Het raadsel van de tijd

20 juni 1958

Aan het begin van deze avond moet ik u er aan herinneren, dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Wij verzoeken u dan ook voor alles zelfstandig na te denken. Mijn onderwerp voor hedenavond is misschien wat moeilijk voor sommigen van u. Daarom zal ik trachten zo eenvoudig mogelijk mijn stellingen uiteen te zetten. Als titel zou ik dit onderwerp willen geven: Het raadsel van de tijd.

Niemand is er op aarde die u precies zeggen kan wat tijd feitelijk is. O zeker, de ene dag volgt steeds weer op de andere, terwijl de klok steeds maar weer de minuten weg tikt.  Hoe komt het dat die tijd er is? Dat ligt zeker niet alleen aan de klokken, of zelfs maar aan de rotatie van de aarde. Het ligt ook niet aan de zon.  Wanneer wij in een absoluut duistere kamer, of een kunstmatig verlichte kamer waarin niets verandert, een mens zouden opsluiten, dan zou hij nog tijd ervaren. Indien wij echter in een dergelijk geval de tijdswaardering van een dergelijk persoon nagaan, zal blijken dat zijn tijd kennelijk niet meer identiek is met de tijd, die door de uurwerken op aarde wordt aangegeven. In het begin loopt de tijd veel langzamer voor de buitenwereld dan voor de persoon in kwestie, later zal veelal het omgekeerde optreden.   Ergens buiten de wenteling van de wereld bestaat dus een tijdsfactor die, voor zover bekend, voor alle wezens gelijk geldt. Let wel, het gaat hier niet meer om tijd en tijdswaarden, maar om de tijdsfactor, die een opeenvolgend beleven mogelijk maakt. Dit beleven is een opeenvolgen van momenten, die hun waarde vinden in “je ne sais pas quoi”. Om dit verschijnsel te ontraadselen zullen wij ons eerst tot de stof wenden. Klaarblijkelijk heeft het stoffelijke bestaan van de mens op aarde wel degelijk iets te maken met de wijze, waarop hij tijd ervaart. Wij kunnen dit o.m. aantonen door het bekende verschijnsel, dat een mens kan inslapen en volgens de klok uren later wakker worden, als had hij nog niet geslapen, onmiddellijk de tijd dus persoonlijk belevende, alsof er geen rust en onderbreking ware geweest. Eerst de klok wekt dan een aanvaarden van een voorbijgaan van de tijd, zonder dat de ervaring dit bevestigen kan.   Aan de andere kant kan iemand, na een korte rust, ontwaken met de gedachte, dat er reeds uren zijn verlopen. Bovendien kan men na langere of kortere tijd ontwaken met een volledig en juist bewustzijn van de tijd die volgens aardse begrippen verliep tussen inslapen en ontwaken. Opvallend is hierbij dat het tijdsbesef het minst teloor gaat, wanneer een abrupte bewustzijnsdaling, met behoorlijke diepte, snel optreed en enige tijd aanhoudt. In de dieptepunten van de slaapcurve is geen erkennen van tijdsverloop volgens stoffelijke normen meer mogelijk. Is de slaap oppervlakkig, fluctueert zij in diepte zonder ooit een werkelijk dieptepunt te bereiken, dan is er wel een kennen van tijdsverloop mogelijk. De slaapperiode is dan echter voor het bewustzijn korter in verhouding tot het werkelijke tijdsverloop. Wanneer een langzaam dalen naar het dieptepunt van de slaap plaats vindt, zal bij het ontwaken vaak de gedachte rijzen, dat meer tijd voorbij is gegaan dan volgens de normen van de wereld verliep.

