Het sterven in al zijn facetten, mede in verband met reïncarnatie

image_pdf

2 april 1973

Allereerst weer de u waarschijnlijk bekende mededeling: ik ben niet alwetend of onfeilbaar, evenmin als alle andere sprekers van onze groep. En, zoals u weet, hebben we vanavond een onderwerp met een zeer Duitse titel: Het sterven in al zijn facetten, mede in verband met reïncarnatie.

Ik vind het een schitterende titel en er is heel wat over te zeggen. Daarom hoop ik dat u mij zult toestaan om in deze inleiding de zaak een beetje puntsgewijs te behandelen.

We hebben dan in de eerste plaats het sterven. Het sterven begint op het ogenblik dat coma optreedt. Vóór die tijd kun je dus wel stervende zijn, maar er blijft dus contact met de buitenwereld. Ook wanneer coma niet normaal optreedt, moet worden gesteld dat pas op het ogenblik dat de bewustzijnsdrempel dermate verhoogd is, dat geen signalen uit de buitenwereld meer bewust kunnen worden ontvangen, van werkelijk sterven sprake is. In deze periode kan een enkel ogenblik komen van hernieuwd bewustzijn en hernieuwd contact. Dit echter is over het algemeen eerder door de geest geïnstigeerd dan door het lichaam. Het is een laatste vonk energie, die de geest aan het lichaam schenkt, vermoedelijk ook omdat men daarmee dan nog contact op kan nemen met de mensen die in de omgeving zijn. Voor de entiteit zelf is de periode van verlaagd bewustzijn in wezen een periode, waarin impulsen uit de wereld, die u het hiernamaals noemt, doordringen in het bewustzijn. In deze periode is het mogelijk dat men ontmoetingen heeft, dat men personen ziet die al overgegaan zijn, muziek horen en dergelijke. In enkele gevallen is men ook nog in staat daaraan uitdrukking te geven, in vele gevallen niet. In andere gevallen kunnen er ook in die periode angstsituaties ontstaat. Indien die angst erg groot is, kan er ook een schok ontstaan. De stervende zal dan vaak minder mooie woorden uiten, zonder zich dat helemaal te realiseren.

Dan begint dus het eigenlijke proces, want de geest verlaat langzaam het lichaam. Dit kan langs verschillende wegen gaan. Bij de meer bewusten is het meestal via het kruin-chakra, in andere gevallen kan het ook zijn via een van de lichaamsopeningen. Wanneer de entiteit het lichaam verlaat, is er nog geen sprake van een onmiddellijk breken van het zgn. zilveren of gouden koord. Dat kan nog wel een tijdje duren. Er zijn gevallen bekend, waarbij tussen de uittreding van de entiteit en het breken van het zilveren of het gouden koord ongeveer twee à drie uur verlopen zijn. Dat is dan ook wel het maximum dat mij bekend is, tussen twee haakjes.

De situatie voor zo’n entiteit is nu als volgt: Je ziet jezelf liggen! Dit is een verschijnsel dat altijd voorkomt. Maar men ziet zichzelf liggen, ja, als op een heel klein, verlicht toneeltje, heel vaak wat cirkelvormig, waarbij personen en het eigen ik in een zeer scherp focus zijn. Men heeft het gevoel enorm groot te zijn. Je kijkt er ongeveer naar, zoals een kind kijkt naar een vlooientheater.

Hier begint dan de grote moeilijkheid voor velen. Je moet nu accepteren, dat je gestorven bent, want na enige tijd zal toch dat gouden koord – of het zilveren koord, hoe je het noemen wilt – breken. Wanneer dat gebeurd is, kun je niet meer terug! Elke impuls van het lichaam is afgesneden. Je kunt nu vluchten in het denkbeeld dat je toch niet dood bent en proberen dus eerst dat lichaam te animeren. Lukt dat niet, dan heeft men vaak de uitvlucht: het een droom en men gaat dus proberen, wakker te worden. En vaak, wanneer men denkt, ontwaakt te zijn, bevindt men zich dus in een toestand, waarin eigenlijk niets kenbaar is: zogenaamd schaduwland. Wanneer je daarin terecht komt, kun je daar langere tijd in ronddolen vaak. Dit komt het meeste voor bij personen, die een betrekkelijk plotselinge dood zijn gestorven.

Dan kunnen we ook zeggen: er zijn mensen die méér bewust zijn. Deze accepteren personen en verschijningen, die in hun omgeving zijn, niet als droombeelden waarvoor je weg moet vluchten, maar als een mogelijke werkelijkheid. In deze gevallen ontstaat contact en zal de persoon zich over het algemeen wat terugtrekken van de materie. Helemaal lukt dat meestal niet. Wanneer je doodgaat, dan zijn er mensen bij het sterfbed en mensen, die zich dat aantrekken en hun gevoelens, hun smart trekken je als het ware steeds weer terug. Bij heel veel mensen zien we dan ook dat ze de eigen begrafenis bijwonen. Voor sommigen een heel verrassende ontdekking dat men zo veel goeds van heeft gedacht. Dat hadden ze nooit gemerkt.

De situatie verandert dan over het algemeen enige tijd niet. De doorsnee entiteit – ik zal het maar voor de doorsnee houden – zal waarschijnlijk enige tijd in retraite gaan. Dat kan lopen in uw tijd van één dag tot zegge een week ongeveer, dat verschilt wel eens. In deze periode ben je eigenlijk druk bezig met jezelf en met je leven. Contacten met de wereld buiten je heb je maar zéér betrekkelijk en dan meestal alleen met die personen, waar je zeer sterke emotionele banden mee hebt gekend. De herbeleving van het bestaan begint meestal bij het sterfbed en loopt terug in de richting van de geboorte. Het is een soort verhaal, waarbij je probeert het een uit het ander te verklaren. Hierbij sla je natuurlijk hele grote brokstukken over, maar alle dingen, die voor jezelf erg belangrijk worden herbeleefd. Het typische verschijnsel is hierbij meestal dat je niet alleen meer voelt, hoe je zélf was op die tijd, maar ook wat je zijn ook betekende voor anderen. Wanneer je iemand slaat, voel je de reden van de slag, maar ook de pijn die de slag veroorzaakt heeft.

Wanneer deze periode voorbij is, dan word je wakker en dan sta je voor de moeilijke vraag of je contact op wilt nemen. Wanneer je contact opneemt met entiteiten, dan moet je ook meteen erkennen, wie en wat je bent. Je kunt dus niets verbergen, je kunt niet proberen te doen of je beter bent dan je werkelijk was. En dat is voor bijna iedereen een beproeving. Dat is het voor mij ook geweest en het duurt wel even voor je eraan gewend bent dat je niet met iemand in contact kunt komen zonder ook je geheimste gevoelens en je diepste herinneringen ter beschikking te stellen.

Wanneer je dat accepteert, dan kom je, wat men noemt “in het licht”. Je leeft dan over het algemeen in contact met anderen, maar met voorstellingen die materieel zijn.

Wanneer je het niet aanvaardt, dan krijg je dus een wegvluchten. Dit wegvluchten heeft iets tragisch, want je kunt je dan eigenlijk met niemand bezighouden. Je probeert te ontkomen aan de noodzaak tot contact door herinneringen op te roepen. Maar die herinneringen bestaan alleen als een soort pseudo-werkelijkheid, zolang je er intens aan denkt. Het meest bekende voorbeeld is misschien de gierigaard: hij zit geld te tellen. Zolang hij zich op de munt concentreert die hij in zijn hand heeft, is zijn schat er niet meer en al het geld dat hij al geteld heeft. Hij moet zich steeds op één punt concentreren, hij kan niet alles tegelijk in stand houden. In dergelijke perioden komt dan altijd wel weer een ogenblik van mindere concentratie en dan is daar weer de mogelijkheid dat anderen je zouden kunnen herkennen. En dan volgt weer een vlucht.

Dit is dan het sterven in zijn voornaamste fasen. De betekenis daarvan voor eventuele verdere incarnatie is sterk afhankelijk van wat je geleerd hebt.

Kijk, wanneer u aan onze kant komt, dan komt u met het beeld, dat u van uzelf hebt. En dan het volledige beeld, niet alleen, wat u uzelf zo graag over uzelf vertelt. En met dit beeld en die herinneringen moet u daarmee kunnen leven, moet je ze aanvaarden en je moet dus gaan begrijpen dat een zekere evenwichtigheid mogelijk is, ook wanneer je je eigen misvattingen en je eigen fouten erkent. Je komt verder vaak tot de conclusie, dat je jezelf bedrogen hebt, dat je heel veel dingen als zonden en fouten hebt beschouwd, die het niet waren, dat je een hele hoop dingen hebt beschouwd als deugden, die het ook niet waren. Dat laatste is ook voor sommigen een hele grote teleurstelling. Zonden vallen altijd mee, maar als je deugden niet echt zijn, dat is een pijnlijke beleving. Dat kunt u zich toch wel indenken, dacht ik.

