in 10.000 levens in stof en geest kan worden uitgedrukt. Duidelijk blijkt, dat hij de angst voor de dood het gevaarlijkste acht en deze mens kent geen angst voor de dood. Indien in zijn stellingen ook maar enige waarheid steekt, zo kunnen wij ons voorstellen, dat hij zich neerlegt en sterft in de wetenschap, dat hij elders in de stof, in nieuwe vorm en door niemand gevolgd of gehinderd om het verleden, zijn wegen verder zal kunnen gaan.

Wanneer wij het karakter van het wezen, dat de St. Germain werd genoemd, volgen, zo meen ik, dat wij sporen van zijn aanwezigheid op een gegeven ogenblik o.m. in Brits-Indië aantreffen, waar hij o.m. wordt gezien in Dhrinegar, waarna hij een tijdlang in Benares vertoeft… Hij begeeft zich van daaruit naar Lhaksimi (?) en wordt dan niet meer gezien. Ook hier weer de karakteristiek van een zwerver, een soort avonturier volgens menselijke normen, die veel reist en trekt. Ergens aan de voet van de Himalaya raken wij hem kwijt. Wat blijft is een legende, waarin de naam de St. Germain wel een enkele maal genoemd werd maar al snel alleen een Indische naam deze westerse naam vervangt. De oude naam wordt alleen nog wel eens genoemd, wanneer een westerling die richting uitkomt. De inboorlingen kennen de naam, maar weten kennelijk niets van de mens, die eens onder deze naam in Frankrijk op zo vele vlakken actief is geweest. Indien wij horen, hoe hij, vele jaren en zelfs eeuwen later weer opduikt in Frankrijk – een land, dat kennelijk zijn bijzondere aandacht heeft – in Italië en andere zuidelijke landen, die tijdens zijn leven zijn hart gestolen schijnen te hebben. Zo kunnen wij ten hoogste zeggen: misschien was dit een nieuwe incarnatie, misschien was er sprake van een andere vorm van manifestatie. De mens in de stof kan er over praten en stellingen verkondigen, maar weten doet hij het niet.

Bovendien, indien wij deze mens zouden ontmoeten in deze dagen en bv. zouden zeggen: “Jij, die daar rondloopt in Rome, jij bent de graaf de St. Germain”, dan zou hij lachende zijn schouders ophalen. En ook op andere namen als die van Pozwilsky zou hij schouder ophalend lachen en zeggen: “U vergist zich”. Daarna zou hij een andere naam noemen. En daarbij zou hij ook nog gelijk hebben. Wij kunnen ons immers niet beroepen op een meester uit het verleden. Met zijn eigen leven heeft hij, volgens mij, bewezen dat het bewustzijn van een eeuwige werkelijkheid op dit ogenblik altijd weer het enig belangrijke is, dat elke ervaring die je deelt met de grootste krachten en wezens, die er bestaan – mijnentwege met de engelen – niets anders kan zijn dan het besef van eigen werkelijkheid. Je bent jezelf en indien je je bewust bent van het eeuwige wezen dat je bent en geen uitvluchten zoekt voor alle plichten en noodzaken, die voor het Ik daaruit voortvloeien, te ontkomen, dan ben je waarlijk mens en waarlijk bewust eeuwig. Zoals voor hem dit alles het enig belangrijke in het leven is en al het andere een soort spel blijft, zo meen ik, dat ook wij dit alles moeten zien. Het leven is ergens een spel, een spel dat wij wel zeer ernstig nemen, maar dat, wanneer het er op aankomt, toch niet zo belangrijk is.

Het raadsel van de graaf de St. Germain is niet gelegen in de vraag, of hij nu nog wel leeft op aarde of niet, of hij nu wel een grootmeester is geweest of niet. Het raadsel is ons eigen raadsel, het raadsel van onze eigen persoonlijkheid. Erkennen wij eenmaal onszelf en de werkelijkheid in onszelf, dan kennen wij ook dat ene, wat zich achter de titel van de graaf de St. Germain verborgen heeft. Dan zijn zijn wonderen voor ons geen wonderen meer en maakt de illusie van een meester, die wij misschien eens zullen ontmoeten, waarop hij ons zal opheffen, plaats voor het beeld van een broeder, met wie wij één zijn in het Licht. Dit is mijn inleiding. Ik wil daaraan alleen nog toevoegen, dat de door mij geciteerde uitspraken aan mij werden doorgegeven door een andere spreker, die volledige kennis van zaken heeft en met grote zekerheid zowel woorden als meningen kan citeren. De vertaling hiervan in uw taal is uiteindelijk de mijne, maar ik meen de mij gegeven punten redelijk getrouw te hebben omgezet in woorden. In het tweede deel kunt u commentaren geven, vragen stellen enz. Voor het ogenblik dank ik u voor uw aandacht en hoop u na 15 tot 20 minuten weer te ontmoeten. Ik verwacht, dat u uit dit alles niet zozeer een bevrediging van nieuwsgierigheid, dan wel een voor uzelf belangrijke lering zult kunnen putten.