In het lichaam spelen zich een groot aantal verschillende omzettingen af, bestaan er zeer vele verschillende functies. Deze zijn alle gebaseerd op levensbehoeften, niet op tijd. Een cel heeft een zekere voeding nodig, het zenuwstelsel vraagt een bepaalde hoeveelheid energie, het denken vraagt reeksen van prikkels of in het Ik reeds aanwezige stimulansen.  Wanneer in het organisme een minimum aan actie optreedt, in vergelijking met de dagelijkse toestand, houdt voor het lichaam de tijd grotendeels op te bestaan. Dit weerspiegelt zich in het tijdsbewustzijn. Wanneer het lichaam – ook met uitsluiting van het dagbewustzijn – grotere activiteit op alle of enkele vlakken blijft vertonen, zal men een verlopen van tijd toch ervaren en registreren. Belangrijk is daarbij alles wat met het denken samenhangt. Een mens die, zoals ik reeds stelde, oppervlakkig slaapt met weinig of geen werkelijke dieptepunten, zal in zijn slaap toch nog grote reeksen van impulsen te verwerken hebben en redelijk grote denkactiviteit op meer onderbewust vlak vertonen. Ook de vatbaarheid voor invloeden van buitenaf is in dit geval aanmerkelijk groter. In dit geval zal het geheel van de binnen het Ik optredende acties en realisaties onbewust worden vergeleken met de normaal in het dagelijkse leven optredende invloeden. Hierbij gelden gedachten meestal ook als feitelijke indrukken. Het tijdsverloop wordt voor de mens dan gebaseerd op het aantal ontvangen indrukken, of opkomende gedachten. Hierdoor zal de tijdsnorm de slaap soms zeer kort schatten, alleen door gebrek aan gerealiseerde actie binnen het lichaam.   Het voorgaande houdt in, dat wij een deel van het tijdsbewustzijn dus wel zeker mogen zoeken in het lichaam, plus de levensprocessen die zich daarin afspelen. Dit maakt de tijd echter zelf tot een relatieve waarde. Naarmate de levensprocessen worden versneld zal de tijd voor de mens ook meer momenten tellen. In vergelijking met het uurwerk betekent dit, dat voor de mens de wijzers van de klok langzamer schijnen te gaan.  Bepaalde vergiften, o.m. marihuana, kunnen dit versnellen van de tijd sterk in de hand werken. Het reactievermogen blijft gebonden aan eigen belevingsvermogen, zodat een langzame reactie van een mens in voornoemde toestand voor anderen, volgens de klok, een bliksemsnelle wordt. Ook adrenaline kan een dergelijke invloed hebben. De mens zelf, die de handeling volvoert, schat echter het gebruikte tijdsverloop in volgens de in normale toestand daarvoor nodige tijdseenheid. Eerst na afloop van de toestand kan door vergelijk met de buitenwereld ook het Ik inzien, dat het geheel van de handelingen veel sneller is verlopen dan het bewustzijn had opgetekend.

In de stof klampt het bewustzijn zich altijd in de eerste plaats aan de omgeving vast. Daardoor zal het uiteindelijk een correctie van tijdsbewustzijn tot stand brengen. Bij het veelvuldig voorkomen van een dergelijke toestand zal de persoon in kwestie dan ook met het verloop van de normale tijd kunnen rekenen en zo zich van eigen snelheid ten dele bewust kunnen worden. Dit is echter alleen door een voortdurend vergelijken met buiten het Ik liggende en als vast beschouwde waarden mogelijk. Buiten de gemeenschappelijk aanvaarde normen om blijft echter door dergelijke vergiften de tijdsfactor vertwintigvoudigd. Wanneer dus het lichaam en de daarin optredende reacties aan de ene kant aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de wijze waarop wij persoonlijk de tijd ervaren, zal aan de andere kant allereerst wel een bewustzijn van de reacties mogelijk zijn. Het bewustzijn is dus wel bepalend voor de mogelijkheid om tot een tijdservaren te komen.  Het stoffelijke bewustzijn zal de tijd steeds meten aan de hand van reeksen indrukken, die kunnen worden opgedaan. Men zal steeds menen dat de tijd van het lichaam kan worden gemeten aan het beleven, en dit beleven stellen als identiek met de gemeenschappelijke waarden van de wereld.