Goed. Wat je dus eigenlijk hebt gedaan, is a) balans opmaken en b) aanvaarden en proberen tot evenwichtigheid te komen met alles wat je bent. Dit heeft voor een volgende incarnatie misschien niet onmiddellijke betekenis, maar, wat wel iets anders is, dat je, omdat je nu de dingen in hun ware verhoudingen moet aanvaarden, zelfbedrog bijna niet mogelijk is, ook gelijktijdig gaat begrijpen, waar je tekorten liggen, waar je mogelijkheden liggen. Je gaat proberen dat aan te vullen en heel velen onder ons beginnen dus na enige tijd actief te worden. Ze gaan werken, hetzij in hun eigen sfeer, anderen helpen, die pas zijn overgegaan. Ze proberen misschien degenen, die in het duister zitten, te helpen om eruit te komen. Ze kunnen, zoals ik, naar de wereld gaan om daar iets te doen of iets te zeggen. En zo heeft iedereen eigenlijk wel zijn bezigheden. Die bezigheden worden voor een groot gedeelte mede bepaald nog steeds door wat je geweest bent. Om u een voorbeeld te geven: iemand, die dokter is geweest, zal over het algemeen weinig zin hebben om een preek af te steken. Ze zijn er wel, maar die komen niet zo veel voor. Je zou willen helpen, je zou willen genezen. Zo iemand zal in zijn eerste activiteiten bijna altijd terechtkomen bij geestelijke genezing.

Een dominee of een pastoor – er zijn ook goeden bij ons, dat weet u -er zijn niet alleen slechte – die kan dus zijn neiging om te verkondigen vaak niet onderdrukken. Die zien we vaak na betrekkelijk korte tijd al wanhopige pogingen doen om op een kruis of bord door te komen. Kruis of bord, via, dat is meestal het begin, daarna proberen ze het verder. Maar, ze worden daardoor ook voortdurend weer met de betekenis van hun kennis, van hun achtergrond, van hun denken geconfronteerd. En dat houdt een ontwikkeling in. Wanneer je weer incarneert, dan zeg je tegen jezelf: hoor eens, dat heb ik meegemaakt, dat wil ik liever niet meer. Ik moet dus een omgeving kiezen waarin dat niet mogelijk is.

Zal ik u enkele voorbeelden geven, die dus tamelijk recent zijn?

Om u een voorbeeld te geven dus: Een priester – zeg maar uit 1810 ongeveer- heeft dus een tijd bij ons geleefd en is tot de conclusie gekomen, dat het celibaat en al wat eraan verbonden zat voor hem niet bepaald gunstig is geweest. Aan de andere kant was zijn gevoel van priesterlijkheid en beschouwelijkheid voor hem erg belangrijk. Hij is uiteindelijk gereïncarneerd in de buurt van Cambodja, is boeddhist geworden, boeddhistisch monnik, maar wel van een orde die wel mag trouwen. Hij zit nu nogal in de moeilijkheden en zal daar waarschijnlijk wéér een hele hoop uit leren.

Velen van u hebben zo het gevoel: ja, reïncarnatie dat wordt bepaald alleen door het leven dat je hier hebt. Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Wanneer je incarneert, doe je dat op basis van de totale kennis, beheersing, inzichten, inhoud, evenwichtigheid, die je verworven hebt en wel op het ogenblik dat die incarnatie noodzaak wordt. Het is dus helemaal niet zo, dat men zegt: kijk eens, Jansen is doodgegaan, hij is paardenslager geweest, nu gaat hij een stapje hogerop en wordt geboren in een vegetarische omgeving en hij zal later leider worden van de PSP of zoiets. Je zou u dat voor kunnen stellen, maar het is helemaal niet zo. Die slager gaat over. Maar goed, wat moet hij gaan leren? Niet, wat de mensen goed en kwaad vinden, want dat is eigenlijk niet zo belangrijk. Hij moet gaan uitvinden wat het leven is geweest. Hij moet uitvinden waar hij zelf gefaald heeft en hij moet proberen dat aan te vullen.

En nu zijn er dus in de sferen verschillende mogelijkheden om te leren. Er zijn contacten met wat wij hogere sferen noemen, wijze entiteiten dus die hoger staan dan wijzelf en die wij vaak niet helemaal kunnen volgen, maar waar we dan toch wel het een en ander van kunnen begrijpen. In andere gevallen is het gadeslaan van het leven, zelfs een door die beschouwing misschien allerhande kennis opdoen omtrent materieel bestaan. Je kunt in de sfeer van gedachten uitwisselen met anderen – door vergelijking van ervaringen kun je ook vaak heel wat leren – kortom, je vormt jezelf wel degelijk. En wanneer je uit die vorming dus reïncarneert, dan is dat eigenlijk iets wat het resultaat is van je geestelijk leven in de sfeer, zo goed als van je voorgaand stoffelijk bestaan.

Sterven op zichzelf is iets, waar een hele hoop mensen bang voor zijn. Misschien mag ik hier ook een paar punten geven. Wanneer u weet dat u sterven moet, dat kan voorkomen, nietwaar? – dan is het erg om te begrijpen dat, wanneer iets onontkoombaar is, het geen zin heeft je ertegen te verzetten. Het is belangrijk dan je energie te gebruiken voor die dingen, die je nog wel belangrijk acht. In heel veel gevallen zul je daardoor een zekere ontspanning krijgen ten aanzien van die dood, want sterven is niet pijnlijk. De mensen denken dat, omdat ze zien dat dat lichaam ten koste van alles zichzelf in stand probeert te houden. En ze denken: dat moet toch enorm pijnlijk zijn, dat moet verschrikkelijk zijn, die benauwdheid. Wat men vergeet, is dat het bewustzijn op dat ogenblik daar praktisch geen deel aan heeft. De pijn die je zo hebt, kan dus de pijn zijn die je hebt, maar tenzij je met alle kracht probeert om je aan dat lichaam en die toestand van bewustzijn vast te houden, verdwijnt ze betrekkelijk snel.

Dan is er een ander punt. Wanneer je doodgaat, dan zijn er geen dingen meer die je nog moet doen. We zijn nooit klaar, we hebben altijd dingen die we anders hadden willen doen, we hebben altijd dingen die we menen dat we nog eigenlijk snel op zouden moeten knappen voordat we heengaan. Maar op het ogenblik dat het afscheid nabij is, dan kunnen we daar niets meer aan doen. We mogen het verleden beseffen zoals het is, we mogen zeggen: het spijt ons, maar dat besef dat het niet juist was, zal ons verder helpen.

We moeten daarentegen ook niet proberen te denken dat we onmisbaar zijn. Misschien zijn we dat emotioneel voor anderen, maar in wezen zijn we niet onmisbaar. En dat is niemand. Probeer dus niet voor een ander nog zo lang mogelijk te blijven. Je zult en voor jezelf en voor die andere alleen maar enorme spanningen oproepen. En dat is zelden gunstig. Ga over, zoals je gaat slapen. Zeg gewoon gedag tegen de wereld en droom. Die droom gaat dan wel over in een werkelijkheid. En het is helemaal niet belangrijk, wanneer je dat ontdekt. Dat komt allemaal later.

Stel u ook alstublieft niet voor dat die dood gepaard moet gaan met bepaalde verschijnselen. Er zijn mensen die doodongelukkig sterven, omdat ze verwacht hadden dat de hele voorgegane familie klaar zou staan met een kopje thee en een gebakje om te zeggen: wat zijn we blij, dat je erbij komt. En dat is vaak niet zo. Er is altijd wel iemand, die u de weg wijst en u helpt, maar dat zal lang niet altijd degene zijn, die u verwacht.

Wanneer je aan sterven toe bent, of u bent bij iemand, die gaat sterven – dat zijn twee mogelijkheden dus – onthoudt u dan ook dit: Het heeft weinig zin de negatieve dingen op te sommen. Dat negativisme zou iemand bang maken om die nieuwe wereld te aanvaarden. Het zou hem als het ware in de schaduw kunnen doen vluchten. Denk aan de dingen die goed zijn geweest in het leven. Denk aan hetgeen je goed hebt gedaan. En als iemand sterft en je zit erbij, probeer hem duidelijk te maken dat hij wat betekent heeft in het leven, dat het goed is geweest dat hij geleefd heeft. Zeg rustig wat hij allemaal voor belang is geweest, niet met tranen als je ‘t even kunt voorkomen, maar heel gewoon: denk eraan, je hebt ontzettend veel betekent in de wereld. Want dat is hetgeen waardoor je gemakkelijk contact opneemt met anderen, waardoor je gemakkelijk als het ware pijnloos en vlot overgaat. Negen tiende van de ellende bij het sterven is psychisch, is niet lichamelijk. Die lichamelijke kwalen zijn juist erg, wanneer je nog niet dood bent. Maar, wanneer je op sterven bent, dan verdwijnt dat.