* Enkele leden bezitten een portret van de graaf, dat geheel afwijkt van de afbeeldingen uit de 18e eeuw. Kunt u zijn huidige gelaat beschrijven? Uit welke tijd moet dit portret stammen?

Zover het een nu geldende persoonsbeschrijving betreft, mag ik u helaas geen antwoord geven. Wel kan ik u vertellen, dat het 18e-eeuws portret de werkelijke gelaatstrekken weergeeft van de toen als graaf de St. Germain beleende entiteit, terwijl het andere, rond 1910 ontstane portret behoort tot een reeks van theosofische beelden, die niet langs normaal fotografische weg tot stand zijn gekomen en geen weergave van iemand op aarde inhouden. Ik hoop, dat u met dit antwoord genoegen wilt nemen.

* Er is vrij veel doorgegeven over zijn werk met instralingen op cultureel en politiek gebied, ook als hoofd van de vrijmetselarij. Hij zou vele bekende discipelen leiden. Kunt u hiervan iets meer vertellen om zo wat afstand te nemen van het “men zegt” en aan te knopen bij wat stellig geen legende, maar huidige, levende en actuele kennis is?  

Ik wil trachten dit te doen, ofschoon ik mij ook hierbij zekere beperkingen moet opleggen. In de eerste plaats wil ik dan opmerken, dat de graaf de St. Germain op het ogenblik zeker niet optreedt als hoofd of leider van enigerlei loge. Hij behoort wel – zover mij bekend althans – op het ogenblik tot de raad van de Witte Broederschap. Zijn werkzaamheden en leiding in deze dagen staan vooral in verband met het behouden van en / of terug vinden van oude, vaak verloren gegane cultuurwaarden, waarbij getracht wordt de mystiek van de oudheid en de mogelijkheden van deze tijd met elkander in overeenstemming te brengen.

Daarbij moet ik uitdrukkelijk wijzen op het feit, dat hij zich niet onmiddellijk met politiek bezig- houdt, ofschoon zijn leringen en vooral via zijn leerlingen wel meningen en uitingen naar voren kunnen komen, die door sommigen onder u als politiek worden beschouwd. Ik kan natuurlijk niet op alle feiten ingaan, maar mag toch wel vermelden, dat de entiteit, die graag onder de naam de St. Germain wel bekend is, vooral ook in de laatste vijf jaren op aarde weer zeer actief is geweest in meer stoffelijke vorm, zowel in het Nabije Oosten als in Zuid- Europa. Daarnaast heeft hij in het verleden ook wel bezoeken gebracht aan de USA en wel voornamelijk aan het westen. Aan de oostkust is hij, zover mij bekend, dus niet actief geweest. Ik hoop, dat dit voldoende is.

* U brengt de graaf de St. Germain als een raadsel, ook voor u, als geest. Is hij in een voor u onbereikbare sfeer, ondanks het feit, dat hij tegen ons heeft gesproken op een van uw bijeenkomsten?

Ik zou het niet zo willen stellen. Wanneer wij de graaf de St. Germain willen benaderen en daarbij, zoals wij veelal doen, het onderwerp willen benaderen vanuit een menselijk standpunt, zullen wij hem altijd in de eerste plaats blijven zien als een raadsel. Ik heb getracht dit in mijn inleiding ook tot uiting te brengen. Er zijn bepaalde dingen, die ik weet, maar waarover het mij niet is toegestaan om te spreken of waarover ik in een dergelijke openbare bijeenkomst liever niet wil spreken. Ik hoop, dat u mij dit wilt vergeven.

Indien ik uit zou moeten gaan van alles, wat mij bekend is – en ik zou dit voor u uitvoerig uit gaan werken, zou het, door de vermelde feiten, voor u misschien een interessanter betoog zijn geworden. Maar het zou ver komen te liggen van alle redelijke benadering van het geheel en daardoor ook ver af komen te liggen van het voor mensen redelijk aanvaardbare. Hierdoor zou het werkelijk belangrijke worden teruggedrongen achter de sensatie en zou vooral ook de meer esoterische betekenis, waaraan ik in mijn inleiding de nodige aandacht gaf, teloor gaan achter de schijnbaar voor u meest belangrijke feiten en vragen als bv.: In welke sfeer leeft hij enz. enz.

En deze feiten zijn, dat kan ik u wel verzekeren, geen feiten van werkelijk belang. Wat wel belangrijk is, is het denken, dat iemand als een graaf de St. Germain mogelijk maakt als mens te leven en te bestaan, waardoor het mogelijk is om – ik druk het maar op mijn eigen wijze uit – het eeuwige op aarde te zien leven en toch zijn eeuwigheid en vooral het bewustzijn daarvan grotendeels te zien behouden.