Bij een zich verzinken in een bepaald onderwerp beperken wij de reeks van afzonderlijke bewustwordingen en realisaties, om daarvoor in de plaats een enkel beleven van grotere duur en diepte te stellen. Men zal in een dergelijk geval, door het afwezig zijn van opeenvolgende impulsen, een vertraging van tijd ten opzicht van de buitenwereld ondergaan. De uren schijnen op de klok voorbij te snellen. Voor het Ik is er echter sprake van de intense beleving die één moment bevat. Zouden deze stoffelijke punten u kunnen overtuigen van de relatieve waarde van de tijdsbeleving, toch zijn wij de tijd zelf nog niet veel nader gekomen, want ergens zou de tijd toch een vaste waarde moeten zijn.  Wanneer wij voor het gemak de reeksen van belevingen van een klein wezen, dat volgens uw klok slechts drie uren leeft, vergelijken met met de reeksen van beleven zoals zij optreden bij een ander wezen, met een levensduur van een paar duizend jaar, dan blijkt dat voor beiden – mits mentaal op gelijke vlakken levende – de gemiddelde levensduur van hun ras geheel gelijk is. De tijd, het tijdsbesef, is afhankelijk van de mogelijkheid ervaringen op te nemen.  Indien dit als vast kan worden aangenomen, zullen aardse tijd en tijdsverloop geen feitelijke invloed op de tijdsfactor van elk wezen afzonderlijk uitoefenen. Daarom lijkt het mij veilig te stellen, dat er in ieder geval geen waarde “tijd” bestaat in de meer aanvaarde zin des woords.

Een volgende mogelijkheid om tijd te beschouwen vinden wij in de werelden van de geest. Ik weet bv. uit ervaring, dat ik geestelijk in staat ben om in – volgens u – zeer korte tijd, zeer veel door te maken. Dit vele blijkt echter ook niet altijd aan een vaste norm van persoonlijk tijdsbeleven gebonden te zijn.

Zeer veel kan ik beleven in een kort ogenblik, en weten dat dit een kort ogenblik is. Ook blijkt het mij mogelijk, naast het normale ervaren, bepaalde belevingen te continueren op een wijze, die geheel buiten elk beleven van tijd komt te staan. Zij zijn dan de grondwaarden van mijn wezen en wereld geworden. Een vergelijking met normale bewustwordingen en belevingen is dan niet meer mogelijk.  Waar dit tijdloze beleven echter gebonden kan worden aan een beleven op verschillende vlakken gelijktijdig – bv. mijn eigen wereld, uw wereld en de kracht van de kosmos – kunnen wij het volgende beeld vinden. Normaal kan ik misschien de indrukken van verschillende werelden gelijktijdig verwerken. Ik heb dan te maken met vlakken A, B, C, die elk een eigen tijdsbeleven meebrengen. Normaal blijven deze gescheiden. Nu echter lopen A, B, C dooreen, gebonden aan een gezamenlijke tijdsbeleving.  Het is a.h.w. een koord van drie belevingen, die elkaar steeds omstrengelen, waarbij mijn gezichtspunt zich steeds weer wijzigt van het ene vlak naar het andere, zonder dat van een verloop van tijd voor elk van de drie nog sprake kan zijn in mijn beleven. Ik zie de drie als eenheid met een tijdservaren, dat verschilt van hetgeen op elk der drie vlakken mogelijk is, sneller, indien wij het vergelijken met de normen van één van de drie vlakken.  Een meervoudige ervaring in geestelijk bewustzijn kan klaarblijkelijk elk tijdsbewustzijn geheel elimineren ten opzichte van werelden. Wat overblijft is het vermogen tot persoonlijke ervaring.