O ja, en dan zijn er ook nog mensen, die zeggen: ja maar, hoe is het dan te sterven? Ja, het is doodgewoon, je wordt koud. Het begint bij je tenen je vingers, topje van je neus, je oorlelletjes. Nou en dan wordt het steeds kouder. En als je nu zegt: ik heb het zo ontzettend koud en je gaat je daarmee bezighouden, och, dan is het ook weer een beetje krampachtig. Zeg dan maar rustig: och, het is eigenlijk niet erg, ik kan wel inslapen. Dan heb je er geen last van. Dus, wat dat betreft: sterven is niet moeilijk, wanneer je maar kunt aanvaarden dat dat stoffelijk bestaan nu eindelijk ten einde gaat. En wanneer uw lichaam zich zou kunnen herstellen, dan zal het aan deze houding óók veel meer hebben, want daardoor is het ontspannen, daardoor kan het alle krachten dan nog gebruiken, daar waar het nodig is. Er worden geen krachten verspild met een wanhopig verzet tegen situaties die misschien voor het lichaam niet eens belangrijk zijn en die ten koste gaan van alles, wat het lichaam nog zou kunnen doen om zichzelf in stand te houden.

Dus dat zijn ook nog een paar punten, misschien kunt u er wat mee doen als u zelf zover bent. Uw wereld is nu niet zo mooi. Ze is het misschien wel eens geweest, maar op het ogenblik, nee. Er zijn een hele hoop goede dingen, het is goed om te leven op aarde. Maar aan de andere kant is het net zo goed of beter om te leven in de geest. Maak u zich dus niet al te druk.

Zeg ook niet wanneer je weggaat al: o, hoe zal ik ooit moeten incarneren? Ik hoop voor u dat het niet nodig is, misschien kunt u het zonder dat redden, dat uw bewustzijn zich steeds blijft uitbreiden. En als u het niet kunt redden, nu ja, dan zult u op het ogenblik dat die keuze noodzakelijk is, het zelf wel weten. Het heeft weinig zin om je daar druk over te maken.

Wanneer ik nu verder zo denk aan mensen, dan valt mij altijd op, hoe sterk onlogisch, irrationeel emotioneel ze zijn; een heel mooi woord: irrationeel-emotioneel. Je kunt niet leven met je verstand. De doorsnee mens gebruikt zijn verstand om naderhand te verklaren, wat hij op grond van zijn emoties heeft gedaan en dat dan in een redelijk verband te plaatsen. De doorsnee mens weet dat sterven niet erg is, maar is er bang voor, omdat het, het onbekende is.

U vergeet één ding: u hebt al eens in de sferen geleefd! Wanneer u in die sferen terecht komt, dan is het als het ware of dat allemaal langzaam terugkomt als een herinnering. Je bent veel gauwer thuis in de geest, wanneer je de sfeer aanvaardt, dan je ooit weer als mens volwassen en bewust kunt zijn op aarde.

Onze wereld is mooi, omdat het mooiste dat we in ons dragen, datgene is wat we het liefst met anderen delen. En dat zijn de dingen die voor ons onze wereld vormen, landschappen misschien of steden, of misschien alleen maar wat kleuren, of alleen maar een wazige verte met een berg en een tempeltje. Deze dingen, de schoonheid van uw leven, vindt u terug wanneer u niet bang bent, wanneer u niet probeert om te ontkomen aan de fouten die u gemaakt hebt. Want u hebt allemaal fouten gemaakt. We zitten hier met zo’n paar mensen bij elkaar. En ieder van u moet tegen zichzelf zeggen: als ze mij ooit heilig verklaren, is het één van de grootste vergissingen die ze ooit begaan hebben, hè. Eerlijk is eerlijk. Nu heeft u geen behoefte aan, om heilig verklaard te worden, hoop ik, want dat is tegenwoordig heel erg moeilijk. Tja, het haalt bovendien niets uit. Aanvaard doodgewoon dat je stomme dingen doet, maar aanvaard ook van jezelf dat je goed hebt gedaan. Dat je vaak dingen hebt gedaan, waar je later spijt van had, omdat je toen beter wist. Maar besef dat je heel vaak gehandeld hebt op impuls van het ogenblik en dat het op dat ogenblik goed was, dat het mooi was. En ga er dan later niet over nadenken. Je hebt misschien mensen geholpen en het bleek van de wal in de sloot te zijn, maar je wilde oprecht helpen. Zeg dan niet: die gevolgen zijn mijn schuld in de eerste plaats. Zeg tegen jezelf: ik heb het beste gewild. En vraag je eens af, hoe vaak je eigenlijk iemand bewust of onbewust geholpen hebt. Vraag je af hoeveel mensen toch iets zullen missen als je heengaat. Weet u, dat zijn de dingen die betekenis hebben. En als je dat weet, ach dan kun je het leven bij ons best aanvaarden.

En dan wil ik u nog waarschuwen voor een hele grote misvatting, die komen we elke keer weer tegen. De meeste mensen denken dat karma iets is van zondigen op afbetaling. U zondigt in dit leven, betaalt in het volgende. Het zou een hele mooie reclame-slogan zijn, maar het is niet waar.

Karma dat is: de groei die je in jezelf hebt, het bewustzijn. Alles wat je doet, alles wat je doormaakt, alles wat je leert vormt samen een patroon. Dat patroon bepaalt hoe je verder gaat, waartoe je je aangetrokken voelt, wat je af zult stoten. Het maakt uit hoe je geïncarneerd zult zijn. Maar het zal ook vaak uitmaken waarmee je op die wereld dan wel en niet harmonisch kunt zijn.

Maar verder gaat het niet. Dus denk alstublieft niet: oh, wat heb ik een karma! Zeg gewoon tegen jezelf: dat ben ik! Dat is voldoende. En als u het geluk hebt – en heel velen halen het wel – dat door die zomerland-fase heen komt, die fase van alleen die mooie dingen met elkaar uitwisselen en ernaar kijken en tussen neus en lippen door nog eens een keer ergens iets doen, dan zult u ook ontdekken, dat je – ja, ze hebben het eens genoemd: ‘het ravijn van de tijd’ (natuurlijk heel erg dichterlijk en erg onjuist) – dat je komt op een punt, waar je zegt: ja, tijd is er eigenlijk niet meer helemaal. Tijd is, wat ik leef, niet, wat een ander kan constateren, in mij, aan mij, met mij. En op dat ogenblik krijg je herinnering terug.

Want denk alsjeblieft niet dat je onmiddellijk na de dood – er zijn mensen, die denken dat – dat je ineens weet: oh, ik ben Karel de Kale geweest en Julius Caesar en vóór die tijd ben ik hogepriester van Istar geweest of hoge priesteresse, Cleopatra of zo, – het zijn meestal series, die je dan denkt in samenhang met het geslacht dat je op het ogenblik hebt. Dus denk dat maar niet, hè. Die dingen komen niet onmiddellijk op je af. Al die incarnaties zul je je niet onmiddellijk herinneren. En wanneer je je ze herinnert, dan is dat zoals je je eigen leven terug-beleefd hebt na de dood, als het ware, in die fragmenten, die vormend zijn geweest voor je, die belangrijk zijn geweest voor je. Maar er komt dan een ogenblik, wanneer je die vaste behoefte aan vormuitdrukking langzaam maar zeker verlaat en dan keert je besef terug. Er zijn zelfs entiteiten die weer een periode, een soort retraite, doormaken en dan gaan beseffen wat ze allemaal doorleefd hebben in het verleden. Niet alleen in de menselijke werelden, maar ook in de geestelijke werelden. Je zou kunnen zeggen: je maakt een soort inventaris op om te begrijpen, hoe en waarom je geworden bent, wat je nu bent. En wanneer je dat hebt gedaan, dan kun je over het algemeen wel aanvaarden, dat vormen niet belangrijk zijn, dat het alleen maar gaat om evenwicht.

De nadruk, die mensen op incarnaties leggen, is vaak verkeerd. En ook hier zou ik zeggen: het is niet erg als je het weet. Als je maar niet denkt dat je daarin de verklaring voor vandaag kunt vinden. Want tussen incarnaties ligt altijd nog een geestelijke wereld, waarin je ook verandert.

En voor de rest, ik zou zeggen: sterven en je bezighouden met incarnaties heeft iets gemeen. Als je het ontspannen doet, is het over het algemeen erg gunstig, niet pijnlijk, prettig. Op het ogenblik, dat je er krampachtig mee wordt, met uw krampachtig zoeken naar vorige incarnaties, zult u vaak uzelf misleiden omtrent dat wat u bent. U naar zult in een soort waan gaan leven die u allerhande moeilijkheden kan berokkenen, o.m. een nog sterker afwijken van de werkelijkheid dan voor de mens al normaal is. En daar heb je eigenlijk niets aan. Met sterven is het ook: wees ontspannen en je gaat gemakkelijk over. Het is geen pijnlijke belevenis, ik zeg het er graag bij, het hoeft geen pijnlijke belevenis te zijn. En ik zou zeggen: komen in onze wereld is op zichzelf soms iets vreugdigs.