Daarop heb ik daarop de nadruk gelegd. Daarbij komt nog, dat een verder ingaan op het bestaan en werken van deze entiteit, die o.m. ook als Anophis op deze aarde bekend is geweest, ik u ook alles zou moeten gaan vertellen over bv. de vorming en het werken van inwijdingsscholen op aarde, terwijl ik bij een spreken over het geestelijk bestaan van deze entiteit mij zou moeten vermoeien met pogingen u een beeld te geven van sferen en mogelijkheden, waarvan u zich in uw wereld toch geen juiste voorstelling kunt maken. Dit heeft volgens mij weinig nut. Wij moeten nimmer trachten dergelijke figuren in een sfeer van emotionaliteit of sensatie te benaderen. Zelfs indien ik deze entiteit zeer goed zou kennen en regelmatig met deze entiteit mede zou werken, zou voor een lezing als de huidige voor mij nog gelden: wij moeten bij de bespreking de nadruk leggen op het feit, dat in de stof deze entiteit ons een voorbeeld was van de wijze, waarop wij kunnen leven en van wat wij daarin geestelijk kunnen bereiken. Het gaat dus niet om het feit, dat wezens als deze dingen hebben gedaan, die mensen interessant vinden, waar zij lang over kunnen praten, maar die hen als sensatie niet brengen tot ook maar één enkele gedachte over hun eigen ik en kunnen. Neem mij deze kleine tirade niet kwalijk. Ik ken de graaf de St. Germain en voor mij is hij geen raadsel. Maar de oplossing van dit raadsel is voor velen van u onaanvaardbaar en de waarheid van het leven op aarde en in de sferen is voor u, in uw huidige staat van bewustzijn, van weinig nut.

*Is het waar, dat Francis Bacon een incarnatie is van de graaf de St. Germain?

Dit is onjuist. Volgende vraag a.u.b.

* Op welke wijze herkende men de graaf de St. Germain en in welke tijd leefde hij in Parijs?

Men herkende de graaf de St. Germain als zodanig in Parijs de eerste maal alleen, omdat hij zichzelf als zodanig kenbaar maakte. Hij is meerdere malen door ons gesignaleerd in deze stad, maar zijn belangrijkste periode daar is de tijd van Marie Antoinette, rond 1780. Rond 1840 wordt hij wederom te Parijs gesignaleerd en herkend op grond van een gelijkenis met van hem eens gemaakte afbeeldingen. In 1890 wordt hij gesignaleerd in verschillende kleine plaatsen aan de zuidkust van Frankrijk en in Italië, terwijl hij ook door iemand in Griekenland ontmoet zou zijn. Hij zou zich in dit laatste geval kenbaar gemaakt hebben. Rond 1890 wordt de graaf gezien in o.m. Bombay en Benares. Hier zou hij met verschillende mensen, waaronder Europeanen, gesproken hebben. Wat deze en latere herkenningen aangaat wil ik u er op wijzen, dat het over het algemeen gaat om een gelijkenis met een door – onderling niet gelijkende – portretten, die men onder zijn naam heeft gepubliceerd.

Wat de latere periode betreft, kan ik u alleen nog mededelen, dat hij zich in 1930 aan een bepaald groepje mensen heeft geopenbaard en met deze groep ook korte tijd in Zwitserland vertoefde, terwijl hij vandaaruit de USA heeft bezocht. Ook daarna is hij op aarde meerdere malen gesignaleerd, maar hij trad dan niet op onder de naam de St. Germain en niet in een gestalte, die men zou vereenzelvigen met de zwierige edelman van eens. Het zal u dus duidelijk zijn, dat deze verschijningen van de graaf de St. Germain wel worden gerapporteerd, maar dat de verklaringen daaromtrent vaak onbetrouwbaar zijn. Wanneer hij ergens als aanwezig wordt gemeld, is dit nog geen bewijs voor het feit, dat hij zelf daar ook werkelijk was. De door mij gemelde verschijningen zijn volgens mijn beste weten werkelijke verschijningen geweest. Ik hoop, dat dit als antwoord u voldoende is. Wat Annie Besant betreft; zij heeft iemand ontmoet, die haar mededelingen gaf van de graaf de St Germain. Van een persoonlijke ontmoeting is, voor zover mij bekend, geen sprake geweest.

*Had Jozef Balsamo, alias Cagliostro, banden met de graaf de St. Germain?

Een juist antwoord is hier moeilijk, omdat het begrip banden hier wel moeilijkheden met zich brengt. Zou u mij vragen, of zij elkander kenden, zo zou ik antwoorden ja. Zij spraken elkander o.m. in een kasteel in Holstein.