Samenvattende wat ik tot nu toe heb gezegd, kan ik nu verder gaan dan men meestal doet. Ik stel n.l. niet alleen dat tijd afhankelijk is van de optredende reeksen van ervaringen, maar tevens dat de tijd een fictieve waarde is binnen de persoonlijkheid, die slechts ter fixatie van de volgorde van de belevingen gebruikt wordt.  Deze stelling schijnt menig mens geheel in strijd te zijn met al, wat hij in het leven heeft leren kennen. Wordt men immers niet steeds door de tijd voortgejaagd, wordt men niet steeds ouder? Verandert de wereld niet steeds? Schijnbaar is de tijd hier de bepalende waarde. Toch zijn er verhalen in omloop, die u een inzicht in andere mogelijkheden kunnen geven.  U hebt misschien wel eens gehoord van ingewijden en meesters die, zo zij dit wensen, duizenden jaren kunnen leven op aarde. Zij zijn in staat de tijdsfactor – althans stoffelijk – uit te schakelen. Zij kunnen dit bereiken, doordat hun bewustzijn de loop van de tijd als zodanig niet meer accepteert. Onafhankelijk van wijzigingen en verloop van tijd in hun omgeving fixeerden zij hun stoffelijk bestaan op dat punt van de ontwikkeling, waarin zij het verloop van tijd voor de stof geheel terzijde konden stellen. Dit is in de eerste plaats een mentale oefening. Daarnaast blijkt dat, door een vertragen van de werkingen in het metabolisme, alle noodzakelijke kracht onmiddellijk uit de ruimte kan worden opgenomen, zodat bv. eten en stofwisseling voor deze ingewijden dan ook geheel tot het verleden gaan behoren. Vanuit hun tijdloosheid kunnen zij steeds weer zich geestelijk een fase van het bestaan op aarde blijven realiseren, waardoor het hen mogelijk is zo nodig op te treden en te handelen als normale stoffelijke wezens.  Zij verouderen daardoor in overeenstemming met het tijdsbesef dat tijdens deze handelingen bestaat.

Mijn conclusie: wij, mensen en geesten, zijn niet gebonden aan de tijd van onze wereld, noch is de tijd van de wereld aan ons wezen gebonden. Het verschijnsel “persoonlijke beleving” is geheel te scheiden van een mogelijk werkelijk bestaande tijd.

  • U vergelijkt een leven van drie uur met een van 3.000 jaren en stelt, dat dit geen verschil uitmaakt voor het individu. Hoe kunt u dit constateren?

Deze vaststelling zal voor u iets moeilijker zijn dan voor ons. Vergeet niet, dat het mogelijk is gedachten te kennen. Door ons eigen denken prijs te geven, kunnen wij ons synchroniseren met het beleven van bv. een eendagsvlieg en met een ander wezen, dat veel langer leeft. Wij kunnen dit dan vergelijken met de periode, die op aarde verlopen is in het gemiddelde menselijke bewustzijn. Hiermede is het raadsel voor ons opgelost. Voor u zou een dergelijke vaststelling mogelijk zijn door vergelijking van reactievermogen, gemiddelde bewegingssnelheid, duur van leven en werking van metabolisme. Dieren, die kort leven, zijn over het algemeen ook snel in bewegingen en reacties. Wezens die een lang leven hebben, zijn trager in reacties en soms ook bewegingen – zeker in verhouding tot afmeting – doch langer van geheugen. Bestudering van deze gegevens, voor zover stoffelijk beschikbaar, zal u reeds overtuigen dat ik dit niet zonder redenen poneerde.