Zo, dat waren dan een paar hoofdpunten. Laat ik nu eerst eens informeren: was het allemaal duidelijk? Ik dacht dat ik het kinderlijk eenvoudig had gemaakt. Bent u het met een bepaald punt niet eens of moet ik een bepaald punt nader uitleggen? Ook dat niet?

Nu, dan kom ik aan een facet van het sterven, waar de meeste mensen zich religieus altijd erg op spitsen en waar ze heel erg weinig mee doen. Kijk eens, hoe we ook zijn en waar we ook zijn, we zijn altijd ergens deel van God. U kent de stelling waarschijnlijk wel, hè? “God is de totaliteit van het zijn, niets bestaat dan uit zijn kracht, door zijn kracht. En niets kan bestaan in een vorm, een waarde, betekenis of een richting, die God niet als mogelijk heeft gesteld. Daar moeten we van uitgaan.

Nu bent u dus gewoon mens. In uzelf bent u iets wat u misschien God noemt of een andere naam geeft. Want God is het vage, het onbekende, het in wezen onbenoembare, dat we dan aanduiden met een naam waar we alles onder kunnen samenvatten wat we toevallig willen.

Ons begrip van God is een ratjetoe van al onze begrippen van kosmos, eeuwigheid, paranormaliteit etc. Maar in dat alles is er altijd iets, waar we op vertrouwen. Soms vertrouwen we alleen maar dat de wereld beter zal worden, vertrouwen we in Jezus Christus, soms vertrouwen we alleen maar in God of het goede of misschien hebben we alleen maar vertrouwen in onze medemens gewoon, dat zeggen: er moet ergens iets goed of licht Want de vorm, die dit in ons krijgt, dit goddelijke, zal lang niet altijd in overeenstemming zijn met wat er allemaal verteld wordt. U zult heel vaak bewaren een hele hoop dingen te geloven, waar u eigenlijk geen pest van gelooft, maar die u maar aanneemt, omdat u daardoor tenminste nog kunt behoren bij een groepje dat een grote kans heeft op de eeuwige zaligheid, terwijl de anderen arme verdoemden zijn op aarde, of arme heidenen, nietwaar, komt ontzettend veel voor. Maar je hebt altijd iets, waarin je gelooft. Dit iets, waarin je gelooft, is een punt waarop je je beroepen kunt.

Ik kan me voorstellen dat het een schok voor je is als je weet: ik moet van die wereld weg. En dat die ontspanning moeilijk te krijgen is. Beroep je dan op dat punt, die gestalte of wat dan ook, waarin je gelooft. Het is natuurlijk de werkelijke God niet, laten we het er meteen bijzeggen, het is een soort vorm, die u zelf gecreëerd hebt. Maar het is uw voorstelling van iets eeuwigs, iets oneindigs, wat in u leeft.

Wanneer wij ons daarop beroepen, kunnen wij daaruit kracht putten. Het geeft ons een zekerheid, omdat het gelijk zal blijven, terwijl in het onbekende terechtkomen.

Misschien kun je het vergelijken – dat is een heel aardig verhaal, dat heb ik meegemaakt. – ‘t Was een zusje van mij, een klein meisje. Ja, die is ook al lang aan onze kant hoor, die had een ontzettende angst om op zolder te gaan als het donker was. En op een gegeven ogenblik zei vader: jij gaat naar zolder en je gaat dat en dat halen. Dat kind had het niet meer. En toen was moeder net wol aan het kluwen en die zei: Weet je wat, Sientje, houdt dat draadje vast, dan weet je, dat ik bij je ben. Dat draadje was moeder niet, maar voor dat kind was het moeder. Ze was niet bang, omdat ze het draadje had!

En zo moet u dat zien, dat begrip van licht of God. Het is niet de werkelijkheid, zeker niet, maar het is iets, wat ons ermee verbindt. En wanneer we ons daaraan vast kunnen houden, dan zijn we beter bestand tegen de onzekerheid. De angst van de mens voor de dood is over het algemeen eigenlijk vooral de angst voor het onbekende. Ik ken veel mensen die banger zijn voor pijn dan voor sterven als het eropaan komt. Maar dat sterven, je weet niet wat er komen gaat. Zal het nu afgelopen zijn, want je weet toch niet helemaal zeker of er een hiernamaals is. Als je dood bent dan begin je er vaak aan te twijfelen, hoor. Je vraagt je af: Is het zo? En als je dan een beroep kunt doen op die God, dan zijn die onzekerheden onbelangrijk. Dan hou je je niet zoveel met vragen bezig en dan kun je ontspannen als het ware naar je doel toe gaan, datgene wat onvermijdelijk is geworden.

Ik zou zeggen, het is erg belangrijk dat je wanneer je kunt, God inschakelt. Misschien dat je een hele tijd een bepaald geloof hebt verworven. Er is een heel bekend groot filosoof en schrijver geweest, die eigenlijk qua denken en karakter zijn hele leven meer humanist is geweest en zeker niet religieus, maar hij was katholiek opgevoed. En toen hij dus op sterven lag, toen vroeg hij toch om een priester. En hij liet zich toch het Heilig Oliesel toedienen en heeft ook nog zijn schuld beleden. Nu zul je zeggen: is dat nu dwaas? Nee. Op zo’n ogenblik is het niet dwaas, omdat deze mens teruggrijpt naar het oude, om zekerheid te vinden. Zekerheid is één van de meest belangrijke dingen op het ogenblik dat je sterven gaat, je moet een beetje zeker zijn, je moet het gevoel hebben van houvast. En wanneer voor een mens de meest krankzinnige riten en rituelen iets zijn als het draadje wol eens voor mijn zusje, iets, waardoor je de moed hebt, het donker in te gaan, dan is daarmee alles al gerechtvaardigd, dacht ik.

Een ander bijgeloof, dat ik hier onmiddellijk bij moet aansnijden, is de duivel. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat het chaotische, het disharmonische bestaat. Het is er wel degelijk, in ons zelfs ook. Maar dat betekent nog niet dat we het een bepaalde vorm moeten geven.

Door het geloof, door alle eeuwen heen overigens, hoor, het is niet alleen het Christendom of zo heeft men een wereld geschapen van monsters, spoken, demonen. Deze spoken en deze demonen zijn voor een groot gedeelte een projectie van onszelf. Wanneer wij bang zijn voor een duivel, dan moeten wij ons eenvoudig beroepen op God. Niet bang zijn voor die duivel, maar ons omhullen met het licht waarin wij geloven. En wanneer we denken dat we de hel verdiend hebben, och, dan moeten we maar één ding onthouden: er zijn er heel veel die zichzelf voor heilig hebben gehouden en die er eerder in terecht zouden komen dan wij, wanneer ze er reëel was. Er is geen hele Er is een buitenste duisternis, zoals het heet. Er is een duister, waaraan je haast niet kunt ontkomen, iets wat er altijd is, de disharmonie die ontstaat wanneer je het goddelijke en de totaliteit afwijst. Maar begin nu alsjeblieft niet over de duivel.

Ik weet niet of ze tegenwoordig een beetje beter zijn geworden. Maar toen ik overleed, had ik het ongenoegen van de steun van een dominee, een zeer vroom man. Die goede man heeft mij het uur voordat ik sterven ging, beziggehouden met de kwellingen van de hel, het eeuwige vuur en de verdoemenis en de weinige hoop die een mens heeft op Gods genade, die hem daar dan nog enigszins aan onttrekken zal. In de eerste plaats: er zijn betere sprookjes. In de tweede plaats: je wordt er alleen maar benauwd en bang van. En in de derde plaats: God is dan kennelijk genadiger dan degenen die beweren zijn Wil en Woord te verkondigen. Want God geeft geen hel. God oordeelt, ja. Hij oordeelt door het stellen van de twee uitersten, waarbinnen we ons bewegen, de harmonie en de disharmonie. Of, als u wilt, de absolute vorming of de goddelijke gedachte en daartegenover de chaos. Daartussen leven we, daar moeten we tussen leven, anders zouden we ons niet bewust zijn. Zonder tegenstellingen kun je niet leren, kun je niet leven, kun je niet beoordelen. Die dingen zijn nodig. Maar als het eropaan komt, dan is de beoordeling, die we gevonden hebben iets van het. Licht. In de chaos is geen erkenning mogelijk, omdat ze zich voortdurend dermate wijzigt, dat geen vaste regel daarin kan bestaan.

Wanneer wij bang zijn voor die chaos, dan zijn we misschien bang om het licht te aanvaarden, dan zijn we bang om de realiteit te aanvaarden. Laten we ons alsjeblieft bezighouden met het licht, laten we ons gewoon houden aan het feit dat er Iets is.