Vraagt u, of er bij beiden sprake was van een erkenning van het systeem van werken van de ander, zo moet ik eveneens bevestigend antwoorden. De een representeerde de Lichte Isis, terwijl de ander eerder de z.g. duistere Isis representeerde, maar beiden werkten vanuit een leer en besef, dat in grondwaarde wel gelijk was. Dus, zij kenden elkander en hebben elkander niet in het vaarwater gezeten. Maar in die dagen was dit ook geen mode, omdat er in die dagen zovele oplichters, bedriegers, halve en hele ingewijden van de vreemdste cultussen en hysterische mensen waren, die de meest vreemde dingen verkondigden en deden, dat de graaf de St. Germain, wanneer hij aan alle minder juiste praktijken zijn aandacht had willen wijlen, geen tijd zou hebben overgehouden voor zijn werkelijke zending. Ik neem overigens aan, dat hij de vreemde praktijken van anderen onbelangrijk vond, al is het alleen maar, omdat er zovele mensen op de wereld zijn, die liever bedrogen worden, dan dat zij iets van de waarheid zouden willen aanhoren, dat het weinig zin moet hebben te proberen dezen allen tegen hun wil in toch van de waarheid te overtuigen.  Dit zal het bestaan zelf uiteindelijk wel doen. Indien u met banden dus bedoelt: kenden zij elkander en kenden zij elkanders wijze van werken, dan is het antwoord ja. Van een werkelijke samenwerking is echter geen sprake geweest.

* Wat was de zin van de politieke activiteiten rond 1670, toen hij reisde tussen Engeland, Frankrijk en de Verenigde Nederlanden?

Zijn bedoelingen rond 1670 waren niet in de eerste plaats politiek. Het oplossen van bepaalde spanningen en het omkopen van belangrijke personen – dit hoorde daar in die dagen wel bij, – lag wel in zijn bedoeling. Het zal u overigens wel bekend zijn, dat ook Cagliostro met soortgelijke missies, maar nu op veel meer politiek terrein, onderweg is geweest naar de zelfde landen. Als belangrijk resultaat van deze reizen kan wel worden gesteld, dat de graaf de St. Germain verbindingen heeft gelegd tussen broederschappen op het vastenland van Europa en daarvan nog onafhankelijk bestaande groepen in Engeland. Hij voorkwam tevens, dat deze groepen later betrokken zouden worden in minder aanvaardbare situaties en relaties zouden aanknopen, die minder vruchtbaar en prettig geweest zouden zijn.

* Waren dit maçonnieke verbindingen?

Er waren hierbij groepen betrokken, die nu tot maçonnieke verbanden behoren. Er waren echter ook andere groepen hierbij betrokken, waaronder alchemistisch georiënteerde en zelfs groepen van christene mystici, waaronder een groep, die men wel reeds als Rozenkruizers kan omschrijven. Ik vermeld dit om duidelijk te maken, dat het hier dus zeker niet om een bepaalde richting ging, maar wel om het in standhouden van bepaalde inwijdingsmogelijkheden en een verbreiden van de waarden van een inwijdingsschool.

 * Was Rembrandt een volgeling van de St. Germain? Is de Poolse ruiter een portret  van hem? Ik vraag dit i.v.m. het gouden licht, dat geschilderd werd hierbij.

Neen. Van mystiek is bij Rembrandt eerst sprake op latere leeftijd en dan is dit nog een betrekkelijk bekrompen christelijke mystiek. De Poolse ruiter werd gemaakt van een Duits model, dat met de St. Germain – ook in zijn Poolse gedaante als Pozwielsky (?) in geen enkele betrekking staat. Het licht, dat Rembrandt van Rijn schildert, is een erkenning van de mogelijkheden, die licht geeft, niet een erkenning van een licht van heiligheid. Rembrandt was een vernieuwer in de kunst, die op een wijze als bv. Tintoretto het Italiaanse doorzichtige licht in kleuren probeerde te vangen, de typisch Hollandse tegenstellingen licht-donker hanteert, en beleeft. In het gehele land komen deze lichtschakeringen immers voort en in de vroege werken van Rembrandt komt de lichtwerking vooral tot uiting in landschappen met wolken. Dat de kunstenaar op zo treffende wijze hiervan gebruik weet te maken en een ook nu nog boeiende weergave van lichtwerkingen weet te geven, is dan ook volgens mij geen bewijs voor zijn geestelijke grootheid, maar wel een bewijs van technisch kunnen en kunstzinnige inspiratie.

 * U heeft duidelijk gemaakt, hoe bewust de graaf de St. Germain op aarde werkte en leefde onder de mensen. Ik neem aan, dat hij deze dienst na zijn dood voort heeft gezet. Volgens de theosofen werkt hij met een 7de straals-invloed.  Wat kunt u ons nog vertellen over de periode na 1918?