Om verder te gaan, gezien het feit dat voor het individu bewustwording identiek kan worden geacht met het tijdsbeleven, kunnen wij stellen dat verandering van omstandigheden gelijk komt met het beleven van tijd. Slechts de veranderingen die kunnen worden opgemerkt, in of buiten ons, brengen ons tot beleven.  Conclusie: tijd is een vorm van beweging. Hoe moet dit “bewegen” nu worden gezien?  Men kan stellen dat het gelegen is binnen de bestaande afmetingen, de drie dimensies. Voor de stofmens zal dit juist blijken te zijn, waar zijn eigen wereld alles vertaalt in drie dimensies. Het bewegen, het “pantha rei” in zijn wereld, maakt het hem immers eerst mogelijk verandering en tijd te constateren als schijnbaar objectieve waarden. Ik hoor daar fluisteren dat tijd de vierde dimensie is. Dit is een vergissing die men inderdaad nog al eens maakt. Men stelt foutievelijk, dat de tijd zelf de vierde dimensie is. Ik mag dit misschien even corrigeren en vaststellen, dat tijd ten hoogste een verschijnsel kan zijn, dat voortvloeit uit de ontmoeting tussen de gekende en een of meer andere dimensies. Tijd zelf is een verschijnsel dat subjectief optreedt en wel in overeenstemming met de waarde van de drie dimensies en hun eigen eigenschappen. Het kan dus nooit een zelfstandige dimensie worden genoemd. Tijd is te allen tijde variabel en is voor de mens alleen gebonden aan de mogelijkheden van het bewustzijn.

  • Tijd is toch abstract?

Ik tracht op het ogenblik juist aan te tonen, dat tijd op zich niet abstract is, doch een realiteit die, door het miskennen van de verschijnselen, geheel foutief op aarde gewaardeerd wordt. Tijd is dus feitelijk beweging. Beweging veronderstelt een ruimtelijke verhouding, waarin de beweging plaats kan vinden en merkbaar kan worden. Om een beweging in zijn richting vast te kunnen stellen, moeten wij tenminste twee punten of lijnen hebben, die bekend zijn en in verband met de richting van de tijd kenbaar zijn. Zo kunnen wij een factor berekenen, waarbij de tijd als kenbare lijn in een stelsel van hoeken tot uitdrukking komt. Voorbeeld: stel onze wereld kan worden beschreven in hoeken van 90°. Nu snijdt de lijn van de tijd het vlak dat door de hoek of de ruimte, dus door het systeem van hoeken wordt begrensd. Eenvoudigheidshalve de voorstelling beperkend tot twee dimensies, en slechts een hoek van 90°, dan komen wij tot de conclusie, dat de tijd niet alle daar binnen liggende waarden gelijkelijk aantast. De verdeling door de lijn “tijd” laat ons dus niet twee vlakken aan  geven door hoeken van 45°, die tezamen de richting en werking van de tijd uitdrukken, doch bv. één vlak met een hoek van 60° en één van 30°. Beide tezamen stellen zij dan onze wereld voor. De verdeling geeft de invloed weer van de tijd op bepaalde delen van een gebied van de wereld.

De lijn “tijd” is te vergelijken en te berekenen t.o.v. alle in deze wereld als lijn uitdrukbare waarden. Zij is hierdoor dus in feite een vaste waarde geworden. Het feit dat zij onder variabele hoeken in de wereld op kan treden, zodat haar werking op verschillende materiële krachten een vergroting van veranderlijke waarden in de wereld betekent, impliceert dat zij meetkundig als vaste en berekenbare waarde kan worden gehanteerd. Zij is vergelijkbaar met elke andere erkende waarde binnen een driedimensionaal systeem. Met dit systeem tezamen verwerkt, kan een verwerken van tijdswaarden dus in feite een verplaatsen van een dimensionaal vastgesteld punt binnen het stelsel betekenen. Dit laatste is hoofdzakelijk bestemd voor hen, die eventueel verder op het probleem in zouden willen gaan. Het feit dat beweging in ruimte zowel bewustwording als tijd met zich brengt, houdt in dat overal waar bewustwording is, zowel tijd als beweging zullen bestaan. Verder zal de tijd altijd in directe relatie kunnen worden gebracht met de beweging, of bewustwording, binnen de door gekende dimensies omschreven wereld, voor de mens meestal drie.  Voor de geest zal het stelsel van de dimensies, dat nodig blijkt voor het scheppen van een tijdscontinuïteit binnen het bewustzijn, tenminste zes grondlijnen bevatten. Dit laatste verzoek ik u, op grond van mijn eigen leven en ervaren, voor een ogenblik aan te nemen.  Voor de mens kunnen wij dan verder nog zeggen dat het tijdsbeleven niet alleen van het bewustzijn zelf afhankelijk is, maar klaarblijkelijk mede nog kan worden beïnvloed door waarden, die thans nog buiten de door u gekende krachten en richtingen van de wereld liggen. Voor de geest liggen deze invloeden als een scheidslijn tussen twee driedimensionale werelden, die op een gegeven ogenblik beide geheel voor haar kenbaar zijn. Zij is een scheidslijn, een grens geworden, omdat de verschijnselen – van de tijd dus – de relatie tussen beide systemen aangeven.