Weet u Christenen zijn vaak bang dat ze in de hel komen hun zonden. Ze vergeten één ding: Toen Jezus gekruisigd werd, toen hing er zo’n stelletje naast hem, twee moordenaars; twee struikrovers, geen van tweeën gedeugd, hoor. De een bleef doorketteren natuurlijk, om te laten zien hoe groot hij was. De ander erkende de situatie en zei tegen Jezus: Heer, als je nu bij de Vader terecht komt, doe dan een goed woordje voor me. Hij dacht: ach, baat het niet dan schaadt het niet, waarschijnlijk. En wat was Jezus’ antwoord? Voorwaar, ik zeg u, nog heden zult gij met mij zijn.

Met andere woorden: wat je gedaan hebt, is niet zo belangrijk wanneer sterft. Belangrijk is, dat je het sterven kunt aanvaarden en dat je je geloof kunt gebruiken om je angst te onderdrukken als het ware. Het Licht accepteren, dat je zeker sterft, dat je gelukkig kunt sterven. Het is natuurlijk dwaasheid om te zeggen: Oh mensen, wat lekker, nu gaan we vandaag dood. Er zijn weleens mensen die zeggen: ach, was ik maar dood. Dat zijn meestal diegenen die, als het werkelijk erop aankomt, er nog het minste mee op hebben.

Maar, wanneer het nu eenmaal zover is, dan is er het onvermijdelijk. Er zijn veel dingen onvermijdelijk. Je wordt ouder bv. Dat is onvermijdelijk, wist u dat? Je kunt er wel veel aan doen, hoor. Met de juiste doses vitaminen, verschillende soorten, kun je een hele hoop doen. Maar, ouder word je toch. En, al zou je lichaam niet ouder worden, van binnen word je ouder. De spontaniteit raakt weg, de vreugde van ontdekking maakt plaats voor een verveelde herkenning van iets wat je al zo lang hebt gezien. Dus, laten we eerlijk zijn, dat zijn dingen, daar kun je niet aan ontkomen. Je kunt je natuurlijk tegen het ouder worden verzetten. Tot op zekere hoogte gaat dat wel. Maar het is krankzinnig, wanneer je tachtig bent en je probeert te doen of je achttien bent. Dat weet iedereen. Je moet tot op een zekere hoogte aanvaarden wat er is. Er komt een ogenblik dat je er niet onderuit komt. Maak er het beste van. En zo is het met sterven.

En datgene, waardoor we er het beste van kunnen maken, is dat beste wat er in ons bestaat: ons geloof in een God, ons geloof in de liefde, ons geloof in de mensheid. Dat is hetgeen wat de overgang gemakkelijk maakt. En wanneer je dan zo overgaat, kun je ook veel gemakkelijker aanvaarden wat je aan hulp wordt geboden. Je kunt je gemakkelijker oriënteren in die geestelijke wereld; Je kunt er sneller beginnen met actief zijn, met leren, met ervaren, met evenwicht en harmonie vinden voor jezelf. En dan komt er ook veel sneller een ogenblik, dacht ik, dat je kunt zeggen: voor mij is een incarnatie in menselijke vorm niet meer noodzakelijk.

En daarmee heb ik zo het mijne gezegd.

Er zijn nog een paar punten, erg nuchtere punten, die ik nog even wil opsommen en dan is het afgelopen. Punt één: Dat je doodgaat, weet je. Dat je voortleeft, hoop je als mens ten hoogste. Je weet niet of het afgelopen is, je weet niet of het voortgaat. Dood is het onzekere, zodra je haar rede nuchter probeert te benaderen. Op het ogenblik van het sterven kun je dat toch niet volhouden. Heb daarom begrip voor anderen die misschien al eerder hun nuchtere en logische benadering hebben prijsgegeven.

In de tweede plaats: In jezelf bestaan zekerheden. Die zekerheden kun je nooit aan een ander geven. Je kunt hoogstens aan een ander duidelijk maken dat jij die zekerheden hebt, maar dat is alles. In leven en in sterven zul je alleen een beroep kunnen doen op je eigen, werkelijke zekerheden, niet op het gezag van anderen, niet op wat anderen zeggen of geleerd hebben. Niet op het feit dat de hele mensheid altijd geloofd heeft dat er een voortbestaan is en dat er geesten zijn. Alleen op jezelf kun je je beroepen. Datgene wat je eerlijk denkt, hoopt en gelooft. Wees je daarvan bewust. Je kunt hulpmiddelen gebruiken om dat geloof in jezelf te activeren. Je kunt nooit iets krijgen, wanneer het niet in je leeft, zeker niet tegen de dood. Dus, wanneer u altijd als godloochenaar geleefd hebt, u gelooft niet werkelijk in God en voortbestaan, ga er in ‘s Heren naam geen priester bijhalen “voor het geval, dat”. Dat kunt u beter nalaten. Dat is een bespotting van uw zelf innerlijk en van degene die u laat komen. Dan is het verstandiger om te zeggen in jezelf: is er dan iets goeds, waar ik toch in geloof? En je daar dan maar op te richten.

En dan: leven na de dood bestaat. Iedereen zal het op zijn beurt moeten ervaren. Het is niet bewezen op aarde. Daarom is het niet noodzakelijk dat u erin gelooft. U moet er in uzelf in geloven, u kunt hopen dat het waar is.

Maar geef het aan uzelf toe. Wees eerlijk ten aanzien van het hiernamaals, van de eeuwigheid, de hel, de hemel en al die andere dingen. Wees eerlijk ten aanzien van uzelf. Geef toe wat uw hoop is en wat uw innerlijke zekerheid is. Alleen wanneer u zo handelt, zult u bij het sterven gemakkelijker sterven, juist omdat u eerlijk bent tegenover uzelf en dus ook in zekere mate harmonisch kunt zijn en na de overgang. Omdat de mens die eerlijk is tegenover zichzelf, ook gemakkelijker kan aanvaarden dat anderen de waarheid omtrent zijn wezen zullen zien er erkennen, volledig en zonder beperking.

En daarmee heb ik het wel gezegd. Dit was de inleiding.

Als u nu dadelijk op dit terrein vragen wilt stellen, kunt u er nu alvast een paar lanceren. Wilt u wachten tot na de pauze, is ook goed. Zijn er na de pauze geen vragen over dit onderwerp, dan komen andere vragen eventueel aan de beurt, met dit beding: ze mogen niet persoonlijk zijn en u krijgt alleen antwoord, wanneer ik denk dat ik dat verantwoord kan geven.

Tweede deel

Ik hoop, dat u een aangename pauze hebt gehad. Ik ga nu kijken wat er dus aan vragen over het onderwerp is binnengekomen. Graag de eerste schriftelijke vraag.

  • Is er na je dood nog een inwijding naar een ander gebied, dat je dus werkzaam kunt zijn, dus volkomen.

Dat is bijna onvermijdelijk. Alleen, de één haalt het direct, de ander doet wat langer over. En sommigen komen dan toch, ondanks hun werkzaamheid, tot een stilstand en dan moeten ze weer incarneren. Maar iedereen komt uiteindelijk tot wat u inwijding noemt, wat in wezen niets anders is dan een groter overzicht van de werkelijkheid.

  • En dat kan ook in je leven dan waarschijnlijk.

Dat kan in je leven en dat kan ook na je dood.

  • Als entiteiten hun eigen reïncarnatie bepalen, waarom worden er dan nog zoveel kinderen geboren waar de kindersterfte zo groot is (bv. Vietnam)? En hoe is in dit verband abortus te plaatsen?

Nu, dit is een vraag, die eigenlijk een heel lang antwoord zou vergen, ik zal het heel kort proberen te houden. Omdat de beoordeling die u hebt van leven en beleving niet identiek is aan behoefte die de geest heeft voor leven en beleving. U ziet het leven als iets wat op zichzelf volledig belangrijk is, de incarnerende geest ziet het eigenlijk alleen als een soort les, die men gaat volgen, om dan weer verder te kunnen gaan. En dat maakt dus een heel groot verschil uit.

Wat betreft de abortus kan ik alleen dit zeggen: wanneer ze gebeurt in de eerste periode, zeg de eerste drie maanden, dan is het ten hoogste een kleine teleurstelling. Wanneer het daarna gebeurt, dan kan het, vooral wanneer de entiteit zich sterk reeds met het wordende lichaam verenigd heeft, een grote schok zijn, maar heeft dan toch als beleving voor die geest toch weer enige waarde. Voldoende?

  • Neen, althans het eerste antwoord niet. Ik dacht dat er in het leven van een kind van een of twee jaar weinig te beleven was voor een geest.

U realiseert zich waarschijnlijk nu niet meer hoe intens een kind leeft. Een kind beleeft in een minuut vaak meer dan u in een maand. En die belevingen zijn dan in uw ogen misschien niet erg belangrijk, maar voor het kind zijn ze dat wel. En ze betekenen in ieder geval een confrontatie met een wereld, waarin het kind leert zichzelf te omschrijven, iets wat voor de geest uitermate belangrijk is. Dat geldt zelfs al voor de eerste maanden van het leven.