Het wezen, dat o.m. op aarde bekend is geweest als de graaf de St. Germain is ook daarna nog enkele malen als mens actief geweest op aarde. Dat wat hij daarbij uitdraagt en de kracht, waarmede hij werkt, omvat echter niet alleen de 7de straal, maar ook de 3de straal. Zij die de werking der stralen kennen, zullen hieruit onmiddellijk zien, dat dit een verhoging van actie in kan houden. Hij heeft daarbij ingewerkt op vooral de westerse cultuur, ofschoon hij daarnaast ook op de Indische cultuur invloed uitoefende en bv. op het ogenblik ook in Zuid-Azië actief is. Waar inwijding van de mens het doel is van de meesten, die met een dergelijk inzicht en geestelijk meesterschap optreden, kan wel worden aangenomen, dat hij door zijn werken vooral bepaalde inwijdingen heeft willen bevorderen. Hij, de mens, wordt daarbij steeds weer geremd door de menselijke emotionaliteit, waardoor men eigen ik achter een meester wil scharen in plaats van een eigen ego tot meesterschap te ontwikkelen. Dit was aanleiding tot het onderbreken van werkzaamheden bv. van 1910 tot rond 1926 in een gebied, waarbij ook Nederland betrokken was. Daarnaast heeft hij in 1938-40 eveneens bezigheden moeten staken. In deze periode lag de nadruk bij hem op Engeland en Indië.

 U zult begrijpen, dat een werken, met bepaalde kosmische krachten tevens het versterken van bepaalde elementen in de mens zal betekenen. Wanneer wij in de mens waarden als menselijkheid, begrip, maar ook moed trachten te bevorderen, zal dit door de mensen in vele gevallen verkeerd geïnterpreteerd worden. Ik meen dan ook, dat zijn actie, die tot 1959 sterk op Frankrijk was gericht, daarna ook in toenemende mate op Zuid-Amerika, in zeer vele gevallen gefrustreerd zal worden door het menselijk denkbeeld, dat moed bv. altijd in verband staat met strijd en dat strijd altijd naar buiten toe moet zijn gericht. Zelfoverwinning, begrip voor hogere waarden, het uiten daarvan in een menselijke dienstbaarheid aan mensheid en God, zonder daarbij de achting voor eigen wezen te verwaarlozen of zelfs te verspelen, zijn de kenmerken van alles, wat hij op dit ogenblik de mensheid tracht te leren. Wanneer hij in de toekomst nieuwe taken zou kiezen, zullen deze zeker met genoemde beginselen en bestrevingen in overeenstemming zijn.

*Voor de theosofen is de graaf iemand, die als meester voor de toekomst werkt en voornamelijk ritueel werkt. De vormen van beleving in de Vrije Katholieke Kerk in deze dagen is gebaseerd op oude wetenschappen. Als schutspatroon van deze kerk wordt hij wel genoemd als St. Albanus, een Ierse heilige en geestelijke. Kunt u ook hierover nog iets meer vertellen?

Alleen het volgende. De Vrije Katholieke Kerk is enigszins los geraakt uit het net der machtsverhoudingen. Zij is bezig terug te keren tot het meer mystieke christendom van de eerste christenen. Sint Albaan is een figuur, waarvan de historische achtergronden moeilijk vastgesteld kunnen worden op aarde, maar waarvan wij wel weten, dat hij op wonderbaarlijke wijze gereisd zou hebben en wonderen volbracht zou hebben o.m. ook in Engeland en IJsland. Wanneer men een dergelijke figuur als patroon neemt, is het geloof aan het wonder waarschijnlijk primair. Het christendom zal zijn vertrouwen in het wonder, – zowel het innerlijke en mystieke wonder als het uiterlijk kenbare wonder – moeten herwinnen, voor het weer waarlijk christendom kan zijn.

Je kunt volgens mij niet waarlijk in de leer van Christus geloven, zonder ook aan de macht van Christus als een nu nog levende waarde te geloven. Dit vergt moed en een grote liefde voor de mensheid. Daarnaast vergt het een zeer gezond respect voor jezelf, want anders laat je je door degenen, die wetten en beperkingen zekerder vinden voor gezag en zielenheil, al snel omver praten. Indien men zich dus deze patroonheilige kiest, kan ik alleen maar zeggen dat volgens mij de keuze juist is. Vraagt men mij echter, of hij bij de huidige acties betrokken is, zo kan ik alleen maar antwoorden: volgens mijn weten niet op bijzondere wijze, ofschoon het scheppen van dergelijke inzichten over de gehele wereld voor deze entiteit zeker tot een van zijn belangrijkste taken en opdrachten zal worden gerekend.

* Ik meen uit uw woorden te begrijpen, dat volgens u de katholieke kerk gespeend is van het mystieke wonder. Maar u zult toch met mij eens zijn, dat bij het sacrament van het altaar het mystieke wonder juist een hoofdrol speelt?

De rite is nog niet het gebeuren. Het innerlijk gebeuren kan door een rite ten hoogste versterkt worden, maar is nimmer gans van de rite of formules afhankelijk.