Naast de persoonlijke tijd is er dus nog een tijd, die reëel bestaat en voortkomt uit het kenbaar worden van waarden in een driedimensionaal stelsel, wier oorzaken elders zijn gelegen. Wij kunnen dus wel zeggen, dat tijd een reëel verschijnsel wordt, zodra twee werelden van verschillende geaardheid elkaar ontmoeten.

Welke werelden kennen wij nu? In de eerste plaats de wereld van de materie, in de tweede plaats de wereld van de geest. Meer technisch, vormbehoudende materie en niet vormbehoudende materie zonder vaste eigenschappen. Dan is tijd onder meer het verschil in binding tussen de kleinste delen van de stof. Dit komt eerst zuiver tot uiting, wanneer zij zich niet gescheiden bewegen, doch elkaar beïnvloeden. De invloed van de andere materievorm zal dan verschijnselen doen ontstaan in elke wereld, die beweging, verval en opbouw kunnen veroorzaken, en elk op zich dus binnen elke wereld beleven en leven eerst mogelijk maken. De plaatsing van het Ik in, of ten opzichte van, één of beide werelden zal bepalen, hoe het tijdservaren en het beleven voor het Ik plaats vindt en verloopt, en welke waarde de tijd in het eigen leven van geest of mens zal hebben.

  • Uit uw spreken over uw eigen wereld maak ik op, dat deze zich ten opzichte van de onze verhoudt als een lichaam ten opzichte van een vlak. Tenminste kort na de overgang.

Kort na de overgang is er een tweeledigheid, omdat het wezen, levende in de nieuwe, geestelijke wereld zich nog vastklampt aan de verhoudingen, vormen, voorstellingen en wetten van de oude wereld. Dit is een bewustzijnskwestie, die niet direct met de feitelijke waarden van de werelden gerelateerd is, tenzij wij de wereld zelf als een bewustzijnstoestand voor gaan stellen. Indien wij dit laatste doen, is het dwaasheid ook maar iets, tijd, wereld, of zelfs eigen leven, als een realiteit te behandelen. Het feit dat wij bestaan en onszelf binnen dit bestaan au serieux nemen, houdt m.i. ook in, dat wij alle moeite zullen moeten doen om een redelijk verband te zien tussen ons en onze wereld. Hierbij nemen wij zowel het Ik als de wereld aan als werkelijkheid, onverschillig of de beleving en verschijnselen van beide al dan niet reëel bestaan op de wijze, waarop wij ze menen te erkennen.