  • Mag ik even vragen: wat bedoelt U met de eerste maanden van het leven?

Zeg de eerste vijf maanden.

  • Na de geboorte?

Na de geboorte. De prenatale periode brengt ook ervaring met zich mee, maar die heb ik opzettelijk niet genoemd, omdat er vele vragen zijn.

  • Ligt de beslissing van al of niet reïncarneren bij de persoon zelf? Hoe staat het aan de andere zijde met de mensen, die je hier op aarde als je geestverwanten hebt beleefd? Ontmoet men elkaar na het overgaan weer of gaat dat op een heel andere manier, bv. zo, dat je meer in groot verband voelt bij elkaar te horen. Of blijft eenieder een apart individu?

Nu, ik zou zeggen dat je in ieder geval na de overgang harmonieën kent, vooral met diegenen met wie je al iets gemeen hebt. En dat betekent dus over het algemeen, dat je degenen die je als geestverwanten beschouwd hebt en die niet alleen naar buiten toe, maar innerlijk verwanten waren, wel zult ontmoeten op de een of andere manier. Want, waar harmonie is, bestaat contact. En daar geldt ook het verschil tussen de sferen niet. De uitdrukkingsmogelijkheid van de harmonie wordt bepaald door degene die in de laagste sfeer is, maar voor de rest blijft dat. Je bent ook een individu. Was dat alles? Ik dacht, dat ik nog een punt vergeten had.

  • Ja, de eerste vraag: of iedere mens zijn eigen reïncarnatie zelf bepaalt?

Ja, dat doe je wel in die zin dat je dus op een gegeven ogenblik niet verder kunt. Dat moet u zich goed voorstellen dus. Er komt een ogenblik, dat je geen nieuwe ervaringen meer hebt en dat is dus een soort isolement. Dat isolement kan in het begin misschien nog wel aanvaardbaar lijken, maar op den duur wordt het ondragelijk. En de enige weg daaruit is dan ook het zoeken naar een reeks van nieuwe impulsen, een confrontatie met een werkelijkheid die zich niet aanpast aan je gedachten en dat betekent incarnatie. Dus in die zin is er wel een dwang. Maar die dwang komt voort uit je eigen bewustzijnstoestand, niet uit personen die zeggen: en nu is het tijd en nu ga je!

  • Wat is bepalend voor het wel of niet incarneren op aarde? Indien reïncarneren niet meer “nodig” is, waar hangt het dan van af of een geest blijft waar hij is of overgaat in een hoger sfeer? Wat en waar is de hoogste staat die een overledene in het hiernamaals kan bereiken?

Ja, dat is moeilijk om dat te beantwoorden. Een deel ervan heb ik trouwens al beantwoord, zo-even. Maar ik zou het zo zeggen: Wanneer je dus komt tot een zodanig grote harmonie, dat een voortdurende verrijking van je contact met de werkelijkheid mogelijk is, is incarnatie niet meer noodzakelijk. Ze kan dan desondanks, door datgene wat in je leeft, misschien wenselijk zijn, maar ze is geen noodzaak meer. Het hoogste wat je kunt bereiken, is voor ons allemaal hetzelfde. Dat is een dermate aanvaarden van de totaliteit, de grote, zeg maar, de tijdloze waarheid, dat je daarbij niet meer de behoefte hebt om jezelf als persoonlijkheid af te zetten tegenover het bestaande, maar dat je dus alleen het bewustzijn van het bestaande in jezelf aanvaardt. En dan blijf je, geloof ik, toch nog wel ergens een individu, maar niet meer in de zin waarin dat normaal beschouwd wordt, dus iets wat begrensd is en zich afzet tegenover de rest van het bestaan.

  • Wanneer men overgegaan is en weer in contact wil komen met bepaalde personen op aarde, met wie we erg verbonden waren, is dit dan mogelijk en op welke wijze gebeurt dit?

Dat is op vele wijzen mogelijk. De meest eenvoudige is meestal het contact opnemen tijdens de slaap van zo’n persoon. Dan is namelijk bij die persoon een hoge bewustzijnsdrempel, dus een grote gevoeligheid voor allerhande impulsen en dan kun je meestal wel delen van het eigen droomleven overstemmen. Zo iemand droomt dan van je en daar kun je dan een bepaalde boodschap in verankeren. Dat is het eenvoudigste. Daarnaast kun je natuurlijk proberen om je kenbaar te maken, te laten zien – dat gebeurt niet zoveel, moet ik zeggen, maar wanneer er nu toevallig een helderziende is en je hebt op dat ogenblik contact of behoefte aan contact, dan is het natuurlijk mogelijk dat je even een astraal gestalte gauw opbouwt waardoor je waarneembaar wordt. Dan kun je verder eventueel via bepaalde mediums je uiten, wat je over het algemeen alleen doet voor dergelijke doeleinden, wanneer je nog niet zo heel erg ver gevorderd bent, dat moet ik erbij zeggen. En dan is er nog één mogelijkheid en dat is wat wij noemen, de volledige empathie, waarbij je dus als het ware jezelf versmelt met de persoon. Het is geen aankleving of aanhechting, maar het is dus een zodanig overbrengen van een deel van je eigen energie en je eigen bewustzijn in die persoon, dat dit als een soort reserve gaat fungeren voor je persoon. Wat je dus niet onbeperkt kunt volhouden, maar wat je, wanneer je eenmaal redelijk bewust bent, toch wel – nu ja, het ligt natuurlijk aan de verbruikte energie maar zeg maar normalerwijs toch wel een week of vijf, zes kunt volhouden. Daarna zul je het moeten onderbreken.

  • Wat is beter, cremeren of begraven? Is het waar dat cremeren een smartelijke ervaring kan zijn voor aard gebonden mensen?

Dit laatste is waar. Maar aan de andere kant is het ook wel zo: het is een paardenmiddel, maar dan weet je tenminste zeker dat je dood bent en dat is in dat geval, geloof ik toch wel, weer een voordeel ook. Ik zou zeggen van mijn kant uit: er is geen bijzondere keuze tussen begraven en cremeren van mijn standpunt uit. Begraven, nu ja, goed, dat lichaam heb je toch niet meer. Wat ze er mee doen, wat maakt het uit? Cremeren lijkt me wat zindelijker voor de mensen op aarde, maar wat maakt het voor verschil uit? Vraagt u zich af, wanneer u een oude jas neergooit, wat er mee gedaan wordt? Of hij verbrand wordt in de vuilverbranding of dat hij uitgeplozen wordt om er nieuwe wol van te maken, zoals dat heet, of wat anders? Dat vraagt u zich toch ook niet af? Wanneer je weet dat je dood bent, dan heb je er geen last meer van. Wanneer je begraven wordt en je denkt dat je het zelf bent, nou dan is het ook geen leuke ervaring, dat is ook erg pijnlijk en erg benauwd. Alleen duurt het dan erg lang. Maar als je het aantal pijnervaringen op zou tellen, dan zou ik zeggen: bij crematie heb je, als totale pijn, iets minder, maar ze is over een veel minder lange tijd uitgesmeerd en daardoor zeer intens. Bij begraving is dus de reeks ellende en pijn die je krijgt, in zijn geheel opgeteld, veel groter, maar ze drenst meer. Laat ik het zo zeggen: het één is kiespijn, het andere is een klap op je kop.

  • Hoe jonger men sterft, hoe groter voorrecht. Is dat juist?

Nu, dat zou ik niet durven zeggen. Het ligt er maar aan wat je geleerd hebt in het leven. Ik zou zeggen, het grootste voorrecht is, dan te sterven wanneer je al de mogelijkheden die voor jou in het leven zijn gelegen aan ervaring en geestelijke bewustwording hebt kunnen gebruiken, of je nu jong bent of oud. Maar ik geloof niet dat je dat in jaren kunt tellen. Maar als je zegt dat het een genade is dat iemand jong sterft, dan doe je dat waarschijnlijk omdat je zelf oud worden niet leuk vindt.

  • Kunt U iets zeggen over het begrip: “De wachter op de drempel” waarover de antroposofen spreken?

Ja, niet alleen de antroposofen, ook de magiërs doen het. Maar, de Wachter op de Drempel is kort en goed dit: de mens die binnen wil treden in de wereld van de geest, wordt geconfronteerd met de waarheid omtrent zichzelf. De mens die zichzelf vreest of de waarheid omtrent zichzelf vreest, zal daarvoor wegvluchten, maar hij wordt dan toch geobsedeerd door datgene wat hij omtrent zichzelf erkend heeft. De wachter op de drempel is dus geen Wezen, geen persoon, maar het is gewoon het product van de ontmoeting met een andere wereld, in jezelf en vanuit jezelf geprojecteerd.