In de katholieke kerk is het kerkelijk gezag, ook t.a.v. de riten, zover opgevoerd tot een alles beslissend en alles beoordelend gezag, dat voor de vrije erkenning en beleving van de eenling weinig ruimte overblijft. Hierdoor worden de belangen van de kerken vaak in wezen eerder bepaald door de vraag “hoeveel zal de collecte opbrengen?” dan door de vraag: “zal God waarlijk hier voor ons aanwezig zijn?”. Dit heeft zijn weerslag. Zo wordt de predicatie in vele gevallen eerder een overhalen van de gelovigen tot volgens de kerk juiste maatschappelijke en politieke, daarbij natuurlijk ook godsdienstige, standpunten, waarbij men zich niet laat leiden door innerlijk begrip, maar door herderlijke brieven en papale beslissingen.

Al baseert men zich nog wel op het geestelijke – dus niet zichtbare – wonder, zo beschouwt men het kenbare wonder toch als iets, wat vermeden moet worden. Wij weten zelfs dat de emoties, die door wonderen bij gelovigen gewekt kunnen worden, er toe voerden, dat men priesters, die wonderen als genezingen e.d. volbrengen, verbiedt dit nog verder te doen, of hen tracht te verwijderen van het gebied, waarin zij als wonderdoeners en “heiligen” bekendheid verkregen en zo een eigen gezag vestigden. Denk hierbij aan de priester uit Turijn, die genezingen tot stand bracht en daarom werd overgeplaatst naar een plaatsje – ik meen dat het Piave heet – en hier zijn werk voortzette, maar weer een verbod kreeg en na boete werd overgeplaatst naar Sicilië.

Omdat hij ook hier verder ging met genezen langs geestelijke weg, werd hij ook hier verwijderd, enige tijd in een klooster opgesloten met ontzegging van het recht zijn priesterlijk ambt uit te oefenen en na enige tijd uit dit klooster, maar ook uit de openbaarheid verdween.

 Ik zou zeggen, dat een kerk, die Jezus aanvaardt en zijn wonderen als waarheid aanvaardt, die wel wil geloven in een volbrengen van dergelijke wonderen door de apostelen, deze wonderen ook zal moeten aanvaarden, wanneer zij van eigen priesters en monniken komen. Ook, wanneer dezen toevallig geen bisschop, kardinaal of paus zijn en zo een zeggingschap bezitten tegenover anderen, die groter is dan dat de zeggingskracht van de aangewezen overheden kan ontkrachten. Ik meen verder, dat een juiste innerlijke afstemming van de massa van groter belang is dan een theologisch feilloos juiste predicatie. Wanneer men die predicatie belangrijker acht dan het innerlijk wonder, dat tot stand kan worden gebracht, zo is dit volgens mij vooral, omdat het wonder niet organisatorisch beheerst kan worden en niet aan de hand van zelfgemaakte wetten en regels pleegt te verlopen.

Bant men dergelijke dingen uit, omdat hierdoor het aanzien van de “kerk” als geheel, de tempel, geschaad zou kunnen worden, dan voegt men zich bij hen, die Jezus uit de tempel wilden uitbannen, omdat Hij zei, dat daarij geen plaats was voor geldwisselaars. Misschien lijkt u dit oordeel wat te fel. Ik wil daarom uitdrukkelijk hieraan toevoegen, dat in de katholieke kerk voor de gelovigen een evengrote mystieke waarheid te vinden is als in elke andere kerk. Wie waarlijk in de Christus gelooft, kan hem ook binnen deze religie ontmoeten. Maar niet alleen in de kerken, wat de Christus is een aanwezigheid in de gehele wereld en zelfs nog verder. Ik meen dus, kort gezegd, dat het opeisen van een alleen-zeggingschap omtrent de moraliteit van een mens, zelfs het opeisen van het recht, alle mensen een contact met het bovennatuurlijke te ontzeggen, wanneer dit niet uit de kerk stamt of niet in overeenstemming is met de gezagsverhoudingen, die de kerk waardevol noemt, een zodanig misbruik van werkelijke macht en zending inhoudt, dat een veroordeling van vele kerkelijke praktijken – maar niet van de kerk op zich – hier wel degelijk op zijn plaats is. Dit is mijn persoonlijke mening, die echter bij ons door meerderen met mij wordt gedeeld.

*Ik kan er niet overheen komen, dat in het sacrament van het altaar toch werkelijk  een mystieke waarde aanwezig is. 

U doelt op de transsubstantiatie. Een oud geloof en een oude rite, die niet tot de katholieke kerk alleen behoort, maar reeds stamt uit het z.g. priesterschap van Melchizedek of, wanneer wij het nog eenvoudiger willen zeggen, tot de witte priesterschap der zieners en de door deze groep volbrachte offers. De transsubstantiatie, waardoor een andere en hogere waarde in het offer optrad, had niet tot doel God tot de mensen te brengen – God is immers altijd overal – maar ten doel, via deze offers, een bewustzijn en erkennen uit die God voor zich te verkrijgen.