Wij hebben nu getracht het wezen van de tijd in haar verschijnselen te benaderen. Maar achter de tijd moet het geheim ook weer schuilen van het eeuwige, het tijdloze. Misschien zouden wij nog het beste kunnen zeggen, het werkelijke geheim van de tijd is de eeuwigheid. Eeuwigheid ontstaat voor ons op het ogenblik dat geen bewustzijn van veranderingen meer op kan treden, zodat al het voor ons bestaande gefixeerd is, zonder dat daarin voor ons nog enige verandering aanvaardbaar of mogelijk is. Anderzijds zal hierdoor geen enkele wijziging in het bewustzijn, door het ervaren van verandering of beweging, meer op kunnen treden. Tijd is voor ons alleen reëel, zolang wij met ons bewustzijn vertoeven aan de grens van twee werelden, die beide voor ons werkelijk zijn of kunnen worden. Van tijd zal, zeker als realiteit, voor ons echter geen sprake meer zijn, zodra wij binnen ons wezen beide werelden en alle besef daarvan tot eenheid maken.  Op het ogenblik dat de eeuwigheid voor ons begint, zijn alle voor ons beleefbare werelden zodanig in ons tezamen gebracht, dat wij daarin geen verschillen of scheidingen meer kennen, doch alles zien als complementen van de waarheid, elkaar aanvullende tot een onveranderlijk en onverbreekbaar geheel. Nu hebben wij voor ons althans de tijd reeds teruggebracht tot een verschijnsel, dat alleen voor ons bestaat wanneer wij de eeuwigheid, het onveranderlijke delen.  Ik durf nu te stellen dat tijd de eigenschap is van elke wereld, die bestaat uit een tweeledigheid van elkaar aanvullende waarden als bv. stof en geest. Het verschil tussen stof en geest kan dus in tijd worden uitgedrukt, waarop alle erkenning, of beweging die tijd als eigenschap tenminste bezit, berust. De tijdsnorm van een wereld zal slechts de verdeling van de totale verschijnselen betekenen, in voor het geheel van deze wereld aanvaardbare perioden, die bij een bepaalde graad van bewustzijn een bepaalde klasse en inhoud van beleven weergeeft.

  • Wanneer in de eeuwigheid geen erkennen verder meer plaats vindt, lijkt dit voor mijn begrip verstarring?

Inderdaad. Vanuit stoffelijk standpunt, verstarring. Maar dit alleen wanneer er sprake is van stilstand in onvolledigheid.  Bij een volledigheid zal geen verstarring optreden, doch zal slechts een volkomen evenwichtigheid in volkomen rust tot uiting komen. Verstarring is het gevolg van een kunstmatige remming, waardoor geen mogelijkheid tot verder zoeken naar een natuurlijk evenwicht meer kan bestaan. Het verschil ligt in de wijze van de wereldaanvaarding op het ogenblik van absolute stilstand, niet alleen in het verschijnsel van de stilstand zelf. Bij een algehele aanvaarding van het Goddelijke, het totaal zijnde, kom ik binnen dit totaal zijnde tot stilstand door éénwording, waarin ik zelf een geheel evenwichtig wezen ben, zonder noodzaak van verandering, terwijl ik tevens deel ben van het volmaakte evenwicht zelf: God.  Wanneer ik echter een deel van het ware verwerp en blijf vasthouden aan mijn eigen onvolledige visie, zonder verdere mogelijkheid tot uitbreiding of wijziging daarin, zal ik evenzeer het begrip “eeuwigheid” kennen.  Deze is echter onvolmaakt en een voortdurende beproeving voor mij, daar ik in dit geval de in mij heersende noodzaak tot evenwicht zoeken, moet blijven compenseren met een voortdurende krachtsinspanning, die mij in staat stelt eigen onwaarheid en gedeeltelijke waarheid, zonder verdere uitbreiding of verandering, te blijven handhaven.  Verstarring is de eeuwigheid van de hel, terwijl de eeuwigheid van het Goddelijke tevens het volmaakte bereiken inhoudt.  Zover mij bekend zal geen enkel wezen over de kracht beschikken, die nodig is om een verstarring door alle tijden te blijven handhaven. De eeuwigheid van de hel is wel een bestaande waarde, maar zal door het individu niet als zodanig onbeperkt kunnen worden ondergaan, omdat het individu niet in staat is zich bij voortduring tegen de waarheid te verzetten.