  • Hoe moeten wij de begrippen van “Lucifer” en “Ariman” zien, waarover naar ik meen Zarathustra sprak?

Zarathustra sprak niet over Lucifer, wel over Ariman. En wanneer we dit heel juist zeggen, dan is het eigenlijk dit: De duivel is het negatieve Licht. Hij is niet de verworpene, zoals men vaak zegt of de grote verleider.

Maar hij is dus het contrast ten aanzien van de volmaaktheid van het goddelijke. En dit contrast is voor ons aantrekkelijker, omdat het volmaakte voor ons zo onbereikbaar lijkt. En daardoor worden we vaak dus getrokken in de, wat men noemt, luciferiaanse richting, waarbij je met een onvolmaaktheid desalniettemin je trots en je zelfbewustzijn kunt bewaren.

  • Is het voor U als intelligentie niet een zware opgave om telkens van het stoffelijke lichaam van een aardbewoner gebruik te maken?

Het is op zichzelf geen zwaardere taak dan bv. afdalen naar een duistere sfeer of iemand begeleiden die pas overleden is. Het is een kwestie van vaardigheid, die vaardigheid moet je bezitten, die kun je door oefening verkrijgen ook en als je die vaardigheid hebt, is het op zichzelf niet moeilijk. Alleen denk je dan wel eens, als je weer los bent: jonge, jonge, ik ben toch maar blij, dat ik geen lichaam meer heb. Maar goed, dat zijn weer andere punten.

  • Moet die ander ook die vaardigheid hebben, het medium zelf?

Het medium moet een zekere spiritualiteit hebben en dat betekent dat dus niet elk medium een vaardigheid behoeft te bezitten. Ik heb hier nu toevallig te maken met een medium dat een zekere vaardigheid bezit, waardoor dus bewust eigenlijk iets bepaald wordt. Het medium stelt zich dus bewust open, bepaalt daarbij bewust een grens, beneden die grens is het dus toch gesloten en stelt zelfs in zekere zin tijdslimieten. Dus hier is sprake van zeg maar een samenwerking, waarbij je heel veel meer mogelijkheden hebt om uit te drukken juist omdat die bewuste samenwerking er is, je krijgt bewust beschikking over alles. Bij een ander medium is het zo: je neemt beslag, maar in dat medium is dus geen voldoende afstand nemen van het eigen ik en daardoor heb je met de persoonlijkheid zelf vaak wat meer moeilijkheden. Er zijn dus heel veel verschillende soorten mediums.

  • En de humor is zeker belangrijk.

De humor is voor ons erg belangrijk en gelukkig hebben we een medium waarvoor de humor ook belangrijk is, want anders zouden we daardoor weer een conflict krijgen. Ik vind het bv. heel erg prettig dat ik een medium heb dat zo nu en dan eens wat eruit kan flappen en dan kan ik, wanneer het erop aankomt, het óók doen. Want als je een medium hebt, dat de behoefte heeft, zich als een verheven geestelijk ingewijd wezen te gedragen en ik zou dan proberen, om diezelfde opmerkingen te maken, dan zou het medium als het ware “dichtslaan” dan zou het onderbewustzijn daartegen in verzet komen. En dan zou dat weer moeilijkheden geven met de verdere uitdrukking. Dus het is wel degelijk van invloed. Zeg maar, je hebt verschillende soorten orgels, op dit orgel zit ook een register ‘humor’, op andere ontbreekt het helaas wel eens.

  • Maar is de humor ook niet belangrijk met het sterven? Ik bedoel, als je dus op je sterfbed zou liggen en er zou iemand naast je zitten en moppen vertellen, zouden die vibraties het niet vergemakkelijken?

Nu, als ik terugdenk aan mijn eigen sterven en degene die naast mijn sterfbed heeft gezeten, ben ik geneigd te zeggen dat alles, zelfs vieze moppen me liever is dan praten over hel en duivel. Ik geloof dat humor hier wel degelijk enige zin heeft, maar ik geloof toch dat ook erg belangrijk is je gevoel voor de betrekkelijkheid van de dingen. En onthoudt u één ding: je kunt met een zekere zelfspot, een vorm van humor dus, en een zekere ironie het sterven aanvaarden, maar op zichzelf is het een zaak, die absoluut niet humoristisch is. Dat kun je dus niet vervangen. Je kunt niet zeggen: ik zet de humor in de plaats van het sterven. Je kunt hoogstens zeggen: tot het ogenblik dat het sterven aanbreekt, wil ik de humor aanvaarden, maar ik moet toch ook de ernst van het sterven beseffen. Want dat is nu eenmaal iets wat je in dit menselijk leven maar één keer doet en profiteer er dan van, dan leer je er nog wat van.

  • Is het voor degenen die over zijn gegaan, voor hun rust slecht, als achtergebleven familieleden proberen, met hem contact te krijgen? Weet u of het tijdstip, waarop men sterft, tevoren is bepaald?

Nu, dat zijn er weer twee, vooruit maar, als we haast hebben. In de eerste plaats, het kan heel erg hinderlijk zijn, wanneer ze voortdurend aan je jas komen trekken, of je alsjeblieft even wil komen praten. Een geest, die behoefte heeft om zich te uiten, doet het ook spontaner, die zoekt zelf de gelegenheid wel. Maar vooral kort na de overgang ben je heel druk bezig om je aan te passen als het ware aan je nieuwe bestaan. Als je dan voortdurend terug wordt gehaald door wenende familieleden, dan is dat wel ergens vleiend, maar aan de andere kant betekent het toch, dat je veel energie verliest, die je op dat ogenblik eigenlijk nog niet kunt spenderen. En dan moet je dat dus weer van anderen gaan lenen, dat is minder prettig. En punt twee was?

  • Of het stervensuur bepaald is.

Wat moet je daar over zeggen? In God zal het waarschijnlijk wel vastgelegd zijn. Of het bepaald is, zeker niet in dien zin, dat het onontkomelijk is. Maar de praktijk wijst uit, dat op het ogenblik, dat een entiteit, een geest dus, al zijn doeleinden met het stoffelijk leven heeft kunnen vervullen, daarmee ook het contact met de stof door die geest wordt verbroken. En daarmee ontstaat dan dus de dood. Juist degenen, die niet tevreden zijn met hetgeen ze in zichzelf bereikt hebben, zijn geneigd zich vast te blijven klampen aan die stof, in de hoop dat er nog iets komt, terwijl ze weten dat er niets meer komt. En die leven dus veel langer, dan ze zouden moeten leven.

Maar, het stervensuur bepaald in die zin, op die dag en dat uur zult u sterven, dat staat misschien vast bij God, maar dat staat in ieder geval niet vast in de tijd.

  • Is het waar, dat U van ginds uit nog invloed kunt en wilt uitoefenen op het gebeuren hier op aarde?

We proberen het wel, maar het is soms verdraaid lastig. Weet u, de wereld wordt voor een groot gedeelte beheerst door mensen, die min of meer egomaan zijn. En dat betekent dat ze alles in zuiver persoonlijke termen zien en dat je ze heel moeilijk kunt bereiken. Tenzij je je ze eigenlijk in hun persoonlijk leven aanpakt, maar ‘t wordt wel eens gedaan. En de Witte Broederschap als zodanig probeert dus uit de onvermijdelijke en bestaande situaties een maximum aan nut te puren, dus een zo groot mogelijke bewustwording voor de mensen tot stand te brengen. Dat betekent dus niet dat we alles goed vinden wat er gebeurt, maar het betekent wel dat we proberen om, nu de dingen eenmaal gebeuren, ervoor te zorgen dat de mensen daar zo bewust mogelijk door kunnen worden.

  • Is menselijke nieuwsgierigheid schadelijk of bevorderlijk voor de voortgang van de persoon?

Ik zou zeggen: een mens, die werkelijk niet nieuwsgierig is, is iemand, die maar half leeft. Want je leeft om te ontdekken wat de wereld is. En op het ogenblik dat je ophoudt ontdekkingen te doen op die wereld, leef je eigenlijk niet meer. Je bewustzijn moet voortdurend geconfronteerd worden met nieuwe waarden. Iets anders is, of alle nieuwsgierigheid even gezond is. Ik geloof, dat een nieuwsgierigheid, die zich bezighoudt met dingen, die je helemaal niet aangaan en waar je niets aan kunt doen, eigenlijk wel een beetje krachtverspilling is. Maar ik zou graag willen dat de mensen nieuwsgierig blijven, naar de reden, waarom iets gebeurt, naar de zin van iets. Dat ze nieuwsgierig blijven naar de mogelijkheden die er misschien toch ook nog zijn. Dat ze altijd als het ware een stapje verder kijken. Een mens op aarde is pas een mens, wanneer hij altijd droomt van het land achter de horizon.

  • Als U gebruik maakt van het lichaam van het medium, wat treedt er dan van het medium uit? Het astraallichaam, het geestelijk lichaam?