Het doel is niet alleen een mystieke eenwording of een soort theophagy, maar het verkrijgen van een innerlijke rijkdom, die in de buitenwereld een kenbaar werken van Gods wil mogelijk zal maken. In de misoffers dezer tijd ontbreekt deze instelling bij de gelovigen en zelfs bij de uit gewoonte handelende priesters wel geheel. Daarbij moet men zich voor ogen houden, dat tot rond 300 n. chr. wel sprake is van werkelijke offermaaltijden met dit doel. Men heeft langzaam maar zeker tot een ceremonie en rite gemaakt, wat eens een gemeenschappelijk beleven tijdens een gemeenschappelijke maaltijd was, waarbij ook geprofeteerd werd en andere paranormale verschijnselen plachten op te treden.

Men kan zeggen dat, mits gezamenlijk en op de juiste wijze beleefd, het sacrament van het altaar nog steeds een mystiek wonder is, waaraan bepaalde waarden verbonden blijven. Dit is juist. Maar mijn antwoord hier luidt dan: het mystieke wonder is niet inherent aan de riten der kerk, maar aan de innerlijke gesteldheid der aanwezigen. Als zodanig lijkt mij het leerstuk der transsubstantiatie als leerstuk waardeloos en als sacrament slechts zinrijk door de beleving der gelovigen. Dus niet afhankelijk van een verworven en ingelegde macht van de priester alleen. Hiermede heb ik hopelijk ook duidelijk gemaakt, dat er volgens mij een absolute splitsing moet bestaan tussen een kerkelijke rite, die uit gezagsoverwegingen op een bepaalde wijze wordt gebracht, en de mogelijkheden, die in die rite kunnen liggen, wanneer deze op een wijze beleefd wordt, die niet door de rite alleen bepaald of in de voorschriften van een kerk is vastgelegd. Er zijn kloostergemeenschappen, waarin het wonder van de transsubstantiatie een werkelijk wonder vol geestelijk Licht is, steeds weer.

Maar in de meeste kerken van deze tijd lijkt het meer op een ogenblik, waarop je wel moet knielen en nu maar hoopt, dat de knielbank niet vuil is, omdat anders broek of kousen erdoor zouden kunnen lijden.

Ik zou nu over willen gaan tot een slotbetoogje. Ik heb in uw vraagstelling wel ontdekt, dat de belangstelling voor een zeer groot deel de persoon van de graaf de St. Germain betreft. Hij is echter in de zin, die u belangrijk schijnt te achten, niet veel meer dan een droombeeld. Want de graaf de St. Germain was een vlotte avonturier – volgens de Winkler Prins – of een ingewijde edelman uit het verleden, volgens bepaalde andere bronnen, terwijl weer anderen hem de Meester noemen. Maar in wezen is hij een enkel facet van het Goddelijke, zoals wij dit allen zijn. Wie hunkert naar het verleden, vertelt juist daardoor vaak dwaasheden en doet ze vaak nog ook. Wie zegt, dat de Hollanders in deze dagen nog echt de jongens van Jan de Wit zijn, of de kapers van Piet Hein zijn, zo zou ik – wat het laatste betreft, misschien met uitzondering voor het ministerie van financiën – toch op willen merken, dat dit een legende is; men beseft de inhoud van die oude mentaliteit niet eens meer. Laat staan, dat men die in deze dagen nog op kan brengen. Daarvoor zijn echter in dit volk andere waarden ontstaan.

Wij hebben in deze dagen te maken met krachten en invloeden, waarin de filosofie, wetenschap en zelfs mystieke waarden van degene, die zich graaf de St. Germain heeft genoemd, nog werkelijk belangrijk kunnen zijn, maar dan alleen, omdat het begrip van eigen eeuwigheid de mens ook in deze dagen veerkracht geeft, wanneer de omstandigheden uit de hand dreigen te lopen, en de moed geven verder te gaan met iets, wat nutteloos lijkt, alleen maar, omdat je innerlijk weet, dat het goed is. Belangrijk is zijn leer: de leer, dat er een grote werkelijkheid bestaat, waarbij dit alles uiteindelijk maar een schimmenspel is. Juist dit brengt je ook in het heden er toe de uiterlijkheden te doorzien en je meer bewust te worden van de werkelijkheid rond je. Daarom, niet om het verleden, is het raadsel van de graaf de St. Germain belangrijk. Hij is belangrijk als een voorbeeld. Men kan zeggen: maar Jezus is ons voorbeeld. Jezus echter staat zover weg van het heden. Het land, waar hij leefde, kan men nog bezoeken, maar de mentaliteit die eens bestond, de eenvoud en de geestelijke diepten, die in Jezus uitspraken en werken gelegen zijn, is in feite reeds teloor gegaan. De St. Germain staat voor het begripsvermogen van de hedendaagse mens m.i. dichterbij.