Astraal en geestelijk treedt uit. Van het levenslichaam wordt een deel geprojecteerd als verbinding naar het eigen ik. Wat overblijft is dus in wezen een lichaam met actief functionerend zenuwstelsel etc. – er kunnen kleine wijzigingen ontstaan in pols en zo, maar dat is toch niet zo erg belangrijk, hartslag wordt dus wel en beetje bepaald door intreden en wat erbij te pas komt, maar voor de rest blijft het betrekkelijk normaal. En dan heb ik dus de beschikking over de hersencentra van het medium en vanuit die hersencentra druk ik mezelf eigenlijk voornamelijk uit. Ik werk dus met een projectie van begrippen, die door het medium worden omgezet in mogelijke woorden en wanneer de woorden niet juist genoeg zijn gekozen, dan projecteer ik nog een beeldje en dan komt er een extra omschrijving bij en dan klopt het meestal wel.

  • Zijn er geen gevaren verbonden aan het intreden? Voor de hersencellen?

Nu, voor de hersencellen is dat gevaar heel erg gering. Voor het zenuwstelsel zou het iets groter kunnen zijn, vooral, wanneer dus niet tevoren een aanpassing zou hebben plaatsgevonden. Bij een bewust medium is die aanpassing er meestal wel. Het grote gevaar is wel dat dus het zenuwstelsel plotseling zou reageren op een of andere prikkel – ongeacht de verhoogde bewustzijnsdrempel – dus kort voordat we gaan overnemen. Dan zou er dus een enorme schok zijn en dat heeft dan weer versterkte adrenaline-afscheidingen en de rest ten gevolge. Dat betekent dat je dan wat moeilijkheden hebt en dat ook het lichaam vaak zichzelf minder prettig voelt, nadat je het verlaten hebt. Er zit een zeker risico aan, maar ik zou zeggen, het risico is niet veel groter, dan dat van een koorddanser of iemand, die een grote verkeersweg even over wil steken met druk verkeer. De gevaarfactoren in uw eigen leven zijn dermate groot, dat ik geloof dat je niet moet zeggen: dit gevaar is veel groter. Maar er is een risicofactor.

  • Dat astrale lichaam, dat dus uittreedt, het medium, waar blijft dat? Blijft dat om het stoffelijk lichaam heen, of …

Nu, dat gebeurt wel maar hier hebben we toeval te maken met een medium, dat weet, dat het bemoeiziek is. De meesten weten het niet, helaas. En dat daarom dus het eigen bewustzijn weg projecteert. Ik weet dus niet precies, waar hij naar toe gaat. We nemen hem ook vaak mee, hij heeft aan onze kant ook wat vrienden, waar hij dan vaak naar toe gaat en waar hij dan ook wat leert – andere dingen weer dan u misschien, maar hij leert toch ook wat. Nu daarnaast gaat hij wel eens hier of daar kijken, bv. op uw eigen aarde.

  •  Waar komt de bevolkingsexplosie vandaan?

Nu, ik zou zeggen uit twee feiten. In de eerste plaats, dat op lager niveau de bezielingsmogelijkheden voor lager gevormde geesten aanmerkelijk minder zijn geworden, zodat ze vaak te vroeg naar een menselijk voertuig grijpen. En punt twee zou ik zeggen, doordat de mens nog niet begrepen heeft, wat zijn aansprakelijkheid is tegenover het leven dat hij voortbrengt.

Ja, dan zijn we gekomen aan het laatste stukje, als altijd een improvisatie. U kunt zelf kiezen hoe u het hebben wilt, hoor. Wat mij betreft, u kunt een sprookje krijgen, u kunt een dichterlijke improvisatie krijgen, u vertelt het maar. Een sprookje, iedereen het er mee eens? Nu goed, waarom niet. Drie woordjes, graag. Heb ik nodig, om er wat van te maken.

Geluk, wijsheid, liefde.

Nu, daar zouden we wat leuks van kunnen maken.

Weet u – het is al lang geleden hoor – er was eens een meisje, dat als klerk fungeerde. En vrouwelijke klerken zijn natuurlijk nooit volledig geëmancipeerd, zodat er aan haar geluk wel wat ontbrak. Ze vond de wereld wreed, haar baas onmogelijk, zowel in de wijze waarop hij haar soms achtervolgde als waarop hij haar werk opdroeg, kortom ze had grote bezwaren tegen de wereld. Nee, zei ze, geluk ken ik niet.

En zo ging ze wandelen. En op een gegeven ogenblik – zoals ik zeg, het is lang; geleden – zag ze een ruiter die door het park reed op een paard. Een grote, edele figuur. Ze zei tegen zichzelf: Oh, als die man nu eens naar mij zou kijken. Maar hij keek niet, want hij was druk bezig met anderen, zoals dat gaat met ruiters, die met ruiters praten. En bovendien vinden ze dan vaak een paard belangrijker dan een voetganger. U weet het zelf.

Maar, wat gebeurt er. Ergens zat een gnoom, die dat geval gezien had en die dat meisje eigenlijk wel wat gunde en eerlijk gezegd de ruiter ook wel, omdat hij zo verwaten keek. Dus liep hij snel voor het paard door. En het dier, dit ziende, steigerde. De edele figuur was opeens niet edel meer en zat, ongevoeglijke woorden uitbrakende, op het achtereinde van zijn rug, vlak voor het meisje, dat met een verschrikt: “Oh!” hem ging helpen.

En zie, er kwam een klein lichtje in zijn ogen. Haar hart klopte reeds. Haar hart bonkte. En het vuur in zijn ogen werd vuriger. En hij sprak: Mejuffrouw, hoe kan ik mijn dank uitdrukken, voor de zorg die u aan mij hebt besteed? Mag ik u misschien, wanneer ik het paard tenminste heb weggebracht, uitnodigen voor een thee?

En zo gebeurde het. En zie, uit de verliefdheid van het meisje en uit de verwaandheid van de ruiter groeide langzaam maar zeker iets, dat geen vuur meer was en geen bonken van harten, maar eerder een vreemde trilling, een flits die heen en weer schoot, totdat ze soms elkaars gedachten uitspraken.

En toen keek hij naar haar en zei: “Mejuffrouw, zou u mij voor willen stellen aan uw ouders. Ik zou hen willen vragen om uw hand”. Want zo zei men dat toen, hij knielde er zelfs bij. Niet, dat hij het meende, maar hij dééd het.

En zo, vrienden, vroeg hij om haar hand. En hij was voortaan wederom ruiter, zij het niet te paard. En er kwam nageslacht. Geslacht na geslacht stelde zich op. Ze werden oud en ze waren altijd wat verliefd.

Totdat er een ogenblik kwam dat de dood voorbijkwam. En, omdat de ruiter uiteindelijk een edelman was, kwam hij te paard. En hij sprak: “u kunt kiezen, wie van u beiden zal gaan. Maar één van u moet nu mee. De ander kom ik binnenkort halen.” Hij deed of het een gunst was, maar in feite had hij in de zak met dode zielen geen plaats meer voor veel, hij kon er nog maar één meenemen. Vandaar. Want ja, de dood is ook een practicus, maar hij stelt zich, net als de mensen, vaak even aan.

En daarop keken die twee elkaar aan. En ze vroegen: “Wie zal gaan?”

En het vrouwtje zei: “Laat mij nu maar gaan, want jij, je hebt nog zoveel om voor te leven. En ik, ach, de kinderen hebben me niet meer nodig. En jij kunt toch nog wel wat anders vinden.” Maar de man zei: “Ja, maar zonder jou zou ik toch niet kunnen leven. En de kinderen hebben hun moeder nodig: Ik zal gaan”.

En toen, toen kwam er ineens een vonkje. Net of hun liefde de wijsheid had gewekt. En tezamen, unisono, zeiden ze: “Dood, als we niet samen kunnen gaan, gaan we niet “.

En toen zei de Dood: “Weet je wat, ik kan je niet in de zak duwen bij de andere dode zielen. Kom maar achter op mijn paard zitten!”

En zo reden ze samen weg. En ze hadden de grootste wijsheid gevonden, die er op de wereld bestaat: Dat mensen pas werkelijk de liefde kennen, wanneer ze alles willen geven voor elkaar. En ze hadden ook het ware geluk ontdekt: te weten, dat een ander alles voor je wil geven, te weten, dat je jezelf voor een ander wilt geven.

Want, als je zo verbonden bent, al is het maar met één mens, dan bloeien de hemelen voor je open, want ze zijn deel van je geworden. Dan spreken de bloemen en de vogels die misschien in de hemelruimten zijn, dan spreken de engelen, allen met één en dezelfde stem, de stem van de wijsheid, die zegt:

Eerst wanneer je liefhebt boven alles, beantwoordt Al je liefde. En in deze liefde van het Al zul je pas werkelijk jezelf vinden. Dit is de hoogste wijsheid. Ja, en zo is het. Ze leefden niet lang en gelukkig, ze leefden eeuwig.

image_pdf