Wanneer zijn filosofie daarom op het einde van deze bijeenkomst door mij nogmaals samen- gevat mag worden, zo is het deze:

U behoort tot de wereld; u onttrekken aan die wereld is dwaasheid. U behoeft zich die wereld en niets van die wereld te ontzeggen, want dit heeft geen zin. Toch leeft u pas goed en verstandig, wanneer u aan alles in die wereld wat u doet, beleeft, ervaart en ondergaat, een geestelijke inhoud weet te geven, waarin u iets van eigen eeuwigheid terug kunt vinden.

Het leven van het innerlijke Ik is de totaliteit van de mogelijkheden van ook deze tijd. Dit erkennen en beleven is de weg om vrij te worden van wat men reïncarnatie noemt. Dit is de mogelijkheid om te komen tot een nieuw en groter leven, tot grotere levensvreugde en levens- kracht. Dit is de bron van de gaven, die menigeen onbereikbaar acht.

De graaf de St. Germain heeft bewezen, dat hij vele raadselachtige dingen kon doen. Men mag over hem denken zoals men wil, als grootmeester of als avonturier. Hij was echter in de eerste plaats een mens, die zijn stempel heeft gezet op het leven van zijn tijd. Hij was een mens, die meer heeft achtergelaten dan alleen maar een legende. Ik geloof, dat, wanneer de mensen in deze dagen dat leren beseffen, wij reeds een schrede verder zijn. Want ook de mensheid van heden moet iets meer achter kunnen laten dan een legende. Zij moet iets achter kunnen laten van eigen wezen.

Verweven zijn wij met de Goddelijke Kracht in de Goddelijke Werkelijkheid. Maar omdat wij hier bestaan, moet ons leven ook verweven zijn met het schimmenspel, dat hier leven heet. Verweven moeten wij zijn met al het leven en het levende, ons wezen gevende aan het leven en het levende, opdat onze geest, ons besef, in dit totaal van de mensheid invloed moge hebben en daarin door moge werken, opdat wij kunnen dienen een ieder, die nog niet zover kan zien als wij misschien.

De graaf de St. Germain speelt met de grootheid en spot met zichzelf, met adel en koningen. Toch dient hij. Hij verwerpt niet. Het is onze taak in de wereld niet te verwerpen en te ontzeggen, maar om met een juist begrip voor de waarde in alle dingen te leven. Het geheim van de graaf de St. Germain is, dat hij dit alles kon doen. Dit maakt hem tot een geheimzinnige figuur, waarvan niemand iets weet en waarom een ieder legenden bouwt. Want de werkelijkheid van zo een leven, zo een bestaan, is nu eenmaal niet aanvaardbaar voor een gewoon mens, het is te veel ontdaan van de lievelingsillusies en stelt te veel vragen, die je niet met wat lege en holle woorden schijnbaar op kunt lossen.

 De vraag, die aan u wordt gesteld in deze dagen, is dezelfde vraag, die de St. Germain voor zich beantwoordde: Wat zijt gij werkelijk? Wat is de levende kracht? Wat is het vreemde, dat door uw ogen ziet en handelt door uw lichaam, uitdrijft in uw dromen en toch ergens gelijktijdig meer en minder schijnt te zijn dan het lichamelijk ego, dat gij kent? Beantwoordt naar waarheid deze vragen en gij hebt het raadsel van de graaf de St. Germain opgelost, gij hebt het raadsel van uw eigen leven opgelost en het groot arcanum van de schepping gevonden. Dan hebt gij het geheim gevonden van het werkelijk en eeuwige leven. Dan bezit gij het water des levens, het aurum potabile, de steen der wijzen. Want indien deze dingen in uw wereld kunnen bestaan, moeten zij eerst gevormd worden in de mens.

De graaf de St. Germain vormde in zichzelf een waarheid, waarvan hij als in spel soms anderen een deeltje liet zien. Hij tracht ook nu nog die waarheid met een ieder te delen, zoals vele grote geesten dit doen. Indien wij echter die waarde en waarheid niet willen aanvaarden als een persoonlijke aansprakelijkheid, als een stimulerend persoonlijk werken en streven aan de hand van ervaren waarden, zullen wij niets bereiken. Hunker daarom niet naar een geheimzinnige graaf, die u zal ontmoeten als een verdoken geestelijk minnaar of een stralende geestelijke Meester. Want dit zult gij niet vinden. Ontvang iets van zijn geheim en waarde in uzelf en maak het tot deel van uzelf en gij zult weten, dat het gehele geheim slechts de waarheid en zin van het leven betreft.

 Ik eindig met een kenspreuk:

De werkelijkheid van het leven speelt zich af achter de gesloten luiken der ogen.

De werkelijkheid van het bestaan ligt achter de grenzen van leven en dood.

 De werkelijkheid, van wat ik ben, wordt bepaald door dat, wat ik beteken voor allen.